|
H O O F D S T U K
V -
H A N D. 2:15-21
DE PINKSTERPREDIKING VAN
PETRUS
"Want dezen zijn niet dronken, zoals gij vermoedt, want het is
het derde uur van de dag.
"Maar dit is het, wat gesproken is door de profeet Joכl:
"En het zal zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal uitstorten
van Mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en
uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden zullen dromen dromen.
"En ook op Mijn dienstkechten en op Mijn dienstmaagden, zal ik in
die dagen van Mijn Geest uitstorten, en zij zullen profeteren.
"En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de aarde
beneden, bloed en vuur en rookdamp. "De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed,
voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt.
"En het zal zijn dat een ieder die de Naam des Heren zal aanroepen,
zalig zal worden." - (Hand.2:15-21).
DIT IS HET
Toen Petrus, midden in de wonderen van Pinksteren, opstond met de elven,
wist hij precies wat er gebeurde.
Hij wist dat de vervulling van Joכl's profetie begonnen was, en zei
zonder meer: "Dit is het".
Onderwezen door de Here (Hand.1:3) en vervuld met de Heilige Geest
(Hand.2:4) had hij een juist begrip van zijn stand binnen het programma van God.
Vandaar de dynamische kracht van zijn boodschap.
Laten wij ons zelf afvragen - en speciaal diegenen van ons die wel voor
publiek staan -, kunnen wij zo stellig zijn? Weten wij precies
waar wij staan in God,s programma? Kunnen wij vanuit de huidige
omstandigheden in de Schriften aantonen welke hierop betrekking hebben en
positief en zonder twijfel zeggen" "Dit is het'?
We moeten hier oppassen, want het is niet voldoende om zo uitdrukkelijk
te zijn in onze verklaringen. Specifieke verklaringen, zonder specifieke kennis,
leiden tot verlegenheid. Het is veel beter om onwetendheid te bekennen
dan te vertonen!.
Vele "profetische experts" van deze en de voorbije generatie,
hebben gewezen op wat zij veronderstelden definitieve
"tekenen der tijden" te zijn, daarbij onze dagen "de
laatste dagen" noemende, vanwege de "vervulling" van bepaalde profetieכn, en te zien dat hun "tekenen" voorbijgingen, de een na de
ander, zonder dat het einde der dagen gekomen was.
Dit is niet vreemd wanneer we zien hoe op vele plaatsen profetie is
verward met het geheimenis; wanneer we zien dat in deze laatste tijd -
negentienhonderd jaren na de openbaring van het geheimenis - onze geestelijke
leiders nog steeds verward en verdeeld zijn over welke van de opdrachten van de
Here voor ons is, en wat Hij wil dat wij zullen doen en leren!*/
*/ Voetnoot: Zie het boekje van de schrijver
getiteld: "This is that".
Hoe treurig dat mannen van God er heden naar streven profetische experts
te zijn, met in hun Bijbels het ernstige gebed van Paulus, de Apostel voor de
heidenen, dat hun gegeven worde, de geestelijke wijsheid om te onderkennen "het
geheimenis, verborgen gehouden sinds de grondlegging der wereld! (Eph.1:9;
3:9; 6:19,20; Col.1:25-27).
DE LAATSTE DAGEN
Was Petrus dan correct of fout toen hij, meer dan negentien eeuwen
geleden zei, dat de laatste dagen gekomen waren?
Hij had gelijk. Zoals we aangetoond hebben, werd hij onderwezen door de
Here (1:3) en vervuld met de Heilige Geest (2:4). Bovendien had hij Schriftuurlijk
gelijk, want in het licht van alle Oud Testamentische Geschriften waren dat
de laatste dagen.
Als we deze geschiedenis lezen, moeten we niet op openbaring
vooruitlopen. We moeten er aan denken dat God's bedoeling met deze tijd,
toen nog een geheimenis was.
De profeten hadden niets voorzegd omtrent de bedeling van genade of het
Lichaam van Christus (Lees zorgvuldig Eph.3:1-11). Zij hadden alleen gesproken
over het lijden van Christus en de glorie van het koninkrijk daarna (Zie
1Petr.1:11 en cf.Zach.13,14,etc.).
Nu het lijden voorbij is, werd de Geest uitgestort ter voorbereiding van
de glorie die volgen zou (Zie Joכl:2:28-3:17), en Petrus moest aan Israel de
wederkomst van Christus en de langbeloofde tijden van verkwikking aanbieden
(Hand.3:19-21).
