De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XVII - HAND.10:1-29

PETRUS GEZONDEN NAAR EEN HEIDENS HUISHOUDEN

VISIOEN VAN CORNELIUS

  "En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaanse,   "Godzalig en vrezende God, met heel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.   "Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! "En hij de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het, Here? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God. "En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die toegenaamd wordt Petrus. "Deze ligt te huis bij enen Simon, lederbereider, die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doen moet. "En als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn huisknechten, en een godzalige krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem waren; "En als hij hun alles verhaald had, zond hij hen naar Joppe."     - (Hand.10:1-8).

        EEN VERBINDENDE SCHAKEL

De geschiedenis van Cornelius, hoogst interessant, en opbouwend voor de Bijbelstudent, is niettemin een van de moeilijkste in het boek Handelingen, om te begrijpen. Veel van de details schijnen op zijn minst paradoxaal, Dit komt ongetwijfeld, omdat het de verbindende schakel is tussen de bedieningen van Petrus en Paulus.

ACHTERGROND EN KARAKTER VAN CORNELIUS

Cornelius was een Romein. Zijn naam is Latijns, en we lezen, dat hij een hoofdmaan over honderd was van de Italiaanse Bende (bestaande uit dienstplichtigen of vrijwilligers uit Italiכ). Hij kan wel een lid geweest zijn van het grote Cornelia Gens (Huis van Cornelia), een van de voornaamste huizen van Rome, want Julius de Afvallige noemt hem als een van de weinige voorname mannen (onder de Romeinen) die volgeling van Christus werd.

Het eerste wat we van Cornelius lezen is, dat hij "godzalig" (vroom) was en "vrezende God" (V.2). Dit is niet gemeend in enige bijgelovige zin, want we worden verder geinformeerd, dat hij was "doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende", dat hij was "een rechtvaardig man" en "die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden", en dat hij "vastte" in zijn verlangen om de waarheid te kennen (V.2,22,30).

In het licht hiervan is het niet vreemd dat "geheel zijn huis" (huishouden, ongetwijfeld met inbegrip van zijn dienaren) met hem Godvrezend was. Inderdaad lezen we, dat een "soldaat...die gedurig bij hem was" ook "godzalig" was (V.2,7) en besluiten in het licht van het voorgaande, dat deze soldaat, of godvrezend werd onder invloed van Cornelius, of was gekozen door Cornelius, omdat hij godvrezend was. In beide gevallen hebben we nog een blijk van het bestaan van Cornelius' vroomheid.

CORNELIUS' GEESTELIJKE STAND

Betekent dit, dat Cornelius reeds gered was; dat hij de vergeving van zonden had ontvangen, en eeuwig leven bezat? Dat geloven wij niet, om de volgende redenen:

Het was in antwoord op zijn gebeden, dat hem werd aangewezen om te zenden om Petrus, dat die hem de weg tot redding zou tonen (V.4-6; 11:14).

2. De verklaring: "deze zal zeggen wat gij doen moet" (V.6)*/[i] is analoog met "Wat zullen wij doen?" van Hand.2:37, en het "Wat moet ik doen?" van Hand.16:30. In ieder geval werd aan de vraagstellers verteld, hoe redding plaats vindt.

3. Cornelius werd beloofd: "Hij (Petrus) zal woorden tot u spreken, door welke gij zult ZALIG (GERED) worden, en al uw huis (11:14).

4. Petrus onderwees Cornelius en zijn huis omtrent de "vergeving van zonden" (10:43).

5. Toen Petrus de gebeurtenis aan zijn broeders te Jeruzalem verhaald had, riepen zij uit: "Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven" (11:18).

Het is niet waar, zoals sommigen hebben verondersteld, dat Cornelius een proseliet was, tenminste in de zin van de Schriftuurlijke betekenis van het woord. Veel is er geschreven in commentaren over "proselieten der rechtvaardigheid", en "proselieten van de voorhof", en over 't algemeen wordt Cornelius beschouwd als een van de laatsten, maar de Schrift weet slechts van ייn soort proselieten - iemand onderworpen aan besnijdenis en de wet (Jes.56:6,7,cf.Hand.15:1). Was Cornelius een proseliet geweest in de Schriftuurlijke zin, dan zou er niets merkwaardigs in de bediening van Petrus ten opzichte van hem geweest zijn, want hij had op Pinksteren tot vele proselieten gesproken (Hand.2:10).

