De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XII   H A N D. 8:4-25

  DE TRIOMF VAN DE WAARHEID

              DE BEDIENING VAN DE

VERSTROOIDE DISCIPELEN

"Zij dan nu die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het Woord. "En Filippus kwam af in de stad van Samaria, en predikte hun Christus. "En de scharen hielden zich eendrachtiglijk aan hetgeen van Filippus gezegd werd, dewijl zij hoorden en zagen de tekenen die hij deed. "Want van velen die onreine geesten hadden, gingen dezelve uit, roepende met grote stem; en vele geraakten en kreupelen werden genezen. "En er werd grote blijdschap in die stad."   - (Hand.8:4-8)

Temidden van de langer wordende schaduwen van "deze tegenwoordige boze tijd" doen zij, die zich hebben toegewijd aan de dienst van God er goed aan, over passages als deze, na te denken. Het is een grote bemoediging, als de boze dagen komen, om terug te zien op de overwinning van waarheid in vorige tijden, en te realiseren dat, kome wat kome, niets ons kan beroven van de "schat" die ons geschonken is en ons zo dierbaar geworden is: het gezegende "geheimenis", met zijn goede nieuws van de genade van God (2Cor.4:7; 2Tim.1:12-14)

Mensen mogen de dienaren van God vervolgen, zij mogen hen in de gevangenis werpen, hun goederen confisceren, maar zij kunnen hen niet beroven van hun boodschap. Zij mogen zelfs hun levens nemen, maar door zo te doen tonen zij opnieuw, dat "het bloed der martelaren is het zaad van de kerk", en dat de dood, de waarheid dikwijls met luider stem kan verkondigen, dan het leven en de gezondheid het mogelijk zouden hebben kunnen doen.

En dit is tenslotte het belangrijkste. De enige reden die God ons hier overgelaten heeft - de enige goede reden om hier te willen blijven - is om God glorie toe te brengen, door de gezegende boodschap van genade aan de massa om ons heen te verkondigen. Iedere andere reden om te leven - of te sterven - draait om deze reden.

Dank God, de verkondiging van de waarheid lijdt niet onder verzet. Zij lijdt alleen onder onverschilligheid of verdraaiing. In het geval van de bovenbeschreven passage, werd vervolging gebruikt door God, om de waarheid te bevorderen, want "zij dan nu die verstrooid waren, gingen het land door en verkondigden het Woord".

"WANT WIJ VERMOGEN NIETS TEGEN DE WAARHEID, MAAR VOOR DE WAARHEID" (2Cor.13:8).

Overal om ons heen zijn er bloedgekochte heiligen, die het ontbreekt aan dank aan God, en medegevoel tegenover mensen, om zichzelf en hun goederen te offeren aan de Ene Die stierf, om ons allen te redden van eeuwige verdoemenis. Maar laten eens de krachten die bestaan, hen verbieden God te aanbidden; laten deze tegenstaan en diegenen vervolgen die Christus prediken, en er zal een grote opwekking zijn, als deze ontrouwe mensen zich, voor de eerste keer, beginnen te realiseren welk een kostbare schat de waarheid is - hoe waardevol het is, daarvoor te worstelen, te lijden en te offeren!

PREDIK HET WOORD

Hier dient er echter op te worden gewezen dat "het Woord", hetgeen deze verstrooide discipelen predikten, niet precies hetzelfde was, als "het Woord" dat 2Tim.4:2 ons leert voor vandaag te prediken. Deze discipelen verkondigden de orde van het koninkrijk van Christus, en riepen Israel op tot bekering en Hem te ontvangen als hun Koning. Maar omdat Israel volhardde in haar verwerping van Christus, zette God haar terzijde als volk, en heeft nu aan ons "het woord der verzoening" toevertrouwd (2Cor.5:19). Zowel in het geval van de discipelen, als ook voor ons, is het woord waarnaar wordt verwezen, uiteraard, het Woord van God, maar in hun geval was het het Woord van God voor die dag, terwijl in ons geval, dit het Woord van God is voor vandaag, en daar ligt het verschil.

