|
H
O O F D S T U K XIII - H A
N D. 8:26-40
PHILIPPUS EN DE ETHIOPISCHE
KAMERLING
EEN SPECIALE BOODSCHAP VOOR
PHILIPPUS
"En
een engel des Heren sprak tot Philippus, zeggende: Sta op en ga heen tegen het
zuiden, op de weg die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza, welke woest is.
"En hij stond
op
en ging heen. En zie, een Moorman, een kamerling en een machtig heer van Candacי,
de koningin der Moren, die over al haar schat was, welke was gekomen om aan te
bidden te Jeruzalem;
"En hij keerde weder, en zat op zijn wagen, en las de profeet Jesaja.
En Philippus liep toe, en hoorde hem de profeet Jesaja lezen, en zeide:
Verstaat gij ook hetgeen gij leest?
"En hij zeide: Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet iemand
onderricht? En hij bad Philippus, dat hij zou opkomen en bij hem zitten."
- Hand.8:26-31)
De
uitnemende persoon in de grote evangelisatie-campagne in Samaria is nu in de
woestijn*/**
gezonden en klaarblijkelijk is hem niet verteld waarom.
Gehoorzaamheid
geeft echter beloning, en aangekomen op zijn bestemming wordt Philippus verder
geinstrueerd om op de wagen af te gaan van iemand die blijkt te zijn, een
machtig en eerwaardig vorst - "een kamerling en machtig heer van Candacי,
de koningin der Moren, die over al haar schat was".
EEN
HONGERIGE ZIEL
De
eenvoud en ernst van deze grote Ethiopiכr, staat in verfrissend contrast met de
hypocratie en slechtheid van Simon de tovenaar.
In
het licht van Hand.11:19 en 15:14 schijnt het, dat de kamerling een proseliet
was van het Judaisme. (In huidig licht gezien, was hij wellicht een
"falasha", vert.). Hij was de hele weg naar Jeruzalem gekomen om te
aanbidden
Het
bezoek van de kamerling (eunuch,K.J.V.) aan Jeruzalem, zou bewijs kunnen zijn
van een grote zegen voor hem. Herinnerd wordt dat Salomo, bij zijn wijding van
de tempel, voor zulken had gebeden:
"Zelfs
ook aangaande de vreemde, die van Uw volk Israel niet zijn zal, maar uit verre
lande, om Uws grote Naams en Uwer sterke hand en Uws uitgestrekte arms wil,
komen zal; als zij komen en aanbidden zullen in dit huis
"Hoor
Gij dan uit de hemel, uit de vaste plaats Uwer woning, en doe naar alles waarom
die vreemde tot U roepen zal; opdat alle volken der aarde Uw Naam kennen, zo om
U te vrezen, gelijk Uw volk Israel, als om te weten, dat Uw Naam genoemd wordt
over dit huis hetwelk ik gebouwd heb" (2Kron.6:32,33).
Zo
bad Salomo, en in een passage, dichtbij wat de kamerling nu las, was er een
specifieke belofte, die wel zijn hart zal hebben doen trillen:
"En
de vreemde, die zich tot de Here gevoegd heeft, spreke niet, zeggende: De Here
heeft mij gans en al van Zijn volk gescheiden; en de gesnedene zegge niet: Zie
ik ben een dorre boom.
"Want
alzo zegt de Here van de gesnedenen, die Mijn sabbatten houden, en verkiezen
hetgeen, waartoe Ik lust heb, en vasthouden aan Mijn verbond:
"Ik
zal hen ook in Mijn huis en binnen Mijn muren een plaats en een naam geven,
beter dan der zonen en dan der dochteren; een eeuwige naam zal Ik een ieder van
hen geven, die niet uitgeroeid zal worden.
"En
de vreemden, die zich tot de Here voegen om Hem te dienen en om de Naam des
Heren lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn; al wie de Sabbat houdt, dat
hij die niet ontheilige, en die aan Mijn verbond vasthouden,
"Die
zal Ik brengen tot Mijn heilige berg, en Ik zal hen verheugen in Mijn bedehuis;
hun brandoffers en hun slachtoffers zullen aangenaam wezen op Mijn altaar; want
Mijn huis zal een bedehuis genoemd worden voor alle volken" (Jes.56:3-7).
Wat
betreft deze bijzondere eunuch, worden we niet zonder licht gelaten betreffende
zijn geestelijke conditie.
1.
Hij was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden, niet alleen om een godsdienstig
feest bij te wonen, zoals zoveel van Joden wordt gezegd.
2.
Zijn ernst hierin is duidelijk door het feit dat we hem hier, op weg naar huis
ontdekken, in beslag genomen bij het lezen van de Geschriften van Jesaja, nog
steeds ernstig geinterresseerd in de dingen van God
3.
Ook was zijn Bijbellezen meer dan een formaliteit, want hij las terwijl hij
reisde.
4.
