De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

 

H O O F D S T U K  XVIII - H A N D.10:30-11:18

 DE BEKERING VAN CORNELIUS

 EN ZIJN HUISGEZIN

 CORNELIUS VERTELT ZIJN VERHAAL

 "En Cornelius zeide; Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter negender ure bad ik in mijn huis. "En zie, een man stond voor mij in een blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw aalmoezen zijn voor God gedacht geworden. "Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus; deze ligt tehuis in het huis van Simon, de lederbereider, aan de zee; welke hier gekomen zijnde, tot u spreken zal. "Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wel gedaan dat gij gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is. "En Petrus de mond opendoende, zeide: Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; "Maar in alle volken is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam." - (Hand.10:30-35).

 Cornelius deelt nu Petrus en zijn gezelschap, de omstandigheden en details van zijn visioen mede.

Vier dagen tevoren had hij gevast "tot deze ure" i.c. hetzelfde uur van de dag, waarop hij toen sprak; niet "dit uur" van de vierde dag, zoals sommigen verondersteld hebben. "Dit uur" was klaarblijkelijk "het negende uur", want het was toen, dat de engel hem was verschenen (V.30). Nu was het negende uur, ofwel drie uur in de middag, Israels avond "uur van gebed" (Hand.3:1), en het is betekenend, dat dit het moment was, dat de engel verscheen, die hem vertelde dat zijn gebed was gehoord, en dat zijn aalmoezen tot gedachtenis gekomen waren voor God.

We hebben reeds door de Schriften bewezen, dat op dat ogenblik Cornelius nog niet "gered" was (11:14), dat hij nog geen "vergeving van zonden" (10:43), of eeuwig "leven" (11:18) ontvangen had, maar zijn gebeden en werken wijzen op een verlangen om de ware God te kennen, en nu openbaart God hem, op het uur van Israels gebedstijd, dat Hij op dat verlangen gaat reageren.

 De diepe ernst van Cornelius' verlangen om God te kennen en Zijn wil te doen, wordt uitgedrukt in zijn woorden: "Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is."

 GOD GEEN AANNEMER DES PERSOONS

 En nu geeft Petrus een belangrijke verklaring: "Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is" (V.34)

 Let wel, dit is dezelfde persoon aan wie enige jaren tevoren opgedragen was: "Ga niet op de weg der heidenen" (Matt.10:5); die zijn Meester had horen zeggen: "Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van het huis Israels" (Matt.15:24), en "Laat eerst de kinderen verzadigd worden" (Mark.7:27). Dit is degene die later gezonden werd, met de andere apostelen, om bekering en vergeving van zonden te prediken aan alle volkeren, "te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47), die zelf had geroepen tot het huis van Israel: "Gijlieden zijt de kinderen...van het verbond...EERST TOT U..." etc.(Hand.3:25,26). Maar nu zegt hij: "Doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten" (Hand.10:28), en "Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is" (v.34). Petrus wist niet dat een nieuw programma zou worden ingevoegd. Hij wist niet, dat God allen in ongeloof zou besluiten, opdat Hij allen barmhartig zou kunnen zijn. Hij verkondigde niet het evangelie van Gods genade aan Cornelius en zijn huisgezin. Maar hij wist wel dat God, in overeenstemming met Zijn eigen souvereine wil, hem had geinstrueerd om naar deze heidenen te gaan, niet twijfelende, en had daarvan geleerd, dat God inderdaad geen aannemer des persoons was.

Is het niet treffend, dat dit moest plaats vinden direct na de bekering van Saulus, want het was Saulus, die nu uitgezonden werd als de apostel van genade, tot de hele wereld. En dit dient te worden erkent door die apostelen, die gezonden waren om het evangelie van het koninkrijk aan de hele wereld te verkondigen, te beginnen met Jeruzalem.

Het is in de brieven van Paulus, dat we leren waarom God, Die "geen aannemer des persoons" is, ooit een verschil bracht tussen Joden en heidenen. Hij maakte een verschil tussen hen, eenvoudig om aan te tonen dat er geen verschil is. Hij maakte een bedelingenverschil, om aan te tonen dat er geen essentieel verschil is. Hij richtte een "middelmuur des afscheidsels" tussen hen op, om aan te tonen, dat die muur afgebroken moet worden; dat de ene niet beter is dan de andere.

Maar laten we doorgaan met de verklaring van Petrus: "Ik verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is. "MAAR IN ALLEN VOLKE IS DIE HEM VREEST EN GERECHTIGHEID WERKT,HEM AANGENAAM" (Hand.10:34,35).  

