De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XVI - HAND.9:23-43

PAULUS NAAR HUIS GEZONDEN

ET VERSLAG VAN DE BEDIENING

VAN PETRUS HERVAT

DE ONTSNAPPING UIT DAMASKUS

 "En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad om hem te doden. "Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem mochten doden. "Doch de discipelen namen hem des nachts en lieten hem neder door de muur, hem aflatende in een mand."  -  (Hand.9:23-25)

De grote vervolger was reeds een vervolgde geworden. Hij was reeds "in gevaar onder (zijn) eigen volksgenoten". In 2Cor.32,33 vertelt hij meer van deze geschiedenis: "De stadhouder van de koning Arיtas in Damaskus bezette de stad der Damaskenen, willende mij vangen; "En ik werd door een venster in een mand over de muur nedergelaten, en ontvlood zijn handen."

Ons wordt verteld dat Arיtas de schoonvader was van Herodes Antipas, en dat hij oorlog gevoerd had met Herodes, vanwege het opzij zetten van zijn dochter, voor de vrouw Herodias van zijn (Herodes') broer Philip (cf. Mark.6:17,18). Als dit waar is, zullen de Joden te Damaskus wel tegen Herodes geweest zijn, en de gouverneur onder Arיtas, zal wellicht iets terug hebben willen doen, door Saulus voor hen te grijpen.

Wat ook de reden mag zijn geweest, de gouverneur van Damaskus sloot de stad, teneinde Saulus onder arrest te stellen. Maar de zaak werd bekend, en Saulus, verborgen in een mand, werd neergelaten door vrienden via een venster over de stadsmuur. Zo begon een lange reeks van gevaren en vervolgingen, waarvan hij enkele opsomt in de lijst in 2Cor.11.

Het is in dit verband interessant op te merken, waar de apostel altijd in roemt. Het is nooit zijn positie of invloed, nog minder zijn vroegere plaats in het Hebreeuwse volk, maar altijd zijn positie in Christus, en zijn vervolgingen voor Christus. Hij ziet dat hijzelf slechts een arme zondaar is; dat hij, ware het niet door Gods genade, nog steeds onder de lasteraars en vervolgers van Christus zou zijn geweest; dat zijn lijden nu, alleen de smarten van Christus zijn.

In 2Cor.12:1-5 roemt hij in de mens "in Christus", iemand die "opgetrokken" was in de derde hemel. Maar hij spreekt ook in 2Cor.11:32,33 van de mens "neergelaten", als een vluchteling, verborgen in een mand, die snachts ontsnapt,*/[i] en vervolgt: "Daarom heb ik een welbehagen in zwakheden, in smaadheden, in noden, in vervolgingen, in benauwdheden, om Christus' wil; want als ik zwak ben, dan ben ik machtig. (2Cor.12:10).

  DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM

"Saulus nu te Jeruzalem gekomen zijnde, poogde zich bij de discipelen te voegen; maar zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was.

"Maar Barnabas hem tot zich nemende, leidde hem tot de apostelen, en verhaalde hun, hoe hij op de weg de Here gezien had, en dat Hij tot hem gesproken had, en hoe hij te Damaskus vrijmoediglijk gesproken had in de Naam van Jezus.

"En hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem;

"En vrijmoediglijk sprekende in de Naam des Heren Jezus, sprak hij ook en handelde tegen de Griekse Joden, maar deze trachtten hem te doden. "Doch de broeders dit verstaande, geleidden hem tot Cesarea en zonden hem af naar Tarsen. "De gemeenten dan door geheel Judea en Samaria hadden vrede, en werden gesticht; en wandelende in de vrees des Heren en de vertroosting des Heiligen Geestes, werden vermenigvuldigd." - (Hand.9:26-31).

__________

*/ Voetnoot: Wellicht noemt hij deze zaak in 't bijzonder, omdat het de eerste van zijn lijdensgeschiedenissen voor Christus was, en een beeld van wat hij moest meemaken, zijn levenlang, als Christen, en als getuigenis.

