H O O
F D S T U K XLVIII - H A N D.28:1-16
MELITA EN DE ETAPPE TOT ROME
DE STRANDING OP MELITA
"En als zij ontkomen waren, toen verstonden zij, dat
het eiland Melita heette.
"En de barbaren bewezen ons geen gemene vriendelijkheid;
want een groot vuur ontstoken hebbende, namen zij ons allen in
om den regen die overkwam en om de koude.
"En als Paulus een hoop rijzen bijeengeraapt had en op
het vuur gelegd had, kwam er een adder uit door de hitte en
vatte zijn hand.
"En als de barbaren het beest zagen aan zijn hand hangen,
zeiden zij tot elkander: Deze mens is gewisselijk een
doodslager, welken de wraak niet laat leven, daar hij uit de zee
ontkomen is.
"Maar hij schudde het beest af in het vuur en leed niets
kwaads.
"En zij verwachtte, dat hij zou opzwellen of terstond
nedervallen. Maar als zij lang verwacht hadden, en zagen dat
geen ongemak hem overkwam, werden zij veranderd en zeiden dat
hij een god was."
- Hand.28:1-6.
MELITA, HET TEGENWOORDIGE MALTA
Het is nu niet helemaal zeker, dat de 276 overlevenden
aan land kwamen op het eiland dat nu bekend is als Malta, een
rotsige citadel die zo succesvol tijdens de tweede
wereldoorlog*/[i]
voortdurende bombardementen weerstond.
Er is nog een Melita in de Adriatische Zee, aan de kust
van Illyricum, boven in de Golf van Venetiכ,
maar de argumenten om dit eiland te identificeren met Paulus'
schipbreuk, zijn zo zwak, dat ze nauwelijks waard zijn om in
beschouwing te worden genomen, omdat de tegenargumenten
onweerlegbaar zijn.
Hoe kunnen zij, met een storm uit het Noordoosten, zo
zwaar dat het bijna onmogelijk was om het schip onder controle
te houden, zijn gekomen aan een punt zover in het Noorden, en
dat door een naar verhouding smal kanaal om te navigeren tussen
de hiel van Italiכ en Macedoniכ,
met vele eilanden die het varen nog meer precair maakten? Hoe
konden zij dan ook, als zij in het Noordelijke Mileta beland
zouden zijn, noordelijk naar Rome reizen, zoals zij zo
duidelijk deden, langs Syracuse, Rhegium en Puteoli (V.11-13)?
Aan de andere kant is er een opmerkelijk beslissende
gebeurtenis, welke aangeeft dat zij op Malta landden, en wel op
de plaats die volgens traditie bekend is als St.Paulus' Baai.
Deze gebeurtenis is, in gedeelten, de volgende**/[ii]:
1. De richting en snelheid van drijven, zoals we reeds
gezien hebben, moeten het schip in de buurt van Malta hebben
gebracht, en bij benadering in de gegeven tijdsduur.
2. In de richting van de drift hadden zij net zo goed
voor de kust van Koura Point, de Oostelijke begrenzing van
St.Paulus Baai, kunnen aankomen, zonder van tevoren tot enig
gedeelte van de kust van Malta te naderen.
3. Hoge golven vanuit het Noordoosten lopen wild op dit
punt aan, toch kon een schip binnen een kwart mijl afstand
komen, zonder onder water rotsen te raken. Dit is het
waarschijnlijk, waardoor de zeelieden "vermoedden" dat zij land
naderden, zonder dat het schip onmiddellijk aan de grond liep.
4. De diepte voor Koura Point waarin men de branding kan
horen is ongeveer 20 vadem, en een klein stuk verder, - in de
richting van hun drift - is deze ongeveer 15.
5. De oude Engelse Zeilaanwijzingen, in gebruik vףףr
de eeuwwisseling, zegt van deze omgeving: "Als de ankerkabels
het uithouden, is er geen gevaar, omdat de ankers niet slippen",
zo stevig is daar de bodem.
6. Aan de verdere kant van de baai daalt de rotsige kust
naar een zanderig, of grinderig strand, zoals dat waarnaar de
zeelieden tenslotte het gehavende schip heen stuurden.
7. Deze baai aan de Noordoost kust van Malta is volgens
traditie de "St.Paulus Baai" genoemd, terwijl er niet
zo'n traditie is ten gunste van het noordelijke Melita.