Wat de Schrift betreft, was Cornelius geen proseliet. Petrus noemt hem "een vreemde" (10;28). En niet alleen Petrus, maar zijn zes metgezellen, de schrijver van Handelingen, en "de apostelen en broeders in Judea", beschouwden hem allen als "Heiden" (10;45; 11:1). Hij werd aangezien als "onrein" (10:28). De Joden hadden het als "onwettig" beschouwd om met zulke mensen omgang te hebben (10:28). En toen Petrus naar hem toe ging, werd hij opgeroepen om rekenschap af te leggen wegens omgang en samen eten met "onbesneden mensen" (11:3).

Wat wordt dan bedoeld met de verklaring van Petrus: "Ik vermeen in der waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; maar in allen volke is die Hem vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam." ? (10:34,35).

Wij geloven, dat het betekent dat dezen werden aangenomen in die zin, dat zij niet waren "afgesneden" van Gods gunst vanwege hun onbesnedenheid (Zie Gen.17:14). Petrus zag alleen de Joden als aangenomen, en de heidenen als onrein, maar God ging nu demonstreren dat Hij geen aanziener was van personen. Cornelius werd dus "aangenomen", in dezelfde zin werden al zulke heidenen nu "gereinigd" i.c. niet langer godsdienstig als onrein beschouwd (10:15,28,cf.Rom.2:25,26). Zo moet het zijn geweest, dat Cornelius werd "aangenomen", want nimmer, in welke tijd ook, heeft alleen eerbied voor God, nog minder werken, of karakter, eeuwig leven bewerkt. Verder wordt uit het verslag duidelijk, dat hij niet werd "gered", en dat hij niet "het leven" had, of "de vergeving van zonden" (Hand.10:43; 11:14,18). Zo was hij dus niet aangenomen in dezelfde zin waarin wij nu "begenadigd (aangenomen) zijn in de Geliefde" (Eph.1:6).

GODS ANTWOORD OP DE SMEKING VAN CORNELIUS

Wij ontkennen niet dat God in het hart van Cornelius had gewerkt, noch dat wij twijfelen of zijn vele gebeden aantonen, dat hij werkelijk verlangend was om de Here te kennen. Het is ontroerend hem te horen uitleggen aan Petrus, hoe hij aanmerkelijke tijd heeft besteed in vasten (10:30), en in het leren, dat in antwoord op zijn ernstig verlangen, God hem erop had gewezen om Petrus te laten roepen, die hem woorden zou zeggen, waardoor hij en zijn huis gered zouden worden (11:13,14).

   De opdracht kwam door een visioen, waarin hij zag "klaarlijk, omtrent de negende ure des daags, een engel Gods" (10:3), die hem verzekerde, dat zijn gebeden en aalmoezen niet waren voorbijgegaan aan God*/[ii], en dat hij Petrus zou zenden om hem te vertellen, wat hij moest doen.

 _______  

*/ Voetnoot: Hoewel deze uitdrukking niet in alle teksten wordt aangetroffen. **/ voetnoot: Dit toont aan, dat (1) omdat zijn gebeden en werken op zich niet kunnen redden, (2) toch wanneer deze een waar verlangen tot uitdrukking brengen om God te leren kennen, God dit verlangen zal beantwoorden.               

Het is eveneens ontroerend, om te zien, dat zodra de engel Cornelius had verlaten, hij twee dienaren en een godvrezend soldaat riep, hen vertelde wat was gebeurd, en hen direkt regelrecht naar Joppe zond om Petrus in te lichten.

            HET VISIOEN VAN PETRUS

    "En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stad kwamen, klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure."En hij werd hongerig en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een vertrekkking van zinnen. "En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en neergelaten op de aarde. "In hetwelk waren al de viervoetige dieren der aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels."En er geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet. "Maar Petrus zeide: Geenszins Here, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was. "En een stem geschiedde wederom ten twede male tot hem: Hetgeen God gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.."En dit geschiedde tot driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel."   - (Hand.10:9-16).

