H
O O F D S T U K XVIII - H A N
D.10:30-11:18
DE
BEKERING VAN CORNELIUS
EN
ZIJN HUISGEZIN
CORNELIUS
VERTELT ZIJN VERHAAL
"En
Cornelius zeide; Over vier dagen was ik vastende tot deze ure toe, en ter
negender ure bad ik in mijn huis. "En zie, een man stond voor mij in een
blinkend kleed, en zeide: Cornelius, uw gebed is verhoord en uw aalmoezen zijn
voor God gedacht geworden. "Zend dan naar Joppe, en ontbied Simon, die
toegenaamd wordt Petrus; deze ligt tehuis in het huis van Simon, de
lederbereider, aan de zee; welke hier gekomen zijnde, tot u spreken zal.
"Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt wel gedaan dat
gij gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu hier tegenwoordig voor God, om te horen
al hetgeen u van God bevolen is. "En Petrus de mond opendoende, zeide: Ik
verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; "Maar in
alle volken is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam." -
(Hand.10:30-35).
Cornelius
deelt nu Petrus en zijn gezelschap, de omstandigheden en details van zijn
visioen mede.
Vier
dagen tevoren had hij gevast "tot deze ure" i.c. hetzelfde uur van de
dag, waarop hij toen sprak; niet "dit uur" van de vierde dag, zoals
sommigen verondersteld hebben. "Dit uur" was klaarblijkelijk "het
negende uur", want het was toen, dat de engel hem was verschenen (V.30). Nu
was het negende uur, ofwel drie uur in de middag, Israels avond "uur van
gebed" (Hand.3:1), en het is betekenend, dat dit het moment was, dat de
engel verscheen, die hem vertelde dat zijn gebed was gehoord, en dat zijn
aalmoezen tot gedachtenis gekomen waren voor God.
We
hebben reeds door de Schriften bewezen, dat op dat ogenblik Cornelius nog niet
"gered" was (11:14), dat hij nog geen "vergeving van zonden"
(10:43), of eeuwig "leven" (11:18) ontvangen had, maar zijn gebeden en
werken wijzen op een verlangen om de ware God te kennen, en nu openbaart God
hem, op het uur van Israels gebedstijd, dat Hij op dat verlangen gaat reageren.
De diepe ernst van Cornelius' verlangen om God te kennen en
Zijn wil te doen, wordt uitgedrukt in zijn woorden: "Wij zijn dan allen
nu hier tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen
is."
GOD
GEEN AANNEMER DES PERSOONS
En
nu geeft Petrus een belangrijke verklaring: "Ik verneem in der waarheid,
dat God geen aannemer des persoons is" (V.34)
Let
wel, dit is dezelfde persoon aan wie enige jaren tevoren opgedragen was:
"Ga niet op de weg der heidenen" (Matt.10:5); die zijn Meester
had horen zeggen: "Ik ben niet gezonden dan tot de verloren schapen van
het huis Israels" (Matt.15:24), en "Laat eerst de kinderen
verzadigd worden" (Mark.7:27). Dit is degene die later gezonden werd,
met de andere apostelen, om bekering en vergeving van zonden te prediken aan
alle volkeren, "te beginnen bij Jeruzalem" (Luk.24:47), die
zelf had geroepen tot het huis van Israel: "Gijlieden zijt de
kinderen...van het verbond...EERST TOT U..." etc.(Hand.3:25,26). Maar
nu zegt hij: "Doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of
onrein heten" (Hand.10:28), en "Ik verneem in der waarheid, dat
God geen aannemer des persoons is" (v.34). Petrus wist niet dat een
nieuw programma zou worden ingevoegd. Hij wist niet, dat God allen in
ongeloof zou besluiten, opdat Hij allen barmhartig zou kunnen zijn. Hij
verkondigde niet het evangelie van Gods genade aan Cornelius en zijn huisgezin.
