De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

HAND. 11:19-30

DE KERK TE ANTIOCHIE HEIDENEN TE ANTIOCHIE GERED

"Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over Stefanus geschied was, gingen het land door tot Feniciכ toe en Cyprus en Antiochiכ, tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden.

"En er waren enige Cyprische en Cyrenיןsche mannen uit hen, welke te Antiochiכ gekomen zijnde, spraken tot de Grieksen, verkondigende de Here Jezus.

"En de hand des Heren was met hen, en een groot getal geloofde en bekeerde zich tot de Here.

"En het gerucht van hen kwam tot de oren der gemeente die te Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot Antiochiכ toe.

"Dewelke daar gekomen zijnde, en de genade Gods ziende, werd verblijd, en vermaande hen allen, dat zij met een voornemen des harten bij de Here zouden blijven. "Want hij was een goed man, en vol des Heiligen Geestes en des geloofs. En er werd een grote schare de Here toegevoegd.  "En Barnabas ging uit naar Tarsen om Paulus te zoeken; en als hij hem gevonden had, bracht hij hem te Antiochiכ.  "En het is geschied, dat zij een geheel jaar tezamen vergaderden in de gemeente, en een grote schare leerden; en dat de discipelen eerst te Antiochiכ Christenen genaamd werden." - (Hand. 11:19-26).  

Er is door theologen te weinig aandacht besteed aan het belangrijke feit, dat vanaf de tijd, toen eerst de elven hun grote opdracht ontvingen tot de bekering van Cornelius, het Woord werd gepredikt "tot geen anderen dan alleen tot de Joden". Dit is een feit dat open onder het oog dient te worden gezien door hen, die vasthouden dat de zogenaamde "grote opdracht", "het evangelie van Gods genade" betrof, en dat het samengevoegde lichaam van Eph.3 begon met Pinksteren.

Op Pinksteren kwamen, ongeacht enige heidenen die erbij tegenwoordig waren, alleen "Joden...van alle volken dergenen die onder de hemel zijn" in aanmerking, zodat de met de Geest vervulde Petrus zich slechts richtte, tot de "mannen van Juda", de "mannen van Israel", en "het gehele huis Israels".

Vanaf hier tot na de bekering van Saulus, toen Petrus gezonden werd naar Cornelius, vinden we niet de minste afwijking van deze procedure. In de twede grote Pinksterrede van Petrus richt hij zich weer alleen tot de kinderen van Israel, als hij zegt: "Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft,..." (Hand.3:25). Voor het Joodse Sanhedrin verklaart hij, dat God Christus had verheven om "Israel te geven bekering en vergeving der zonden" (Hand.5:31) en, samen met de andere apostelen, gaat hij voort "dagelijks in de tempel", Christus te prediken (Hand.5:42). Bij de "dagelijkse verzorging", kort voor de steniging van Stefanus, vinden we eeevinden we   "een murmurering der Grieken (Grieks-sprekende Joden) tegen Hebreeכn", omdat hun weduwen veronachtzaamd, maar in dit gezelschap zijn geen heidenen opgenomen.

En nu, in Hand.11:19, lezen we dat zelfs zij die verstrooid waren door de "grote vervolging" van Hand.8:1, heengingen, "tot niemand het Woord sprekende DAN ALLEEN TOT DE JODEN".

Zoals we hebben gezien, was dit niet omdat zij bevooroordeeld ten opzichte van de heidenen, of hen niet gered wilden zien, maar eerder naar de verbonden, de profetiכn, en de "grote opdracht", dat eerst Israel aan de voeten van de Heiland moest worden gebracht, en dan zegen naar de heidenen kon doorvloeien (Zie Mark.7:27; Luk.24:47; Hand.3:25,26; 13:46; Rom.15:8,9).

Maar sommigen van deze verstrooide discipelen, mannen van Cypres en Cyrene, gekomen te Antiochiכ, predikten nu de Here Jezus aan de Grieken (niet alleen Grieksen, zoals we nu zullen aantonen).

GRIEKSEN EN GRIEKEN

Ieder die Handelingen bestudeert, zal het verschil kennen tussen Grieksen en Grieken. Grieksen waren Joden, die leefden, of hadden geleefd, buiten Palestina onder de heidenen, waar de Griekse taal werd gesproken en de Griekse cultuur overheerste. Zo werden zij vergriekst, maar bleven niettemin Joden - vergriekste Joden. De Grieken daarentegen, waren heidenen. Zo vinden we dus Grieksen onder de gelovigen vףףr de bekering van Saulus, terwijl Grieken er niet bij behoorden, dan eerst later. Het woord Grieksen (Gr. Hellenisten) wordt tweemaal in het eerste gedeelte van Handelingen gevonden (6:1; 9:29) en niet weer daarna, omdat het woord Griek (Hellenes) niet wordt gevonden in de eerste Handelingen, maar twaalf keer voorkomt vanaf Hand.11:20.