ALLEEN TOT DE JODEN

Zij die beweren dat de bedeling van God's genade en de gemeente van deze tijd, historisch begon in Hand.2 of eerder, leren over het algemeen, dat in deze passage de discipelen uitgingen tot de volkeren, onder de Grote Opdracht met "het evangelie van God's genade", want staat er niet dat zij "overal heengingen, predikende het Woord"?

Maar het is een vergissing te leren dat hier gesproken wordt van het verder uitvoeren van de opdracht aan de twaalven, want, zoals we gezien hebben, onder die opdracht dient Jeruzalem eerst aan de voeten van de Messias gebracht te worden, en deze discipelen waren juist uit Jeruzalem gevlucht voor hun levens. En het is een nog grotere vergissing te leren dat deze discipelen uitgingen om het evangelie van God's genade aan de volken te verkondigen, want Hand.11:19 verklaart expliciet:

"DEGENEN NU, DIE VERSTROOID WAREN DOOR DE VERDRUKKING, DIE OVER STEFANUS GESCHIED WAS, GINGEN HET LAND DOOR TOT FENICIE TOE EN CYPRUS EN ANTIOCHIE, TOT NIEMAND HET WOORD SPREKENDE DAN ALLEEN TOT DE JODEN."

Tot op dit punt in het verslag in Handelingen, is het beeld volstrekt Joods. In Handelingen 1 wachten de apostelen te Jeruzalem op het komen van de Heilige Geest (1:4). Intussen kozen zij Judas' opvolger, zodat er weer twaalf mannen zouden zijn om over de twaalf stammen van Israel te regeren, als het koninkrijk tot stand komt (1:15-26, cf.Matt.19:28). Op de dag van Pinksteren, een Joodse feestdag, staat Petrus op, met de elven, en biedt Israel bekering aan, verklarende dat God Christus heeft opgewekt uit de dood, om te zitten op David's troon (2:29-32). Als er enige heidenen aanwezig waren onder Petrus' toehoorders, heeft hij hen zeker niet bedoeld, want hij richt zich uitsluitend tot zijn landgenoten (2:14,22,36). Inderdaad ontdekken we enige dagen later Petrus als hij Israel duizendjarige zegen aanbiedt en de terugkeer van de Messias, hen smekend tot bekering, omdat het door hen, Abraham's zaad, is dat de volken zullen worden gezegend (3:19-26).

Dit alles terwijl de discipelen dagelijks eendrachtig doorgaan in de tempel (2:46). Zij passen er zeer voor op niet een secte, apart van het Judaisme, te beginnen. Christus wordt niet genoemd als Middelaar tussen God en mensen, maar als Israel's Messias. Petrus en Johannes worden gezien op het vastgestelde uur des gebeds (3:1). Menigten worden genezen in Jeruzalem (5:16), een groot gezelschap van priesters geloven (6:7), en het is het Joodse Sanhedrin dat de apostelen ter verantwoording roept voor wat zij gedaan en geleerd hebben (4:5-7; 5:17-27; 6:10-13). Metterdaad is het Stefanus' strenge aanklacht tegen de Hebreeuwse leiders, die de grote vervolging van Hand.8:1 teweeg brengt, en het zijn de Joodse leiders die hem ter dood stenigen (7:54-60).

Evenmin toont Hand.8:4 enige verandering aan in het Joodse karakter van deze hoofdstukken, want zoals we aangetoond hebben, "degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door...tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden" (Hand.11:19).

Hoe kan er dan worden geredeneerd dat de Gemeente van deze tijd, het Lichaam van Christus, op dit punt in het Handelingen-verslag gezien wordt, of dat de discipelen voortgingen het evangelie van God's genade te prediken? Is het Lichaam van Christus - kon het ooit - samengesteld zijn uit "alleen Joden?" (Zie Rom.11:32; 2Cor.5:14-16; Eph.2:14-16; 3:1-6).

