De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

 

ISRAEL IN KENNIS GESTELD VAN

             DE OPSTANDING

En nu worden Petrus' toehoorders geconfronteerd met de vreselijke mogelijkheid dat Degene, Die zij hebben gedood, weer zou leven, zoals Petrus hen in kennis stelt, dat Hij, Die zij zo laag vernederden om van Hem af te komen, uit het graf te voorschijn is gekomen in kracht.

Niet alleen bevestigt Petrus dit als een feit; hij prest de waarheid hiervan in het hart van zijn schuldige toehoorders met onweerspreekbare argumenten.

"Hem heeft God opgewekt, na de smarten van de dood ontbonden te hebben, daar het niet mogelijk was, dat Hij door deze dood vastgehouden werd.

"Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde vףףr mij, want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen word.

"Daarom is mijn hart verblijd, en mijn tong verheugt zich; ja, ook mijn vlees zal rusten in hoop,

"want Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch Uw Heilige overgeven om verderving te zien.

"Gij hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; Gij zult mij vervullen met vreugde voor Uw aangezicht.

"Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken over de patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is onder ons tot op deze dag.

"Daar hij dan een profeet was, en wist dat God hem met ede gezworen had, dat hij uit de vrucht van zijn lendenen, wat het vlees aangaat, de Christus verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten,

"heeft hij dit vooruitgezien en gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving heeft gezien.

"Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.

"Nu Hij dan, door de recxhterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort.

"Want David is niet opgevaren in de hemelen, maar hij zegt: De Here heeft gesproken tot Mijn Here: Zit aan Mijn rechterhand,

"totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw voeten.

"Laat het hele huis van Israel dan zeker weten, dat God Hem tot Here en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt".  - (Hand.2:24-36).

     HET REDELIJK ARGUMENT

"Het was niet mogelijk", zegt Petrus, dat de dood Hem kon houden. Hij kon niet in het graf gevangen blijven.

Ten eerste was het essentieel onmogelijk, onmogelijk in de zin van "uit de aard der zaak".

Hij was de Schepper van leven en had dat ook keer op keer bewezen. Alleen Hij kon zeggen (zonder dwaas te klinken):

"...Ik leg Mijn leven af, opdat Ik het weder opneme. "Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb macht het af te leggen, en heb macht het weer te nemen..." (Joh.10:17,18).

Christus was niet overwonnen door de dood. Integendeel, Hij was in de wereld gekomen om de dood te ontmoeten, ermee te worstelen, en haar te overwinnen. Hij had de dood teruggedrongen door de dood zelf en had de dood overwonnen door te sterven.

"...opdat Hij door de dood te niet zou doen degene die het geweld van de dood had, dat is de duivel" (Hebr.2:14).

Zo vinden wij Hem in Openbaringen verklarende: "Ik ben Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood" (Openb.1:18). Maar het was ook moreel en juridisch onmogelijk dat onze Here in het graf zou blijven.

Hij was gestorven vanwege hun zonde. Hij was geen zondaar. De dood had geen beslag op Hem, waardoor God Hem nu opwekte uit de dood.

                 HET SCHRIFTUURLIJK ARGUMENT

Vervolgens biedt de apostel een Schriftuurlijk argument, als hij citeert vanuit twee psalmen (Hand.2:25-36).

Petrus haalt allereerst aan uit Ps.16, dat omdat David dood is en begraven en omdat hij wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij van zijn zaad Christus zou verwekken om op zijn troon te zitten, hij niet meer over zichzelf heeft kunnen spreken, maar profetisch van Christus, toen hij zei:

"want Gij zult mijn ziel in de hel (hades) niet verlaten, noch Uw Heilige overgeven om verderving te zien" (vers 27).

Petrus' twede citaat is uit Ps.110:1, waar David zegt: "De Here heeft gesproken tot Mijn Here, Zit aan Mijn rechterhand,  "totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw voeten" (Hand.2:34,35).

In deze passage spreekt David duidelijk niet over zichzelf, maar over een ander, die hij noemt "Mijn Here". Het was dus Christus Die, volgens David's profetie, zou opstaan uit de doden en opvaren naar de hemel.