Het is ongelukkig, dat de Statenvertaling het woord Grieksen gebruikt in Hand.11:20, want hier ligt een overtuigend bewijs dat Grieken de correcte weergave is.

DE GELOVIGEN IN ANTIOCHIE GRIEKEN, GEEN GRIEKSEN

Dat de gelovigen in Antiochiכ heidenen waren, en geen Griekse Joden, wordt uitvoerig bevestigd door de volgende feiten:

1. De meeste teksten geven aan "Hellenes", niet "Hellenisten". Ook prefereren de grote meer-derheid van vertalingen de weergave "Grieken", en de grote meerderheid van Grieks-geleerden, tenminste zij van wie geschriften tot onze beschikking staan, prefereren de weergave "Grieken".

2. De directe contekst vraagt de weergave "Grieken". Als degenen in kwestie Griekse Joden waren, wat moest er dan vermeld worden, want in dat geval bedienden de discipelen nog steeds "alleen Joden"? Griekse Joden waren reeds opgenomen onderdegelovigen. In feite waren de discipelen die getuigden tot hen in Antiochiכ, ongetwijfeld zelf Grieksen, want zij waren "mannen van Cyprus en Cyrene". Zoals we gezien hebben, werden de Grieksen gerekend onder de gelovigen in Hand.6:1 en ook met Pinksteren, want daar dienden de apostelen tot "Joden, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel zijn." Maar nu waren er, onder diegenen die het Woord hadden gepredikt tot niemand anders dan de Joden, sommigen, die begonnen Christus te prediken tot de Grieken in Antiochiכ. 

3.  De bredere context bevestigt dit gezichtspunt. Klaarblijkelijk had er iets buitengewoons plaats gevonden, want toen de leiders te Jeruzalem er van hoorden, zonden zij onmiddelijk Barnabas om de zaak te onderzoeken. In het overige verslag van deze vergadering te Antiochiכ wordt er niets over gezegd, dat Barnabas en Saulus uitsluitend "alleen tot de Joden" dienden, of dat later enige heidenen onder hen ook geloofden. Vanaf het begin verschilde hun programma met dat wat in Jeruzalem geschiedde (Hand.11:29 cf. 4:32). Het was deze gemeente, die het eerste grote centrum van evangelisatie onder de heidenen werd. Het was deze gemeente van waaruit Paulus en Barnabas later naar Jeruzalem reisden, om de vrijheid der heidenen te bewaren voor de binding aan de Mozaische wet. En veelbetekenend waren het geen mannen vanuit hun midden, maar "enige mannen die van Judea kwamen" die probeerden om deze heidenen onder de wet te brengen. En merk op: "Paulus en Barnabas hadden geen kleine weerstand en twisting TEGEN HEN" (Hand.15:2).

Aan het slot van het grote Jeruzalem Convent, zonden de oudsten brieven aan "de broeders uit de heidenen, die in Antiochiכ en Syriכ en Siliciכ zijn" (Hand.15:23). En toen Paulus en Barnabas terugkeerden naar Antiochiכ met het nieuws, "verblijdde zich DE MENIGTE over de ver-troosting, toen zij de brief hoorden" (Hand.15:30,31), hetgeen er op wijst, dat de gemeente daar overwegend heidens was.

Dit alles pleit tegen de visie, dat de kerk die te Antiochiכ gevestigd was, en die Paulus "gedurende een geheel jaar" diende, bestond uit Grieksen, of wel Grieks-sprekende Joden. Het sluit ook het idee uit, dat de kerk begon als een Grieks-Joodse kerk, en later overwegend heidens werd.

De bekwame Barnes zegt van deze passage:

"Dit woord (Hellenisten) typeert gewoonlijk in het Nieuwe Testament, die Joden, die in vreemde landen woonden, die de Griekse taal spraken... Maar tot hen was het evangelie reeds gepredikt; en toch is het op deze plaats duidelijk de bedoeling van Lukas, te bevestigen, dat de mannen van Cyprus en Cyrene predikten tot hen, die geen Joden waren, en dat daardoor hun gedrag verschilde van dat van hen (v.19), die uitsluitend tot de Joden predikten. Het is dus vaststaand, dat ons hier wordt duidelijk gemaakt, dat de heidenen degenen waren tot wie de mannen uit Cyprus en Cyrene zich richtten. In vele vertalingen wordt hier het woord Hellenas, Grieks, inplaats van Hellenisten gebruikt"

Meer dan een eeuw geleden schreef John Kitto, ook een nauwgezet Bijbelgeleerde, het volgende over Hand.11:19,20 in zijn Daily Bible Readings:

"Maar in de loop van de teksten worden zij, tot wie het evangelie gepredikt werd, in twede instantie beschreven als Hellenisten, niet als Hellenes. Toch, als dit het geval zou zijn, zou de twede prediking niet hebben kunnen verschillen van de eerste, en de Cyreense en Cyprische broeders zouden niet meer gedaan hebben, dan dat wat reeds eerder gedaan was door de broeders uit Jeruzalem. Hierover is de mening van de beste kritici en commentators, dat het woord Hellenes, niet Hellenisten, hier de juiste lezing is, speciaal zoals het wordt gevonden in enkele zeer oude manuscripten, versies en Vaderen; en het is dienovereenkomstig aangenomen in de meeste van de recente kritische uitgaven van de Griekse tekst."

Vincent, zegt in zijn Word Studies in the New Testament: "Er zou niets opmerkelijks zijn bij deze mannen, die predikten tot de Hellenisten,... die het grootste deel van de kerk in Jeruzalem vormden...Merk ook op, het contrast met de verklaring in vers 19, "alleen tot de Joden". Er is geen contrast tussen Joden en Hellenisten, omdat Hellenisten zijn opgenomen in het algemene begrip, Joden."

De Companion Bible luidt:e meeste teksten lezen Hellenes, Grieken. Er zou niets vreemds geweest zijn in het spreken tot Grieks-sprekende Joden"

DE GELOVIGEN TE ANTIOCHIE EN PAULUS

 Sommigen, die vasthouden dat Cornelius een proseliet was, hebben de Statenvertaling verdedigd in haar gebruik van het woord Grieksen hier, redenerend dat als diegenen in kwestie heidenen waren, er heidenen gered zouden zijn, vףףr en gescheiden van de bediening van Paulus als de apostel der heidenen. Zij echter, die het Schriftuurlijk feit erkennen, dat Cornelius en zijn huis heidenen waren, kunnen deze weerlegging niet goed standhouden. Het is van betekenis, dat het huisgezin van Cornelius en deze heidenen in Antiochiכ, allen werden gered na de eerste stap in Gods nieuwe programma; de bekering van Saulus van Tarsen (Zie 1Tim.1:12-16).

Het is verder belangrijk in dit verband, dat de gemeente te Jeruzalem, gehoord hebbend wat was gebeurd, Barnabas zond om te onderzoekem. Zeker was God hierin betrokken, want Barnabas was degene die bevriend was met Paulus, toen anderen hem hadden gewantrouwd bij zijn eerste terugkeer naar Jeruzalem als gelovige in Christus. Het is duidelijk, dat Barnabas wist van Paulus' oorspronkelijke opdracht om naar de heidenen te gaan (Hand.9:15,27). Hij wist ongetwijfeld ook hoe de Here opnieuw aan Paulus was verschenen, in de tempel, erop aandringend Jeruzalem onmiddelijk te verlaten, en opnieuw Zijn doel bevestigde om hem ver weg te zenden tot de heidenen, want Barnabas was onder degenen die hem hadden "heengezonden naar Tarsen" (Hand.22:17-21 cf. 9:27-30).

Hoe natuurlijk dan, te lezen dat toen Barnabas te Antiochiכ was aangekomen en "had gezien de grote genade van God", hij "verblijd werd", en hen eenvoudig vermaande dat, "zij zouden blijven bij de Here", terwijl hij "uitging naar Tarsen om Saulus te zoeken", die toen naar Antiochiכ kwam, en daar gedurende "een geheel jaar" leerde (11:23-26).

Opnieuw is het van belang, dat het vanuit deze vergadering was dat Paulus werd uitgezonden, met Barnabas, op zijn eerste grote apostolische reis onder de heidenen, en het was naar deze vergadering, dat hij terugkeerde om de resultaten te rapporteren (Hand.13:2,3; 14:26,27).*/1

Tenslotte is het belangrijk, dat "de discipelen eerst in Antiochiכ Christenen genaamd werden" (Hand.11:26), vooral omdat zovelen het Judaisme van Jeruzalem, en Pinksteren verwarren met Christendom. Deze titel wordt slechts driemaal gevonden in het Nieuwe Testament: hier, in Hand.26:28, en opnieuw in 1Petr.4:16. Een ding is duidelijk uit deze drie passages: dat de naam van de gelovigen werd gegeven door anderen. Het is ook eerder Latijns dan Grieks in de betiteling, wat zou kunnen betekenen, dat de Romeinen het eerst deze naam toepasten op hen die zoveel met Christus te maken hadden. Petrus' aanhaling van de naam Christen in 1Petr.4:14-16 benadrukt sterk het feit, dat het te doen heeft met de verwerping van Gods Gezalfde*/[i] en we moeten bedenken, dat deze verwerping van Christus door hen over wie Hij zou regeren, niet vaststond, dan nadat God de steniging van Stefanus beantwoordde met de opwekking van Paulus om naar de heidenen te gaan.