Hij was ernstig op zoek naar meer licht, want hij ging door met lezen, hoewel er
veel was dat hij niet begreep.
ISRAEL'S
BANKROET
Dit
alles sprak wel voor de eunuch, maar het was een armoedig getuigenis van de
geestelijke conditie van Israel en haar leiders.
De
grote tempel in Jeruzalem, bestemd om een bedehuis te zijn voor alle volken, was
sinds lang "een rovershol". Israel's geestelijke leiders, die nu het
goede nieuws van Messias aan de volken hadden dienen te herauten, waren de
rovers. Zij hadden de deur voor hen, die het koninkrijk wilden ingaan, gesloten
en hadden de sleutel weggenomen (Matt.23:13; Luk.11:52).
De
eunuch zou misschien hulp van de "kleine kudde" van volgelingen van de
Messias hebben kunnen ontvangen, maar Israel's "boze rentmeesters"
hadden hen uit Jeruzalem verdreven door "grote verdrukking" en de
apostelen hielden zich waarschijnlijk verborgen (Hand.8:1,2; 9:1).
Ja,
God had gezegd tot Abraham: "En in uw zaad zullen alle volken van de aarde
gezegend worden" (Gen.28:18) en had beloofd dat "De heidenen zullen
tot uw (Israel's) licht gaan, en koningen tot de glans, die u is opgegaan."
(Jes.60:3) maar hier kon de uitverkoren natie niet deze ene man helpen, die
reeds Jehovah als de ware God had erkend! De eunuch komt terug uit Jeruzalem,
niet verblijd over het licht en de zegen die hij ontdekte onder het volk van
God, maar nog steeds zoekend, zoekend naar de waarheid. Een aandoenlijk gezicht!
Terugkerend van "de feestelijke eetzaal" nog hongerig en dorstig! Het
herinnert ons aan twee belangrijke passages in het evangelie van Johannes:
"En
het pascha, HET FEEST DER JODEN, was nabij."
"Jezus
dan de ogen opheffende, en ziende dat een grote schare tot Hem kwam, zeide tot
Philippus: VANWAAR ZULLEN WIJ BRODEN KOPEN, OPDAT DEZEN ETEN MOGEN? (Joh.6:4,5).
"EN
OP DE LAATSTE DAG, ZIJNDE DE GROTE DAG VAN HET FEEST, STOND JEZUS EN RIEP
ZEGGENDE: ZO IEMAND DORST, DIE KOME TOT MIJ EN DRINKE" (Joh.7:37).
Maar
het ernstige zoeken naar waarheid van de eunuch was geen tevergeefs werk.
Wanneer we het Woord bestuderen met geduld en geloof, zal God altijd nabij zijn
om te helpen. Hij laat hen niet in het duister, die ernstig naar licht zoeken.
In dit geval had Hij reeds Philippus vanuit Samaria geroepen, om de nodige hulp
te bieden.
PHILIPPUS
EN DE EUNUCH
Het
dient nauwkeurig te worden opgemerkt, dat Philippus zichzelf introduceerde met
de vraag aan de Ethiopische vorst; "Verstaat gij ook hetgeen gij
leest?" De kwestie van geloof zou later komen (V. 37) want hoe kan iemand
een verklaring geloven , waarvan hij de betekenis niet verstaat? Dit punt wordt
dikwijls over het hoofd gezien door ernstige Christenen. Zij zeggen: "Ik
begrijp het niet, maar ik geloof het" wanneer zij bedoelen: "Ik
begrijp niet hoe het kan, maar ik geloof het of, "Ik kan het niet
begrijpen, maar ik geloof dat het waar is." En daar ligt nu het verschil.
Neem, bijvoorbeeld, de zaak van de engel, die tot Philippus spreekt in deze
passage. Wij mogen wellicht niet begrijpen hoe een engel kan converseren met een
mens, maar we geloven dat hij dit deed, eenvoudig omdat het Boek het zegt. Maar
we geloven deze passage niet, als we de betekenis ervan niet begrijpen.
Het
is van het grootste belang dat we begrijpen wat de Schriften leren, zodat we
mogen geloven wat God gezegd heeft, want "geloof is uit het gehoor, en het
gehoor door het Woord van God" (Rom.10:17). Het type van "geloof"
dat sommigen vandaag verdedigen is klinkklaar bijgeloof, dat het volledig stelt
zonder de noodzaak van Schriftonderzoek. Maar het geloof waartoe de Schriften
zelf oproepen, is altijd gebaseerd op een intelligent begrip van hetgeen gezegd
wordt. Hoe herhaald benadrukt de Geest dit!
"En
Jezus uitgaande zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen
over hen; want zij waren als schapen die geen herder hebben; EN HIJ BEGON HUN
VELE DINGEN TE LEREN" (Mark.6:34).
