De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XLVII  -  H A N D. 27:1-44

 DE REIS NAAR ROM

VROEGERE SCHEEPVAART EN NAVIGATIE

 Wij komen nu tot een van de meest opwindende episodes in de geschiedenis van Paulus' bediening: de reis naar het verre Rome, met haar lange weken van ontbering en gevaar op een door storm bewogen zee*/[i]. Voordat we echter dit gedeelte van Handelingen in detail gaan bespreken, is het goed om wat meer bekend te raken met de scheepvaart en de navigatie in die dagen.**/[ii]

Het is duidelijk uit 2Cor.11:25 en andere Schriftgedeelten, dat de zeilschepen van oude tijden in veel groter aantal vergingen dan die van latere tijden.

Dit was meestal te wijten aan de constructie van de schepen. Behalve dat zij een minder gestroomlijnde romp hadden, was op deze schepen meestal een grote mast waaraan het grootzeil, en daarnaast een of twee kleinere zeilen, geplaatst in het midden van het schip. In plaats van de winddruk over het schip te verdelen, concentreerde deze zich bij sterke winden voornamelijk op het midden van het schip, hetgeen de onderste plankdelen de neiging gaf tot scheuren en zo lekkage veroorzaakte.

Dit verklaart waarom zij in de storm "hulpmiddelen***/[iii] gebruikten om het schip te ondergorden", hetgeen we later zullen zien (V.17). Het verklaart ook, waarom de zeelui op het schip waarmee Jona voer, in de storm "de vaten die in het schip waren, in zee wierpen...om het te verlichten" (Jona 1:5), en waarom zij in deze storm veel van de lading overboord wierpen, en zelfs "het scheepsgereedschap (tuig)", wanneer men zou verwachten, dat in een storm ballast meer nodig zou zijn.

Het is echter een misvatting te veronderstellen dat deze primitieve schepen noodzakelijkerwijs klein van afmeting waren. Het schip waarmee de apostel van Myra naar Melite voer, bood plaats aan 276 passagiers en bemanning inclusief de lading, en het eerstvolgende schip dat van Melite naar Italiכ voer, had al deze 276 personen, inclusief haar eigen lading en haar eigen passagiers en bemanning aan boord. Flavius Josephus schrijft, dat hij op een schip meevoer dat 600 passagiers aan boord had. Veel oude koopvaardijschepen waren toen grote zeegaande vaartuigen, in staat om zware ladingen en honderden passagiers te vervoeren.

       Het zou ook een misvatting zijn aan te nemen dat de eenvoudige tuigage op deze oude schepen dezen verhinderde om tegen de wind te zeilen. Integendeel, het Schriftgedeelte dat wij beschouwen, bevestigt de overtuiging van enige nautische deskundigen, dat zij tegen de wind in konden zeilen tot wellicht 8 streken van een 32-streken kompas*/[1], want zij voeren een groot deel van deze reis tegen de wind, kennelijk door te "laveren".         Het is waar, dat echter de manier van tuigen, hoewel gunstig voor snel zeilen vףףr de wind, zal blijken nadelig te zijn, wanneer tegen de wind moest worden gezeild.

       In dit verband is het goed om in acht te nemen, dat de bestaande wind in de Levant, het grootste deel van het jaar, uit het Noordwesten waait, in de herfstmaanden sterker wordt, en in de winter tot storm kan aanwakkeren. Daarom werden winterreizen van November tot Maart, in die dagen, vermeden. Zeevaarders zochten gedurende die tijd havens om te "overwinteren" (V.12). 

           BETEKENIS VAN DE REIS IN VERBAND

                   MET BEDELINGEN

We hebben in deze studies reeds eerder geleerd, dat Handelingen meer is dan een geestelijk geschiedenisboek. Net als elk ander boek in het Nieuwe Testament, heeft het een zekere lerende strekking. Behalve dat het ook de overgang van het koninkrijkprogramma naar dat van vandaag naar voren brengt, heeft het ook een merkwaardige en belangrijke betekenis in bedelingen.

Lukas werd niet slechts geinspireerd om zo in detail te treden en van deze reis zoveel te maken, alleen om ons een spannend en dramatisch verhaal op te dissen.

Paulus was een ervaren reiziger, en was in vele gevaren geweest, waaronder "in gevaren op de zee" (2Cor.11:26). Enige jaren vףףr deze reis, had hij inderdaad reeds kunnen schrijven: "...driemaal heb ik schipbreuk geleden; een ganse nacht en dag heb ik in de diepte doorgebracht" (2Cor.11:25). Maar deze reis naar Rome had een bijzondere betekenis in de zin van bedeling. Vandaar dat er meer van wordt vermeld.

Paulus was naar Jeruzalem gegaan, onder andere, om "het evangelie van Gods genade te betuigen", maar had het volk verhard bevonden in haar verwerping van Christus, en de gelovigen aldaar, verder dan ooit van een waar besef van genade (21:20). En nu laat hij, voor de laatste maal, zijn volksgenoten achter om naar Rome te gaan, als "de gevangene van Jezus Christus voor (de) heidenen".

Maar dit vertrek als gevangene betekent in 't geheel niet, dat hij van het toneel der historie in de vergetelheid stapt. Integendeel staat hij meer dan ooit in het middelpunt van het toneel. Gods plan volvoert zich rondom hem, omdat Israel en Judaןsme, voor het heden, achtergelaten zijn, en de wereld in zicht verschijnt.

Zijn verheven boodschap is reeds wijd en zijd verkondigd. Ook heeft hij reeds brieven geschreven om de heiligen in genade te bevestigen. En nu zal hij, vanuit Rome, meer brieven schrijven, die waarheden bevatten die terecht genoemd worden "de hoeksteen van goddelijke openbaring", en die dienen om de Gemeente in te leiden in de volheid van genade.

Zo is het vertrek van Paulus uit Jeruzalem naar Rome, betekenend als overgang van Gods zegen van Israel, naar de heidenen. Weldra zal de bediening van de apostel niet langer meer zijn, "eerst de Jood". Als hij in Rome aankomt zal hij de Joodse leiders daar vertellen, dat "de zaligheid Gods den heidenen*/[2] gezonden is" (28:28). De heiden neemt nu de voornaamste plaats in Gods bedoeling in, omdat meer heidenen dan Joden, Israels God en Zijn Christus aanbidden.

Zij die moeite hebben om dit te verenigen met de leer van het ene saamgevoegde lichaam, dienen op te merken dat, omdat overvloeiende genade gelijkelijk aangeboden wordt aan Jood en heiden, en de verdiensten van Christus' kruisiging gelijkelijk toepasselijk zijn voor beiden (Rom.10:12), en omdat Joden en heidenen werkelijk met God door het kruis in ייn lichaam verzoend zijn (Eph.2:16), dit, praktisch gesproken, een heidense bedeling is, en wel om de eenvoudige reden dat Israel, als volk, Christus heeft verworpen, en gelovende Joden in het Lichaam een kleine minderheid uitmaken. Dit is de reden, waarom Gods werk vandaag genoemd wordt: "dit geheimenis onder de heidenen"**/[3] (Col.1:27).

Verder is het niet vreemd, te ontdekken, dat deze reis ons ook een figuurlijke les in bedeling leert, omdat Handelingen de geschiedenis is van de val van Israel. In Israels historie zijn tekenen, gelijkenissen, en beelden, altijd al van betekenis geweest.

Zo beeldt deze passage de reis van de Kerk***/[4] uit in de

huidige bedeling, zoals zij Judaןsme achter zich laat. De zee symboliseert de ongeredde massa's (Jes.57:20); de tegenwind, de weerstand van Satan****/[5]. Het schip lijdt uiteindelijk schipbreuk, maar allen die met Paulus meevoeren, worden veilig aan land gebracht (V.44).

Paulus is de voornaamste persoon aan boord van het schip. Hij geeft advies wat betreft de reis (V.9,10), en wanneer dit wordt verworpen en moeite tot resultaat heeft, berispt hij hen, en zegt: "O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben" (V.21). Hij is het die zijn mede-passagiers opwekt als hij, door goddelijke inspiratie, verklaart, dat allen die met hem varen, de storm zullen overleven (V.24,25), en hij is het die tenslotte aandringt om voedsel te nemen, en voorgaat in de dankzegging (V.34-36).

