|
H O O F D
S T U K XLIX - H A N D. 28:17-31
PAULUS TE ROME
DE INLEIDENDE ONTMOETING MET
DE JOODSE LEIDERS
"En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus samenriep degenen
die de voornaamsten der Joden waren; en als zij samengekomen waren,
zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen
het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem
overgeleverd in de handen der Romeinen;
"Dewelke mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen
schuld des doods in mij was.
"Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op
den keizer te beroepen; doch niet alsof ik iets had mijn volk te
beschuldigen.
"Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan
te spreken; want vanwege de hope Israכls
ben ik met deze keten omvangen.
"Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van
Judea ontvangen; noch iemand van de broederen hier gekomen zijnde,
heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.
"Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij gevoelt; want wat
deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken
wordt.
- Hand.28:17-22.
Waar Paulus ook tot dusver geweest was in zijn bediening, zijn
politiek was altijd geweest: "Eerst de Jood". Men zou
veronderstellen dat dit nu zou veranderen. Zijn laatste ernstige
oproep aan zijn volksgenoten in Jeruzalem had slechts verzet gewekt,
zo bitter, dat zijn huidige bewaking in Rome, zijn enige bescherming
was voor hun woede! Hij was gedwongen geworden zich op de Keizer te
beroepen om aan hun aanvallen te ontkomen. Bovendien, wie kon van
hem verwachten dat hij onder deze omstandigheden eerst naar
de Jood zou gaan? Hij was gebonden door een keten, en kon
geen synagoge bezoeken, of gaan waar Joden samenkwamen.
En
toch was zijn eerste zorg hier in Rome voor zijn verwantschap.
Misschien zouden sommigen van hen nog gered worden. In ieder geval
mocht het uitverkoren volk, van Jeruzalem tot Rome, geen excuus
hebben.
Zo
was het, dat hij reeds na "drie dagen", besteed aan inrichting, en
ontmoeting met nieuwe en oude Christelijke vrienden, "de
voornaamsten der Joden samenriep" voor een inleidende bespreking,
waarop een afspraak en plannen zouden worden gemaakt voor een
uitgebreide discussie over de zaken die hen allen zo zeer betrof.
Typisch tactisch, wendde de apostel zich tot hen in een terminologie
die zij zouden waarderen: "Mannen broeders", "het volk", "onze
vaderen". Maar toch lette hij op, geen valse indrukken te wekken.
Alleen een extreme leraar van bedelingen, die gelijk wil hebben, zal
proberen te bewijzen, dat de woorden van de apostel in V.17
betekenen, dat tot op dat tijdstip, de apostel de wetten en
gewoonten van het Judaןsme strikt
had onderhouden.
In
werkelijkheid zei hij niets van die aard, of kon hij
eerlijkheidshalve zo gedaan hebben, want zelfs extreme bedelingen
leraars, die zijn woorden in 1Cor.9:20,21 uitleggen als te
betekenen, dat het zijn gedragslijn was om terug, en dan weer verder
te gaan onder de wet, en dan weer onder de wet vandaan,
zullen moeten toegeven, dat hij de Joodse wetten en gewoonten
niet heeft onderhouden, toen hij onder de heidenen was.
Zo
bewijst deze passage in geen geval, dat Paulus tot dan toe, onder de
wet geleefd had, en een koninkrijkboodschap verkondigde. Hij gaf
zich hier niet bloot. Hij zei niet: "Ik heb de wetten onzer vaderen
getrouw gehouden". Hij zei in werkelijkheid: "Ik heb niets gedaan
tegen mijn volk, of de gewoonten van onze vaderen". Waar het om
gaat is eenvoudig, dat hij niet schuldig was aan profaneren van hun
heilige gewoonten. Hij had noch het volk, noch hun traditionele
gebruiken met minachting*/[1]
behandeld. Diegenen, die zo gemakkelijk geloof en gewoonten die voor
anderen heilig zijn, belachelijk maken, zouden er goed aan doen, het
gedrag van Paulus in dit geval op te merken.
