|
HAND. 11:19-30
DE KERK TE
ANTIOCHIE
HEIDENEN TE ANTIOCHIE GERED
"Degenen nu, die verstrooid waren door de verdrukking, die over
Stefanus geschied was, gingen het land door tot Feniciכ toe en Cyprus en
Antiochiכ, tot niemand het Woord sprekende dan alleen tot de Joden.
"En er waren enige
Cyprische en Cyrenיןsche mannen uit hen, welke te Antiochiכ gekomen zijnde,
spraken tot de Grieksen, verkondigende de Here Jezus.
"En de hand des Heren was met hen, en een groot getal geloofde en
bekeerde zich tot de Here.
"En het gerucht van hen kwam tot de oren der gemeente die te
Jeruzalem was; en zij zonden Barnabas uit, dat hij het land doorging tot
Antiochiכ toe.
"Dewelke daar gekomen zijnde, en de genade
Gods ziende, werd verblijd, en
vermaande hen
allen, dat zij met een
voornemen des harten bij
de Here zouden blijven.
"Want hij was een goed man, en vol des Heiligen
Geestes en des geloofs. En er
werd een grote schare de Here toegevoegd.
"En Barnabas ging uit naar Tarsen om Paulus te
zoeken; en als hij hem
gevonden had, bracht hij hem te Antiochiכ.
"En het is geschied, dat zij een geheel jaar
tezamen vergaderden in de
gemeente, en een
grote schare leerden; en dat
de discipelen eerst te
Antiochiכ Christenen genaamd
werden."
- (Hand. 11:19-26).
Er is door theologen te weinig aandacht besteed aan het
belangrijke feit, dat vanaf de tijd, toen eerst de elven hun grote opdracht
ontvingen tot de bekering van Cornelius, het Woord werd gepredikt "tot
geen anderen dan alleen tot de Joden". Dit is een feit dat open onder
het oog dient te worden gezien door hen, die vasthouden dat de zogenaamde
"grote opdracht", "het evangelie van Gods genade" betrof, en
dat het samengevoegde lichaam van Eph.3 begon met Pinksteren.
Op Pinksteren
kwamen, ongeacht enige heidenen die erbij tegenwoordig waren, alleen "Joden...van
alle volken dergenen die onder de hemel zijn" in aanmerking,
zodat de met de Geest vervulde Petrus zich slechts richtte, tot de "mannen
van Juda", de "mannen van Israel", en "het
gehele huis Israels".
Vanaf hier
tot na de bekering van Saulus, toen Petrus gezonden werd naar Cornelius, vinden
we niet de minste afwijking van deze procedure. In de twede grote Pinksterrede
van Petrus richt hij zich weer alleen tot de kinderen van Israel, als hij zegt: "Gijlieden
zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen
opgericht heeft,..." (Hand.3:25). Voor het Joodse Sanhedrin verklaart
hij, dat God Christus had verheven om "Israel te geven bekering en
vergeving der zonden" (Hand.5:31) en, samen met de andere apostelen,
gaat hij voort "dagelijks in de tempel", Christus te prediken
(Hand.5:42). Bij de "dagelijkse verzorging", kort voor de steniging
van Stefanus, vinden we eeevinden we
"een murmurering der Grieken (Grieks-sprekende Joden) tegen Hebreeכn",
omdat hun weduwen veronachtzaamd, maar in dit gezelschap zijn geen heidenen
opgenomen.
En nu, in
Hand.11:19, lezen we dat zelfs zij die verstrooid waren door de "grote
vervolging" van Hand.8:1, heengingen, "tot niemand het Woord
sprekende DAN ALLEEN TOT DE JODEN".
Zoals we
hebben gezien, was dit niet omdat zij bevooroordeeld ten opzichte van de
heidenen, of hen niet gered wilden zien, maar eerder naar de verbonden, de
profetiכn, en de "grote opdracht", dat eerst Israel aan de voeten van
de Heiland moest worden gebracht, en dan zegen naar de heidenen kon doorvloeien
(Zie Mark.7:27; Luk.24:47; Hand.3:25,26; 13:46; Rom.15:8,9).
Maar sommigen
van deze verstrooide discipelen, mannen van Cypres en Cyrene, gekomen te
Antiochiכ, predikten nu de Here Jezus aan de Grieken (niet alleen Grieksen,
zoals we nu zullen aantonen).
GRIEKSEN EN GRIEKEN
Ieder die Handelingen bestudeert, zal het verschil kennen
tussen Grieksen en Grieken. Grieksen waren Joden,
die leefden, of hadden geleefd, buiten Palestina onder de heidenen, waar de
Griekse taal werd gesproken en de Griekse cultuur overheerste. Zo werden zij vergriekst,
maar bleven niettemin Joden - vergriekste Joden. De Grieken
daarentegen, waren heidenen. Zo vinden we dus Grieksen onder de
gelovigen vףףr de bekering van Saulus, terwijl Grieken er niet bij
behoorden, dan eerst later. Het woord Grieksen (Gr. Hellenisten)
wordt tweemaal in het eerste gedeelte van Handelingen gevonden (6:1; 9:29) en
niet weer daarna, omdat het woord Griek (Hellenes) niet wordt gevonden in
de eerste Handelingen, maar twaalf keer voorkomt vanaf Hand.11:20.