DE JODEN EN DE SAMARITANEN

Deze foute uitlegging van de eerste Handelingen is oorzaak dat zelfs de Scofield Bijbel de volgende aantekening bevat van de bediening van Filippus in Samaria:

"Aangezien de Joden, Stefanus' getuigenis voor en tot hen, verworpen hebben, begint het evangelie nu tot "alle volken" uit te gaan."

Men zou hieruit kunnen opmaken dat redding reeds door Israel's val naar de heidenen was gegaan, maar dit is niet zo. De Samaritanen worden in de Schriften niet beschouwd als heidenen, ofschoon de Joden uit Judea hen wel als nog erger dan heidenen aanzagen.

De tien stammen, zo herinneren we ons, scheidden zich af van Juda en Benjamin tijdens, de afvalligheid onder Rehabeam. Hierna werden de twee stammen Juda genoemd, en de tien Israel.

Jeruzalem en de tempel niet meer erkennende, hadden de tien stammen Samaria tot hun hoofdstad gemaakt, vandaar dat daarna in het Oude Testament naar Israel ook als Samaria wordt verwezen (1Kon.13:32; 2Kon.17:24,26,28; Ezech.16:53,etc.).

Na de Syrische verovering, waarin Israel in gevangenschap werd geleid, zond de Koning van Syriכ kolonisten om het land weer te bevolken. Deze vermengden zich door huwelijk met die van de tien stammen die in het land waren overgebleven, en brachten hen tot een steeds lager moreel en geestelijk niveau. De Here zond echter leeuwen in hun midden om hen te verslinden, totdat de Koning van Syriכ het nodig vond een van de Hebreeuwse priesters naar Samaria te zenden om hen "de manieren van de God van het land" te leren (2Kon.17:25-28).

Na de Babylonische gevangenschap stonden de Joden de Samaritanen niet toe hen te helpen de tempel te Jeruzalem weer op te bouwen (Ezra 4), waarop de Samaritanen, in concurrentie, een tempel bouwden op de berg Gerizim (Cf.Joh.4:20).

Omdat de Samaritanen Jeruzalem en haar gezag hadden afgewezen, wilden de Joden met hen niet meer te doen hebben, maar het is van belang eraan te denken, dat ondanks hun dwaalleringen, Samaria de tien stammen vertegenwoordigde, dat zij de wet van Mozes onderhielden, de ware God aanbaden en uitzagen naar de komst van Messias.

Er waren natuurlijk ook een toenemend aantal personen uit de tien stammen, die niet meegingen met de grote afval, noch zich verbonden met de Syriers, en leefden in Judea, Galilea en andere plaatsen, binnen en buiten Palestina. Zo begon de naam Israel later weer toegepast te worden voor allen uit de twaalf stammen, die trouw bleven aan de door God-aangewezen priesterschap en aan de tempel te Jeruzalem. Zo kwam het ook, dat Israelieten uit de tien stammen, Joden genoemd werden, samen met die uit de stammen van Juda en Benjamin.

Als er iets in de profetische Geschriften duidelijk is, dan is het wel dat op een dag, de breuk tussen de tien stammen en de twee, volledig zal zijn geheeld, en dat alle tien stammen van Israel hersteld zullen zijn, en verhoogd in het koninkrijk (Ezech.37:15-19; Jer.31:31-34; etc.).

Zo slaat dan in de proclamatie van het koninkrijk, zoals weergegeven in de vier evangeliכn en de Handelingen, de term Israel op alle twaalf stammen (Zie Matt.19:28; Hand.1:6; etc.). Paulus gebruikte later de term op dezelfde wijze (Hand.26:7; 28:20).

De bediening van Philippus onder de Samaritanen was daarom geen vertrekpunt van het profetisch programma van het koninkrijk, evenmin was het het begin van de zending van het evangelie onder de heidenen als gevolg van Israel's ongeloof. Philippus ging naar de Samaritanen om te trachten hen te winnen voor de ware Messias, die zou regeren in Jeruzalem over alle twaalf stammen van Israel.