Omdat dus, zoals gezegd, de Joodse gelovigen uit Jeruzalem geen openbaring hadden betreffende de ingang van een nieuw programma, noch enig bevel om naar de heidenen te gaan, omdat Israel nog onbekeerlijk bleef, had God hun een precedent gegeven voor hun actie, door Petrus naar Cornelius en zijn huisgezin te zenden. Dit alles had natuurlijk betekenisvol plaatsgegrepen nadat God Zijn genade had betoond in de redding van Saulus, maar vףףr Paulus' grote campagnes onder de heidenen, zodat zijn verkondiging van redding aan de heidenen, los van Israel, klaarder door de apostelen en oudsten te Jeruzalem zou worden erkend. Hoe wonderlijk, om de hand van God te mogen zien in het uitwerken van Zijn plannen!

PROFETEN VANUIT JERUZALEM

"En in dezelve dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochiכ" "En een uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest, dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook gekomen is onder de keizer Claudius.

"En naar dat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten dienste der broederen die in Judea woonden. "Hetwelk zij ook deden, en zonden het aan de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus. (Hand.11:27-30)

Het feit, dat profeten gezonden werden van Jeruzalem naar Antiochiכ en daar werden erkend,*2

is een duidelijke aanwijzing dat het Pinksterprogramma en het gezag van de twaalven als vertegenwoordigers van Messias en Zijn koninkrijk, niet onmiddellijk ophield met Israels verwerping van het voorstel, gedaan aan hen met Pinksteren, evenmin zelfs met de opwekking van Paulus. Tenslotte werden de eerste heiden-gelovigen te Antiochiכ voor Christus gewonnen door gelovige Joden, die gevlucht waren uit Jeruzalem gedurende de vervolging die gevolgd was na Stefanus' dood. Verder was het de gemeente te Jeruzalem (Hand.11:22), die Barnabas had gezonden om de situatie in ogenschouw te nemen.

Echter moet niet voorbij worden gezien, dat de reden voor de gelovigen te Jeruzalem om Barnabas naar Antiochiכ te zenden was, dat zij hadden gehoord, dat heidenen - noch besnijdenis of wet hebbend -, in die stad tot geloof in Christus waren gekomen. Het is dan niet vreemd, en een natuurlijke stap in de ontvouwing van Gods programma, dat Barnabas deze gelovigen eenvoudig vermaande, "dat zij met een voornemen des harten bij de Here zouden blijven." (een zeer algemene vermaning), terwijl hij naar Tarsen ging om Saulus te vinden.

Ook moet niet uit het oog worden verloren, dat deze korte passage (Hand.11:27-30), die begint met gelovigen in Antiochiכ die profeten uit Jeruzalem erkennen, sluit met de gelovigen uit Jeruzalem, die op zijn minst, de gemeente te Antiochiכ beginnen te erkennen, als zij van haar hulp ontvangen. En de overdracht is volkomen natuurlijk, want het was een van de profeten van Jeruzalem, die de hongersnood voorspeld had, en hulp bewerkte vanuit Antiochiכ! En dit blijft de strekking van de hierna volgende hoofdstukken in Handelingen.

____

*1/ Hoewel Antiochiכ een groot centrum was van evan-gelisatie onder de heidenen, noemen wij het niet "het hoofdkwartier van de Heiden-Kerk". Corinthiכ, Ephesiכ en Rome werden eveneens grote centra van heiden-evangelisatie, maar het ware hoofdkwartier van de Heiden-Kerk is in de hemel (Phil.3:20).

______

*/2 Het vertrouwen dat de gelovigen in Antiochiכ hadden in deze profeten van Jeruzalem, is goed te zien in het feit, dat zij onmiddellijk actie ondernamen op de voorspelling van Agabus omtrent de naderende hongersnood.

                HULP UIT ANTIOCHIE

  Ongetwijfeld is het de lezer opgevallen, dat Agabus een wereldwijde hongersnood voorspelde: "grote schaarste (Lett.honger) over de hele wereld (Lett. bewoonde aarde)" Waarom moesten zij dan worden afgezonderd voor speciale hulp? Deze vraag verdient nauwkeurige beschouwing.

De meeste commentators zijn tot de conclusie gekomen, dat de actie van de kerk in Antiochiכ in zich sluit, dat de hongersnood het ergste zou zijn in Judea, en dat Agabus dit moet hebben bekend gemaakt in zijn profetie. Sommigen van deze commentators hebben in de geschiedenis gegraven, en verslagen gevonden van verschillende hongersnoden die er in die tijd waren, en hebben indringende argumenten om te bewijzen, dat een van deze klaarblijkelijk het hardst gevoeld werd in Judea, hoewel er geen volledige overeenstemming is geweest, over welke! Weer andere commentators, zijn tot de conclusie gekomen dat Agabus' uitdrukking oikoumene in dit geval klaarblijkelijk betekent, geheel Judea of Palestina.