Maar hij wist wel dat God, in overeenstemming met Zijn eigen souvereine
wil, hem had geinstrueerd om naar deze heidenen te gaan, niet twijfelende, en
had daarvan geleerd, dat God inderdaad geen aannemer des persoons was.
Is
het niet treffend, dat dit moest plaats vinden direct na de bekering van Saulus,
want het was Saulus, die nu uitgezonden werd als de apostel van genade, tot de
hele wereld. En dit dient te worden erkent door die apostelen, die gezonden waren
om het evangelie van het koninkrijk aan de hele wereld te verkondigen, te
beginnen met Jeruzalem.
Het
is in de brieven van Paulus, dat we leren waarom God, Die "geen aannemer
des persoons" is, ooit een verschil bracht tussen Joden en heidenen. Hij maakte
een verschil tussen hen, eenvoudig om aan te tonen dat er geen verschil is.
Hij maakte een bedelingenverschil, om aan te tonen dat er geen essentieel
verschil is. Hij richtte een "middelmuur des afscheidsels" tussen
hen op, om aan te tonen, dat die muur afgebroken moet worden; dat de ene niet
beter is dan de andere.
Maar
laten we doorgaan met de verklaring van Petrus: "Ik
verneem in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is. "MAAR IN
ALLEN VOLKE IS DIE HEM VREEST EN GERECHTIGHEID WERKT,HEM AANGENAAM"
(Hand.10:34,35).
We
hebben gezien, dat deze passage niet betekent, dat Cornelius reeds gered was.
Deze woorden moeten worden gezien in het licht van V.28, en de overige contekst.
Cornelius werd eenvoudig geaccepteerd in die zin, dat hij niet langer werd
gezien als "onrein". Het antwoord op zijn gebed op Israels
gebedsuur toonde aan, dat God hem had aangenomen in dezelfde zin, als Hij deed
met Zijn verbondsvolk Israel. Dit bedoelt niet dat hij was gered, net zo min als
het aantoonde dat alle Israelieten gered waren, want we herinneren ons, dat
besnijdenis op zich, niet redde.
Het
geval van Cornelius dient te worden beschouwd in het licht van twee belangrijke
passages uit de geschriften van Paulus "Want
die tot God komt, MOET GELOVEN, DAT HIJ IS, EN EEN BELONER IS DERGENEN DIE HEM
ZOEKEN" (Hebr.11:6). "Want de besnijdenis is wel nut, indien gij de
wet doet; maar indien gij een overtreder der wet zijt, zo is uw besnijdenis
voorhuid geworden. "INDIEN DAN DE VOORHUID DE RECHTEN DER WET BEWAART, ZAL
NIET ZIJN VOORHUID TOT EEN BESNIJDENIS GEREKEND WORDEN?" (Rom.2:25,26).
Cornelius
geloofde zeker, dat Israels God de ware God was.*/[i]
Hij zocht Hem ijverig, zoals bleek uit zijn gebeden, vroomheid, en
werken. Daarop beantwoordde God zijn verlangen en openbaarde zich aan hem.
De
werken van Cornelius namen niet de plaats in van Christus, maar van Mozes
(10:35,36). Veronderstel dat Cornelius, na te hebben gehoord van Christus,
gekozen had om te blijven in zijn eigen werken. Hij zou natuurlijk verloren
geweest zijn, want gehoorzaamheid aan de zedelijke wet op zich, is altijd net zo
onmogelijk geweest tot redding, als besnijdenis en offeringen. Getuige de
gevallen van Nicodemus, de rijke jongeling, en Saulus van Tarsen.
Zo
werd Cornelius aangenomen, niet als gered, maar tot redding
(11:14). En nu begint Petrus hem die woorden te vertellen, waardoor hij en zijn
gehele huis gered kunnen worden.
