De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XLIX  -  H A N D. 28:17-31

                     PAULUS TE ROME

              DE INLEIDENDE ONTMOETING MET

                    DE JOODSE LEIDERS

        "En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus samenriep degenen die de voornaamsten der Joden waren; en als zij samengekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ik, die niets gedaan heb tegen het volk of de vaderlijke gewoonten, ben gebonden uit Jeruzalem overgeleverd in de handen der Romeinen;

       "Dewelke mij onderzocht hebbende, wilden mij loslaten, omdat geen schuld des doods in mij was.

       "Maar als de Joden zulks tegenspraken, werd ik genoodzaakt mij op den keizer te beroepen; doch niet alsof ik iets had mijn volk te beschuldigen.

       "Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken; want vanwege de hope Israכls ben ik met deze keten omvangen.

       "Maar zij zeiden tot hem: Wij hebben noch brieven u aangaande van Judea ontvangen; noch iemand van de broederen hier gekomen zijnde, heeft van u iets kwaads geboodschapt of gesproken.

       "Maar wij begeren wel van u te horen, wat gij gevoelt; want wat deze sekte aangaat, ons is bekend, dat zij overal tegengesproken wordt.

                                             - Hand.28:17-22.

 

       Waar Paulus ook tot dusver geweest was in zijn bediening, zijn politiek was altijd geweest: "Eerst de Jood". Men zou veronderstellen dat dit nu zou veranderen. Zijn laatste ernstige oproep aan zijn volksgenoten in Jeruzalem had slechts verzet gewekt, zo bitter, dat zijn huidige bewaking in Rome, zijn enige bescherming was voor hun woede! Hij was gedwongen geworden zich op de Keizer te beroepen om aan hun aanvallen te ontkomen. Bovendien, wie kon van hem verwachten dat hij onder deze omstandigheden eerst naar de Jood zou gaan? Hij was gebonden door een keten, en kon geen synagoge bezoeken, of gaan waar Joden samenkwamen.

       En toch was zijn eerste zorg hier in Rome voor zijn verwantschap. Misschien zouden sommigen van hen nog gered worden. In ieder geval mocht het uitverkoren volk, van Jeruzalem tot Rome, geen excuus hebben.

       Zo was het, dat hij reeds na "drie dagen", besteed aan inrichting, en ontmoeting met nieuwe en oude Christelijke vrienden, "de voornaamsten der Joden samenriep" voor een inleidende bespreking, waarop een afspraak en plannen zouden worden gemaakt voor een uitgebreide discussie over de zaken die hen allen zo zeer betrof.

       Typisch tactisch, wendde de apostel zich tot hen in een terminologie die zij zouden waarderen: "Mannen broeders", "het volk", "onze vaderen". Maar toch lette hij op, geen valse indrukken te wekken.

       Alleen een extreme leraar van bedelingen, die gelijk wil hebben, zal proberen  te bewijzen, dat de woorden van de apostel in V.17 betekenen, dat tot op dat tijdstip, de apostel de wetten en gewoonten van het Judaןsme strikt had onderhouden.

       In werkelijkheid zei hij niets van die aard, of kon hij eerlijkheidshalve zo gedaan hebben, want zelfs extreme bedelingen leraars, die zijn woorden in 1Cor.9:20,21 uitleggen als te  betekenen, dat het zijn gedragslijn was om terug, en dan weer verder te gaan onder de wet, en dan weer onder de wet vandaan, zullen moeten toegeven, dat hij de Joodse wetten en gewoonten niet heeft onderhouden, toen hij onder de heidenen was.

       Zo bewijst deze passage in geen geval, dat Paulus tot dan toe, onder de wet geleefd had, en een koninkrijkboodschap verkondigde. Hij gaf zich hier niet bloot. Hij zei niet: "Ik heb de wetten onzer vaderen getrouw gehouden". Hij zei in werkelijkheid: "Ik heb niets gedaan tegen mijn volk, of de gewoonten van onze vaderen". Waar het om gaat is eenvoudig, dat hij niet schuldig was aan profaneren van hun heilige gewoonten. Hij had noch het volk, noch hun traditionele gebruiken met minachting*/[1] behandeld. Diegenen, die zo gemakkelijk geloof en gewoonten die voor anderen heilig zijn, belachelijk maken, zouden er goed aan doen, het gedrag van Paulus in dit geval op te merken.