"Opdat
de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve DE GEEST
DER WIJSHEID EN DER OPENBARING IN ZIJN KENNIS;
"NAMELIJK
VERLICHTE OGEN UWS VERSTANDS, OPDAT GIJ MOOGT WETEN, welke is de hoop van Zijn
roeping, en welke de rijkdom is der heerlijkheid Zijner erfenis in de heiligen (Eph.1:17,18).
"Waarom
ook wij, van die dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te
bidden en te begeren, DAT GIJ MOOGT VERVULD WORDEN MET DE KENNIS VAN ZIJN WIL,
IN ALLE WIJSHEID EN GEESTELIJK VERSTAND,
"Opdat
gij moogt wandelen waardiglijk de Here tot alle behaaglijkheid, in alle goede
werken vruchtdragende, en WASSENDE IN DE KENNIS VAN GOD" (Col.1:9,10).
"Want
ik wil, dat gij weet hoe grote strijd ik voor u heb, en voor degenen die te
Laodicea zijn, en zovelen als er mijn aangezicht in het vlees niet hebben
gezien,
"Opdat
hun harten vertroost mogen worden, en zij samengevoegd zijn in de liefde, en dat
tot alle rijkdom der VOLLE VERZEKERDHEID DES VERSTANDS, tot (VOLLE) KENNIS VAN
DE VERBORGENHEID VAN GOD EN DE VADER, EN VAN CHRISTUS.
"IN
DEWELKE AL DE SCHATTEN DER WIJSHEID EN DER KENNIS VERBORGEN ZIJN"
(Col.2:1-3).
Maar
hierin is nog een les. Op Philippus' vraag: "Verstaat gij wat ge
leest?" antwoordde de eunuch: "Hoe zou ik toch kunnen, zo mij niet
iemand onderricht?" en daarmee "bad hij Filippus, dat hij zou opkomen
en bij hem zitten".
Om
zeker te zijn, God zou het goede nieuws van Messias zonder menselijke
tussenkomst hebben kunnen openbaren, maar dit doet Hij zelden. Hij gebruikt
mensen om het evangelie aan elkander mede te delen. Hoe bijzonder belangrijk is
het dan, dat wij, die gezonden zijn om de boodschap van God aan de verlorenen te
brengen, zelf een intelligent begrip hebben van het Woord, en speciaal van het
evangelie van Gods genade! Het is niet voor niets dat de Geest Paulus
inspireerde tot schrijven:
"BENAARSTIG
U OM UZELVEN GODE BEPROEFD VOOR TE STELLEN, EEN ARBEIDER DIE NIET BESCHAAMD
WORDT, DIE HET WOORD DER WAARHEID RECHT SNIJDT (2Tim.2:15).
Als
het nodig is om te begrijpen wat God gezegd heeft, om het te geloven, hoe veel
meer is dit het geval om het te onderwijzen!
Velen
die ijverig zijn om zielen te winnen voor Christus, zullen desalniettemin voor
God beschaamd staan met hun vakmanschap, bij het ontbreken van Zijn goedkeuring,
wanneer "een iegelijks werk zal openbaar worden...dewijl het door vuur
ontdekt wordt; en hoedanig eens iegelijks werk is, zal het vuur beproeven"
(1Cor.3:13).
Philippus
handelde met de Ethiopiכr op een manier, precies passend in de bedeling waarin
hij leefde, maar als wij vandaag met de zielen op dezelfde wijze zouden
handelen, zouden wij vast en zeker schade lijden bij het oordeel voor de troon
van Christus. In de dagen van Philippus handelde God nog steeds met Israel als
volk, en de orde van het koninkrijk van Christus, werd gepredikt. Maar niet lang
daarna verloor Israel haar bevoorrechte positie, en het koninkrijk werd in
bewaring gehouden, terwijl God de bedeling van genade invoegde.
PHILIPPUS
PREDIKT JEZUS
TOT DE KAMERLING
"En
de plaats der Schriftuur, die hij las, was deze: Hij is gelijk een schaap ter
slachting geleid; en gelijk een lam stemmeloos is voor dien die het scheert,
alzo doet Hij Zijn mond niet open.
"In
Zijn vernedering is Zijn oordeel weggenomen; en wie zal Zijn geslacht verhalen?
Want Zijn leven wordt van de aarde weggenomen.
"En
de kamerling antwoordde Philippus en zeide: Ik bid u, van wie zegt de profeet
dit, van zichzelven of van iemand anders?
"En
Philippus deed zijn mond open, en beginnende van diezelve Schrift, verkondigde
hem Jezus."
-
(Hand.8:32-35).
De
passage waaruit de Ethiopiכr las, was, wat wij kennen als het drie en
vijftigste hoofdstuk van Jesaja. Het was klaarblijkelijk de Septuagint, de
Griekse vertaling ervan, die hij in zijn bezit had, want het verslag van Lukas
van de gebeurtenis, haalt bijna woord voor woord de Septuagint aan, en dit was
de gebruikelijke taal in die dagen. Dit was alles voorziening, want Philippus,
zelf ongetwijfeld een Griek*/[1],
kon zo gemakkelijk met de kamerling dit Schriftgedeelte bespreken.