Vervolgens dient te worden opgemerkt, dat de apostel een
verdedigende houding aanneemt, als hij nu vertelt hoe, zonder
zich schuldig te hebben gemaakt aan het aanvallen van het Judaןsme,
hij overgeleverd werd als gevangene, in de handen van de Romeinen.
Dit zou erop kunnen lijken, dat hij hun sympathie wil winnen, want
een van de gruwelijkste dingen die een Jood kon doen, was een
broeder overleveren in handen van de onbesneden Romeinse bezetters.
Hij wijst er echter verder op, dat zijn Romeinse rechters hem
onschuldig achtten van de misdaden die tegen hem waren ingebracht,
en dat zij hem inderdaad zouden hebben laten gaan, als de
Joden niet daartegen hadden geprotesteerd.
Hierin was de ervaring van Paulus niet anders, dan die van zijn
Here. Elke elkander opvolgende Romeinse magistraat had hem
onschuldig geoordeeld, en elk zou hem persoonlijk naar het recht
vrijgesproken hebben, maar zoals het ook met onze Here was,
bepaalden de Joodse wensen een belangrijk deel van hun beslissingen.
Zo
legt dus de apostel uit, dat hij hier in Rome is als een
verdediger, niet als een aanklager. Hij was gedwongen**/[2]
zich op de Keizer te beroepen, om te voorkomen dat hij zou worden
overgeleverd aan een bevooroordeeld tribunaal (25:9,10), en
hoogstwaarschijnlijk door sluipmoordenaars worden overvallen
voordat hij zou zijn verhoord (25:2,3). Toch is hij hier niet om
enige aanklacht te doen tegen zijn vervolgers. Hij vertelt niet, hoe
zij hem uit de tempel sleepten, hem sloegen, en aan het vermoorden
waren op het enige vermoeden, dat hij een heiden
binnen het heiligdom gebracht zou hebben. Ook niet hoe de opgewonden
menigte om zijn dood had geroepen, hun klederen scheurden en stof in
de lucht wierpen, noch hoe de hogepriester had bevolen dat hij voor
zijn mond geslagen moest worden, zelfs vףףrdat
hij door het Sanhedrin was verhoord. Of hoe meer dan veertig Joden*/[3]
een complot hadden gesmeed, niet te eten of te drinken dan tot zij
hem gedood hadden, - en al deze en nog andere gewelddaden, die hij
had kunnen opnoemen.
Hij heeft geen enkele tegenaanval gedaan tegen zijn beschuldigers,
voor geen enkele Romeinse rechter, noch zal hij dat nu doen voor
Caesar. Ook zal hij zelfs deze toehoorders niets vertellen
van al deze gewelddaden. Zijn lippen zijn wat dat betreft verzegeld.
Hij is inderdaad zover gegaan om het uitverkoren volk te sparen, en
hier zal hij dat nogeens doen, terwijl hij aan zijn verklaring voor
zijn tegenwoordigheid hier, de woorden toevoegt: "niet alsof ik
iets had mijn volk te beschuldigen".**/[4]
Terwijl er veel was waarvan hij zijn volk had kunnen beschuldigen,
herinneren wij ook eraan, dat er veel was waar zij hem van
konden beschuldigen. Hij had hen eerst aangevoerd in de opstand
tegen Christus. Een boodschap van genade uit zijn pen, was
daarom zeer op zijn plaats. Er was overvloedig aangetoond, dat de
kinderen van Abraham, samen met alle andere kinderen van de gevallen
Adam, zondaars waren.
Maar zijn hoofdmotief om hen samen te roepen was, hun te tonen hoe
de waarheid die zijn beschuldigers zo bitter tegenstonden, en wat
hem nu zijn vrijheid had gekost, juist "de hoop van Israel" was.
Deze waarheid was niet alleen datgene, wat de profeten hadden
voorspeld over de heerschappij van Messias, want dat hadden de
gelovigen te Jeruzalem daar reeds enige tijd zonder ernstige
tegenstand gepredikt. Het was eerder de waarheid van de opstanding
in het algemeen, en de opstanding van Christus in het bijzonder.