Aldus waren, voor wat betreft God's geopenbaarde plan, de laatste
dagen begonnen - de dagen wanneer Israel ten laatste zou worden ingevoegd in de
glorieuze regering van Christus, haar Redder-Koning.
Wat jammer dat sommigen wijzen op Pinksteren, een Joodse feestdag, als
zijnde "de geboortedag van de Kerk"! Petrus zei niet, dat dit de
tekenen waren van de eerste dagen van het Lichaam van Christus, maar van
de laatste dagen - de laatste dagen van Israel"s moeiten en verdriet
en zonde, als God jaloers zou zijn vanwege Zijn land, en medelijdend met Zijn
volk, en hen met Zichzelf, hersteld, zou verenigen (Zie Joכl.2).
DE DAG DES HEREN
Zoals we gezien hebben, dienden de tekenen die op Pinksteren begonnen,
tot inleiding van "de dag des Heren". Deze vertrouwde Oud
Testamentische benaming staat altijd in tegenstelling met "de dag des
mensen".
In Daniכl 2 hebben we de grote profetie,
die tot Israel sprak over heidense heerschappij over deze wereld. Maar
eigenlijk spreekt zij van menselijke heerschappij over deze wereld,
gescheiden van God, want de opeenvolgende wereldmachten, daar beschreven, worden
gesymboliseerd door het beeld van een man.
Israel, met Jehovah in haar midden, had zich verheugd over politieke
heerschappij in de wereld. Maar God had nu Zijn presentie teruggetrokken van
Jeruzalem, en had Israel overgeleverd in gevangenschap. In Daniכl 2 wordt God
genoemd, "de God van de hemel", en de dag des mensen begint, politiek
gezien, op de aarde, op dat tijdstip.
Het is nu voor lange tijd "dag des mensen" geweest, en de
gevolgen zijn allesbehalve rooskleurig. Misleide politici zitten nog steeds rond
de tafel, proberend om vrede te stichten zonder Christus, de Vredevorst.
"Hij Die in de hemel zit zal lachen; de Here zal hen
bespotten" (Ps.2:4).
God zij dank, de profetie van Daniכl 2 sluit met de verklaring:
"Doch in de dagen van die koningen zal de God des hemels een
Koninkrijk verwekken, dat in eeuwigheid niet zal verstoord worden; en dat
koninkrijk zal aan geen ander volk overgelaten worden; het zal al die
koninkrijken vermalen, en te niet doen, maar zelf zal het in alle eeuwigheid
bestaan" (Dan.2:44).
Ja, de mens heeft vandaag zijn dag, maar de dag van de Here zal komen.
"De hoge ogen der mensen zullen vernederd worden, en de hoogheid
der mannen zal nedergebogen worden; en de Here alleen zal in dien dag verheven
zijn.
"Want de dag des Heren der Heirscharen zal zijn tegen alle
hovaardigen en hoge, en tegen allen verhevene, opdat hij vernederd
worde" (Jes.2:11,12).
WAT PETRUS NIET WIST
Zo duidelijk als Petrus dit alles wist, zo onwetend was hij over God's
plan om een bepaalde periode van genade in te voegen, voordat de wereld zou
worden geoordeeld, en Christus als Koning zou worden bevestigd.
Juist dit gebruik van de term "laatste dagen" bewijst, dat hij
niets wist van deze goddelijke bedoeling, die later door Paulus zou worden
geopenbaard.
Het was God - God in Zijn souvereiniteit; niet in vervulling van
verbonden of profetie, maar overeenkomstig Zijn eigen doel en genade -,
Die nu ging handelen terwille van een geruןneerde, zonde-vervloekte wereld. (Rom.5:19-21;
2Tim.1:9).
Hoewel de tekenen van de laatste dagen begonnen te verschijnen op
Pinksteren, verschenen zij niet alle. In werkelijkheid begonnen na een
tijd, die tekenen welke waren begonnen te verschijnen, weer te verdwijnen.
Overeenkomstig de profetie van Joכl, aangehaald door Petrus, zouden de tekenen
van Pinksteren worden opgevolgd door tekenen, zowel in de hemel als op de aarde,
en de uitstorting van de Geest zou worden gevolgd door de uitstorting van God's
toorn.
Gode zij dank, deze laatste tekenen verschenen niet - en zijn nog niet
verschenen. God had Zijn plan om de boze wereld te oordelen niet gewijzigd, maar
in mateloze liefde onderbrak Hij het profetisch programma, hield de dag van het
oordeel op, en redde de voornaamste der zondaren en voegde de dag der genade in.
Deze verborgen bedoeling van God's genade werd eerst bekend gemaakt door
Paulus, van wie Petrus het later vernam.
