H O O F D S T U K
XVII - HAND.10:1-29
PETRUS GEZONDEN NAAR EEN
HEIDENS HUISHOUDEN
VISIOEN VAN CORNELIUS
"En er was een zeker man te Cesarea, met name Cornelius, een
hoofdman over honderd, uit de bende genaamd de Italiaanse,
"Godzalig en vrezende God, met heel zijn huis, en doende vele
aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.
"Deze zag in een gezicht klaarlijk, omtrent de negende ure des
daags, een engel Gods tot hem inkomen, en tot hem zeggende: Cornelius! "En
hij de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is
het, Here? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis
opgekomen voor God. "En nu, zend mannen naar Joppe, en ontbied Simon, die
toegenaamd wordt Petrus. "Deze ligt te huis bij enen Simon, lederbereider,
die zijn huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen wat gij doen moet. "En
als de engel, die tot Cornelius sprak, weggegaan was, riep hij twee van zijn
huisknechten, en een godzalige krijgsknecht van degenen die gedurig bij hem
waren; "En als hij hun alles verhaald had, zond hij hen naar Joppe."
- (Hand.10:1-8).
EEN VERBINDENDE SCHAKEL
De
geschiedenis van Cornelius, hoogst interessant, en opbouwend voor de
Bijbelstudent, is niettemin een van de moeilijkste in het boek Handelingen, om
te begrijpen. Veel van de details schijnen op zijn minst paradoxaal, Dit komt
ongetwijfeld, omdat het de verbindende schakel is tussen de bedieningen van
Petrus en Paulus.
ACHTERGROND
EN KARAKTER VAN CORNELIUS
Cornelius
was een Romein. Zijn naam is Latijns, en we lezen, dat hij een hoofdmaan over
honderd was van de Italiaanse Bende (bestaande uit dienstplichtigen of
vrijwilligers uit Italiכ). Hij kan wel een lid geweest zijn van het grote Cornelia
Gens (Huis van Cornelia), een van de voornaamste huizen van Rome, want
Julius de Afvallige noemt hem als een van de weinige voorname mannen (onder de
Romeinen) die volgeling van Christus werd.
Het
eerste wat we van Cornelius lezen is, dat hij "godzalig" (vroom) was
en "vrezende God" (V.2). Dit is niet gemeend in enige
bijgelovige zin, want we worden verder geinformeerd, dat hij was "doende
vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende", dat hij was "een
rechtvaardig man" en "die goede getuigenis heeft van het ganse
volk der Joden", en dat hij "vastte" in zijn verlangen
om de waarheid te kennen (V.2,22,30).
In
het licht hiervan is het niet vreemd dat "geheel zijn huis" (huishouden,
ongetwijfeld met inbegrip van zijn dienaren) met hem Godvrezend was. Inderdaad
lezen we, dat een "soldaat...die gedurig bij hem was" ook "godzalig"
was (V.2,7) en besluiten in het licht van het voorgaande, dat deze soldaat,
of godvrezend werd onder invloed van Cornelius, of was gekozen door Cornelius,
omdat hij godvrezend was. In beide gevallen hebben we nog een blijk van het
bestaan van Cornelius' vroomheid.
CORNELIUS'
GEESTELIJKE STAND
Betekent
dit, dat Cornelius reeds gered was; dat hij de vergeving van zonden had
ontvangen, en eeuwig leven bezat? Dat geloven wij niet, om de volgende
redenen:
Het
was in antwoord op zijn gebeden, dat hem werd aangewezen om te zenden om Petrus,
dat die hem de weg tot redding zou tonen (V.4-6; 11:14).
2.
De verklaring: "deze zal zeggen wat gij doen moet" (V.6)*/[i]
is analoog met "Wat zullen wij doen?" van Hand.2:37, en het "Wat
moet ik doen?" van Hand.16:30. In ieder geval werd aan de vraagstellers
verteld, hoe redding plaats vindt.
3.
Cornelius werd beloofd: "Hij (Petrus) zal woorden tot u spreken, door
welke gij zult ZALIG (GERED) worden, en al uw huis (11:14).
4.
Petrus onderwees Cornelius en zijn huis omtrent de "vergeving van
zonden" (10:43).
5.
Toen Petrus de gebeurtenis aan zijn broeders te Jeruzalem verhaald had, riepen
zij uit: "Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten
leven" (11:18).
Het
is niet waar, zoals sommigen hebben verondersteld, dat Cornelius een proseliet
was, tenminste in de zin van de Schriftuurlijke betekenis van het woord. Veel is
er geschreven in commentaren over "proselieten der rechtvaardigheid",
en "proselieten van de voorhof", en over 't algemeen wordt Cornelius
beschouwd als een van de laatsten, maar de Schrift weet slechts van ייn
soort proselieten - iemand onderworpen aan besnijdenis en de wet (Jes.56:6,7,cf.Hand.15:1).