Deze waarheid, die Paulus verkondigde met meerder licht en groter
kracht dan wie ook van de twaalven had gekund, en die zo de
vijandschap van de Joden opwekte, was in werkelijkheid Israels enige
hoop. Zeer zeker zou, als het niet waar was dat de
gekruisigde Messias weer opgestaan was, er geen hoop op een komend
koninkrijk zijn, want er is geen andere Messias. En, wat nog
belangrijker is, dan zou er geen hoop zijn op vergeving van de
zonden van Israel, want een dode Messias kon niet redden.
In
de passage die voor ons ligt, zegt de apostel: "vanwege de hope
Israels ben ik met deze keten omvangen" (V.20). Nu, bij het
ernstig onderzoek van de Schriften, zal iedere student leren, dat
Paulus "met deze keten omvangen" was, niet wegens het
verkondigen van dat waar Israel op hoopte, het koninkrijk, maar
wegens verkondiging van dat wat de basis was van haar hoop,
de opstanding***/[5].
Laten we dan het verslag bezien:
Voor het Sanhedrin verklaarde de apostel duidelijk, waarom hij door
de Joden in deze kwestie werd onderzocht:
"Mannen broeders...IK WORD OVER DE HOOP EN OPSTANDING DER DODEN
GEOORDEELD" (23:6).
En
voor Felix verklaarde de apostel:
"Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte
noemen, den God der vaderen alzo dien...HEBBENDE HOOP OP GOD,...DAT
ER EEN OPSTANDING DER DODEN WEZEN ZAL..." (24:14,15).
En
toen Festus aan Agrippa "Paulus' zaak uitlegde", zei hij:
"...de beschuldigers...geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik
vermoedde; Maar hadden tegen hem enige vragen (kwesties)...van
ZEKEREN JEZUS, DIE GESTORVEN WAS, WELKEN PAULUS ZEIDE TE LEVEN"
(25:18,19).
Bij zijn verhoor voor Agrippa, zei de apostel:
"EN NU STA IK EN WORD GEOORDEELD OVER DE HOOP DER BELOFTE, DIE VAN
GOD TOT DE VADEREN GESCHIED IS;...OVER WELKE HOOP IK, O KONING
AGRIPPA, VAN DE JODEN WORD BESCHULDIGD" (26:6,7).
De
belofte was, uiteraard, de herstelling van het koninkrijk in
heerlijkheid voor Israel, maar "de hoop van de belofte" was
de opstanding, want de apostel gaat voort en zegt:
"WORDT HET BIJ ULIEDEN ONGELOOFLIJK GEOORDEELD, DAT GOD DE DODEN
OPWEKT?" (V.8).
Heel dit gebeuren laat slechts een uitlegging van het laatste van
deze passages toe:
"VANWEGE DE HOPE ISRAELS BEN IK MET DEZE KETEN OMVANGEN"
(28:20).
De
ernstig en ijverig studerende dient nauwkeurig op te merken, dat
vier van deze vijf passages vaststellen, dat Paulus werd
beschuldigd, of in ketenen was, om een speciale reden. Vier
van de vijf stellen, dat deze reden zijn verkondiging van de
wederopstanding moet zijn; en tenslotte, dat in vier van de
vijf, deze waarheid een "hoop" wordt genoemd. In dit verband
dient te worden herinnerd, dat Petrus op Pinksteren Israel had
gewaarschuwd, dat Christus leeft (Hand.2:36; 3:14,15; 4:10),
terwijl Paulus later wederopstanding verkondigde, als het bewijs dat
de kwestie van de zonde, volledig had afgedaan (Rom.4:25; etc.). Het
was toen de wederopstanding, en in het bijzonder de wederopstanding
van de gekruisigde Christus, die "de hoop van Israel" was.
Zoals hij met "deze keten"*/[6]
gebonden was, hoopte de apostel zonder twijfel, dat door hun dit
alles te tonen, hij hun sympathie en ondersteuning bij zijn beroep
voor de keizer zou verkrijgen. Dit lijkt te zijn opgenomen in de
conclusie: "Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u
te zien en aan te spreken..." V.20).