       Vervolgens dient te worden opgemerkt, dat de apostel een verdedigende houding aanneemt, als hij nu vertelt hoe, zonder zich schuldig te hebben gemaakt aan het aanvallen van het Judaןsme, hij overgeleverd werd als gevangene, in de handen van de Romeinen. Dit zou erop kunnen lijken, dat hij hun sympathie wil winnen, want een van de gruwelijkste dingen die een Jood kon doen, was een broeder overleveren in handen van de onbesneden Romeinse bezetters.

       Hij wijst er echter verder op, dat zijn Romeinse rechters hem onschuldig achtten van de misdaden die tegen hem waren ingebracht, en dat zij hem inderdaad zouden hebben laten gaan, als de Joden niet daartegen hadden geprotesteerd.

       Hierin was de ervaring van Paulus niet anders, dan die van zijn Here. Elke elkander opvolgende Romeinse magistraat had hem onschuldig geoordeeld, en elk zou hem persoonlijk naar het recht vrijgesproken hebben, maar zoals het ook met onze Here was, bepaalden de Joodse wensen een belangrijk deel van hun beslissingen.

       Zo legt dus de apostel uit, dat hij hier in Rome is als een verdediger, niet als een aanklager. Hij was gedwongen**/[2] zich op de Keizer te beroepen, om te voorkomen dat hij zou worden overgeleverd aan een bevooroordeeld tribunaal (25:9,10), en hoogstwaarschijnlijk door sluipmoordenaars worden overvallen voordat hij zou zijn verhoord (25:2,3). Toch is hij hier niet om enige aanklacht te doen tegen zijn vervolgers. Hij vertelt niet, hoe zij hem uit de tempel sleepten, hem sloegen, en aan het vermoorden waren op het enige vermoeden, dat hij een heiden binnen het heiligdom gebracht zou hebben. Ook niet hoe de opgewonden menigte om zijn dood had geroepen, hun klederen scheurden en stof in de lucht wierpen, noch hoe de hogepriester had bevolen dat hij voor zijn mond geslagen moest worden, zelfs vףףrdat hij door het Sanhedrin was verhoord. Of hoe meer dan veertig Joden*/[3] een complot hadden gesmeed, niet te eten of te drinken dan tot zij hem gedood hadden, - en al deze en nog andere gewelddaden, die hij had kunnen opnoemen.

       Hij heeft geen enkele tegenaanval gedaan tegen zijn beschuldigers, voor geen enkele Romeinse rechter, noch zal hij dat nu doen voor Caesar. Ook zal hij zelfs deze toehoorders niets vertellen van al deze gewelddaden. Zijn lippen zijn wat dat betreft verzegeld. Hij is inderdaad zover gegaan om het uitverkoren volk te sparen, en hier zal hij dat nogeens doen, terwijl hij aan zijn verklaring voor zijn tegenwoordigheid hier, de woorden toevoegt: "niet alsof ik iets had mijn volk te beschuldigen".**/[4]

       Terwijl er veel was waarvan hij zijn volk had kunnen beschuldigen, herinneren wij ook eraan, dat er veel was waar zij hem van konden beschuldigen. Hij had hen eerst aangevoerd in de opstand tegen Christus. Een boodschap van genade uit zijn pen, was daarom zeer op zijn plaats. Er was overvloedig aangetoond, dat de kinderen van Abraham, samen met alle andere kinderen van de gevallen Adam, zondaars waren.

       Maar zijn hoofdmotief om hen samen te roepen was, hun te tonen hoe de waarheid die zijn beschuldigers zo bitter tegenstonden, en wat hem nu zijn vrijheid had gekost, juist "de hoop van Israel" was.

       Deze waarheid was niet alleen datgene, wat de profeten hadden voorspeld over de heerschappij van Messias, want dat hadden de gelovigen te Jeruzalem daar reeds enige tijd zonder ernstige tegenstand gepredikt. Het was eerder de waarheid van de opstanding in het algemeen, en de opstanding van Christus in het bijzonder. Deze waarheid, die Paulus verkondigde met meerder licht en groter kracht dan wie ook van de twaalven had gekund, en die zo de vijandschap van de Joden opwekte, was in werkelijkheid Israels enige hoop. Zeer zeker zou, als het niet waar was dat de gekruisigde Messias weer opgestaan was, er geen hoop op een komend koninkrijk zijn, want er is geen andere Messias. En, wat nog belangrijker is, dan zou er geen hoop zijn op vergeving van de zonden van Israel, want een dode Messias kon niet redden.