Het was niet eerder dan na de opwekking van nog een apostel - Paulus - dat het evangelie van God's genade werd verkondigd, en behoudenis werd gezonden naar de heidenen, door de val van Israel. Dit verklaart eveneens het wonderlijke element in deze passage, want deze gebeurtenissen hielden verband met het koninkrijk en hielden op, toen Israel als volk terzijde gesteld werd.

Het was geen vooroordeel dat toen de apostelen en de discipelen terughield om alleen onder het volk Israel te dienen, maar een helder begrip van het Abrahamitisch Verbond en van het profetisch programma, waarin de zegen voor de volken afhankelijk is van de zegen en verheffing van Israel.

PHILIPPUS EN DE SAMARITANEN

En nu, als om het nationaal aspect van Israel's rebellie te benadrukken, ontdekken we deze Samaritanen, die de leiders in Jeruzalem te schande maken, als zij eendrachtig toegeven aan Philippus, en in Christus geloven als hun Messias. Eens, tevoren, hadden de Samaritanen te Sichar zo gereageerd toen Christus Zelf in hun midden was verschenen (Joh.4:39-42).

Wie zou er aan gedacht hebben dat Israel's leiders, ja, met name de Farizeכrs en schriftgeleerden, hun Messias zouden afwijzen, terwijl de kinderen van het verachte Samaria Hem met blijdschap accepteerden! Maar zo is het altijd al geweest.

De waarheid is niet het privי bezit van weinige bevoorrechten, die met verachting neerzien op hen die deze niet bezitten. De waarheid is Gods Woord te geloven. Hoe dikwijls geloven zij, die in de ongelukkigste omstandigheden verkeren dit en oogsten de gezegende gevolgen, terwijl zij die veronderstellen in het voorrecht te hebben, niets meer te behoeven te leren, het afwijzen en onder de gevolgen daarvan lijden!

EN ER WAS GROTE VREUGDE IN DIE STAD

Uiteraard! Dit is altijd het gevolg van geloof in God. Toen de terugkeer tot Christus werd uitgesteld door Israel's ongeloof, kon Petrus toch nog tot de gelovigen van de verstrooiing schrijven: 

"DENWELKEN GIJ NIET GEZIEN HEBT EN NOCHTANS LIEFHEBT; IN DENWELKEN GIJ NU, HOEWEL HEM NIET ZIENDE, MAAR GELOVENDE, U VERHEUGT MET EEN ONUITSPREKELIJKE VREUGDE" (1Petr.1:8). 

En tot ons die God geloven in "deze boze eeuw", zegt Paulus, door de Geest:

"DE GOD NU DER HOOP VERVULLE ULIEDEN MET ALLE BLIJDSCHAP EN VREDE IN HET GELOVEN, OPDAT GIJ OVERVLOEDIG MOOGT ZIJN IN DE HOOP, DOOR DE KRACHT DES HEILIGEN GEESTES" (Rom.15:13).

Maar we komen nu tot het geval met Simon de tovenaar en vangen een glimp op van de onuitsprekelijke slechtheid waartoe een menselijk hart in staat is, zelfs wanneer hij omringd is door een atmosfeer van geestelijke zegen en blijdschap.

HET GEVAL MET SIMON DE TOVENAAR

"En een zeker man, met name Simon, was tevoren in de stad plegende toverij, en verrukkende de zinnen des volks van Samaria, zeggende van zichzelven, dat hij wat groots was. 

"Welken zij allen aanhingen, van de kleine tot de grote, zeggende: Deze is de grote kracht Gods. "En zij hingen hem aan, omdat hij een lange tijd met toverijen hun zinnen verrukt had.

   "Maar toen zij Philippus geloofden, die het evangelie van het koninkrijk Gods en van de Naam van Jezus Christus verkondigde, werden zij gedoopt, beide mannen en vrouwen.  "En Simon geloofde ook zelf, en gedoopt zijnde, bleef gedurig bij Philippus, en ziende de tekenen en grote krachten, die er geschiedden, ontzette hij zich"   - (Hand.8:9-13).

