|
H
O O F D S T U K II - H A N D .
1:3-8
VAN DE OPSTANDING TOT
DE HEMELVAART
EEN VEERTIGDAAGSE BEDIENING
"Aan wie Hij ook, nadat Hij geleden had, Zichzelf levend vertoond
heeft met vele duidelijke kentekenen, veertig dagen lang, terwijl Hij door hen
gezien werd en met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God
aangaan."
- (Hand.1:3).
Door Zichzelf, gedurende veertig dagen, levend te vertonen door vele
onfeilbare bewijzen, bereidde onze Here Zijn discipelen voor om krachtig te
getuigen tot het volk Israel, dat Degene Die zij hadden gekruisigd, inderdaad
weer leefde, en dat het wijs zou zijn, om van hun kant, zich tot Hem te keren
met berouw en geloof, in plaats van met de opstand door te gaan.
Een ander belangrijk feit wordt hier aan het licht gebracht met
betrekking tot de twaalven, dat de Heilige Geest ons wil leren bij de het begin
van onze studie van Handelingen. Als, zoals dit vers aangeeft, de opgestane Here
veertig dagen besteedde om met de apostelen "te spreken over de dingen
die het koninkrijk van God aangaan", konden de apostelen daarna toch
niet zo onwetend zijn geweest omtrent het karakter van het koninkrijk, zoals
sommigen veronderstellen.
Inderdaad wordt deze zaak geregeld, door een ander veelbetekenend detail
dat Lukas in zijn evangelie naar voren brengt in verband met de bevelen van onze
Here aan de elven gedurende deze veertig dagen. We vinden daar, in hoofdstuk 24,
minstens tien van de apostelen vergaderd, als plotseling de opgestane Here in
hun midden verschijnt. Nadat zij bekomen zijn van de schrik begint Hij tot hen
te spreken over de Wet, de Profeten, en de Psalmen, uitleggend dat Zijn dood en
opstanding slechts de vervulling daarvan betekenden. Dan lezen we in vers 45:
"TOEN OPENDE HIJ HUN VERSTAND, OPDAT ZIJ DE SCHRIFTEN
VERSTONDEN"
De apostelen hadden uitgezien naar het koninkrijk van onze Here, maar
hadden Zijn dood en opstanding niet verwacht. Nu werden hun ogen geopend om
alles te begrijpen.
Wij wijzen hier op, opdat onze lezers niet afgeleid worden door de
populaire maar onschriftuurlijke opmerking, dat de apostelen onwetend en
vleselijk waren in hun voortgaande verwachting van de aardse regering van
Christus.
Als we voortgaan met onze studies in Handelingen, laten we er dan op
letten dat we de apostelen zien als geestelijk begrijpend wat God's profetisch
doel betreft, waartoe zij veertig dagen lang werden geinstrueerd met een door de
Here Zelf geschonken begrip.
HET BEVEL TE BLIJVEN VERWACHTEN
"En toen Hij met hen vergaderd was, beval Hij hun dat zij van
Jeruzalem niet scheiden zouden, maar verwachten de belofte van de Vader, die
gij, zei Hij, van Mij gehoord hebt.
"Want Johannes doopte wel met water, maar gij zult met de Heilige
Geest gedoopt worden, niet lang na deze dagen"
- (Hand.1:4,5)
Onze Here had hier duidelijk het profetisch plan op het
oog. Volgens de profetie zou Jeruzalem de glorie van de gehele aarde wezen. Het
was vanuit Jeruzalem dat zegen zou stromen naar de volkeren. Het zou zijn te
Jeruzalem dat Hij zou regeren als de Zoon van David. Inderdaad zouden de
twaalven, naar Zijn eigen belofte daar met Hem regeren, zittend op twaalf
tronen, oordelend de twaalf stammen van Israel (Matt.19:28).
Tot dat Jeruzalem, de hoofdstad van het Hebreeuwse volk, de Messias
aannam, zou er nimmer wereldvrede en voorspoed zijn. Daarvoor werden de
apostelen geןnstrueerd om hun bediening te beginnen bij Jeruzalem.
Zij zouden echter hun bediening niet onmiddellijk daar beginnen. Zij
moesten eerst wachten op een doop met, of in, de Heilige Geest, in vervulling
van "de belofte van de Vader". Dit moest plaats vinden, precies
vijftig dagen na de opstanding.
Deze doop met de Heilige Geest was natuurlijk niet de doop van Joden en
heidenen in ייn lichaam. De doop in het Lichaam zou geschieden door de
Geest (1Cor.12:13), maar dit is verbonden met "het geheimenis", dat
toen nog steeds onbekend was.
De doop die hier bedoeld wordt, moest een doop zijn
met,
of in, de Geest tot wonderkracht.
Met betrekking tot dit onderwerp vinden wij ook verder licht in de
gelijkluidende passage aan het eind van het Lukas' evangelie, waar we de Heere
vinden, zeggende:
"En zie, Ik zend de
belofte van Mijn Vader op u; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij
aangedaan zijt met KRACHT UIT DE HOOGTE" (Luk.24:49, en cf.Hand.1:8).