Het is echter een feit, dat aangezien het Griekse woord ge wordt gebruikt om aarde of land aan te geven, het woord oikoumene altijd wordt gebruikt voor de bewoonde aarde en nooit voor een speciaal land, nog minder kon de term "de gehele wereld"*/[ii] slaan op een speciaal land.

Maar de vraag blijft bestaan: Waarom besloten de gelovigen te Antiochiכ hulp te zenden aan mensen van een speciaal land?

Het antwoord hierop is vanuit het zicht op de bedelingen.

Allereerst moet worden opgemerkt, dat de hulp zou worden geschonken, niet voor alle mensen in Judea, maar voor "de broederen die in Judea woonden". Dit was niet alleen, omdat het juist was van deze Antiochische Christenen in de eerste plaats te zorgen voor hun broeders, maar omdat de gelovigen in Judea de gevolgen van de hongersnood en de begeleidende hoge prijzen, veel meer zouden voelen dan anderen, zij het in Judea of elders.

Deze gelovigen in Judea, dat moeten wij bedenken, hadden hun huizen en landerijen verkocht, en hadden de opbrengst aan de apostelen gebracht, ter distributie onder de behoeftigen, conform de standaard van het koninkrijk, dat zij hoopten te zien gevestigd op aarde. Niet sommigen, maar allen die de Messias volgden hadden dit gedaan (Hand.2:44,45; 4:34,35) "En niemand zeide, dat iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun gemeen" (Hand.4:32). Ook Petrus kon eerlijk tot de lamme man aan de tempelpoort zeggen: "Zilver of goud heb ik niet" (Hand.3:6). Twee mensen, die hadden geprobeerd tot dit gezelschap toe te treden, onderwijl bedriegelijk een gedeelte van hun bezittingen achterhoudend, vielen dood neer (Hand.5:5,10) "En van de anderen durfde niemand zich bij hen voegen" (Hand.5:13). Zo werd het programma van het koninkrijk gehandhaafd. Toen het inderdaad scheen dat de Hebreeכn werden bevoordeeld boven de Grieksen bij "de dagelijkse bediening", kwamen de apostelen direkt in aktie om toe te zien dat allen gelijkelijk zouden worden bedeeld. Van de Pinkstergelovigen lezen we: "Want er was ook niemand onder hen die gebrek had" (Hand.4:34), en deze toestand werd in stand gehouden door de apostelen, als een van de zegeningen, verbonden met het koninkrijk, dat zij hoopten spoedig gevestigd te zien door de wederkomst van de Messias.

Maar nu was de crisis binnen Israel gekomen. Het volk had het genade-aanbod van de opgestane, verheerlijkte, Christus verworpen. Zij had Zijn hoogste vertegenwoordigers gedreigd, geslagen, en in de gevangenis geworpen. Zij hadden Stefanus gestenigd, en oorlog ontketend tegen de Kerk te Jeruzalem. Nu had God, in oneindige genade, gereageerd door de redding van Saulus, de hoofdlasteraar en vervolger, en door heidenen te redden ondanks Israels weigering om het kanaal van zegen te worden.

Maar terwijl dit inderdaad de ontvouwing van een genadevol doel was, moet niet worden vergeten, dat dit nieuwe programma betekende het (tijdelijk) terzijde stellen van Israel, het uitstel (vanuit menselijk gezichtspunt) van de regering van de Messias, en de terugtrekking van koninkrijks-zegeningen, die de Joodse gelovigen reeds begonnen te genieten.

Zoals tevoren niet een van de Pinkstergelovigen enig gebrek had, zo waren zij nu gebonden om de eersten te zijn die gebrek hadden, daar zij reeds afstand van hun bezittingen hadden gedaan. En dit was nog maar het begin. De volgende jaren door, moest niet alleen de gemeente te Antiochiכ, maar "de gemeenten van Galatiכ" (1Cor.16:1-3), "de gemeenten van Macedoniכ" (2Cor.8:1-4), de gemeenten te Achaje (2Cor.9:2), en wellicht anderen met inbegrip van Rome, een lange lijst van heidense kerken, materiele hulp zenden aan "de arme heiligen...te Jeruzalem" (Rom.15:26). Inderdaad was het een van de speciale overeenkomsten tussen de hoofden van de Joodse en heidense gemeenten op de grote Jeruzalemconventie, dat de heidense gelovigen " de armen (van de gemeente te Jeruzalem) zouden gedenken" (Gal.2:10)*/[iii]