HET "GELOOF" VAN SIMON

  Simon de tovenaar, zoals we hem noemen vanwege de toverij die hij pleegde, had volledig contrפle gekregen over deze Samaritanen, voordat Philippus kwam. Wij lezen dat hij het volk "betoverde", dat is letterlijk, hij bracht hen buiten hun zinnen, bewerende van zichzelf dat hij "wat groots was". En hij had deze kracht reeds sinds lang over hen uitgeoefend, zo dat "zij allen hem aanhingen, van de kleine tot de grote".

Maar zoals onze Here, door Zijn woorden en Zijn daden, het eigenlijke koninkrijk van satan had aangevallen, zo deed ook Philippus dat. Het beslag van Simon op de bevolking werd gebroken toen aan beide zijden, zowel mannen als vrouwen, in Christus geloofden en gedoopt werden. Inderdaad werd Simon zelf overtuigd dat Philippus iets had wat groter was dan hij. Hij geloofde ook en werd gedoopt en, Philippus volgende, verbaasde hij zich over de wonderen die hij deed.

Onnodig echter te zeggen, dat het geloof van Simon eigenlijk intellectueel was. Het was dat soort van geloof waarvan gesproken wordt in Joh.2:23-35:

"En als Hij te Jeruzalem was op het pascha, in het feest, geloofden velen in Zijn Naam, ziende Zijn tekenen, die Hij deed.

"Maar Jezus Zelf betrouwde hun Zichzelven niet, omdat Hij hen allen kende,

"En omdat Hij niet van node had, dat iemand getuigen zou van de mens; want Hij Zelf wist, wat in de mens was."

En dan gaat het verslag verder met te vertellen hoe de Here handelde met een man die dit soort geloof bezat, en vertelde hem: "Ge moet opnieuw geboren worden"

Zo was het ook met Simon de tovenaar. Uiterlijk scheen hij als de anderen - zij hadden geloofd en zo ook hij - maar hij had niet vertrouwd in Messias met zijn hart. Dit is duidelijk uit het feit dat op dat ogenblik Petrus tot hem moest zeggen: "Uw hart is niet recht in Gods oog". Simon had eigenlijk in die zin geloofd, dat hij verstandelijk had ingestemd, overtuigd zijnde van de waarheid van Philippus' aanspraken. Maar dat is niet het geloof dat redt. Reddend geloof komt uit het hart; het vertrouwt. Hier volgen enige passages die getuigen van dit feit:

"Indien gij van ganser HARTE gelooft..." (Hand.8:37).  "Lydia...welker HART de Here heeft geopend..." (Hand.16:14).  "Indien gij ... met uw HART gelooft..." (Rom.10:9).  "WANT MET HET HART GELOOFT MEN TER RECHTVAARDIGHEID..." (Rom.10:10).

Dit is een belangrijke les om te leren, want zelfs vandaag zijn er menigten die geloven, intellectueel, dat de Bijbel God's Woord is, dat zij zondaars zijn, dat zij gered dienen te worden. Zij geloven zelfs dat Christus voor hen stierf, maar zij zijn niet gered, omdat zij zichzelf niet hebben overgegeven aan Hem ter redding. Volgens het Woord van God is het enige geloof dat Hij kan accepteren; een hart dat vertrouwt.

PETRUS EN JOHANNES KOMEN

"Als nu de apostelen die te Jeruzalem waren, hoorden, dat Samaria het Woord Gods aangenomen had, zonden zij tot hen Petrus en Johannes;   "Dewelke afgekomen zijnde, baden voor hen, dat zij de Heilige Geest ontvangen mochten.

"(Want Hij was nog op niemand van hen gevallen, maar zij waren alleenlijk gedoopt in de Naam des Heren Jezus.) "Toen legden zij de handen op hen, en zij ontvingen de Heilige Geest."  - (Hand.8:14-17).