We hebben gezien, dat deze passage niet betekent, dat Cornelius reeds gered was. Deze woorden moeten worden gezien in het licht van V.28, en de overige contekst. Cornelius werd eenvoudig geaccepteerd in die zin, dat hij niet langer werd gezien als "onrein". Het antwoord op zijn gebed op Israels gebedsuur toonde aan, dat God hem had aangenomen in dezelfde zin, als Hij deed met Zijn verbondsvolk Israel. Dit bedoelt niet dat hij was gered, net zo min als het aantoonde dat alle Israelieten gered waren, want we herinneren ons, dat besnijdenis op zich, niet redde.

Het geval van Cornelius dient te worden beschouwd in het licht van twee belangrijke passages uit de geschriften van Paulus "Want die tot God komt, MOET GELOVEN, DAT HIJ IS, EN EEN BELONER IS DERGENEN DIE HEM ZOEKEN" (Hebr.11:6). "Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis voorhuid geworden. "INDIEN DAN DE VOORHUID DE RECHTEN DER WET BEWAART, ZAL NIET ZIJN VOORHUID TOT EEN BESNIJDENIS GEREKEND WORDEN?" (Rom.2:25,26).

Cornelius geloofde zeker, dat Israels God de ware God was.*/[i] Hij zocht Hem ijverig, zoals bleek uit zijn gebeden, vroomheid, en werken. Daarop beantwoordde God zijn verlangen en openbaarde zich aan hem.

De werken van Cornelius namen niet de plaats in van Christus, maar van Mozes (10:35,36). Veronderstel dat Cornelius, na te hebben gehoord van Christus, gekozen had om te blijven in zijn eigen werken. Hij zou natuurlijk verloren geweest zijn, want gehoorzaamheid aan de zedelijke wet op zich, is altijd net zo onmogelijk geweest tot redding, als besnijdenis en offeringen. Getuige de gevallen van Nicodemus, de rijke jongeling, en Saulus van Tarsen.

Zo werd Cornelius aangenomen, niet als gered, maar tot redding (11:14). En nu begint Petrus hem die woorden te vertellen, waardoor hij en zijn gehele huis gered kunnen worden.

DE PREDIKING VAN PETRUS ONDERBROKEN

"Dit is het Woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede door Jezus Christus; Deze is een Here van allen. "Gijlieden weet de zaak die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, welke Johannes gepredikt heeft, "Belangende Jezus van Nazareth, hoe God Hem gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is, goeddoende, en genezende allen die van de duivel overweldigd waren; want God was met Hem.

"En wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en te Jeruzalem; Welken zij gedood hebben, Hem hangende aan een hout. "Dezen heeft God opgewekt ten derde dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden, "Niet al den volke, maar den getuigen, die van God tevoren verkoren waren, ons namelijk die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden opgestaan was; "En heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen, dat Hij is Degene Die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en doden. "Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk die in Hem gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam.              

  "Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden.

"En de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren gekomen, ontzetten zich,

*/Voetnoot: Hoewel dit hem niet redde (Jes.2:19). Het was eigenlijk een eerste vereiste tot redding (Heb.11:6).

dat de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd; "Want zij hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde Petrus: "Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? "En hij beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam des Heren. Toen baden zij hem, dat hij enige dagen bij hen wilde blijven." - (Hand.10:36-48).

De verbinding tussen profetie en het geheimenis wordt duidelijk gezien in Petrus' prediking en Gods onderbreking ervan in het huis van Cornelius.

Dat Petrus Gods lang verborgen gehouden plan met betrekking tot de opgestane, verheerlijkte Christus, niet kende, is zeker. Zelfs Paulus was pas begonnen om hierover te leren, want het werd geleidelijk aan hem bekend gemaakt, vanaf de tijd van zijn bekering (Hand.22:14; 26:16; 2Cor.12:1,7). De boodschap van Petrus aan deze vergadering van heidenen, was strikt in overeenstemming met het profetische Woord en met de grote opdracht, die de Here hem had bevolen uit te dragen.

Hij begon met "het Woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels...na de doop, welken Johannes gepredikt heeft" (V.36,37).