8. De aanwezigheid van een ander schip uit Alexandriכ,
dat daar overwinterd had, op reis naar Italiכ
(28:11), is een sterk gegeven, dat het eiland Malta was. Malta
lag op de geregelde navigatieroute van Alexandriכ
naar Italiכ, terwijl het andere
"Melita" helemaal erbuiten lag.
DE ONTVANGST TE MELITA
Paulus had reeds drie schipbreuken geleden (2Cor.11:25);
nu had hij, door Gods genade, de vierde overleefd.
Het is in verband met deze landing op Malta, dat we
allereerst lezen van "regen" en "koude". Het moet daarom
hartverkwikkend geweest zijn voor de 276 overlevenden, verkleumd
en nat als zij waren, te ontdekken dat het eiland bevolkt was
met mensen, inderdaad met een vreemde taal*/[1],
maar verlangend om hen "geen gemene (lett. ongewone)
vriendelijkheid te bewijzen.
Lukas bericht dankbaar, dat zij "ons allen
innamen". Het maakte geen verschil voor deze edelmoedige mensen
of de overlevenden soldaten, zeelieden, passagiers, of zelfs
gevangenen waren; zij waren mensen in nood en hadden hulp nodig.
Daarom begonnen zij onmiddellijk een groot vuur te ontsteken
(wellicht in een van de vele grotten van het eiland), zodat zij
zich allen daar omheen konden warmen en drogen. Dit was het
eerste comfort waarover zij zich na veertien lange dagen en
nachten mochten verheugen, en wij twijfelen niet of velen, of de
meesten van hen, met lang opgekropt verlangen, gaven hun tranen
van dankbare bevrijding, nu de vrije loop.
Maar er was toch nog een sterke, flinke ziel onder deze
gestrande overlevenden, die zijn hand uitstak om de anderen te
versterken; helpend terwijl anderen werden geholpen, en doende
wat hij ook maar kon doen, om het lijden van zijn
medeslachtoffers te verzachten, blijkbaar onbewust van zichzelf.
Hij had een moed die de centurion en de soldaten van het
Romeinse leger konden bewonderen. Geen wonder dat hij zoveel
vrienden onder hen had!
Maar de takken die de apostel had verzameld voor het
vuur, bevatten een vergiftige slang, een adder, en toen hij het
hout op het vuur wierp, sprong het beest er tussen uit en beet
zich vast in zijn hand.
Normaal zou dit geleid hebben tot een grote ontsteking en
een plotselinge dood. Toen de Maltezen de adder aan zijn hand
zagen hangen, kwamen zij tot de slotsom onder elkaar, dat hij
ongetwijfeld een moordenaar moest zijn die, hoewel aan de zee
ontkomen, door de Wraakgodin, of Justitia, de
godheid van het recht, die verondersteld wordt naast Jupiter
te zitten, en in zulke zaken besliste, werd gevonnisd.
Maar de apostel schudde de adder terug in het vuur, en
voelde geen letsel*/[2],
zodat de Maltezers, vergeefs wachtende dat hij zou sterven, nu
besloten dat hij een god moest zijn! Hun gevoelens waren net zo
snel en totaal omgeslagen, als die van de Lystriכrs
in de tegenovergestelde zin, waar het eerst was offeren, daarna
stenigen (Hand.14:11-19).
Deze wonderbare gebeurtenis in het laatste hoofdstuk van
Handelingen, wordt gevolgd door andere, hetgeen bewijst dat de
tijd van wonderbare verschijnselen toen nog niet helemaal
voorbij was.
Het
is ook een van die verhalen, die een treffende symbolische
betekenis hebben.
EEN BEET VAN EEN ADDER EN DE
GENADE VAN GOD
Het is van een bijzondere betekenis, dat een adder
uit het vuur moet springen om Paulus aan te vallen, evenals
Israel terzijde moest worden gesteld in Gods bedoelingen.
Dat Israels bestuurders, en speciaal de Farizeeכn
in die tijd, beschouwd werden als adders in het oog van God, is
duidelijk uit het geןnspireerde
verslag. Drie keer komen we in het evangelie naar Mattheus
tegen, dat zij adders genoemd werden.