De geschiedenis van Simon de tovenaar wordt hier kort onderbroken door de aankomst van Petrus en Johannes uit Jeruzalem. De twaalven, gehoord hebbend te Jeruzalem dat de Samaritanen het Woord van God hadden ontvangen, hadden Petrus en Johannes tot hen gezonden. Waarom? En waarom hadden zij, die hadden geloofd en gedoopt waren, niet de Heilige Geest ontvangen, overeenkomstig het programma van de ;grote opdracht" (Mark.16:16,17) en van Pinksteren (Hand.2:38)?

Het antwoord hierop wordt opnieuw gevonden in de relatie tussen Joden en Samaritanen. Zoals we gezien hebben, moet de scheuring tussen Jeruzalem en Samaria geheeld zijn, voordat Christus kan regeren. Israel en Juda, de tien stammen en de twee, moeten herenigd zijn (Ezech.37:15-19), want Christus zal regeren over alle twaalf stammen. De apostelen erkenden dit, want had onze Here hun niet twaalf tronen beloofd in het koninkrijk? (Matt.19:28). Evenmin was het genoeg dat de twee delen samengevoegd zouden worden. Het waren de tien stammen die afgevallen waren en Samaria tot hun hoofdstad hadden gemaakt, en die op de Gerizim hun eigen tempel hadden opgericht. Zij moesten nu dit alles herroepen en Jeruzalem erkennen als de zetel van het gezag, want daar moeten Christus en de twaalven regeren.

Intussen is dit feit ook doorgedrongen bij de Samaritaanse gelovigen, want hoewel deze Samaritanen hadden geloofd en gedoopt waren, ontvingen zij niet de Heilige Geest, totdat twee apostelen gekomen waren uit Jeruzalem en voor hen gebeden hadden en de handen op hen gelegd.

Twee apostelen waren genoeg hiervoor, want er staat geschreven: "In de mond van twee of drie getuigen zal alle woord bestaan" (Deut.17:6; 19:15; 2Cor.13:1), en Petrus en Johannes, met Philippus, maakt drie getuigen. Inderdaad had onze Here bijzonder genoemd, dat twee van de apostelen officieel voor Hem konden handelen bij Zijn afwezigheid:

"Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemel gebonden wezen; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden wezen.

"Wederom zeg Ik u, indien er TWEE van u samenstemmen op de aarde over enige zaak, die zij zouden mogen begeren, dat die hun zal geschieden van Mijn Vader, Die in de hemelen is.

"Want waar TWEE OF DRIE vergaderd zijn in Mijn Naam, daar ben Ik in het midden van hen" (Matt.18:18-20).

Zo erkenden de gelovigen in Samaria het gezag van de twaalven te Jeruzalem en, indien het koninkrijk zou zijn geaccepteerd, zo zouden zij ייn volk geworden zijn met de Joden. Zoals het nu is, valt de restauratie van het Verenigd Koninkrijk van Israel te verwachten op een toekomstig tijdstip.

DE ZWARE ZONDE VAN SIMON

"En als Simon zag, dat door de oplegging van de handen der apostelen de Heilige Geest gegeven werd, zo bood hij hun geld aan, Zeggende: Geeft ook mij deze macht, opdat, zo wie ik de handen opleg, hij de Heilige Geest ontvange. "Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve, omdat gij gemeend hebt dat de gave Gods door geld verkregen wordt. "Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God. "Bekeer u dan van deze uw boosheid, en bid God, of misschien u deze overlegging uws harten vergeven wierd;   "Want ik zie, dat gij zijt in een gans bittere gal en samenknoping der ongerechtigheid.  "Doch Simon antwoordende zeide: Bidt gijlieden voor mij tot de Here, opdat niets over mij kome van hetgeen gij gezegd hebt.  "Zij dan nu, als zij het Woord des Heren betuigd en gesproken hadden, keerden weder naar Jeruzalem en verkondigden het evangelie in vele vlekken der Samaritanen."   - (Hand.8:18-25).