En dit argument vanuit de Schriften is nauw verbonden met een ander.

               HET ARGUMENT DER OMSTANDIGHEDEN

"Nu Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd is en de belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, dat gij nu ziet en hoort" (vers 33).

De opgevaren Here toonde daadwerkelijk het feit van Zijn opstanding door de wonderen van Pinksteren. Hij had gezegd:    

"En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem , totdat gij aangedaan zijt met kracht uit de hoogte" (Luk.24:49).

Deze kracht was nu geschonken in de tegenwoordigheid van de menigte. Wat voor een redelijke verklaring kon er zijn van de wonderen die Petrus' toehoorders nu zagen en hoorden, behalve dat Christus inderdaad was opgestaan uit de dood, was opgevaren naar de hemel en de Heilige Geest zond, zoals Hij beloofd had?

HET GETUIGENIS VAN DE APOSTELEN

Bij al deze argumenten voegt Petrus zijn eigen getuigenis en het getuigenis van hen die bij hem stonden, dat zij persoonlijk Christus gezien hebben na Zijn opstanding.

"Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn" vers 32).

De menigten die naar Petrus luisterden, zullen niet hebben gewenst dat Christus weer zou leven, maar de noodzaak vereiste het, de Schriften voorspeldden het, de omstandigheden wezen er op, en nu waren Petrus en zijn vrienden daar, om persoonlijk getuigenis te geven dat zij wisten dat het waar was. Zij waren bij Hem geweest, hadden met Hem gesproken, en hadden gezien met hun eigen ogen, tot de wolk gekomen was om Hem in de hemel te ontvangen.

                        DE TOEPASSING

En nu is het alsof de apostel het feit erin hamert, dat zijn schuldige toehoorders bereid moeten zijn  onder ogen te zien:

"LAAT HET HELE HUIS VAN ISRAEL DAN ZEKER WETEN, DAT GOD HEM TOT EEN HERE EN CHRISTUS GEMAAKT HEEFT, NAMELIJK DEZE JEZUS, DIE GIJ GEKRUISIGD HEBT" (vers 36).

Zeer zeker predikt Petrus hier niet het evangelie van God's genade, zoals sommigen willen dat wij zouden geloven. Zijn boodschap betreft duidelijk de koninkrijksrechten van de Zoon van God.

Het is Paulus, de apostel der heidenen, die later spreekt van "de bediening die ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24).

Het is Paulus die ons bidt om "in herinnering te houden, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit het zaad van David is, naar mijn evangelie" (2Tim.2:8).

Hij is het die ons vertelt dat Christus was opgestaan uit de dood "om onze rechtvaardiging", en dat God "ons heeft levend gemaakt met Christus...en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in Christus Jezus, opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus Jezus" (Rom.4:25; Eph.2:5-7).

                  OVERTUIGING EN BEKERING

"En toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?                             - (Hand.2:37).

Wij zijn nu gekomen tot het hoogtepunt van Pinksteren. Minstens enkelen van Petrus' toehoorders zijn tot overtuiging gebracht en vragen, "Wat moeten wij doen?

 

       Laat ons deze passage nauwlettend bezien, want als we verwarring willen ontgaan voor wat betreft God's boodschap en programma voor vandaag, moeten we Zijn boodschap en programma voor die tijd, waarin de apostelen begonnen met het uitdragen van de aan hun gegeven "grote opdracht", wel duidelijk begrijpen.

Laten we eerst de opening van de tekst van vers 37 bezien. "Toen zij dit hoorden"

Hoorden wat? Datgene wat Petrus gepredikt had? Had Hij het blijde nieuws verkondigd wat wij nu prediken, dat "Wij verzoening hebben door Zijn bloed, de vergeving van zonden overeenkomstig de rijkdommen van Zijn genade? Had hij zijn toehoorders redding aangeboden door geloof in het bloed van de Ene, Die kortgeleden op Golgotha stierf? Had hij iets gezegd over verzoend zijn met God door het kruis, of dat het kruis de vijandschap tussen God en mens had weggedaan?