Zoals we zagen, keerde Saulus bij deze gelegenheid terug naar Jeruzalem om "Petrus te zien" (lett."te ontmoeten") (Gal.1:18). Dit was heel gewoon. Zijn leven was in Damaskus niet zeker, en omdat het zijn grootste verlangen was om naar Jeruzalem terug te keren, het vorige hoofdkwartier van zijn vervolging, zou het gevaar voor zijn leven onder de Joden daar, zelfs nog groter zijn. Hij zou dan onmiddelijk naar Petrus gaan, de leider van de twaalven, en het aangewezen hoofd van de Pinksterkerk, en hem zijn verhaal vertellen.

Maar zijn pogingen om zich met de discipelen te verenigen werden ontmoedigd en tegengestaan, want "zij vreesden hem allen, niet gelovende, dat hij een discipel was" (v.26).

Dit was ook heel gewoon, want het is niet moeilijk te begrijpen, hoe de gelovigen in Jeruzalem zouden terugschrikken, met argwaan en vrees, voor iemand die zo een woedende vervolger was geweest; wiens handen dropen van het bloed, als het ware, van hun eigen verwanten en vrienden.

Maar hier komt Barnabas, "de Zoon der Vertroosting" (Hand.4:36), Saulus te hulp. Er wordt wel verondersteld, dat deze twee elkander al gekend hebben, omdat Barnabas van Cyprus kwam (Hand.4:36), en Saulus uit Tarsen, gelegen tegenover Cyprus aan de Aziatische kust. Hoe het zij, Barnabas nam Saulus bij de hand (zoals het in het origineel staat), en bracht hem bij de apostelen, hun uitleggend hoe de Here hem was verschenen, en hoe Saulus vrijmoedig had gepredikt in Zijn Naam te Damaskus.

Als resultaat nam Petrus klaarblijkelijk Saulus op in zijn eigen huis, want Paulus zegt later, over dit bezoek: bezoek: "Ik bleef bij hem vijftien dagen" (Gal.1:18). Dit verschafte hem enige opening, want we lezen verder dat "hij was met hen ingaande en uitgaande te Jeruzalem" (Hand.9:28).

PETRUS EN JAKOBUS

Uit het verslag in Handelingen alleen, zou kunnen worden aangenomen, dat alle apostelen op dat ogenblik in Jeruzalem tegenwoordig waren. Dit is niet zo, want Paulus zelf getuigt van dit bezoek:

"En zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren" (Gal.1:19).

Nu is het niet vreemd, dat de andere apostelen weggeweest zouden zijn, misschien predikend in andere steden in Judea, en dat Petrus in het hoofdkwartier is gebleven, belast met het gehele werk, maar het is hoogst merkwaardig dat deze "andere apostel" te Jeruzalem, Jakobus, de broeder des Heren naar het vlees, zou zijn geweest, want hij was helemaal niet een van de twaalven, maar een apostel in de twede zin, zoals ook Barnabas later werd.

Er verschijnen twee apostelen met de naam Jakobus op de lijst van de twaalven; Jakobus, de zoon van Zebedeus, en de zoon van Alpheus (Matt.10:2-4). Er is wel gesuggereerd, dat Alpheus de twede echtgenoot van Maria, de moeder van Jezus, is geweest, zodat zijn zoon wel een halfbroer van de Here zou kunnen zijn. Maar de verslagen van de kruisiging verwijzen driemaal naar "Maria, de moeder van Jakobus", in aanvulling tot Maria, de moeder van Jezus, en Maria, de vrouw van Zebedeus. Daar de vrouw van Zebedeus, de moeder was van een apostel Jakobus, en deze andere Maria, de moeder van de andere apostel Jakobus, is het duidelijk, dat Jakobus, de broeder des Heren, niet een van deze beiden is geweest, en daarom ook niet een van de twaalven is geweest.