Behalve van andere wonderkrachten die deze doop zou schenken, was zij ook
om hen te bekrachtigen om te leven als waardige vertegenwoordigers van de
Koning. De Apostel Paulus vermaant ons vandaag, om vervuld te worden met de
Geest (Eph.5:18), maar juist het feit dat hij ons vermaant, geeft aan dat
deze vervulling een genadevoorziening voor vandaag is, toe te eigenen door
geloof. Dit was niet zo bij de Pinkstergelovigen. Zij werden vervuld met de
Geest omdat zij gedoopt waren met de Geest, niet in antwoord op gebed in
geloof, maar door vervulling van een belofte. De Heilige Geest zou komen
en de Zijnen dopen op het juiste tijdstip, op de juiste plaats, en
tot het juiste doel, dat voorspeld was. De profetische klok had niet
opgehouden met tikken. Maar later meer hierover.
Het is aandoenlijk om mannen van God te ontmoeten die proberen te
bewijzen, dat de bedeling der genade nu zou beginnen, uitleggend dat de
apostelen geןnstrueerd werden om te beginnen bij Jeruzalem, omdat dit "de
slechtste stad op aarde" was, en dat onze Here Zijn bevel om te wachten op
de Geest alleen gaf, "opdat zij niet zouden haasten; niet te lopen voordat
zij gezonden waren". Zulke leringen, vanuit de pennen en over de lippen van
Fundamentalisten, vormen de basis voor het fanatiek "terug naar
Pinksteren" wat zij veroordelen, en verraden een droevige onbekendheid met
het feit dat Pinksteren eerder gerelateerd is met de profetie, dan met het
geheimenis van het Lichaam van Christus.
Waarlijk, dezelfde Geest die kwam ter vervulling van de profetie, is in
verbinding gebleven met het geheimenis, geopenbaard door Paulus, maar Zijn
manifestaties en werkingen in de huidige bedeling, verschillen in vele opzichten
van die in de Pinkstertijd. De Geest, Die nu gelovigen doopt in de dood, de
begrafenis, en de opstanding van Christus, in Christus Zelf en in ייn Lichaam,
bekrachtigde toen Zijn knechten om Gode welgevallig te leven, te spreken als
profeten door inspiratie, en wonderen te doen.
EEN BELANGRIJKE VRAAG
"Zij dan die samengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: Here,
zult Gij in deze tijd aan Israel het koninkrijk weer oprichten?" -
(Hand.1:6).
In bovenstaande passage hebben we het verslag voor ons, van de laatste
vraag die de apostelen stelden aan de Here, vףףr Zijn hemelvaart; een zeer
belangrijke vraag die veelal wordt misverstaan.
Wil de lezer nu een ogenblik pauzeren teneinde deze vraag opnieuw, rustig
te beschouwen, zorgvuldig ieder woord en de zin ervan overwegend, zodat er geen
twijfel meer bestaat over haar betekenis:
"ZULT GIJ - IN DEZE TIJD - AAN ISRAEL - HET KONINKRIJK - WEER
OPRICHTEN?"
Zulke woorden kunnen niets anders betekenen, dan dat de apostelen
verwachtten
dat het Davidisch koninkrijk zou worden hersteld en dat zij vermoedden
dat haar herstel op handen zou zijn.
Er wordt weleens gezegd, dat de apostelen bij het stellen van deze vraag
vleeselijk handelden en onbekend waren met de ware aard van het koninkrijk dat
de Here zou vestigen, maar deze gedachte is totaal onjuist. De onwetendheid en
vleselijkheid lag niet bij de apostelen, maar bij de kritiek.
Had God niet in een plechtig verbond aan David beloofd:
"Doch uw
huis zal bestendig zijn en uw koninkrijk tot in eeuwigheid voor uw aangezicht;
uw stoel zal vast zijn tot in eeuwigheid"? (2Sam.7:16).
Had Hij niet in de Psalmen geschreven: "Ik heb ייns gezworen
bij Mijn heiligheid: Zo Ik aan David liege! Zijn zaad zal in der eeuwigheid
zijn, en zijn troon zal voor Mij zijn gelijk de zon"? (Ps.89:36,37).
Lezen wij niet in Jer.23:5,6, "Zie, de dagen komen, spreekt de
Here, dat Ik den David een rechtvaardige Spruit zal verwekken; Die zal Koning
zijnde regeren en voorspoedig zijn, en recht en gerechtigheid doen op de aarde.
In Zijn dagen zal Juda verlost worden en Israel zeker wonen..."?