Nee! Hij had zijn toehoorders beschuldigd van kruisiging van Christus en had hen gewaarschuwd, dat hun slachtoffer weer leefde. Wij dienen hier helder te onderscheiden tussen profetie en het geheimenis, later geopenbaard aan Paulus, want vanuit profetisch standpunt, was het het kruis dat vijandschap had gebracht tussen God en de volkeren (speciaal Israel), en deze "tegenstelling" zal in orde moeten worden gebracht zal de wereld ooit vrede en voorspoed kennen.

Opdat geen van onze lezers dit punt ontgaat, zullen we nogmaals enige van de duidelijke verklaringen in Petrus' rede aanhalen:

(Vers 22,23) "GIJ ISRAELIETISCHE MANNEN, HOORT DEZE WOORDEN: JEZUS VAN NAZARETH, EEN MAN VAN GOD, ONDER U BETOOND DOOR KRACHTEN, EN WONDEREN, EN TEKENEN, DIE GOD DOOR HEM GEDAAN HEEFT IN UW MIDDEN, ZOALS GIJ ZELF WEET,

"DEZE, DOOR DE BEPAALDE RAAD EN VOORKENNIS VAN GOD OVERGEGEVEN, HEBT GIJ GENOMEN EN DOOR DE HANDEN VAN ONRECHTVAARDIGEN AAN HET KRUIS GEHECHT EN GEDOOD."

(Vers 32) "DEZE JEZUS HEEFT GOD OPGEWEKT, WAARVAN WIJ ALLEN GETUIGEN ZIJN."

(vers 34-36) "WANT DAVID IS NIET OPGEVAREN IN DE HEMELEN, MAAR HIJ ZEGT: DE HERE HEEFT GESPROKEN TOT MIJN HERE: ZIT AAN MIJN RECHTERHAND,

"TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET HEB TOT EEN VOETBANK VOOR UW VOETEN.

"LAAT HET HELE HUIS VAN ISRAEL DAN ZEKER WETEN, DAT GOD HEM TOT EEN HERE EN CHRISTUS GEMAAKT HEEFT, NAMELIJK DEZE JEZUS, DIE GIJ GEKRUISIGD HEBT."

Het was duidelijk Petrus' bedoeling om zijn toehoorders te overtuigen van hun schuld aan de kruisiging van Christus en hen tot bekering te brengen.

En hoe beantwoordde hij hun bezorgde "Wat moeten wij doen?" Vertelde hij hen eenvoudig om te "geloven in de Here Jezus", zoals Paulus later de gevangenbewaarder in Philippi? Nee, inderdaad niet. Geloof in Christus uiteraard wel, maar er was meer.

               DE VOORWAARDEN TOT REDDING

"EN PETRUS ZEI TOT HEN: BEKEERT U, EN LAAT EEN IEDER VAN U GEDOOPT WORDEN IN DE NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING VAN DE ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE VAN DE HEILIGE GEEST ONTVANGEN."   - (Hand. 2:38).

Het is moeilijk voor ons om te begrijpen hoe eerlijke mensen door kunnen gaan met het veranderen van de eenvoudige betekenis van dit vers, teneinde het in harmonie te brengen met het evangelie van God's genade, alsof het dopen hier niets te doen had met redding. Het zou even toelaatbaar zijn om Hebr.11:4 uit te leggen dat Abel"s offer niets te doen had met zijn redding.

Wij vroegen eens aan een prediker die geloofde dat het Lichaam van Christus begon op Pinksteren, of hij zijn overtuigde toehoorders onderwees om zich te bekeren en te laten dopen tot vergeving van zonden. Hij zei: "Ja, maar niet met die woorden!" En zo beweren onze fundamentalistische broeders ook de "grote opdracht" uit te dragen, lerende dat "Wie geloofd heeft en gedoopt is, zal zalig (gered) worden", - maar niet met die woorden!

Met dit onbeschaamd forceren en veranderen van klare Schriftplaatsen om het Pinksterprogramma te conformeren met God's programma voor vandaag, en daarbij Paulus' woorden de Pinksterpraktijken laten bevestigen, dient te worden gestopt als Fundamentalisten enige vooruitgang willen maken in hun studie van het Woord.