Verder dient te worden opgemerkt, dat er een Jakobus in de familie van de Here was (Matt.13:55), en dat de broeders des Heren apart worden genoemd van de twaalf apostelen, opgesomd in Hand.1:13,26 (Zie Hand.1:14).

Hier zien we dan de andere apostelen afwezig te Jeruzalem, en alleen Petrus aanwezig, met Jakobus, de broeder des Heren, die niet ייn van de twaalven is.   We herinneren ons, dat onze Here, Petrus had aangewezen als het hoofd van de twaalf apostelen (Matt.16:19; cf.18:18). Daarvoor, in het eerste gedeelte van Handelingen, is het steeds Petrus die het leiderschap heeft, zoals de volgende passages aangeven: "...Petrus stond op temidden van de discipelen..." (Hand.1:15).

"...Petrus staande met de elven..." (Hand.2:14)    "...Petrus en de andere apostelen...(Hand.2:37)

 "...Petrus en de apostelen...(Hand.5:29). 

 Maar na de opwekking van Paulus, vindt er een verandering plaats. Het schijnt, dat het leiderschap in de kerk van Jeruzalem, van Petrus naar Jakobus, de broeder des Heren, is overgegaan, die zelfs niet een van de twaalven was.

Hier is deze Jakobus, kort na de bekering van Saulus, alleen met Petrus, als een van "de apostelen".

Later, wanneer Petrus bevrijd werd vanuit de genagenis door een engel, zei hij tot zijn vrienden: "Boodschapt dit aan Jakobus en de broederen". Waarom gaf hij in het bijzonder deze Jakobus bericht?

Weer was het Jakobus, niet Petrus, die het groot Jeruzalem-convent afsloot, met de woorden: "Daarom oordeel ik,..." (Hand.15:19). Wanneer en hoe was Jakobus aangesteld in het ambt als voorzitter van deze raad?

Weer waren het "Jakobus, Cephas, en Johannes", die Paulus en Barnabas "de rechterhand van gemeenschap" gaven, Paulus erkennend als de apostel voor de heidenen (Gal.2:9). Let wel, dat Jakobus hier het eerst genoemd wordt, en zie, dat Paulus deze drie noemt, zij "die geacht waren pilaren te zijn" (Gal.2:9).

Later, in Antiochiכ, liet Petrus zich door "sommigen van Jakobus" intimideren, toen hij bang was om in hun aanwezigheid met de heidenen te eten. Hiervoor werd hij openlijk door Paulus berispt (Gal.2:11-14).

Is Jakobus er dan toe gekomen om de door Christus aangewezen leider van de twaalven af te zetten, en grotere invloed uit te oefenen, eenvoudig omdat hij, naar het vlees, de broeder van de Here was? Indien dat zo is, zou dit een geestelijke achteruitgang in de Pinkstergemeente betekenen. Binnen Gods wil echter, wijst het erop, dat het koninkrijk niet voor de tegenwoordige tijd werd bestemd. De Here had beloofd, dat de twaalf apostelen met Hem in het koninkrijk zouden zitten, en had Petrus hun hoofd gemaakt, door hem de sleutels te geven van het koninkrijk, terwijl nu Jakobus, die niet een van de twaalven is, de plaats van het leiderschap inneemt.

Maar het is van betekenis, dat reeds hier in Hand.9, zowel Petrus, de aangewezen leider van de twaalven, en Jakobus, de broeder des Heren, die zo spoedig het leiderschap had overgenomen, Paulus' bekering en boodschap erkenden. Dit was eveneens Gods albesturing.

DE TERUGKEER NAAR TARSEN

Maar desondanks was Paulus' leven spoedig weer in gevaar. Terwijl hij vrijmoedig in de naam van de Here Jezus sprak, wekte hij de vijandschap van de Griekse Joden, en zij trachtten hem te doden. De broeders die de ernst van de situatie zagen, brachten hem naar Cesarea en zonden hem terug naar Tarsen. Omdat Cesarea een havenplaats was, is het begijpelijk, dat zij hem per schip zonden, tevens de kortste route.   Het waren echter niet alleen hun woorden, die hem beinvloedden om Jeruzalem te verlaten, want de Here was hem weer verschenen in de tempel, zeggende: "Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).