Teneinde
begrip van deze passage te krijgen, was het nodig voor de Ethiopische kamerling
om van het begin aan te starten: "Van wie zegt de profeet dit?" Helaas
had het bezoek aan Jeruzalem bij hem juist deze vraag, - de belangrijkste van
allemaal - onbeantwoord achtergelaten, want de godsdienstige leiders daar wilden
niet geloven, dus konden hem ook niet vertellen, dat Christus het thema van de
profetische Geschriften was. Inderdaad, tot op deze dag weigert het afvallige
Israel Christus te zien in Jesaja 53, voorgevende dat de profeet in deze passage
het lijden van Ezechiel beschrijft, of wellicht van Jeremia, of van Israel zelf.
Maar waar Israel's leiders gefaald hadden, had God Philippus gezonden om de
Ethiopiכr in zijn zoeken naar waarheid te onderrichten.
"EN
PHILIPPUS DEED ZIJN MOND OPEN, EN BEGINNENDE VAN DIEZELVE SCHRIFT, VERKONDIGDE
HEM JEZUS."
Ja,
Jezus is het thema van Jesaja 53. Hij is de sleutel tot het hele Woord van God.
Men kan overal zoeken en Hem vinden, want iedere pagina ervan heeft een
levendige relatie tot Hem.
Gedurende
de aardse bediening van onze Here, zei Hij tegen de Joden
"(Gij)
Onderzoekt de Schriften, want gij meent in dezelve het eeuwige leven te hebben,
EN DIE ZIJN HET, DIE VAN MIJ GETUIGEN" (Joh.5:39).
En
later, na Zijn opstanding, toen Hij wandelde met twee verwonderde discipelen:
"EN
BEGONNEN HEBBENDE VAN MOZES EN VAN AL DE PROFETEN, LEGDE HIJ HUN UIT IN AL DE
SCHRIFTEN HETGEEN VAN HEM GESCHREVEN WAS" (Luk.24:27).
En
zo begon Philippus, de boekrol van de kamerling geopend vindend bij Jesaja 53,
"bij dit zelfde Schriftgedeelte, en predikte hem Jezus".
Maar
hier moeten wij oppassen dat we niet meer beweren dan er staat geschreven. Er
wordt b.v. gezegd, dat "Nergens het evangelie duidelijker wordt
gepresenteerd dan in Jes.53", en op deze aanname wordt verder
verondersteld, dat Philippus de kamerling precies dezelfde boodschap predikte,
die God tot de verlorenen van vandaag zendt.
Maar
als het evangelie van Gods genade zo duidelijk wordt gepredikt in Jes.53, wat
kon Paulus dan bedoelen, toen hij zei:
"Want
er is ייn God, er is ook ייn Middelaar Gods en der mensen, de Mens Jezus
Christus,
"Die
Zichzelven gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, ZIJNDE DE GETUIGENIS TE
ZIJNER TIJD.
"WAARTOE
IK GESTELD BEN EEN PREDIKER EN APOSTEL (IK ZEG DE WAARHEID IN CHRISTUS, IK LIEG
NIET), EEN LERAAR DER HEIDENEN IN GELOOF EN WAARHEID" (1Tim.2:5-7).
En
indien het evangelie van de genade van God zo duidelijk gepresenteerd wordt in
Jes.53, wat kon Paulus dan hebben bedoeld met "het geloof, dat geopenbaard
zou worden"? (Gal.3:23).
En
verder, indien het evangelie van Gods genade reeds door Philippus was gepredikt
geworden onder de twaalf apostelen, waar vandaan dan de noodzaak van nog een
andere apostel en van welke waarde waren dan de aanspraken van Paulus in
passages als de volgende:
"OM
DEZE OORZAAK BEN IK, PAULUS, DE GEVANGENE VAN CHRISTUS JEZUS VOOR U, DIE
HEIDENEN ZIJT.
"INDIEN
GIJ MAAR GEHOORD HEBT VAN DE BEDELING DER GENADE GODS, DIE MIJ GEGEVEN IS AAN U.
"DAT
HIJ MIJ DOOR OPENBARING HEEFT BEKENDGEMAAKT DEZE VERBORGENHEID..." (Eph.3:1-3).
Als
inderdaad Jes.53 het evangelie van Gods genade bevat, waarom was deze heerlijke
boodschap dan niet het eigenlijke thema van de profetische bekendmaking?
Zij,
die verondersteld hebben dat het evangelie van Gods genade in Jes.53 wordt
gevonden, en dat dit door Philippus werd gepredikt aan de kamerling, hebben
nagelaten om twee dingen op te merken: de strekking en de toon van Jesaja's
profetie.