       In de passage die voor ons ligt, zegt de apostel: "vanwege de hope Israels ben ik met deze keten omvangen" (V.20). Nu, bij het ernstig onderzoek van de Schriften, zal iedere student leren, dat Paulus "met deze keten omvangen" was, niet wegens het verkondigen van dat waar Israel op hoopte, het koninkrijk, maar wegens verkondiging van dat wat de basis was van haar hoop, de opstanding***/[5]. Laten we dan het verslag bezien:

       Voor het Sanhedrin verklaarde de apostel duidelijk, waarom hij door de Joden in deze kwestie werd onderzocht:

       "Mannen broeders...IK WORD OVER DE HOOP EN OPSTANDING DER DODEN GEOORDEELD" (23:6).

       En voor Felix verklaarde de apostel:

       "Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij  sekte noemen, den God der vaderen alzo dien...HEBBENDE HOOP OP GOD,...DAT ER EEN OPSTANDING DER DODEN WEZEN ZAL..." (24:14,15).

       En toen Festus aan Agrippa "Paulus' zaak uitlegde", zei hij:

       "...de beschuldigers...geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde; Maar hadden tegen hem enige vragen (kwesties)...van ZEKEREN JEZUS, DIE GESTORVEN WAS, WELKEN PAULUS ZEIDE TE LEVEN" (25:18,19).

       Bij zijn verhoor voor Agrippa, zei de apostel:

       "EN NU STA IK EN WORD GEOORDEELD OVER DE HOOP DER BELOFTE, DIE VAN GOD TOT DE VADEREN GESCHIED IS;...OVER WELKE HOOP IK, O KONING AGRIPPA, VAN DE JODEN WORD BESCHULDIGD" (26:6,7).

       De belofte was, uiteraard, de herstelling van het koninkrijk in heerlijkheid voor Israel, maar "de hoop van de belofte" was de opstanding, want de apostel gaat voort en zegt:

       "WORDT HET BIJ ULIEDEN ONGELOOFLIJK GEOORDEELD, DAT GOD DE DODEN OPWEKT?" (V.8).

       Heel dit gebeuren laat slechts een uitlegging van het laatste van deze passages toe:

       "VANWEGE DE HOPE ISRAELS BEN IK MET DEZE KETEN OMVANGEN" (28:20).

       De ernstig en ijverig studerende dient nauwkeurig op te merken, dat vier van deze vijf passages vaststellen, dat Paulus werd beschuldigd, of in ketenen was, om een speciale reden. Vier van de vijf stellen, dat deze reden zijn verkondiging van de wederopstanding moet zijn; en tenslotte, dat in vier van de vijf, deze waarheid een "hoop" wordt genoemd. In dit verband dient te worden herinnerd, dat Petrus op Pinksteren Israel had gewaarschuwd, dat Christus leeft (Hand.2:36; 3:14,15; 4:10), terwijl Paulus later wederopstanding verkondigde, als het bewijs dat de kwestie van de zonde, volledig had afgedaan (Rom.4:25; etc.). Het was toen de wederopstanding, en in het bijzonder de wederopstanding van de gekruisigde Christus, die "de hoop van Israel" was.

       Zoals hij met "deze keten"*/[6] gebonden was, hoopte de apostel zonder twijfel, dat door hun dit alles te tonen, hij hun sympathie en ondersteuning bij zijn beroep voor de keizer zou verkrijgen. Dit lijkt te zijn opgenomen in de conclusie: "Om deze oorzaak dan heb ik u bij mij geroepen, om u te zien en aan te spreken..." V.20).

       Hun antwoord schijnt meer diplomatiek dan rechtuit te zijn. Zij zeggen dat zij noch een brief, noch een persoonlijke klacht tegen hem ontvangen hebben. Toch vertellen zij hem dat zij van "deze sekte"**/[7] afweten...die overal tegengesproken wordt" (V.21,22). Diplomatiek vertellen zij hem, dat zij zijn opinie erover zouden willen horen, en met die afspraak stellen zij een datum vast voor een samenspraak.