Was Cornelius een proseliet geweest in de Schriftuurlijke zin, dan zou er niets
merkwaardigs in de bediening van Petrus ten opzichte van hem geweest zijn, want
hij had op Pinksteren tot vele proselieten gesproken (Hand.2:10).
Wat
de Schrift betreft, was Cornelius geen proseliet. Petrus noemt hem "een
vreemde" (10;28). En niet alleen Petrus, maar zijn zes metgezellen, de
schrijver van Handelingen, en "de apostelen en broeders in Judea",
beschouwden hem allen als "Heiden" (10;45; 11:1). Hij werd
aangezien als "onrein" (10:28). De Joden hadden het als
"onwettig" beschouwd om met zulke mensen omgang te hebben (10:28). En
toen Petrus naar hem toe ging, werd hij opgeroepen om rekenschap af te leggen
wegens omgang en samen eten met "onbesneden mensen" (11:3).
Wat
wordt dan bedoeld met de verklaring van Petrus: "Ik vermeen in der
waarheid, dat God geen aannemer des persoons is; maar in allen volke is die Hem
vreest en gerechtigheid werkt, Hem aangenaam." ? (10:34,35).
Wij
geloven, dat het betekent dat dezen werden aangenomen in die zin, dat zij niet
waren "afgesneden" van Gods gunst vanwege hun onbesnedenheid (Zie
Gen.17:14). Petrus zag alleen de Joden als aangenomen, en de heidenen als
onrein, maar God ging nu demonstreren dat Hij geen aanziener was van personen.
Cornelius werd dus "aangenomen", in dezelfde zin werden al
zulke heidenen nu "gereinigd" i.c. niet langer godsdienstig als
onrein beschouwd (10:15,28,cf.Rom.2:25,26). Zo moet het zijn geweest, dat
Cornelius werd "aangenomen", want nimmer, in welke tijd ook,
heeft alleen eerbied voor God, nog minder werken, of karakter, eeuwig leven
bewerkt. Verder wordt uit het verslag duidelijk, dat hij niet werd
"gered", en dat hij niet "het leven" had, of "de
vergeving van zonden" (Hand.10:43; 11:14,18). Zo was hij dus niet
aangenomen in dezelfde zin waarin wij nu "begenadigd (aangenomen) zijn in
de Geliefde" (Eph.1:6).
GODS
ANTWOORD
OP DE SMEKING VAN CORNELIUS
Wij
ontkennen niet dat God in het hart van Cornelius had gewerkt, noch dat wij
twijfelen of zijn vele gebeden aantonen, dat hij werkelijk verlangend was om de
Here te kennen. Het is ontroerend hem te horen uitleggen aan Petrus, hoe hij
aanmerkelijke tijd heeft besteed in vasten (10:30), en in het leren, dat in
antwoord op zijn ernstig verlangen, God hem erop had gewezen om Petrus te laten
roepen, die hem woorden zou zeggen, waardoor hij en zijn huis gered zouden
worden (11:13,14).
De opdracht kwam door een visioen, waarin hij zag "klaarlijk,
omtrent de negende ure des daags, een engel Gods" (10:3), die hem
verzekerde, dat zijn gebeden en aalmoezen niet waren voorbijgegaan aan God*/[ii],
en dat hij Petrus zou zenden om hem te vertellen, wat hij moest doen.
_______
*/
Voetnoot: Hoewel deze uitdrukking niet in alle teksten wordt aangetroffen. **/
voetnoot: Dit toont aan, dat (1) omdat zijn gebeden en werken op zich niet
kunnen redden, (2) toch wanneer deze een waar verlangen tot uitdrukking brengen
om God te leren kennen, God dit verlangen zal beantwoorden.
Het
is eveneens ontroerend, om te zien, dat zodra de engel Cornelius had verlaten,
hij twee dienaren en een godvrezend soldaat riep, hen vertelde wat was gebeurd,
en hen direkt regelrecht naar Joppe zond om Petrus in te lichten.
HET VISIOEN VAN PETRUS
"En des anderen daags, terwijl deze reisden en nabij de stad kwamen,
klom Petrus op het dak om te bidden, omtrent de zesde ure."En hij werd
hongerig en begeerde te eten. En terwijl zij het bereidden, viel over hem een
vertrekkking van zinnen. "En hij zag de hemel geopend, en een zeker vat tot
hem nederdalen, gelijk een groot linnen laken, aan de vier hoeken gebonden, en
neergelaten op de aarde. "In hetwelk waren al de viervoetige dieren der
aarde, en de wilde en de kruipende dieren, en de vogelen des hemels."En er
geschiedde een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet. "Maar Petrus
zeide: Geenszins Here, want ik heb nooit gegeten iets dat gemeen of onrein was.
