|
H
O O F D S T U K XIV - Hand.9:1-7
DE BEKERING VAN SAULUS
BELANGRIJKHEID VAN HET
GEBEUREN
Wij
komen nu tot een van de meest belangrijke gebeurtenissen uit de historie: de
bekering van Saulus van Tarsus.
Er
is in het denken van gelovigen veel te weinig belang gehecht aan dit grote
gebeuren. Op de voornaamheid van Paulus' plaats in het programma van God, is
totaal geen zicht geweest. Hij is alleen beschouwd geworden, als een van het
getal der apostelen. Weinig aandacht werd gegeven aan het feit dat daar, op de
weg naar Damascus, ver van Jeruzalem, volstrekt gescheiden van de bediening der
twaalven, de vroegere vervolger en vervloeker, werd getransformeerd in een
gewillige slaaf van Christus, en beroepen als de apostel van de genade van God.
In
Gods openbaring aan ons, is deze gebeurtenis een allerbelangrijkste plaats
gegeven. De bekering van Saulus wordt uitvoeriger beschreven, en meerdere malen
naar verwezen in de Schriften, dan enig andere bekering, ja, dan enig andere
persoonlijke ervaring, buiten de kruisiging en opstanding van Christus. De
grootste delen van drie verschillende hoofdstukken in Handelingen worden besteed
aan dit verslag, en het vormt het hoofdonderwerp van twee van Paulus' vijf
verslagen van redevoeringen. De apostel zelf is zo bewust van de belangrijkheid
van zijn bekering in verband met het evangelie van Gods genade, dat hij er
telkens weer naar verwijst in zijn brieven.
Er
is geen getuigenis van de rijkdommen van Gods genade, noch van de kracht van het
kruis, noch van de werkelijkheid van persoonlijke redding, gelijk aan de
bekering van Saulus van Tarsus. Dit maakt de apostel zelf duidelijk, in de
Geest, in 1Tim.1:15:
"DIT IS EEN GETROUW WOORD
EN ALLE AANNEMING WAARDIG, DAT CHRISTUS IN DE WERELD GEKOMEN IS OM DE ZONDAREN
ZALIG TE MAKEN, VAN WELKE IK DE VOORNAAMSTE BEN."
PAULUS'
ACHTERGROND EN KARAKTER
Maar
wie is deze "voornaamste der zondaars"? Een schurk, een moordenaar,
een misdadiger? Nee, in 't geheel niet. Hij is ייn van het uitverkoren volk,
en zeer gewaardeerd door zijn collega's. Hij is een gewetensvol betrachter van
de wet van Mozes, en ijvert voor de overleveringen van zijn vaderen.
Is
hij dan onwetend omtrent de Oud Testamentische profetiכn, dat hij zijn Messias
niet erkent? O nee! Hij is een Farizeeכr, een Hebreeכr uit de Hebreeכn, uit
de trotse stam van Benjamin, een geestelijk leider in Israel, met een grondige
kennis van de Oud Testamentische Geschriften, opgevoed in Jeruzalem aan de
voeten van Gamaliכl.
Inderdaad
was Saulus ernstig, en nauwgezet, in zijn weerstand tegen Christus. Hij zei
later tegen Agrippa: "Ik meende waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen de
Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen" (Hand.26:9).
Nog later schreef hij aan Timotheus: "Dewijl ik het onwetend gedaan heb
in mijn ongelovigheid" (1Tim.1:13). Hij vervulde blindelings de
voorzegging van de Here in Joh.16:2: "...DE URE KOMT DAT EEN IEGELIJK
DIE U ZAL DODEN, ZAL MENEN GODE EEN DIENST TE DOEN."
Was
het feit dat hij oprecht was in zijn haat tegen Christus, een verontschuldiging
voor zijn moorden en godslastering? Zo zouden sommigen ons vandaag willen leren.
Doe wat u oprecht gelooft in orde te zijn, en God zal zeker geen aanleiding
hebben om boos op u te zijn. Dan zou "wat u gelooft" de plaats innemen
van wat God heeft gezegd. De mens, niet langer verantwoordelijk om de
geopenbaarde wil van God te gehoorzamen, zal dan blijken eigenzinnig en
eigengerechtigd, of zwelgend in dronkenschap, zedeloosheid, en misdaad te
zijn - in elk geval ongered, en gescheiden van het leven uit God. Wij oogsten
heden de vruchten van deze goddeloze filosofie overal om ons heen.
Maar
het nare feit is, dat sommigen die deze leer verafschuwen, in het geval van
Saulus van Tarsus een uitzondering maken. In een poging om te bewijzen dat hij
niet de voornaamste der zondaars was, wijzen zij op zijn oprechtheid, en
maken hem tenslotte tot een tamelijk goed mens! En dat, terwijl zij weten dat
God zelfs de beste daden van Christus-verwerpers volstrekt afwijst!