Het is vanuit deze oorspronkelijke daad van Simon dat het woord simonie is afgeleid. Hij probeerde deel te krijgen aan heilige zaken tot financieel voordeel. Hij wenste feitelijk de gave van de Heilige Geest te kopen, en te verkopen! De duidelijke wansmaak van Petrus bij zo'n onuitsprekelijke slechtheid wordt gezien in zijn scherp antwoord: "Uw geld zij met u ten verderve!"

Het wordt telkens weer getoond, dat als het koninkrijk wordt gepredikt, degenen die met hun hart geloofd hebben en gedoopt werden, gered werden, maar ook werd getoond dat degenen die niet van harte geloofden, gedoopt of ongedoopt, verloren bleven (Zie Mark.16:16). Hoewel naar het verstand overtuigd van de waarheid, moest deze tovenaar Petrus horen zeggen: "Gij hebt geen deel noch lot in dit woord, want uw hart is niet recht voor God".

Bemerkend dat Simon gebonden was door de zonde, en in een gal van bitterheid, roept Petrus hem op te bekeren, maar zelfs dan bewijst de tovenaar zich verwerpelijk, als hij Petrus verzoekt voor hem te bidden dat hij moge ontkomen aan het oordeel over zijn zonde. Wat een contrast bestaat er tussen deze slechte tovenaar en David, de man naar God's eigen hart! Niet als Simon, was David in de eerste plaats bewogen met de schande die hij God's naam had aangedaan door zijn zonde. Pleitend om vergiffenis, riep de Psalmist:

"Want ik ken mijn overtredingen, en mijn zonde is steeds voor mij.

"Tegen U, U alleen heb ik gezondigd, en gedaan wat kwaad is in Uw ogen; opdat Gij rechtvaardig zijt in Uw spreken en rein zijt in Uw richten" (Ps.51:5,6).

Er bestaat geen rapport dat Petrus zelfs ook maar antwoordde op Simon's bede. Wat wij van de geschiedenis bewaren, is eerder de duidelijke verachting van de apostel voor zo'n laag en boos iemand.  

SIMON DE TOVENAAR EN ISRAEL

In Simon, de Samaritaanse tovenaar, hebben we nog een type van Israel, want omdat Israel de Samaritanen verachtte als afvalligen en natuurlijk niets dan minachting hadden voor een Samaritaanse tovenaar, was het uitverkoren volk zelf, net eender afvallig en, hoewel geroepen tot God's profeet voor de volken, snel een valse profeet aan het worden. Bovendien:

1.  De leiders van Israel waren, net als Simon, de Tovenaar, verstandelijk overtuigd dat Jezus de Christus was (Zie Joh.8:28; Hand.2:22; 4:14,16; etc.)  

2.  Israel's regeerders wilden, net als Simon, als groot beschouwd worden. Zij waren vastbesloten om hun invloed op het volk van Israel te handhaven.

3.  Net als Simon, probeerden zij hun grip op het volk te versterken door onwettige middelen, en gebruikten hun rijkdom en macht om de menigte te intimideren.  

4.  Ook zij werden opgeroepen zich te bekeren.

5.  Zij bekeerden zich niet oprecht, hoewel zij het wel deden in de zin zoals Simon het deed.

6.  Zij bleven "in een gal van bitterheid en in de samenknoping der ongerechtigheid".

DE LES VOOR ONS

Maar hier is opnieuw een les te leren voor ons.

Indien het slecht was van Simon de tovenaar, te proberen over de krachten van Pinksteren te beschikken uit winstbejag, is het dan uiteindelijk niet nog slechter, over het evangelie van God's genade te beschikken tot winstbejag. Toch wordt dit in elk geval gedaan. De Heilige Geest sprak niet voor niets, toen Hij waarschuwde tegen handelen met de zaken van God voor persoonlijk profijt (Tit.1:7,11; etc.). Als het waar is dat "de liefde voor geld" een "wortel" is, "van alle kwaad" (1Tim.6:10), dan moeten zij die geroepen zijn in de zaken van God, dubbel voorzichtig zijn, dat deze liefde niet in hun harten wortelschiet.