 

              DE BELANGRIJKE CONFERENTIE

 

       "En als zij hem een dag gesteld hedden, kwamen er velen in zijn woonplaats; denwelken hij het Koninkrijk Gods uitlegde, en betuigde, en poogde hen te bewegen tot het geloof in Jezus, beide uit de wet van Mozes en de Profeten, van des morgens vroeg tot den avond toe.

       "En sommigen geloofden wel hetgeen dat gezegd werd, maar sommigen geloofden niet.

       "En tegen elkander oneens zijnde, scheidden zij, als Paulus dit ene woord gezegd had, namelijk: Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den profeet, tot onze vaderen,

       "Zeggende: Ga heen tot dit volk, en zeg: Met het gehoor zult gij horen en geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en geenszins bemerken;

       "Want het hart dezes volks is dik geworden, en met de oren hebben zij zwaarlijk gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien, en met de oren horen, en met het hart verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen geneze.

       "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen.

       "En als hij dit gezegd had, gingen de Joden weg, veel twisting hebbende onder elkander.

       "En Paulus bleef twee gehele jaren in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen die tot hem kwamen;

       "Predikende het Koninkrijk Gods en lerende van den Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, onverhinderd."

                                             - Hand.28:23-31.

 

       Toen de overeengekomen dag aangebroken was, kwamen "velen" van de Joden naar Paulus' "woonplaats".

       Hier zien we nogeens, dat we nauwlettend dienen op te merken hoe Paulus met hen handelde, en wat dit inhield.

       We lezen, dat hij hen "betuigde" van het koninkrijk van God, en poogde hen te "bewegen" aangaande Jezus, "beide uit de wet van Mozes en de Profeten' (V.23).

       Moeten we hieruit concluderen, zoals sommigen dit doen, dat tot op dat tijdstip Paulus alleen predikte wat was opgenomen in de wet van Mozes en de profeten? Degenen die dit beweren gebruiken over het algemeen Hand.26:22 om hun overtuiging te staven, maar wij moeten nog zien dat een van hen het doorslag gevende slot van V.23 eraan toevoegt.

       Het naakte feit is, dat we Paulus in zijn eerdere brieven, en zelfs in het verslag in Handelingen, veel datgene zien prediken, wat niet in de wet en de profeten was opgenomen. We horen hem inderdaad al vroeg, in Hand.13:38,39, in een synagoge prediken, waar hij rechtvaardiging verkondigt door geloof in Christus buiten de wet.

       Maar wanneer hij spreekt met Joden onder de wet, moet hij hen bewijzen uit hun Schriften, dat Jezus is de Christus. Het is alleen maar jammer, dat zij in zoveel gevallen weigerden overtuigd te worden, zodat hij zou kunnen doorgaan hun de glorierijke waarheden te prediken, die hem ter verkondiging waren toevertrouwd.

       Als we ons te binnen brengen, dat het thema van Handelingen de val van Israel is, en Gods rechtvaardiging van Zichzelf voor het gaan naar de heidenen, is het niet vreemd, dat we telkens weer de apostel bezig vinden met het bewijzen aan de Joden dat Jezus de Christus is, maar niet verder met hen komt, omdat zij het bewijs niet willen accepteren.

       In dit bijzondere geval gaat hij door met "betuigen" en "overtuigen" van de morgen tot de avond, met resultaten die op zijn minst twijfelachtig waren. Sommigen werden bewogen, maar anderen waren ongelovig, weigerden te worden overtuigd, en onderling verdeeld, "gingen zij weg"*/[8]. Voordat zij echter vertrokken, deed de apostel die strenge uitspraak, niet langer geduldig, bijna uitgeput door de lange tegenstand van vooroordeel en ongeloof, die definitief het einde bevatte van Gods handelen tot daar aan toe met Israel als volk.

       Opgemerkt dient te worden, dat in elke crisis waarbij Paulus zich van de Joden tot de heidenen keerde, het duidelijk was, dat de Jood zelf de schuld was, omdat hij had geweigerd de Messias te accepteren, en daarmee de vervulling van de beloften.

       In Jeruzalem, was de Here Zelf aan Paulus verschenen, en zeide: "Ga inderhaast uit Jeruzalem; want ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN" (Hand.22:18).