Het is ongelukkig, dat de Statenvertaling het woord Grieksen
gebruikt in Hand.11:20, want hier ligt een overtuigend bewijs dat Grieken
de correcte weergave is.
DE
GELOVIGEN IN ANTIOCHIE
GRIEKEN, GEEN GRIEKSEN
Dat de
gelovigen in Antiochiכ heidenen waren, en geen Griekse Joden, wordt uitvoerig
bevestigd door de volgende feiten:
1. De meeste teksten geven aan "Hellenes", niet
"Hellenisten". Ook prefereren de grote meer-derheid van vertalingen de
weergave "Grieken", en de grote meerderheid van Grieks-geleerden,
tenminste zij van wie geschriften tot onze beschikking staan, prefereren de
weergave "Grieken".
2. De directe contekst vraagt de weergave "Grieken".
Als degenen in kwestie Griekse Joden waren, wat moest er dan vermeld worden,
want in dat geval bedienden de discipelen nog steeds "alleen
Joden"? Griekse Joden waren reeds opgenomen
onderdegelovigen. In feite waren de discipelen die
getuigden tot hen in Antiochiכ, ongetwijfeld zelf
Grieksen, want zij waren "mannen van Cyprus en
Cyrene". Zoals we gezien hebben, werden de Grieksen gerekend onder de
gelovigen in Hand.6:1 en ook met Pinksteren, want daar dienden de apostelen tot
"Joden, godvruchtige mannen, van allen volke dergenen die onder de hemel
zijn." Maar nu waren er, onder diegenen die het Woord hadden gepredikt
tot niemand anders dan de Joden, sommigen, die begonnen Christus te prediken tot
de Grieken in Antiochiכ.
3. De bredere
context bevestigt dit gezichtspunt. Klaarblijkelijk had er iets buitengewoons
plaats gevonden, want toen de leiders te Jeruzalem er van hoorden, zonden zij
onmiddelijk Barnabas om de zaak te onderzoeken. In het overige verslag van deze
vergadering te Antiochiכ wordt er niets over gezegd, dat Barnabas en Saulus
uitsluitend "alleen tot de Joden" dienden, of dat later enige
heidenen onder hen ook geloofden. Vanaf het begin verschilde hun
programma met dat wat in Jeruzalem geschiedde (Hand.11:29 cf. 4:32). Het was
deze gemeente, die het eerste grote centrum van evangelisatie onder de heidenen
werd. Het was deze gemeente van waaruit Paulus en Barnabas later naar Jeruzalem
reisden, om de vrijheid der heidenen te bewaren voor de binding aan de Mozaische
wet. En veelbetekenend waren het geen mannen vanuit hun midden, maar "enige
mannen die van Judea kwamen" die probeerden om deze heidenen onder de
wet te brengen. En merk op: "Paulus en Barnabas hadden geen kleine
weerstand en twisting TEGEN HEN" (Hand.15:2).
Aan
het slot van het grote Jeruzalem Convent, zonden de oudsten brieven aan "de
broeders uit de heidenen, die in Antiochiכ en Syriכ en Siliciכ zijn" (Hand.15:23).
En toen Paulus en Barnabas terugkeerden naar Antiochiכ met het nieuws, "verblijdde
zich DE MENIGTE over de ver-troosting, toen zij de brief hoorden" (Hand.15:30,31),
hetgeen er op wijst, dat de gemeente daar overwegend heidens was.
Dit alles pleit tegen de visie, dat de kerk die te
Antiochiכ gevestigd was, en die Paulus "gedurende een geheel jaar"
diende, bestond uit Grieksen, of wel Grieks-sprekende Joden. Het sluit ook het
idee uit, dat de kerk begon als een Grieks-Joodse kerk, en later
overwegend heidens werd.
De bekwame Barnes zegt van deze passage:
"Dit woord (Hellenisten) typeert gewoonlijk in het
Nieuwe Testament, die Joden, die in vreemde landen woonden, die de Griekse taal
spraken... Maar tot hen was het evangelie reeds gepredikt; en toch is het op
deze plaats duidelijk de bedoeling van Lukas, te bevestigen, dat de mannen van
Cyprus en Cyrene predikten tot hen, die geen Joden waren, en dat daardoor
hun gedrag verschilde van dat van hen (v.19), die uitsluitend tot de Joden
predikten. Het is dus vaststaand, dat ons hier wordt duidelijk gemaakt, dat de heidenen
degenen waren tot wie de mannen uit Cyprus en Cyrene zich richtten. In vele
vertalingen wordt hier het woord Hellenas, Grieks, inplaats van Hellenisten
gebruikt"
Meer dan een eeuw geleden schreef John Kitto, ook een
nauwgezet Bijbelgeleerde, het volgende over Hand.11:19,20 in zijn Daily Bible
Readings:
"Maar in de loop van de teksten worden zij, tot wie
het evangelie gepredikt werd, in twede instantie beschreven als Hellenisten,
niet als Hellenes. Toch, als dit het geval zou zijn, zou de twede prediking niet
hebben kunnen verschillen van de eerste, en de Cyreense en Cyprische broeders
zouden niet meer gedaan hebben, dan dat wat reeds eerder gedaan was door de
broeders uit Jeruzalem. Hierover is de mening van de beste kritici en
commentators, dat het woord Hellenes, niet Hellenisten, hier de juiste lezing
is, speciaal zoals het wordt gevonden in enkele zeer oude manuscripten, versies
en Vaderen; en het is dienovereenkomstig aangenomen in de meeste van de recente
kritische uitgaven van de Griekse tekst."
