|
H
O O F D S T U K XI - H A N D. 8:1-3
ISRAEL VERKLAART GOD DE OORLOG
DE OPDRACHT AAN DE APOSTELEN UITGESTELD
"En
Saulus had mede een welbehagen aan zijn dood. En er werd te dien dage een grote
vervolging tegen de gemeente die te Jeruzalem was; en zij werden allen
verstrooid door de landen van Judea en Samaria, behalve de apostelen.
"En enige godvruchtige mannen droegen Stefanus te zamen ten grave,
en maakten grote rouw over hem. "En
Saulus verwoestte de gemeente, gaande in de huizen; en trekkende mannen en
vrouwen, leverde hen over in de gevangenis." - (Hand.8:1-3)
Degenen, die wensen te begrijpen wat terecht kwam van de "Grote
Opdracht" van onze Here aan de twaalven, dienen altijd Hand.8:1 te
combineren met Hand.1:8.
Toen onze Here de elf apostelen oorspronkelijk uitzond, gaf Hij hun ook
instructies voor wat betreft de geografische volgorde van hun bediening voor
Hem, en zei:
"Maar gij zult ontvangen de kracht des Heiligen Geestes, Die over u
komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zo te JERUZALEM als in geheel JUDEA
en SAMARIA en tot aan het UITERSTE DER AARDE" (Hand.1:8).
Dit is in overeenstemming met wat Lukas vermeldt in zijn evangelie
betreffende het bevel van de Here: "...En in Zijn Naam gepredikt worden bekering en vergeving der
zonden onder alle volken, BEGINNENDE VAN JERUZALEM" (Luk.24:47).
Nu vinden we in de beginverzen van Hand.8 de Joodse gelovigen, gaande van
Jeruzalem naar Judea en Samaria. Dit heeft sommigen tot de conclusie geleid, dat
deze passage voortgang betekent in de uitvoering van de "grote
opdracht"
Het tegenovergestelde is echter het geval. Deze discipelen verlieten
Jeruzalem niet in navolging van welk bevel ook van onze Here. Zij werden
verstrooid en vluchtten voor hun levens. En de twaalf apostelen, degenen aan wie
onze Here had bevolen om vanuit Jeruzalem de wereld in te gaan, bleven in
Jeruzalem!
Het was natuurlijk vanzelfsprekend, dat de gelovigen uit Jeruzalem zouden
vluchten toen de vreselijke vervolging uitbrak, maar hoe moeten we het
achterblijven van de apostelen daar beschouwen?
Verzaakten zij hun plichten? De Schriften antwoorden eenvoudig, dat zij
dat niet deden, maar het is treurig te bedenken dat zovelen, deze trouwe en
Geest-vervulde mannen, belasten met nalatigheid om de goddelijke orders te
gehoorzamen, omdat zij Jeruzalem niet verlieten met de overigen.
Dit standpunt neemt het eerder vermelde boek Lectures on the book of Acts
wel
in. Dit boek vindt, tot nu toe, de fout bij de apostelen, door achter te blijven
blijven in Jeruzalem. Onjuist veronderstellend dat de elven werden
uitgezonden met het evangelie van God's genade, zegt de auteur:
"God moest soms handelen door onaangename omstandigheden, om Zijn
heiligen te dwingen overeenkomstig Zijn plan voor hen te werken...Tot op dit
ogenblik dan, hebben we gezien dat het evangelie uitging in de stad Jeruzalem en
geheel Judea, maar de discipelen waren erg traag in het uitvoeren van de rest
van het programma" (Pp.176,177).
In de eerste plaats verwart de auteur de menigte der discipelen hier, met
de apostelen, want het waren de apostelen, aan wie God in het bijzonder de
opdracht gegeven had, en deze "onaangename omstandigheden" dwongen hun
niet om Jeruzalem te verlaten! De twaalven bleven zitten waar zij zaten!
Duidelijk verward, zegt de auteur op de volgende pagina:
"Zo gingen zij het gehele land van Palestina door - met uitzondering
van de apostelen -, dezelfden aan wie was opgedragen om het evangelie aan alle
schepselen te prediken. Om een of andere reden bleven zij in Jeruzalem..."
(P.178).
"Om een of andere reden" bleven de apostelen te Jeruzalem! Het
is gelukkig dat de apostelen hun opdracht beter verstonden dan sommigen van onze
leiders Fundamentalisten het begrepen hebben.