DE
PREDIKING VAN PETRUS ONDERBROKEN
"Dit
is het Woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels, verkondigende vrede
door Jezus Christus; Deze is een Here van allen. "Gijlieden weet de zaak
die geschied is door geheel Judea, beginnende van Galilea, na de doop, welke
Johannes gepredikt heeft, "Belangende Jezus van Nazareth, hoe God Hem
gezalfd heeft met de Heilige Geest en met kracht; Welke het land doorgegaan is,
goeddoende, en genezende allen die van de duivel overweldigd waren; want God was
met Hem.
"En
wij zijn getuigen van al hetgeen Hij gedaan heeft, beide in het Joodse land en
te Jeruzalem; Welken zij gedood hebben, Hem hangende aan een hout. "Dezen
heeft God opgewekt ten derde dage, en gegeven, dat Hij openbaar zou worden,
"Niet al den volke, maar den getuigen, die van God tevoren verkoren waren,
ons namelijk die met Hem gegeten en gedronken hebben, nadat Hij uit de doden
opgestaan was; "En heeft ons geboden den volke te prediken en te betuigen,
dat Hij is Degene Die van God verordineerd is tot een Rechter van levenden en
doden. "Dezen geven getuigenis al de profeten, dat een iegelijk die in Hem
gelooft, vergeving der zonden ontvangen zal door Zijn Naam.
"Als
Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord
hoorden.
"En
de gelovigen die uit de besnijdenis waren, zovelen als er met Petrus waren
gekomen, ontzetten zich,
*/Voetnoot:
Hoewel dit hem niet redde (Jes.2:19). Het was eigenlijk een eerste vereiste tot
redding (Heb.11:6).
dat
de gave des Heiligen Geestes ook op de heidenen uitgestort werd; "Want zij
hoorden hen spreken met vreemde talen, en God grootmaken. Toen antwoordde
Petrus: "Kan ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden
worden, welke de Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij? "En hij
beval, dat zij zouden gedoopt worden in de Naam des Heren. Toen baden zij hem,
dat hij enige dagen bij hen wilde blijven." - (Hand.10:36-48).
De
verbinding tussen profetie en het geheimenis wordt duidelijk gezien in Petrus'
prediking en Gods onderbreking ervan in het huis van Cornelius.
Dat
Petrus Gods lang verborgen gehouden plan met betrekking tot de opgestane,
verheerlijkte Christus, niet kende, is zeker. Zelfs Paulus was pas begonnen
om hierover te leren, want het werd geleidelijk aan hem bekend
gemaakt, vanaf de tijd van zijn bekering (Hand.22:14; 26:16; 2Cor.12:1,7). De
boodschap van Petrus aan deze vergadering van heidenen, was strikt in
overeenstemming met het profetische Woord en met de grote opdracht, die de Here
hem had bevolen uit te dragen.
Hij
begon met "het Woord, dat Hij gezonden heeft den kinderen Israels...na
de doop, welken Johannes gepredikt heeft" (V.36,37).
Petrus
benadrukt hier het feit dat zo dikwijls over het hoofd wordt gezien: dat
Johannes werkelijk het dopen predikte (Mark.1:4; Luk.3:3), en dat hij dit
deed in verband met de verschijning van Christus aan Israel (Cf.Joh.1:31).
Daarna ging hij verder met de geschiedenis van de aardse bediening van de Here "in
het Joodse land, en te Jeruzalem" (V.38,39), en vertelde tenslotte, hoe
zij Hem sloegen, en Hem aan een hout hingen, maar hoe God Hem weer opwekte uit
de dood, en hoe hij de elven beval Hem te prediken als Gods verordineerde
Rechter van levenden en doden (V.39-42).