Petrus benadrukt hier het feit dat zo dikwijls over het hoofd wordt gezien: dat Johannes werkelijk het dopen predikte (Mark.1:4; Luk.3:3), en dat hij dit deed in verband met de verschijning van Christus aan Israel (Cf.Joh.1:31). Daarna ging hij verder met de geschiedenis van de aardse bediening van de Here "in het Joodse land, en te Jeruzalem" (V.38,39), en vertelde tenslotte, hoe zij Hem sloegen, en Hem aan een hout hingen, maar hoe God Hem weer opwekte uit de dood, en hoe hij de elven beval Hem te prediken als Gods verordineerde Rechter van levenden en doden (V.39-42).

Dit alles is natuurlijk strikt in de lijn van profetie en vormt een treffend contrast met Paulus' evangelie van Gods genade, want waar Petrus begon met Christus' aardse bediening, en voortging tot Zijn dood, opstanding en aanwijzing als Rechter van levenden en doden, begon later de Apostel Paulus met de dood en opstanding van Christus als blijde boodschap tot redding, en ging voort naar Zijn verheerlijking aan Gods rechterhand, als de Bedelende Schenker van genade, en Hoofd van het Lichaam. In werkelijkheid bood Petrus, toen hij het feit van de dood van onze Here vermelde, dit zelfs niet aan als het middel tot redding, zoals Paulus later deed in "de prediking van het kruis"

Ook overeenkomstig de profetie en de "grote opdracht" echter, zou redding er zijn door geloof in de persoon van Christus.*/[ii] Zo ging Petrus dus voort met te zeggen: "DEZEN GEVEN GETUIGENIS AL DE PROFETEN, DAT EEN IEGELIJK DIE IN HEM GELOOFT, VERGEVING DER ZONDEN ONTVANGEN ZAL DOOR ZIJN NAAM" (V.43).

Nu valt deze verklaring, hoewel volledig in harmonie met het profetisch programma, op hetzelfde ogenblik samen met het geheimenis, dat verborgen gehouden is, tot het werd geopenbaard door Paulus, want in beide was het geloof in Christus de basis.

En hier wordt Petrus door God geinterrumpeerd. "Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden" (V.44).

De meeste Bijbelleraars hebben geleerd, dat Petrus het eerst de "sleutels van het koninkrijk" gebruikte bij Israel, met Pinksteren, en dan bij de heidenen in het huis van Cornelius. Dit wordt echter niet door de Schriften bevestigd, en kan dat ook niet. Petrus opende niet de deur voor deze heidenen. God nam deze zaak uit zijn handen, onderbrak zijn prediking, en opende Zelf de deur, terwijl "de gelovigen uit de besnijdenis" in verbazing toezagen.

Het is een eerlijke zaak, te vragen hoe Petrus zijn prediking zou hebben beeeindigd als hij niet onderbroken was geworden, want de Schrift geeft een klaar antwoord in deze zaak.

Veronderstel dat Petrus zijn prediking had voortgezet, en dat zijn toehoorders, net als op Pinksteren, overtuigd waren geworden en gevraagd hadden: "Wat moeten wij doen?" Wat zou Petrus dan geantwoord hebben? Hier is maar één antwoord. Hij was niet, zoals Paulus, gezonden om te prediken, geloof in Christus zonder werken, tot redding. Zij die geloofden onder zijn bediening, ook onder de heidenen, moesten worden "gedoopt tot vergeving van zonden" (Cf.Hand.2:38 met Mark.16:15,16). Maar voordat Petrus hiertoe was gekomen, en juist nadat hij de noodzaak van geloof in Christus tot redding had verklaard, onderbrak God zijn prediking, en nam hem de zaak uit handen. Zo verdedigde Petrus zich later voor de apostelen, zeggende: "Wie was ik toch, die God konde weren?" (Hand.11:17).

Omdat Petrus, zoals wij zien, het verborgen doel dat God achterhield, niet kende, vinden we hier, nog duidelijker, verdere aanwijzingen van het verlaten van het programma der profetie en van de "grote opdracht", betekenisvol na de bekering van Saulus.

Wij hebben reeds aangetoond, dat Petrus tot deze heidenen gezonden werd, niet krachtens de "grote opdracht", maar door een speciale opdracht, niet omdat Israel nu de Messias had aangenomen, maar ondanks het feit dat Israel doorging met Hem hardnekkig af te wijzen. En nu zijn Cornelius en zijn huisgezin gered, en ontvangen de Geest; opnieuw, niet omdat Israel eerst gered was; niet als de volgende stap in het programma der profetie en de "grote opdracht", maar door goddelijke interventie, door goddelijke genade. Deze heidenen werden gered, en ontvingen de Geest, zonder tevoren te zijn gedoopt, - nog een duidelijke afwijking van de "grote opdracht" -. Maar God Zelf had het gedaan, en om Zijn eigen goede redenen, die later zouden worden geopenbaard door de Apostel Paulus.   Degenen uit de besnijdenis waren uiteraard verbaasd, dat deze heidenen de gave van de Heilige Geest hadden ontvangen, maar dit temeer, daar dit had plaats gegrepen voordat zij eerst gedoopt waren. Dit was zeer zeker een afwijken van datgene wat Petrus had gepredikt op Pinksteren (Hand.2:38). Vandaar Petrus' antwoord:

"Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?" (V.47).