Had de vader van Johannes de Doper, vervuld met de Heilige Geest, niet
gezegd: "Geloofd zij de Here, de God van Israel, want Hij heeft bezocht,
en verlossing teweeggebracht voor Zijn volk, en heeft een hoorn van zaligheid
voor ons opgericht in het huis van David, Zijn knecht. Zoals Hij gesproken heeft
door de mond van Zijn heilige profeten, die van het begin van de wereld geweest
zijn, namelijk een verlossing van onze vijanden, en van de hand van allen die
ons haten, om barmhartigheid te doen aan onze vaderen en te gedenken aan Zijn
heilig verbond, en aan de eed die Hij Abraham, oze vader, gezworen heeft, om ons
te geven, dat wij, verlost uit de hand van onze vijanden, Hem dienen zouden
zonder vrees, in heiligheid en gerechtigheid voor Hem, al de dagen van ons
leven" ? (Luk.1:68-75).
En had onze Here Zelf hen niet geleid om de vestiging van een concreet
koninkrijk op aarde te verwachten?
Had Hij niet gezegd: "Gezegend zijn
de zachtmoedigen, want zij zullen DE AARDE beכrven"? (Matt.5:5). Had Hij hen niet geleerd te bidden:
"Uw koninkrijk kome. Uw wil
geschiede, zoals in de hemel zo ook OP DE AARDE"? (Matt.6:10)
Had Hij hen niet duidelijk beloofd: "Voorwaar, Ik zeg u, dat gij
die Mij gevolgd zijt, in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen zal zitten
op de troon van Zijn heerlijkheid, dat gij ook zult zitten op twaalf tronen om
de twaalf stammen van Israel te oordelen"? (Matt.19:28).
Had onze Here niet juist veertig dagen met hen doorgebracht,
"en
met hen gesproken over de dingen die het koninkrijk van God aangaan"?
(Hand.1:3).
En had Hij niet reeds, bij het begin van deze periode
"hun
verstand geopend, opdat zij de Schriften verstonden"? (Luk.24:45).
Waarom zouden deze mannen als onwetend worden beschouwd, als ons wordt
verteld
dat zij de Schriften verstonden? */ Waarom zouden zij vleselijk geweest zijn
door God op Zijn Woord te nemen en de uitspraken van hun Here en Meester te
geloven? Het is veel meer de ware betekenis van geestelijkheid. Zij die spreken van "vergeestelijken" van de profetische
beloften zijn zelf de vleselijke, want in naam van geestelijkheid veranderen
zij het klare Woord van God om hun foutieve begrippen passend te maken. Omdat
zij geen rekening houden met de geleidelijke onderbreking van de profetische
vervulling, die begon kort na de hemelvaart van onze Heere, hebben zij beweerd
dat God niet bedoelde wat Hij zei door de profeten. Is dit geloof of
ongeloof; is het geestelijk of vleselijk; is het verstandigheid of
onwetendheid?
Zij die de "vergeestelijking" van de profetische Geschriften
leren, dienen het geheimenis te erkennen, in plaats van de profetie te
veranderen. Als zij eenmaal het uitzonderlijk karakter van Paulus' bediening
duidelijk zien en van zijn "prediking van Christus overeenkomstig de
openbaring van het geheimenis", zal het hun duidelijk worden dat de elf
apostelen en hun Here allen, ten laatste de werkelijke herstelling van Israel's
koninkrijk op het oog hadden.
Maar "vergeestelijking", de moeder van dwaalleringen, wordt ook
in mildere vorm toegepast door sommigen die het tegenstaan als een systeem van
uitleg. De voornaamste Fundamentalist, van wie we zijn geschriften hebben
aangehaald, leerde dat onze Here, Israel terzijde gesteld heeft vףףr deze
gehele bedeling, zelfs voordat Hij aan het kruis ging, en duizenden oprechte
gelovigen zijn hem in deze veronderstelling gevolgd, denkend dat de apostelen
werkten vanuit een verkeerd besluit, dat de vestiging van het Messiaanse
koninkrijk op handen zou zijn. In zijn Lectures on the book of Acts, zegt
de schrijver:
"Op het moment dat het werk van Christus voltooid was, kon redding
worden aangeboden aan alle mensen overal... Hij (de Here) verdroeg geduldig, samen met Zijn discipelen en de eerste
Christenen gedurende jaren, omdat zij hun bediening uitsluitend bepaalden tot de
verloren schapen van het huis van Israel" (Pp.11,12).
Om aan te tonen tot welke verwarring zo`n leer leidt, moeten we wijzen op
het feit dat dezelfde schrijver in hetzelfde boek zegt:
"Er bestaat geen andere wijze van uitleg van de wonderbare
resultaten van de prediking van de apostelen dan deze, - zij waren vervuld met
de kracht van de Heilige Geest van God...zij hadden deze doop nodig om gereed te
zijn voor hun dienst..." (Pp.19,20).
Dit, nadat werd gezegd dat de Here geduldig verdraagzaam was met de
apostelen, vanwege het falen om hun opdracht te vervullen!