In eerste instantie Johannes de Doper, die hun hypocrisie
bespeurt als zij komen om zich te laten dopen, en hen berispt
met de woorden:
"GIJ ADDERENGEBROEDSELS (GENERATIE, K.J.V.), WIE HEEFT
U AANGEWEZEN TE VLIEDEN VAN DEN TOEKOMENDEN TOORN?.
"BRENGT DAN VRUCHTEN VOORT DER BEKERING
WAARDIG"
(Matt.3:7,8).
In tweede instantie, onze Here Zelf, nadat zij Hem hadden
gelasterd, toonde aan waarom zij geen goede vruchten konden
voortbrengen, toe Hij tot hen zeide:
"GIJ ADDERENGEBROEDSELS, HOE KUNT GIJ GOEDE DINGEN
SPREKEN, DAAR GIJ BOOS ZIJT? WANT UIT DEN OVERVLOED DES HARTEN
SPREEKT DE MOND" (Matt.12:34).
In de derde, na wee over hen uitgesproken te hebben, zegt
Hij:
"...GIJ KINDEREN DERGENEN, DIE DE PROFETEN GEDOOD
HEBBEN.
"GIJ DAN OOK, VERVULT DE MAAT UWER VADEREN.
"GIJ SLANGEN, GIJ ADDERENGEBROEDSELS, HOE
KUNT GIJ DE HELSE VERDOEMENIS ONTVLIEDEN?"
(Matt.23:31-33).
Zelfs na de opstanding en hemelvaart van onze Here,
gingen de bestuurders van Israel door met hun voortdurende
weerstand tegen Hem. Zij bedreigden Zijn apostelen, geeselden
hen, en wierpen hen in de gevangenis. En toen Stefanus durfde te
zeggen: "Gij wederstaat altijd de Heilige Geest", sleepten zij
hem naar buiten, stenigden hem ten dode, en spoorden aan tot een
"een grote vervolging" tegen de heiligen in Jeruzalem
(Hand.7:51,58,59; 8:1).
Dit alles geeft echter niet aan, dat hun bittere strijd
tegen de Messias succes had. Integendeel verloren zij ronde na
ronde de strijd, en kwamen nimmer tot een gedegen aanvalsplan.
Terwijl de apostelen een koers volgden zo scherp als een pijl,
probeerden de leidsmannen eerst dit en dan weer dat, alleen om
telkens weer in verlegenheid te worden gebracht en te worden
verslagen.
Petrus antwoordt de leden van het Sanhedrin met zulk een
geestelijke kracht, dat zijn beschuldigers worden veranderd in
verdedigers, en voordat hij en Johannes de zittingskamer van
Israels Hoog Gerechtshof verlaten, zij hen in kennis stellen,
dat zij van plan zijn door te gaan met de verkondiging
van Christus (Hand.4:5-21). Als de apostelen opnieuw gevangen
gezet worden (deze keer meerderen), bevrijdt een engel hen, en
wanneer het Sanhedrin samenkomt en beveelt dat zij voorgeleid
worden om te worden verhoord, ontdekt men dat zij in de
tempel prediken; de wijze waarop zij ontsnapten, blijft een
mysterie. En opnieuw verklaart de apostel, dat zij direct door
zullen gaan met Christus te prediken (Hand.5:17-32). Dan
adviseert Gamaliel de leidsmannen om "hen met rust te laten"
(5:38) maar dit blijkt nog minder effectief, want nu lezen we
dat "...zij niet ophielden allen dag in den tempel en bij de
huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen"
(Hand.5:42).
En wat betreft de steniging van Stefanus en de vervolging
die daarop volgde, sloeg God terug met de grootste van alle
slagen: de bekering van Saulus*/[3],
die hen beroofde van hun meest uitnemende en agressieve leider.
Bij deze pijnlijke nederlaag kruipen de leidsmannen weer terug
in hun holen - en gedurende langere tijd. De gemeenten "door
geheel Judea, en Galilea, en Samaria" hadden vrede en werden
vermenigvuldigd (Hand.9:31).
Weldra houden de apostelen en de oudsten te Jeruzalem, in
vrijheid, hun eigen Raadzitting, waarbij velen van ver en
dichtbij aanwezig zijn, in weerwil van het Sanhedrin (Hand.15).