Dit
alles is natuurlijk strikt in de lijn van profetie en vormt een treffend
contrast met Paulus' evangelie van Gods genade, want waar Petrus begon met
Christus' aardse bediening, en voortging tot Zijn dood, opstanding en aanwijzing
als Rechter van levenden en doden, begon later de Apostel Paulus met de dood en
opstanding van Christus als blijde boodschap tot redding, en ging voort
naar Zijn verheerlijking aan Gods rechterhand, als de Bedelende Schenker van
genade, en Hoofd van het Lichaam. In werkelijkheid bood Petrus, toen hij het
feit van de dood van onze Here vermelde, dit zelfs niet aan als het middel tot
redding, zoals Paulus later deed in "de prediking van het kruis"
Ook
overeenkomstig de profetie en de "grote opdracht" echter, zou redding
er zijn door geloof in de persoon van Christus.*/[ii]
Zo ging Petrus dus voort met te zeggen: "DEZEN
GEVEN GETUIGENIS AL DE PROFETEN, DAT EEN IEGELIJK DIE IN HEM GELOOFT, VERGEVING
DER ZONDEN ONTVANGEN ZAL DOOR ZIJN NAAM" (V.43).
Nu
valt deze verklaring, hoewel volledig in harmonie met het profetisch programma,
op hetzelfde ogenblik samen met het geheimenis, dat verborgen gehouden is, tot
het werd geopenbaard door Paulus, want in beide was het geloof in
Christus de basis.
En
hier wordt Petrus door God geinterrumpeerd. "Als Petrus nog deze woorden
sprak, viel de Heilige Geest op allen die het Woord hoorden" (V.44).
De
meeste Bijbelleraars hebben geleerd, dat Petrus het eerst de "sleutels van
het koninkrijk" gebruikte bij Israel, met Pinksteren, en dan bij de
heidenen in het huis van Cornelius. Dit wordt echter niet door de Schriften
bevestigd, en kan dat ook niet. Petrus opende niet de deur voor deze heidenen.
God nam deze zaak uit zijn handen, onderbrak zijn prediking, en opende Zelf de
deur, terwijl "de gelovigen uit de besnijdenis" in verbazing toezagen.
Het
is een eerlijke zaak, te vragen hoe Petrus zijn prediking zou hebben beeeindigd
als hij niet onderbroken was geworden, want de Schrift geeft een klaar antwoord
in deze zaak.
Veronderstel
dat Petrus zijn prediking had voortgezet, en dat zijn toehoorders, net als op
Pinksteren, overtuigd waren geworden en gevraagd hadden: "Wat moeten wij
doen?" Wat zou Petrus dan geantwoord hebben? Hier is maar één
antwoord. Hij was niet, zoals Paulus, gezonden om te prediken, geloof in
Christus zonder werken, tot redding. Zij die geloofden onder zijn
bediening, ook onder de heidenen, moesten worden "gedoopt tot vergeving
van zonden" (Cf.Hand.2:38 met Mark.16:15,16). Maar voordat Petrus
hiertoe was gekomen, en juist nadat hij de noodzaak van geloof in Christus tot
redding had verklaard, onderbrak God zijn prediking, en nam hem de zaak uit
handen. Zo verdedigde Petrus zich later voor de apostelen, zeggende: "Wie
was ik toch, die God konde weren?" (Hand.11:17).
Omdat
Petrus, zoals wij zien, het verborgen doel dat God achterhield, niet kende,
vinden we hier, nog duidelijker, verdere aanwijzingen van het verlaten van het
programma der profetie en van de "grote opdracht", betekenisvol na de
bekering van Saulus.