Wij zijn het ermee eens dat Petrus op Pinksteren, en Paulus later, beiden verwezen naar het kruis en de opstanding, maar de vraag is, hoe?

Paulus glorieerde in het kruis (Gal.6:14) en bracht dit als de grote remedie voor al onze zonden. Zo deed Petrus niet, en kon dit op Pinksteren ook niet doen. Niettegenstaande huidige profetische verklaringen omtrent het kruis, hebben we niet "de prediking van het kruis" - de kruisiging gepredikt als goed nieuws tot redding - dan door Paulus.

In welke termen bracht dan Petrus zijn toehoorders tot redding toen zij tot overtuiging waren gekomen?

"BEKEERT U, EN LAAT EEN IEDER VAN U (en niet alleen 'diegenen die zich geleid voelen') GEDOOPT WORDEN IN DE NAAM VAN JEZUS CHRISTUS, (en niet alleen 'als getuigenis van uw begrafenis met Christus', maar) TOT VERGEVING VAN ZONDEN, EN (eigenlijk "EN DAN" en niet alsdan) GIJ ZULT DE GAVE VAN DE HEILIGE GEEST ONTVANGEN."

Wat een verschil met "het evangelie van God's genade", dat later aan de apostel Paulus en aan ons werd toevertrouwd! Petrus' boodschap echter, kwam volledig overeen met de "grote opdracht": "wie geloofd heeft en gedoopt is, zal zalig (gered) worden" (Mark.16:16).

Inderdaad zijn de vereisten tot redding hier niet verschillend van die welke tevoren werden vermeld bij Johannes de Doper, want we lezen in Mark.1:4, dat:

"Johannes doopte in de woestijn en predikte DE DOOP VAN BEKERING TOT VERGEVING VAN ZONDEN.

Het enige verschil tussen de voorwaarden van Petrus en die van Johannes lag in de historische ontwikkeling. De Heilige Geest was nu gekomen en Petrus kon er nu aan toevoegen: "en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen." Maar er was geen verandering in de betekenis van de opdracht, want bij de doop van Johannes moesten zij ook komen onder "belijdenis van hun zonden" (Matt.3:6). De doop van Johannes, en die van Petrus, duidden beiden op een belijdenis van zonde en een reiniging daarvan.

Met de woorden van Petrus op Pinksteren is uiterst ongelovig gehandeld, door hen die hun waterdoop theorie wilden vasthouden.

We hebben een populair boek voor ons, van een toonaangevend Fundamentalist uit de vorige generatie, getiteld: "De Doop, Wat Zegt de Schrift Ervan?" In dit boek zoekt de auteur onderscheid tussen doop van Johannes, waarbij "de Jood uitdrukking geeft aan zijn bekering en zijn behoefte aan vergeving" (p.12) en de "Christelijke doop", die volgens hem "niet was ingesteld dan na de opstanding van de Here" (p.10).

Staande op de noodzaak van "Christelijke doop", zegt deze auteur:

"En alsof deze overwegingen niet genoeg waren, is de boodschap van Petrus in Hand.2:38 op zich niet gebiedend? - 'Bekeert u en laat ieder van u gedoopt worden', etc." (p.21).

Waarom voegde deze schrijver een "etc." toe, voor de klare woorden, "in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en gij zult de gave van de Heilige Geest ontvangen"?

Zo een foutief gebruik van het geschreven Woord is niet te verontschuldigen, want de auteur kende dit vers wel en hij wist ook, dat als hij het in zijn geheel zou hebben aangehaald, het bewijs dat waterdoop niet voor de Christenen vandaag geldt, zou zijn geleverd.

Voor ons ligt nog een boekje getiteld: Over de Doop, door een andere Fundamentalistische leider. Deze schrijver doet praktisch hetzelfde. Proberend een onderscheid aan te tonen in de betekenis van waterdoop vףףr en na de opstanding, zegt hij:

"Wilt u s.v.p. Hand. 8, het twede hoofdstuk opslaan? In die tijd was Johannes er niet meer; hij was onthoofd; Christus was opgevaren in heerlijkheid; en de Heilige Geest was gekomen en de discipelen predikten.

"Hand.2:38. 'Toen zei Petrus tot hen, Bekeert u en laat u dopen...'"