Vincent, zegt in zijn Word Studies in the New Testament:
"Er zou niets opmerkelijks zijn bij deze mannen, die predikten tot de
Hellenisten,... die het grootste deel van de kerk in Jeruzalem vormden...Merk
ook op, het contrast met de verklaring in vers 19, "alleen tot de
Joden". Er is geen contrast tussen Joden en Hellenisten, omdat
Hellenisten zijn opgenomen in het algemene begrip, Joden."
De
Companion Bible luidt:e meeste teksten lezen Hellenes, Grieken. Er
zou niets vreemds geweest zijn in het spreken tot Grieks-sprekende Joden"
DE
GELOVIGEN TE ANTIOCHIE EN PAULUS
Sommigen,
die vasthouden dat Cornelius een proseliet was, hebben de Statenvertaling
verdedigd in haar gebruik van het woord Grieksen hier, redenerend dat als
diegenen in kwestie heidenen waren, er heidenen gered zouden zijn, vףףr en
gescheiden van de bediening van Paulus als de apostel der heidenen. Zij echter,
die het Schriftuurlijk feit erkennen, dat Cornelius en zijn huis heidenen waren,
kunnen deze weerlegging niet goed standhouden. Het is van betekenis, dat het
huisgezin van Cornelius en deze heidenen in Antiochiכ, allen werden
gered na de eerste stap in Gods nieuwe programma; de bekering van Saulus van
Tarsen (Zie 1Tim.1:12-16).
Het is verder belangrijk in dit verband, dat de gemeente
te Jeruzalem, gehoord hebbend wat was gebeurd, Barnabas zond om te onderzoekem.
Zeker was God hierin betrokken, want Barnabas was degene die bevriend was met
Paulus, toen anderen hem hadden gewantrouwd bij zijn eerste terugkeer naar
Jeruzalem als gelovige in Christus. Het is duidelijk, dat Barnabas wist van
Paulus' oorspronkelijke opdracht om naar de heidenen te gaan (Hand.9:15,27). Hij
wist ongetwijfeld ook hoe de Here opnieuw aan Paulus was verschenen, in de
tempel, erop aandringend Jeruzalem onmiddelijk te verlaten, en opnieuw Zijn doel
bevestigde om hem ver weg te zenden tot de heidenen, want Barnabas was onder
degenen die hem hadden "heengezonden naar Tarsen" (Hand.22:17-21 cf.
9:27-30).
Hoe
natuurlijk dan, te lezen dat toen Barnabas te Antiochiכ was aangekomen en "had
gezien de grote genade van God", hij "verblijd
werd", en hen eenvoudig vermaande dat, "zij zouden
blijven bij de Here", terwijl hij "uitging naar Tarsen om
Saulus te zoeken", die toen naar Antiochiכ kwam, en daar gedurende "een
geheel jaar" leerde (11:23-26).
Opnieuw is het van belang, dat het vanuit deze vergadering
was dat Paulus werd uitgezonden, met Barnabas, op zijn eerste grote apostolische
reis onder de heidenen, en het was naar deze vergadering, dat hij terugkeerde om
de resultaten te rapporteren (Hand.13:2,3; 14:26,27).*/1
Tenslotte is het belangrijk, dat "de discipelen
eerst in Antiochiכ Christenen genaamd werden" (Hand.11:26), vooral
omdat zovelen het Judaisme van Jeruzalem, en Pinksteren verwarren met Christendom.
Deze titel wordt slechts driemaal gevonden in het Nieuwe Testament: hier, in
Hand.26:28, en opnieuw in 1Petr.4:16. Een ding is duidelijk uit deze drie
passages: dat de naam van de gelovigen werd gegeven door anderen. Het is
ook eerder Latijns dan Grieks in de betiteling, wat zou kunnen betekenen, dat de
Romeinen het eerst deze naam toepasten op hen die zoveel met Christus te maken
hadden. Petrus' aanhaling van de naam Christen in 1Petr.4:14-16 benadrukt
sterk het feit, dat het te doen heeft met de verwerping van Gods
Gezalfde*/[i]
en we moeten bedenken, dat deze verwerping van Christus door hen over wie Hij
zou regeren, niet vaststond, dan nadat God de steniging van Stefanus
beantwoordde met de opwekking van Paulus om naar de heidenen te gaan.