Petrus schrijft hierover in de slotwoorden van zijn laatste brief, waarin
hij uitlegt hoe de Here, Die zou komen om te oordelen en te regeren, nu Zijn
komst had uitgesteld.
Eerst waarschuwt hij zijn lezers om het uitstel niet te beschouwen als
"traagheid" - tenminste niet de traagheid van onverschilligheid - en
dan legt hij juist uit hoe het uitstel moet worden gezien:
"De Here VERTRAAGT de belofte NIET (zoals enigen dat voor
traagheid achten), maar is LANKMOEDIG OVER ONS, NIET WILLEND DAT ENIGEN VERLOREN
GAAN, MAAR DAT ZIJ ALLEN TOT BEKERING KOMEN" (2Petr.3:9).
"En acht DE LANKMOEDIGHEID VAN ONZE HERE VOOR ZALIGHEID, ZOALS
OOK ONZE GELIEFDE BROEDER PAULUS, NAAR DE WIJSHEID DIE HEM GEGEVEN IS, U
GESCHREVEN HEEFT" (2Petr.3:15).
EN
IEDER DIE ZAL AANROEPEN
Wij moeten ook nog het slotvers uit Joכl, aangehaald door Petrus in zijn
Pinksterrede, behandelen:
(Hand.2:21) "En het zal zijn dat een ieder die de Naam des Heren
zal aanroepen, zalig (gered) zal worden."
Deze verklaring uit Joכl 2:32 wordt tweemaal aangehaald in het Nieuwe
Testament: eenmaal door Petrus en eenmaal door Paulus; eenmaal aan
het begin van de periode der Handelingen en eenmaal aan het einde;
eenmaal omdat God nog pleitte met Israel om haar Koning aan te nemen, en
eenmaal nadat een gerechte blindheid (of hardheid van hart) was begonnen te
komen over het volk; eens omdat alleen Israel God's verbondsvolk was, en
eens nadat God was begonnen om de tussenmuur der scheiding tussen Jood en
heiden weg te breken, en Paulus verklaard had voor God "er is geen verschil
tussen de Jood en de Griek."
We moeten eerst de aanhaling van deze passage door Petrus beschouwen, om
het wonder van het gebruik hiervan, later bij Paulus, goed te kunnen begrijpen.
DE AANHALING DOOR PETRUS
We moeten allereerst opmerken dat Petrus het vers aanhaalt, samen met de
voorafgaande contekst. Dit is zeer belangrijk voor het verstaan van Petrus'
toespraak.
Herinner dat de passage in Joכl ging over Pinksteren en de
Verdrukking, en de voorspelling betreffende Pinksteren, zoals aangehaald door
Petrus, wordt onmiddelijk gevolgd door die, over de verdrukking;
"En Ik zal wonderen geven in de hemel boven, en tekenen op de
aarde beneden; BLOED EN VUUR EN ROOKDAMP.
"DE ZON ZAL VERANDERD WORDEN IN DUISTERNIS EN DE MAAN IN BLOED,
voordat de grote en doorluchte dag des Heren komt.
"EN HET ZAL ZIJN DAT EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN,
ZALIG (GERED) ZAL WORDEN. (Hand.2:19-21).
Is dit tot nu toe reeds vervuld?
Zien wij deze tekenen vandaag?
Is de Dag der Heren reeds nu aan de gang?
Iedere ernstige Bijbelonderzoeker zal "Nee" antwoorden
op alle drie vragen. Toch dienen wij ons wel te herinneren dat het is in verband
met deze verschrikkingen die zullen (en worden) ingevoegd op "de dag des
Heren", dat de profeet zegt: "En het zal zijn dat een ieder die de
Naam des Heren zal aanroepen, zalig (gered) zal worden".
Het is wel zeker dat deze profetie nog niet werd vervuld. Dit zijn
niet "de tijden van de tekenen" en zeker is dit niet "de dag des
Heren", maar de dag des mensen. Dit is de reden waarom oorlog en
bloedvergieten praktisch zonder onderbreking doorgaan en onze knapste
staatsmannen vergeefs samenkomen om plannen te bespreken tot vrede en
veiligheid.
Maar, zoals we reeds zeiden, God heeft een verborgen doel wat
Petrus niet wist. De tekenen van de verdrukking zouden niet onmiddelijk die
van Pinksteren volgen. De tekenen van Pinksteren zouden inderdaad geleidelijk
weer verdwijnen en God zou aan Zijn vijanden overal verzoening door
genade aanbieden door het bloed van het kruis, dat naar het eeuwig doel, "de
vijandschap" tussen God en mens had "verslagen", en
het voor Hem mogelijk had gemaakt om "gerecht, en (tegelijkertijd) de
Rechtvaardiger te zijn van hem die gelooft in Jezus" (Rom.3:26).