De reden waarom de twaalven in Jeruzalem bleven is, dat zij gezonden
waren, niet om het evangelie van God's genade, maar de aanspraken van Christus'
koninkrijk te verkondigen. Aan deze twaalven waren de tronen beloofd in dat
koninkrijk (Matt.19:28). Dat koninkrijk zou in Jeruzalem worden gevestigd, en
kon niet eerder worden gevestigd, dan nadat Jeruzalem de Messias had
geaccepteerd.
Had God niet aan Abraham beloofd, dat in de vermenigvuldiging van zijn
zaad alle volken gezegend zouden zijn? (Gen.22:17,18). Hoe konden dan de volken
gezegend zijn door Israel, wanneer Israel zelf de zegen niet wilde ontvangen? Is
het niet zonneklaar uit de Oud-Testamentische profetie, dat Christus zou regeren
in Jeruzalem op de troon van David? Had onze Here niet duidelijk gemaakt dat Hij
niet eerder zou terugkeren dan wanneer Jeruzalem zou zeggen: "Gezegend is
Hij, Die komt in de Naam van de Here"? (Matt.23:37-39).
Hoe konden de apostelen hun opdracht vervullen door nu uit te gaan van
Jeruzalem? Hoe kon het koninkrijk worden gevestigd op aarde, als Jeruzalem en
het volk Israel zich niet tot Christus keerden? Waar moest Christus, behalve in
Jeruzalem, regeren; in Washington, Moskou, Londen, Rome?
Maar de auteur van Lectures on the Book of Acts is ook op dit punt abuis;
door voorbij te zien aan de grote hoeveelheid van profetisch getuigenis over dit
onderwerp, geeft hij een totaal andere reden voor de aanwijzing om te beginnen
bij Jeruzalem:
"Let nu op de rangorde - Jeruzalem, dezelfde stad waar Christus werd
gekruisigd, destijds in de ogen van God de slechtste stad op aarde: daar zou de
genade van God het eerst worden gemanifesteerd..." (p.21).
Toch beschuldigde Petrus zijn toehoorders in Jeruzalem voor de kruisiging
van Christus, en toen Paulus, de apostel der genade, zijn bediening wilde
beginnen te Jeruzalem, verscheen hem de Here en zei: "Spoed u en ga
inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet
aannemen" (Hand.22:18).
In het licht van zijn verkeerde inzichten wat dit alles betreft, is het
niet vreemd dat de zogenaamde aartsbisschop van het Fundamentalisme de sterkste
opponent werd van "de prediking van Jezus Christus overeenkomstig de
openbaring van het geheimenis" (Rom.16:25).*/[1]
Maar we zouden speciale aandacht willen vragen voor een vraag, te stellen
aan allen, die deze gezichtspunten aangaande de twaalven en hun grote opdracht
delen: Waartoe was meer moed nodig, om te vluchten uit Jeruzalem, of te blijven
in de woedende vervolging, met dagelijks gevaar voor de dood? Zouden ontrouwe
mannen niet zijn gevlucht in zulke tijden?
Het was toen zeldzame moed, en trouw aan hun "grote opdracht",
en geen lafhartigheid of ontrouw, die deze twaalf apostelen aanleiding gaf om in
Jeruzalem achter te blijven, terwijl de overigen vluchtten.
In dit gedeelte van het boek Handelingen hebben we van ons uit, Israel's
verwerping van God's aanbod tot terugkeer van Christus, en de vestiging van Zijn
koninkrijk beschreven. Stefanus is gestenigd en de volgelingen van Messias zijn
uit Jeruzalem verdreven, - behalve de apostelen, die daar achterbleven,
niettegenstaande het gevaar.
Zo bleek, uit het blijven van de apostelen in Jeruzalem en de vlucht van
de gelovige menigte, éénzelfde zaak: dat Israel zich niet tot Christus
bekeerde. Omdat de apostelen gezonden waren om Zijn koninkrijk te verkondigen
(dat zou worden gevestigd in Jeruzalem), was hun taak te Jeruzalem nog niet
voltooid. Zouden we dan deze stoere mannen niet hoog achten wegens hun trouw op
hun post blijven in het aangezicht van vervolging en dood?
Wanneer we nu terugzien op het schouwspel, zien we in deze vervolging nog
een aanwijzing dat Israel onvermurwbaar was in haar afwijzing van Christus, en
dat het koninkrijk nog niet werd gevestigd. De "geheime crisis", zoals
Sir Robert Anderson het noemt, was voorbij. Israel had oorlog verklaard aan
Christus en de begrafenis van Stefanus, gevolgd als deze werd door "grote
rouw", was de begrafenis van de hoop voor Israel gedurende een lange tijd.