Eveneens, nadat betuigd was, dat "Op het moment dat het werk van
Christus voltooid was, redding kon worden aangeboden aan alle mensen,
overal" (accentuering door ons), zegt hij:
"De nieuwe bedeling werd ingevoegd door de komst van de Heilige
Geest, tien dagen later" (P.26, accentuering door ons).
Maar opnieuw spreekt hij deze beide stellingen tegen, door te
zeggen, met het oog op de oproep van Petrus tot aanwijzing van een vervanger
voor Judas:
"Maar Paulus was nimmer verbonden met de twaalven; in feite zijn er
twaalf, gescheiden van hem. De twaalven zullen een speciale plaats hebben in het
komende koninkrijk, in verband met de regeling van de zaken van Israel... Petrus
handelde klaarblijkelijk zoals de Here had geןnstrueerd vףףr Zijn
hemelvaart" (Pp.29,30).
Zo erkent hij dat de bediening van de twaalven, in tegenstelling tot die
van Paulus, in werkelijkheid verbonden was met Israel en het Messiaanse
koninkrijk, en erkent de bijzonderheid en noodzakelijkheid van Petrus' handelen
met het oog op dit feit. En dit na zijn gezegde dat alles klaar was om redding
aan te bieden aan alle mensen overal, op het moment dat het offerwerk van
Christus werd voltooid, dat de nieuwe bedeling werd ingevoegd met Pinksteren, en
dat de Heere geduldig verdroeg, samen met Zijn discipelen,
gedurende hun bediening uitsluitend aan Israכl!
Zo'n verwarring verdwijnt, wanneer we de achtergrond van de passage die
we beschouwen, in gedachten houden. Niets was tot dan toe geopenbaard
betreffende de proclamatie van "het evangelie van God's genade", noch
van de vorming van de Gemeente, die het Lichaam van Christus is.
Na hun veertig dagen met de opgestane Christus moesten de elven,
voorzover het getuigenis vermeldt, vast besluiten dat zij getuigenis moesten
dragen, allereerst tot Israel, en dan tot alle volkeren, dat de gekruisigde
Koning weer was opgestaan, en dat het God's doel was om Hem terug te zenden om
op Davids troon te regeren.
Zo continueert het eerste gedeelte van Handelingen de verkondiging van
het Messiaans koninkrijk aan Israel, in antwoord op het stervend gebed van onze
Here: "Vader, vergeef hun; zij weten niet wat zij doen"
(Luk.23:34). Dat de apostelen uitzagen naar de vestiging van het koninkrijk is
duidelijk vanuit de passage die wij beschouwen, alleen wisten zij niet hoe
spoedig dit zou plaats vinden.
EEN BETEKENISVOL ANTWOORD
"En Hij zeide tot hen: Het komt u niet toe, te weten de tijden of
gelegenheden die de Vader in Zijn eigen macht gesteld heeft" -
(Hand.1:7).
Bij het beschouwen van het antwoord van onze Here aan de elven zullen we
het feit benadrukken, dat zij Hem niet vroegen of het koninkrijk zou
worden hersteld. Wat dat betreft hadden zij geen vraag. Zij hadden gevraagd: "Here,
zult Gij IN DEZE TIJD het koninkrijk aan Israel weer oprichten?"
Het is hetzelfde als met Zijn antwoord. Het geeft geen aanleiding te
denken dat er ook maar de geringste vraag is over het herstel van het
koninkrijk. Het vertelt hen alleen, dat het niet aan hen is te weten wanneer het
zal worden hersteld.
Dit is belangrijk, want indien zij, Zijn aangestelde getuigen, op dit
laatste ogenblik nog een misvatting over de vestiging van het koninkrijk op
aarde gekoesterd hebben, zoals sommigen veronderstellen, dan zou onze Here zeker
zo eerlijk geweest zijn om deze misvatting direct te corrigeren.
In het antwoord van onze Here dat het hen niet toekwam te weten
wanneer
het koninkrijk zou worden hersteld, was duidelijk afleidbaar dat het te Zijner
tijd zou worden hersteld. In deze zaak was toen Zijn eer in het geding.
Indien Hij niet van plan was om het koninkrijk aan Israכl te herstellen, was
zijn antwoord zeer zeker misleidend en oneervol, want datgene wat niet zal
komen, kan onmogelijk "tijden en gelegenheden" hebben. Daardoor is de
gevolgtrekking juist, dat de vraag van de apostelen gerechtvaardigd en
verstandig was.
EEN MOEILIJK DILEMMA
Deze passage stelt hen, die de waarheid van het geheimenis niet erkennen
voor een moeilijk dilemma.
Indien, b.v., onze A-Millennium-broeders gelijk zouden hebben met hun
uitleg van de Schrift, zou onze Here "Ja" geantwoord hebben op de
vraag van de apostelen (waarschijnlijk hun "vleselijk" zicht op het
koninkrijk corrigerend), want volgens het A-Millennium standpunt "de
Kerk is Israel", zit Christus nu
op de troon van David. A-Millennium "vergeestelijkt" de
koninkrijksbeloften.