       In Pisidisch Antiochiכ, had de apostel tot de Joden gezegd aangaande Gods Woord, tot hen: "DOCH NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET WAARDIG OORDEELT" (Hand.13:46).

       In Corinthe, nadat zij zichzelf tot tegenstand aangezet hadden en lasterden: "UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN; (Hand.18:6).

       En nu in Rome: "Wel heeft de Heilige Geest gesproken door Jesaja den profeet, tot onze**/[9] vaderen...HET HART DEZES VOLKS IS DIK GEWORDEN, EN MET DE OREN HEBBEN ZIJ ZWAARLIJK GEHOORD, EN HUN OGEN HEBBEN ZIJ TOEGEDAAN; OPDAT ZIJ NIET TE ENIGER TIJD...ZOUDEN ZIEN...EN HOREN...EN VERSTAAN..." (V.25-27).

       Zeven keer verwijst de Geest naar dit oordeel over Israel, en toont het gevaar van verharding van hun hart tegen God en Zijn waarheid.

       Deze beschuldiging van de Joden in Rome door Paulus, dient te worden vergeleken met die van de leiders in Jeruzalem door Stefanus. Hij verwees eveneens naar de ongelovige Joden van vroegere tijden als "uw vaderen", en noemde zijn toehoorders "onbesnedenen van hart en oren", en beschuldigde hen met "altijd de Heilige Geest te weerstaan" (Hand.7:51).

       De Joden (met uitzondering van een overblijfsel), van Jeruzalem tot Rome, hadden nu hun Messias verworpen. Stefanus' eerste uitspraak werd nu tot een slotsom gebracht, toen Paulus zei:

       "HET ZIJ U DAN BEKEND, DAT DE ZALIGHEID GODS DEN HEIDENEN GEZONDEN IS, EN DENZELVEN ZULLEN HOREN" (V.28).

       Wat een dwaasheid, om te beweren dat dit het historisch begin van het Lichaam van Christus aangeeft! Duidelijk is dit niet het begin van wat ook, maar het einde van iets - de terugtrekking van Gods gunst aan Israel, gedurende een komende tijd.

       Een grote verandering in Gods handelen met mensen, werd nu voltooid. Toen Hij op aarde was, had onze Here gezegd tot een Samaritaanse vrouw: "De zaligheid is uit de Joden" (Joh.4:22). Maar nu verklaart de apostel van de verheerlijkte Here: "De zaligheid Gods is den heidenen gezonden" (Hand.28:28).

       Gods huidige werk is natuurlijk niet, de vervulling van profetie onder de heidenen. Dit komt op een toekomstige dag, als Israel gered is, en de heidenen door haar redding vinden (Zach.8:13,22,23; etc.). Zijn tegenwoordig handelen wordt genoemd: "dit geheimenis onder de heidenen", en ons wordt verteld, dat Hij zou willen dat wij "de rijkdommen van de heerlijkheid" ervan, zouden kennen (Col.1:27).

       Onze harten zullen inderdaad mogen overvloeien van verwondering en dankbaarheid, dat in deze bedeling van genade, wij, heidenen, aan wie Israels God niets had beloofd (Eph.2:11,12), gered kunnen worden, en vergaderd om Israels God en Israels Messias te aanbidden. En dat, terwijl zij wankelen in de blindheid van ongeloof; dat wij inderdaad mogen behoren tot dat gezegend Lichaam waarvan Hij het levende Hoofd is, gezeten met Hem in de hemelse gewesten, met "al de geestelijke zegeningen" (Eph.1:3; 2:4-10,13).

       Het was voorspeld, dat Jehovah van Israel zou scheiden (Jes.50:1); dat zij Lo Ammi: niet Zijn volk (Hos.1:9) zou zijn, maar nooit had Hij de bedoeling van Zijn liefdehart bekend gemaakt, door zaligheid voor de heidenen te brengen, door Israels "val" en "verwerping" (Rom.11:11-15).