"En een stem geschiedde wederom ten twede male tot hem: Hetgeen God
gereinigd heeft, zult gij niet gemeen maken.."En dit geschiedde tot
driemaal; en het vat werd wederom opgenomen in den hemel."
- (Hand.10:9-16).
PETRUS' HONGER
Toen
de boodschappers van Cornelius nabij Joppe kwamen, bereidde God Petrus op een
merkwaardige manier voor.
Het
was omstreeks middag toen Petrus naar het dak ging om te bidden. Toen hij erg
hongerig werd, wilde hij eten, maar het maal wat voor hem werd toebereid, was
nog niet klaar. Toen geschiedde het, dat hij in trance geraakte, en een visioen
zag van het laken, en toestemming verkreeg om het onreine voedsel te eten dat
erin was.
Wat
het visioen betreft worden we niet in twijfel gebracht over de betekenis
hiervan. De onreine schepselen stellen de heidenen voor. De Joden, Gods
"bijzonder kleinood", hadden de heidenen lang beschouwd als
"gemeen", en "onrein". De Mozaische wet had een
"middelmuur der afscheiding" tussen hen geplaatst, en de enige weg
waarop een heiden echt aanneming onder het volk van Israel kon vinden was, door
onderwerping aan de besnijdenis en de Wet, als proselieten van Judaisme (Jes.56:6,7).
Maar dit zou nu worden veranderd, en Godvrezende heidenen zouden als zodanig
worden ontvangen.
In
de uitleg van de ervaring van Petrus op het dak echter, wordt een belangrijk
detail meestal over het hoofd gezien. Het is Petrus' honger. Dit is van
evengrote betekenis, als de toestemming om te "slachten en te eten".
De
honger van Petrus herinnert ons aan een soortgelijk geval, dat onze Here Zelf
honger had, toen Hij Jeruzalem introk. Bij die gelegenheid zag Hij een vijgeboom
met alleen maar bladeren aan de takken, en vervloekte de boom, zodat deze
verdorde (Matt.21:18-20).
De
hele geschiedenis is uiteraard symbolisch. De vijgeboom is een bekend symbool
van het volk Israel en, net als Johannes vףףr Hem, had de Here gezwoegd en
gehongerd naar vruchten onder het uitverkoren volk (Matt.3:8;
Luk.8:14,15; etc.). De vervloeking van de verdorde boom, sprak van de vloek die
gevallen was op Israel vanwege haar weigering om zich te bekeren tot Christus.
De
honger des harten voor vruchten in Israel, wordt eveneens vermeld in Luk.13,
waar de Here de vijgeboom gebruikt in een van Zijn gelijkenissen (v.6-9). Hier
wordt tevergeefs vrucht gezocht gedurende drie jaren (klaarblijkelijk bedoelende
de drie jaren van de aardse bediening van onze Here). In deze gelijkenis echter
vinden we, dat de vloek en het omhakken van de vijgeboom niet onmiddelijk plaats
greep, want door de tussenkomst van "de wijngaardenier", werd de boom
"nog een jaar" met rust gelaten en dan, toen zij nog geen vrucht
droeg, omgehouwen. Dit wijst er duidelijk op, dat het oordeel over Israel werd
uitgesteld, en nog ontferming toegepast.
En
zo was het ook. Het oordeel werd uitgesteld; barmhartigheid werd
verlengd, door de tussenkomst van onze Here aan het kruis (Luk.23:34). Nog werd
aan Israel een kans gegeven om vrucht te dragen, toen Petrus en de
Pinkstergelovigen probeerden hun volk aan de voeten van de Messias te brengen.
En
nu is ook Petrus op het dak hongerig - "zeer hongerig" - en zijn
lichamelijke honger, is net als die van de Here, symbolisch. We dienen niet het
feit over het hoofd te zien, dat Petrus op het dak gegaan was om te bidden.
Zijn lijfelijke honger was symbolisch voor zijn honger des harten.
De
Schriften wijzen duidelijk aan, dat Petrus verlangde naar de bekering en het
herstel van Israel, zodat zij het kanaal van zegen zou worden voor de wereld.
Hij verlangde ernaar dat de "grote opdracht" zou doorgaan, zodat het
goede nieuws van het koninkrijk aan alle volkeren zou kunnen worden gezonden.