Hier zien we nog een afwijking van het programma van de "grote opdracht", die we nauwkeurig dienen op te merken. Heidenen, van hier af, en gedurende een poos tijdens de bediening van Paulus, werden gedoopt, omdat God Israel en het programma van het koninkrijk nog niet volledig en officieel terzijde gesteld had. Maar waterdoop was nimmer vereist voor heidenen tot redding, zoals het zou geweest zijn onder de "grote opdracht" (Mark.16:16-18; Hand.2:38). Zo kon Paulus, hen die gered werden onder zijn bediening, uitdagen met: "Hebt gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs? (Gal.3:2).

Voor wat betreft de Schriften, dienden de twaalven de heidenen niet weer. Zo werd de bediening van Petrus, het hoofd van de twaalven, zoals het geschiedde aan dit ene heidense huisgezin, na de steniging van Stefanus, en de bekering van Saulus, door God bestemd, als oorzaak om Petrus, en de kerk te Jeruzalem, openlijke erkenning en ruggesteun te geven. Dit met het oog op de daarop volgende bediening van Paulus onder de heidenen, zoals de zaak later werd voorgebracht (Zie Hand.15:7-11,22-29).

 PETRUS TER VERANTWOORDING GEROEPEN

  "De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden. "En toen Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de besnijdenis waren. "Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten. "Maar Petrus beginnende verhaalde het hun vervolgens, zeggende:

"Ik was in de stad Joppe, biddende; en zag in een vertrekking van zinnen een gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende, bij de vier hoeken nedergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij; "Op welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik en zag de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. "En ik hoorde een stem, die tot mij zeide: Sta op, Petrus, slacht en eet. "Maar ik zeide: Geenszins, Here, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn mond ingegaan. "Doch de stem antwoordde mij ten twede male uit de hemel: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. "En dit geschiedde tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in de hemel. "En zie, ter zelver ure stonden er drie mannen voor het huis waar ik in was, die van Cesarea tot mij afgezonden waren. "En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in des mans huis ingegaan. "En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus. "Die woorden tot u zal spreken, door welke gij zult zalig worden, en al uw huis. "En als ik begon te spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. "En ik werd gedachtig aan het woord des Heren, hoe Hij zeide; Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met de Heilige Geest.

 "Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft als ook ons, die in de Here Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren? "En als zij dit hoorden, waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!"  - (Hand.11:1-8).

  DIE UIT DE BESNIJDENIS

 STEMMEN IN MET PETRUS

 Sommigen, die het moeilijk vonden te begrijpen hoe Petrus gezonden kon worden om redding te brengen aan een heidens huisgezin, vóór Israel's bekering, zijn tot de slotsom gekomen, dat Cornelius en zij die bij hem waren "proselieten van de poort" (Jodengenoten) moeten geweest zijn, en hebben oude schrijvers aangehaald, om te laten zien dat de Joden zulk soort mensen erkenden. Maar terwijl de oude Hebreeën inderdaad zulken als Cornelius in deze categorie van twede rangs proselieten zouden hebben geplaatst, zullen zij die alleen in de Schriften kijken om de zaak op te lossen, direct zien, dat vanuit Gods beschouwing, geen onbesneden man als proseliet, van welke soort ook, werd beschouwd, maar eerder een inwoner van het rijk van Israel.

Zeker beschouwden de gelovige Joden te Jeruzalem Cornelius en zijn huisgezin niet als proselieten, want toen zij hoorden dat de "heidenen" het Woord van God ontvingen, "twistten" zij met Petrus, zeggende: "Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten."

Het verwondert niet, dat "die uit de besnijdenis" twistten met Petrus over deze zaak, zelfs hoewel hij het hoofd was van de apostelen, want "die uit de besnijdenis", die Petrus hadden vergezeld op zijn missie, waren zelf verbaasd over wat had plaats gevonden (Hand.10:45), en Petrus zelf niet minder.