Wat
betreft de strekking van de profetie, dient te worden opgemerkt, dat Jesaja
spreekt uitsluitend als een Hebreeuwse profeet. Hij spreekt niet van Christus,
die voor de wereld stierf, maar van Zijn sterven voor Israel. Het 6e vers zegt:
"WIJ ALLEN (niet "alle mensen") dwaalden als schapen...en de Here
heeft ONS aller ongerechtigheid op Hem gelegd. De bedachtzame lezer van de
Schriften zal onmiddellijk vragen: "Op wie slaat het "wij allen"
en het "ons aller"? Deze vraag wordt helder beantwoord in vers 8, waar
de profeet voortgaat met te zeggen:
"Om
de overtredingen MIJNS VOLKS is de plaag op Hem geweest".
Aldus
sprak Jesaja, de Hebreeuwse profeet, van de dood van Messias voor zijn (Jesaja's)
volk, en niet vergeten dient te worden, dat de kamerling zich als een proseliet
bij dat volk had gevoegd.
Dit
alles dient niet om te ontkennen dat wij, heidenen, eveneens verloren waren toen
God ons vond, of dat Christus ook voor ons stierf. Het is eenvoudig zo, dat dit
nog niet bekend gemaakt werd. Evenmin legde Philippus aan de kamerling de
brieven aan de Romeinen, Galaten of Epheziכrs uit, maar de Oud Testamentische
Geschriften, in het licht dat tot zover toen gegeven was.
De
toon van Jesaja's profetie, verdient eveneens nauwlettende aandacht. Het is in
geen geval de blijde verkondiging dat Christus zou sterven voor zondaars, en dat
zij redding zullen vinden door geloof in Zijn volbrachte werk. Er is eerder een
toon van teleurstelling en verwondering dat Hij zou moeten lijden voor hun
zonden hoewel de profeet inderdaad verklaart, dat God Hem zal belonen, en dat
Hij niettemin de glorierijke resultaten van Zijn nederige onderwerping zal zien.
Hier
zou een illustratie kunnen helpen om deze onderscheiding duidelijk te maken.
Laten we eens veronderstellen, een moeilijk karakter binnen een gemeente, heeft
iets verkeerds gedaan, en heeft kans gezien een onschuldig, oprecht lid, dit aan
te wrijven. De pastor van de kerk, weet wie de schuldige is, maar de valselijk
beschuldigde lidmaat maakt een afspraak met de pastor dat hij, de onschuldige,
de straf zal dragen voor de verkeerde, met het oogmerk om het hart van de
schuldige te raken, en hem een zeer noodzakelijke les te leren. Intussen
probeert de pastor om de schuldige man tot overtuiging te brengen, door op hem
een beroep te doen om de zonde erkennen, dat hij de oorzaak is dat een
onschuldig en oprecht iemand, moest lijden in zijn plaats.
Deze
illustratie heeft uiteraard zijn beperkingen, maar zij zou kunnen dienen om te
illustreren hoe Christus en Zijn kruisiging in die tijd werd gepredikt.
Sommigen
veronderstellen dat vervanging - die inderdaad in Jes.53 wordt geleerd - het
toppunt is van Christelijke waarheid, terwijl het in feite slechts het begin
ervan is. Er was in de boven aangegeven illustratie plaatsvervanging, dat is
zeker, maar ging de pastor naar de schuldige om te zeggen, "Ik heb goed
nieuws voor je. Een onschuldig mens heeft in jouw plaats geleden"? Menig
onschuldig mens heeft voor een schuldige geleden, maar verheugen mensen in het
algemeen zich hierin? Nee toch? En zo hebben de twaalven, noch Philippus het
kruis op deze wijze gepredikt. Er was tot daartoe geen roemen in het kruis,
zoals in Gal.6:14. Daarentegen deed God een beroep op Zijn volk om te bekeren
van hun boze werken en te worden gedoopt, in de erkenning dat Jezus hun Messias
is (Lees aandachtig Hand.2:23,32,36,38; 3:13-15, 19-21; 4:10-12; 5:30,31 en cf.
Joh.1:31).
Zij
die dit belangrijk feit nog niet helemaal hebben overgenomen, dienen te
bedenken, dat de Schriften klaar leren dat het volk Israכl alleen gered zal
worden, wanneer zij haar zonde tegenover Christus erkent; wanneer zij,
veroordeeld door haar schuld, en geraakt door Zijn tedere overgave, verbroken in
berouwvolle bekentenis en nederig erkennen, Hem als haar Messias erkent.
"...en
zij zullen Mij aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem
rouwklagen als met de rouwklage over een enige zoon; en zij zullen over hem
bitterlijk kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
"Te
dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage groot zijn..." (Zach.12:10,11).
"En
zo iemand tot hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo zal hij zeggen;
Het zijn de wonden waarmede ik geslagen ben in het huis mijner liefhebbers"
(Zach.13:6).