In deze passage ontdekken we dan, in plaats van te zien dat de Grote
Opdracht verder wordt uitgevoerd (die het koninkrijk zou hebben gebracht), dat
het profetisch programma ingehouden wordt. God stond de twaalven wel toe hun
werkzaamheden in Jeruzalem hierna enige tijd voort te zetten, maar dat was,
omdat Hij Israel geen enkel excuus wilde laten. Hierdoor werd de orde van het
koninkrijk van Christus nog enige tijd geproclameerd; de apostelen, - ook Paulus
- gaan door met Israel te herinneren aan Zijn kwalificaties en waardigheden,
maar er is geen verslag van nogmaals een aanbod van het koninkrijk. God is reeds
de invoering van een nieuwe bedeling aan het voorbereiden, terwijl de vestiging
van het koninkrijk van de Messias op aarde, in afwachting wordt ingehouden.
SAULUS DE LEIDER VAN DE
OPSTAND
Eén persoon steekt boven allen uit in deze boze opstand. Het is Saulus
van Tarsus, de jongeman die de kleren van Stefanus' moordenaars bewaardde; een
veelbelovend en reeds onderscheiden jongmens. We lezen dat deze Saulus
"instemde" met Stefanus' dood. Betekent dit dat hij lid was van het
Sanhedrin? Hij was "een jonge man" (Hand.7:58) zoals we gezegd hebben,
en het was een grote uitzondering voor een jonge man, om lid te zijn van het
Sanhedrin. Toch getuigt hij later in Gal.1:14:
"Dat ik in het Jodendom toenam boven vele van mijn ouderdom in mijn
geslacht, zijnde overvloediglijk ijverig voor mijn vaderlijke inzettingen."
Zou hij dan geen lid van het Sanhedrin geweest zijn, dan nog moet hij tot
die hoge rang zijn gepromoveerd, kort na de marteldood van Stefanus, want zowel
Hand.23:6 als Phil.3:5 maken het duidelijk dat hij een farizeeër was, en toen
hij voor Agrippa getuigde over zijn
vervolging van de heiligen in Jeruzalem, zegt hij, dat toen zij terdood gebracht
werden, hij tegen hen stemde (Hand.26:10).*/[2]
In ieder geval voerde deze jonge ijveraar, in zijn vurige haat tegen
Christus, zo onstuimig de strijd tegen Christus'volgelingen aan, anderen
aansporend zich bij de vervolging aan te sluiten, dat het niet lang duurde,
totdat hij "macht en last" ontving van de hogepriesters om de verering
van de Nazarener in "buitenlandse steden" en zelfs in het verre
Damascus, uit te roeien. (Hand.26:11,12).
Er is enige discussie geweest, of Paulus al dan niet de voornaamste der
zondaars was. Het antwoord op deze vraag is eenvoudig, dat de Schrift zegt dat
hij het was, en het feit naar voren brengt, dat "Christus Jezus in de
wereld kwam om zondaars te redden."
"DIT IS EEN GETROUW WOORD EN ALLE AANNEMING WAARDIG, DAT CHRISTUS
JEZUS IN DE WERELD GEKOMEN IS OM DE ZONDAREN ZALIG TE MAKEN, VAN WELKE IK DE
VOORNAAMSTE BEN.
"MAAR DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN
MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN
VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN"
(1Tim.1:15,16).
De vraag is klaarblijkelijk gerezen door een misverstaan van termen.
Wanneer van Paulus wordt gesproken als de voornaamste der zondaars,
veronderstellen sommigen dat bedoeld wordt, dat hij de ergste der zondaars was.
Dat was hij natuurlijk niet. Zelfs in zijn ongeredde staat, "leefde hij met
alle goede consciëntie" (Hand.23:1) en getuigde later: "Ik meende
waarlijk bij mijzelven, dat ik tegen de Naam van Jezus van Nazareth vele
wederpartijdige dingen moest doen" (Hand.26:9). Dit kon nauwelijks van
Judas of van de hogepriesters worden gezegd, en in deze zin waren zij ergere
zondaars dan Paulus.*/[3]
Maar het woord voornaamste betekent niet ergste; het betekent de meest
vooraanstaande. Het duidt op rangorde. Het originele woord wordt vertaald met
"chief" of "hoofd" op minstens zes plaatsen in andere
geautoriseerde vertalingen, en geeft ons inzicht in het gebruik van het woord:
Matt.20:27, "de eerste onder u", Luk.19:47, "oversten des
volks", Hand.16:12, "de eerste stad", Hand.17:4,
"voornaamste vrouwen", Hand.25:2 en 28:17, "voornaamste der
Joden".