Indien daarentegen, de gemiddelde Pre-Millenniumist gelijk heeft, zou
onze Here "Nee" hebben geantwoord, want de grote meerderheid van de
Pre-Millenniumisten zijn het erover eens dat Israכl bij het kruis terzijde werd
gesteld en dat het Lichaam begon op Pinksteren.
Maar het interessante feit is, dat onze Heere
noch "Ja",
noch "Nee" zei, maar "Het komt u niet toe de tijden en
gelegenheden te weten".
De reden hiervoor wordt onmiskenbaar duidelijk in het licht van het
geheimenis dat later door Paulus werd geopenbaard.
Onze Here wist iets, wat voor die tijd nog geheim gehouden werd. Hij wist
dat Israel Hem zelfs in Zijn opstanding zou afwijzen; dat de "grote
opdracht" zou "vastlopen", als het ware,
door Israel's ongeloof, en plaats zou maken voor een andere, een grotere
opdracht, om het evangelie van God's genade te prediken, dat de bediening van de
twaalven zou plaats maken voor die van Paulus, en dat het koninkrijk zou plaats
maken voor "de Gemeente die Zijn Lichaam is".
Zou de Here aan de apostelen verteld hebben wat de uitkomst van hun
boodschap zou zijn, zo zouden zij natuurlijk niet dezelfde hartstochtelijke bede
tot Israel gericht hebben om de Messias te accepteren. Zij zouden niet van harte
het aanbod van het koninkrijk hebben kunnen doen.
Israel zou op haar beurt hebben kunnen tegenwerpen, dat zij geen eerlijke
kans zou hebben gehad; dat er geen ernstige oproep tot bekering, noch een
betrouwbaar aanbod van het koninkrijk was geweest.
Daarom vertelde de Here Jezus de apostelen niet dat, menselijk gesproken,
het herstel van het koninkrijk in de waagschaal stond, maar zei eenvoudig:
"Het komt u niet toe, te weten de tijden...maar...gij zult Mijn getuigen
zijn..." Deze koers werd genomen opdat Israel een eerlijk aanbod van het
koninkrijk zou krijgen en er geen excuus zou overblijven voor de afwijzing
ervan.
Het antwoord van onze Here maakt ייn ding klaarhelder: dat God's doel
om "het Lichaam van Christus" te formeren uit verzoende Joden en
heidenen, als een meesterstuk van Zijn genade, toen nog een verborgenheid was.
TWEE SLEUTELVERZEN
Het is interressant om de vraag van de apostelen aan het begin van dit
hoofdstuk van Handelingen, te vergelijken met Paulus' verklaring in het laatste
hoofdstuk, ongeveer dertig jaren later:
Hand.1:6: "Here, zult gij in deze tijd aan Israel het koninkrijk
weer oprichten?"
Hand.28:28: "Het zij u dan bekend, dat de
zaligheid van God tot de heidenen gezonden is, en dezen zullen horen."
Dit zijn twee sleutelverzen in het boek Handelingen. In de tussentijd
werd Messias en Zijn koninkrijk aan Israel aangeboden met wonderen en tekenen
van Pinksteren, maar Israel bleef het aanbod afslaan en daarmee ook het
voorrecht om redding en zegen te brengen aan de heidenen.
Hoe dichtbij is de verlossing van Israel geweest! Hoe grijpbaar,
menselijk gesproken, had de mensheid, onder God, de heerschappij over Satan en
de machten van het kwade, terug ontvangen!
"Maar nu zien wij nog niet dat alle dingen Hem onderworpen
zijn" (Hebr.2:8).
Er was echter een diepere reden waarom het koninkrijk nog niet werd
gevestigd. De profetie kon niet worden vervuld, totdat het geheimenis was
geopenbaard. God wilde de mensen toelaten, zelfs Zijn uitverkoren volk, om de
totale verdorvenheid van hun hart te tonen, zo dat Hij kon tonen dat redding
alleen en uitsluitend geschiedt en moet geschieden, door genade, en door
genade alleen. Dit is de les die Hij begon met te leren toen Hij
neerboog om de grootste der zondaars te redden (1Tim.1:12-16), en hem uitzond om
"het evangelie van God's genade" te proclameren. Dit is de les die
zelfs het uitverkoren volk moet leren en zal leren, wanneer ten laatste
"geheel Israel zal zijn gered".
Maar laat ons terugkeren naar de Olijfberg om de afscheidswoorden van de
Here aan Zijn elf apostelen te horen.
DE AFSCHEIDSOPDRACHT
"maar gij zult ontvangen de kracht van de Heilige Geest, Die over
u komen zal; en gij zult Mijn getuigen zijn, zowel te Jeruzalem, als in geheel
Judea en Samaria, en tot aan het uiterste van de aarde." - (Hand.1:8).