                    PETRUS' HONGER

Toen de boodschappers van Cornelius nabij Joppe kwamen, bereidde God Petrus op een merkwaardige manier voor.

Het was omstreeks middag toen Petrus naar het dak ging om te bidden. Toen hij erg hongerig werd, wilde hij eten, maar het maal wat voor hem werd toebereid, was nog niet klaar. Toen geschiedde het, dat hij in trance geraakte, en een visioen zag van het laken, en toestemming verkreeg om het onreine voedsel te eten dat erin was.

Wat het visioen betreft worden we niet in twijfel gebracht over de betekenis hiervan. De onreine schepselen stellen de heidenen voor. De Joden, Gods "bijzonder kleinood", hadden de heidenen lang beschouwd als "gemeen", en "onrein". De Mozaische wet had een "middelmuur der afscheiding" tussen hen geplaatst, en de enige weg waarop een heiden echt aanneming onder het volk van Israel kon vinden was, door onderwerping aan de besnijdenis en de Wet, als proselieten van Judaisme (Jes.56:6,7). Maar dit zou nu worden veranderd, en Godvrezende heidenen zouden als zodanig worden ontvangen.

In de uitleg van de ervaring van Petrus op het dak echter, wordt een belangrijk detail meestal over het hoofd gezien. Het is Petrus' honger. Dit is van evengrote betekenis, als de toestemming om te "slachten en te eten".

De honger van Petrus herinnert ons aan een soortgelijk geval, dat onze Here Zelf honger had, toen Hij Jeruzalem introk. Bij die gelegenheid zag Hij een vijgeboom met alleen maar bladeren aan de takken, en vervloekte de boom, zodat deze verdorde (Matt.21:18-20).

De hele geschiedenis is uiteraard symbolisch. De vijgeboom is een bekend symbool van het volk Israel en, net als Johannes vףףr Hem, had de Here gezwoegd en gehongerd naar vruchten onder het uitverkoren volk (Matt.3:8; Luk.8:14,15; etc.). De vervloeking van de verdorde boom, sprak van de vloek die gevallen was op Israel vanwege haar weigering om zich te bekeren tot Christus.

De honger des harten voor vruchten in Israel, wordt eveneens vermeld in Luk.13, waar de Here de vijgeboom gebruikt in een van Zijn gelijkenissen (v.6-9). Hier wordt tevergeefs vrucht gezocht gedurende drie jaren (klaarblijkelijk bedoelende de drie jaren van de aardse bediening van onze Here). In deze gelijkenis echter vinden we, dat de vloek en het omhakken van de vijgeboom niet onmiddelijk plaats greep, want door de tussenkomst van "de wijngaardenier", werd de boom "nog een jaar" met rust gelaten en dan, toen zij nog geen vrucht droeg, omgehouwen. Dit wijst er duidelijk op, dat het oordeel over Israel werd uitgesteld, en nog ontferming toegepast.

En zo was het ook. Het oordeel werd uitgesteld; barmhartigheid werd verlengd, door de tussenkomst van onze Here aan het kruis (Luk.23:34). Nog werd aan Israel een kans gegeven om vrucht te dragen, toen Petrus en de Pinkstergelovigen probeerden hun volk aan de voeten van de Messias te brengen.

En nu is ook Petrus op het dak hongerig - "zeer hongerig" - en zijn lichamelijke honger, is net als die van de Here, symbolisch. We dienen niet het feit over het hoofd te zien, dat Petrus op het dak gegaan was om te bidden. Zijn lijfelijke honger was symbolisch voor zijn honger des harten.

De Schriften wijzen duidelijk aan, dat Petrus verlangde naar de bekering en het herstel van Israel, zodat zij het kanaal van zegen zou worden voor de wereld. Hij verlangde ernaar dat de "grote opdracht" zou doorgaan, zodat het goede nieuws van het koninkrijk aan alle volkeren zou kunnen worden gezonden. Hij was hongerig verlangend, dat de heidenen eveneens het evangelie zouden mogen horen. Dit wordt duidelijk in zijn eigen verklaring aan Israel, opgetekend in Hand.3:25,26:

"Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: EN IN UW ZAAD ZULLEN ALLE GESLACHTEN DER AARDE GEZEGEND WORDEN.