Met een hartelijk verlangen tot zijn volk, dat hij geleid had in de vervolging tegen Christus, weerlegde Saulus eerst, dat zij zeker naar hem zouden luisteren, maar de Here wist beter. "En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (Hand.22:21).

De Here had speciaal de twaalven onderricht, om hun bediening te beginnen te Jeruzalem. Maar zo was het niet met Paulus, want God had nu Israel, samen met de heidenen, besloten in ongeloof.

Aldus wordt Saulus naar huis gezonden, schijnbaar ongewild, en er moet een tamelijk lange tijd voorbijgaan, voor zijn vriend Barnabas naar Tarsen zal komen om hem te zoeken, en hem voor te dragen voor een vruchtbare bediening te Antiochiכ.

Zo blijft Saulus "onbekend van aangezicht aan de gemeenten te Judea" (Gal.1:22). En nu, dat hij is gegaan, verheugt zich de Kerk in Palestina in rust, en wordt vermenigvuldigd; zoveel opschudding heeft het rumoer over zijn aanwezigheid in Jeruzalem, de gelovigen wel bezorgd.

          HET VERBLIJF VAN SAULUS

                           TE TARSEN

Saulus' verblijf te Tarsen in die tijd is wel genoemd een "periode van terugtrekking", maar het is moeilijk te geloven, dat juist iemand van zijn temperament nogwel, in ruste zou gaan.

Ten tijde van zijn bekering had hij nauwelijks zijn gezichtsvermogen terug, of "terstond predikte hij Christus in de synagogen" van Damaskus (Hand.9:20) en, later, als hij nauwelijks zijn leven gered heeft te Jeruzalem, een nog gevaarlijker plaats, sprak hij "vrijmoediglijk in de Naam des Heren Jezus" (V.29).    Inderdaad werd zijn gehele leven als gelovige gekarakterizeerd door de grootst mogelijke ijver om Christus bekend te maken.

In Gal.1:21, wanneer hij naar dezelfde periode in zijn leven verwijst, zegt hij: "Daarna ben ik gekomen in de gewesten van Syriכ en Ciliciכ". Het zou kumnen zijn, dat toen Tarsen slechts zijn operatiebasis was, van waaruit hij Christus predikte in Syriכ en Ciliciכ. In feite schijnt er veel aanleiding te zijn, dat dit het geval was.

We lezen in Hand.15:23, van de zendbrief door de Kerk te Jeruzalem aan "de broederen uit de heidenen, die in Antiochiכ en Syriכ en Ciliciכ

*/ Voetnoot: De Jakobus van het bekende trio, Petrus, Jakobus en Johannes, was reeds gedood (Hand.12:2).

zijn". Ook in Hand.15:41 wordt ons verteld, dat na Paulus' afscheiding van Barnabas, hij " Syriכ en Ciliciכ doorreisde, versterkende de gemeenten."

Hoe en wanneer is het gekomen dat er nu gelovigen uit de heidenen in Syriכ en Ciliciכ waren? Wie had daar gemeenten gesticht?

In antwoord op deze vraag dient eerst te worden opgemerkt, dat noch Paulus, noch Joodse gelovigen uit Judea, deze heidenen tot Christus geleid hebben vףףr de bekering van Cornelius, want volgens de getuigenissen van zowel Petrus als Jakobus in Hand.15:7,14, waren Cornelius, en degenen die tot zijn huishouding behoorden, de eerste heidenen, die "het woord van het evangelie hoorden en geloofden".

Er waren mannen uit Ciliciכ in Jeruzalem gedurende de bediening van Stefanus daar (Hand.6:9), maar deze konden Christus niet naar Ciliciכ gebracht hebben, want zij zelf hadden het getuigenis van Stefanus verworpen, en meegeholpen tot zijn martelaarschap.