Deze afscheidswoorden van onze Here aan Zijn elf apostelen zijn
terzelfder tijd de grote opdracht waarmee het Boek der Handelingen opent, en een
helder verstaan hiervan is danook van het grootste belang.
Er is uiteraard veel betekenis gehecht aan de verschillende weergaven van
de afscheidsbevelen van onze Here, maar het is een droevig feit, dat in deze
laatste tijd in de geschiedenis van de Kerk, de meeste Fundamentalisten nog
oneens zijn of er enige, dan wel allen, of geen enkele van hen, slaat op deze
tegenwoordige tijd. Met andere woorden, de Fundamentalisten van de 20ste eeuw
als geheel, zijn er nog steeds onzeker over wat onze marsbevelen eigenlijk zijn!
KEUZE VAN OPDRACHTEN
Al dwalend wordt beweerd, dat onze Here, voordat Hij naar de hemel voer,
zeer zeker voor ons instructies heeft nagelaten om uit te voeren, maar
tegelijk zijn zij onzeker over bepaalde elementen in de weergave van Zijn
afscheidswoorden die niet rijmen
met het evangelie van Gods genade. Zo hebben velen van de leidende
Bijbeluitleggers van de vorige generatie toegegeven aan wat we zouden willen
noemen, "keuze van opdrachten".
Geconfronteerd met moeilijkheden in de verschillende opsommingen van de
opdracht, zoals de geldigheid van Matt.28:20, de redding door dopen, en
wondertekenen uit Mark.16:16-18, het gezag om zonden te vergeven in Joh.20:23,
en het "eerst Jeruzalem" uit Luk.24:47 en Hand.1:8, hebben zij
besloten dat onze Here meerdere verschillende opdrachten gegeven moet hebben;
dat Hij, binnen enkele dagen tijd, aan dezelfde mensen twee of meer
verschillende opdrachten gaf, er zeker van zijnde welke moest worden uitgevoerd
zodra de Heilige Geest zou komen, en de rest te worden uitgevoerd door een
andere generatie in de toekomst.
En zo hebben zij gekozen dat wij zouden gehoor geven aan die opdracht of
opdrachten, die voor hen de minste moeilijkheden leek op te leveren - alleen
zij zijn het nimmer over een keuze eens geworden!*/*
DE ENE OPDRACHT
Wij zijn ervan overtuigd, dat we in Hand.1:8 niet een van de
verschillende opdrachten hebben, door de Here gegeven in de veertig dagen voor
Zijn hemelvaart, maar een van de verschillende opsommingen van dezelfde
opdracht.
Om het niet sterker te zeggen, de theorie dat er verschillende
opdrachten zouden zijn is gezocht en onnatuurlijk - het is duidelijk een manier om
moeilijkheden te voorkomen.
Om voor een ogenblik iedere poging van toepassing op deze tijd te
vergeten, is het zeker niet vreemd dat de verschillende opsommingen van de
opdracht ook verschillende details kunnen bevatten; indien zij dat niet deden,
zou er verdenking kunnen ontstaan van conspiratie aan de kant van de geןnspireerde
schrijvers.
Omdat verder de opsommingen verschillend zijn, zijn zij in geen
geval elkander tegensprekend. Zij zouden echter kunnen schijnen te botsen
met wat vervolgens plaats vond, zij gaan echter niet tegen elkander in. De ene
weergave vult de andere eenvoudig aan.
In de getuigenissen zelf is er geen aanleiding, hoe ook, dat onze Here
twee of meer verschillende opdrachten gaf. Nog veel minder is er enige
aanleiding dat Hij de apostelen bevelen gaf waaraan niet zij, maar een andere
generatie van gelovigen zou moeten gehoor geven. Zijn woorden zijn te duidelijk
gericht tot hen, terwijl zij hen vertellen, waar te gaan, en wat
te doen.
Dat deze getuigenissen alle overeenstemmen als
ייn grote opdracht
aan hen is zeker besloten in Hand.1:2 en 3, waar we lezen dat onze Here werd
opgenomen "nadat Hij door de Heilige Geest aan de apostelen die Hij
uitverkoren had, bevelen had gegeven", nadat Hij "veertig dagen
lang met hen sprak over de dingen die het koninkrijk van God aangaan".
De vraag blijft nu over hoe, en zo ja, of de "grote opdracht"
kan worden gezien als overeenstemmend met God's geopenbaarde boodschap en
programma voor deze tegenwoordige bedeling, zoals ons gegeven in de
brieven van Paulus.
Maar voordat deze vraag wordt beantwoord is er nog een andere fase van
het probleem die dient te worden besproken.
DE GROTE OPDRACHT EN DE ELVEN
Zelfs onder hen die onze grote opdracht niet vinden in welke
weergave danook van de afscheidswoorden van onze Here, zijn er velen die
instemmen met het standpunt, dat de verschillende weergaven in de evangeliכn en
de Handelingen, werkelijk verschillende opdrachten zijn.