       Het is waar, dat in deze bedeling van genade, er voor God "geen verschil is tussen de Jood en de Griek", en dat "Eenzelfde is Here van allen, rijk zijnde over ALLEN die Hem aanroepen" (Rom.10:15). Het is waar, dat "God hen allen heeft besloten onder de ongehoorzaamheid, opdat hij hen ALLEN zou barmhartig zijn" (Rom.11:32), en dat gelovige Joden en heidenen nu, zijn "verzoend ...met God in ייn lichaam door het kruis" (Eph.2:16). Zo is het aanbod van redding door genade uitgebreid tot alle mensen, overal, zowel Joden als heidenen.

       Maar dit alles verandert niets aan het feit, dat praktisch gesproken, dit een tijd der heidenen is, eenvoudig omdat zo weinig Joden Christus als hun Redder willen accepteren. Het aantal Joden in het Lichaam van Christus is zo klein, dat bijna alle Christelijke congregaties uitsluitend, of overwegend, zijn samengesteld uit heidenen in het vlees.

       Daarom was de uitdrukking juist: "De zaligheid van God is tot de heidenen gezonden, en...zij zullen horen". En zo vertrokken de Joden uit Paulus' woning "veel twisting hebbende onder elkander", zoals zij dit tot nu toe nog hebben.

       Na verblijf van enige dagen in het huis van vrienden verhuisde Paulus blijkbaar naar zijn "eigen gehuurde woning", waar hij twee volle jaren verbleef en allen die hem wensten te bezoeken, ontving (V.30). Hij was hier blijkbaar betrokken in een zeer vruchtbare bediening, door God gebruikt, onder meer tot vestiging van een gemeente binnen het paleis van de Keizer (Phil.1:12,13; 4:22). Ook konden zijn vijanden hem nu niet bezwaren, want hij werd steeds bewaakt door zijn Romeinse wacht.

       Men zal zich herinneren, dat bij de openingsverzen van Handelingen, van onze Here wordt gezegd, dat Hij Zijn discipelen gedurende veertig dagen geleerd heeft "sprekende van de dingen die het koninkrijk Gods aangaan" (1:3). Dit zal natuurlijk haar vestiging op aarde betroffen hebben, want dit was wat op Zijn lijden zou volgen (Hand.1:6; 2:30; 3:19-21; etc.). Sedert die tijd had Israel, Messias en Zijn heerschappij verworpen. Vandaar dat, wanneer Paulus in Rome, "het koninkrijk van God en...die dingen die de Here Jezus Christus betreffen" gepredikt zou hebben, hij uiteraard verklaren zou, hoe Christus verworpen werd, waardoor de aardse vestiging van het koninkrijk van God nu achter de hand werd gehouden, terwijl God een wonderbare boodschap van genade zond, naar een door zonde vervloekte wereld: een aanbod van verzoening, door het bloed van Zijn Zoon.

       Of de apostel wel of niet werd vrijgelaten na twee jaren, en verder een reizende bediening had, vףףr zijn verhoor en excecutie door Nero, is een kwestie die wij naderhand in een appendix zullen bespreken.

 

             WAAROM HET BOEK HANDELINGEN

                  ZO ABRUPT EINDIGT

 

       Het is duidelijk uit het slot van Handelingen, dat het boek, niet in de eerste plaats een verhaal is van "het ontstaan en de groei van de Kerk", en ook niet een compleet verslag van "de handelingen der apostelen". Wat zouden we graag willen weten wat met de Judese apostelen gebeurde na de opwekking van Paulus! Wat zouden we graag willen weten hoe het met Paulus gegaan is tijdens deze twee jaren in zijn eigen gehuurd huis en daarna! Wat zou het lezen van een geinspireerd verslag van zijn laatste dagen en zijn excecutie teweeg gebracht hebben!

       Maar God liet Lukas niet het Boek Handelingen schrijven om onze nieuwsgierigheid te bevredigen. Het boek is eerder bedoeld als de geschiedenis van Israels val, en hoe redding tot de heidenen werd gezonden. Toen dit voltooid was, en Israel in Rome, net als in Jeruzalem, en in de tijd daartussen, Christus had verworpen, eindigt het verhaal. Ten slotte zijn wij nu in staat te begrijpen waarom, in het volgende boek van de Schrift, Paulus zegt:

       "WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN; VOOR ZOVEEL IK DER HEIDENEN APOSTEL BEN, IK MAAK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).