Hun antwoord schijnt meer diplomatiek dan rechtuit te zijn. Zij
zeggen dat zij noch een brief, noch een persoonlijke klacht tegen
hem ontvangen hebben. Toch vertellen zij hem dat zij van "deze
sekte"**/[7]
afweten...die overal tegengesproken wordt" (V.21,22). Diplomatiek
vertellen zij hem, dat zij zijn opinie erover zouden willen
horen, en met die afspraak stellen zij een datum vast voor een
samenspraak.
DE BELANGRIJKE CONFERENTIE
"En als zij hem een dag gesteld hedden, kwamen er velen in zijn
woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde,
en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet
van Mozes en de Profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.
"En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd, maar sommigen
geloofden niet.
"En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit ene
woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken
door Jesaja den profeet, tot onze vaderen,
"Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij
horen en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins
bemerken;
"Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben
zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij
niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen,
en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.
"Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden
is, en dezelve zullen horen.
"En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting
hebbende onder elkander.
"En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning, en
ontving allen die tot hem kwamen;
"Predikende het Koninkrijk Gods en lerende van den Here Jezus
Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd."
- Hand.28:23-31.
Toen de overeengekomen dag aangebroken was, kwamen "velen" van de
Joden naar Paulus' "woonplaats".
Hier zien we nogeens, dat we nauwlettend dienen op te merken hoe
Paulus met hen handelde, en wat dit inhield.
We
lezen, dat hij hen "betuigde" van het koninkrijk van God, en poogde
hen te "bewegen" aangaande Jezus, "beide uit de wet van Mozes en de
Profeten' (V.23).
Moeten we hieruit concluderen, zoals sommigen dit doen, dat tot op
dat tijdstip Paulus alleen predikte wat was opgenomen in de wet van
Mozes en de profeten? Degenen die dit beweren gebruiken over het
algemeen Hand.26:22 om hun overtuiging te staven, maar wij moeten
nog zien dat een van hen het doorslag gevende slot van V.23 eraan
toevoegt.
Het naakte feit is, dat we Paulus in zijn eerdere brieven, en zelfs
in het verslag in Handelingen, veel datgene zien prediken, wat niet
in de wet en de profeten was opgenomen. We horen hem inderdaad al
vroeg, in Hand.13:38,39, in een synagoge prediken, waar hij
rechtvaardiging verkondigt door geloof in Christus buiten de wet.
Maar wanneer hij spreekt met Joden onder de wet, moet hij hen
bewijzen uit hun Schriften, dat Jezus is de Christus. Het is
alleen maar jammer, dat zij in zoveel gevallen weigerden overtuigd
te worden, zodat hij zou kunnen doorgaan hun de glorierijke
waarheden te prediken, die hem ter verkondiging waren toevertrouwd.
Als we ons te binnen brengen, dat het thema van Handelingen
de val van Israel is, en Gods rechtvaardiging van Zichzelf
voor het gaan naar de heidenen, is het niet vreemd, dat we telkens
weer de apostel bezig vinden met het bewijzen aan de Joden dat Jezus
de Christus is, maar niet verder met hen komt, omdat zij het bewijs
niet willen accepteren.
In
dit bijzondere geval gaat hij door met "betuigen" en "overtuigen"
van de morgen tot de avond, met resultaten die op zijn minst
twijfelachtig waren. Sommigen werden bewogen, maar anderen waren
ongelovig, weigerden te worden overtuigd, en onderling verdeeld,
"gingen zij weg"*/[8].
Voordat zij echter vertrokken, deed de apostel die strenge
uitspraak, niet langer geduldig, bijna uitgeput door de lange
tegenstand van vooroordeel en ongeloof, die definitief het einde
bevatte van Gods handelen tot daar aan toe met Israel als volk.
Opgemerkt dient te worden, dat in elke crisis waarbij Paulus zich
van de Joden tot de heidenen keerde, het duidelijk was, dat de Jood
zelf de schuld was, omdat hij had geweigerd de Messias te
accepteren, en daarmee de vervulling van de beloften.