Hier moeten we onze lezers er aan herinneren, dat het "een onwettige zaak" voor Joodse gelovigen was geweest, om gemeenschap te genieten met heidenen, onder de toen bestaande omstandigheden. Was geheel Israel gered geweest, en "een koninkrijk van priesters en een heilige natie", dan zou het evangelie van het koninkrijk als zodanig, wettig tot heidenen zijn gezonden. Wij hebben zekerheid te over, dat de apostelen dit begrepen, want onze Here had aangetoond, dat Hij werkte in overeenstemming met het Abrahamitisch verbond (Gen.22:17,18), toen Hij zeide: "Laat eerst de kinderen VERZADIGD worden" (Mark.7:27 cf.Matt.10:5,6; 15:24). En ook toen Hij de apostelen tot alle volkeren zond, "te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47; Hand.1:8). Inderdaad had Petrus kort tevoren het Abrahamitisch verbond met het huis Israels aangehaald, toen hij verklaarde dat God Zijn Zoon had opgewekt uit de dood, om eerst hen te redden van hun ongerechtigheden (Hand.3:25,26).

Zij die vasthouden dat de gelovigen in Jeruzalem met Petrus twistten omdat zij bevooroordeeld waren tegen de heidenen, mogen wel vragen: Als deze Joodse gelovigen niet bevooroordeeld waren tegen de heidenen, waarom vervolgden zij dan niet de evangelisatie van de heidenen? Het antwoord is: omdat zij geen orders hadden hun "grote opdracht" te herzien, noch enige openbaring wat betreft de invoeging van een nieuw programma. Petrus' missie naar Cornelius was een uniek geval, ontworpen door God voor een doel wat toen nog niet geopenbaard was.

Een passage uit J.N.Darby's Bijbel Synopsis, kan hierbij helpen:

"Het geheimenis nu, was verborgen geweest in alle vorige tijden; en in feite was dit ook noodzakelijk; want om de heidenen op hetzelfde voetstuk te plaatsen als de Joden, zou het Judaisme hebben vernietigd, zoals God Zelf het had gevestigd. Hij had daarin zorgvuldig een middelmuur van afscheiding geplaatst. Het was de taak van de Joden, om deze scheiding te respecteren; hij zondigde als hij dit niet strikt betrachtte. Het geheimenis zette dit opzij. De Oud-Testamentische profeten, en Mozes zelf, hadden inderdaad getoond, dat de heidenen op een dag zich zouden verheugen samen met het volk; maar het volk bleef een afgezonderd volk. Dat zij mede-erfgenamen zouden zijn, en van hetzelfde lichaam, alle verschil weggedaan, was inderdaad volledig verborgen in God..."(Handelingen tot Philipenzen, Pp.431,432).

De weerstand toen van de gelovigen uit de besnijdenis in Jeruzalem, was eenvoudig, omdat Petrus afgeweken was van het geopenbaarde bevel en programma van God, want hij zowel als zij, waren gezonden om een programma uit te voeren, in overeenstemming met het Abrahamitisch verbond en de profetie.

HET VERWEER VAN PETRUS

VOOR ZIJN BROEDERS

Verder dient te worden opgemerkt, dat Petrus in zijn verweer tot de broeders, niet er op wees, dat hij enige openbaring ontvangen had vvor wat een nieuw programma betreft dat zou worden ingevoegd. Zijn uitleg wijst er inderdaad wel op, dat hij zelfs nieteens begreep wat God aan het doen was. Hij "herhaalde slechts de zaak vanaf het begin, en zette alles ordelijk voor hen uiteen"; dat is, hij de eenvoudige en ongesmukte feiten vermeldde, daarbij uitleggend hoe hijzelf gezegd had: "Geenszins, Here", maar hoe de Here Zelf deze afwijking van het geopenbaarde programma had gevorderd, hem had bevolen met de heidense boodschappers mee te gaan, "niet twijfelende"*/[iii], en zijn boodschap had geinterrumpeerd toen hij begon te spreken. "Bovendien" voegde hij eraan toe: "deze zes broeders vergezelden mij". Deze zes Joodse broeders waren mee naar binnen gegaan in het heidense huis, en waren net zo verbaasd als hij over wat God daar gedaan had. Zo vat Petrus zijn verweer samen door te zeggen: "Wie was ik toch, die God konde weren (tegenhouden)?"