Noch
Paulus zelf, noch de Schriften, steunen zo'n gezichtspunt, want juist de passage
die verklaart dat Saulus dingen deed in "onwetendheid en ongeloof";
juist die passage werd geschreven om zijn zonde en de uitnemende
overvloed van de genade van God te benadrukken, door hem te behouden
(1Tim.1:13-16).
Het
is zeker dat Sauls duidelijke Hebreeuwse achtergrond, en zijn diepe kennis van
de Oud Testamentische Geschriften, geen verklaring - nog minder excuus - is voor
het niet erkennen van Christus, of voor zijn sterke haat van Hem. Zou een Hebreeכr
de Messias niet erkennen? En het was immers door de Oud
Testamentische Geschriften, dat hij had kunnen, en moeten weten,
dat Jezus de Christus was (Zie Joh.5:39). Maar zoals ook de andere Farizeeכrs, wenste
hij het niet te weten.
Het
was zonde, en zonde alleen, die Saulus tot de vijand van
Christus maakte. Zijn blinde woede was slechts een demonstratie van de
slechtheid en hardheid van het menselijk hart.
Nee,
de onwetendheid en het ongeloof van Saulus verminderde geenszins zijn schuld,
hoewel de hopeloosheid van zo'n toestand de barmhartigheid van God wel raakte,
meer dan wij medelijden zouden hebben met iemand, die uit echte blinde
stijfkoppigheid, zichzelf en anderen pijnigt.
Dit
feit is van groot belang voor het begrijpen van het evangelie van Gods genade,
want het was door de redding van de voornaamste der zondaars, dat
de rijkdommen van Gods genade nu werden getoond.
DE BETEKENIS VAN SAULUS' BEKERING IN HET LICHT DER BEDELINGEN
Zoals
we hebben gezien, was de moord op Stefanus, en de felle vervolging die er op
volgde, aanleiding tot een oorlogsverklaring van mensen, tegenover God en Zijn
Gezalfde (Ps.2:2). Israel was bestemd om zegen en redding te brengen aan de
wereld, met Christus als haar Koning, maar nu had zij zich bij de wereld
gevoegd, in openlijke opstand tegen God, en door de steniging van Stefanus een
"bericht gezonden" tot God, luidend: "WIJ WILLEN NIET DAT DEZE
OVER ONS KONING ZIJ" (Luk.19:14).
Deze
boodschap was van harte overgenomen door Saulus, want van hen die daarbij
tegenwoordig waren, wordt alleen Saulus genoemd, met de opmerking: "EN
SAULUS STEMDE IN MET ZIJN DOOD" (Hand.8:1).
Aldus
in het openbaar onderscheiden voor zijn bittere vijandschap tegen Christus, was
de opkomst van Saulus in Israel onvermijdelijk en snel. Want men moet niet
vergeten, dat de bestuurders steeds grotere moeite hadden met hen die getuigen
waren van Christus en Zijn opstanding. Het duurde niet lang, of de jonge
ijveraar had "volmacht van de hogepriester", om te
"straffen", en "gevangen te nemen", allen die Christus
volgden "in Jeruzalem". Erkend als de leider van de onderdrukking
(Hand.8:3; Gal.1:13), voerde hij de vervolging zo ver door, tot alle discipelen,
behalve de twaalven, gekerkerd waren, dan wel gedood, of uit Jeruzalem
weggevlucht. Ook was hij hiermee niet tevreden want, toen hij meer
"volmacht kreeg van de hogepriesters" vervolgde hij de discipelen
"zelfs in de buitenlandse steden", bracht hen zo veel hij kon
"gebonden naar Jeruzalem om te worden gestraft", en gaf zijn
"instemming" of goedkeuring eraan, dat zij terdood gebracht zouden
worden (Zie Hand.26:9-12; 22:5).
Aldus
nam Saulus toe "in het Jodendom" vanwege zijn bittere haat tegen
Christus (Gal.1:13,14; Phil.3:6). Hij was de personificatie, het symbool,
van Israels verwerping van Messias.
Wat
moest er nu terecht komen van het voorspelde doel van God, om zegen en redding
te brengen tot de heidenen door Israכl? En wat van het Verbond met Abraham? Hoe
kon de zegen tot de heidenen komen, als Israel, het kanaal waardoor deze zegen
moest vloeien, zich voegde bij de heidenen in hun opstand tegen God?
Het
antwoord op deze vraag is de wonderlijkste geschiedenis die ooit werd verteld:
het verhaal van genade, vloeiend vanuit Golgotha. Door het profetisch programma
tijdelijk opzij te zetten, greep God in, in oneindige genade, door de leider van
de opstand te redden. Door de kracht van de liefde, en door de
barmhartige woorden van Hem, bij wiens naam Saulus zijn tanden had geknerst,
wordt de meedogenloze vervolger plotseling, niet slechts een volgzame discipel
van Christus, maar het uitverkoren vat, waardoor God de rijkdommen van Zijn
genade voor een door zonde vervloekte wereld, duidelijk zal stellen.