       Deze lessen vanuit de bedeling moeten in gedachten gehouden worden, als we verder gaan met het bestuderen van het verslag van de reis van de apostel naar Rome.

 

             DE LAATST BEKENDE TAFERELEN

 

       "En als het besloten was, dat wij naar Italiכ zouden afvaren, leverden zij Paulus en enige andere gevangenen over aan een hoofdman over honderd, met name Julius, van de keizerlijke bende.

       "En in een Adramytteens schip gegaan zijnde, alzo wij de plaatsen langs Aziכ bevaren zouden, voeren wij af; en Aristarchus de Macedoniכr van Thessalonica was met ons.

       "En des anderen daags kwamen wij aan te Sidon. En Julius vriendelijk met Paulus handelende, liet hem toe tot de vrienden te gaan om van hen bezorgd te worden.

       "En vandaar afgevaren zijnde, voeren wij onder Cyprus heen, omdat de winden ons tegen waren.

       "En de zee, die langs Ciliciכ en Pamfyliכ is, doorgevaren zijnde, kwamen wij aan te Myra in Lyciכ.

       "En de hoofdman aldaar een schip gevonden hebbende van Alexandriכ, dat naar Italiכ voer, deed ons in hetzelve overgaan."

                                                - Hand.27:1-6.

 

       Allengs was de tijd  gekomen om de militaire kampementen te Cesarea te verlaten, en de reis naar Rome te beginnen, want "een schip van Adramyttium" lag in de haven, klaar om uit te zeilen naar de kusten van Klein Aziכ, waar Adramyttium in het noordelijkste deel daarvan lag. Daar konden wellicht verbindingen worden gevonden voor de verdere reis naar Italiכ. Vanaf vers 9 komen we tot de conclusie, dat deze reis, die zo'n groot effekt in de geschiedenis van de mensheid zou hebben, omstreeks het einde van Augustus, begon.

       De naar Rome gezonden gevangenen werden, bewaakt door een zekere Julius, "een centurion van de bende van Augustus"*/[6], maar Paulus, zoals we reeds zeiden, is de hoofdfiguur van het verhaal. Het is geschreven over hem. In de bewaking van Julius zijn Paulus en "enige andere gevangenen"**/[7] opgenomen (V.1). Inderdaad zijn, behalve Paulus en Julius, slechts twee anderen bekend: Lukas (Zie het "wij" en "ons" in Vers 2), en Aristarchus, Paulus' begeleiders.***/[8]. Hij geeft advies, berispt, bemoedigt, commandeert, belooft veiligheid, en gaat voor bij de beroemde "maaltijd in de storm". Bovendien toont Julius hem respect, en zelfs enige genegenheid, als hij hem toestemming geeft om in Sidon aan land te gaan om zijn vrienden te bezoeken, en later zelfs zijn leven voor hem riskeert, om hem te redden.

       Zo voorzag de Here voor Zijn apostel, door hem een positie van unieke invloed te geven aan boord van het schip, samen met een sympathieke centurion, twee toegewijde gelovigen als reisgezellen - en Christus' eigen belofte van veilige overtocht (Hand.23:11) om hem verder te ondersteunen.

       Het eerste deel van de reis zou de apostel in contact brengen met bekende taferelen en gezichten. Zoals we hebben gezien, was het schip bedoeld*/[9] om naar de kusten van Klein Aziכ te gaan, maar er moest een eerste stop worden gemaakt in Sidon, ongeveer zeventig mijlen noordwaarts.

       Dat Julius Paulus hoog achtte, en hem zelfs genegen was, werd reeds duidelijk in vers 3 van deze passage. Daar lezen we, dat hij Paulus behandelde met vriendelijke toegenegenheid*/[10] en hem vrijheid gaf om aan land te gaan naar zijn vrienden, en "om bezorgd (verzorgd) te worden".

       Na twee jaren gevangenis zou de apostel nauwelijks de uitrusting hebben voor een lange zeereis. Ook kan hij lichamelijk geleden hebben van zijn lange opsluiting, want hij was ver van robuust. Deze speciale consideratie, met materiele hulp en Christelijke gemeenschap die dit toen gaf, moet hem van harte goed gedaan hebben. Het was een gelukkige dag met vrienden aan land, om hem voor te bereiden voor enkele angstige weken op een stormachtige zee.

       De vriendelijke toenadering van de centurion naar Paulus, was in de ervaringen van de apostel niet uniek. Andere Romeinse officieren, zowel civiele als militaire, hadden hem soortgelijke vriendelijkheid bewezen, zoals Julius dat opnieuw zou doen (Zie 18:14,16; 19:31,37; 24:23; 28:16,31; etc.). Dit spreekt wel voor Paulus' karakter als Christen.

       Maar vele ontmoedigingen lagen nog vףףr hem. Van hieruit werd de reis een lange reeks van oponthouden, gevaren en ongelukken, die eindigden in een verschrikkelijke schipbreuk op de rotsige kusten van Malta.

       Lukas verklaart dat zij "onder" (Lett. "in de lij van") Cyprus voeren, "omdat de winden tegen waren" (V.4). Ramsay stelt vast dat de verklaring van Lukas, hem bestempelt als een vreemdeling op zee" (St.Paul the Traveller,P.317), omdat het, volgens Ramsay normaal was, in die tijden van het jaar, niet op zee te varen. Maar hier is Ramsey zeker verkeerd. Dit is niet alleen een geןnspireerd verslag, maar Lukas' verbazende nauwkeurigheid in details, en zijn vertrouwd gebruik van nautische taal bewijst, dat hij geen vreemdeling was in de zeevaart, en inderdaad bekend was in dit gedeelte van de Middellandse Zee.

       Het oorspronkelijk plan was klaarblijkelijk, om ten zuiden van Cyprus, door open zee, direct naar de zuidkust van "Aziכ" te varen, maar omdat de sterke westelijke winden voor dat seizoen vroeg begonnen te waaien, werd besloten naar het noorden te varen, en oostelijk van Cyprus, zodat zij meer bescherming voor de wind zouden krijgen. Dat zij niet ten zuiden van Cyprus voeren, zoals sommigen concluderen uit het woord "onder" in vers 4, wordt duidelijk uit het feit, dat zij Myra bereikten door langs Ciliciכ en Pamphiliכ te varen (V.5, en zie kaart,P.10).

       Terwijl de wind in deze wateren reeds "tegen" was, wordt van de stroom gezegd, dat zij altijd westwaarts trekt. Dit zou enige hulp geven, zodat we niet lezen van buitengewone moeite om noordelijk van Cyprus naar Myra te zeilen.

       Het eerste deel van de reis had echter langer geduurd dan werd verwacht. Dezelfde winden die eerder Paulus zo voorspoedig van Patara naar Tyrus brachten (Zie Deel III, noot bij P.260, en de kaart, op P.146 (Engelse editie)) werkten nu "tegengesteld" door hem voor een tamelijk lange tijd in bekend gebied vast te houden. In het Noorden lag zijn geliefd Ciliciכ en naar het Oosten Antiochiכ, vanwaar hij was vertrokken op zijn eerste apostelreis, terwijl naar het Zuiden Cyprus lag, het eiland waar hij het eerst had gewerkt na Antiochiכ verlaten te hebben. Vele herinneringen zullen wel in de gedachten van de apostel geweest zijn, terwijl de navigators met moeite trachtten vorderingen te maken in tegenwind.

       Tenslotte arriveerden zij in Myra, waar de centurion zo gelukkig - of, zoals later bleek, ongelukkig - was "een schip van Alexandriכ" te vinden, met Italiכ als bestemming. Haar aanwezigheid in de haven van Myra, kan voor rekening komen van dezelfde vroege winden, die de zeelieden van de kustvaarder waar de centurion en zijn gevangenen juist vanaf gekomen waren, hadden tegengewerkt.

       Het is echter ook mogelijk, dat Myra een van haar bestemmingshavens was, want het schip was geladen met graan*/[11]. Egypte was toen de graanschuur van de wereld, en een gevonden inscriptie heeft Myra beschreven als "harrea", een "opslagplaats van koren".