Evenmin concludeerden de ondervragers van Petrus, zoals sommigen beweren, dat er nu een nieuw programma van wereldevangelisatie zou worden gestart, want als zij dit hadden besloten, zouden we hen moeten beschuldigen van grote ongehoorzaamheid, wegens niet onmiddelijk beginnen om dit uit te voeren. Maar noch Petrus, noch zij, hadden enige openbaring ontvangen over een nieuw programma. Petrus was alleen gezonden naar één heidens huisgezin, en hij en zijn broeders verheugden zich gezamenlijk, dat God nu klaarblijkelijk bekering ten leven geschonken had aan de heidenen.

Dit alles benadrukt opnieuw het feit, dat deze speciale gebeurtenis bedoeld was door God, om erkenning van Paulus' opvolgende bediening onder de heidenen, zeker te doen stellen door de gemeente te Jeruzalem. We zullen zien hoe dit het geval blijkt te zijn, als we het verslag van het grote convent te Jeruzalem beschouwen in Hand.15.

De reden waarom God de apostelen der besnijdenis niet leerde om de bediening aan de heidenen voort te zetten was duidelijk. Omdat Paulus spoedig zou beginnen te werken onder de heidenen, besloot God Zijn handelen met Israel nog niet direct. De apostelen der besnijdenis moesten enige tijd doorgaan met werken onder het uitverkoren volk, zodat God kon zeggen, toen Hij hen tenslotte terzijde stelde:

"De gehele dag heb ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend volk" (Rom.10:21).

Vers 18 van de passage die we beschouwen bewijst zeker, dat de apostelen en broeders te Jeruzalem niet vooringenomen waren ten opzichte van redding van de heidenen, want toen Petrus zijn ervaring had meegedeeld, "waren zij niet alleen tevreden", maar "verheerlijkten God wegens het schenken van redding aan de heidenen."

 DE DOOP VAN DE HEIDENEN MET DE GEEST

Een onderdeel in Petrus' prediking verdient speciale aandacht. Het is datgene wat betreft de doop van deze heidenen met, of in, de Heilige Geest.

Sommigen beweren, dat hun spreken in tongen (10:46) bewijst, dat hun bekering, strikt genomen, een zaak van het koninkrijk was, en op geen enkele manier verbonden met de tegenwoordige bedeling van het Lichaam van Christus.

Ter ondersteuning van dit standpunt worden Petrus' woorden aangehaald:

"En ik werd gedachtig aan het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met de Heilige Geest.

"Indien dan God hun evengelijke gave gegeven heeft als ook aan ons, die in de Here Jezus Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?" (11:16,17).

Maar aan de Corinthiërs, die onder Paulus' bediening bekeerd waren, en tot leden van het Lichaam van Christus geroepen waren (1Cor.12:12,13,27), werden eveneens "evengelijke gave", en het vrijmoedig spreken in tongen gegeven. Hie waren toen leden van het Lichaam, die in tongen spraken.

Wat wij hier moeten bedenken is, dat deze gave van wonderen doen door de doop met de Geest, de enige manier was waarop Petrus, nog steeds onbekend met het geheimenis, kon vertellen dat deze heidenen aangenomen waren, los van besnijdenis en doop.

Dit is de reden waarom ook aan de heidenen onder de bediening van Paulus wonderkrachten gegeven werden, omdat God nog steeds doorging om met Israel te handelen als volk. Op deze wijze werd aan de Joden, zowel aan gelovige als aan ongelovige, duidelijkheid gegeven, dat dit inderdaad werk van God was.

Als we doorgaan met onze studie in Handelingen, zullen we vele aanwijzingen vinden van een overlappen van de twee bedelingen, want omdat God met Paulus' bekering, de bedeling van genade begon in te voegen, werd het nieuwe programma geleidelijk geopenbaard, en in de tussentijd moesten de tekenen doorgaan, om te bewijzen aan Israel en de Joodse gelovigen, dat de nieuwe bedeling het doel van God was.


  [ii].*/Voetnoot: Hoewel de ware gelovige in die tijd moest "bekeren en gedoopt worden tot vergeving van zonden", overeenkomstig de goddelijke instructies (Mark.16:16; Hand.2:38).

 

[iii].*/voetnoot: Omdat het Griekse woord diakrino meestal betekent proberen of beoordelen, vertaalt de Revised Version hiervoor diakrinomenon: "geen verschil maken" (i.c., tussen hemzelf en deze heidenen). Diakrino, echter mag ook betekenen twijfelen, aarzelen, wankelen, en dit schijnt hier de gedachte te zijn. Het is zo tenminste in Jac.1:6, waar de Revised Version het zelfde woord diakrinomenos weergeeft als: "zonder twijfel".

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011