De
wereldse rebellie zou hebben geresulteerd in de uitgieting van Gods toorn (Ps.2:5;
110:1), maar God, immer traag tot toorn, stelde het oordeel uit, en begon een
bedeling van genade in te voegen.
Hierbij
zou de opmerking kunnen worden gemaakt, of het wel in harmonie is met het recht
voor God, op dat moment de wereld vriendelijkheid te bewijzen, en zelfs aan de
leider wegens opstandigheid tegen Christus. Het antwoord hierop wordt gevonden
op Golgotha. Als Christus voor de zonde stierf, waarom kon God dan niet de
rijkdommen van Zijn genade aanbieden aan allen die deze door geloof wilden
ontvangen, en nochtans Zijn gerechtigheid handhaven? En waarom kon Hij de
heidenen niet vrij redding aanbieden, geheel los van Israel? Dit is het waarom
de boodschap eigenlijk "de prediking van het kruis" genoemd
wordt (1Cor.1:18-25). Zoals genade in Paulus' brieven meer naarvoren komt
dan elders in de Bijbel, zo is het ook met het kruis, het bloed,
de dood van Christus. Nergens anders wordt er zo dikwijls naar verwezen.
"In
Welken wij hebben de verlossing DOOR ZIJN BLOED, namelijk de vergeving der
misdaden, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner
genade" (Eph.1:7).
"En
worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, DOOR DE VERLOSSING DIE IN
CHRISTUS JEZUS IS; "WELKEN GOD VOORGESTELD HEEFT TOT EEN VERZOENING DOOR
HET GELOOF IN ZIJN BLOED, TOT EEN BETONING VAN ZIJN RECHTVAARDIGHEID, DOOR DE
VERGEVING DER ZONDEN,..."
"...OPDAT
HIJ RECHTVAARDIG ZIJ, EN RECHTVAARDIGENDE DENGENE, DIE UIT HET GELOOF VAN JEZUS
IS" (Rom.3:24-26).
Het
was Paulus, wiens bekering aantoonde, en wiens bediening en boodschap deze grote
feiten verkondigden. Zijn bekering markeerde het begin van de nieuwe
bedeling. Let wel, wij zeggen het begin, want de bedeling van genade, met
de openbaring ervan, verscheen geleidelijk (Zie Hand.26:16; 2Cor.12:1).
De oplettende onderzoeker der Schrift moet niet verwachten het Pinksterprogramma
plotseling afgeschaft te vinden, en de bedeling van genade in haar volheid
plotseling ervoor in de plaats gekomen.
Kort
na de bekering van Saulus, bijvoorbeeld, beval Ananias hem: "Sta op, en
laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heren" (Hand.22:16).
Dit was, omdat waterdoop was vereist in de bedeling waarin Saulus werd gered. De
betekenis van zijn bekering, en opdracht door openbaring van Christus aan hem,
was nog niet geopenbaard. Toch is het duidelijk uit het verslag, dat Saulus
daadwerkelijk werd gered op weg naar Damascus, vףףr zijn doop met water. Hij
werd niet gered omdat hij ingegaan was op de boodschap van de twaalven door te
bekeren en gedoopt te worden. Hij was de bitterste vijand, en de voornaamste der
zondaars geweest, die Israel en de wereld leidde in de opstand tegen God,
en hij werd gered en verzoend door souvereine genade. Hierin was hij
prototype, aantonend, dat het evangelie van de genade van God zich langzamerhand
ontvouwde aan en door hem, en geleidelijk de Pinksterboodschap verving.
In
zijn eigen geval zegt hij: "(Ik
was) tevoren een godslasteraar en een vervolger en een verdrukker; maar...DE
GENADE ONZES HEREN IS ZEER OVERVLOEDIG GEWEEST...
"DIT
IS EEN GETROUW WOORD EN ALLE AANNEMING WAARDIG, DAT CHRISTUS JEZUS IN DE WERELD
GEKOMEN IS OM DE ZONDAREN ZALIG TE MAKEN, VAN WELKE IK DE VOORNAAMSTE BEN"
(1Tim.1:13-15).
En
in het geval van de mensheid zegt hij: "Maar
de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; EN WAAR DE
ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST;
"OPDAT
GELIJK DE ZONDE GEHEERST HEEFT TOT DE DOOD, ALZO OOK DE GENADE ZOU HEERSEN DOOR
RECHTVAARDIGHEID TOT HET EEUWIGE LEVEN, DOOR CHRISTUS JEZUS ONZE HERE" (Rom.5:20,21)
Aldus bepaalde de bekering van Saulus het begin van de
onthulling van het geheimenis van Gods bedoeling en genade. Juist dit feit, dat een
andere apostel werd opgewekt, geheel verschillend van de twaalven, toont
helder aan, dat God begonnen was
om de nieuwe bedeling in te voegen: "de bedeling van de genade van
God" (Eph.3:2,3).
Met betrekking
hierop schreef Dr. Arno C. Gabelein in zijn boek over Het Evangelie van
Mattheus:
"Bijgelovige
lezers van Gods Woord maken geen verschil tussen het Evangelie van het
Koninkrijk, en het Evangelie van Genade..." (Deel II, P.189).