En spoedig zijn er "vele tienduizenden**/[4]
Joden" te Jeruzalem "die geloven" (Hand.21:20), en de
leidsmannen kunnen er niets tegen doen. Net als Simon, de
afvallige Jood in Samaria, zijn zij "een gans bittere gal".
Maar in de tussentijd was Paulus "ver naar de heidenen gezonden", om
hen redding en zegen aan te bieden, los van Israel, alleen door Gods
genade, en op basis van de dood van Christus. Door zijn bediening
waren duizenden heidenen tot verheuging in Israels God gekomen, en
in de Messias die Israel had afgewezen.
Dit was meer dan de leidsmannen konden verdragen. Toen Paulus
opnieuw Jeruzalem bezocht, sprongen zij, als het ware, uit de
vlammen op hem af om hem te vernietigen.
"Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij
leeft", zo riepen zij. En in hun woede "smeten zij de klederen van
zich en wierpen stof in de lucht" (Hand.22:22,23).
Het was door hun vijandschap dat Paulus nu in boeien ging, dat hij
deze vreselijke schipbreuk leed, en dat hij spoedig zou worden
opgeroepen om voor Nero te staan. Maar in dit korte symbolische
incident toont ons de Heilige Geest, hoe nietszeggend de woede van
de leidsmannen is, en hoe onvoorwaardelijk hun verdoeming, want de
apostel schudde het beest af, zodat het terug in het vuur viel,
terwijl hij ongedeerd bleef.
Onze Here had deze bestuurders gewaarschuwd, dat als zij tegen de
Heilige Geest zouden lasteren, zij nimmer vergeving zouden
vinden, noch in deze eeuw, noch in de toekomstige eeuwen (Zie
Matt.12:31,32). Zij nu hadden beslist de Heilige Geest
gelasterd toen Christus werd gepredikt door de apostelen "door de
Heilige Geest Die van de hemel gezonden was". Daarom werden zij
overgegeven aan het vuur van Gods oordeel, terwijl Paulus doorging
om aan de Gemeente nog grotere rijkdommen van genade toe te delen.
PAULUS' BEDIENING OP MALTA
"En hier omtrent dezelve plaats had de voornaamste van het eiland,
met name Publius, zijn landhoeven, die ons ontving en drie dagen
vriendelijk herbergde.
"En het geschiedde dat de vader van Publius, met koortsen en den
roden loop bevangen zijnde, te bed lag, tot denwelken Paulus inging,
en als hij gebeden had, legde hij de handen op hem, en maakte hem
gezond.
"Als dit geschied was, kwamen ook tot hem de anderen die krankheden
hadden in het eiland, en werden genezen.
"Die ons ook eerden met veel eer, en als wij vertrekken zouden,
bestelden zij ons hetgeen van node was."
- Hand.28:7-10.
Wij zien Gods volstrekte overheersing over alles in de storm die het
grote Alexandrijnse graanschip was overkomen, dat het zelfs op de
juiste plek strandde!
Het was meer dan een samenloop der omstandigheden, dat Publius, de
"voornaamste", of gouverneur van het eiland, "landhoeven" had in de
omgeving van de stranding. Over deze man schrijft Lukas: "Hij
ontving ons en herbergde ons drie dagen vriendelijk"*/[5]
We
hebben reeds gelezen, dat de Maltezen "allen [276
overlevenden]...innamen" (V.2), maar het Griekse woord
weergegeven met "herbergde" in Vers 7 heeft een andere betekenis.
Het eerste woord betekent iemand verwelkomen of bij zich
in nemen, maar het tweede betekent onderhouden of voor
iemand verantwoordelijkheid nemen. Om deze reden vinden we
dit woord samen met "herbergen", en in verband met Publius'
"landhoeven".
Het is wellicht onmogelijk om precies na te gaan, hoevelen zijn
opgenomen in het "ons" van Vers 7. Het is te betwijfelen of het alle
276 overlevenden betrof, want als dit zo was, zou de term "allen"
hier meer van toepassing zijn dan in vers 2. Omdat Lukas de
schrijver is, zijn ongetwijfeld Paulus, Lukas en Aristarchus, en
waarschijnlijk ook Julius daarin begrepen, want zeer zeker zal het
hoofd van een Romeinse kolonie de nodige aandacht schenken aan een
Romeinse militaire officier met een hoge rang. Het zou weleens
kunnen zijn, dat Publius aan Julius deze edelmoedige
gastvrijheid bewees, die Paulus en zijn metgezellen mochten delen.
