|
ISRAEL
IN KENNIS GESTELD VAN
DE OPSTANDING
En nu worden Petrus' toehoorders geconfronteerd met de vreselijke
mogelijkheid dat Degene, Die zij hebben gedood, weer zou leven, zoals Petrus hen
in kennis stelt, dat Hij, Die zij zo laag vernederden om van Hem af te komen,
uit het graf te voorschijn is gekomen in kracht.
Niet alleen bevestigt Petrus dit als een feit; hij prest de waarheid
hiervan in het hart van zijn schuldige toehoorders met onweerspreekbare
argumenten.
"Hem heeft God opgewekt, na de smarten van de dood ontbonden te
hebben, daar het niet mogelijk was, dat Hij door deze dood vastgehouden werd.
"Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde vףףr mij,
want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet bewogen word.
"Daarom is mijn hart verblijd, en mijn tong verheugt zich; ja, ook
mijn vlees zal rusten in hoop,
"want
Gij zult mijn ziel in de hel niet verlaten, noch Uw Heilige overgeven om
verderving te zien.
"Gij hebt mij de wegen van het leven bekend gemaakt; Gij zult mij
vervullen met vreugde voor Uw aangezicht.
"Gij mannen broeders, het is mij geoorloofd vrijuit tot u te spreken
over de patriarch David, dat hij beide gestorven en begraven is, en zijn graf is
onder ons tot op deze dag.
"Daar hij dan een profeet was, en wist dat God hem met ede gezworen
had, dat hij uit de vrucht van zijn lendenen, wat het vlees aangaat, de Christus
verwekken zou, om Hem op zijn troon te zetten,
"heeft hij dit vooruitgezien en gesproken van de opstanding van
Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel, noch Zijn vlees verderving
heeft gezien.
"Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn.
"Nu Hij dan, door de recxhterhand van God verhoogd is en de belofte
van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, dat
gij nu ziet en hoort.
"Want David is niet opgevaren in de hemelen, maar hij zegt: De Here
heeft gesproken tot Mijn Here: Zit aan Mijn rechterhand,
"totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw voeten.
"Laat het hele huis van Israel dan zeker weten, dat God Hem tot Here
en Christus gemaakt heeft, namelijk deze Jezus, Die gij gekruisigd hebt".
-
(Hand.2:24-36).
HET REDELIJK ARGUMENT
"Het was niet mogelijk", zegt Petrus, dat de dood Hem
kon houden. Hij kon niet in het graf gevangen blijven.
Ten eerste was het essentieel onmogelijk, onmogelijk in de zin van
"uit de aard der zaak".
Hij was de Schepper van leven en had dat ook keer op keer bewezen. Alleen
Hij kon zeggen (zonder dwaas te klinken):
"...Ik leg Mijn leven af, opdat Ik het weder
opneme.
"Niemand neemt het van Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af; Ik heb
macht het af te leggen, en heb macht het weer te nemen..." (Joh.10:17,18).
Christus was niet overwonnen door de dood. Integendeel, Hij was in de
wereld gekomen om de dood te ontmoeten, ermee te worstelen, en haar te
overwinnen. Hij had de dood teruggedrongen door de dood zelf en had de dood
overwonnen door te sterven.
"...opdat Hij door de dood te niet zou doen degene die het geweld
van de dood had, dat is de duivel" (Hebr.2:14).
Zo vinden wij Hem in Openbaringen verklarende:
"Ik ben Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend
in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels van de hel en van de dood"
(Openb.1:18).
Maar het was ook moreel en juridisch onmogelijk dat onze
Here in het graf zou blijven.
Hij was gestorven vanwege hun zonde. Hij was geen zondaar.
De dood had geen beslag op Hem, waardoor God Hem nu opwekte uit de dood.
HET SCHRIFTUURLIJK ARGUMENT
Vervolgens biedt de apostel een Schriftuurlijk argument, als hij
citeert vanuit twee psalmen (Hand.2:25-36).