Maar dit
onderscheid is belangrijk, zoals I.R.Dean aanwijst in zijn Komend Koninkrijk.
Mr. Dean zegt het zo:
"Waartoe
was het nodig voor Paulus om een nieuwe openbaring van het evangelie te hebben,
als hij hetzelfde evangelie moest prediken, dat Johannes de Doper, en Christus,
en Zijn discipelen, gepredikt hadden?
"Johannes
de Doper, en Christus, en Zijn discipelen, boden Israel een Messias
aan...Paulus' evangelie biedt Israel helemaal geen Messias aan; God biedt
tans niemand een Messias aan" (P.210).
Dean heeft
gelijk, want in plaats van de mensen nu een Messias aan te bieden, biedt God
verzoening aan, aan alle mensen, door genade, in een wereld waar de Messias, de
Koning, werd, en nog steeds blijft, verworpen.
"WANT GOD HEEFT HEN ALLEN
ONDER DE ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN, OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN.
"O DIEPTE DES RIJKDOMS, BEIDE DER WIJSHEID EN DER KENNIS GODS! HOE
ONDOORZOEKELIJK ZIJN ZIJN OORDELEN, EN ONNASPEURLIJK ZIJN WEGEN!" (Rom.11:32,33).
PAULUS,
HET MODEL
Indien de reden van Saulus' bekering
niet volkomen duidelijk is gemaakt in 1Tim.1:13-15, dan is het dat wel in het
volgende vers:
"MAAR DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED,
OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU
BETONEN, TOT EEN VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN
LEVEN.
Toch zijn er
sommigen, die de voortgaande eenheid van Paulus' bediening en boodschap niet
schijnen te zien. Omdat het Pinksterprogramma niet ineens werd afgeschaft, en
omdat het werkelijk voorop stond gedurende het begin van Paulus' bediening,
veronderstellen zij, dat God eenvoudigweg doorging met Zijn geprofeteerde
programma bij de bekering van Saulus. Zij redeneren dat Saulus' bekering, model
stond voor Israels toekomstige bekering, en niet voor de onze. Zij
herinneren ons aan 1Cor.15:8, waar de apostel zegt: "En ten laatste van allen is Hij (Christus) ook van
mij, als van een ontijdig geborene, gezien.
Deze verklaring
nu is bijzonder belangrijk.
Wanneer Paulus
van zichzelf spreekt als geboren "vףףr de bestemde tijd", blijkt hij
duidelijk Israels toekomstige bekering in gedachten te hebben.
Maar waren dan
niet de twaalven, en vele andere Joodse gelovigen vףףr Saulus, behouden? Waren
zij dan ook niet "voortijdig geboren"? Ja, maar er had intussen iets
zeer belangrijks plaats gevonden.
De twaalven
waren gered gedurende, wat Christus noemde, Israels dag, en de tijd
van haar bezoeking (Luk.19:41-44). Christus noemde dit ook, "het
aangename jaar des Heren" voor Israel (Luk.4:19). Daarop volgend, werd
dit "aangename jaar des Heren" verlengd tot na het kruis, door
tussenkomst van het sterven van de Heiland (Luk.23:34).
Het is verder
duidelijk, dat de apostelen niet konden weten, dat Pinksteren, toen het
koninkrijk daadwerkelijk werd aangeboden, niet de "bestemde
tijd" voor Israel was om te worden gered, want de Here had besloten om hen
dit te vertellen (Zie Hand.1:6,7).
Maar bij de dood
van Stefanus werd het duidelijk, dat Israכl de Christus niet wilde aannemen.
Door deze daad gaf het volk antwoord op de vraag van Zijn apostelen aangaande de
vestiging van Zijn koninkrijk. Nu verschoof Israels bekering naar een toekomstige
dag; de "bestemde tijd" lag nog in het verschiet, ook al werd dit
door allen nog niet begrepen.
Hierom spreekt
Paulus van zichzelf als te zijn geboren vףףr, niet na, de
bestemde tijd. Dit dient nauwkeurig te worden vastgesteld door hen die leren,
dat de nieuwe bedeling niet eerder begon dan enige tijd na de bekering van
Saulus. Want als zij gelijk hadden, waarom zou dit dan alleen van Paulus worden
gezegd, en niet van de Pinkstergelovigen, dat hij ontijdig werd geboren?
Echter dient te
worden opgemerkt, dat waar Saulus een ontijdig geboren Israeliet was, daar niet
uit volgt, dat zijn bekering zonodig een type was van geheel Israכl.
Dit kan worden
aangetoond door enkele eenvoudige vragen:
Wanneer is het
de "bestemde tijd" voor Israכl om te worden gered: in het verleden,
nu, of in de toekomst? Het antwoord is natuurlijk: in de toekomst.
Wanneer is het "bestemde tijd" voor de heidenen om te worden gered?