Hij was hongerig verlangend, dat de heidenen eveneens het evangelie zouden mogen
horen. Dit wordt duidelijk in zijn eigen verklaring aan Israel, opgetekend in
Hand.3:25,26:
"Gijlieden
zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen
opgericht heeft, zeggende tot Abraham: EN IN UW ZAAD ZULLEN ALLE GESLACHTEN DER
AARDE GEZEGEND WORDEN.
"God
opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij
u zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden."
Er
wordt weleens verondersteld, dat de apostelen bevooroordeeld waren tegen de
redding van de heidenen, maar bovenaangehaalde passage geeft aan, dat het
tegenovergestelde het geval was. Inderdaad vinden we in Hand.11:18; 11:23 en
15:3, dat er echt verblijden was onder de Joodse gelovigen, toen heidenen werden
gered.
Het
zou heel gewoon zijn dat Petrus, zo "zeer hongerig" zijnde, dit
verboden voedsel in zijn visioen zou zien, en de stem horen die hem aanbeveelt
om vrijmoedig ervan te nemen, maar zowel zijn honger, als de toestemming ervan
te eten, zijn symbolisch voor geestelijke zaken. Petrus' gebed werd
vervuld, en de heidenen zouden nu worden ontvangen door God, ondanks Israels
weigering om een zegen voor hen te zijn.
STEMMEN
UIT DE HEMEL
Zoals
de honger van Petrus in Joppe verbonden is met de honger van onze Here toen Hij
Jeruzalem binnen ging, zo stond Petrus' verrukking in nauwe betrekking tot een
soortgelijk geval in het leven van Paulus, toen hij voor het eerst na zijn
bekering, terugkeerde naar Jeruzalem. Deze ervaring wordt vermeld in zijn eigen
relaas in Hand.22:17-21:
"En
het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem weergekeerd was en in de tempel BAD, dat
ik IN EEN VERTREKKING VAN ZINNEN WAS, "En dat ik Hem zag, en Hij tot mij
zeide: SPOED U EN GA INDERHAAST UIT JERUZALEM; WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN
MIJ NIET AANNEMEN. "En ik zeide: Here, zij weten, dat ik in de gevangenis
wierp en in de synagogen geselde, die in U geloofden; "En toen het bloed
van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond en mede een
welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen die hem doodden.
"En Hij zeide tot mij: GA HEEN; WANT IK ZAL U VER TOT DE HEIDENEN
AFZENDEN."
Beiden,
Petrus en Paulus, hoorden bij deze gelegenheden de stem van de Here, beiden
terwijl zij in verrukking waren, en beiden toen zij in gebed waren. De ervaring
van Paulus betrof Gods bedoeling om zich van de Joden af te keren; die van
Petrus betrof Gods bedoeling om naar de heidenen te gaan. Beiden spraken zij tot
God. In ieders geval echter, stond de Here erop, dat Zijn bedoeling doorging.
EEN VERANDERING IN
PROGRAMMA
We
hebben de honger van onze Here, en Paulus' vervoering, hier behandeld, omdat zij
zoveel verband hebben met de ervaring van Petrus, en zo duidelijk de aard van de
nu genomen stap in de ontvouwing van Gods bedoelingen doen zien.
We
zijn ons bewust van het feit, dat Petrus niet het geheimenis aan deze heidenen
heeft verkondigd. Hij wist zelfs niets van Gods niet-geprofeteerde bedoeling en
genade. Ons wordt expliciet verteld, dat hij niet begreep waarom God hem nu tot
de heidenen zond, en dat de beste verklaring, die hij aan zijn critici geven
kon, was: "wie was ik toch, die God konde weren?" (Hand.10:20;
11:17).
Niettemin
was Petrus' opdracht hier een verlaten van de profetische order
(Hand.3:25,26), en van de order van de zogenaamde "grote opdracht"
(Luk.24:47; Hand.1:8), en was een van de eerste stappen in de ontvouwing van
Gods plan om de volkeren te zegenen, ondanks Israels verwerping van Christus.
Hier
zouden we de lezer willen herinneren aan wat we hebben gezegd over de bekering
van Cornelius, als zijnde een deel van de schakel tussen de bediening van
Petrus, en die van Paulus. Volledig erkennende dat Petrus niet het geheimenis
predikte aan Cornelius en zijn huis, en daar zelfs niets van wist, dienen we
niettegenstaande dat, nauwkeurig nota te nemen van het volgende:
1.
Deze gebeurtenis vond plaats na de bekering van Saulus, het duidelijke
toonbeeld van Gods lankmoedigheid en genade, en het voorbeeld
voor hen die daarna in Christus zouden geloven ten eeuwige leven
(1Tim.1:13-16).
2.