Wij
hebben reeds aangetoond, dat Petrus tot deze heidenen gezonden werd, niet
krachtens de "grote opdracht", maar door een speciale opdracht,
niet omdat Israel nu de Messias had aangenomen, maar ondanks het feit dat Israel
doorging met Hem hardnekkig af te wijzen. En nu zijn Cornelius en zijn huisgezin
gered, en ontvangen de Geest; opnieuw, niet omdat Israel eerst gered was;
niet als de volgende stap in het programma der profetie en de "grote
opdracht", maar door goddelijke interventie, door goddelijke genade. Deze
heidenen werden gered, en ontvingen de Geest, zonder tevoren te zijn gedoopt, -
nog een duidelijke afwijking van de "grote opdracht" -. Maar God Zelf
had het gedaan, en om Zijn eigen goede redenen, die later zouden worden
geopenbaard door de Apostel Paulus. Degenen
uit de besnijdenis waren uiteraard verbaasd, dat deze heidenen de gave van de
Heilige Geest hadden ontvangen, maar dit temeer, daar dit had plaats gegrepen
voordat zij eerst gedoopt waren. Dit was zeer zeker een afwijken van datgene wat
Petrus had gepredikt op Pinksteren (Hand.2:38). Vandaar Petrus' antwoord:
"Kan
ook iemand het water weren, dat dezen niet gedoopt zouden worden, welke de
Heilige Geest ontvangen hebben gelijk als ook wij?" (V.47).
Hier
zien we nog een afwijking van het programma van de "grote opdracht",
die we nauwkeurig dienen op te merken. Heidenen, van hier af, en gedurende een
poos tijdens de bediening van Paulus, werden gedoopt, omdat God Israel en het
programma van het koninkrijk nog niet volledig en officieel terzijde gesteld
had. Maar waterdoop was nimmer vereist voor heidenen tot redding, zoals het zou
geweest zijn onder de "grote opdracht" (Mark.16:16-18; Hand.2:38). Zo
kon Paulus, hen die gered werden onder zijn bediening, uitdagen met: "Hebt
gij de Geest ontvangen uit de werken der wet, of uit de prediking des geloofs?
(Gal.3:2).
Voor
wat betreft de Schriften, dienden de twaalven de heidenen niet weer. Zo werd de
bediening van Petrus, het hoofd van de twaalven, zoals het geschiedde aan dit
ene heidense huisgezin, na de steniging van Stefanus, en de bekering van Saulus,
door God bestemd, als oorzaak om Petrus, en de kerk te Jeruzalem, openlijke
erkenning en ruggesteun te geven. Dit met het oog op de daarop volgende
bediening van Paulus onder de heidenen, zoals de zaak later werd voorgebracht
(Zie Hand.15:7-11,22-29).
PETRUS
TER VERANTWOORDING GEROEPEN
"De apostelen nu, en de broeders, die in Judea waren, hebben
gehoord, dat ook de heidenen het Woord Gods aangenomen hadden. "En toen
Petrus opgegaan was naar Jeruzalem, twistten tegen hem degenen die uit de
besnijdenis waren. "Zeggende: Gij zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid
hebben, en hebt met hen gegeten. "Maar Petrus beginnende verhaalde het hun
vervolgens, zeggende:
"Ik
was in de stad Joppe, biddende; en zag in een vertrekking van zinnen een
gezicht, namelijk een zeker vat, gelijk een groot linnen laken, nederdalende,
bij de vier hoeken nedergelaten uit de hemel, en het kwam tot bij mij; "Op
welk laken als ik de ogen hield, zo merkte ik en zag de viervoetige dieren der
aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels. "En ik
hoorde een stem, die tot mij zeide: Sta op, Petrus, slacht en eet. "Maar ik
zeide: Geenszins, Here, want nooit is iets, dat gemeen of onrein was, in mijn
mond ingegaan. "Doch de stem antwoordde mij ten twede male uit de hemel:
Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken. "En dit geschiedde
tot driemaal; en alles werd wederom opgetrokken in de hemel. "En zie, ter
zelver ure stonden er drie mannen voor het huis waar ik in was, die van Cesarea
tot mij afgezonden waren. "En de Geest zeide tot mij, dat ik met hen gaan
zou, niet twijfelende. En met mij gingen ook deze zes broeders, en wij zijn in
des mans huis ingegaan. "En hij heeft ons verhaald, hoe hij een engel
gezien had, die in zijn huis stond en tot hem zeide: Zend mannen naar Joppe, en
ontbied Simon, die toegenaamd is Petrus. "Die woorden tot u zal spreken,
door welke gij zult zalig worden, en al uw huis. "En als ik begon te
spreken, viel de Heilige Geest op hen, gelijk ook op ons in het begin. "En
ik werd gedachtig aan het woord des Heren, hoe Hij zeide; Johannes doopte wel
met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met de Heilige Geest.