Het antwoord hierop is ook: in de toekomst, want de heidenen zullen
overeenkomstig de belofte en de profetie, worden gered door Israel.
Wanneer Joden vandaag gered worden, worden zij dan, profetisch gesproken,
gered "in de bestemde tijd"? Natuurlijk: "Vףףr de bestemde
tijd". En als heidenen vandaag gered worden, worden zij dan
gered "in de bestemde tijd" of "vףףr de bestemde tijd"?
Het antwoord is eveneens, "vףףr de bestemde tijd".
Wanneer dan
Joden en heidenen vandaag gered, en verzoend worden met God tot ייn Lichaam,
worden zij gered "uit" of vףףr de "bestemde tijd",
niet op basis van de verbonden, maar door genade; niet overeenkomstig de
profetie, maar overeenkomstig het geheimenis, geopenbaard aan en door
Paulus.
Het is waar dat
Saulus' bekering, net als die van Israכl, verbonden is in de Schrift met de
openbaring van Christus (Cf.Zach.12:10; Rom.11:26). Maar er zijn ook punten van
verschil, want niet gelijk toekomstig Israel, schreeuwde Saulus naar God om
bevrijding, toen Christus hem verscheen. Hij was de grote vervolger, die anderen
deed roepen om bevrijding. Verder was Saulus buiten het land toen Christus hem
verscheen, terwijl Israel in het land zal zijn. Er zijn nog andere punten van
uitgang, die we later zullen beschouwen.
Maar omdat
sommigen besluiten dat Saulus' bekering "een model" was van die van Israכl,
hoofdzakelijk vanwege de openbaring van Christus aan hem, zegt hij hier
helemaal niets over. Hij zegt, door de Geest, dat Christus, in zijn geval, al
Zijn lankmoedigheid betoonde, als een voorbeeld:
"OPDAT JEZUS CHRISTUS IN
MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN
VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZOUDEN TEN EEUWIGEN LEVEN"
(1Tim.1:16).
Dit berust ongetwijfeld op de toekomstige bekering van Israel, want God leert
vandaag de grote les, die Israel moet leren om te worden gered. Maar het is
vandaag meer direct op ons gericht, want God toont vandaag "al Zijn
lankmoedigheid" in deze bedeling van genade.
Het is daarom
klaar en duidelijk, dat Paulus ons voorbeeld is van redding en behoudenis. In
hem voornamelijk toonde Jezus Christus, los van de wet of de condities van de
"grote opdracht", uitsluitend op basis van het bloed van Golgotha,
alle lankmoedigheid, zo dat zij die daarna in Hem zouden geloven, wat ook hun
verleden zijn mag, verzekerd zijn van de uitnemende volheid van Zijn genade.
BRIEVEN
AAN DAMASKUS
"En Saulus blazende nog
dreiging en moord tegen de discipelen des Heren, ging tot de hogepriester,
"En begeerde brieven van hem naar Damaskus aan de synagogen, opdat zo hij
enigen, die van die weg waren, vond, hij dezelve, beide mannen en vrouwen, zou
gebonden brengen naar Jeruzalem."
- (Hand.9:1,2).
Hoeveel
godslastering, en bloedvergieten, tranen, en dreiging, ligt hier opgesloten in
het kleine woordje "nog"! Het gebruiken ervan in dit verband door
Lukas, maakt duidelijk, dat er veel moet zijn gebeurd tussen Hand.1:8, en 9:1.
Het was in de periode, beschreven in Hand.8, dat Saulus "de gemeente
verwoestte", haar vervolgende "boven mate", en
"vernietigende" (Zie Hand.8:3 en Gal.1:13).
Omdat
klaarblijkelijk Damaskus de eerste heidense stad was waar Saulus naartoe
reisde in zijn vervolging van Christus en Zijn volgelingen, is het duidelijk dat
hij tot dusver zijn aktiviteiten had beperkt alleen tot Jeruzalem en omstreken.
In zijn getuigenis voor Agrippa zei hij later: "en bovenmate tegen hen
woedende, heb ik hen vervolgd ook in de buitenlandse steden"
(Hand.26:11). Dit is ongetwijfeld waar Ananias naar verwees, toen hij de Here
herinnerde aan al het kwaad dat Saulus had toegebracht aan de heiligen "in
Jeruzalem", en hij zei: "En hij heeft hier macht van de
hogepriesters, om te binden allen die Uw Naam aanroepen" (Hand.9:14).
Hoe ver Saulus
was gegaan in zijn campagne om de aanbidding van Christus uit te roeien, of
welke steden zijn woede hadden gevoeld, wordt ons niet verteld, maar we weten
uit het verslag, dat zijn vreselijke slachting tegen de gelovigen in die tijd,
vele harten en huizen had gebroken, en velen in de dood gezonden.
En hier vinden
we hem "nog blazende dreiging en moord tegen de de discipelen des
Heren". Het verslag is zeer uitvoerig beschreven. Het beschrijft een
zeer woedend mens, moord en dood blazend, en dreigend met geweld, bij elke
ademtocht.