Degenen die verstrooid waren door "de vervolging die ontstond na Stefanus", kunnen nauwelijks Christus in deze streken tot de heidenen gebracht hebben, want ons wordt duidelijk verteld, dat zij "gingen het land door tot Feniciכ toe en Cyprus, en Antiochiכ, tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden. En sommigen van hen...welke te Antiochiכ gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen (of Grieken,N.V.), verkondigende de Here Jezus" (Hand.11:19,20). Zo kwamen deze verstrooide gelovigen toe aan Antiochiכ, maar niet verder Syriכ in, noch minder in Ciliciכ. Bovendien wordt Antiochiכ beschreven als de enige stad waar zij het toen waagden Christus te prediken tot de heidenen.

Het was natuurlijk wel de bekering van de heidenen te Antiochiכ, welke Saulus daar bracht. En daar diende hij gedurende "een heel jaar" (Hand.11:26). Wij zouden niet de mogelijkheid willen uitsluiten, dat hij evangelizeerde in Syriכ en Ciliciכ gedurende dat jaar, maar het verslag schijnt zijn bediening te beperken tot Antiochiכ gedurende de hele periode, want er is geschreven: "dat zij een geheel jaar tezamen vergaderden in de gemeente, en een grote schare leerden" (Hand.11:26). Ook kon Paulus deze gemeenten niet hebben gesticht gedurende zijn eerste zendingsreis, want zijn route wordt voor ons uitgestippeld in het verslag, en dit voerde hem niet verder Syriכ en Ciciliכ binnen.

Het is waar, dat Paulus evangelisten zou hebben kunnen zenden naar Syriכ en Ciliciכ gedurende het jaar dat hij in Antiochiכ was, maar wegens het ontbreken van enige aanwijzing daarvan, schijnt het waarschijnlijker, dat deze gemeenten werden gesticht door Paulus, gedurende zijn  zogenaamde "periode van terugtrekking" in Tarsen. Inderdaad schijnt de verklaring in Hand.15:41 dat "hij ging door Syriכ en Ciliciכ, versterkende de gemeenten" insluit, dat dit de gemeenten waren die hij gesticht had.*/[ii]

OPSOMMING VAN HET VERSLAG VAN PETRUS' BEDIENING

Zoals we gezien hebben, is Petrus de centrale figuur van de eerste acht hoofdstukken van Handelingen. Daarna hebben we in hoofdstuk negen, de bekering van Paulus en zijn vroegste Christelijke ervaringen.

Hierop volgt weer de geschiedenis van Petrus, maar slechts kort (Hand.9:32-11:18), want in het elfde hoofdstuk wordt Paulus opnieuw de centrale figuur, en blijft dat tot het slot van het boek.

Er wordt gewoonlijk gezegd, dat de geschiedenis van Petrus en zijn metgezellen (Hand.1:1-11:18), wordt onderbroken in hoofdstuk negen, door de bekering van Paulus. Dit is zo, maar het is eveneens waar, dat de geschiedenis van Paulus en zijn metgezellen (Hand.9:1-28:31), wordt onderbroken door Petrus handelingen met Aeneas, Dorcas en Cornelius. De bedieningen van de twee mannen worden aldus onderbroken:

Petrus           (Paulus)     

(Petrus)            Paulus

Centrale Figuur  Centrale Figuur

1:1-8:40          9:1:31        9:32-11:18        11:19-28:31

___________

*/ Voetnoot: Wij ondersteunen niet het idee, dat Paulus' bediening tot de heidenen, niet eerder begon dan bij Hand.13.

Het is belangrijk, dat we dit feit in herinnering houden bij onze studie van het boek Handelingen, want het is niet slechts in het chronologisch verslag, dat de bedieningen van deze mannen worden onderbroken. Het verslag werd gegeven om een bedelingsverband aan te tonen.