"Indien
dan God hun evengelijke gave gegeven heeft als ook ons, die in de Here Jezus
Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren? "En als zij
dit hoorden, waren zij tevreden en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan
God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!"
- (Hand.11:1-8).
DIE UIT DE BESNIJDENIS
STEMMEN
IN MET PETRUS
Sommigen,
die het moeilijk vonden te begrijpen hoe Petrus gezonden kon worden om redding
te brengen aan een heidens huisgezin, vóór Israel's bekering, zijn tot
de slotsom gekomen, dat Cornelius en zij die bij hem waren "proselieten van
de poort" (Jodengenoten) moeten geweest zijn, en hebben oude schrijvers
aangehaald, om te laten zien dat de Joden zulk soort mensen erkenden. Maar
terwijl de oude Hebreeën inderdaad zulken als Cornelius in deze categorie van
twede rangs proselieten zouden hebben geplaatst, zullen zij die alleen in de
Schriften kijken om de zaak op te lossen, direct zien, dat vanuit Gods
beschouwing, geen onbesneden man als proseliet, van welke soort ook, werd
beschouwd, maar eerder een inwoner van het rijk van Israel.
Zeker
beschouwden de gelovige Joden te Jeruzalem Cornelius en zijn huisgezin niet als
proselieten, want toen zij hoorden dat de "heidenen" het Woord
van God ontvingen, "twistten" zij met Petrus, zeggende: "Gij
zijt ingegaan tot mannen die de voorhuid hebben, en hebt met hen gegeten."
Het
verwondert niet, dat "die uit de besnijdenis" twistten met Petrus over
deze zaak, zelfs hoewel hij het hoofd was van de apostelen, want "die uit
de besnijdenis", die Petrus hadden vergezeld op zijn missie, waren zelf
verbaasd over wat had plaats gevonden (Hand.10:45), en Petrus zelf niet minder.
Hier
moeten we onze lezers er aan herinneren, dat het "een onwettige zaak"
voor Joodse gelovigen was geweest, om gemeenschap te genieten met heidenen,
onder de toen bestaande omstandigheden. Was geheel Israel gered geweest, en
"een koninkrijk van priesters en een heilige natie", dan
zou het evangelie van het koninkrijk als zodanig, wettig tot
heidenen zijn gezonden. Wij hebben zekerheid te over, dat de apostelen dit
begrepen, want onze Here had aangetoond, dat Hij werkte in overeenstemming met
het Abrahamitisch verbond (Gen.22:17,18), toen Hij zeide: "Laat eerst de
kinderen VERZADIGD worden" (Mark.7:27 cf.Matt.10:5,6; 15:24). En ook
toen Hij de apostelen tot alle volkeren zond, "te beginnen bij
Jeruzalem" (Luk.24:47; Hand.1:8). Inderdaad had Petrus kort tevoren het
Abrahamitisch verbond met het huis Israels aangehaald, toen hij verklaarde dat
God Zijn Zoon had opgewekt uit de dood, om eerst hen te redden van hun
ongerechtigheden (Hand.3:25,26).
Zij
die vasthouden dat de gelovigen in Jeruzalem met Petrus twistten omdat zij
bevooroordeeld waren tegen de heidenen, mogen wel vragen: Als deze Joodse
gelovigen niet bevooroordeeld waren tegen de heidenen, waarom vervolgden
zij dan niet de evangelisatie van de heidenen? Het antwoord is: omdat zij geen
orders hadden hun "grote opdracht" te herzien, noch enige openbaring
wat betreft de invoeging van een nieuw programma. Petrus' missie naar Cornelius
was een uniek geval, ontworpen door God voor een doel wat toen nog niet
geopenbaard was.