En hier is het waar Paulus' aanhaling van Joכl.2:32 komt.
DE AANHALING DOOR PAULUS
Opgemerkt wordt dat Paulus de uitspraak van Joכl
geheel los van de contekst aanhaalt. Dit zou kunnen worden beschouwd als
onwettig gebruik van de Schriften, behalve dat hij schreef door inspiratie, en
dat het God Zelf was, Die nu dezelfde tekst gebruikt in een oneindig wonderbare
stelling:
"WANT ER IS GEEN ONDERSCHEID, NOCH VAN JOOD NOCH VAN GRIEK; WANT
DEZELFDE IS HERE VAN ALLEN, RIJK OVER ALLEN DIE HEM AANROEPEN.
"WANT EEN IEDER DIE DE NAAM DES HEREN ZAL AANROEPEN, ZAL ZALIG
(GERED) WORDEN" (Rom.10:12,13).
Opnieuw vragen wij: Is dit al gebeurd? En iedere heilige roept
"Ja! Amen! Hallelujah! Zijn wij niet ייn van "ieder
die"?
Hoe betekenisvol ook dat Petrus deze verklaring terecht in zijn
proofetische contekst aanhaalt, nog meer betekenisvol is het dat Paulus haar
aanhaalt in deze nieuwe zetting.
De tekenen die op Pinksteren begonnen, gingen tenslotte geleidelijk weer
weg en de voorzegde verschrikkingen hebben - tot heden toe - nog niet
plaats gevonden. God redt nu niet ieder die roept in de zin als voorspeld
door Joכl en gepredikt door Petrus.
Het wonderbare feit echter is, dat God nu aan "een ieder"
eeuwige redding aanbiedt door Zijn onderbreking van het door Joכl
geprofeteerde programma, en de tussenvoeging van de bedeling der genade.
Hoe gezegend is nu ons lot! Hoeveel meer hebben wij, dan waar Petrus ooit
van gedroomd heeft op de dag van Pinksteren! Te bedenken dat in "deze
tegenwoordige boze tijd", redding wordt aangeboden aan allen als een vrije
gift van God, en dat de vuilste zondaar kan worden "gerechtvaardigd om
niet door Zijn genade, door de verzoening die is in Christus Jezus",
totaal gescheiden van enig religieus werken! En dan te bedenken dat gelovigen,
als de ambassadeurs van Christus, de hoge eer hebben om zo'n boodschap te mogen
brengen aan de verlorenen!
PETRUS' OPROEP AAN ISRAEL
Na de gebeurtenis en de tekst van Petrus' Pinksterrede beschouwd te
hebben, zullen we nu voortgaan met het beschouwen van de oproep die gebaseerd is
op die tekst.
ISRAEL BESCHULDIGD WEGENS
DE KRUISIGING
"Gij Israכlitische mannen, hoort deze woorden: Jezus de
Nazarener, een Man van God, onder u betoond door krachten en wonderen, en
tekenen, die God door Hem gedaan heeft in uw midden, zoals gijzelf ook weet,
"Deze, door de bepaalde raad en voorkennis van God overgegeven, hebt
gij genomen en door de handen van onrechtvaardigen aan het kruis gehecht en
gedood." - (Hand.2:22,23).
De bedoeling van Petrus' woorden hier, dienen duidelijk te worden
gezien, willen we hun betekenis doorgronden.
Ondanks de uitdrukkelijke verklaringen van Paulus van het tegendeel
(speciaal in zijn brief aan de Galaten), wordt dikwijls beweerd dat Petrus
precies hetzelfde evangelie predikte als Paulus.
"Predikte Petrus op Pinksteren dan niet", zo vragen zij,
"Christus gekruisigd en opgestaan, net als Paulus?" Ons antwoord is,
dat op Pinksteren Petrus niet Christus gekruisigd en opgestaan predikte
zoals Paulus later deed.
Hoe behandelde Petrus in zijn Pinksterrede de kruisiging en de opstanding
van Christus? Was dat zijn evangelie? Predikte hij dit als het goede
nieuws? Was het zijn bedoeling om redding aan te bieden aan zijn toehoorders
door geloof in de dood en opstanding van Christus? Nee, evenmin bood hij dit in
feite aan.