Klaarblijkelijk zou, als de schrijver het vers volledig zou hebben aangehaald, in plaats van stippels te zetten, zijn hele bewijsvoering teniet gedaan zijn. Hoe kunnen Gods mannen zich verantwoorden, en ook tegenover God, voor een dergelijke behandeling van deze passage? Dit is het wat ons bezwaart. Hebben zij naar eigen gedachten enige verklaring hiervoor, of heeft hun ijver voor de waterdoop ceremonie hen verblind, om zo oneerlijk te handelen met de heilige Schriften?

Ook staan deze twee bovenaangehaalde Fundamentalistische leiders*/ hierin niet alleen. In een open discussie over dit onderwerp in 1943, toonden wij zes boeken van waterdopers, die allen op dezelfde wijze omgingen met dit belangrijke vers.

*/ Voetnoot: Dr. H.A.Ironside en Pastor Edward Drew.

Bij deze discussie riep een predikant uit: "Wilt u ons vertellen dat Petrus op Pinksteren niet het evangelie van Gods genade predikte?"

Wij antwoordden dat dit precies was wat wij bedoelden, en vroegen wat het evangelie van God's genade betekende. Hij scheen verrast bij deze vraag, en zijn antwoord was in hoofdzaak, dat wij eenvoudig zondaren waren, dat Christus voor onze zonden was gestorven, en dat ieder die geloofde in Zijn vergoten bloed voor eeuwig gered zou zijn, uitsluitend door genade, door geloof.

Wij stemden hiermee in en vroegen hem of hij dit kon vinden in de Pinkstertoespraak van Petrus. Hij keek een tijd naar deze passage en zei tenslotte: "Goed, Petrus zegt hier: 'Het zal geschieden dat een ieder die de naam van de Here zal aanroepen, gered zal zijn', maar ik weet wat u hierover zal zeggen."

"Wat zal ik dan zeggen?" vroeg ik.

"Wel", antwoordde hij, "U zult zeggen dat als zij echt aanriepen, Petrus hen vertelde om zich te bekeren en te worden gedoopt tot vergeving van zonden."

"Precies!" Dat is het wat de tekst zegt!

De sleutels tot het koninkrijk werden aan Petrus toevertrouwd; "het evangelie van de genade van God" aan Paulus (Matt.16:19; Hand.20:24; Eph.3:9,15).

Tenzij we dit helder zien - als we zien dat het evangelie van God's genade behoort tot het grote geheimenis dat pas geopenbaard werd nadat Israel haar Koning had afgewezen, zowel in het vlees, als opgestaan - moeten we verstrikt blijven in de hopeloze verwarring die hen verwikkeld heeft, die nog steeds proberen om God aanvaardbaar te dienen onder de verkeerde opdracht.

Welk een groot onderscheid tussen, Petrus op Pinksteren, oproepend tot bekering en doop tot vergeving van zonden, en Paulus, die later predikt Christus' gerechtigheid tot vergeving van zonden! (Rom.3:21-28).

Paulus verwijst ook naar "(Christus') gerechtigheid door de vergeving van de zonden die tevoren geschied zijn" in Rom.3:25. Het werd nu geopenbaard dat het bloed van dieren en het wassen met water op zich, de zonden niet wegnam, maar juist Christus' dood op Golgotha, die nu, te juister tijd was bekend gemaakt en verkondigd als het grote redmiddel van zonde.

"Want er is ייn God, er is ook ייn Middelaar tussen God en mensen, de Mens Christus Jezus,

"Die Zichzelven gegeven heeft tot een losprijs voor allen, VOLGENS HET GETUIGENIS TE ZIJNER TIJD,

"waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel (ik zeg de waarheid in Christus, ik lieg niet), als leraar van de heidenen in geloof en waarheid" (1Tim.2:5-7).

"MAAR NU IS, ZONDER DE WET, DE RECHTVAARDIGHEID VAN GOD GEOPENBAARD..."

"Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof in ('van' K.J.V.) Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen onderscheid.