Binnen dit raam
van gesteldheid gaat Saulus nu naar de hogepriester om "machtiging en
opdracht", om te reizen naar de verre stad Damaskus, om ieder die hij
bevindt van "die weg" te zijn, geboeid naar Jeruzalem te brengen.
GODDELIJKE TUSSENKOMST
En zo vinden we
Saulus nog steeds de voorste in de oorlog tegen God en Zijn Christus. Hij is
het, niet de hogepriester, die
voorstelt om de strijd te beginnen in de verre stad Damaskus.
Wij moeten de
belangrijkheid hiervan niet onderschatten. Zoals we reeds hebben aangetoond, had
Israel, door wie God had beloofd redding en zegen aan de heidenen te brengen, nu
gemene zaak gemaakt met de heidenen in hun rebellie tegen God, en Saulus van
Tarsus leidde die opstand.
Maar toen Saulus
de vervolging naar buitenlands gebied inzette, was er onmiddellijk en direct
goddelijke interventie. Als het volk Israכl de redding door Christus niet wilde
aannemen, mocht het niet de heidenen onthouden worden. Daarom gaat God er nu toe
over hen te tonen, dat Hij hen niet had uitverkoren omdat Hij hen nodig had,
maar vanwege Zijn soevereine genade, en dat Hij terecht allen redding kan
aanbieden, geheel los van de verbondsbeloften, geheel gescheiden van Israכli -
uitsluitend en alleen door de verdiensten van de Gekruisigde. En voor dat doel,
ja, op deze gronden, redt Hij Saulus, Zijn voornaamste vijand op aarde,
om hem uit te zenden met "het evangelie van God's genade"
(Hand.20:24; Eph.3:2).
Welk een wonderbare betoning
van liefde!
EEN
HEMELS LICHT
"En
als hij reisde, is het geschied dat hij nabij Damaskus kwam, en hem omscheen
snellijk een licht van de hemel;"En ter aarde gevallen zijnde, hoorde hij
een stem, die tot hem zeide: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? "En hij
zeide: Wie zijt Gij, Here? En de Here zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt.
Het is u hard, de verzenen tegen de prikkels te slaan.
"En
hij bevende en verbaasd zijnde, zeide: Here, wat wilt Gij, dat ik doen zal? En
de Here zeide tot hem: Sta op en ga in de stad, en u zal aldaar gezegd worden,
wat gij doen moet. "En de mannen die met hem overweg reisden, stonden
verbaasd, horende wel de stem, maar niemand ziende." - (Hand.9:3-7).
Welk een
schouwspel zien we nu! De wrede vervolger van Messias' volgelingen is reeds in
het gezicht van Damaskus, moord en doodslag blazende, als plotseling een licht,
helderder dan het licht van de volle zon, hem omschijnt. Verbaasd en verwonderd,
vallen hij, en allen die met hem waren, op de grond, als een stem vanuit de
hemel tot hem spreekt in de Hebreeuwse taal (Hand.26:14). Het is de stem van
Jezus Zelf, Die Saulus zo bitter haatte en vervolgde. Wonderlijk, dat Hij juist
tot Saulus spreekt! Wonderlijk, dat Hij hem niet doodt! Zie hoe Hij
genadig met hem redeneert! "Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Het is
u hard de verzenen tegen de prikkels te slaan"
Zoals de trekos
tevergeefs tegen de prikkels slaat, en al zijn inspanningen alleen maar dienen
om zijn ongemak te vergroten, zo is het met Saulus' opstand tegen God en Zijn
Christus vruchteloos, slechts dienend om hem meer te plagen, en dieper in
de narigheid te brengen."En hij zeide, Wie zijt Gij, Here?"
"En de Here zeide, Ik ben Jezus Dien gij vervolgt"
Let op het
geduld en de liefde waarmee de Here tot Zijn vijand spreekt. Daar is geen hard
woord, of teken van bitterheid.
Zijn verzoenend
gedrag is kenmerkend voor de bedeling van genade. In plaats van Saulus te
vernietigen, vraagt Hij: "Waarom vervolgt gij Mij?".
En zo wint de
Here in een ogenblik het hart van de leider van de opstand van de wereld tegen
Hem. In ייn ogenblik is Saulus' leven glorieus veranderd, en hij die dreiging
en moord tegen Christus ademde, treedt een leven van nut en lijden
binnen, en gaat zelfs in de dood voor Hem.
Saulus werd
verder geןnstrueerd om naar Damaskus te gaan, waar hem zou worden verteld wat
hij zou moeten doen i.c., wat hij vervolgens zou moeten doen. Maar in zijn eigen
verslag van de gebeurtenis, later gegeven voor Agrippa, vertelt hij, hoe hij
eerst hier zijn grote opdracht kreeg van de Here Zelf. Wij citeren de
passage uit de vertaling door Conybeare en Howson:
"Ik
ben Jezus, dien gij vervolgt; maar rijs op en sta op uw voeten; want hiertoe ben
Ik u verschenen, om u te ordenen tot een dienaar en een getuige beide van deze
dingen waarin Ik u zal verschijnen. En u heb Ik gekozen vanuit het Huis van
Israel, en vanuit de heidenen; tot wien Ik u zend, om hun ogen te openen, dat
zij mogen keren van duisternis tot licht, en van de macht van Satan tot God; dat
zij mogen ontvangen vergeving van zonden, en een erfenis onder de geheiligden,
door geloof in Mij" (Hand.26:15-18).