Petrus haalt allereerst aan uit Ps.16, dat omdat David dood is en
begraven en omdat hij wist dat God hem met een eed gezworen had dat Hij van zijn
zaad Christus zou verwekken om op zijn troon te zitten, hij niet meer over
zichzelf heeft kunnen spreken, maar profetisch van Christus, toen hij zei:
"want Gij zult mijn ziel in de hel (hades) niet verlaten, noch Uw
Heilige overgeven om verderving te zien" (vers 27).
Petrus' twede citaat is uit Ps.110:1, waar David zegt:
"De Here heeft gesproken tot Mijn Here, Zit aan Mijn
rechterhand,
"totdat Ik Uw vijanden gezet heb tot een voetbank voor Uw
voeten" (Hand.2:34,35).
In deze passage spreekt David duidelijk niet over zichzelf, maar over een
ander, die hij noemt "Mijn Here". Het was dus Christus Die, volgens
David's profetie, zou opstaan uit de doden en opvaren naar de hemel.
En dit argument vanuit de Schriften is nauw verbonden met een ander.
HET ARGUMENT DER
OMSTANDIGHEDEN
"Nu Hij dan, door de rechterhand van God verhoogd is en de
belofte van de Heilige Geest van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit
uitgestort, dat gij nu ziet en hoort" (vers 33).
De opgevaren Here toonde daadwerkelijk het feit van Zijn opstanding door
de wonderen van Pinksteren. Hij had gezegd:
"En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u; maar blijft gij
in de stad Jeruzalem , totdat gij aangedaan zijt met kracht uit de hoogte" (Luk.24:49).
Deze kracht was nu geschonken in de tegenwoordigheid van de menigte. Wat
voor een redelijke verklaring kon er zijn van de wonderen die Petrus'
toehoorders nu zagen en hoorden, behalve dat Christus inderdaad was opgestaan
uit de dood, was opgevaren naar de hemel en de Heilige Geest zond, zoals Hij
beloofd had?
HET GETUIGENIS VAN DE APOSTELEN
Bij al deze argumenten voegt Petrus zijn eigen getuigenis en het
getuigenis van hen die bij hem stonden, dat zij persoonlijk Christus gezien
hebben na Zijn opstanding.
"Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen
zijn" vers 32).
De menigten die naar Petrus luisterden, zullen niet hebben gewenst dat
Christus weer zou leven, maar de noodzaak vereiste het, de Schriften
voorspeldden het, de omstandigheden wezen er op, en nu waren Petrus en zijn
vrienden daar, om persoonlijk getuigenis te geven dat zij wisten dat het waar
was. Zij waren bij Hem geweest, hadden met Hem gesproken, en hadden gezien met
hun eigen ogen, tot de wolk gekomen was om Hem in de hemel te ontvangen.
DE TOEPASSING
En nu is het alsof de apostel het feit erin hamert, dat zijn schuldige
toehoorders bereid moeten zijn onder
ogen te zien:
"LAAT HET HELE HUIS VAN ISRAEL DAN ZEKER WETEN, DAT GOD HEM TOT
EEN HERE EN CHRISTUS GEMAAKT HEEFT, NAMELIJK DEZE JEZUS, DIE GIJ GEKRUISIGD
HEBT" (vers 36).
Zeer zeker predikt Petrus hier niet het evangelie van God's genade, zoals
sommigen willen dat wij zouden geloven. Zijn boodschap betreft duidelijk de
koninkrijksrechten van de Zoon van God.
Het is Paulus, de apostel der heidenen, die later spreekt
van "de bediening die ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen
het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24).
Het is Paulus die ons bidt om "in herinnering te
houden, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Die uit het zaad van David
is, naar mijn evangelie" (2Tim.2:8).