In
elk geval was het God, Die heerste, want door deze gastvrijheid van
de zijde van Publius, en de daarop volgende genezing van zijn vader,
was de aanvaarding van Paulus en zijn prestige op het eiland,
onmiddellijk zeker, en beleefde hij drie nuttige en zegenrijke
maanden onder haar inwoners. En dit versterkte op zijn beurt, zijn
verhouding met Julius, de centurion.
De
vader van Publius lag ziek met terugkerende koortsen en een erge
vorm van dysenterie. Paulus' bezoek was daardoor op dit ogenblik
opportuun, en zijn wijze van handelen bij het genezen van de zieke
man werpt licht op een kwestie die vele commentators in verlegenheid
gebracht hebben.
Vreemd genoeg wordt in het verslag niets gezegd over prediking door
Paulus op Malta, noch over iemand die bekeerd werd. We kunnen
begrijpen dat de omstandigheden aan boord zijn prediking
verhinderde, maar nu, met een verblijf van drie maanden op het
eiland, was er zeker ruim gelegenheid om Christus en Zijn volbrachte
werk te verkondigen.
In
gevallen als deze, moeten we niet het selecte principe in het Boek
Handelingen uit het oog verliezen. Gods werkelijke doel in
Handelingen is niet om "de geboorte en groei van de Kerk"
weer te geven, zoals sommigen verondersteld hebben, maar om de
val van Israel bekend te maken, en om Zijn handelen te
rechtvaardigen van hen terzijde te stellen, terwijl Hij tegelijk
aantoont, de gerechtigheid en de genade van de Messias, die zij
hebben verworpen*/[6].
In
dit slotstuk van Handelingen is het niet Gods voornaamste bedoeling
om Paulus' bediening onder de heidenen te laten zien, maar eerder de
apostel als verworpen door Israel en in ketenen naar Rome gezonden,
vanwege zijn bediening onder de heidenen (Zie 22:21-23).
Wie twijfelt eraan of Paulus dit evangelie aan de inwoners van Malta
heeft gepredikt? Het is waar, dat we hier slechts lezen over zijn
wonderen, maar had hij niet in zijn brief aan de Romeinen
geschreven, dat Christus zijn "machtige tekenen en wonderen" had
gebruikt "om de heidenen gehoorzaam te maken door woord en daad",
toen hij "het evangelie van Christus" vervulde?
(Rom.15:18,19).
Verder zal het zijn opgevallen, dat hij bij zijn beginnend wonder
van genezing op het eiland, "bad" toen hij de handen op
Publius' vader legde en hem genas. Dit zou, om te beginnen, hen die
erbij tegenwoordig waren, tonen dat hij niet de bewerker van
het wonder was, maar slechts een instrument; niet een god,
zoals zij veronderstelden, maar een boodschapper van God. Wij
kunnen er ook zeker van zijn, dat dit gebed, en die woorden die de
apostel daarna aanvullend zou spreken, een getuigenis van de
reddende kracht van Christus zouden zijn.
Terwijl louter traditie niet kan worden vertrouwd, is zij in
vele gevallen toch juist, en in dit geval is het interressant te
zien, dat hier een aflopende traditie, een kerk op Malta vestigt,
met Publius als bisschop of opzichter.
De
genezing van Publius' vader veroorzaakte natuurlijk bij anderen, die
ziek waren, dat zij ook tot Paulus gingen voor genezing. Het was
voor Paulus een goede gelegenheid de eilanders voor hun edelmoedige
gastvrijheid iets terug te doen, alsook om hun Christus bekend te
maken. De Malthezers hadden geen winst gezocht, door de arme
schipbreukelingen vriendschap te bewijzen. Maltha was nu een eiland
met gezonde mensen!
En
nu toonden zij hun dankbaarheid aan hem, wiens onverwacht
bezoek hen zoveel goeds gebracht had. Niet alleen eerden zij Paulus
en zijn metgezellen met "veel eer"*/[7],
maar toen de tijd van vertrek kwam, "bestelden" zij hun proviand.