"God opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden."

Er wordt weleens verondersteld, dat de apostelen bevooroordeeld waren tegen de redding van de heidenen, maar bovenaangehaalde passage geeft aan, dat het tegenovergestelde het geval was. Inderdaad vinden we in Hand.11:18; 11:23 en 15:3, dat er echt verblijden was onder de Joodse gelovigen, toen heidenen werden gered.

Het zou heel gewoon zijn dat Petrus, zo "zeer hongerig" zijnde, dit verboden voedsel in zijn visioen zou zien, en de stem horen die hem aanbeveelt om vrijmoedig ervan te nemen, maar zowel zijn honger, als de toestemming ervan te eten, zijn symbolisch voor geestelijke zaken. Petrus' gebed werd vervuld, en de heidenen zouden nu worden ontvangen door God, ondanks Israels weigering om een zegen voor hen te zijn.

STEMMEN UIT DE HEMEL

Zoals de honger van Petrus in Joppe verbonden is met de honger van onze Here toen Hij Jeruzalem binnen ging, zo stond Petrus' verrukking in nauwe betrekking tot een soortgelijk geval in het leven van Paulus, toen hij voor het eerst na zijn bekering, terugkeerde naar Jeruzalem. Deze ervaring wordt vermeld in zijn eigen relaas in Hand.22:17-21:

"En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem weergekeerd was en in de tempel BAD, dat ik IN EEN VERTREKKING VAN ZINNEN WAS, "En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: SPOED U EN GA INDERHAAST UIT JERUZALEM; WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN. "En ik zeide: Here, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen geselde, die in U geloofden; "En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen die hem doodden.   "En Hij zeide tot mij: GA HEEN; WANT IK ZAL U VER TOT DE HEIDENEN AFZENDEN." 

Beiden, Petrus en Paulus, hoorden bij deze gelegenheden de stem van de Here, beiden terwijl zij in verrukking waren, en beiden toen zij in gebed waren. De ervaring van Paulus betrof Gods bedoeling om zich van de Joden af te keren; die van Petrus betrof Gods bedoeling om naar de heidenen te gaan. Beiden spraken zij tot God. In ieders geval echter, stond de Here erop, dat Zijn bedoeling doorging.

               EEN VERANDERING IN

                PROGRAMMA

We hebben de honger van onze Here, en Paulus' vervoering, hier behandeld, omdat zij zoveel verband hebben met de ervaring van Petrus, en zo duidelijk de aard van de nu genomen stap in de ontvouwing van Gods bedoelingen doen zien.

We zijn ons bewust van het feit, dat Petrus niet het geheimenis aan deze heidenen heeft verkondigd. Hij wist zelfs niets van Gods niet-geprofeteerde bedoeling en genade. Ons wordt expliciet verteld, dat hij niet begreep waarom God hem nu tot de heidenen zond, en dat de beste verklaring, die hij aan zijn critici geven kon, was: "wie was ik toch, die God konde weren?" (Hand.10:20; 11:17).

Niettemin was Petrus' opdracht hier een verlaten van de profetische order (Hand.3:25,26), en van de order van de zogenaamde "grote opdracht" (Luk.24:47; Hand.1:8), en was een van de eerste stappen in de ontvouwing van Gods plan om de volkeren te zegenen, ondanks Israels verwerping van Christus.

Hier zouden we de lezer willen herinneren aan wat we hebben gezegd over de bekering van Cornelius, als zijnde een deel van de schakel tussen de bediening van Petrus, en die van Paulus. Volledig erkennende dat Petrus niet het geheimenis predikte aan Cornelius en zijn huis, en daar zelfs niets van wist, dienen we niettegenstaande dat, nauwkeurig nota te nemen van het volgende:

1. Deze gebeurtenis vond plaats na de bekering van Saulus, het duidelijke toonbeeld van Gods lankmoedigheid en genade, en het voorbeeld  voor hen die daarna in Christus zouden geloven ten eeuwige leven (1Tim.1:13-16).