Hij is het die
ons vertelt dat Christus was opgestaan uit de dood "om onze
rechtvaardiging", en dat God "ons heeft levend gemaakt met
Christus...en heeft ons mee opgewekt, en heeft ons mee gezet in de hemel in
Christus Jezus, opdat Hij zou betonen in de toekomende eeuwen de uitnemende
rijkdom van Zijn genade, door de goedertierenheid over ons in Christus
Jezus" (Rom.4:25; Eph.2:5-7).
OVERTUIGING EN BEKERING
"En toen zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en
zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders?
- (Hand.2:37).
Wij zijn nu gekomen tot het hoogtepunt van Pinksteren. Minstens enkelen
van Petrus' toehoorders zijn tot overtuiging gebracht en vragen, "Wat
moeten wij doen?
Laat ons deze passage nauwlettend bezien, want als we verwarring willen
ontgaan voor wat betreft God's boodschap en programma voor vandaag,
moeten we Zijn boodschap en programma voor die tijd, waarin de
apostelen begonnen met het uitdragen van de aan hun gegeven "grote
opdracht", wel duidelijk begrijpen.
Laten we eerst de opening van de tekst van vers 37 bezien.
"Toen zij dit hoorden"
Hoorden wat?
Datgene wat Petrus gepredikt had? Had Hij het blijde nieuws verkondigd
wat wij nu prediken, dat "Wij verzoening hebben door Zijn bloed, de
vergeving van zonden overeenkomstig de rijkdommen van Zijn genade? Had hij
zijn toehoorders redding aangeboden door geloof in het bloed van de Ene, Die
kortgeleden op Golgotha stierf? Had hij iets gezegd over verzoend zijn met
God door het kruis, of dat het kruis de vijandschap tussen God en mens had
weggedaan?
Nee! Hij had zijn toehoorders beschuldigd van kruisiging van Christus en
had hen gewaarschuwd, dat hun slachtoffer weer leefde. Wij dienen hier
helder te onderscheiden tussen profetie en het geheimenis, later geopenbaard aan
Paulus, want vanuit profetisch standpunt, was het het kruis dat vijandschap had gebracht
tussen God en de volkeren (speciaal Israel), en deze
"tegenstelling" zal in orde moeten worden gebracht zal de wereld ooit
vrede en voorspoed kennen.
Opdat geen van onze lezers dit punt ontgaat, zullen we nogmaals enige van
de duidelijke verklaringen in Petrus' rede aanhalen:
(Vers 22,23) "GIJ ISRAELIETISCHE MANNEN, HOORT DEZE WOORDEN:
JEZUS VAN NAZARETH, EEN MAN VAN GOD, ONDER U BETOOND DOOR KRACHTEN, EN WONDEREN,
EN TEKENEN, DIE GOD DOOR HEM GEDAAN HEEFT IN UW MIDDEN, ZOALS GIJ ZELF WEET,
"DEZE, DOOR DE BEPAALDE RAAD EN VOORKENNIS VAN GOD OVERGEGEVEN, HEBT
GIJ GENOMEN EN DOOR DE HANDEN VAN ONRECHTVAARDIGEN AAN HET KRUIS GEHECHT EN
GEDOOD."
(Vers
32) "DEZE JEZUS HEEFT GOD OPGEWEKT, WAARVAN WIJ ALLEN GETUIGEN
ZIJN."
(vers 34-36) "WANT DAVID IS NIET OPGEVAREN IN DE HEMELEN, MAAR
HIJ ZEGT: DE HERE HEEFT GESPROKEN TOT MIJN HERE: ZIT AAN MIJN RECHTERHAND,
"TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET HEB TOT EEN VOETBANK VOOR UW VOETEN.
"LAAT HET HELE HUIS VAN ISRAEL DAN ZEKER WETEN, DAT GOD HEM TOT EEN
HERE EN CHRISTUS GEMAAKT HEEFT, NAMELIJK DEZE JEZUS, DIE GIJ GEKRUISIGD
HEBT."