Dit alles wijst erop, dat het programma voor het koninkrijk geleidelijk terzijde werd gesteld, en dat de nieuwe bedeling reeds was begonnen te dagen. De zorgvuldige lezer zal opmerken, dat de gelovigen in Antiochiכ niet "alle dingen gemeen" hadden. Zij droegen bij, "ieder naar vermogen", tot de behoeften van de heiligen te Judea. Zij behoorden tot de nieuwe bedeling, en hun geven staat tot voorbeeld voor ons geven onder de bedeling van genade. Als wij in deze tegenwoordige tijd afstand doen van onze bezittingen ten behoeve van het algemeen, zodat we niets voor ons zelf hadden, zouden we direct tegen de wil en het programma van God voor ons handelen, want onze apostel schrijft, door de Geest: "Doch zo iemand de zijnen en voornamelijk zijn huisgenoten niet verzorgt, DIE HEEFT HET GELOOF VERLOOCHEND, EN IS ERGER DAN EEN ONGELOVIGE" (1Tim.5:8).

Weinig gelovigen vandaag echter, zelfs onder degenen die roepen; "Terug naar Pinksteren", zijn in de verzoeking om afstand te doen van al hun bezittingen, voor de Here dan wel voor de broeders, proevend dat als zij dit zouden doen, zij spoedig in moeilijkheden zouden raken. Maar als gelovigen in deze economie (huishouding) der genade alleen maar gedeeltelijk zouden geven, "naar een iegelijk der discipelen vermocht" (Hand.11:29) "naar dat hij welvaren verkregen heeft" (1Cor.16:2) "naar hetgeen hij heeft" (2Cor.8:12), "niet uit droefheid of uit nooddwang" (2Cor.9:7), het werk van God zou kunnen voortgaan, ongehinderd door financieel gebrek. En de gevers zelf zouden geestelijk verrijkt worden door hun geloofstrouw, want het is Paulus, niet Petrus op Pinksteren, die zegt door de Geest: "Hij die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien...want God heeft een blijmoedige gever lief." (2Cor.9:6,7).   Het is waar, dat vele van Gods knechten "gierig en vuilgewinzoekend" geworden zijn, in ongehoor-zaamheid aan 1Tim.3:3, en dit mag niet door de vingers worden gezien, waar dit misschien vanzelf zo is, hoewel zondig, en een reactie op de fout van gelovigen, betrokken in werelds werk, om financieel rond te komen. Wat ook onze financiele status in het leven zijn moge, laat ons geven van onze middelen overeenkomstig de regel die, door de Geest, voor ons vandaag is gesteld: "...ZIET, DAT GIJ OOK IN DEZE GAVE OVERVLOEDIG ZIJT. "...DE OPRECHTHEID UWER LIEFDE BEPROEVENDE. "WANT GIJ WEET DE GENADE VAN ONZE HERE JEZUS CHRISTUS, DAT HIJ OM UWENTWIL IS ARM GEWORDEN, DAAR HIJ RIJK WAS, OPDAT GIJ DOOR ZIJN ARMOEDE ZOUDT RIJK WORDEN' (2Cor.8:7-9).  

Dit is geven onder genade, en is natuurlijk een duidelijke afwijking van het Pinksterprogramma. En let wel: deze afwijking wordt het eerst aangetroffen in Paulus' vroege bediening, in verband met zijn werken in Antiochiכ, voordat hij op zijn eerste grote zendingsreis gaat, of de eerste van zijn brieven aan de gemeenten schrijft.

                                                                       PAULUS EN JERUZALEM

De vraag is opgekomen, of Paulus en Barnabas werkelijk, in dit geval, Jeruzalem bezocht hebben. Het verslag in Handelingen zegt van de collecte, verzameld voor de Judese heiligen, dat de gelovigen van Antiochiכ "het zonden tot de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus". Dit lijkt te impliceren, dat Barnabas en Saulus naar Jeruzalem gingen, maar toch zegt Paulus zelf, dat hij niet weer opging naar Jeruzalem om de andere apostelen te zien, dan veertien jaren na zijn eerste terugkeer naar Jeruzalem, vermeld in Hand.9:26.

------

*/voetnoot: Dat de Joodse leiders verwezen naar hun armen is duidelijk. Zij zouden geen reden gehad hebben om te vragen om de belofte, dat de heiden-gemeenten haar eigen armen, of de armen in het algemeen, zouden helpen.

Dit probleem heeft sommigen ertoe geleid te besluiten, dat Paulus en Barnabas niet de hele weg naar Jeruzalem zijn gegaan met hun gift, maar alleem hebben toegezien dat de zaak zorgvuldig werd uitgevoerd. De passage, nu in beschouwing, (Hand.11:30) zou wel bij deze uitleg passen, maar Hand.12:25 completeert het verslag met de verklaring: "Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus."