"En
de Here zal tot Koning over de ganse aarde zijn; te dien dage zal de Here ייn
zijn, en Zijn Naam ייn" (Zach.14:9).
Dit
is dan God's doel met het kruis, zoals geopenbaard in de Oud Testamentische
profetie, en dient niet te worden verward met "het geheimenis", dat
diepere en meer glorierijke doel, dat "verborgen is geweest van alle eeuwen
en van alle geslachten" maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen, door
Paulus (Col.1:26).*/[2]
Eerst
nadat de voornaamste der zondaars gered was en uitgezonden met het evangelie van
de genade van God, hoorde de wereld datgene wat terecht genoemd wordt, "de
prediking van het kruis", in feite als goed nieuws. Eerst bij Paulus bood
God redding aan, door geloof in Christus' vergoten bloed.
Zo
riep Philippus, bij de uitlegging van Jes.53, de kamerling op, niet te
vertrouwen in het vergoten bloed van Christus (hoewel wij nu weten dat hij werd
gered door dat bloed), maar de onlangs Gekruisigde te erkennen als "de
Christus, de Zoon van God" (Zie Matt.16:16; Joh.1:49; 11:27; 20:30,31;
etc.). Indien vers 37 wel tot het verslag behoort**/[3]
wordt dit feit verder overgenomen.
Zoals
wij weten, is de verkondiging van de orde van het koninkrijk van Christus
sindsdien onderbroken door "de bedeling van God's genade", en wordt
het kruis nu gezien in een voller, meer glorierijk licht. Nu zendt God redding
en zegen tot de heidenen, volstrekt gescheiden van Israel en haar
verbondsbeloften, uitsluitend door de verdiensten van de gekruisigde, verrezen,
verhoogde Here.
"IN
WELKEN WIJ HEBBEN DE VERLOSSING DOOR ZIJN BLOED, NAMELIJK DE VERGEVING DER
MISDADEN, NAAR DE RIJKDOM ZIJNER GENADE" (Eph.1:7).
DE
EUNUCH GEDOOPT
"En
alzo zij overweg reisden, kwamen zij aan een zeker water; en de kamerling zeide:
Ziedaar water; wat verhindert mij gedoopt te worden?
"En
Philippus zeide: Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd. En
hij antwoordende zeide; Ik geloof, dat Jezus Christus de Zone Gods is.
"En
hij gebood de wagen stil te houden; en zij daalden beiden af in het water, zo
Philippus als de kamerling, en hij doopte hem.
"En
toen zij uit het water waren opgekomen, nam de Geest des Heren Philippus weg, en
de kamerling zag hem niet meer; want hij reisde zijn weg met blijdschap.
"Maar
Philippus werd gevonden te Azote; en het land doorgaande, verkondigde hij het
evangelie in alle steden, totdat hij in Cesarea kwam."
- (Hand.8:36-40).
Vele
ernstige Christenen, die vasthouden aan de doop door onderdompeling als zijnde
een openbare belijdenis van geloof in Christus, gaan ter ondersteuning, naar
deze passage in de Schrift. De meesten van hen erkennen vrijmoedig dat Johannes'
"doop der bekering tot vergeving van zonden" (Mark.1:4) geen plaats
heeft in de bedeling van God's genade. Sommigen gaan zelfs zover, met te
erkennen, dat de doop op Pinksteren (toen, naar verondersteld, het lichaam van
Christus begon) eveneens was "tot vergeving van zonden" (Hand.2:38) en
daarom geen plaats heeft in Gods huidige programma. Huiverig echter om de
praktijk helemaal op te geven, wijzen zij op zulke gevallen als van de
Ethiopische kamerling, Cornelius, Lydia en de Philippische gevangenbewaarder,
bewerend dat wij hierin voorbeelden hebben van waterdoop, zoals God die vandaag
uitgevoerd wil hebben - alleen maar om openlijk te bevestigen dat we zijn
begraven met Christus. Maar deze gevallen bewijzen niet alles wat onze
onderdompelende vrienden schijnen te denken dat zij doen. Wij zullen met hen
verder handelen, naarmate we voortschrijden met onze studies in Handelingen.
WAS
ZIJN DOOP WEL NOODZAKELIJK?
Vanuit
de bovenstaande passage wordt wel geredeneerd dat de Ethiopische kamerling niet
werd bevolen te worden gedoopt. Hij vroeg om te worden gedoopt en hem werd
verteld, dat als hij waarlijk geloofde, hij dat mocht. Dit is de grond waarop
sommigen hebben gemotiveerd, dat waterdoop vandaag niet voorgeschreven, maar
toelaatbaar is, en dat deze dient te worden overgelaten aan het persoonlijk
geweten, dat gelovigen zouden worden gedoopt, als zij "leiding
gevoelen", etc. Maar dat leert deze passage geenszins.