De moeilijkheid in hun geval ligt niet, Goddank, in het in
overeenstemming brengen van de getuigenissen met het geopenbaarde programma voor
deze eeuw, maar in het harmonizeren van deze, met wat de apostelen zelf
feitelijk deden.
Zij wijzen er bijvoorbeeld op, dat de opdracht, weergegeven in Matt.28, dopen beveelt "in de naam van de Vader, de
Zoon en de Heilige Geest" terwijl we in de Handelingen niet vinden dat de
apostelen deze "formule" gebruiken. In plaats daarvan vinden we dat
gelovigen worden gedoopt "in de naam van de Here Jezus". Zij
concluderen hieruit, dat de opdracht, weergegeven in Mattheus, hoewel
geadresseerd aan de apostelen, feitelijk helemaal niet voor hen bedoeld was,
maar voor een toekomstige generatie van gelovigen.
Maar zo'n schijnbare moeilijkheid zou toch een zwakke grond vormen, zo
schijnt het ons toe, tot het plaatsen van een geforceerde, onnatuurlijke
constructie op een duidelijke Schriftplaats. Moeilijk uit te leggen details
moeten plaats maken voor de klare, natuurlijke bedoeling van een context.
Het was deze zelfde moeilijkheid wat betreft de "formule", die
oorzaak was voor Dr.Haldeman, die doopte in de naam van de Drie-eenheid, om
kerklidmaatschap te weigeren aan iemand die gedoopt was door Dr.Pettingill in de
naam van de Here Jezus.
Maar is hier eigenlijk wel een moeilijkheid? Krachtens welk gezag mogen
wij de uitdrukking in Matt.28:19 een formule van woorden noemen die bij
dopen moet worden uitgesproken? Het is waar dat de Schriften het nergens een
formule noemen. Wij moeten er op letten hier niet alleen voor de traditie te
buigen. De apostelen moesten, volgens Matt.28, dopen in de naam van de drieכnige
God, maar is onze Here niet de belichaming van de Godheid?
"WANT IN HEM WOONT AL DE VOLHEID VAN DE GODHEID LICHAMELIJK"
(Col.2:9).
Verder zal een zorgvuldige studie van het gebruik van de uitdrukking
"in de naam van" en speciaal van het woord "in" (Gr.eis)
zelfs aantonen dat de uitdrukking niet noodzakelijk betekent "in de persoon
van", maar eerder "als vertegenwoordiger van" of "op gezag
van".
Het feit dat de elven niet - voorzover het betreft het getuigenis -
daadwerkelijk de gehele wereld ingingen, werpt ook een probleem op voor sommigen
die het er niettemin voor houden dat onze opdracht anders is. Enigen van hen
blijven er inderdaad aan vasthouden, dat de Handelingen-opdracht feitelijk alleen aan de apostelen werd gegeven om te
gehoorzamen en moet worden gelezen: "Gij zult mijn getuigen zijn...tot aan
de grenzen van het land", in plaats van "tot aan de uitersten van de
aarde". Dit is, zoals zij gevoelen, de oplossing van hun probleem, want
omdat er geen verslag bestaat van de apostelen, gaande tot de einden van de aarde,
bereikten zij niet de grenzen van het land, dat is, het land
Palestina.
Maar zeker Luk.11:31 en Hand.13:47 zijn correct vertaald in de
Statenvertaling: "de einden der aarde" en "tot aan het
uiterste der aarde". In deze passages wordt precies dezelfde
uitdrukking gebruikt voor het woord in kwestie (Gr.ge), maar het is
duidelijk dat de Koningin van Scheba niet kwam vanaf de grenzen van het land
Palestina om Salomo te bezoeken en het is ook duidelijk dat onze Here niet
bestemd was tot redding, alleen binnen de grenzen van Palestina.! Het vertalen van
ge als land in Hand.1:8 is, net als de
keuze van de opdrachten uit de verschillende getuigenissen, slechts een middel
tot ontsnapping uit een moeilijkheid - onwettig gebruik van een techniek.
"Tot aan het uiterste der aarde" is ongetwijfeld correct en komt
geheel overeen met het "alle volken", "de hele wereld" en
"alle schepselen" van de andere weergaven.
DE OPLOSSING
De eenvoudige oplossing van het probleem is, dat de zogenaamde
"grote opdracht", zoals aangegeven in de evangeliכn en in het boek
Handelingen, inderdaad werd gegeven aan de elven, zij is helemaal niet onze
opdracht. De reden dat zij die niet completeerden was niet dat zij niet wilden,
maar omdat zij niet konden. Het was de schuld van Israel's hardnekkige
afwijzing van de Messias.
De elven (na de hemelvaart vermeerderd tot twaalf, Hand.1:26) zouden
graag alle volken tot discipelen gemaakt hebben, maar zij hadden uitsluitend
aanwijzingen ontvangen om te beginnen met het volk Israel. De reden hiervoor zal
duidelijk zijn voor hen, die zich herinneren dat overeenkomstig de grote
Abrahamitische en Davidische verbonden, en overeenkomstig alle profetieכn, de
volkeren zouden worden gezegend door dat volk. Dit is het waarom de
apostelen zo ernstig werkten om Israel aan de voeten van de Messias te brengen.