 

              PAULUS' VERHOOR UITGESTELD

 

       Het feit dat Paulus, nadat hij Rome bereikte, "twee hele jaren in zijn eigen gehuurde woning verbleef", bezoekers ontving, en vrijelijk de dingen leerde aangaande de Here Jezus Christus, laat zien dat zijn verhoor gedurende een vrij lange tijd werd uitgesteld.

       In de eerste plaats lijkt het duidelijk, dat Paulus' beschuldigers niet naar Rome vertrokken, toen hij ging (Hand.28:21), en vervolgens niet konden vertrekken, dan in het voorjaar. Verder uitstel echter zal kunnen zijn te wijten geweest, aan ייn of een combinatie van verschillende voorvallen. Het kan zijn geweest door Caesar's gebrek aan belangstelling in beide partijen. Los van dit, werden rechtszittingen in Rome dikwijls voor langere tijd uitgesteld, om de betrokken partijen gelegenheid te geven om getuigen van grote afstand te laten komen. In dit geval zouden getuigen die de Joden wellicht wilden vragen om tegen Paulus te getuigen, van vele verre plaatsen moeten komen (Zie Hand.24:5).

       Het kan ook, dat de beschuldigers van Paulus geen moed hadden om tegen hem te verschijnen. Zij hadden niet gewenst dat de zaak voor Caesar werd gebracht; hij was het die zich op Caesar beroepen had. De vooruitzichten op hun overwinning in de zaak tegen hem, waren niet zo gunstig in het licht van de meningen van Julius, Festus en Agrippa (Hand.23:26-29; 25:25,26; 26:31,32), en volgens het formele rapport, dat Festus ondertussen naar Caesar zal hebben gezonden.

 

                 TIJDENS HET UITSTEL

 

       We hebben reeds gezien, dat gedurende dit uitstel, of minstens twee jaren lang, de apostel ongehinderd een actieve en intense bediening uitoefende in het ontvangen van bezoekers, prediking en onderricht. Deze bediening droeg overvloedig vrucht.

       Stel u voor, de gevoelens van de soldaten van de Praetoriaanse Garde*/[10] toen zij, de een na de ander, zich temidden van samenkomsten van gelovigen bevonden, met Paulus als voorganger! Conybeare en Howson's Life and Epistles of Saint Paul bevatten de volgende paragrafen over Paulus' bediening in die tijd:

       "...Maar niets hierin (zijn Epistel aan de Philippenzen) in suggestiever dan zijn toespeling op de Praetoriaanse gardisten, en op de bekeerlingen die hij had gewonnen in het huis van Nero. Hij vertelt ons (zoals we zo juist hebben gelezen), dat hij door het hele Praetoriaanse Kwartier bekend stond als een gevangene voor de zaak van Christus, en hij zendt speciale groeten naar de Philippische gemeente van het Keizerlijke huis. Deze notities maken de morele contrasten waarmee de Apostel omringd was, zeer levendig voor ons. De soldaat waaraan hij vandaag was geketend, was misschien de vorige dag in de lijfwacht van Nero; zijn kameraad die de wacht overnam bij de gevangene, kan ייn van de beulen van Octavia geweest zijn, en zal misschien een paar weken tevoren haar hoofd naar Poppaea hebben gebracht. Dit waren de gewone handelingen van de woeste, bloed bevlekte veteranen, die dagelijks aanwezig waren, als wolven temidden van de schapen, bij de samenkomsten van de Christelijke broederschap. Als er onder deze soldaten enkelen waren die niet totaal verhard waren door een leven van wreedheid, moeten hun harten zeker bewogen geweest zijn door het karakter van hun gevangene waarmee zij in zo'n innig contact werden gebracht. Op zijn minst zijn zij verbaasd geweest een man te zien, die onder zulke omstandigheden, volledig onbewust van zelfzuchtige belangen, zichzelf met zo'n onberekenbare energie overgaf, om anderen te onderrichten. Vreemd voor hun oren, vol met de grove brutaliteit van een Romeinse kazerne, moet wel het horen van het geluid van Christelijke bemoediging geweest zijn; van gebeden, en gezangen; nog vreemder wellicht de tedere liefde die de bekeerden verbond met hun leraar en onder elkander, en die zich uitte bij elke blik en elke toon.