Hoe verraderlijk werkt dit! De jonge dominee, als hij in de bediening wordt geroepen, bedoelde niet ontrouw te zijn aan zijn opdracht, of de hem toevertrouwde boodschap te vervalsen. Het geschiedde echter zo subtiel. Hij had zijn mensen lief. Hij wilde dat ook zij hem zouden liefhebben, en verheugde zich als hij zag dat zij dit deden. Hij kreeg een smaak van meer geld en beter wonen. Het zou nu moeilijk zijn om hem teleur te stellen of te kwetsen. Hij ontvangt verder licht op het Woord. Maar zullen zij het aanvaarden? Oh, goed, hij behoeft niet alles te verkondigen wat hij weet. Hij vindt, na indirecte navraag, dat zij niet zo verheugd zouden zijn te weten wat hij gelooft. Hij bewaart een discreet stilzwijgen om hen te plezieren. Het houdt hem bezig als hij zich herinnert dat Paulus zei: "Want indien ik nog mensen behaagde, zo ware ik geen dienstknecht van Christus" (Gal.1:10). Maar geleidelijk is hij in een vorm van simonie terecht gekomen, en nu wordt het steeds moeilijker een open stand ten opzichte van de waarheid in te nemen. Het vleit hem, dat de mensen hem werkelijk graag mogen en dat tonen door zo edelmoedig voor hem te zorgen, maar hij wordt steeds meer verhard in zijn zonde. Hij verliest de gevoeligheid die hij eens had voor het licht dat God gaf vanuit Zijn kostbaar Woord. Inderdaad is het licht dat hij eens had, geleidelijk teruggetrokken, totdat hij zichzelf ontdekt als een vriendelijke opponent en dan een bittere vijand van hen die getrouw de gehele raad van God verkondigen.

Ja, de zonde van simonie is subtiel in zijn werking, en is meer algemeen ingeslopen, dan wel wordt verondersteld, en evenmin zijn alleen dominees daaraan schuldig. Wij bedoelen niet dat gelovige mannen nooit geliefd worden door hun mensen, of niet edelmoedig verzorgd worden door hen, maar wij menen dat de liefde voor geld, voor populariteit, of van macht, een grote verzoeking is tot onoprechtheid. Vandaar de vele vermaningen, speciaal in de pastorale brieven, om de opdracht aan ons toevertrouwd, nauwkeurig uit te voeren, zonder rekening te houden met financiele beloning.

"Doch die rijk willen worden, vallen in verzoeking en in de strik, en in vele dwaze en schadelijke begeerlijkheden, welke de mensen doen verzinken in verderf en ondergang.

"Want de geldgierigheid is een wortel van alle kwaad, tot welke sommigen lust hebbende zijn afgedwaald van het geloof, en hebben zichzelven met smarten doorstoken.

"Maar gij, o mens Gods, vlied deze dingen,..." (1Tim.6:9-11).  "O, Timotheus, bewaar het pand u toebetrouwd..." (1Tim.6:20).

"Schaam u dan niet voor de getuigenis onzes Heren, noch voor mij, die Zijn gevangene ben; maar lijd verdrukkingen met het evangelie naar de kracht Gods.

"Houd het voorbeeld der gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in geloof en liefde die in Christus Jezus is.  "Bewaar het goede pand dat u toebetrouwd is, door de Heilige Geest, Die in ons woont" (2Tim.1:8,13,14).

  "ALZO HOUDE ONS EEN IEDER MENS ALS DIENAARS VAN CHRISTUS EN UITDELERS DER VERBORGENHEDEN GODS.

  "EN VOORTS WORDT VAN DE UITDELERS VEREIST, DAT ELK GETROUW BEVONDEN WORDE" (1Cor.4:1,2).

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011