Het was duidelijk Petrus' bedoeling om zijn toehoorders te overtuigen van
hun schuld aan de kruisiging van Christus en hen tot bekering te brengen.
En hoe beantwoordde hij hun bezorgde "Wat moeten wij doen?" Vertelde
hij hen eenvoudig om te "geloven in de Here Jezus", zoals Paulus later
de gevangenbewaarder in Philippi? Nee, inderdaad niet. Geloof in Christus
uiteraard wel, maar er was meer.
DE VOORWAARDEN TOT REDDING
"EN PETRUS ZEI TOT HEN: BEKEERT U, EN LAAT EEN IEDER VAN U
GEDOOPT WORDEN IN DE NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING VAN DE ZONDEN; EN GIJ
ZULT DE GAVE VAN DE HEILIGE GEEST ONTVANGEN."
- (Hand. 2:38).
Het is moeilijk voor ons om te begrijpen hoe eerlijke
mensen door kunnen gaan met het veranderen van de eenvoudige betekenis van dit
vers, teneinde het in harmonie te brengen met het evangelie van God's genade,
alsof het dopen hier niets te doen had met redding. Het zou even toelaatbaar
zijn om Hebr.11:4 uit te leggen dat Abel"s offer niets te doen had met zijn
redding.
Wij vroegen eens aan een prediker die geloofde dat het Lichaam van
Christus begon op Pinksteren, of hij zijn overtuigde toehoorders onderwees om
zich te bekeren en te laten dopen tot vergeving van zonden. Hij zei: "Ja,
maar niet met die woorden!" En zo beweren onze fundamentalistische
broeders ook de "grote opdracht" uit te dragen, lerende dat "Wie
geloofd heeft en gedoopt is, zal zalig (gered) worden", - maar niet met
die woorden!
Met dit onbeschaamd forceren en veranderen van klare Schriftplaatsen om
het Pinksterprogramma te conformeren met God's programma voor vandaag, en
daarbij Paulus' woorden de Pinksterpraktijken laten bevestigen, dient te worden
gestopt als Fundamentalisten enige vooruitgang willen maken in hun studie van
het Woord.
Wij zijn het ermee eens dat Petrus op Pinksteren, en Paulus later, beiden
verwezen naar het kruis en de opstanding, maar de vraag is, hoe?
Paulus glorieerde in het kruis (Gal.6:14) en bracht dit als de grote
remedie voor al onze zonden. Zo deed Petrus niet, en kon dit op Pinksteren ook
niet doen. Niettegenstaande huidige profetische verklaringen omtrent het
kruis, hebben we niet "de prediking van het kruis" - de
kruisiging gepredikt als goed nieuws tot redding - dan door Paulus.
In welke termen bracht dan Petrus zijn toehoorders tot redding toen zij
tot overtuiging waren gekomen?
"BEKEERT U, EN LAAT EEN IEDER VAN U (en niet alleen 'diegenen die
zich geleid voelen') GEDOOPT WORDEN IN DE NAAM VAN JEZUS CHRISTUS, (en niet
alleen 'als getuigenis van uw begrafenis met Christus', maar) TOT VERGEVING VAN
ZONDEN, EN (eigenlijk "EN DAN" en niet alsdan) GIJ ZULT DE GAVE VAN DE
HEILIGE GEEST ONTVANGEN."
Wat een verschil met "het evangelie van God's genade",
dat later aan de apostel Paulus en aan ons werd toevertrouwd! Petrus' boodschap
echter, kwam volledig overeen met de "grote opdracht": "wie
geloofd heeft en gedoopt is, zal zalig (gered) worden" (Mark.16:16).
Inderdaad zijn de vereisten tot redding hier niet verschillend van die
welke tevoren werden vermeld bij Johannes de Doper, want we lezen in Mark.1:4,
dat:
"Johannes doopte in de woestijn en predikte DE DOOP VAN BEKERING
TOT VERGEVING VAN ZONDEN.