In Jeruzalem, was de Here Zelf aan Paulus verschenen, en
zeide: "Ga inderhaast uit Jeruzalem; want ZIJ ZULLEN UW
GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).
In Pisidisch Antiochiכ, had de
apostel tot de Joden gezegd aangaande Gods Woord, tot hen: "DOCH
NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET
WAARDIG OORDEELT" (Hand.13:46).
In Corinthe, nadat zij zichzelf tot tegenstand aangezet hadden
en lasterden: "UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN;
(Hand.18:6).
En
nu in Rome: "Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den
profeet, tot onze**/[9]
vaderen...HET HART DEZES VOLKS IS DIK GEWORDEN, EN MET DE OREN
HEBBEN ZIJ ZWAARLIJK GEHOORD, EN HUN OGEN HEBBEN ZIJ TOEGEDAAN;
OPDAT ZIJ NIET TE ENIGER TIJD...ZOUDEN ZIEN...EN HOREN...EN
VERSTAAN..." (V.25-27).
Zeven keer verwijst de Geest naar dit oordeel over Israel, en toont
het gevaar van verharding van hun hart tegen God en Zijn waarheid.
Deze beschuldiging van de Joden in Rome door Paulus, dient te worden
vergeleken met die van de leiders in Jeruzalem door Stefanus. Hij
verwees eveneens naar de ongelovige Joden van vroegere tijden als
"uw vaderen", en noemde zijn toehoorders "onbesnedenen van
hart en oren", en beschuldigde hen met "altijd de
Heilige Geest te weerstaan" (Hand.7:51).
De
Joden (met uitzondering van een overblijfsel), van Jeruzalem tot
Rome, hadden nu hun Messias verworpen. Stefanus' eerste uitspraak
werd nu tot een slotsom gebracht, toen Paulus zei:
"HET ZIJ U DAN BEKEND, DAT DE ZALIGHEID GODS DEN HEIDENEN GEZONDEN
IS, EN DENZELVEN ZULLEN HOREN" (V.28).
Wat een dwaasheid, om te beweren dat dit het historisch begin van
het Lichaam van Christus aangeeft! Duidelijk is dit niet het
begin van wat ook, maar het einde van iets - de
terugtrekking van Gods gunst aan Israel, gedurende een komende tijd.
Een grote verandering in Gods handelen met mensen, werd nu voltooid.
Toen Hij op aarde was, had onze Here gezegd tot een Samaritaanse
vrouw: "De zaligheid is uit de Joden" (Joh.4:22). Maar nu
verklaart de apostel van de verheerlijkte Here: "De
zaligheid Gods is den heidenen gezonden" (Hand.28:28).
Gods huidige werk is natuurlijk niet, de vervulling van profetie
onder de heidenen. Dit komt op een toekomstige dag, als Israel
gered is, en de heidenen door haar redding vinden
(Zach.8:13,22,23; etc.). Zijn tegenwoordig handelen wordt
genoemd: "dit geheimenis onder de heidenen", en ons wordt
verteld, dat Hij zou willen dat wij "de rijkdommen van de
heerlijkheid" ervan, zouden kennen (Col.1:27).
Onze harten zullen inderdaad mogen overvloeien van verwondering en
dankbaarheid, dat in deze bedeling van genade, wij, heidenen, aan
wie Israels God niets had beloofd (Eph.2:11,12), gered kunnen
worden, en vergaderd om Israels God en Israels Messias te aanbidden.
En dat, terwijl zij wankelen in de blindheid van ongeloof; dat wij
inderdaad mogen behoren tot dat gezegend Lichaam waarvan Hij het
levende Hoofd is, gezeten met Hem in de hemelse gewesten, met "al de
geestelijke zegeningen" (Eph.1:3; 2:4-10,13).
Het was voorspeld, dat Jehovah van Israel zou scheiden (Jes.50:1);
dat zij Lo Ammi: niet Zijn volk (Hos.1:9) zou zijn,
maar nooit had Hij de bedoeling van Zijn liefdehart bekend gemaakt,
door zaligheid voor de heidenen te brengen, door Israels "val" en
"verwerping" (Rom.11:11-15).