Paulus Romeinse'
zowel als zijn Hebreeuws burgerschap wordt sterk benadrukt in het boek
Handelingen. Dit is van belang, want hier bij het begin, als representatief voor
beide, Jood en heiden, wordt hij gezonden tot zowel Jood als heiden, om hen te
keren van duisternis tot licht, en hen te geven, een erfenis onder de geheiligde.
Saulus werd niet
gezonden om te werken onder de opdracht die aan de twaalven was gegeven. De Here
had hem opgewekt als een andere apostel, volstrekt los van de twaalven,
opdat door hem, "Hij die beiden (Jood en heiden) met God in ייn
lichaam zou verzoenen door het kruis" (Eph.2:16).
Hier zijn
verschillende passages uit William R. Newell's Paul vs. Peter toepasselijk:
"Daarom"
zo zegt Newell, "is Paulus vurig en positief. 'Voor God,' roept hij, 'ik
lieg niet! Ik heb geen verbinding, evenmin het evangelie dat ik predik, met de
andere apostelen. Alles wat ik leer, was direkte openbaring door Jezus Christus
aan mij, en dient ter harte te worden genomen, want ik spreek met de autoriteit
van de Here Zelf. De Here verscheen aan mij, niet om mij te bekeren -, want de
Here had mij door de prediking van de een of ander kunnen bekeren, maar om mij
Zijn getuige te maken van deze bedeling'" (Pp.31,32).
De fout, of wel
de weigering om het Paulinische Evangelie te onderkennen als een aparte en
nieuwe openbaring, en niet als een 'uitwas van het Judaisme', is het meest
schuld aan de verwarring in de gedachten van vele mensen vandaag, om te
onderkennen, wat eigenlijk het Evangelie is" (P.9).
"...aan
geen van deze twaalf Apostelen openbaarde God de ware inhoud van de leer voor
deze tijd" (P.4).
"...het
behaagde Hem om Paulus te verkiezen, om de grote verkondiger en
openbaarmaker te zijn, van datgene wat het Evangelie is voor deze bedeling"
(P.6).
Deze belangrijke
waarheden werden nadrukkelijk overgenomen door de meesten van onze grote
Bijbelleraren van de vorige generatie. Was het maar zo doorgegaan, dan waren de
resultaten voor de Kerk van verre strekking geweest. Mr. Newell had gelijk, toen
hij schreef:
"Aan het
gedurige getuigenis van Paulus van het feit dat hij een speciale boodschap van
God had, mag niet worden voorbijgegaan. Geen andere apostel spreekt van 'mijn
evangelie!' En het is overeenkomstig de openbaring die aan Paulus gegeven werd,
dat mannen worden bevestigd."
Dit betekent
niet, dat Saulus alle details van deze nieuwe boodschap ineens ontving, of dat
al de heerlijkheden van de nieuwe bedeling onmiddellijk aan hem werden duidelijk
gemaakt, want we hebben reeds gezien, dat de Here zeide: "Want hiertoe
ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen,
BEIDE DIE GIJ GEZIEN HEBT EN IN WELKE IK U NOG ZAL VERSCHIJNEN" (Hand.26:16).
Met de bekering
van Saulus hebben we dan ook de opgang, het begin van de bedeling
van genade, en we mogen verwachten, dit geleidelijk aan, vanaf dit punt te zien
ontwikkelen.
DE VERKLARING VAN DE
KRUISIGING
De kruisiging
van Christus en de bekering van Saulus worden de twee grootste gebeurtenissen
van de geschiedenis genoemd. Zij dienen zeker in onze gedachten met elkander te
worden verbonden, want de ene is de vervolmaking van de andere.
In de ene hebben
we de Zoon van God, Die sterft voor de zonde; in de andere, de voornaamste der
zondaars gered van de zonde. In de een hebben we de Heilige, roepend tot Zijn
Vader: "MIJN GOD, MIJN GOD, WAAROM HEBT GIJ MIJ VERLATEN?" In de
andere hebben we de zelfde Heilige, vragend aan Zijn aartsvijand: "SAUL,
SAUL, WAAROM VERVOLGT GIJ MIJ?" Het eerste "Waarom" kwam
van de lippen van de stervende Zoon van God aan Golgotha's kruis; het latere van
de Zoon van God in Zijn verheerlijking aan Vaders rechterhand.
Deze twee "Waaroms?"
vertegenwoordigen de twee grootste raadsels van de geschiedenis; en toch is de
ene, de eenvoudige verklaring van de andere.