       Blijkbaar was dit Alexandrijnse schip een zeevarend schip, aanzienlijk groter dan de vorige kustvaarder, want de Egyptische zeevrachtvaarders zijn bekend, als de grootste op de Grote Middellandse Zee.

       Het was op dit grote schip, dat spoedig de gruwelijkste gevaren zouden worden beleefd.

 

                  MOEILIJKHEDEN OP KOMST

 

       "En als wij vele dagen langzaam voortvoeren, en nauwelijks tegenover Knidus gekomen waren, overmits het ons de wind niet toeliet, zo voeren wij onder Kreta heen, tegenover Salmone.

       "En hetzelve nauwelijks voorbijzeilende, kwamen wij in een zekere plaats genaamd Schonehavens, waar de stad Lasea nabij was.

       "En als veel tijd verlopen en de vaart nu zorgelijk was, omdat ook de vasten nu voorbij was, vermaande hen Paulus,

       "En zeide tot hen: Mannen, ik zie, dat de vaart zal geschieden met hinder en grote schade, niet alleen van de lading en van het schip, maar ook van ons leven.

       "Doch de hoofdman geloofde meer den stuurman en den schipper dan hetgeen van Paulus gezegd werd.

       "En alzo de haven ongelegen was om te overwinteren, vond het meerderdeel geraden ook vandaar te varen, of zij enigszins te Fenix konden aankomen om te overwinteren, zijnde een haven in Kreta, strekkende tegen het zuidwesten en tegen het noordwesten."

                                                 - Hand.27:7-12.

 

       De wind nog steeds "tegen", kostte het schip "vele dagen" om de korte afstand van Myra naar Cnidus, op de zuidwestkust van "Aziכ", af te leggen. En nadat zij "met moeite"[12] erin geslaagd waren het schip "tegenover" Cnidus te brengen, waren zij blijkbaar niet in staat de haven in te komen, "overmits het de wind niet toeliet" (V.7).

       Sommigen hebben verondersteld, dat deze laatste zin slaat op hun niet in staat zijn om hun koers te vervolgen naar het noorden van Kreta, maar wij concluderen, dat het slaat op de onmogelijkheid om de haven van Cnidus in te varen, om de volgende redenen:

       1. De term "tegenover Cnidus", gekoppeld als deze is met "de wind liet niet toe", lijkt weer te geven, dat zij niet dichterbij konden komen dan zij waren.

       2. Zij brachten het schip "tegenover" Cnidus, slechts "met moeite". Waarom zouden zij moeizaam trachten om zo dicht bij Cnidus te geraken, als zij niet van plan waren de haven in te gaan?

       3. Na worsteling met tegenwinden gedurende "vele dagen" zou het toch natuurlijk zijn een haven te zoeken op het vaste land.

       4. Cnidus was klaarblijkelijk een welvarende stad met een grote haven, en het zou dwaas geweest zijn onder de gegeven omstandigheden om voorbij te varen met alleen de hoop op een kleinere haven op het eiland Kreta.

       Beaufort zegt van Cnidus: "Weinig plaatsen hebben meer onbetwistbare bewijzen van vroegere schoonheid...De hele omgeving van de stad is ייn geweldige massa ruןnes, waartussen straten en poorten, zuilengangen en theaters kunnen worden getraceerd (Karamania, P.81). En hier voegt Howson aan toe: "Maar de overblijfselen die het meest de aandacht trekken, zijn die van de havens...omdat deze resten minder bloot gestaan hebben aan geweld of afbraak" (Life and Epistles of St.Paul,P.694).

       Klaarblijkelijk zouden de navigators toen de haven zijn ingegaan, als de wind het had toegelaten, maar zij werden gedwongen door de kracht van de storm, om zuidwaarts te koersen, hopend Kaap Salmone, op Kreta's meest oostelijke punt te ronden, en zo "onder" de beschutting van de lijzijde van het eiland te komen.

       Dit gelukte, maar opnieuw "met moeite", en zo kwamen zij ten slotte aan in "Schonehavens", klaarblijkelijk meer een rede dan een haven, waar zij alleen voor anker konden. Een weinig naar het westen van Schonehavens, lag Kaap Matala. Als zij die gerond zouden hebben, stonden zij opnieuw bloot aan de volle kracht van de storm. Het was daarom noodzakelijk om in Schonehavens te wachten op het draaien van de wind.

       "Veel tijd verliep" echter met vergeefs wachten op gunstige wind - zoveel tijd, dat "de vaart nu zorgelijk werd, omdat ook de vasten*/[13] nu voorbij was" (V.9). De vaart was reeds moeilijk geweest door de buiten het seizoen vroege noordwester stormen, maar zelfs als de winden veranderden, zou het nu gevaarlijk zijn verder risico te lopen, omdat het herfstseizoen gekomen was, wanneer op geen gunstige wind meer kan worden gerekend, en varen altijd gevaarlijk was.

       Toen zij daarom steeds wachtten op het draaien van de wind, "vermaande" Paulus de zeelieden geen verder risico te lopen. De apostel was onder de hand nu een ervaren reiziger en zeeman geworden. Driemaal had hij schipbreuk geleden, en bij ייn gelegenheid had hij "een nacht en een dag" in de diepte doorgebracht, ongetwijfeld zich vastklemmend aan een drijvend voorwerp. Zo was hij dus welbekend met de "gevaren van de zee" (2Cor.11:25,26).

       Hij verklaarde daarom dat hij "waarnam", dat deze reis, indien doorgezet, "hinder"(Lett.geweldig letsel) en "grote schade" (of verlies) zou opleveren, niet alleen aan de lading en het schip, maar ook aan mensenlevens.

       Dat Paulus' advies zelfs werd overwogen**/[14] door de centurion en degenen die in dienst van het schip waren, geeft aan  dat zij hem in hoog aanzien hielden. Misschien wisten zij inmiddels ook dat hij een reiziger met aanzienlijke ervaring was.

       Terwijl er een klein stadje ongeveer zeven mijlen verwijderd was van hun huidige "haven", lag achter Kaap Matala de stad Fenix***/[15] met een goed toegeruste haven. Dit was slechts een afstand van veertig mijlen, en gehoopt werd dat als de wind gunstig zou worden, zij deze haven zouden bereiken en daar overwinteren.

       Zowel de "schipper" (de dienstdoende navigator) en de "eigenaar" van het schip, leek het waard om het risico te nemen. Bovendien beriep Paulus zich niet op een bovennatuurlijke leiding in dit geval. Hij had gewoon gezegd, dat hij toekomstig gevaar "opmerkte". Zijn verklaring was een waarschuwing, geen voorspelling.

       De centurion trof daarom nauwelijks blaam, omdat hij "overtuigd" ("geloofde" is niet correct) werd door de zeelieden van beroep aan boord. Later bleek Paulus juist geweest te zijn in dit geval. Ook omdat "de haven ongelegen was om te overwinteren", drong de meerderheid van de bemanning, of passagiers, of beiden (ongetwijfeld met uitzondering van de gevangenen) er op aan, dat zij "vandaar zouden varen", en proberen Fenix te bereiken. Zij hadden reeds vele gevaren overleefd; zij zouden deze ook wel overleven, hoopten zij, en zo de winter in acceptabeler omgeving doorbrengen. Maar zij waren fout, met tot gevolg, dat de schipper en eigenaar hun schip en lading verloren, en allen aan boord hun levens waarschijnlijk verloren hadden, als de Here aan Paulus niet hun behoud had beloofd.

       Er bestaat een technisch probleem in V.12, dat dient te worden uitgelegd voordat we verder gaan met onze studie van de reis. De haven van Fenix, zo wordt ons verteld, "ligt ten zuidwesten en noordwesten". Allereerst hoe kan deze in twee richtingen liggen? Het antwoord is simpel, omdat een eiland aan de monding lag, zodat men deze vanuit twee hoeken kon binnenvaren. Maar verder zou gevraagd kunnen worden, of het niet dwaas was van de zeelieden, die reeds sterke winden vanuit het westen hadden bevochten, om beschutting in een haven te zoeken die juist open lag voor deze winden? De verklaring van dit probleem wordt gevonden wanneer we het gezichtpunt van de zeeman overnemen. De passage stelt niet dat de mond van de haven naar het Zuidwesten en het Noordwesten gericht was; het stelt eenvoudig dat de haven in die richting lag. Wel, de haven lag werkelijk van Zuidwest naar Noordwest als de zeelieden deze aanliepen. Een schip moest zijn steven naar het Zuidwesten of naar het Noordwesten keren om de haven in te komen, afhankelijk van welke richting het kwam. Zo was dus de mond van de haven werkelijk gericht naar het Zuidoosten en Noordoosten, beschut voor die winden die hen zoveel moeiten hadden veroorzaakt.*/[16] Dit is nog een reden waarom zo naar het bereiken van deze haven werd verlangd.