2. In het geval van Cornelius lezen we voor het eerst, dat God "geen onderscheid" had gemaakt tussen Jood en heiden (Hand.15:9).

3. Petrus ging niet naar Cornelius in het raam van de zogenaamde "grote opdracht", maar in gehoorzaamheid aan een speciale opdracht.

4. God zond Petrus niet naar Cornelius, omdat Israel nu de Messias had geaccepteerd, en de apostelen nu konden doorgaan met hun opdracht. Hij zond Petrus, omdat Israel doorging de Messias te verwerpen, en God zond nu redding tot de heidenen, ondanks hen.

5. Dit kon niet de volgende stap geweest zijn in de uitvoering van de "grote opdracht", want de apostelen hadden hun werk in Jeruzalem nog niet beeindigd (Lees zorgvuldig Zach.8:13; Luk.24:47 en cf.Hand.1:8).

6. Er is geen vermelding in de Schrift van een verder gaan van de apostelen der besnijdenis naar de heidenen. Zij beloofden daarentegen later, om hun bediening te beperken tot Israel, en erkenden Paulus als de apostel der heidenen (Gal.2:2,7,9).

7. De verklaring van de Here, dat Hij Saulus "ver tot de heidenen" zou zenden, wordt gevolgd door deze speciale opdracht aan Petrus, met het doel de weg te openen voor de bediening van Paulus aan de heidenen. Omdat Petrus zelf, door God, de redding van van de onbesneden heidenen had erkend, konden de gelovige Hebreeכrs te Jeruzalem, geen wettige bezwaren maken tegen Paulus' bediening voor de heidenen.

8. Het was op basis van Petrus' ervaring, dat Paulus' bediening onder de heidenen, later officieel werd erkend (Hand.15:7-27; Gal.2:19).

Dit alles wijst erop, dat de bediening van Petrus aan Cornelius en zijn huis, een duidelijk verlaten was van het profetisch programma, en een natuurlijke inpassing, na de bekering van Paulus, al voordat er sprake was van zijn grote bediening onder de heidenen.

PETRUS EN DE BOODSCHAPPERS

               VAN CORNELIUS

"En alzo Petrus in zichzelven twijfelende, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende naar het huis van Simon, stonden aan de poort. "En iemand geroepen hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag. "En als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen zoeken u;

"Daarom sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden. "En Petrus ging af tot de mannen, die van Cornelius tot hem gezonden waren, en zeide: Zie ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier zijt?

"En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heilige engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen. "Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij hen in huis. Doch des anderen daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren, gingen met hem."  - (Hand.10:17-23).

Geen wonder dat Petrus verbijsterd was over zijn visioen uit de hemel. Hem was geleerd, van zijn jeugd af aan, het gebod tegen onrein vlees te eerbiedigen:"Daarom zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten en tussen het onreine en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten en aan het gevogelte en aan al wat op de aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt (Lev.19:34).

Petrus kon zo'n bevel niet licht opnemen. Het was de wet van God door Mozes, en deze te veronachtzamen was een ernstige zaak. Toen de Here met de discipelen op aarde was, had Hij gewetensvol de wet gehoorzaamd, en had Zijn discipelen geleerd deze te gehoorzamen. Hij had Zijn volgelingen zelfs opgeroepen om "te doen en te betrachten", alles wat de schriftgeleerden en Farizeeכn bevolen, eenvoudig omdat zij de zetel van het gezag van Mozes innamen (Matt.23:1-3). En dit werd zelfs overgedragen in de "grote opdracht", want daarbij beval de Here de apostelen, na Zijn opstanding, om alle volkeren tot discipelen te maken, "...lerende hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb"

Uit het verslag van Handelingen is verder duidelijk, dat de volgelingen van Christus, in tegenstelling tot bestaande begrippen, zorg droegen dat zij niet een aparte secte vormden van het Judaisme, en hadden getrouw de wet betracht. Zij waren de ware Israelieten, die Christus als hun Messias aannamen, en er was tot die tijd geen openbaring geweest met als gevolg dat de Wet zou zijn weggedaan, noch vinden we zo'n openbaring, dan nadat deze werd gegeven door middel van Paulus.