Hoor hoe Petrus met hen pleit in de zuilen van Salomo:
"Gij zijt kinderen van de profeten, en van het verbond, dat God
met onze vaderen opgericht heeft, toen Hij tot Abraham zei: En in uw zaad zullen
alle geslachten van de aarde gezegend worden.
"God heeft, na Zijn Kind opgewekt te hebben, Hem eerst tot u
gezonden, dat Hij u zegenen zou, doordat Hij een ieder van u afbrengt van uw
boosheden" (Hand.3:25,26).
Maar Israel verachtte de smeking en God zette het opstandige volk opzij
tot een toekomstige dag.
Toch leren we van Rom.11:15 dat "HUN VERWERPING" de weg opende
tot "DE VERZOENING VAN DE WERELD".
Aan deze verbazingwekkende verklaring dienen nog twee andere passages te
worden toegevoegd, Rom.11:32 en Eph.2:16:
"WANT GOD HEEFT HEN ALLEN ONDER DE
ONGEHOORZAAMHEID BESLOTEN, OPDAT HIJ HUN ALLEN ZOU BARMHARTIG ZIJN."
"EN OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN EEN LICHAAM ZOU VERZOENEN DOOR
HET KRUIS, TERWIJL HIJ DAARDOOR DE VIJANDSCHAP GEDOOD HEEFT."
ONZE GROTE OPDRACHT
"...en waar de zonde toenam, daar is de genade veel overvloediger
geweest" (Rom.5:20).
Het was, toen de zonde tot haar hoogte was gestegen, toen Israel zich had
gevoegd bij de heidenen in hun opstand tegen God en oorlog verklaard had aan de
Messias, God's Gezalfde, dat God, in Zijn oneindige genade, optrad om de leider
van de opstand te redden, en van hem de grote apostel van genade te maken.
Aan hem, en door hem is tot ons, de grootste opdracht gegeven.
"En al deze dingen zijn uit God, Die ons met Zichzelf verzoend
heeft door Jezus Christus, EN ONS DE BEDIENING VAN DE VERZOENING GEGEVEN HEEFT;
"Want God was in Christus de wereld met Zichzelf verzoenende, hun
zonden hun niet toerekenende; EN HEEFT HET WOORD VAN DE VERZOENING IN ONS
GELEGD.
"Zo zijn wij dan gezanten voor Christus, alsof God door ons bad; wij
bidden voor Christus: Laat u met God verzoenen.
"Want Hem, Die geen zonde gekend heeft, heeft Hij tot zonde voor ons
gemaakt, opdat wij zouden worden rechtvaardigheid van God in Hem" (2Cor.5:18-21).
HET WOORD DER WAARHEID
RECHT SNIJDEN
Laat ons er dan acht op geven om het Woord van de waarheid juist te
verdelen, zodat wij welbeproefd voor God zullen staan, als arbeiders die zich
niet behoeven te schamen. Laat ons er zeker van zijn dat we Zijn wil voor ons
verstaan, opdat Hij ons niet beschuldigt als zijnde ijveraars zonder kennis,
vanwege de onverschilligheid ten opzichte van Zijn Woord.
Het wettisisme vanuit Matt.28:20, de doop bij redding, en wondertekenen
uit Mark.16:16-18, het gezag om zonden te vergeven */
uit Joh.20:23, en het "Jeruzalem eerst" uit Lukas en de Handelingen,
passen alle perfect in het programma dat de twaalven daadwerkelijk volgden
gedurende de Pinksterperiode, maar zij passen niet in onze grote
opdracht, en waar mensen trachten deze vandaag toe te passen, volgt frustratie
en verwarring. Voor het grootste deel, spreken de Fundamentalisten wel over
"de grote opdracht gehoorzamen", maar doen het niet - en inderdaad, kunnen
niet - gehoor geven aan welke uitleg ervan ook.
Maar onze heerlijke opdracht is volstrekt geכigend
voor de dagen waarin
wij leven. In ons aanbod tot redding is er niets spectaculairs, geen doop met
water, noch wondertekenen. Werken tot zaligheid worden niet verlangd of zelfs
toegestaan, want "Nu is de gerechtigheid Gods zonder wet openbaar
geworden". Evenmin is onze boodschap gerelateerd aan de aarde, dat we
zouden moeten beginnen bij de hoofdstad van een of ander volk en daarvan uitgaan
om discipelen te maken van andere volkeren. Het is eenvoudig een boodschap voor
arme verloren zondaars overal, onder aanbieding van verzoening met God door
genade, door het geloof in Zijn verworpen Zoon.
Dat is onze opdracht. Dat wij deze ook getrouw mogen uitvoeren!
|