Omdat dus, zoals gezegd, de Joodse gelovigen uit Jeruzalem
geen openbaring hadden betreffende de ingang van een nieuw programma, noch enig bevel
om naar de heidenen te gaan, omdat Israel nog onbekeerlijk bleef, had God
hun een precedent gegeven voor hun actie, door Petrus naar Cornelius en zijn
huisgezin te zenden. Dit alles had natuurlijk betekenisvol plaatsgegrepen nadat
God Zijn genade had betoond in de redding van Saulus, maar vףףr Paulus'
grote campagnes onder de heidenen, zodat zijn verkondiging van redding aan de
heidenen, los van Israel, klaarder door de apostelen en oudsten te Jeruzalem zou
worden erkend. Hoe wonderlijk, om de hand van God te mogen zien in het uitwerken
van Zijn plannen!
PROFETEN
VANUIT JERUZALEM
"En in
dezelve dagen kwamen enige profeten af van Jeruzalem te Antiochiכ"
"En een uit hen, met name Agabus, stond op, en gaf te kennen door de Geest,
dat er een grote hongersnood zou wezen over de gehele wereld; dewelke ook
gekomen is onder de keizer Claudius.
"En naar
dat een iegelijk der discipelen vermocht, besloot elk van hen iets te zenden ten
dienste der broederen die in Judea woonden. "Hetwelk zij ook deden, en
zonden het aan de ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus.
(Hand.11:27-30)
Het
feit, dat profeten gezonden werden van Jeruzalem naar Antiochiכ en daar werden
erkend,*2
is een duidelijke aanwijzing dat het Pinksterprogramma en
het gezag van de twaalven als vertegenwoordigers van Messias en Zijn koninkrijk,
niet onmiddellijk ophield met Israels verwerping van het voorstel, gedaan aan
hen met Pinksteren, evenmin zelfs met de opwekking van Paulus. Tenslotte werden
de eerste heiden-gelovigen te Antiochiכ voor Christus gewonnen door gelovige
Joden, die gevlucht waren uit Jeruzalem gedurende de vervolging die gevolgd was
na Stefanus' dood. Verder was het de gemeente te Jeruzalem (Hand.11:22), die
Barnabas had gezonden om de situatie in ogenschouw te nemen.
Echter moet
niet voorbij worden gezien, dat de reden voor de gelovigen te Jeruzalem om
Barnabas naar Antiochiכ te zenden was, dat zij hadden gehoord, dat heidenen -
noch besnijdenis of wet hebbend -, in die stad tot geloof in Christus waren
gekomen. Het is dan niet vreemd, en een natuurlijke stap in de ontvouwing van
Gods programma, dat Barnabas deze gelovigen eenvoudig vermaande, "dat zij
met een voornemen des harten bij de Here zouden blijven." (een zeer
algemene vermaning), terwijl hij naar Tarsen ging om Saulus te vinden.
Ook moet niet uit het oog worden verloren, dat deze korte passage
(Hand.11:27-30), die begint met gelovigen in Antiochiכ die profeten uit
Jeruzalem erkennen, sluit met de gelovigen uit Jeruzalem, die op zijn minst, de
gemeente te Antiochiכ beginnen te erkennen, als zij van haar hulp ontvangen. En
de overdracht is volkomen natuurlijk, want het was een van de profeten van
Jeruzalem, die de hongersnood voorspeld had, en
hulp bewerkte vanuit Antiochiכ! En dit blijft de strekking van de hierna
volgende hoofdstukken in Handelingen.
____
*1/ Hoewel Antiochiכ een groot centrum was van
evan-gelisatie onder de heidenen, noemen wij het niet "het hoofdkwartier
van de Heiden-Kerk". Corinthiכ, Ephesiכ en Rome werden eveneens grote
centra van heiden-evangelisatie, maar het ware hoofdkwartier van de Heiden-Kerk
is in de hemel (Phil.3:20).
______
*/2 Het vertrouwen dat de gelovigen in Antiochiכ hadden
in deze profeten van Jeruzalem, is goed te zien in het feit, dat zij
onmiddellijk actie ondernamen op de voorspelling van Agabus omtrent de naderende
hongersnood.
HULP UIT ANTIOCHIE
Ongetwijfeld
is het de lezer opgevallen, dat Agabus een wereldwijde hongersnood
voorspelde: "grote schaarste (Lett.honger) over de hele
wereld (Lett. bewoonde aarde)" Waarom moesten zij dan
worden afgezonderd voor speciale hulp? Deze vraag verdient nauwkeurige
beschouwing.