 

                   DE GROTE TYPHOON

 

       "En alzo de zuidenwind zachtelijk waaide, meenden zij hun voornemen verkregen te hebben, en afgevaren zijnde zeilden zij dicht voorbij Kreta heen.

       "Maar niet lang daarna sloeg tegen hetzelve een stormwind, genaamd Euroklydon.

       "En als het schip daarmede weggerukt werd, en niet kon tegen de wind opzeilen, gaven wij het op, en dreven heen.

       "En lopende onder een zeker eilandje, genaamd Klauda, konden wij nauwelijks de boot machtig worden;

       "Dewelke opgehaald hebbende, gebruikten zij alle behulpselen, het schip ondergordende; en alzo zij vreesden, dat zij op de droogte Syrtis vervallen zouden, streken zij het zeil en dreven alzo heen.

       "En alzo wij van het onweder geweldig geslingerd werden, deden zij den volgenden dag een uitworp;

       "En den derden dag wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap uit.

       "En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons voorts alle hoop van behouden te worden benomen."

                                             - Hand.27:13-20.

                DOOR HET WEER BEDROGEN

 

       Ai, wat een zachte zuidenwind! Precies waar zij op gewacht hadden!

       Het was slechts nauwelijks dertien mijlen naar de haven van Fenix, en, omdat de zuidenwind het wat moeilijk zou maken om Kaap Matala te ronden, zou dit blijken een groot voordeel te zijn voor de overige koers.

       En zo was het dat zij "loos gingen" (Lett. anker op) en "dicht voorbij Kreta heen zeilden" (alleen de kaap moest natuurlijk gerond worden). Eindelijk waren zij op weg, vermetel vooruitlopend op een zorgeloze reis over de baai, naar Fenix, misschien wel met een toegeeflijke lach naar Paulus vanwege het advies wat hen zo'n goude gelegenheid zou hebben doen missen. Zo vertrouwden zij op deze warme, zachte bries, dat zij zelfs hun roeiboot*/[17] achter zich meesleepten.

 

                 EEN PLOTSELINGE STORM

 

       Nauwelijks zullen zij zich hebben kunnen voorstellen, toen het grote schip zo mooi voortzeilde op de gunstige bries, dat zij plotseling in een verschrikkelijke crisis terecht zouden komen.

       De woorden "sloeg tegen" in V.14, geven de indruk, dat een wind was opgestoken tegen het schip. Dit is niet juist. De woorden zijn ebalen kar autes: "viel neer". Het punt is, dat een storm neersloeg vanaf Kreta, waarvan de bergen op deze plaats meer dan 7000 ft. omhoog steken. De zware stormen in dit gedeelte van de Middellandse Zee beginnen vandaag nog op dezelfde wijze, met sterke windval vanaf de bergen.

       Dit was geen gewone storm, want het hier gebruikte woord "orkaanachtig", is het bijwoord tuphonikos. Het was een wind van typhonische kracht - een typhoon, plaatselijk bekend met de naam Euroclydon, of De Noordooster.**/[18]. Vandaag wordt zij De Levanter genoemd, omdat zij vanaf de Levant waait.

       Zo plotseling was deze zware storm op hen gevallen, dat er geen tijd was het grootzeil te minderen of iets te doen om het schip onder controle te houden. Zij waren "gevangen" in een orkaan die zo sterk was, dat het onmogelijk was om "in de wind op te steken" (V.15) of op te loeven, zoals wij dit noemen. Er bleef niets anders over, dan het schip domweg te laten drijven voor de storm uit.

       Het was een geluk voor hen dat de storm niet iets later begonnen was, of zij waren op het eiland Claudia geworpen, ongeveer 20 mijl in zuidwestelijke richting. Zoals het was, kwamen zij vrij van het eiland, er"onder" langs drijvend in de luwte van haar zuidelijk strand. De ontsnapping ternauwernood, moet wel een verschrikkelijke ervaring geweest zijn.

       In de luwte van Claudia vertoonden de zeelieden een uitstekend zeemanschap, toen zij de tijdelijke, en tamelijk rustige zee, gebruikten om drie zaken van dringend belang te verrichten.

       Ten eerste moest de sloep aan boord worden gehesen, - en wel zo snel mogelijk. Of deze reeds vol water was of niet vermeldt het verslag niet, maar wij begrijpen, dat dit in dit stormweer geen gemakkelijk karwei was (Zie V.16). Uit het "wij", in V.16, concluderen we dat Paulus en zijn twee metgezellen, of altans Lukas, hierbij hielpen.

       Ten tweede moest het schip worden "gesjord" of ondergord met kabels of touwen*/[19] om te voorkomen dat zij in stukken zou vallen. Dit was uiteraard geen werk voor een landrot. "Zij" voerden dit uit zonder hulp van de passagiers.

       Ten derde bestond er een groot gevaar, dat de Noordoosten wind hen op "de banken"**/[20] zou werpen, voor de kust van wat nu bekend is als Tripoli. Hiertegen moesten blijvende maatregelen worden genomen. Daarvoor "streken zij zeil", of letterlijk "haalden zij neer" (V.17). Het is duidelijk vanuit de contekst dat dit niet betekent, dat zij alle zeilen neer brachten. Dat te doen, zou betekenen een zekere manier om op Syrtis te lopen, want de wind dreef hen reeds in die richting. Verder zou het schip toelaten langs de branding te drijven, hetzelfde zijn als poging tot omslaan in een trog van de zee. Het moest worden opgestuurd, of er zo snel mogelijk toe gebracht worden om de wind te kunnen verwerken.

       Zij moesten daartoe het grootzeil en enig ander hoger zeil of uithouder naar beneden genomen hebben, om alleen met een of meerdere kleine overgelaten stormzeilen, te helpen het schip recht te houden. Navigators van meer moderne zeilschepen betuigen inderdaad, dat de term "neerhalen" onder zulke omstandigheden, ook het zetten van een of meerdere stormzeilen bevat.

       Hun oogmerk was niet zo zeer om voortgang te maken, maar de storm te doorstaan en de Syrtis te ontlopen. Uit de koers die het schip nu volgde is duidelijk, dat zij zo scherp als mogelijk in de wind optrok, met haar rechter of stuurboordzijde op de wind, en het stormzeil zo gezet, dat zij nog voortgang maakte, maar steeds in noordelijke richting***/[21], en op die manier werd "gedreven", zoals de kaart aangeeft, ongeveer 8 graden Noord ten Westen, met een gemiddelde snelheid van anderhalf mijl per uur,****/[22], die haar na ongeveer dertien of veertien dagen, vanaf Schonehaven, in de buurt van Malta bracht (V.27).

 

                GEEN VOORBIJGAANDE STORM

 

       Toen de zware storm onverminderd doorging gedurende de eerste nacht, en de bemanning en de passagiers "geweldig geslingerd" werden, werd het nodig om het schip te "lichten". Feitelijk staat het oorspronkelijke woord in de onvoltooide wijs, en geeft aan dat zij het bleven lichten (door alles wat maar gemist kon worden, overboord te werpen), een duidelijke aanwijzing dat het was begonnen te lekken.

       Maar de zaken zouden nog erger worden. Het wordt een beeld van een groeiende paniek. "De derde dag" zegt Lukas, "wierpen wij met onze eigen handen het scheepsgereedschap*/[23] uit" (V.19). Iedereen werd tot dienst gedwongen. Alles wat niet nodig was om te overleven moest overboord; bedden, bagage, kisten, kabeltouwen en zeilen incluis, en misschien ook wel wat van de lading. Blijkbaar maakte het schip steeds meer water. Bovendien hadden zij in die dagen geen kompassen, en zonder zon of sterrenbestek, hadden zij ook nog een ernstig nadeel. En dit ging maar door, dag en nacht.