Zij zouden nooit de apostel en de zegeningen die hij hun gebracht
had, vergeten. Geen wonder dat dit gedeelte van Maltha tot op
vandaag bekend staat als St.Paulus Baai.
TOT ROME GENADERD
"En na drie maanden voeren wij af in een schip van Alexandriכ,
dat in het eiland overwinterd had, hebbende tot een teken Castor en
Pollux.
"En als wij te Syracuse aangekomen waren, bleven wij aldaar drie
dagen;
"Vanwaar wij omvoeren, en kwamen aan te Regium; en alzo na
ייn dag de wind zuid werd, kwamen
wij den tweeden dag te Puteoli;
"Alwaar wij broeders vonden, en werden gebeden zeven dagen bij hen
te blijven; en alzo gingen wij naar Rome.
"En vandaar kwamen de broeders , van onze zaken gehoord hebbende,
ons tegemoet tot Appiusmarkt en de Drie Tabernen; welke Paulus
ziende, dankte hij God en greep moed.
"En toen wij te Rome gekomen waren, gaf de hoofdman de gevangenen
over aan den overste des legers; maar Paulus werd toegelaten op
zichzelven te wonen met den krijgsknecht die hem bewaarde."
- Hand.28:11-16.
Op
het laatst kwam de tijd om Melita te verlaten, omdat een ander
"schip uit Alexandriכ" dat daar
overwinterd had, gereed was om naar Rome te zeilen.
Het "teken" waaronder dit schip zeilde was "De Dioscuren" wat
betekent Castor en Pollux, de tweelingzonen van Jupiter en Leda.
Deze legendarische tweeling werden geidentificeerd als de twee
stalende sterren in het sterrenbeeld Gemini, en werden aanbeden als
de beschermheiligen en leidsterren van zeelieden. De Apostel Paulus
aan boord van een schip, "beschermd" door heidengoden, is een beeld
van de gelovige in de wereld.
Syracuse, de eerste havenplaats die zij aandeden, was een
belangrijke stad op Siciliכ, die
nog steeds dezelfde naam draagt. Misschien "bleven" zij daar drie
dagen om te wachten op een gunstige wind, want het was anders
noodzakelijk om Regium te bereiken (gelegen aan de teen van Italiכ)
langs een indirecte koers. Maar na een dag in Regium, kwam er een
gunstige Zuidenwind, die hen de volgende dag naar Puteoli bracht.
Puteoli was de best beschermde haven aan de Baai van Napels, gelegen
in het uiterste Noorden. Het was destijds de voornaamste haven van
Rome; een haven voor de grote Alexandrijnse graanschepen. Dit was
het eind van Paulus' reis naar Rome. De rest moest te voet worden
afgelegd.
In
Puteoli slaagde de apostel, waarschijnlijk met de hulp van Lukas en
Aristarchus er in, om een aantal Christenbroeders te vinden. Het
verslag geeft aan, dat deze broeders*/[8],
Paulus en zijn vrienden drongen om zeven dagen bij hen te blijven,
en met tot gevolg, dat Paulus en zijn metgezellen dit deden. Dit is
nog een opvallend teken, dat Julius' interesse in Paulus
toenam,
want het betekende dat de centurion en al zijn soldaten en
gevangenen, een week moesten wachten, terwijl Paulus deze "broeders"
diende. Ongetwijfeld hadden de wonderen door Paulus en zijn
bediening op Malta, het diepe respect dat Julius voor Paulus had,
nog verdiept.
Het feit dat in Puteoli gelovigen in Christus gevonden werden,
brengt ons de woorden van Paulus te binnen in Hebr.13:24: "U groeten
die van Italiכ
(niet alleen van Rome) zijn" en geeft aan hoe wijd
reeds het evangelie van Gods genade was verkondigd en ontvangen.**/[9]
Maar enige kilometers voorbij Puteoli kwamen de reizigers op de
grote Via Appia, misschien wel de beroemdste hoofdweg uit de
oudheid. Slatius noemde haar "de koningin van de lange
afstandswegen". Het gedeelte van Capua naar Rome (132 mijlen)
werd aangelegd omstreeks 312 v.Chr., maar zij werd omstreeks 244
v.Chr verlengd tot Brindisi. Mijlpalen en inscripties met betrekking
tot herstellingen bestaan nu nog. Ondanks dat zij meer dan 2000
jaren geleden werd aangelegd, zijn gedeelten van deze hoofdweg nog
steeds intact.