De meeste commentators zijn tot de conclusie gekomen, dat
de actie van de kerk in Antiochiכ in zich sluit, dat de hongersnood het ergste
zou zijn in Judea, en dat Agabus dit moet hebben bekend gemaakt in zijn
profetie. Sommigen van deze commentators hebben in de geschiedenis gegraven, en
verslagen gevonden van verschillende hongersnoden die er in die tijd waren, en
hebben indringende argumenten om te bewijzen, dat een van deze klaarblijkelijk
het hardst gevoeld werd in Judea, hoewel er geen volledige overeenstemming is
geweest, over welke! Weer andere commentators, zijn tot de conclusie
gekomen dat Agabus' uitdrukking oikoumene in dit geval klaarblijkelijk
betekent, geheel Judea of Palestina.
Het is echter een feit, dat aangezien het Griekse woord ge
wordt gebruikt om aarde of land aan te geven, het woord oikoumene
altijd wordt gebruikt voor de bewoonde aarde en nooit voor een speciaal land,
nog minder kon de term "de gehele wereld"*/[ii]
slaan op een speciaal land.
Maar de vraag blijft bestaan: Waarom besloten de gelovigen
te Antiochiכ hulp te zenden aan mensen van een speciaal land?
Het antwoord
hierop is vanuit het zicht op de bedelingen.
Allereerst
moet worden opgemerkt, dat de hulp zou worden geschonken, niet voor alle mensen
in Judea, maar voor "de broederen die in Judea woonden". Dit
was niet alleen, omdat het juist was van deze Antiochische Christenen in de
eerste plaats te zorgen voor hun broeders, maar omdat de gelovigen in
Judea de gevolgen van de hongersnood en de begeleidende hoge prijzen, veel meer
zouden voelen dan anderen, zij het in Judea of elders.
Deze
gelovigen in Judea, dat moeten wij bedenken, hadden hun huizen en landerijen
verkocht, en hadden de opbrengst aan de apostelen gebracht, ter distributie
onder de behoeftigen, conform de standaard van het koninkrijk, dat zij hoopten
te zien gevestigd op aarde. Niet sommigen, maar allen die de Messias
volgden hadden dit gedaan (Hand.2:44,45; 4:34,35) "En niemand zeide, dat
iets van hetgeen hij had, zijn eigen was, maar alle dingen waren hun
gemeen" (Hand.4:32). Ook Petrus kon eerlijk tot de lamme man aan
de tempelpoort zeggen: "Zilver of goud heb ik niet" (Hand.3:6).
Twee mensen, die hadden geprobeerd tot dit gezelschap toe te treden, onderwijl
bedriegelijk een gedeelte van hun bezittingen achterhoudend, vielen dood neer
(Hand.5:5,10) "En van de anderen durfde niemand zich bij hen
voegen" (Hand.5:13). Zo werd het programma van het koninkrijk
gehandhaafd. Toen het inderdaad scheen dat de Hebreeכn werden bevoordeeld boven
de Grieksen bij "de dagelijkse bediening", kwamen de apostelen direkt
in aktie om toe te zien dat allen gelijkelijk zouden worden bedeeld. Van de
Pinkstergelovigen lezen we: "Want er was ook niemand onder hen die
gebrek had" (Hand.4:34), en deze toestand werd in stand gehouden door
de apostelen, als een van de zegeningen, verbonden met het koninkrijk, dat zij
hoopten spoedig gevestigd te zien door de wederkomst van de Messias.
Maar
nu was de crisis binnen Israel gekomen. Het volk had het genade-aanbod van de
opgestane, verheerlijkte, Christus verworpen. Zij had Zijn hoogste
vertegenwoordigers gedreigd, geslagen, en in de gevangenis geworpen. Zij hadden
Stefanus gestenigd, en oorlog ontketend tegen de Kerk te Jeruzalem. Nu had God,
in oneindige genade, gereageerd door de redding van Saulus, de hoofdlasteraar en
vervolger, en door heidenen te redden ondanks Israels weigering om het kanaal
van zegen te worden.
Maar
terwijl dit inderdaad de ontvouwing van een genadevol doel was, moet niet worden
vergeten, dat dit nieuwe programma betekende het (tijdelijk) terzijde stellen
van Israel, het uitstel (vanuit menselijk gezichtspunt) van de regering van de
Messias, en de terugtrekking van koninkrijks-zegeningen, die de Joodse gelovigen
reeds begonnen te genieten.