Ten
eerste, dient eraan te worden gedacht dat dit gebeuren plaats vond, voordat
Paulus zelfs was bekeerd. In die tijd was er nog geen zweem geweest van enige
verandering in het Pinksterprogramma of van enige instructies daaromtrent van
onze Here, dat "Hij die gelooft en gedoopt zal zijn, gered zal worden"
(Mark.16:16).
Ten
tweede, zoals we reeds hebben aangetoond, laten vele tekst- en bijbelvertalingen
vers 37 weg, en het is discutabel of het wel tot het verslag behoort, maar zelfs
al staat het in het origineel, dan bewijst het toch niet dat waterdoop in die
tijd, niet vereist was tot redding. Indien de schrijver tegen een ongered
persoon zou zeggen: "Gij mag ook geloven en gered zijn" zou dat dan
impliceren dat hij gered zou kunnen worden zonder geloven? De woorden
"Indien gij van ganser harte gelooft, zo is het geoorloofd", wijzen er
eenvoudig op dat als de kamerling niet oprecht geloofde, het geen punt zou zijn
hem te dopen, zoals het laatste gedeelte van Mark.16:16 duidelijk maakt.
Voorzover het het verslag in de Schrift betreft, was waterdoop in die tijd nog
vereist en Philippus wees de Ethiopische kamerling er slechts op, dat als hij
oprecht geloofde, het zijn voorrecht was, voor zichzelf de middelen*/[4]
tot redding te gebruiken.
WAS
ZIJN DOOP EEN BEWIJS
VOOR ONDERDOMPELING?
Zij
die dopen door onderdompelen, halen veelal het feit aan, dat Philippus en de
kamerling afdaalden in het water, en opkwamen uit het water. Dit wordt gezien
als een klare uitleg dat de kamerling werd ondergedompeld. Maar als de
uitdrukking "afdalen in" en "opkomen uit" bewijzen dat de
kamerling werd ondergedompeld, bewijzen zij ook, dat Philippus zelf
ondergedompeld werd, want de passage gaat voort:
"...en
zij daalden BEIDEN af in het water, ZO PHILIPPUS ALS DE KAMERLING..."
Dit
bewijst niet dat iemand werd ondergedompeld. De passage vermeldt niet
"afdalen onder", maar "afdalen in", evenmin werd de
kamerling gedoopt alleen door in het water te gaan.
De
simpele feiten zijn, dat zij in een heet land waren, en niet geschoeid waren
zoals wij, maar sandalen of helemaal niets droegen. Het water zoekt natuurlijk
de laagste plaats, dus was het nodig voor Philippus en de kamerling om neer te
stappen uit de wagen en naar beneden te lopen, vanaf de weg, naar de beek of
plas ernaast. In hun omstandigheden was het heel natuurlijk om direct naar
beneden in het water te lopen, en na dit gedaan te hebben, lezen we dat
"hij (Philippus) hem (de kamerling) doopte". Aldus doopte Philippus de
kamerling nadat zij "in het water" gegaan waren. Hij doopte hem met
het water waarin zij gegaan waren. Evenmin is er ייn woord dat aanwijst dat
Philippus de kamerling doopte door hem onder water te doen.
Ook
wanneer onze vrienden de Baptisten deze passage gebruiken om te bewijzen dat er
genoeg water was om de kamerling onder te dompelen, vergissen zij zich, want de
passage geeft dat niet aan. Indien de beek of plas slechts tot de enkels reikte,
dalen zij er toch in af.
Het
hele ongefundeerde argument van het onderdompelen, komt door de fout van niet
erkenning van het onderscheiden karakter van de boodschap van Paulus en zijn
bediening, en door het misverstaan van deze wondervolle passages, waarin hij de
gelovigen van vandaag verzekert, dat zij begraven zijn met Christus in de doop (Rom.6:4;
Col.2:12). Niet in staat deze passages met iets hogers te associeren dan
waterdoop, veronderstellen zij dat een werkelijke begrafenis in water bedoeld
wordt, maar deze "watergraf"-theorie is net zo onschriftuurlijk als
ongepast en wreed, want noch in de Schriften, noch onder welke omstandigheden
ook, worden mensen in water begraven.
WAS
ZIJN WATERDOOP EEN OPENBAAR
GETUIGENIS?
Ook
wordt geleerd vanuit het verslag van de doop van de kamerling, dat sinds (zoals
wordt verondersteld) dopen toen niet langer werd vereist tot redding, het
eenvoudig een openbaar getuigenis werd van geloof in Christus.
Het
is uiteraard waar, dat veel van wat wij doen, getuigt van wat we zijn. Naar de
kerk gaan of naar de dancing is op zich een getuigenis. Dronken waggelend langs
de straat gaan is een getuigenis. Een rozekrans dragen, het hoofd buigen en
"Wees gegroet, Maria" herhalen, is een getuigenis. Maar de werkelijke
vraag in kwestie is deze: Werd waterdoop gegeven aan leden van het Lichaam van
Christus? Was dit de ware bedoeling ervan? Zoals wij het gevoelen, moet de doop
van de Ethiopiכr afdoende bewijs leveren, dat het zo niet was.