       Het schip was nu teruggebracht tot een lekgeslagen, ontmantelde hulk. Ons ontbreken de woorden als we zouden trachten  de physieke en mentale toestand van de hopeloze, godloze zielen aan boord te beschrijven. Er was geen ophouden van de zware storm, de woeste zee, de doordringende regen en de spetterende golven. Geen vuur kon worden ontstoken, geen eten gekookt, niemand kon rusten, totdat de moede, hongerende, wrakke schepselen de hoop begonnen op te geven. Lukas eindigt dit deel van zijn geןnspireerd verslag met de woorden:

       "En als noch zon noch gesternten verschenen in vele dagen, en geen klein onweder ons drukte, zo werd ons alle hoop van behouden te worden benomen" (V.20).

 

                EEN BOODSCHAP VAN HOOP

 

       "En als men langen tijd zonder eten geweest was, toen stond Paulus op in het midden van hen, en zeide: O mannen, men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben en van Kreta niet afgevaren te zijn, en dezen hinder en deze schade verhoed te hebben.

       "Doch alsnu vermaan ik ulieden goedsmoeds te zijn; want er zal geen verlies geschieden van iemands leven onder u, maar alleen van het schip.

       "Want deze nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ook ik dien,

       "Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, God heeft u geschonken allen die met u varen.

       "Daarom zijt goedsmoeds, mannen, want ik geloof God, dat het alzo zijn zal, gelijkerwijs het mij gezegd is.

       "Doch wij moeten op een zeker eiland vervallen."

                                                - Hand.27:21-26.

 

       Het was in deze situatie van grimmige wanhoop, dat Paulus werd gebruikt door God, om hoop en zekerheid aan te bieden, door een verklaring, die tegelijkertijd een waardevolle geestelijke- en  bedelings-les is voor de Kerk.

       "Na langen tijd van vasten" door allen, stond de apostel "op in hun midden" om allen die aan boord waren, toe te spreken. Terwijl allen (behalve Paulus' metgezellen) ongetwijfeld tot hun heidense afgoden geroepen hadden (zoals in Jona.1:5), was Paulus in gemeenschap geweest met God, en had verdere verzekering ontvangen over veilige aankomst in Rome - en dat eveneens voor hen die met hem reisden.

       "O mannen" riep hij boven het geluid van de storm uit, "men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben, en van Kreta niet afgevaren te zijn, en deze hinder en deze schade verhoed te hebben" (V.21).

       Het was niets voor Paulus om, ten overstaan van allen, de kapitein en zijn bemanning, de eigenaar van het schip, en Julius de centurion, in verlegenheid te brengen, maar de omstandigheden riepen om zulke maatregelen, zodat nu allen wel op zijn woorden acht sloegen.

       Hoe vergelijkbaar is de situatie met de Kerk van vandaag! Omdat gelovigen, en speciaal hun leiders, Paulus' door God gegeven instructies ontkennen, dat de Kerk "her en der geslingerd" wordt, en zoveel schade en verlies lijdt. En nogmaals, wanneer de bedeling der genade ten einde schijnt te lopen, is het Paulus, die roept: "Men behoorde mij wel gehoor gegeven te hebben".*/[24]

       En nu bemoedigt de apostel zijn toehoorders om goede moed te hebben, en verzekert hen dat er geen verlies van mensenlevens zal zijn onder hen, maar alleen van het schip. Dit kan even zeker gezegd worden van de Gemeente die Christus' Lichaam is. Niet ייn van haar leden zal verloren gaan, hoewel de organisatie onder zal gaan in een akelig falen.

       Maar hoe had Paulus deze zekerheid ontvangen? Hoort hem, wanneer hij dit vertelt in de vliegende storm:

       "Want deze nacht heeft bij mij gestaan een engel Gods, Wiens ik ben, Welken ik ook dien,**/[25]

       "Zeggende: Vrees niet, Paulus, gij moet voor den keizer gesteld worden; en zie, GOD HEEFT U GESCHONKEN ALLEN DIE MET U VAREN." (V.23,24).

       Opnieuw valt hier een treffelijke, geestelijke, en bedelingsanalogie te ontdekken. In de huidige bedeling zijn allen die met Paulus varen, en alleen diegenen, gered en veilig. Slecht onderwezen predikers mogen wet en genade, profetie en het geheimenis, koninkrijk en het Lichaam vermengen, maar hun toehoorders zijn alleen zeker, als zij de Paulinische openbaring met betrekking tot het volbrachte werk van Christus, en redding door genade alleen door geloof, horen. Inderdaad kunnen de hoorders, door foutieve associatie, deze waarheden inlezen in passages die hun niet werkelijk onderrichten, maar het feit blijft, dat zij gered zijn, door deze waarheden van de glorieuze openbaring, die aan Paulus zijn toevertrouwd. Zeker is, dat zij niet gered zijn door het brengen van offers, zoals Abel (Gen.4:4,5), noch door trachten de wet te houden (overeenkomstig Ex.19:5 en Lev.18:5), noch door bekering en waterdoop (overeenkomstig Mark.1:4 en Hand.2:38), maar uitsluitend door de "prediking van het kruis" en "het evangelie van Gods genade".

       Deze scene in Handelingen sluit met een zeer merkwaardige demonstratie van geloof; een man staande op een door storm gebeukt dek, roepend boven het geluid van een razende zee tot meer dan twee honderd zeventig uitgehongerde, bezwijkende mannen:

       "... ZIJT GOEDSMOEDS, MANNEN, WANT IK GELOOF GOD, DAT HET ALZO ZIJN ZAL, GELIJKERWIJS HET MIJ GEZEGD IS" (v.25).

       Zonder twijfel was de voorspelling, dat zij "op een zeker eiland zouden vervallen" gedaan, opdat zij er van verzekerd konden zijn, dat hun bevrijding niet bij toeval was geweest.

 

             DE LAATSTE ANGSTVOLLE NACHT

 

       "Als nu de veertiende nacht gekomen was, alzo wij in de Adriatische Zee*/[26] herwaarts en derwaarts gedreven werden, omtrent het midden des nachts, vermoedden de scheepslieden, dat hun enig land naderde.

       "En het dieplood uitgeworpen hebbende, vonden zij twintig vademen; en een weinig voortgevaren zijnde wierpen zij wederom het dieplood uit en vonden vijftien vademen.

       "En vrezende, dat zij ergens op harde plaatsen vervallen mochten, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit, en wensten dat het dag werd.

       "Maar als de scheepslieden zochten uit het schip te vlieden, en de boot nederlieten in de zee, onder den schijn alsof zij uit het voorschip de ankers zouden uitbrengen.

       "Zeide Paulus tot den hoofdman en tot de krijgsknechten: Indien deze in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden.

       "Toen hieuwen de krijgsknechten de touwen af van de boot en lieten haar afvallen."

                                              - Hand.27:27-32.

 

       Maar er zou nog meer spanning te verduren zijn, want het gebeukte schip werd "her en derwaarts gedreven in de Adriatische Zee". Deze uitdrukking in V.27 is echter niet bedoeld om aan te geven, dat hun koers niet helemaal vast lag. Wij hebben gezien dat het schip, zo scherp als mogelijk, koers lag in de Noordoostelijke wind, met stuurboordzijde naar de wind en het stormzeil of de stormzeilen zo gesteld, dat zij toch nog enigszins voortgang maakte in Noordelijke richting. Naarmate de sterkte van de storm afnam, en weer toenam, werd zij "heen en weer gedreven", in een gemiddelde koers van 8 graden ten Noorden van het Westen.

       En nu, op de veertiende nacht van deze woedende storm, bemerkten de ervaren zeelieden aan boord, dat "land in de buurt kwam"**/[27], wellicht door het geluid van de branding op de kust, of nu en dan een glimp ervan in phosforiserend wit.

       Bij daglicht zou zo'n ontdekking inderdaad welkom zijn, maar in een pikdonkere nacht in een huilende storm, was de plotselinge gewaarwording dat land nabij was, allesbehalve geruststellend.