Zoals
tevoren niet een van de Pinkstergelovigen enig gebrek had, zo waren zij nu
gebonden om de eersten te zijn die gebrek hadden, daar zij reeds afstand van hun
bezittingen hadden gedaan. En dit was nog maar het begin. De volgende jaren
door, moest niet alleen de gemeente te Antiochiכ, maar "de gemeenten van
Galatiכ" (1Cor.16:1-3), "de gemeenten van Macedoniכ"
(2Cor.8:1-4), de gemeenten te Achaje (2Cor.9:2), en wellicht anderen met
inbegrip van Rome, een lange lijst van heidense kerken, materiele hulp zenden
aan "de arme heiligen...te Jeruzalem" (Rom.15:26). Inderdaad was het
een van de speciale overeenkomsten tussen de hoofden van de Joodse en heidense
gemeenten op de grote Jeruzalemconventie, dat de heidense gelovigen " de
armen (van de gemeente te Jeruzalem) zouden gedenken" (Gal.2:10)*/[iii]
Dit alles wijst erop, dat het programma voor het
koninkrijk geleidelijk terzijde werd gesteld, en dat de nieuwe bedeling reeds
was begonnen te dagen. De zorgvuldige lezer zal opmerken, dat de gelovigen in
Antiochiכ niet "alle dingen gemeen" hadden. Zij droegen bij, "ieder
naar vermogen", tot de behoeften van de heiligen te Judea. Zij
behoorden tot de nieuwe bedeling, en hun geven staat tot voorbeeld voor ons
geven onder de bedeling van genade. Als wij in deze tegenwoordige tijd afstand
doen van onze bezittingen ten behoeve van het algemeen, zodat we niets voor ons
zelf hadden, zouden we direct tegen de wil en het programma van God voor
ons handelen, want onze apostel schrijft, door de Geest:
"Doch
zo iemand de zijnen en voornamelijk zijn huisgenoten niet verzorgt, DIE HEEFT
HET GELOOF VERLOOCHEND, EN IS ERGER DAN EEN ONGELOVIGE" (1Tim.5:8).
Weinig
gelovigen vandaag echter, zelfs onder degenen die roepen; "Terug naar
Pinksteren", zijn in de verzoeking om afstand te doen van al hun
bezittingen, voor de Here dan wel voor de broeders, proevend dat als zij dit
zouden doen, zij spoedig in moeilijkheden zouden raken. Maar als gelovigen in
deze economie (huishouding) der genade alleen maar gedeeltelijk zouden geven, "naar
een iegelijk der discipelen vermocht" (Hand.11:29) "naar dat
hij welvaren verkregen heeft" (1Cor.16:2) "naar hetgeen hij
heeft" (2Cor.8:12), "niet uit droefheid of uit nooddwang" (2Cor.9:7),
het werk van God zou kunnen voortgaan, ongehinderd door financieel gebrek. En de
gevers zelf zouden geestelijk verrijkt worden door hun geloofstrouw, want het is
Paulus, niet Petrus op Pinksteren, die zegt door de Geest: "Hij
die in zegeningen zaait, zal ook in zegeningen maaien...want God heeft een
blijmoedige gever lief." (2Cor.9:6,7).
Het is waar, dat vele van Gods knechten "gierig en vuilgewinzoekend"
geworden zijn, in ongehoor-zaamheid aan 1Tim.3:3, en dit mag niet door de
vingers worden gezien, waar dit misschien vanzelf zo is, hoewel zondig, en een
reactie op de fout van gelovigen, betrokken in werelds werk, om financieel rond
te komen. Wat ook onze financiele status in het leven zijn moge, laat ons geven
van onze middelen overeenkomstig de regel die, door de Geest, voor ons
vandaag is gesteld: "...ZIET, DAT GIJ OOK IN DEZE GAVE OVERVLOEDIG
ZIJT. "...DE OPRECHTHEID UWER LIEFDE BEPROEVENDE. "WANT GIJ WEET DE
GENADE VAN ONZE HERE JEZUS CHRISTUS, DAT HIJ OM UWENTWIL IS ARM GEWORDEN, DAAR
HIJ RIJK WAS, OPDAT GIJ DOOR ZIJN ARMOEDE ZOUDT RIJK WORDEN' (2Cor.8:7-9).
Dit
is geven onder genade, en is natuurlijk een duidelijke afwijking van het
Pinksterprogramma. En let wel: deze afwijking wordt het eerst aangetroffen in
Paulus' vroege bediening, in verband met zijn werken in Antiochiכ,
voordat hij op zijn eerste grote zendingsreis gaat, of de eerste van zijn
brieven aan de gemeenten schrijft.
PAULUS EN JERUZALEM
De
vraag is opgekomen, of Paulus en Barnabas werkelijk, in dit geval, Jeruzalem
bezocht hebben. Het verslag in Handelingen zegt van de collecte, verzameld voor
de Judese heiligen, dat de gelovigen van Antiochiכ "het zonden tot de
ouderlingen door de hand van Barnabas en Saulus". Dit lijkt te
impliceren, dat Barnabas en Saulus naar Jeruzalem gingen, maar toch zegt Paulus
zelf, dat hij niet weer opging naar Jeruzalem om de andere apostelen te zien,
dan veertien jaren na zijn eerste terugkeer naar Jeruzalem, vermeld in
Hand.9:26.
------
*/voetnoot: Dat de Joodse leiders verwezen naar hun armen
is duidelijk. Zij zouden geen reden gehad hebben om te vragen om de belofte, dat
de heiden-gemeenten haar eigen armen, of de armen in het algemeen, zouden
helpen.
Dit probleem heeft sommigen ertoe geleid te besluiten, dat
Paulus en Barnabas niet de hele weg naar Jeruzalem zijn gegaan met hun gift,
maar alleem hebben toegezien dat de zaak zorgvuldig werd uitgevoerd. De passage,
nu in beschouwing, (Hand.11:30) zou wel bij deze uitleg passen, maar Hand.12:25
completeert het verslag met de verklaring: "Barnabas nu en Saulus
keerden weder van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, medegenomen
hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus."