In het geval van Cornelius lezen we voor het eerst, dat God "geen
onderscheid" had gemaakt tussen Jood en heiden (Hand.15:9).
3.
Petrus ging niet naar Cornelius in het raam van de zogenaamde "grote
opdracht", maar in gehoorzaamheid aan een speciale opdracht.
4.
God zond Petrus niet naar Cornelius, omdat Israel nu de Messias had geaccepteerd,
en de apostelen nu konden doorgaan met hun opdracht. Hij zond Petrus, omdat
Israel doorging de Messias te verwerpen, en God zond nu redding tot de
heidenen, ondanks hen.
5.
Dit kon niet de volgende stap geweest zijn in de uitvoering van de "grote
opdracht", want de apostelen hadden hun werk in Jeruzalem nog niet
beeindigd (Lees zorgvuldig Zach.8:13; Luk.24:47 en cf.Hand.1:8).
6.
Er is geen vermelding in de Schrift van een verder gaan van de apostelen der
besnijdenis naar de heidenen. Zij beloofden daarentegen later, om hun bediening
te beperken tot Israel, en erkenden Paulus als de apostel der heidenen
(Gal.2:2,7,9).
7.
De verklaring van de Here, dat Hij Saulus "ver tot de heidenen" zou
zenden, wordt gevolgd door deze speciale opdracht aan Petrus, met het doel de
weg te openen voor de bediening van Paulus aan de heidenen. Omdat Petrus zelf,
door God, de redding van van de onbesneden heidenen had erkend, konden de
gelovige Hebreeכrs te Jeruzalem, geen wettige bezwaren maken tegen Paulus'
bediening voor de heidenen.
8.
Het was op basis van Petrus' ervaring, dat Paulus' bediening onder de heidenen,
later officieel werd erkend (Hand.15:7-27; Gal.2:19).
Dit
alles wijst erop, dat de bediening van Petrus aan Cornelius en zijn huis, een
duidelijk verlaten was van het profetisch programma, en een natuurlijke
inpassing, na de bekering van Paulus, al voordat er sprake was van zijn grote
bediening onder de heidenen.
PETRUS
EN DE BOODSCHAPPERS
VAN CORNELIUS
"En
alzo Petrus in zichzelven twijfelende, wat toch het gezicht mocht zijn, dat hij
gezien had, zie, de mannen die van Cornelius afgezonden waren, gevraagd hebbende
naar het huis van Simon, stonden aan de poort. "En iemand geroepen
hebbende, vraagden zij, of Simon, toegenaamd Petrus, daar te huis lag. "En
als Petrus over dat gezicht dacht, zeide de Geest tot hem: Zie, drie mannen
zoeken u;
"Daarom
sta op, ga af, en reis met hen, niet twijfelende; want Ik heb hen gezonden.
"En Petrus ging af tot de mannen, die van Cornelius tot hem gezonden waren,
en zeide: Zie ik ben het, dien gij zoekt; wat is de oorzaak, waarom gij hier
zijt?
"En
zij zeiden: Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en
vrezende God, en die goede getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is
door Goddelijke openbaring vermaand van een heilige engel, dat hij u zou
ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen.
"Als hij hen dan ingeroepen had, ontving hij hen in huis. Doch des anderen
daags ging Petrus met hen heen, en sommigen der broederen, die van Joppe waren,
gingen met hem." - (Hand.10:17-23).
Geen
wonder dat Petrus verbijsterd was over zijn visioen uit de hemel. Hem was
geleerd, van zijn jeugd af aan, het gebod tegen onrein vlees te eerbiedigen:"Daarom
zult gij onderscheid maken tussen reine en onreine beesten en tussen het onreine
en reine gevogelte; en gij zult uw zielen niet verfoeilijk maken aan de beesten
en aan het gevogelte en aan al wat op de aardbodem kruipt, hetwelk Ik voor u
afgezonderd heb, opdat gij het onrein houdt (Lev.19:34).
Petrus
kon zo'n bevel niet licht opnemen. Het was de wet van God door Mozes, en deze te
veronachtzamen was een ernstige zaak. Toen de Here met de discipelen op aarde
was, had Hij gewetensvol de wet gehoorzaamd, en had Zijn discipelen geleerd deze
te gehoorzamen. Hij had Zijn volgelingen zelfs opgeroepen om "te doen en te
betrachten", alles wat de schriftgeleerden en Farizeeכn bevolen, eenvoudig
omdat zij de zetel van het gezag van Mozes innamen (Matt.23:1-3). En dit werd
zelfs overgedragen in de "grote opdracht", want daarbij beval de Here
de apostelen, na Zijn opstanding, om alle volkeren tot discipelen te maken, "...lerende
hen onderhouden alles wat Ik u geboden heb"
Uit
het verslag van Handelingen is verder duidelijk, dat de volgelingen van
Christus, in tegenstelling tot bestaande begrippen, zorg droegen dat zij niet
een aparte secte vormden van het Judaisme, en hadden getrouw de wet
betracht. Zij waren de ware Israelieten, die Christus als hun Messias aannamen,
en er was tot die tijd geen openbaring geweest met als gevolg dat de Wet zou
zijn weggedaan, noch vinden we zo'n openbaring, dan nadat deze werd gegeven door
middel van Paulus.