Het enige verschil tussen de voorwaarden van Petrus en die van Johannes
lag in de historische ontwikkeling. De Heilige Geest was nu gekomen en
Petrus kon er nu aan toevoegen: "en gij zult de gave van de Heilige
Geest ontvangen." Maar er was geen verandering in de betekenis van
de opdracht, want bij de doop van Johannes moesten zij ook komen onder "belijdenis
van hun zonden" (Matt.3:6). De doop van Johannes, en die van
Petrus, duidden beiden op een belijdenis van zonde en een reiniging daarvan.
Met de woorden van Petrus op Pinksteren is uiterst ongelovig gehandeld,
door hen die hun waterdoop theorie wilden vasthouden.
We hebben een populair boek voor ons, van een toonaangevend
Fundamentalist uit de vorige generatie, getiteld: "De Doop, Wat Zegt de
Schrift Ervan?" In dit boek zoekt de auteur onderscheid tussen doop
van Johannes, waarbij "de Jood uitdrukking geeft aan zijn bekering
en zijn behoefte aan vergeving" (p.12) en de "Christelijke
doop", die volgens hem "niet was ingesteld dan na de opstanding
van de Here" (p.10).
Staande op de noodzaak van "Christelijke doop", zegt
deze auteur:
"En alsof deze overwegingen niet genoeg waren, is de boodschap van
Petrus in Hand.2:38 op zich niet gebiedend? - 'Bekeert u en laat ieder van u
gedoopt worden', etc." (p.21).
Waarom voegde deze schrijver een "etc." toe, voor de klare
woorden, "in de naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden, en gij
zult de gave van de Heilige Geest ontvangen"?
Zo een foutief gebruik van het geschreven Woord is niet te
verontschuldigen, want de auteur kende dit vers wel en hij wist ook, dat als hij
het in zijn geheel zou hebben aangehaald, het bewijs dat waterdoop niet voor
de Christenen vandaag geldt, zou zijn geleverd.
Voor ons ligt nog een boekje getiteld: Over de Doop, door een
andere Fundamentalistische leider. Deze schrijver doet praktisch hetzelfde.
Proberend een onderscheid aan te tonen in de betekenis van waterdoop vףףr en
na de opstanding, zegt hij:
"Wilt u s.v.p. Hand. 8, het twede hoofdstuk opslaan? In die tijd was
Johannes er niet meer; hij was onthoofd; Christus was opgevaren in heerlijkheid;
en de Heilige Geest was gekomen en de discipelen predikten.
"Hand.2:38. 'Toen zei Petrus tot hen, Bekeert u en laat u
dopen...'"
Klaarblijkelijk zou, als de schrijver het vers volledig zou hebben
aangehaald, in plaats van stippels te zetten, zijn hele bewijsvoering teniet
gedaan zijn. Hoe kunnen Gods mannen zich verantwoorden, en ook tegenover God,
voor een dergelijke behandeling van deze passage? Dit is het wat ons bezwaart.
Hebben zij naar eigen gedachten enige verklaring hiervoor, of heeft hun ijver
voor de waterdoop ceremonie hen verblind, om zo oneerlijk te handelen met de
heilige Schriften?
Ook staan deze twee bovenaangehaalde Fundamentalistische leiders*/ hierin
niet alleen. In een open discussie over dit onderwerp in 1943, toonden wij zes
boeken van waterdopers, die allen op dezelfde wijze omgingen met dit belangrijke
vers.
*/ Voetnoot: Dr.
H.A.Ironside en Pastor Edward Drew.
Bij deze discussie riep een predikant uit: "Wilt u ons vertellen dat
Petrus op Pinksteren niet het evangelie van Gods genade predikte?"