"Want zij hebben allen gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid van God,

"en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is,

"Die God gesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn bloed; TOT BETONING VAN ZIJN RECHTVAARDIGHEID, DOOR DE VERGEVING VAN DE ZONDEN DIE TEVOREN GESCHIED ZIJN...

"TOT BETONING VAN ZIJN RECHTVAARDIGHEID IN DEZE TEGENWOORDIGE TIJD; OPDAT HIJ RECHTVAARDIG IS, EN HEM RECHTVAARDIGT DIE UIT HET GELOOF IN JEZUS IS.

"WAAR IS DAN DE ROEM? HIJ IS UITGESLOTEN..." (Rom.3:21-27)

Hallelujah!

DE BELOFTE AAN ISRAEL

"Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die veraf zijn, zo velen de Here, onze God, er toe roepen zal."   - (Hand.2:39) Op het eerste gezicht schijnt het "u" en "uw kinderen" uit vers 39 te wijzen op Israel, terwijl de uitdrukking "allen die veraf zijn" slaat op de heidenen. Maar een zorgvuldig onderzoek van de passage zal bewijzen dat dit niet zo kan zijn.

In de eerste plaats werd de belofte van de Geest (cf.verzen 33,38) nimmer aan de heidenen gedaan. Het raakte weliswaar de heidenen, maar zij was ontegenzeggelijk gericht tot Israel. Wij, heidenen naar het vlees, worden vermaand in Eph.2:11,12 te bedenken dat wij vervreemd waren van het burgerschap Israel's, vreemdelingen van de verbonden van de belofte, terwijl wij geen hoop hadden, en zonder God in de wereld."

Evenmin verwijst de uitdrukking "veraf" die hier en elders in de Schrift gebruikt is, uitsluitend op de heidenen. Wij, heidenen, waren geestelijk "veraf" (Eph.2:17) maar Israelieten buiten hun land waren geografisch gezien "veraf" (in de diaspora), en worden in het Oude Testament telkens zo aangeduid. Onder anderen vinden we de uitdrukking "veraf" in Daniel's bekende gebed:

"Bij U, o Here! is de gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is ten dezen dage; BIJ DE MANNEN VAN JUDA, EN DE INWONERS VAN JERUZALEM, EN GEHEEL ISRAEL, DIE NABIJ EN DIE VERRE ZIJN,in al de landen, waar Gij ze heengedreven hebt, om hun overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben" (Dan.9:7).

Petrus, zich dan tot een Joods gehoor wendend, verklaarde eenvoudig, dat de belofte van de Geest was voor hen en hun kinderen, en voor hen (van hun volk) die verre waren. En dit stemt overeen met het slotvers van hoofdstuk 3, waar hij zijn Hebreeuwse toehoorders eraan herinnert, dat zij de kinderen van het verbond zijn, en dat God allereerst voor hen een Redder had opgewekt, "Zijn Zoon Jezus", omdat door Hem de volkeren der aarde zouden worden gezegend.

DRIE DUIZEND BEKERINGEN

"En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen en zei; Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!

"Zij dan die zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er werden op die dag tot hen toegevoegd omtrent drieduizend zielen." - Hand.2:40,41).

Drieduizend zielen, op ייn dag gedoopt, moge op het eerste gezicht een groot aantal schijnen. In feite was het slechts een heel kleine minderheid in het grote volk dat Petrus en de elven zo ernstig probeerden aan de voeten van de Messias te brengen.

Toen onze Here op aarde was, had Hij gepredikt dat het koninkrijk van de leiders van Israel zou "worden genomen", en "gegeven aan een volk (niet volken) dat vruchten daarvan zou voortbrengen" (Matt.21:43). Het is niet moeilijk vast te stellen waaruit dit "volk" zou bestaan, want in Luk.12:32 leren we dat "het koninkrijk" zou worden gegeven aan de "kleine kudde" van volgelingen van Christus, en in Luk.22:28-30 vinden we dat de twaalf apostelen de aangewezen heersers van dat koninkrijk zouden zijn.

Deze drieduizend op Pinksteren, toegevoegd aan hen die reeds Christus volgden (1:15, cf. 1Cor.15:6), vormden de "kleine kudde", het "volk" dat die vruchten van het koninkrijk zou voortbrengen.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011