Het
verbaasde Petrus dan ook, om door God te worden geraden, deel te hebben aan
onrein voedsel. En wat hem het meest verbaasde was, dat het visioen meer betekende,
dan alleen toestemming om van het onreine voedsel te nemen, want dit zou alleen
een ophouden van een onderdeel van de wet van Mozes zijn geweest.
Terwijl
Petrus de zaak overdacht, gebeurden er twee dingen tegelijk, om het visioen voor
hem te verklaren. Beneden aan de deur, stonden drie mannen, die informeerden
naar Petrus, terwijl op het dak, de Geest hem inlichtte omtrent de zaak, en
gebood om, niet twijfelende, met hen mee te gaan, omdat Hij, de Geest (zowel als
Cornelius), hen had gezonden.
Nu
kon Petrus, verbaasd als hij was, niet verkeerd doen, als hij slechts de
goddelijke leiding stap voor stap volgde. God nam de zorg op Zich. Hij had
zowel Cornelius als Petrus voorbereid, door hen speciale visioenen te geven. Hij
had deze boodschappers gezonden, en Hij instrueert Petrus nu om met
hen mee te gaan.
Petrus'
daad om deze heidenen uit te nodigen, binnen te komen, en hen te herbergen, was
niet tegen de wet, want God had het volk Israel vermaand om vriendelijk te zijn
tegenover heidenen, die bij hen kwamen.
"De
vreemdeling die als vreemdeling bij u verkeert, zal onder u zijn als een
inboorling van ulieden; gij zult hem liefhebben als uzelven; want gij zijt
vreemdelingen geweest in Egypteland; Ik ben de Here uw God (Lev.19:34).
Maar
de volgende dag moest Petrus meegaan met deze mannen naar een heidens huis en met
hen eten. Dat was wat anders. Het was goed van Petrus, dat hij zes Joodse
broeders meenam, als getuigen van wat plaats zou vinden (Hand.10:23,45; 11:12).
En
zo vertrok de volgende morgen een gezelschap van tien naar Caesarea: zeven Joden
(Petrus en zijn zeven medebroeders), en drie heidenen (twee van Cornelius'
dienaren en een van zijn soldaten). Misschien heeft Petrus er een voorgevoel van
gehad, dat zij deel zouden uitmaken van een centraal gebeuren in de geschiedenis
van Gods handelen met de mensheid.
PETRUS
IN HET HUIS VAN CORNELIUS
"En
des anderen daags kwamen zij te Caesarea. En Cornelius verwachtte hen,
samengeroepen hebbende die van zijn maagschap en bijzonderste vrienden. "En
als het geschiedde dat Petrus inkwam, ging hem Cornelius tegemoet, en vallende
aan zijn voeten, aanbad hij. "Maar Petrus richtte hem op, zeggende: Sta op,
ik ben ook zelf een mens. "En met hem sprekende, ging hij in, en vond er
velen, die samengekomen waren. "En hij zeide tot hen: Gij weet hoe het een
Joodse man ongeoorloofd is, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; doch God
heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten. "Daarom ben
ik ook zonder tegenspreken gekomen, ontboden zijnde. Zo vraag ik dan, om wat
reden gijlieden mij hebt ontboden."(Hand.10:24-29).
Toen
Petrus en zijn vrienden Caesarea binnenkwamen, wachtte Cornelius op hen,
samengeroepen hebbende zijn verwanten en naaste vrienden. Klaarblijkelijk ging
hij naar de deur, of de buitenste poort, om Petrus te begroeten, want we lezen
dat hij Petrus ontmoette, toen hij "in kwam", maar toch wordt ons ook
verteld, dat Petrus daarna naar binnen ging met Cornelius, en een heel
gezelschap aantrof.
Cornelius
openbaarde zijn gebrek aan kennis van de ware God en Zijn geboden (Ex.20:1-3)
toen hij voor Petrus neerviel en hem aanbad, maar Petrus richtte hem onmiddelijk
op, weigerend zijn aanbidding te accepteren, onder protest dat hij zelf ook
slechts een mens was. Zij die de godheid van Christus ontkennen, dienen op te
merken, dat hoewel velen neervielen en onze Here, tijdens Zijn aardse bediening,
aanbaden, Hij hun aanbidding wel vrijmoedig accepteerde (Matt.8:2; 9:18; 14:33;
15:25; 18:26; 28:9; 28:17; etc.).