Het verbaasde Petrus dan ook, om door God te worden geraden, deel te hebben aan onrein voedsel. En wat hem het meest verbaasde was, dat het visioen meer betekende, dan alleen toestemming om van het onreine voedsel te nemen, want dit zou alleen een ophouden van een onderdeel van de wet van Mozes zijn geweest.

Terwijl Petrus de zaak overdacht, gebeurden er twee dingen tegelijk, om het visioen voor hem te verklaren. Beneden aan de deur, stonden drie mannen, die informeerden naar Petrus, terwijl op het dak, de Geest hem inlichtte omtrent de zaak, en gebood om, niet twijfelende, met hen mee te gaan, omdat Hij, de Geest (zowel als Cornelius), hen had gezonden.

Nu kon Petrus, verbaasd als hij was, niet verkeerd doen, als hij slechts de goddelijke leiding stap voor stap volgde. God nam de zorg op Zich. Hij had zowel Cornelius als Petrus voorbereid, door hen speciale visioenen te geven. Hij had deze boodschappers gezonden, en Hij instrueert Petrus nu om met hen mee te gaan.

Petrus' daad om deze heidenen uit te nodigen, binnen te komen, en hen te herbergen, was niet tegen de wet, want God had het volk Israel vermaand om vriendelijk te zijn tegenover heidenen, die bij hen kwamen.

"De vreemdeling die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Here uw God (Lev.19:34).

Maar de volgende dag moest Petrus meegaan met deze mannen naar een heidens huis en met hen eten. Dat was wat anders. Het was goed van Petrus, dat hij zes Joodse broeders meenam, als getuigen van wat plaats zou vinden (Hand.10:23,45; 11:12).

En zo vertrok de volgende morgen een gezelschap van tien naar Caesarea: zeven Joden (Petrus en zijn zeven medebroeders), en drie heidenen (twee van Cornelius' dienaren en een van zijn soldaten). Misschien heeft Petrus er een voorgevoel van gehad, dat zij deel zouden uitmaken van een centraal gebeuren in de geschiedenis van Gods handelen met de mensheid.

PETRUS IN HET HUIS VAN CORNELIUS

"En des anderen daags kwamen zij te Caesarea. En Cornelius verwachtte hen, samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. "En als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende aan zijn voeten, aanbad hij. "Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op, ik ben ook zelf een mens. "En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren. "En hij zeide tot hen: Gij weet hoe het een Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. "Daarom ben ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat reden gijlieden mij hebt ontboden."(Hand.10:24-29).

Toen Petrus en zijn vrienden Caesarea binnenkwamen, wachtte Cornelius op hen, samengeroepen hebbende zijn verwanten en naaste vrienden. Klaarblijkelijk ging hij naar de deur, of de buitenste poort, om Petrus te begroeten, want we lezen dat hij Petrus ontmoette, toen hij "in kwam", maar toch wordt ons ook verteld, dat Petrus daarna naar binnen ging met Cornelius, en een heel gezelschap aantrof.

Cornelius openbaarde zijn gebrek aan kennis van de ware God en Zijn geboden (Ex.20:1-3) toen hij voor Petrus neerviel en hem aanbad, maar Petrus richtte hem onmiddelijk op, weigerend zijn aanbidding te accepteren, onder protest dat hij zelf ook slechts een mens was. Zij die de godheid van Christus ontkennen, dienen op te merken, dat hoewel velen neervielen en onze Here, tijdens Zijn aardse bediening, aanbaden, Hij hun aanbidding wel vrijmoedig accepteerde (Matt.8:2; 9:18; 14:33; 15:25; 18:26; 28:9; 28:17; etc.).

Het is een tekenend getuigenis van de diepe ernst van Cornelius, en van het respect en de genegenheid waarin hij werd gezien door zijn geliefden, dat "velen" gekomen waren om de woorden te horen waardoor hij en zijn huis zouden worden gered (Hand.11:14). Het moet ook het hart van Petrus bewogen hebben, om zoveel heidenen vergaderd te zien, om Gods Woord te horen.