Philippus
en de Ethiopiכr waren in de woestijn, en er is geen aanwijzing van aanwezigheid
van enig getuige bij de gebeurtenis. Waarom? Er is wel getuigd natuurlijk, dat
zo'n belangrijk man als de Ethiopische hoofdschatbewaarder, wel adjudanten bij
zich gehad moet hebben. Toegegeven! Dat denken wij ook, maar zeker is dat wij
onze theologie niet mogen baseren op "moet hebben" of "zo
denken"!
Terwijl
het mogelijk schijnt, dat anderen bij de doop van de Ethiopiכr aanwezig waren,
geeft de Schrift zelfs geen enkele aanwijzing dat ook maar ייn getuige
aanwezig was. Waarom? Als deze doop bedoeld was om een publiek getuigenis te
zijn, zou de Heilige Geest dan niet speciale aandacht besteed hebben aan het
vermelden van de getuigen? Toen Paulus en Silas baden in de gevangenis te
Philippi, lezen we dat "de gevangenen hen hoorden" (Hand.16:25). Dat
was een werkelijk en ook effectief getuigenis. En dat was de Schriftuurlijke
wijze, "want met de MOND getuigt men" (Rom.10:10) in de eerste plaats
tot God, "tot redding (behoudenis)" en dan tot mensen.
En
dit is ook gewoon te begrijpen. Als waterdoop bedoeld was tot een publiek
getuigenis, zou het telkens dienen te worden herhaald, want men kan door naar
zijn buurman te kijken, niet vertellen of hij wel of niet gedoopt is geworden.
Veronderstel
dat een man, in deze bedeling van genade, is gedoopt met water, en naar een
verafgelegen plaats gaat en daar een zorgeloos, ongeregeld leven leidt; wat is
dan de waarde van zijn doop? Uiteraard niets. Veronderstel nu dat hij na te zijn
gedoopt, naar een verre plaats gaat en een geregeld, godsdienstig leven leidt.
Is nu zijn doop van waarde? Deze vraag dient met ernst te worden overwogen, en
met moed te worden beantwoord. Het antwoord is natuurlijk ook geen waarde, want
het was zijn godsdienstig leven, niet zijn doop, dat voor hem het ware
getuigenis gaf aan degenen uit zijn omgeving. Hoe vele "gedoopte
bekeerlingen" zijn er wel, die zelfs geen enkel woord van getuigenis kunnen
geven voor hun Here, onder de ongodsdienstigen!
Het
is zeker, dat de doop van gelovigen door water, in deze tijd een getuigenis is,
- maar een slecht. Het is een blaam werpen op het volbrachte werk van Christus.
Het is een belijdenis van gebrek aan waardering van de positie van de gelovige
in Christus - "aangenomen in de Geliefde", "volmaakt in
Hem", gekruisigd, begraven, opgewekt en gezeten aan Gods rechterhand in de
hemelse gewesten, en daar gezegend met alle geestelijke zegeningen IN CHRISTUS (Eph.1:3,6;
2:1-6; Col.2:10-13). Toevoegen aan Gods programma van de genade, die nu eenmaal
vereist was tot redding, is altijd een slecht getuigenis.
Maar
de waarheden in de brieven aan de Epheziכrs en Colossenzen waren nog niet
bekend, toen Philippus de kamerling doopte. In die tijd werd Christus nog steeds
verkondigd als Israel's Messias, de Zoon van God, aan wiens voeten Israel en de
volkeren moesten buigen. Door zijn doop bekende de kamerling, Christus als
zodanig en erkende zijn eigen behoefte aan reiniging (Zie Mark.1:4; Joh.1:31;
Mark.16:16; etc.).
DE TEKENEN DIE VOLGDEN
Zij
die van dit gebeuren een model maken voor onze dagen, moeten niet voorbijgaan
aan het wonder waarmee deze geschiedenis besluit. Want zodra de kamerling
gedoopt is, neemt de Geest Philippus weg naar een andere plaats. Dit is niet in
harmonie met God's programma voor vandaag, maar het valt samen met de
"grote opdracht" aan de elven, waar we vinden dat wonderlijke tekenen
de gelovige gedoopten zouden volgen. Het is niet zonder betekenis, dat waar we
lezen over waterdoop in het boek Handelingen, we een wonder zien plaats grijpen
in de directe contekst.
Maar
de aanname van God's boodschap voor die dag, zijn belijdenis van zonde, en zijn
erkenning van Christus als de Zoon van God, hadden hem het licht en de vrede
gebracht die hij zocht, en "hij ging zijn weg met blijdschap"! Het
nederig gesprek van Philippus met hem, had meer uitgericht dan de verhandelingen
van Jeruzalem's beste religieuze leiders.
|