Wij antwoordden dat dit precies was wat wij bedoelden, en vroegen wat het
evangelie van God's genade betekende. Hij scheen verrast bij deze vraag, en zijn
antwoord was in hoofdzaak, dat wij eenvoudig zondaren waren, dat Christus voor
onze zonden was gestorven, en dat ieder die geloofde in Zijn vergoten bloed voor
eeuwig gered zou zijn, uitsluitend door genade, door geloof.
Wij stemden hiermee in en vroegen hem of hij dit kon vinden in de
Pinkstertoespraak van Petrus. Hij keek een tijd naar deze passage en zei
tenslotte: "Goed, Petrus zegt hier: 'Het zal geschieden dat een ieder die
de naam van de Here zal aanroepen, gered zal zijn', maar ik weet wat u hierover
zal zeggen."
"Wat zal ik dan zeggen?" vroeg ik.
"Wel", antwoordde hij, "U zult zeggen dat als zij echt aanriepen,
Petrus hen vertelde om zich te bekeren en te worden gedoopt tot vergeving van
zonden."
"Precies!" Dat is het wat de tekst zegt!
De sleutels tot het koninkrijk werden aan Petrus
toevertrouwd; "het evangelie van de genade van God" aan Paulus (Matt.16:19;
Hand.20:24; Eph.3:9,15).
Tenzij we dit helder zien - als we zien dat het evangelie van God's
genade behoort tot het grote geheimenis dat pas geopenbaard werd nadat Israel
haar Koning had afgewezen, zowel in het vlees, als opgestaan - moeten we
verstrikt blijven in de hopeloze verwarring die hen verwikkeld heeft, die nog
steeds proberen om God aanvaardbaar te dienen onder de verkeerde opdracht.
Welk een groot onderscheid tussen, Petrus op Pinksteren, oproepend tot
bekering en doop tot vergeving van zonden, en Paulus, die later predikt Christus'
gerechtigheid tot vergeving van zonden! (Rom.3:21-28).
Paulus verwijst ook naar "(Christus') gerechtigheid door de
vergeving van de zonden die tevoren geschied zijn" in Rom.3:25. Het werd nu
geopenbaard dat het bloed van dieren en het wassen met water op zich,
de zonden niet wegnam, maar juist Christus' dood op Golgotha, die nu, te
juister tijd was bekend gemaakt en verkondigd als het grote redmiddel van
zonde.
"Want er is ייn God, er is ook ייn Middelaar tussen God en
mensen, de Mens Christus Jezus,
"Die Zichzelven gegeven heeft tot een losprijs voor allen, VOLGENS
HET GETUIGENIS TE ZIJNER TIJD,
"waartoe ik gesteld ben als prediker en apostel (ik zeg de waarheid
in Christus, ik lieg niet), als leraar van de heidenen in geloof en
waarheid" (1Tim.2:5-7).
"MAAR NU IS, ZONDER DE WET, DE RECHTVAARDIGHEID VAN GOD
GEOPENBAARD..."
"Namelijk de rechtvaardigheid van God door het geloof in ('van'
K.J.V.) Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven; want er is geen
onderscheid.
"Want zij hebben allen gezondigd en komen tekort aan de heerlijkheid
van God,
"en worden om niet gerechtvaardigd uit Zijn genade, door de
verlossing die in Christus Jezus is,
"Die God gesteld heeft tot een verzoening door het geloof in Zijn
bloed; TOT BETONING VAN ZIJN RECHTVAARDIGHEID, DOOR DE VERGEVING VAN DE ZONDEN
DIE TEVOREN GESCHIED ZIJN...
"TOT BETONING VAN ZIJN RECHTVAARDIGHEID IN DEZE TEGENWOORDIGE
TIJD; OPDAT HIJ RECHTVAARDIG IS, EN HEM RECHTVAARDIGT DIE UIT HET GELOOF IN
JEZUS IS.
"WAAR IS DAN DE ROEM? HIJ IS UITGESLOTEN..." (Rom.3:21-27)
Hallelujah!