       Snel wierpen zij het dieplood, en vonden de bodem op twintig vademen, en een eind verder op vijftien vademen, Dit betekende dat onmiddellijk maatregelen moesten worden genomen om te voorkomen dat zij op de rotsen gedreven werden. Vier ankers moesten direct van het achterschip worden geworpen (V.29).

       Maar waarom van het achterschip in plaats vanaf de boeg, de gebruikelijk plaats? Hierover zal zeker geen goed overleg geweest zijn.

       De meeste commentators schijnen het ervoor te houden, dat het schip van achter werd verankerd, opdat het niet rond kon zwaaien en ruw met de rotsen in aanraking zou komen. En ook opdat het in de morgen in een positie zou zijn voor de zeelieden, om anker op te gaan, en zo, als dat mogelijk bleek, het stranden te bevorderen.

       Ons lijkt het echter waarschijnlijker, dat de meeste commentators "de leider zijn gevolgd", waarbij meerdere belangrijke faktoren niet in aanmerking zijn genomen.

       Ten eerste wordt over het algemeen ingestemd, dat het land dat het schip nu naderde, het eiland Malta was (Cf.28:1), en dat het nu lag tegenover de baai, die nu Paulus' baai genoemd wordt. Maar deze baai is gelegen aan de Noordoost kant van het eiland, en de lezer zal zich herinneren dat het schip over het algemeen in die richting lag, scherp in de Noordooster wind, en dus van de kust af.

       Wij concluderen daarom, dat de zeelieden anker wierpen vanaf het achterschip, zodat het schip moest draaien om naar het land te komen. In zo'n storm zou natuurlijk het eerste anker dit effekt hebben gehad en drie meerdere ankers zouden dan geworpen zijn om het tegen doorslippen te verzekeren. Vijftien, of zelfs tien vadem*/[28] water zouden zeker genoeg zijn, om deze manoeuvre te doen gelukken.

       Maar zelfs als zij dit gedaan hebben, bleef hun positie nog gevaarlijk. De ankers zouden kunnen slippen, want wie wist op welke grond zij hielden? En zelfs als zij hielden, dan nog zouden van achteren binnenslaande golven het schip kunnen volslaan of, zwak als het was, zouden juist het feit dat de ankers hielden tegen de storm, de oorzaak kunnen zijn, dat het in stukken uiteenviel. Het verwondert niet, dat nadat alles gedaan was wat zij konden, zij "wensten dat het dag werd" (V.29).

       Het is duidelijk dat de scheepslieden niet verwachtten dat het schip zou overleven, want in het donker van die stormachtige nacht maakten zij een wanhopig komplot, dat werkelijk onwaardig was aan hun tradities en verantwoordelijkheden.

       Zij lieten de boot zakken, ogenschijnlijk om ankers uit te varen**/[29] vanaf het voorschip, om het schip vaster te leggen. In feite echter, waren zij van plan om de boot te gebruiken (blijkbaar groot genoeg om hen allen te bevatten), om het schip en haar passagiers te verlaten.

       Maar Paulus doorzag hun voornemen, en kwam onmiddellijk in actie om dit te onderbreken. Hoe kon de moeilijke manoeuvre om het schip te landen geschieden, zonder de bemanning?

       Met zijn karakteristieke gevatheid en tegenwoordigheid van geest*/[30], sprak de apostel gewoon een paar directe woorden tot de juiste mensen, en het laffe plan werd voorkomen.

       Als hij bij de zeelieden zelf zou hebben geprotesteerd, zouden zij wellicht ondanks zijn woorden ontsnapt zijn. Daarom sprak hij "tot de hoofdman en tot de krijgslieden". En hij toonde  van God-gegeven wijsheid in zijn benadering van hen. Rekening houdend met het menselijk instinct van zelfbehoud, zie hij: "Indien dezen in het schip niet blijven, gij kunt niet behouden worden" (V.31).

       Het resultaat was onmiddelllijk. Zonder verdere discussie hieuwen de soldaten de touwen door, waardoor de boot in het water viel, en weer was een crisis voorbij.

       Het morele overwicht van Paulus op deze reis is waard te worden opgemerkt. Om te beginnen werd hem het gezelschap van twee begeleiders toegestaan, en de centurion behandelde hem met vriendelijke genegenheid. Toen in Schonehavens de centurion (die het uiteindelijk gezag aan boord had), ten laatste zijn advies niet aannam, is het betekenend dat dit advies werd aangehoord en afgewogen tegen dat van zowel de "kapitein" als de "eigenaar" van het schip. Maar toen zij, door vreselijke ervaring, allen de waarheid en wijsheid van zijn waarschuwing hadden leren kennen, werd zijn invloed geleidelijk groter, totdat hij, de passagier en gevangene, kon gaan staan en allen aan boord toespreken, en opwekken tot nieuwe hoop en moed, en een waarschuwing kon geven aan de hoofdman en zijn krijgsknechten, die praktisch het effekt had van een order.

       Vele woorden zijn reeds geschreven in verband met de zogenaamde tegenstelling tussen de verzen 22 en 31. Het simpele feit echter is, dat de reactie op de waarschuwing van V.31, de voorspelling van V.22 niet tot onwaarheid maakt, want de zeelieden bleven in het schip en allen werden gered. Inderdaad werd Gods belofte in V.22 gerealiseerd, toen de zeelieden "het schip aan de grond zetten". Zo was dus hun actie inbegrepen in zijn voorspelling. Dit draagt een principe dat we waarnemen, zowel in de Schriftuur als in de menselijke ervaring: dat menselijke bemiddeling ten diepste de vervulling bevat van Gods souvereine bedoelingen.

 

             BEMOEDIGING VOOR DE SLOTFASE

 

       "En ondertussen dat het dag zou worden, vermaande Paulus hen allen, dat zij zouden spijze nemen, en zeide: Het is heden de veertiende dag, dat gij verwachtende blijft zonder eten en niets hebt genomen.

       "Daarom vermaan ik u spijze te nemen, want dat dient tot uw behoud; want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen.

       "En als hij dit gezegd en brood genomen had, dankte hij God in aller tegenwoordigheid; en hetzelve gebroken hebbende, begon hij te eten.

       "En zij allen goedsmoeds geworden zijnde, namen ook zelven spijze.

       "Wij waren nu in het schip in alles tweehonderd zes en zeventig zielen."

                                               - Hand.27:33-37.

 

       In de vreselijke nacht, doorgemaakt voor de kust van Malta, werd Paulus door de Here gebruikt om de voorgenomen ontsnapping van de zeelieden te verhinderen, en hen aan boord van het schip te houden. Deze overwinning echter droeg nog een gevaar in zich, want mensen wier plannen verijdeld zijn, staan open voor slecht humeur en tegenwerking.

       In deze nieuwe en kritieke situatie zien we opnieuw het practisch inzicht van de apostel, zijn tegenwoordigheid van geest,  zowel als zijn menselijke sympathie. De situatie duidelijk begrijpend, en zich realiserend dat, nu of nooit, de soldaten, zeelieden, en allen, dienden te worden samengebracht en bemoedigd te worden, kwam hij prompt tot daden.

       Toen de vroege morgenstond de afgetobde gezichten vertoonde van de uitgeputte stakkers, die nu dertien dagen in deze vreselijke storm geweest waren, deed Paulus het enige wat  het meest geschikt was om hen te helpen, zowel lichamelijk als emotioneel: hij stelde voor, ja drong aan, dat zij tijd zouden nemen om voedsel tot zich te nemen.

       Wij veronderstellen niet dat V.33 aangeeft dat zij deze dertien dagen helemaal niets gegeten hadden, maar eerder dat zij geen geregelde maaltijden hadden toebereid. Op een schip, rollende en stampende in de storm, met bijna voortdurende noodzaak tot actie, en elk vreselijk moment bezig met het leven zelf in stand te houden, is het te betwijfelen of iemand veel tijd of zelfs trek in voedsel had. Zeker hadden zij nu en dan wat genomen, slechts wat zij voelden dat absoluut noodzakelijk was voor hun lichamelijk overleven. Dikwijls was het ook zonder dat gegaan.