Een
passage uit J.N.Darby's Bijbel Synopsis, kan hierbij helpen:
"Het
geheimenis nu, was verborgen geweest in alle vorige tijden; en in feite was dit
ook noodzakelijk; want om de heidenen op hetzelfde voetstuk te plaatsen als de
Joden, zou het Judaisme hebben vernietigd, zoals God Zelf het had gevestigd. Hij
had daarin zorgvuldig een middelmuur van afscheiding geplaatst. Het was de taak
van de Joden, om deze scheiding te respecteren; hij zondigde als hij dit niet
strikt betrachtte. Het geheimenis zette dit opzij. De Oud-Testamentische
profeten, en Mozes zelf, hadden inderdaad getoond, dat de heidenen op een dag
zich zouden verheugen samen met het volk; maar het volk bleef een afgezonderd
volk. Dat zij mede-erfgenamen zouden zijn, en van hetzelfde lichaam, alle
verschil weggedaan, was inderdaad volledig verborgen in God..."(Handelingen
tot Philipenzen, Pp.431,432).
De
weerstand toen van de gelovigen uit de besnijdenis in Jeruzalem, was eenvoudig,
omdat Petrus afgeweken was van het geopenbaarde bevel en programma van God, want
hij zowel als zij, waren gezonden om een programma uit te voeren, in
overeenstemming met het Abrahamitisch verbond en de profetie.
HET
VERWEER VAN PETRUS
VOOR
ZIJN BROEDERS
Verder
dient te worden opgemerkt, dat Petrus in zijn verweer tot de broeders, niet er
op wees, dat hij enige openbaring ontvangen had vvor wat een nieuw programma
betreft dat zou worden ingevoegd. Zijn uitleg wijst er inderdaad wel op, dat hij
zelfs nieteens begreep wat God aan het doen was. Hij "herhaalde slechts
de zaak vanaf het begin, en zette alles ordelijk voor hen uiteen"; dat
is, hij de eenvoudige en ongesmukte feiten vermeldde, daarbij uitleggend hoe
hijzelf gezegd had: "Geenszins, Here", maar hoe de Here Zelf
deze afwijking van het geopenbaarde programma had gevorderd, hem had bevolen met
de heidense boodschappers mee te gaan, "niet twijfelende"*/[iii],
en zijn boodschap had geinterrumpeerd toen hij begon te spreken. "Bovendien"
voegde hij eraan toe: "deze zes broeders vergezelden mij".
Deze zes Joodse broeders waren mee naar binnen gegaan in het heidense huis, en
waren net zo verbaasd als hij over wat God daar gedaan had. Zo vat Petrus zijn
verweer samen door te zeggen: "Wie was ik toch, die God konde weren (tegenhouden)?"
Evenmin
concludeerden de ondervragers van Petrus, zoals sommigen beweren, dat er nu een
nieuw programma van wereldevangelisatie zou worden gestart, want als zij dit
hadden besloten, zouden we hen moeten beschuldigen van grote ongehoorzaamheid,
wegens niet onmiddelijk beginnen om dit uit te voeren. Maar noch Petrus, noch
zij, hadden enige openbaring ontvangen over een nieuw programma. Petrus was
alleen gezonden naar één heidens huisgezin, en hij en zijn broeders verheugden
zich gezamenlijk, dat God nu klaarblijkelijk bekering ten leven geschonken had
aan de heidenen.
Dit
alles benadrukt opnieuw het feit, dat deze speciale gebeurtenis bedoeld was door
God, om erkenning van Paulus' opvolgende bediening onder de heidenen, zeker te
doen stellen door de gemeente te Jeruzalem. We zullen zien hoe dit het geval
blijkt te zijn, als we het verslag van het grote convent te Jeruzalem beschouwen
in Hand.15.
De
reden waarom God de apostelen der besnijdenis niet leerde om de bediening aan de
heidenen voort te zetten was duidelijk. Omdat Paulus spoedig zou beginnen te
werken onder de heidenen, besloot God Zijn handelen met Israel nog niet direct.