Dit schijnt het aanemelijk te maken, dat Paulus in dit
geval naar Jeruzalem ging, en dit wordt bevestigd door het feit dat Johannes
Markus uit Jeruzalem kwam (cf.Hand.13:13).
Maar hoe zullen we dan Paulus' plechtige verklaring aan de
Galaten verklaren, dat hij niet in contact geweest is met een van de apostelen
vanaf de tijd van zijn bezoek aan Petrus, drie jaren na zijn bekering, tot
veertien jaren later, toen hij naar Jeruzalem ging ter verdediging van de
vrijheid der heidenen?
De oplossing van dit probleem is waarschijnlijk niet zo
moeilijk als op het eerste gezicht lijkt, want het argument van de apostel in de
Galatenbrief is niet, dat hij Jeruzalem zo zelden had bezocht in
al die tijd, maar dat hij zo weinig van de apostelen had gezien in die tijd.
Eerst wijst hij er op dat hij niet, onmiddelijk na zijn
bekering, "te rade ging met vlees en bloed", en gaat verder met te
zeggen: "En ben niet wederom gegaan naar Jeruzalem TOT
DEGENEN DIE VOOR MIJ APOSTELEN WAREN" (Gal.1:16,17).
Dan verklaart hij, dat hij drie jaren later, vijftien
dagen bij Petrus verbleef, maar geen van de andere apostelen had gezien, dan
alleen Jakobus, de broeder van de Here (een apostel alleen in twede instantie),
en gaat verder met te vertellen, dat hij niet weer met de apostelen in contact
kwam, dan "veertien jaren later" (Gal.1:18-2:1).
Het
was dus niet wegens behoefte aan openheid aan de kant van de apostel, dat hij
naliet een boodschap naar Jeruzalem te vermelden, en daarbij geen van de
twaalven gezien had, omdat de kwestie eenvoudig was, of hij wel of niet zijn
boodschap en gezag had ontvangen van de twaalven. In Hand.24:17, in zijn
verdediging voor Felix, gaat de apostel over alles heen, behalve het
laatste van zijn bezoeken aan Jeruzalem, en zegt: "Doch na vele jaren
ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk en offeranden". Dit
was nodig om wille van de kortheid, en was op geen enkele manier onoprecht.
Maar de
vraag kan rijzen of het aannemelijk is, dat de apostel Jeruzalem kon hebben
bezocht, zonder iemand van de apostelen te zien. Het antwoord is, dat dit wel
aannemelijk is, en in het licht van het verslag, precies wat er gebeurde.
Ten
eerste, dient eraan te worden gedacht, dat bij Paulus' eerste terugkeer
naar Jeruzalem, hij vijftien dagen bij Petrus verbleef, en toch geen van
de andere elven zag (Gal.1:18,19). Jakobus, de broeder van de Here was, zoals we
hebben aangetoond, niet een van de twaalven. Waar waren de andere elf?
Het is mogelijk dat zij werkten onder de gemeenten in Judea. Hoewel hun hoofdkwartier
in Jeruzalem was, volgt daaruit niet, dat zij altijd in de stad verbleven. In
feite is meer waarschijnlijk dat zij een groot deel van de tijd weg waren, en
het is gewoon denkbaar, dat Petrus zelf, als hun leidsman, in Jeruzalem is
gebleven.
Ten
twede is het goed mogelijk, in het nu besproken geval, dat Petrus in de
gevangenis was, want de geschiedenis van zijn gevangenschap volgt onmiddelijk na
het verslag dat Barnabas en Saulus naar Judea werden gezonden met de offeringen
uit Antiochiכ. Of, Petrus kan reeds naar Caesarea ontsnapt zijn (Hand.12:19).
Bij deze gelegenheid kan Paulus de andere apostelen gemist hebben, omdat zij erg
werden bezig gehouden door de vervolging door Herodes. Maar meer mogelijk is
het, dat zij weer buiten de stad waren, want het is duidelijk dat zij niet bij
de groep waren, die verzameld waren in gebed voor de bevrijding van Petrus in
het huis van Johannes Markus, noch op de volgende plaatsen waar Petrus heenging,
nadat hij deze groep verliet (Hand.12:12,17,19).
Ten derde, verklaart de apostel uitvoerig en plechtig aan
de Galaten, dat hij niemand van de twaalven weer zag dan "veertien jaren
na" zijn eerste terugkeer. Zo moet de zaak uiteindelijk zijn, want het zou
de fundamentele regel van Bijbelinterpretatie geweld aandoen, om een duistere of
moeilijke passage zo te stellen, dat zij een zo plechtige en uitvoerige
verklaring als die van Paulus tot de Galaten, zou tegenspreken. Maar de passage
in Hand.11 dient helemaal niet te worden gerekend als zijnde obscuur of
moeilijk, want een klein onderzoek brengt een volledige oplossing van het
probleem. Het is van fundamenteel belang, dat de passage niet zegt, dat
Barnabas en Saulus bij dit bezoek enige ontmoeting of contact hadden met de
apostelen. Het zal redelijk zijn aan te nemen, dat als zij contact met hen gehad
zouden hebben, er melding van gemaakt zou zijn. De "ouderlingen" aan
wie de gift werd gezonden, vormden een grotere groep, zoals duidelijk wordt uit
passages zoals Hand.15:2.