       Stel u dan hun reactie voor toen Paulus begon hen te dringen om tijd te nemen tot eten met de woorden: "Dit is voor uw bevrijding*/[31]" en hen dan vertrouwelijk verzekert: "Want niemand van u zal een haar van het hoofd vallen" (V.34). En stel u voor het effekt, toen hij voortging zijn vertrouwen in de waarheid van zijn verklaring te tonen, door brood te breken onder dankzegging aan God, in de aanwezigheid van allen, en het toen begon te eten.

       Zo'n moed, of "durf", zoals Plumptre het noemt, is net zo besmettelijk als vrees! "Toen werden zij allen goedsmoeds" zegt het verslag, en namen in navolging ook voedsel (V.36).

       Hier is het, dat Lukas het aantal van hen aan boord doorgeeft. Misschien is dit omdat het heel natuurlijk is om hen onder deze omstandigheden te tellen, maar de Heilige Geest leidde hem er ongetwijfeld toe om dat op dit ogenblik te doen, om ons het wonder van de scene te tonen: twee honderd vijf en zeventig mensen, gekomen aan het eind van hun eigen krachten, nu blij en klaar om kalm grote gevaren te trotseren onder het goddelijk-aangewezen leiderschap van ייn gelovig en onverschrokken man van God.

       Oh, dat toch de Kerk tot haar eigen beכindiging zou mogen komen; aan het einde van haar pogen om haar organisatie te redden, nu heen en weer geslingerd wordend, en aan het vergaan in een stormachtige zee! Oh, dat zij toch acht mocht geven op het onderricht van Paulus, haar door God aangewezen leider! (Rom.11:13; 1Cor.3:10). Hoe vereenigd en klaar zou zij dan de weerstand van de tegenstander het hoofd kunnen bieden! (Zie Phil.1:27,28).

 

                    VEILIG AAN LAND

 

       "En als zij met spijze verzadigd waren, lichtten zij het schip en wierpen het koren uit in de zee.

       "En toen het dag werd, kenden zij het land niet; maar zij merkten een zekere inham, die een oever had, tegen denwelken zij geraden vonden, zo zij konden, het schip aan te zetten.

       "En als zij de ankers opgehaald hadden, gaven zij het schip aan de zee over, meteen de roerbanden losmakende; en het razeil naar den wind opgehaald hebbende, hielden zij het naar den oever toe.

       "Maar vervallende op een plaats die de zee aan beide zijden had, zetten zij het schip daarop; en het voorschip vastzittende, bleef onbeweeglijk, maar het achterschip brak van het geweld der baren.

       "De raadslag nu der krijgslieden was, dat zij de gevangenen zouden doden, opdat niemand ontzwommen zijnde, zou ontvlieden.

       "Maar de hoofdman willende Paulus behouden, belette hun dat voornemen, en beval dat degenen die zwemmen konden, zich eerst zouden afwerpen en te land komen;

       "En de anderen, sommigen op planken, en sommigen op enige stukken van het schip. En alzo is het geschied, dat zij allen behouden aan het land gekomen zijn."

                                            - Hand.27:38-44.

 

       Dank zij, onder God, het vertrouwen en het leiderschap van de apostel, vindt de duisternis van deze laatste vroege morgen, de meest kritieke van alle, de inspanningen van hen aan boord goed gecoײrdineerd.

       De paar uren voordat zij het land konden zien, moesten worden gebruikt om het schip toe te bereiden voor een zo voordelig mogelijke stranding. Toen zij "genoeg gegeten"*/[32] hadden, en versterkt waren, begonnen zij het schip te lichten door de lading graan, of wat er nog van over gebleven was, in zee te werpen. Zij moesten het schip zo vlot mogelijk zien te krijgen, want hoe minder haar diepgang, des te verder kon het op de kust lopen, als het mogelijk bleek het te doen stranden.

       Niets wordt gezegd van voedsel dat meegenomen zou worden als provisie,  en niet in staat zijnde om vast te stellen of zij wel dan niet in de buurt van bewoond land waren, is het twijfelachtig of zij hier niet aan gedacht hadden. Misschien kon het schip op strand gezet worden, en zo hun provisie tot hun versterking, worden gered.

       Eindelijk openbaarde het morgenlicht het land, maar niemand aan boord herkende het. Zij zagen echter door de regen (Cf.28:2) "een soort baai (kreek)**/[33] met een strand" (V.39). Hier, zo werd gehoopt, zou het schip aan de grond lopen, en daarnaar werden de plannen gemaakt.

       De Statenvertaling geeft hier niet een juist beeld. Ten eerste zegt het origineel niet dat de ankers werden "opgehaald", maar "gekapt", of "opgeruimd". Wat zouden zij erbij gewonnen hebben als zij vier zware ankers hadden geborgen, als het schip aan de grond gelopen was, en zij hadden immers het schip voor dit doel juist zo licht mogelijk gemaakt? Ten tweede, het woord ("zichzelf", themselves) is in de K.J.V. abusievelijk door de vertalers toegevoegd. (De Nederlandse vertalingen vermelden "het schip", vert.). Ten derde, het Grieks geeft aan, dat zij drie dingen gelijktijdig deden.

       Een betere weergave van V.40 zou daarom zijn: "En na de ankers te hebben losgekapt, lieten zij deze in zee achter. Tegelijkertijd de roerbanden losmakende en het grootzeil op de wind gesteld hebbend, voeren zij naar de kust "

       Om inderdaad een ramp te voorkomen in een situatie als deze, moesten zij deze drie dingen bijna gelijktijdig doen.

       De meeste commentators voelen er voor, dat het eerder een "voorzeil" dan het "grootzeil" geweest is, dat deze keer op de wind werd gesteld. Wij betwijfelen dit echter om de volgende redenen: Ten eerste, is er weinig of geen bewijs, dat het woord artemon moet, of zou betekenen, een voorzeil. Ten tweede, is er geen aanwijzing, en ook niet waarschijnlijk, dat het schip een voormast had (Zie noten bij begin van het hoofdstuk). Ten derde, weten we, dat het grootzeil gehaald was (V.17), en dat dit toen werd gebruikt als een stormzeil, of dat een klein stormzeil was getuigd. Tenslotte was het natuurlijk hun bedoeling om het schip zo ver als mogelijk op het strand te doen lopen. Het is dan ook waarschijnlijk, dat een groter zeil met de nodige druk ertoe zou bijdragen dit te verwezenlijken.

       Niettemin gelukte het niet hun doel te bereiken, want naar het strand varende, geraakten zij aan de grond op een ondiepte, gevormd door twee tegengestelde stromingen (V.41, "een plaats die de zee aan beide zijden had").

       Hier wordt voor de eerste keer het gebruikelijke woord voor schip (ploin) veranderd in een ander woord (naus). Het vaartuig was niet langer een schip, maar meer een drijvende hulk. Zo, met haar boeg vast in de modder, begon het achterschip onmiddellijk in stukken te breken onder de geweldige slagen van de golven.

       Nu moesten snel beslissingen worden genomen, speciaal met het oog op de gevangenen. De hardheid van de Romeinse militaire discipline brachten de soldaten ertoe hun onmiddellijke excecutie te eisen, want zou een van hen ontsnappen, dan zou dat de soldaten hun leven kosten. Deze soldaten waren net zo bereid de levens van anderen te offeren om eigen leven te redden, als de zeelieden de vorige nacht (V.30).

       Een van deze gevangenen echter, was reeds als voorteken gebruikt om de levens van allen te redden, en Julius, de centurion, was te rechtschapen, of dacht te hoog van Paulus, om zijn excecutie toe te staan. Het woord willende in V.43, geeft meer aan dan niet instemmen. Hij wilde Paulus redden, en hield dus de soldaten ervan terug hun plan uit te voeren. En zo wordt Paulus opnieuw, indirect, de bevrijder van anderen, zodat allen veilig aan land gebracht werden.

       Maar bij dit alles was er geen paniek. De centurion gaf orders aan allen die zwemmen konden, om eerst overboord te springen (V.43). Deze zouden dan in een positie zijn om de rest aan wal te brengen. Dit zal wel Paulus' voorstel geweest zijn, want hij had reeds drie schipbreuken meegemaakt (2Cor.11:25). Degenen die niet konden zwemmen, kregen instructies zo goed als het kon op planken en "stukken" van het schip (niet zonodig gebroken stukken), naar de wal te komen.