Integendeel, zijn bedoeling was om zijn toehoorders te overtuigen van
hun schuld aan de kruisiging van Christus en hen te waarschuwen dat de Enige,
Die zij door boze handen hadden doen kruisigen en doden, opgestaan was uit de
dood en weer levend was.
Toen zij, die aldus overtuigd werden, vroegen wat zij
moesten doen, vertelde Petrus hen niet, eenvoudig te geloven dat Christus voor
hen was gestorven, zoals wij dit vandaag geloven. Zijn "grote
opdracht" bevatte deze boodschap niet. Wat hij deed was hen te bevelen zich
te bekeren en gedoopt te worden, een ieder van hen, in de naam van Jezus
Christus tot vergeving van zonden, zodat zij de gave van de Heilige Geest zouden
mogen ontvangen (Zie vers 38 en cf. Mark.16:15-18).
Wij weten nu, dat juist de dood waarvan Petrus hen beschuldigde,
de basis was waarop God hen alleen redding kon aanbieden, maar aan Petrus, op
Pinksteren, was niet opgedragen om "het evangelie van God's genade" te
prediken, noch kende hij dat evangelie (Cf.Hand.20:24 met Eph.3:1-3).
Hoe indringend is Petrus' beschuldiging!
Hij wijst erop dat Jezus van Nazareth was, een Man, inderdaad "beproefd
door God", in het openbaar bewezen "door wonderen en
tekenen", die Hij had gedaan "in hun midden". Hij
prikkelt hun geweten door te beweren dat zij dit alles zeer goed wisten,
en dat zij Hem wetende genomen hadden en door boze handen hadden doen
kruisigen en doden.
Maar let wel op de volgorde in vers 23, Petrus verklaart dat God door
Zijn "bepaalde raad en voorkennis", Christus in hun
handen had "overgegeven". Vanuit dit vers zijn de moordenaars
van Christus dikwijls verdedigd, op grond dat zij niet anders konden. God"s
bedoeling was, dat Christus zou worden gekruisigd. Maar dit is een
armelijk verweer voor hen die deze treurige daad begingen.
Petrus zei niet, ook niet bedekt, dat God hen had genoodzaakt om
Christus te kruisigen. Inderdaad besluit Hij dat zij "boos" waren door
dit te doen. De waarheid is eenvoudig dat God, wetend wat boze mensen zouden
doen met Zijn Zoon, niettemin besloot Hem in hun handen over te leveren.
In Zijn perfecte voorkennis had Hij hierin een tweeledig doel - ייn
gerelateerd met profetie, en het andere met het geheimenis; ייn
wat betrof de bediening van Petrus, en het andere wat betrof de bediening
van Paulus. Het ene, gerelateerd met profetie en de bediening van Petrus,
is datgene waar we hier mee van doen hebben.
Het was omdat God bedoelde, weliswaar door Israel's kruisiging van haar
Messias, te eniger tijd het hart van Zijn uitverkoren volk te raken en te
breken, dat Hij aldus Christus in hun handen overleverde. Inderdaad zal het door
kennis en erkenning van haar schuld aan Christus' dood zijn, dat Israel eenmaal
zal worden gered.
"Doch over het huis van David, en over de inwoners van Jeruzalem,
zal Ik uitstorten de Geest der genade en der gebeden; en zij zullen Mij
aanschouwen, Dien zij doorstoken hebben, en zij zullen over Hem bitterlijk
kermen, gelijk men bitterlijk kermt over een eerstgeborene.
"Te dien dage zal te Jeruzalem de rouwklage zijn..."
"En zo iemand tot Hem zegt: Wat zijn deze wonden in uw handen? zo
zal Hij zeggen: Het zijn de wonden, waarmee Ik geslagen ben, in het huis mijner
liefhebbers" (Zach.12:10,11; 13:6).
Hoe dankbaar zouden we moeten zijn dat de dood van Christus geen ongeluk
was waarbij God faalde om het te voorkomen! Een heelal, buiten God's contrפle,
met het recht op het schavot, en onrecht op de troon - zo'n heelal is te
verschrikkelijk om aan te denken. Wat zou dan nog enig nut hebben onder zulke
omstandigheden? Wij zouden slechts hulpeloze slachtoffers zijn van alles wat
verkeerd gegaan is!
Nee, Goddank! De Christus, Die werd gekruisigd en gedood door boze
handen, werd eerst overgeleverd door "de beslissende raad en voorkennis van
God"!
Dit vermindert in geen enkel opzicht de schuld van Christus' moordenaars.
Integendeel, zij is bestemd om bekentenis teweeg te brengen in hun zondige
harten.
|