Het is waar, dat in deze bedeling van genade, er voor God "geen
verschil is tussen de Jood en de Griek", en dat "Eenzelfde is
Here van allen, rijk zijnde over ALLEN die Hem aanroepen"
(Rom.10:15). Het is waar, dat "God hen allen heeft besloten onder
de ongehoorzaamheid, opdat hij hen ALLEN zou barmhartig zijn"
(Rom.11:32), en dat gelovige Joden en heidenen nu, zijn
"verzoend ...met God in ייn lichaam
door het kruis" (Eph.2:16). Zo is het aanbod van redding door
genade uitgebreid tot alle mensen, overal, zowel Joden als heidenen.
Maar dit alles verandert niets aan het feit, dat praktisch
gesproken, dit een tijd der heidenen is, eenvoudig omdat zo weinig
Joden Christus als hun Redder willen accepteren. Het aantal Joden in
het Lichaam van Christus is zo klein, dat bijna alle Christelijke
congregaties uitsluitend, of overwegend, zijn samengesteld uit
heidenen in het vlees.
Daarom was de uitdrukking juist: "De zaligheid van God is tot de
heidenen gezonden, en...zij zullen horen". En zo vertrokken de
Joden uit Paulus' woning "veel twisting hebbende onder elkander",
zoals zij dit tot nu toe nog hebben.
Na
verblijf van enige dagen in het huis van vrienden verhuisde Paulus
blijkbaar naar zijn "eigen gehuurde woning", waar hij twee volle
jaren verbleef en allen die hem wensten te bezoeken, ontving (V.30).
Hij was hier blijkbaar betrokken in een zeer vruchtbare bediening,
door God gebruikt, onder meer tot vestiging van een gemeente binnen
het paleis van de Keizer (Phil.1:12,13; 4:22). Ook konden zijn
vijanden hem nu niet bezwaren, want hij werd steeds bewaakt door
zijn Romeinse wacht.
Men zal zich herinneren, dat bij de openingsverzen van Handelingen,
van onze Here wordt gezegd, dat Hij Zijn discipelen gedurende
veertig dagen geleerd heeft "sprekende van de dingen die het
koninkrijk Gods aangaan" (1:3). Dit zal natuurlijk haar
vestiging op aarde betroffen hebben, want dit was wat op Zijn lijden
zou volgen (Hand.1:6; 2:30; 3:19-21; etc.). Sedert die tijd had
Israel, Messias en Zijn heerschappij verworpen. Vandaar dat, wanneer
Paulus in Rome, "het koninkrijk van God en...die dingen die de Here
Jezus Christus betreffen" gepredikt zou hebben, hij uiteraard
verklaren zou, hoe Christus verworpen werd, waardoor de aardse
vestiging van het koninkrijk van God nu achter de hand werd
gehouden, terwijl God een wonderbare boodschap van genade zond, naar
een door zonde vervloekte wereld: een aanbod van verzoening, door
het bloed van Zijn Zoon.
Of
de apostel wel of niet werd vrijgelaten na twee jaren, en verder een
reizende bediening had, vףףr zijn
verhoor en excecutie door Nero, is een kwestie die wij naderhand in
een appendix zullen bespreken.
WAAROM HET BOEK HANDELINGEN
ZO ABRUPT EINDIGT
Het is duidelijk uit het slot van Handelingen, dat het boek, niet in
de eerste plaats een verhaal is van "het ontstaan en de groei van de
Kerk", en ook niet een compleet verslag van "de handelingen der
apostelen". Wat zouden we graag willen weten wat met de Judese
apostelen gebeurde na de opwekking van Paulus! Wat zouden we graag
willen weten hoe het met Paulus gegaan is tijdens deze twee jaren in
zijn eigen gehuurd huis en daarna! Wat zou het lezen van een
geinspireerd verslag van zijn laatste dagen en zijn excecutie teweeg
gebracht hebben!