Voordat hij zelfs vroeg waarom Cornelius hem had laten roepen, herinnerde Petrus zijn toehoorders eraan, dat het voor een Jood "onwettig" was, gemeenschap te hebben, of te gaan, naar iemand van een ander volk, maar legde uit hoe God hem had getoond, dat hij niet langer iemand gemeen of onrein mocht noemen.

In welke zin dit precies "onwettig" was, zullen we nu trachten vast te stellen.

We weten dat de Samaritaanse vrouw verbaasd was, dat onze Here, een geboortige Jood, zelfs tot haar wilde spreken (Joh.4:9). Wij weten ook, dat Joden weigerden de oordeelszaal van Pilatus te betreden, daar zij zich voor Pesach zouden besmetten (Joh.4:9). Wij weten verder, dat de andere apostelen Petrus riepen om rekenschap af te leggen wegens het gaan naar "onbesnedenen", en met hen te eten (Hand.11:3). Toch kennen we geen gebod in de wet van Mozes, dat de Joden verbiedt om gemeenschap te hebben met, of te gaan naar iemand van een ander volk.

Israelieten was het inderdaad niet geoorloofd het "onreine voedsel", wat de heidenen vrij namen, mede te gebruiken. Het was hun ook verboden overeenkomsten met de heidenen aan te gaan, of met hen te huwen (Deut.7:2,3; Ezra 9:2), en zo werd een zekere afstand bewaard tussen hen. Maar we weten niet van een uitsluitend verbod van elke gemeenschap met degenen van andere volkeren, noch dat zij geen zaken met hen mochten doen. Wij hebben inderdaad reeds gezien dat aan de Israelieten speciaal werd opgedragen om vriendelijk te zijn voor heidenen die onder hen zouden zijn, en hen te behandelen als zulken die in hun midden geboren waren (Lev.19:33,34). Cornelius, een Godvrezend man, levend in Palestina zoals hij deed, behoorde zeker zo te worden behandeld, voor zover het de wet van Mozes betrof.

In welke zin was het dan "onwettig" voor Petrus om zelfs heidenen te bezoeken, en waarom riepen zijn mede-apostelen hem ter verantwoording daarvoor? Moeten we zeggen dat de Joodse traditie de oorzaak ervan was, dat zij allen bevooroordeeld waren wat de heidenen betreft, zelfs op het punt van het brengen van hun heil? Als we dit doen, denken wij niet aan de honger van Petrus, en het gebed op het dak te Joppe, en hoe God antwoordde door een visioen, waarmee hij hem toestond deel te hebben aan onrein voedsel. We hebben reeds gezien, uit Hand.3:19-26, dat Petrus verlangend was, dat heil zou uitgaan tot de heidenen, en dat er echte vreugde was onder de Joodse gelovigen, toen heidenen werden gered (Hand.11:18,23; 15:3).

Wij geloven, dat de sleutel van dit probleem gevonden wordt in de eerste opdracht van onze Here aan Zijn twaalf apostelen (Matt.10:1-7). Hier werden de apostelen speciaal geinstrueerd:

"GIJ ZULT NIET HEENGAAN OP DE WEG DER HEIDENEN EN GIJ ZULT NIET INGAAN IN ENIGE STAD DER SAMARITANEN" (Matt.10:5).

Omdat onze Here tot nu toe alleen deze twaalf uitgezonden had, zou deze regel natuurlijk uitsluitend voor elke Jood gelden, zelfs al zouden zij onverschillig of tegengesteld zijn, en Zijn aanspraken niet erkennen.

Zoals we weten, stond onze Here Zelf gereserveerd ten opzichte van de heidenen tijdens Zijn aardse bediening. Hij hielp een heidense man en een heidense vrouw, maar zij kwamen naar Hem om hulp, en ten slotte, in het laatste geval, maakte Hij zeer duidelijk, dat Hij slechts was gezonden "tot de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.15:24).