Dit schijnt het aanemelijk te maken, dat Paulus in dit geval naar Jeruzalem ging, en dit wordt bevestigd door het feit dat Johannes Markus uit Jeruzalem kwam (cf.Hand.13:13).

Maar hoe zullen we dan Paulus' plechtige verklaring aan de Galaten verklaren, dat hij niet in contact geweest is met een van de apostelen vanaf de tijd van zijn bezoek aan Petrus, drie jaren na zijn bekering, tot veertien jaren later, toen hij naar Jeruzalem ging ter verdediging van de vrijheid der heidenen?

De oplossing van dit probleem is waarschijnlijk niet zo moeilijk als op het eerste gezicht lijkt, want het argument van de apostel in de Galatenbrief is niet, dat hij Jeruzalem zo zelden had bezocht in al die tijd, maar dat hij zo weinig van de apostelen had gezien in die tijd.

Eerst wijst hij er op dat hij niet, onmiddelijk na zijn bekering, "te rade ging met vlees en bloed", en gaat verder met te zeggen: "En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem TOT DEGENEN DIE VOOR MIJ APOSTELEN WAREN" (Gal.1:16,17).

Dan verklaart hij, dat hij drie jaren later, vijftien dagen bij Petrus verbleef, maar geen van de andere apostelen had gezien, dan alleen Jakobus, de broeder van de Here (een apostel alleen in twede instantie), en gaat verder met te vertellen, dat hij niet weer met de apostelen in contact kwam, dan "veertien jaren later" (Gal.1:18-2:1).

Het was dus niet wegens behoefte aan openheid aan de kant van de apostel, dat hij naliet een boodschap naar Jeruzalem te vermelden, en daarbij geen van de twaalven gezien had, omdat de kwestie eenvoudig was, of hij wel of niet zijn boodschap en gezag had ontvangen van de twaalven. In Hand.24:17, in zijn verdediging voor Felix, gaat de apostel over alles heen, behalve het laatste van zijn bezoeken aan Jeruzalem, en zegt: "Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk en offeranden". Dit was nodig om wille van de kortheid, en was op geen enkele manier onoprecht.

Maar de vraag kan rijzen of het aannemelijk is, dat de apostel Jeruzalem kon hebben bezocht, zonder iemand van de apostelen te zien. Het antwoord is, dat dit wel aannemelijk is, en in het licht van het verslag, precies wat er gebeurde.

  Ten eerste, dient eraan te worden gedacht, dat bij Paulus' eerste terugkeer naar Jeruzalem, hij vijftien dagen bij Petrus verbleef, en toch geen van de andere elven zag (Gal.1:18,19). Jakobus, de broeder van de Here was, zoals we hebben aangetoond, niet een van de twaalven. Waar waren de andere elf? Het is mogelijk dat zij werkten onder de gemeenten in Judea. Hoewel hun hoofdkwartier in Jeruzalem was, volgt daaruit niet, dat zij altijd in de stad verbleven. In feite is meer waarschijnlijk dat zij een groot deel van de tijd weg waren, en het is gewoon denkbaar, dat Petrus zelf, als hun leidsman, in Jeruzalem is gebleven.

  Ten twede is het goed mogelijk, in het nu besproken geval, dat Petrus in de gevangenis was, want de geschiedenis van zijn gevangenschap volgt onmiddelijk na het verslag dat Barnabas en Saulus naar Judea werden gezonden met de offeringen uit Antiochiכ. Of, Petrus kan reeds naar Caesarea ontsnapt zijn (Hand.12:19). Bij deze gelegenheid kan Paulus de andere apostelen gemist hebben, omdat zij erg werden bezig gehouden door de vervolging door Herodes. Maar meer mogelijk is het, dat zij weer buiten de stad waren, want het is duidelijk dat zij niet bij de groep waren, die verzameld waren in gebed voor de bevrijding van Petrus in het huis van Johannes Markus, noch op de volgende plaatsen waar Petrus heenging, nadat hij deze groep verliet (Hand.12:12,17,19).

Ten derde, verklaart de apostel uitvoerig en plechtig aan de Galaten, dat hij niemand van de twaalven weer zag dan "veertien jaren na" zijn eerste terugkeer. Zo moet de zaak uiteindelijk zijn, want het zou de fundamentele regel van Bijbelinterpretatie geweld aandoen, om een duistere of moeilijke passage zo te stellen, dat zij een zo plechtige en uitvoerige verklaring als die van Paulus tot de Galaten, zou tegenspreken. Maar de passage in Hand.11 dient helemaal niet te worden gerekend als zijnde obscuur of moeilijk, want een klein onderzoek brengt een volledige oplossing van het probleem. Het is van fundamenteel belang, dat de passage niet zegt, dat Barnabas en Saulus bij dit bezoek enige ontmoeting of contact hadden met de apostelen. Het zal redelijk zijn aan te nemen, dat als zij contact met hen gehad zouden hebben, er melding van gemaakt zou zijn. De "ouderlingen" aan wie de gift werd gezonden, vormden een grotere groep, zoals duidelijk wordt uit passages zoals Hand.15:2.