Het
is een tekenend getuigenis van de diepe ernst van Cornelius, en van het respect
en de genegenheid waarin hij werd gezien door zijn geliefden, dat
"velen" gekomen waren om de woorden te horen waardoor hij en zijn huis
zouden worden gered (Hand.11:14). Het moet ook het hart van Petrus bewogen
hebben, om zoveel heidenen vergaderd te zien, om Gods Woord te horen.
Voordat
hij zelfs vroeg waarom Cornelius hem had laten roepen, herinnerde Petrus zijn
toehoorders eraan, dat het voor een Jood "onwettig" was, gemeenschap
te hebben, of te gaan, naar iemand van een ander volk, maar legde uit hoe God
hem had getoond, dat hij niet langer iemand gemeen of onrein mocht noemen.
In
welke zin dit precies "onwettig" was, zullen we nu trachten vast te
stellen.
We
weten dat de Samaritaanse vrouw verbaasd was, dat onze Here, een geboortige
Jood, zelfs tot haar wilde spreken (Joh.4:9). Wij weten ook, dat Joden
weigerden de oordeelszaal van Pilatus te betreden, daar zij zich voor Pesach
zouden besmetten (Joh.4:9). Wij weten verder, dat de andere apostelen Petrus
riepen om rekenschap af te leggen wegens het gaan naar "onbesnedenen",
en met hen te eten (Hand.11:3). Toch kennen we geen gebod in de wet van Mozes,
dat de Joden verbiedt om gemeenschap te hebben met, of te gaan naar
iemand van een ander volk.
Israelieten
was het inderdaad niet geoorloofd het "onreine voedsel", wat de
heidenen vrij namen, mede te gebruiken. Het was hun ook verboden overeenkomsten
met de heidenen aan te gaan, of met hen te huwen (Deut.7:2,3; Ezra 9:2), en zo
werd een zekere afstand bewaard tussen hen. Maar we weten niet van een
uitsluitend verbod van elke gemeenschap met degenen van andere volkeren, noch
dat zij geen zaken met hen mochten doen. Wij hebben inderdaad reeds gezien dat
aan de Israelieten speciaal werd opgedragen om vriendelijk te zijn voor heidenen
die onder hen zouden zijn, en hen te behandelen als zulken die in hun
midden geboren waren (Lev.19:33,34). Cornelius, een Godvrezend man, levend in
Palestina zoals hij deed, behoorde zeker zo te worden behandeld, voor zover het
de wet van Mozes betrof.
In
welke zin was het dan "onwettig" voor Petrus om zelfs heidenen te bezoeken,
en waarom riepen zijn mede-apostelen hem ter verantwoording daarvoor? Moeten we
zeggen dat de Joodse traditie de oorzaak ervan was, dat zij allen bevooroordeeld
waren wat de heidenen betreft, zelfs op het punt van het brengen van hun heil?
Als we dit doen, denken wij niet aan de honger van Petrus, en het gebed op het
dak te Joppe, en hoe God antwoordde door een visioen, waarmee hij hem
toestond deel te hebben aan onrein voedsel. We hebben reeds gezien, uit
Hand.3:19-26, dat Petrus verlangend was, dat heil zou uitgaan tot de heidenen,
en dat er echte vreugde was onder de Joodse gelovigen, toen heidenen werden
gered (Hand.11:18,23; 15:3).
Wij
geloven, dat de sleutel van dit probleem gevonden wordt in de eerste opdracht
van onze Here aan Zijn twaalf apostelen (Matt.10:1-7). Hier werden de apostelen
speciaal geinstrueerd:
"GIJ
ZULT NIET HEENGAAN OP DE WEG DER HEIDENEN EN GIJ ZULT NIET INGAAN IN ENIGE STAD
DER SAMARITANEN" (Matt.10:5).
Omdat
onze Here tot nu toe alleen deze twaalf uitgezonden had, zou deze regel
natuurlijk uitsluitend voor elke Jood gelden, zelfs al zouden zij onverschillig
of tegengesteld zijn, en Zijn aanspraken niet erkennen.
Zoals
we weten, stond onze Here Zelf gereserveerd ten opzichte van de heidenen tijdens
Zijn aardse bediening. Hij hielp een heidense man en een heidense vrouw, maar zij
kwamen naar Hem om hulp, en ten slotte, in het laatste geval, maakte
Hij zeer duidelijk, dat Hij slechts was gezonden "tot de verloren schapen
van het huis van Israel" (Matt.15:24).