In geen van deze zinnen kan het woord voornaamste worden weergegeven met
ergste.
Nu was Paulus het hoofd, de meest vooraanstaande, der zondaars. Hij was
hun leider, in die tijd dat de zonde overvloedig was. Denk er om, dat de
heidenen lang geleden tegen God in opstand waren in Babel. Drie keer lezen we
dat "God...hen overgaf", "God hen overgegeven heeft",
"heeft hen God overgegeven" (Rom.1:24,26,28). Dan, als Hij Abraham's
zaad verkiest, stelde Hij voor, de wereld door hen te herstellen en te zegenen.
Maar hier verbindt Abraham's zaad zich met de heidenen in hun opstand tegen God,
en Saul van Tarsus is hun leider. Zo was Saulus dus de voornaamste der zondaars;
hij leidde Israel, ja de hele wereld, in opstand tegen God en Zijn Christus. Hij
was de personificatie van het werkelijk gedrag van de wereld tegen God en Zijn
Christus (Ps.2:1-3).
We lezen alleen van hem: "En Saulus verwoestte de gemeente"
(Hand.8:3). Aan de Galaten schrijft hij: "Want gij hebt gehoord...dat ik
uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte"
(Gal.1:13).
"Gaande in de huizen, en trekkende mannen en vrouwen", hij
"leverde hen over in de gevangenis" (Hand.8:3). En overeenkomstig zijn
eigen getuigenis, later gegeven, hij "strafte hen dikwijls door al de
synagogen (in Jeruzalem) en dwong hen te lasteren" (Hand.26:11). Evenmin
bevredigde het hem toen de discipelen uit Jeruzalem begonnen te vluchten. Hij
was besloten hen te achtervolgen. "Bovenmate tegen hen woedende, heb ik hen
vervolgd ook tot in de buitenlandse steden" (Hand.26:11).
"En Saulus blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de
Here, ging tot de hogepriester, en begeerde brieven van hem naar Damaskus aan de
synagogen, opdat zo hij enigen, die van die weg waren, vond, hij dezelve, beide
mannen en vrouwen, zou gebonden brengen naar Jeruzalem" (Hand.9:1,2).
Aldus gewapend met de "macht en last van de hogepriester"
(Hand.26:12), maakte Saulus het zich tot taak, zovelen als mogelijk, te
arresteren, en "gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft
zouden worden" (Hand.22:5).
En zo werd de veelbelovende jonge student een religieus fanaticus.
Volgens het getuigenis dat hij later gaf, "vervolgde hij deze weg tot de
dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beide mannen en
vrouwen" (Hand.22:4). "En velen van de heiligen," zo zegt hij,
"heb ik in de gevangenissen gesloten...en als zij omgebracht werden, stemde
ik het toe" (Hand.26:10).
Hoe voortvarend hij was geworden in de groeiende vervolging, kan worden
gezien uit de bange woorden van Ananias in Hand.9:13,14: "Here, ik heb uit
velen gehoord van deze man, hoeveel kwaad hij Uw heiligen in Jeruzalem gedaan
heeft; en Hij heeft hier macht van de overpriesters, om te binden allen die Uw
Naam aanroepen".*/[4]
Maar laat ons terugkeren naar de passage die we beschouwen en naar de
grote vervolging in Jeruzalem.
God staat hier op het punt een nieuwe bedeling in te voegen, en daartoe
brengt Hij Saulus van Tarsus naar voren, niet een toegewijd discipel van
Christus, maar de slechtste en meest meedogenloze vijand van de Here op aarde;
niet om hem te vernietigen, maar om hem te redden en hem tot de hoogste
demonstratie van zijn grenzeloze genade te maken. De zonde van de mens was tot
een hoogtepunt gerezen.
"MAAR WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER
OVERVLOEDIG GEWEEST" (Rom.5:20).
Op dit punt van onze studie van Handelingen aangekomen, zijn we ook
verlangend om verder te zien. Om het volle beeld te krijgen moeten we nu
voortgaan met de geschiedenis van de verstrooide gelovigen en de bediening van
Philippus in Samaria.
|