Sommigen
hebben een gevoel, dat waar de Here Paulus had geinstrueerd om Jeruzalem te
verlaten bij zijn eerste terukeer (Zie Hand.22:17-21), het voor hem verkeerd
was, nu terug te keren. De apostel heeft echter zeker begrepen, dat hij was
gezonden "ver tot de heidenen" in plaats van te prediken in
Jeruzalem omdat, zoals de Here had gezegd: "Zij zullen uw getuigenis van
mij niet aannemen" (Hand.22:18,21).
Paulus ging niet tegen dit bevel in, door aalmoezen te
brengen aan de gelovigen aldaar. Ook ging hij er niet tegen in, toen hij later
opging om met de leiders van de gemeente daar, dat evangelie dat hij onder de
heidenen gepredikt had, te bespreken en de vrijheid van de wet van Mozes voor de
heiden-gelovigen te verdedigen. Wij weten dat hij daarop toen geen inbreuk deed,
want hij zegt, door de Geest: "Ik ging op door openbaring" (Gal.2:2).
Zijn laatste bezoek aan Jeruzalem was een andere zaak. Bij
die gelegenheid was zijn bediening aan de "arme heiligen te Jeruzalem"
slechts toevallig. Hopend dat de offers zouden worden geaccepteerd door hen
(Rom.15:31), en dat zij zo achter hem zouden staan, ging hij in werkelijkheid om
"te betuigen het Evangelie der genade Gods" (Hand.20:24).
De
apostel verlangde onweerlegbaar, dit te doen uit liefde voor zijn Here
(Hand.20:24) en voor zijn ongelovige broeders naar het vlees, voor wie hij "grote
droefheid en een gedurige smart" leed (Rom.9:2), en van wie hun redding
altijd zijn "hartsverlangen en gebed" was (Rom.10:1). Maar het
is mogelijk om Gods bevelen ongehoorzaam te zijn vanuit een goed motief.Wij
moeten danook oppassen om Hem te geven wat Hij zegt dat Hij verlangt,
niet wat wij denken dat Hij moet verlangen. In dit geval was Paulus reeds
geinformeerd, dat zijn volksgenoten zijn getuigenis aangaande Christus niet
zouden aannemen. Het is betekenend dat juist de profeet Agabus, die eerst had
aangegeven dat de heiligen in Jeruzalem gebrek zouden lijden, in dit geval
aangaf, dat Paulus niet in de stad moest binnengaan, hem waarschuwend voor wat
hem daar zou geschieden door de handen der Joden (Hand.21:10,11).
Het
verslag van dit laatste bezoek geeft geen aanwijzing, dat Paulus "het
evangelie van Gods genade" verkondigde, of dat in dit geval zijn offering
voor de heiligen het verlangde effect had. Zeker stonden de gelovigen hem niet
bij in zijn vervolgingen door de hand der Joden. Integendeel werd hij naar Rome
gevooerd om "de gevangene van Jezus Christus" te worden voor de
heidenen (Eph.3:1). In dit alles was God natuurlijk genadig overheersend ten
goede van Paulus, en voor Zijn eigen glorie.
Wij
zullen dit later nog uitvoeriger behandelen, maar we raken het hier aan,
teneinde te wijzen op het feit, dat Paulus opdracht gekregen had om Jeruzalem te
verlaten, alleen omdat God wist dat zij zijn getuigenis aangaande Christus niet
zouden aannemen, en hij was geroepen voor een speciale bediening onder de
heidenen. Dit bevel betekende niet een verbod tegen het afdragen van de
financiele hulp aan de gelovigen in Jeruzalem. Inderdaad was deze
herhaalde materiele hulp van zovele heidengemeenten, in zo'n tijd van behoefte,
goed berekend om harten te raken van Joodse gelovigen, en hen klaar te maken
voor de grote openbaring, dat zij voor God ייn waren in Christus met de
heidense gelovigen (1Cor.12:13; 2Cor.5:16,17; Gal.3:26-28; etc.).
De opwekking
van Paulus, de bekering van Cornelius' huisgezin, en deze heidenen in Antiochiכ,
ondanks Israel' verwerping van Christus, en nu deze offering gezonden van
Antiochiכ naar de heiligen in Jeruzalem, waren het begin van de historische
afbraak van "de middelmuur des afscheidsels", mogelijk gemaakt door
het kruis.
[i].*/voetnoot: Christus betekent
eenvoudig: Gezalfde.
[ii].*/voetnoot: Dezelfde
oorspronkelijke term wordt gevonden in Matt.24:14.
|