Wij weten dat onze Here deze koers niet volgde vanwege gebrek aan liefde of medelijden voor de heidenen, maar omdat Hij het heilig plan van verbond en profetie erkende, redding tot de volkeren te zenden door verzoend Israel (Gen. 22:17,18; Zach.8:13,23 etc.). Voor zover het betrof het geopenbaarde programma van God, moest Israel eerst worden gered, voordat heil naar de heidenen kon worden gezonden. Vandaar dat onze Here tot de heidense vrouw zei, verwijzende naar het bovengenoemde: "Laat eerst de kinderen verzadigd worden" (Mark.7:27).

Onze Here veranderde dit alles niet na Zijn opstanding, want na de zogenaamde "grote opdracht" werden de apostelen geinstrueerd, uitsluitend te beginnen met hun bediening bij Israel (Luk.24:47; Hand.1:8). Dit was natuurlijk ervan uitgaande, dat Israel nu haar Messias zou ontvangen, en dat redding dan naar de heidenen zou worden gezonden. Zeker maakt Petrus het duidelijk in Hand.3:25,26, dat Israel eerst moet worden gered, zodat het heil door haar tot de heidenen zou vloeien.

Maar nu werd het profetisch programma onderbroken door de bedeling van Gods genade. God had reeds in Zijn oneindige erbarming, Zich neergebogen om Saulus te redden, de leider van de opstand, met het oog hem tot de heidenen te zenden, niettegenstaande Israels afkerige tegenstand. Om de weg hiervoor te banen, en verzekerd te zijn van de erkenning van Paulus' bediening door de twaalven, had God nu Petrus tot de heidenen gezonden, zelfs ofschoon Israel onbekeerlijk bleef.

Petrus was danook in volmaakte overeenstemming met de wil van Zijn Meester geweest, en was nog in volmaakte harmonie daarmee, toen hij nu tot de heidenen ging. Let wel op de juiste verwoording van zijn verklaring in Hand.10:28."...het is een Joodse man ongeoorloofd, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; DOCH God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten."

Van de bekering van Saulus, tot aan het eind van Handelingen, vinden we verschillende van deze veelbetekenende "dochs".  

 Hoe toonde God aan Petrus dat hij naar deze heidenen moest gaan, ook toen zijn werken met Israel niet succesvol geweest waren? Was het door zijn ogen te openen voor Oud-Testamentische waarheid? Was het door de zogenaamde "grote opdracht"? Nee, het was door een speciaal visioen.

Laten wij dit echter niet verwarren met de openbaring van het geheimenis aan Paulus. Aan Petrus werd niet verteld, dat er enige verandering zou komen in het programma. Hij werd niet geinstrueerd om door te gaan met naar de heidenen te gaan. Hij werd eenvoudig geinstrueerd om naar dit ene huisgezin te gaan, en voor zover het de Schriften betreft, hebben wij geen vermelding dat hij ooit weer heidenen gediend heeft. In feite vinden we hem hand in hand met Paulus, plechtig verklarend zijn eigen bediening te bepalen tot de besnijdenis, terwijl Paulus tot de heidenen gaat.

Het is duidelijk uit het verslag, dat Petrus niet begreep wat God ging doen. Hij werd eenvoudig bevolen te gaan, "niet twijfelende" (Hand.10:20), en toen hij Cornelius en zijn huisgezin bediende, nam God de zaak uit zijn handen, zo dat "zij uit de besnijdenis verbaasd waren", toen de heidenen de Heilige Geest ontvingen (Hand.10:44,45). Bij het verdedigen van zijn handelingen voor de andere apostelen, kon hij slechts zeggen: "Wie was ik toch, die God konde weren?" (Hand.11:17).

Petrus ontving toen niet de openbaring van de nieuwe bedeling, die zou worden ingevoegd, en gebruikte ook niet "de sleutels van het koninkrijk" in dit geval, maar hij ontving een visioen, en instructies om naar dit ene heidense huisgezin te gaan, en het was op grond van deze gebeurtenis, dat de Gemeente te Jeruzalem later Paulus' bediening aan de heidenen erkende. Hoe konden zij ertegen zijn, toen hun eigen, door Christus aangewezen leider zelf, tot een gezelschap heidenen gezonden werd, onafhankelijk van de bekering van Israel?

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011