Sommigen hebben een gevoel, dat waar de Here Paulus had geinstrueerd om Jeruzalem te verlaten bij zijn eerste terukeer (Zie Hand.22:17-21), het voor hem verkeerd was, nu terug te keren. De apostel heeft echter zeker begrepen, dat hij was gezonden "ver tot de heidenen" in plaats van te prediken in Jeruzalem omdat, zoals de Here had gezegd: "Zij zullen uw getuigenis van mij niet aannemen" (Hand.22:18,21).

Paulus ging niet tegen dit bevel in, door aalmoezen te brengen aan de gelovigen aldaar. Ook ging hij er niet tegen in, toen hij later opging om met de leiders van de gemeente daar, dat evangelie dat hij onder de heidenen gepredikt had, te bespreken en de vrijheid van de wet van Mozes voor de heiden-gelovigen te verdedigen. Wij weten dat hij daarop toen geen inbreuk deed, want hij zegt, door de Geest: "Ik ging op door openbaring" (Gal.2:2).

Zijn laatste bezoek aan Jeruzalem was een andere zaak. Bij die gelegenheid was zijn bediening aan de "arme heiligen te Jeruzalem" slechts toevallig. Hopend dat de offers zouden worden geaccepteerd door hen (Rom.15:31), en dat zij zo achter hem zouden staan, ging hij in werkelijkheid om "te betuigen het Evangelie der genade Gods" (Hand.20:24).

De apostel verlangde onweerlegbaar, dit te doen uit liefde voor zijn Here (Hand.20:24) en voor zijn ongelovige broeders naar het vlees, voor wie hij "grote droefheid en een gedurige smart" leed (Rom.9:2), en van wie hun redding altijd zijn "hartsverlangen en gebed" was (Rom.10:1). Maar het is mogelijk om Gods bevelen ongehoorzaam te zijn vanuit een goed motief.Wij moeten danook oppassen om Hem te geven wat Hij zegt dat Hij verlangt, niet wat wij denken dat Hij moet verlangen. In dit geval was Paulus reeds geinformeerd, dat zijn volksgenoten zijn getuigenis aangaande Christus niet zouden aannemen. Het is betekenend dat juist de profeet Agabus, die eerst had aangegeven dat de heiligen in Jeruzalem gebrek zouden lijden, in dit geval aangaf, dat Paulus niet in de stad moest binnengaan, hem waarschuwend voor wat hem daar zou geschieden door de handen der Joden (Hand.21:10,11).

Het verslag van dit laatste bezoek geeft geen aanwijzing, dat Paulus "het evangelie van Gods genade" verkondigde, of dat in dit geval zijn offering voor de heiligen het verlangde effect had. Zeker stonden de gelovigen hem niet bij in zijn vervolgingen door de hand der Joden. Integendeel werd hij naar Rome gevooerd om "de gevangene van Jezus Christus" te worden voor de heidenen (Eph.3:1). In dit alles was God natuurlijk genadig overheersend ten goede van Paulus, en voor Zijn eigen glorie.

Wij zullen dit later nog uitvoeriger behandelen, maar we raken het hier aan, teneinde te wijzen op het feit, dat Paulus opdracht gekregen had om Jeruzalem te verlaten, alleen omdat God wist dat zij zijn getuigenis aangaande Christus niet zouden aannemen, en hij was geroepen voor een speciale bediening onder de heidenen. Dit bevel betekende niet een verbod tegen het afdragen van de financiele hulp aan de gelovigen in Jeruzalem. Inderdaad was deze herhaalde materiele hulp van zovele heidengemeenten, in zo'n tijd van behoefte, goed berekend om harten te raken van Joodse gelovigen, en hen klaar te maken voor de grote openbaring, dat zij voor God ייn waren in Christus met de heidense gelovigen (1Cor.12:13; 2Cor.5:16,17; Gal.3:26-28; etc.).

De opwekking van Paulus, de bekering van Cornelius' huisgezin, en deze heidenen in Antiochiכ, ondanks Israel' verwerping van Christus, en nu deze offering gezonden van Antiochiכ naar de heiligen in Jeruzalem, waren het begin van de historische afbraak van "de middelmuur des afscheidsels", mogelijk gemaakt door het kruis.


[i].*/voetnoot: Christus betekent eenvoudig: Gezalfde.

[ii].*/voetnoot: Dezelfde oorspronkelijke term wordt gevonden in Matt.24:14.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011