Toen de apostel en de anderen op weg gingen naar Rome langs deze
oude weg, gingen twee andere gezelschappen vanuit Rome langs
dezelfde weg hem tegemoet. Hoe wisten zij van zijn aankomst?
Klaarblijkelijk hadden de gelovigen in Puteoli hiervan bericht
gezonden naar Rome toen Paulus bij hen diende. Een van deze groepen
ontmoetten hem bij Appii Forum, en de andere vijftien mijl verderop
bij De Drie Tabernen.
Het verslag zegt eenvoudig dat toen Paulus deze broeders zag, "hij
God dankte, en moed greep". Maar dit korte verslag spreekt
boekdelen. Het geeft ook aan, dat de weg van de apostel werd
getekend door verlangen en vrees. Zou hij Rome binnen gaan als een
misdadiger, met alleen Lukas en Aristarchus om hem bij te staan?
Zouden de Romeinse gelovigen gereserveerd zijn ten opzichte van hem?
In
het laatste hoofdstuk van zijn Romeinenbrief had hij groeten
gezonden aan niet minder dan zeven en twintig leden van de
gemeente daar, en had ook anderen genoemd. Een aanzienlijk aantal
van hen kende hij persoonlijk. Een flink aantal van hen waren
ongetwijfeld opgenomen in de blijde commissies van ontvangst: zijn
geliefde Aquila en Priscilla, Phebe en Maria, die hem zo hadden
bijgestaan in het werk, Andronicus en Junias, zijn verwanten en
"mede-gevangenen". Zouden die er ook bij zijn? Wat een tijd van
gebed en dankzegging moeten zij wel gehad hebben; wat een ophalen
van hun ervaringen bij het verkondigen van het evangelie; welke
ernstige gesprekken en plannen met het oog op Paulus' verblijf in
Rome, en het naderend verhoor voor Nero! De hartelijke natuur van de
apostel vond weerklank in de liefde van deze gelovigen, die de hele
lange weg gekomen waren om hem te ontmoeten en hem te bemoedigen.
Zij moeten wel dikwijls zijn woorden gelezen hebben: "Ik verlang u
te zien", en nu hadden zij ook hun verlangen om hem te zien getoond.
"Hij dankte God en greep moed". Zijn entree in Rome kreeg nu met
deze geliefden zo nabij om hem te vertroosten en te verblijden*/[10],
een nieuw aspect.
In
Rome kreeg Julius blijkbaar zijn laatste gelegenheid om aan Paulus
vriendelijkheid te bewijzen.
Ongetwijfeld gaf de brief die met Paulus meegezonden werd (25:26,27)
aan, dat hij onschuldig was, en dat hij zich beroepen had op
de Keizer. Eveneens was duidelijk, dat Paulus' eigen gedrag en de
aanwezigheid van zijn vrienden, hem onderscheidden als een
bijzondere persoonlijkheid. Maar de speciale onderscheiding die hem
werd gegeven door de hoofdman van de wacht, zal wel het meest
veroorzaakt zijn door de tussenkomst en invloed van Julius, de
centurion, die er nu wel toegekomen was, Paulus zo hoog te achten.
Toen de gevangenen werden overgeleverd aan de kapitein van de wacht,
mocht alleen Paulus in het huis van een vriend**/[11]
verblijf houden - misschien wel het huis van zijn oude vriend Aquila
die, met Priscilla, hem bij vorige gegenheden had verzorgd. Hij werd
bewaakt door een soldaat, aan wie hij blijkbaar vastgeketend was.
Dat hij met een keten gebonden was is duidelijk uit V.20
(Cf.Eph.6:20; Phil.1:7,13,14,16; Col.4:18; File.10,13).
[i].*/Voetnoot:
In april 1942 alleen al maakte de vijand 5715 vluchten, en
wierp 6728 ton bommen op dit kleine eiland zonder de
verdediging te vernietigen.
[ii].**/Voetnoot:
Veel van dit gebeuren is afkomstig uit Smith's Voyage and
Shipwreck of St.Paul.
|