We kunnen ons
wel het onuitsprekelijke verdriet voorstellen van een jonge vrouw, van wie haar
lieve dochtertje plotseling door de dood werd weggenomen; hoe zij haar handen
wringt in lijden, terwijl zij smeekt, "Waarom? "Waarom?"
De mens heeft de
eeuwen door gevraagd "Waarom?", bijna zonder ophouden - soms in
verdriet en teleurstelling, soms in boosheid en opstand. Waarom al deze
narigheid, moeite en verdriet? Waarom al die ziekte, pijn, en dood? Waarom die
oorlogen, verlatenheid, en bloedvergieten?
Toch is het
uiteindelijk niet vreemd, dat wij ellende en dood meemaken. Dit is het
natuurlijk gevolg van zonde. Een veel grotere vraag, de grootste van allemaal,
is gekomen van de lippen van de Zoon van God, toen Hij stierf in smart en
verworpenheid, voor zonden, die Hij nimmer had gedaan.
Waarom bleef een
rechtvaardig en heilig God, om niet te zeggen een liefhebbend God, - hoe kon hij
-, op afstand, terwijl boze lieden in dat gezegende gelaat spuwden, de Heilige
geselden, en bespotten, en ten laatste aan een kruis nagelden? Waarom weerhield
Hij hen niet? Waarom voegde Hij toe aan de smart en de ellende van
Zichzelf, in het verzaken van Zijn Zoon?
Ach, de vraag
wordt beantwoord als de Zoon later, "boven alles verheven", neerziet
op de wereld in opstand, en dan pleit met de leider ervan: "Saul, Saul,
waarom vervolgt gij Mij" - en hem dan redt!
"Saul, Saul,
waarom?"
Aan de gehele mensheid zou de vraag kunnen worden gesteld.
Waarom deze vijandigheid tegen Christus? Waarom dit doorgaan met zonde en
opstand tegen Hem? Wie geeft het juiste antwoord? Is Hij dan niet, die Hij zegt
te zijn? Kan de mens zichzelf redden van veroordeling en dood, zonder de
Gekruisigde? Waarom Hem tegengestaan en afgewezen? Welke reden bestaat hiervoor?
Het was deze
onredelijke vijandigheid van de mens tegen Christus - gepersonifieerd in Saulus
- wat zowel die wrede kruisiging veroorzaakte, als tezelfder tijd dit nodig
maakte tot redding. En de bekering van Saulus was de hoogste demonstratie van
wat het kruis kon, en werkelijk voltooide.
Tot aan de
bekering van Saulus werd de kruisiging beschouwd als iets om beschaamd over te
zijn, en om te berouwen. Maar daarna wordt de heerlijkheid van het kruis
steeds duidelijker onthuld. De apostel kijkt erop terug en roept: "Hij
heeft mij liefgehad en Zichzelf voor mij overgegeven!" Hij verkondigt
het als de basis van verzoening, en biedt daardoor redding aan. Hij roemt er
in.
Aldus werd aan
Paulus als eerste toevertrouwd, datgene wat terecht genoemd wordt "de
prediking van het kruis" (1Cor.1:17,18).
Dit
is het antwoord op dat
smartelijk "Waarom?"! Als het dit niet is, is er geen antwoord.
Want hoe kunnen we God vertrouwen als zijnde rechtvaardig of liefdevol, als Hij
inderdaad boze mensen toestaat te woeden en iemand, zo goed - om niet te zeggen
Zijn eigen heilige Zoon -, te laten vermoorden voor niets? Wat zou onder die
omstandigheden het nut zijn van iets, want dan inderdaad is, "waarheid voor
altijd op het schavot; slechtheid voor altijd op de troon".
Ja, de dood van
Christus, en de zonde van de mens, beschouwd zonder onderling verband, zijn twee
onoplosbare problemen, maar breng ze tezamen, en ge hebt de oplossing. Niet dat
we nu alle redenen begrijpen waarom God elk toeliet, maar opdat wij, voor
zover zij ons betreffen, de oplossing van deze problemen mogen hebben.
"Christus
stierf voor onze zonden"; niet alleen vanwege onze zonden, maar voor
onze zonden. Dit is de sleutel tot de hemel. Dit is de oplossing van ons probleem.
Het is niet nodig om onder de veroordeling van de zonde te blijven, want "Christus
stierf voor onze zonden". Wij kunnen niet klagen dat we in zonde
geboren zijn, want "Christus stierf voor onze zonden". We
kunnen niet redeneren, dat we niet verantwoordelijk zijn voor onze toestand,
want hoewel we verantwoordelijk zijn, nam Hij de
verantwoordelijkheid op Zich, toen "Christus stierf voor onze
zonden."
Oh, waarom was
Hij daar als de drager van zonde
Als uw schuld
niet werd geladen op Jezus? Oh, waarom vloeide uit Zijn zijde het reinigend
bloed
Als Zijn sterven
niet uw schuld heeft betaald?"
|