DE BELOFTE AAN ISRAEL
"Want u komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen die veraf
zijn, zo velen de Here, onze God, er toe roepen zal."
- (Hand.2:39)
Op het eerste gezicht schijnt het "u" en "uw
kinderen" uit vers 39 te wijzen op Israel, terwijl de uitdrukking "allen
die veraf zijn" slaat op de heidenen. Maar een zorgvuldig onderzoek van
de passage zal bewijzen dat dit niet zo kan zijn.
In de eerste plaats werd de belofte van de Geest (cf.verzen 33,38) nimmer
aan de heidenen gedaan. Het raakte weliswaar de heidenen, maar zij was
ontegenzeggelijk gericht tot Israel. Wij, heidenen naar het vlees, worden
vermaand in Eph.2:11,12 te bedenken dat wij vervreemd waren van het
burgerschap Israel's, vreemdelingen van de verbonden van de belofte, terwijl wij
geen hoop hadden, en zonder God in de wereld."
Evenmin verwijst de uitdrukking "veraf" die hier en elders in
de Schrift gebruikt is, uitsluitend op de heidenen. Wij, heidenen, waren geestelijk
"veraf" (Eph.2:17) maar Israelieten buiten hun land waren geografisch
gezien "veraf" (in de diaspora), en worden in het Oude Testament
telkens zo aangeduid. Onder anderen vinden we de uitdrukking "veraf"
in Daniel's bekende gebed:
"Bij U, o Here! is de gerechtigheid, maar bij ons de
beschaamdheid der aangezichten, gelijk het is ten dezen dage; BIJ DE MANNEN VAN
JUDA, EN DE INWONERS VAN JERUZALEM, EN GEHEEL ISRAEL, DIE NABIJ EN DIE VERRE
ZIJN,in al de landen, waar Gij ze heengedreven hebt, om hun overtreding,
waarmede zij tegen U overtreden hebben" (Dan.9:7).
Petrus, zich dan tot een Joods gehoor wendend, verklaarde eenvoudig, dat
de belofte van de Geest was voor hen en hun kinderen, en voor hen (van hun volk)
die verre waren. En dit stemt overeen met het slotvers van hoofdstuk 3, waar hij
zijn Hebreeuwse toehoorders eraan herinnert, dat zij de kinderen van het verbond
zijn, en dat God allereerst voor hen een Redder had opgewekt, "Zijn
Zoon Jezus", omdat door Hem de volkeren der aarde zouden worden
gezegend.
DRIE DUIZEND BEKERINGEN
"En met veel meer andere woorden betuigde hij, en vermaande hen
en zei; Wordt behouden van dit verkeerd geslacht!
"Zij dan die zijn woord gaarne aannamen, werden gedoopt; en er
werden op die dag tot hen toegevoegd omtrent drieduizend zielen." - Hand.2:40,41).
Drieduizend zielen, op ייn dag gedoopt, moge op het eerste gezicht een
groot aantal schijnen. In feite was het slechts een heel kleine minderheid in
het grote volk dat Petrus en de elven zo ernstig probeerden aan de voeten van de
Messias te brengen.
Toen onze Here op aarde was, had Hij gepredikt dat het koninkrijk van de
leiders van Israel zou "worden genomen", en "gegeven aan
een volk (niet volken) dat vruchten daarvan zou voortbrengen"
(Matt.21:43). Het is niet moeilijk vast te stellen waaruit dit "volk"
zou bestaan, want in Luk.12:32 leren we dat "het koninkrijk" zou
worden gegeven aan de "kleine kudde" van volgelingen van
Christus, en in Luk.22:28-30 vinden we dat de twaalf apostelen de aangewezen
heersers van dat koninkrijk zouden zijn.
Deze drieduizend op Pinksteren, toegevoegd aan hen die reeds Christus
volgden (1:15, cf. 1Cor.15:6), vormden de "kleine kudde", het
"volk" dat die vruchten van het koninkrijk zou voortbrengen.
|