Het is waar, dat het apostelschap van Paulus volstrekt apart en onderscheiden was van dat van de twaalven. Hij werd geroepen op de weg naar Damaskus, niet van mensen, noch door een mens (Gal.1:1). Bovendien werd hij geroepen tot een andere bediening dan zij: "om te betuigen, het evangelie van Gods genade"; om te prediken onder de heidenen, de onnaspeurlijke rijk-dommen van Christus" (Hand.20:24; Eph.3:8). Maar men moet hieruit niet veronderstellen, dat er geen verband was tussen hun bedieningen.

Om te beginnen bracht Paulus dezelfde God als de twaalven, waartegen Israel nu in opstand was. Hij bracht dezelfde Christus, door Israel nu verworpen. En "de redding van God", die Israel had geweigerd, zou nu "tot de heidenen worden gezonden" (Hand.28:28; cf.13:46; 18:6).

Verder erkenden de apostelen te Jeruzalem spoedig, dat omdat Israel nu de verrezen, verheerlijkte Christus afwees, God Paulus had gekozen om aan de heidenen redding te verkondigen, ondanks Israel. En met oprechte instemming, gaven de leiders aan Paulus en Barnabas de rechterhand der gemeenschap, er in toestemmend hun werken onder Israel te vervolgen, terwijl Paulus tot de heidenen ging (Gal.2:2,7,9).

Zo was dus Paulus' bediening niet slechts een ander programma dat hij had besloten te beginnen, gescheiden van de gemeente te Jeruzalem. Het was de volgende stap in het programma van God, en tenzij we de voortgang, de ontwikkeling, in het hele programma zien, missen we een groot gedeelte. Dit is het waarom - zoals we speciaal in het geval van Cornelius zien - de twee bedieningen aldus werden onderbroken.

                   AENEAS GENEZEN

"En het geschiedde als Petrus alom doortrok, dat hij ook afkwam tot de heiligen, die te Lydda woonden. "En aldaar vond hij een zeker mens, met name Aeneas, die acht jaren te bed gelegen had, welke geraakt was. "En Petrus zeide tot hem: Aeneas, Jezus Christus maakt u gezond; sta op en spreid uzelven het bed. En hij stond terstond op. "En zij zagen hem allen die te Lydda en Saron woonden, dewelke zich bekeerden tot de Here." (Hand.9:32-35).

Zoals we gezien hebben, begon God iets nieuws te doen met de bekering van Saulus. Maar Hij wilde ons aan het begin leren, dat dit niet betekent, dat het oude programma onmiddelijk zou verdwijnen. Hoewel de verborgen crisis in Israel voorbij was met de steniging van Stefanus, wilde God het volk geen enkel excuus overlaten voor het verwerpen van Christus. Hij wilde doorgaan met werken met Zijn volk. Hij wilde hen tot jaloersheid verwekken door de bekering van de heidenen (Rom.11:11). Hij wilde doorgaan te bewijzen, zowel door Paulus als door de andere apostelen, dat Jezus de Christus was (Hand.9:22, 18:28). Hij wilde Zijn handen alle dagen uitstrekken naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk (Rom.10:21). Het nieuwe programma zou slechts geleidelijk voor het oude in de plaats komen. Dit is de enige reden waarom God nu Petrus weer naar voren brengt in de genezing van Aeneas, de opwekking van Dorcas, en de bekering van Cornelius.

Het aanwezig zijn van heiligen te Lydda zou ons niet moeten verwonderen, wanneer we ons herinneren dat Philippus, de evangelist, voorafgaand "had gepredikt in alle steden", van Azote tot Caesarea (Hand.8:40). Een blik op de kaart van Palestina zal laten zien dat Lydda lag aan de hoofdweg tussen deze twee steden.

Maar omdat er wellicht vele heiligen in deze stad waren, nam Aeneas de centrale plaats in binnen het verhaal, en doet ons denken aan Israels toestand en nood. Van de naam Aeneas wordt gezegd, dat zij betekent lofprijzing, maar Aeneas was een verlamde, die hulpeloos in zijn bed lag. Maar nu zegt Petrus tot hem: "Aeneas, Jezus Christus maakt u gezond", en onmiddelijk rijst de man op zijn voeten, en velen bekeren zich door zijn wonderbaar herstel, tot de Here.