Wij
weten dat onze Here deze koers niet volgde vanwege gebrek aan liefde of
medelijden voor de heidenen, maar omdat Hij het heilig plan van verbond en
profetie erkende, redding tot de volkeren te zenden door verzoend Israel
(Gen. 22:17,18; Zach.8:13,23 etc.). Voor zover het betrof het geopenbaarde programma
van God, moest Israel eerst worden gered, voordat heil naar de heidenen kon
worden gezonden. Vandaar dat onze Here tot de heidense vrouw zei, verwijzende
naar het bovengenoemde: "Laat eerst de kinderen verzadigd worden"
(Mark.7:27).
Onze
Here veranderde dit alles niet na Zijn opstanding, want na de zogenaamde
"grote opdracht" werden de apostelen geinstrueerd, uitsluitend te
beginnen met hun bediening bij Israel (Luk.24:47; Hand.1:8). Dit was natuurlijk
ervan uitgaande, dat Israel nu haar Messias zou ontvangen, en dat redding dan
naar de heidenen zou worden gezonden. Zeker maakt Petrus het duidelijk in
Hand.3:25,26, dat Israel eerst moet worden gered, zodat het heil door haar
tot de heidenen zou vloeien.
Maar
nu werd het profetisch programma onderbroken door de bedeling van Gods genade.
God had reeds in Zijn oneindige erbarming, Zich neergebogen om Saulus te redden,
de leider van de opstand, met het oog hem tot de heidenen te zenden,
niettegenstaande Israels afkerige tegenstand. Om de weg hiervoor te banen, en
verzekerd te zijn van de erkenning van Paulus' bediening door de twaalven, had
God nu Petrus tot de heidenen gezonden, zelfs ofschoon Israel
onbekeerlijk bleef.
Petrus
was danook in volmaakte overeenstemming met de wil van Zijn Meester geweest, en
was nog in volmaakte harmonie daarmee, toen hij nu tot de heidenen ging. Let wel
op de juiste verwoording van zijn verklaring in Hand.10:28."...het
is een Joodse man ongeoorloofd, zich te voegen of te gaan tot een vreemde; DOCH
God heeft mij getoond, dat ik geen mens zou gemeen of onrein heten."
Van
de bekering van Saulus, tot aan het eind van Handelingen, vinden we
verschillende van deze veelbetekenende "dochs".
Hoe
toonde God aan Petrus dat hij naar deze heidenen moest gaan, ook toen zijn
werken met Israel niet succesvol geweest waren? Was het door zijn ogen te openen
voor Oud-Testamentische waarheid? Was het door de zogenaamde "grote
opdracht"? Nee, het was door een speciaal visioen.
Laten
wij dit echter niet verwarren met de openbaring van het geheimenis aan Paulus.
Aan Petrus werd niet verteld, dat er enige verandering zou komen in het programma.
Hij werd niet geinstrueerd om door te gaan met naar de heidenen te gaan.
Hij werd eenvoudig geinstrueerd om naar dit ene huisgezin te gaan, en voor zover
het de Schriften betreft, hebben wij geen vermelding dat hij ooit weer heidenen
gediend heeft. In feite vinden we hem hand in hand met Paulus, plechtig
verklarend zijn eigen bediening te bepalen tot de besnijdenis, terwijl Paulus
tot de heidenen gaat.
Het
is duidelijk uit het verslag, dat Petrus niet begreep wat God ging doen. Hij
werd eenvoudig bevolen te gaan, "niet twijfelende"
(Hand.10:20), en toen hij Cornelius en zijn huisgezin bediende, nam God de zaak
uit zijn handen, zo dat "zij uit de besnijdenis verbaasd waren", toen
de heidenen de Heilige Geest ontvingen (Hand.10:44,45). Bij het verdedigen van
zijn handelingen voor de andere apostelen, kon hij slechts zeggen: "Wie
was ik toch, die God konde weren?" (Hand.11:17).
Petrus
ontving toen niet de openbaring van de nieuwe bedeling, die zou worden
ingevoegd, en gebruikte ook niet "de sleutels van het koninkrijk" in
dit geval, maar hij ontving een visioen, en instructies om naar dit ene heidense
huisgezin te gaan, en het was op grond van deze gebeurtenis, dat de Gemeente te
Jeruzalem later Paulus' bediening aan de heidenen erkende. Hoe konden zij
ertegen zijn, toen hun eigen, door Christus aangewezen leider zelf, tot een
gezelschap heidenen gezonden werd, onafhankelijk van de bekering van Israel?
|