Maar God liet Lukas niet het Boek Handelingen schrijven om onze
nieuwsgierigheid te bevredigen. Het boek is eerder bedoeld als de
geschiedenis van Israels val, en hoe redding tot de heidenen werd
gezonden. Toen dit voltooid was, en Israel in Rome, net als in
Jeruzalem, en in de tijd daartussen, Christus had verworpen, eindigt
het verhaal. Ten slotte zijn wij nu in staat te begrijpen waarom, in
het volgende boek van de Schrift, Paulus zegt:
"WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN; VOOR ZOVEEL IK DER HEIDENEN APOSTEL
BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).
PAULUS' VERHOOR UITGESTELD
Het feit dat Paulus, nadat hij Rome bereikte, "twee hele jaren in
zijn eigen gehuurde woning verbleef", bezoekers ontving, en
vrijelijk de dingen leerde aangaande de Here Jezus Christus, laat
zien dat zijn verhoor gedurende een vrij lange tijd werd uitgesteld.
In
de eerste plaats lijkt het duidelijk, dat Paulus' beschuldigers niet
naar Rome vertrokken, toen hij ging (Hand.28:21), en vervolgens
niet konden vertrekken, dan in het voorjaar. Verder uitstel
echter zal kunnen zijn te wijten geweest, aan
ייn of een combinatie van
verschillende voorvallen. Het kan zijn geweest door Caesar's gebrek
aan belangstelling in beide partijen. Los van dit, werden
rechtszittingen in Rome dikwijls voor langere tijd uitgesteld, om de
betrokken partijen gelegenheid te geven om getuigen van grote
afstand te laten komen. In dit geval zouden getuigen die de Joden
wellicht wilden vragen om tegen Paulus te getuigen, van vele
verre plaatsen moeten komen (Zie Hand.24:5).
Het kan ook, dat de beschuldigers van Paulus geen moed hadden om
tegen hem te verschijnen. Zij hadden niet gewenst dat de zaak
voor Caesar werd gebracht; hij was het die zich op Caesar
beroepen had. De vooruitzichten op hun overwinning in de zaak tegen
hem, waren niet zo gunstig in het licht van de meningen van Julius,
Festus en Agrippa (Hand.23:26-29; 25:25,26; 26:31,32), en volgens
het formele rapport, dat Festus ondertussen naar Caesar zal hebben
gezonden.
TIJDENS HET UITSTEL
We
hebben reeds gezien, dat gedurende dit uitstel, of minstens twee
jaren lang, de apostel ongehinderd een actieve en intense bediening
uitoefende in het ontvangen van bezoekers, prediking en onderricht.
Deze bediening droeg overvloedig vrucht.
Stel u voor, de gevoelens van de soldaten van de Praetoriaanse
Garde*/[10]
toen zij, de een na de ander, zich temidden van samenkomsten van
gelovigen bevonden, met Paulus als voorganger! Conybeare en Howson's
Life and Epistles of Saint Paul bevatten de volgende
paragrafen over Paulus' bediening in die tijd:
"...Maar niets hierin (zijn Epistel aan de Philippenzen) in
suggestiever dan zijn toespeling op de Praetoriaanse gardisten, en
op de bekeerlingen die hij had gewonnen in het huis van Nero. Hij
vertelt ons (zoals we zo juist hebben gelezen), dat hij door het
hele Praetoriaanse Kwartier bekend stond als een gevangene voor de
zaak van Christus, en hij zendt speciale groeten naar de
Philippische gemeente van het Keizerlijke huis. Deze notities maken
de morele contrasten waarmee de Apostel omringd was, zeer levendig
voor ons. De soldaat waaraan hij vandaag was geketend, was misschien
de vorige dag in de lijfwacht van Nero; zijn kameraad die de wacht
overnam bij de gevangene, kan ייn
van de beulen van Octavia geweest zijn, en zal misschien een paar
weken tevoren haar hoofd naar Poppaea hebben gebracht. Dit waren de
gewone handelingen van de woeste, bloed bevlekte veteranen, die
dagelijks aanwezig waren, als wolven temidden van de schapen, bij de
samenkomsten van de Christelijke broederschap. Als er onder deze
soldaten enkelen waren die niet totaal verhard waren door een leven
van wreedheid, moeten hun harten zeker bewogen geweest zijn door het
karakter van hun gevangene waarmee zij in zo'n innig contact werden
gebracht. Op zijn minst zijn zij verbaasd geweest een man te zien,
die onder zulke omstandigheden, volledig onbewust van zelfzuchtige
belangen, zichzelf met zo'n onberekenbare energie overgaf, om
anderen te onderrichten. Vreemd voor hun oren, vol met de grove
brutaliteit van een Romeinse kazerne, moet wel het horen van het
geluid van Christelijke bemoediging geweest zijn; van gebeden, en
gezangen; nog vreemder wellicht de tedere liefde die de bekeerden
verbond met hun leraar en onder elkander, en die zich uitte bij elke
blik en elke toon.