Lofprijzing zou, om zo te zeggen, Israels naam moeten zijn. Het zou haar bestaan en ervaring hebben moeten zijn (Jes.60:18; 62:7). Maar hier ligt zij verslagen, verlamd door haar ongeloof en verwerping van Christus. Het was Jezus Christus die zij nodig had om haar te herstellen, en Hij is het die haar op zekere dag zal oprichten, en door haar, velen bekeren tot Hemzelf.

DORCAS UIT DE DOOD OPGEWEKT

"En te Joppe was een zekere discipelin met name Tabitha, hetwelk, overgezet zijnde, is gezegd Dorkas. Deze was vol van goede werken en aalmoezen, die zij deed.

"En het geschiedde in die dagen, dat zij krank werd en stierf; en als zij haar gewassen hadden, legden zij haar in de opperzaal.

"En alzo Lydda nabij Joppe was, de discipelen, horende, dat Petrus aldaar was, zonden twee mannen tot hem, biddende dat hij niet zou vertoeven tot hen over te komen.

 "En Petrus stond op en ging met hen; welken zij, als hij daar aangekomen was, in de opperzaal leidden; en al de weduwen stonden bij hem, wenende en tonende de rokken en klederen, die Dorkas gemaakt had, als zij bij haar was.

"Maar Petrus hebbende hen allen uitgedreven, knielde neder en bad; en zich kerende tot het lichaam, zeide hij: Tabitha, sta op. En zij deed haar ogen open, en Petrus gezien hebbende, zat zij overeind. "En hij gaf haar de hand en richtte haar op, en de heiligen en de weduwen geroepen hebbende, stelde hij haar levend voor hen. "En dit werd bekend door geheel Joppe, en velen geloofden in de Here. "En het geschiedde, dat hij vele dagen te Joppe bleef, bij een zekere Simon, een lederbereider". (Hand.9:36-43)

In tegenstelling tot de verlamde Aeneas worden we nu geconfronteerd met Tabitha, of Dorkas. De naam betekent Antilope of Gazelle en doet ons denken aan kwiekheid en activiteit; het tegenovergestelde van verlamming. Bovendien lezen we, dat zij "vol van goede werken en aalmoezen" was.

Deze vrouw, wonende te Joppe, stierf terwijl Petrus in Lydda was, en de discipelen, die van zijn aanwezigheid aldaar gehoord hadden, zonden onmiddelijk om hem.

Toen Petrus arriveerde, stonden de weduwen, die Dorcas geholpen hadden, wenend rondom hem, en toonden hem de mantels en kledingstukken, die zij voor de behoeftigen had gemaakt.

Hierop deed Petrus, zoals de Here in Matth.9:25, en Elisa in 2Kon.4:33 gedaan hebben, hij stuurde hen de kamer uit, ongetwijfeld daarom, dat de heerlijkheid van haar opstanding, uitsluitend des Heren zou zijn.

Toen, net zoals Elia in 1Kon.17:21, en als Elisa in 2Kon.4:33, bad*/[iii]Petrus, en wendde zich tot het lichaam, en zeide: "Tabitha, sta op". En opnieuw lezen we, dat door deze gebeurtenis "velen geloofden in de Here".  

Zoals de genezing van Aeneas het herstel van het kranke Israel voorafschaduwt in de toekomst, zo spreekt de opwekking van Dorcas, van de toekomstige opstanding van hen in Israel, die "vol van goede werken" gestorven zijn. In ieder geval zal het herstel van levend Israel, en de opstanding van Israels geredde doden, middel zijn, dat velen zich tot de Here bekeren.


 iii].8/ Voetnoot: Wij vinden niet de Here knielend in gebed bij de werking van enig wonder. Zelfs bij de opwekking van Lazarus wendt Hij Zich tot de Vader, terwille van hen die om Hem staan.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011