De apostelen der besnijdenis moesten enige tijd doorgaan met werken onder het
uitverkoren volk, zodat God kon zeggen, toen Hij hen tenslotte terzijde stelde:
"De
gehele dag heb ik Mijn handen uitgestrekt tot een ongehoorzaam en tegensprekend
volk" (Rom.10:21).
Vers
18 van de passage die we beschouwen bewijst zeker, dat de apostelen en broeders
te Jeruzalem niet vooringenomen waren ten opzichte van redding van de heidenen,
want toen Petrus zijn ervaring had meegedeeld, "waren zij niet alleen
tevreden", maar "verheerlijkten God wegens het schenken van redding
aan de heidenen."
DE
DOOP VAN DE HEIDENEN
MET DE GEEST
Een
onderdeel in Petrus' prediking verdient speciale aandacht. Het is datgene wat
betreft de doop van deze heidenen met, of in, de Heilige Geest.
Sommigen
beweren, dat hun spreken in tongen (10:46) bewijst, dat hun bekering, strikt
genomen, een zaak van het koninkrijk was, en op geen enkele manier verbonden met
de tegenwoordige bedeling van het Lichaam van Christus.
Ter
ondersteuning van dit standpunt worden Petrus' woorden aangehaald:
"En
ik werd gedachtig aan het woord des Heren, hoe Hij zeide: Johannes doopte wel
met water, maar gijlieden zult gedoopt worden met de Heilige Geest.
"Indien
dan God hun evengelijke gave gegeven heeft als ook aan ons, die in de Here Jezus
Christus geloofd hebben, wie was ik toch, die God konde weren?"
(11:16,17).
Maar
aan de Corinthiërs, die onder Paulus' bediening bekeerd waren, en tot
leden van het Lichaam van Christus geroepen waren (1Cor.12:12,13,27),
werden eveneens "evengelijke gave", en het vrijmoedig spreken
in tongen gegeven. Hie waren toen leden van het Lichaam, die in tongen spraken.
Wat
wij hier moeten bedenken is, dat deze gave van wonderen doen door de doop met de
Geest, de enige manier was waarop Petrus, nog steeds onbekend met het
geheimenis, kon vertellen dat deze heidenen aangenomen waren, los van
besnijdenis en doop.
Dit
is de reden waarom ook aan de heidenen onder de bediening van Paulus
wonderkrachten gegeven werden, omdat God nog steeds doorging om met Israel te
handelen als volk. Op deze wijze werd aan de Joden, zowel aan gelovige als aan
ongelovige, duidelijkheid gegeven, dat dit inderdaad werk van God was.
Als
we doorgaan met onze studie in Handelingen, zullen we vele aanwijzingen vinden
van een overlappen van de twee bedelingen, want omdat God met Paulus' bekering,
de bedeling van genade begon in te voegen, werd het nieuwe programma
geleidelijk geopenbaard, en in de tussentijd moesten de tekenen doorgaan, om te
bewijzen aan Israel en de Joodse gelovigen, dat de nieuwe bedeling het doel
van God was.
[ii].*/Voetnoot: Hoewel de ware
gelovige in die tijd moest "bekeren en gedoopt worden tot vergeving van
zonden", overeenkomstig de goddelijke instructies (Mark.16:16;
Hand.2:38).
[iii].*/voetnoot: Omdat het Griekse
woord diakrino meestal betekent proberen of beoordelen,
vertaalt de Revised Version hiervoor diakrinomenon: "geen
verschil maken" (i.c., tussen hemzelf en deze heidenen). Diakrino,
echter mag ook betekenen twijfelen, aarzelen, wankelen, en dit
schijnt hier de gedachte te zijn. Het is zo tenminste in Jac.1:6, waar de Revised
Version het zelfde woord diakrinomenos weergeeft als: "zonder
twijfel".
|