       "Maar als de uitvoerders van Nero's tyrannie bij zo'n toneel niet op hun plaats waren, nog meer afkerig moeten voor de verzamelde aanbidders de instrumenten van zijn genoegens geweest zijn, de dienaars van zijn lusten. Toch waren onder zulke mensen, de bedorven dienaren van het paleis, enkele verlosten van hun vernedering, door de Geest van Christus, die tot hen sprak in de woorden van Paulus. Hoe diep hun vernedering was, weten we uit de authentieke verslagen. De vroegere historici hebben hun bladzijden besmeurd met details van de onbeschaamdheden die geen Christelijk schrijver zal wagen te herhalen. Zo bracht de enorme morele verbetering zaken voort, om haar eigen bestaan te vermommen, en verbergt voor onervaren ogen de kloof, die heidendom van Christenheid scheidt. Het is genoeg, te zeggen dat de hofhouding van Nero de toeschouwers waren, en de leden van zijn huishouden de instrumenten van ontucht, zo monsterachtig en zo onnatuurlijk, dat zij zelfs de mannen van die generatie shockeerden, zo abnormaal was het in alle soorten van obsceniteit. Maar wij dienen te weten, dat velen van hen die deelnamen aan zulke buitensporigheden, onvrijwillige dienaren waren, gedwongen door de dwang der slavernij, om te doen wat hun meesters bevolen. En de ware diepte van bederf waarin zij werden geworpen, moet in sommigen van hen een verontwaardigde wansmaak bewerkt hebben, en walging van deze ontucht. Onder zulke gevoelens waren zij, als nieuwsgierigheid hen ertoe leidde om de gevangenis van de Apostel te bezoeken, wel toebereid om de zuiverheid van de morele atmosfeer daar, te waarderen. En daar was het, dat sommigen van deze ongelukkige slaven voor het eerst geestelijke vrijheid proefden, en toebereid werden om met geduldige heldenmoed, de martelingen die zij weldra moesten doorstaan in de tuinen van het Vaticaan, te doorstaan." (Pp.795,796).

       En zo werd Paulus alom bekend, onder Caesars lijfwachten, zijn "huishouden", en elders, als een gevangene voor de zaak van Christus (Phil.1:13; 4:22).

       Maar als bijkomstigheid bij al deze actieve bediening in Rome, droeg de apostel steeds "de zorg voor alle gemeenten" (2Cor.11:28), contact onderhoudend door vertegenwoordigers, niet alleen van die gemeenten die hij had gesticht, maar ook met sommigen die indirect door zijn bediening ontstaan waren - groepen gelovigen, die hij nog nooit had gezien.

       Het was gedurende deze gevangenschap dat hij Tychicus en Onesimus vanuit Rome, met brieven naar Colosse en Philemon zond, en ook de Ephesebrief (Zie Col.4:7-9; Phil.10:15). Nadat Tychicus en Onesimus vertrokken waren, schijnt het, dat Paulus opgemonterd werd door de aankomst van Epaphrodites met een bijdrage van zijn geliefde vrienden uit Philippi. Het epistel aan de Philippensen was, gedeeltelijk, een verantwoording van deze gift.


 

    [1]*/Voetnoot: Zoals de Joden in Jeruzalem hadden beweerd (Hand.21:27-29).

    [2]**/Voetnoot: Het woord "genoodzaakt" in V.19 wordt in 26:11 weergegeven met "gedwongen".

    [3]*/Voetnoot: De term "Joden" in deze passage is blijkbaar gebruikt in haar zuivere betekenis, eerder dan in de algemene zin van Judeכrs.

    [4]**/Voetnoot: Dit komt overeen met zijn "bedeling van de genade van God". Vergelijk daarentegen de beschuldigingen door Petrus in Hand.2:23; 3:14,15; 4:10,11; 5:30.

    [5]***/Voetnoot: Uiteraard, zoals hij die predikte.

    [6]*/Voetnoot: Het enkelvoud komt overeen met V.16. Hij was blijkbaar nu aan ייn soldaat geketend.

    [7]**/Voetnoot: Hoe wisten zij dat hij tot "deze sekte" behoorde, als zij geen slecht rapport over hem ontvangen hadden?

    [8]*/Voetnoot: Eigenlijk "begonnen te vertrekken".

    [9]*/Voetnoot: Hier is de N.B.G. vertaling kennelijk onjuist.

    [10]*/Voetnoot: Nero's lijfwacht.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011