"Maar als de uitvoerders van Nero's tyrannie bij zo'n toneel niet op
hun plaats waren, nog meer afkerig moeten voor de verzamelde
aanbidders de instrumenten van zijn genoegens geweest zijn, de
dienaars van zijn lusten. Toch waren onder zulke mensen, de bedorven
dienaren van het paleis, enkele verlosten van hun vernedering, door
de Geest van Christus, die tot hen sprak in de woorden van Paulus.
Hoe diep hun vernedering was, weten we uit de authentieke verslagen.
De vroegere historici hebben hun bladzijden besmeurd met details van
de onbeschaamdheden die geen Christelijk schrijver zal wagen te
herhalen. Zo bracht de enorme morele verbetering zaken voort, om
haar eigen bestaan te vermommen, en verbergt voor onervaren ogen de
kloof, die heidendom van Christenheid scheidt. Het is genoeg, te
zeggen dat de hofhouding van Nero de toeschouwers waren, en de leden
van zijn huishouden de instrumenten van ontucht, zo monsterachtig en
zo onnatuurlijk, dat zij zelfs de mannen van die generatie
shockeerden, zo abnormaal was het in alle soorten van obsceniteit.
Maar wij dienen te weten, dat velen van hen die deelnamen aan zulke
buitensporigheden, onvrijwillige dienaren waren, gedwongen door de
dwang der slavernij, om te doen wat hun meesters bevolen. En de ware
diepte van bederf waarin zij werden geworpen, moet in sommigen van
hen een verontwaardigde wansmaak bewerkt hebben, en walging van deze
ontucht. Onder zulke gevoelens waren zij, als nieuwsgierigheid hen
ertoe leidde om de gevangenis van de Apostel te bezoeken, wel
toebereid om de zuiverheid van de morele atmosfeer daar, te
waarderen. En daar was het, dat sommigen van deze ongelukkige slaven
voor het eerst geestelijke vrijheid proefden, en toebereid werden om
met geduldige heldenmoed, de martelingen die zij weldra moesten
doorstaan in de tuinen van het Vaticaan, te doorstaan."
(Pp.795,796).
En
zo werd Paulus alom bekend, onder Caesars lijfwachten, zijn
"huishouden", en elders, als een gevangene voor de zaak van Christus
(Phil.1:13; 4:22).
Maar als bijkomstigheid bij al deze actieve bediening in Rome, droeg
de apostel steeds "de zorg voor alle gemeenten" (2Cor.11:28),
contact onderhoudend door vertegenwoordigers, niet alleen van die
gemeenten die hij had gesticht, maar ook met sommigen die indirect
door zijn bediening ontstaan waren - groepen gelovigen, die hij nog
nooit had gezien.
Het was gedurende deze gevangenschap dat hij Tychicus en Onesimus
vanuit Rome, met brieven naar Colosse en Philemon zond, en ook de
Ephesebrief (Zie Col.4:7-9; Phil.10:15). Nadat Tychicus en Onesimus
vertrokken waren, schijnt het, dat Paulus opgemonterd werd door de
aankomst van Epaphrodites met een bijdrage van zijn geliefde
vrienden uit Philippi. Het epistel aan de Philippensen was,
gedeeltelijk, een verantwoording van deze gift.
|