       "EN ALZO IS HET GESCHIED, DAT ZIJ ALLEN BEHOUDEN AAN HET LAND GEKOMEN ZIJN (V.44).

 

       "De kalmte, bries, orkaan of storm,

           De oceanen en het land,

        Alles, alles is het Uwe, vastbesloten

           In de holte van Uw hand."

                             - Edward A.Dayman.

 

       De genomen maatregelen in de luwte van Claudia, de tegenwerking van het complot van de zeelieden, de hulp en de inspiratie van "de maaltijd in de storm", de laatste maatregelen om het schip te stranden, het besluit van de centurion om Paulus te redden - alles maakte deel uit van Gods genadig doel, dat nu volledig en wonderbaar was vervuld.

  


 

    [1]*/Voetnoot: Hoewel Romeinse en Griekse navigators geen kompassen gebruikten, maar meestal op de sterren voeren wanneer zij buiten zicht van land waren.

    [2]*/Voetnoot: De correcte vertaling: "tot de heidenen gezonden is geworden".

    [3]**/Voetnoot: De vervulling van profetie onder de heidenen, wacht op Israels bekering (Zie Zach.8:13; Rom.15:8-10; etc.).

    [4]***/Voetnoot: De belijdende Kerk, waarbinnen, in deze tegenwoordige bedeling, de leden van het Lichaam van Christus zich bevinden.

    [5]****/Voetnoot: Zo "bestrafte" onze Here de wind (Mark.4:39). In het nu behandelde Schriftgedeelte is de wind altijd tegen, uitgezonderd eenmaal, wanneer deze hen bedriegt (V.13,14).

    [6]*/Voetnoot: Wellicht een centurion van een plaatselijke legerafdeling, genaamd naar Augustus, maar waarschijnlijker iemand van de Praetoriaanse Garde, die in de buurt geweest kan zijn in verband met de aanstelling van Festus in zijn ambt.

    [7]**/Voetnoot: Het kan schijnen dat deze, niet als Paulus, reeds ter dood veroordeeld waren en nu klaarblijkelijk naar Rome gezonden werden om met wilde beesten te vechten, tot amusement van Nero en de inwoners van Rome.

    [8]***/Voetnoot: Zie voor andere verwijzingen naar deze twee, Hand.19:29; 20:4; Col.4:10; Fil.24; 2Tim.4:11. Er is geen aanwijzing dat deze twee gevangenen waren. Pliny schrijft hoe aan een man "in de rang van consul" in zo'n geval toegestaan was om begeleiders bij zich te hebben (Epist.III.16). Omdat Paulus niet naar Rome was gezonden als misdadiger, maar zichzelf op de Caesar had beroepen, werd Lukas klaarblijkelijk toegestaan hem als arts te begeleiden, en Aristarchus als zijn bediende. Dit is nog een aanwijzing, dat de apostel in die tijd financieel blijkbaar niet in de armste omstandigheden verkeerde. Niet zoals de andere gevangenen was hij ongetwijfeld verantwoordelijk voor zijn eigen reiskosten naar Rome. Aan de andere kant heeft Lukas wellicht een vrije passage gehad als arts, maar het lijkt onwaarschijnlijk dat Aristarchus gratis vervoerd werd.  

    [9]*/Voetnoot: Het woord dat hier wordt weergegeven als "bedoeld" slaat op het schip, niet op het gezelschap dat aan boord was.

    [10]*/Voetnoot: Meer dan "hoffelijk". Het Griekse woord is philanthropos, van philos, "liefhebbend", anthropos, "mens".

    [11]*/Voetnoot: Het kan koren of tarwe geweest zijn, want het Griekse sitos, gebruikt in V.38, kan voor beiden gelden.

    [12]*/Voetnoot: Niet "nauwelijks". Het zelfde woord wordt weergegeven in V.8, maar het moet zijn "met moeite".

    [13]*/Voetnoot: Ongetwijfeld de Dag der Verzoening (Lev.16:29) die omstreeks de 1e. october valt.

    [14]**/Voetnoot: Wij zien geen aanwijzingen, zoals sommigen doen, dat een formele scheepsraad gehouden werd waaraan Paulus werd uitgenodigd deel te nemen. Het was, zo te zien, Paulus die het iniatief nam in de zaak (Zie V.9).

    [15]***/Voetnoot: Bekend als het moderne Lutro.

    [16]*/Voetnoot: De Revised Version geeft deze passage weer: "uitziende naar Noordoost en Zuidoost", en geeft als een alternatieve weergave: "op de Zuidwest wind en op de Noordwest wind". Omdat beide weergaven ongetwijfeld correcte vertalingen zijn gezien vanuit het gezichtspunt vanaf de wal, zijn het toch vertalingen en niet, voor zover wij kunnen nagaan, betrouwbare weergaven van de tekst. Als we de tekst laten zoals het staat, wordt de passage eenvoudig zoals bovenstaand is verklaard.

    [17]*/Voetnoot: Genoemd in V.16 en 30. Blijkbaar van flinke afmeting.

    [18]**/Voetnoot: Zij blies werkelijk vanuit Oost-Noordoost, maar bij deze gelegenheid moet zij vanuit het Noordoosten gewaaid hebben, zoals duidelijk wordt uit de koers waarin zij reeds hadden gedreven, en vanwege hun vrees om op de Syrtus Major gedreven te worden (V.17).

    [19]*/Voetnoot: De procedure werd uitgelegd bij pag.154 (Eng.). Het is interessant om op te merken, dat het naamwoord "hulpstukken", dat hier wordt gebruikt, slechts op ייn andere plaats in het Nieuwe Testament voorkomt: Hebr.4:16, waar het als werkwoord wordt gebruikt: "...dat wij genade vinden om geholpen te worden ter bekwame tijd". Zo gaan we dikwijls tot de troon der genade in tijden van wanhopige nood, om genade te verkrijgen die ons zal ondergorden, en ons zal bewaren voor uiteenvallen.

    [20]**/Voetnoot: Gr. De Syrtis, op de meeste kaarten aangegeven als Syrtis Major, een uitgebreide strook van ondiepten en riffen waarin menig zeevarend schip gevangen werd.

    [21]***/Voetnoot: In zo'n geval is "de richting waarin het schip drijft niet die het schijnt te zeilen, of waarheen de boeg wijst" (Coneybare and Howson).

    [22]****/Voetnoot: Smith en Penrose geven toe, dat dit normaal zou zijn.

    [23]*/Het Griekse woord voor "scheepsgereedschap" hier is blijkbaar in bredere zin gebruikt dan alleen maar de tuigage.

    [24]*/Voetnoot: Merk op, de overeenkomst met Eutychus, die in slaap viel onder Paulus' onderwijzing, vanuit zijn positie "op de derde etage", en toen hersteld werd door middel van Paulus (Hand.20:6-12; zie Deel III, Acts Pag.217-227 Engels).

    [25]**/Voetnoot: Cf. 1Kon.17:1: "Zo waarachtig als de Here, de God van Israel leeft, voor Wiens aangezicht ik sta."

    [26]*/Voetnoot: Deze beschrijving, betrof dan niet alleen de Adriatische Zee, maar ook dat gedeelte van de Middellandse Zee, dat Zuidelijk daarvan ligt.

    [27]**/Voetnoot: Dit is de letterlijke weergave en doet het gezichtspunt van de zeeman uitkomen, voor wie het schip het centrum van alles is. Het land nadert het schip!

    [28]*/Voetnoot: Een vadem is ongeveer zes voet (ongeveer1,83m.)

    [29]**/Voetnoot: De term "uitwerpen" in V.30 is niet dezelfde als die gebruikt in V.29. Het betekent letterlijk "uitstrekken".

    [30]*/Voetnoot: Paulus is waarschijnlijk het beste Schriftuurlijke voorbeeld (uitgezonderd Christus Zelf) van dat wat hij zijn zoon Timotheus oplegt: "Houd aan tijdiglijk, ontijdiglijk" (2Tim.4:2).

    [31]*/Voetnoot: Dit is de correcte weergave van V.34.

    [32]*/Voetnoot: Het Griekse woord beschrijft een vol en hartig (toch eenvoudig) maal.

    [33]**/Voetnoot: "Kreek" zou niet het goede woord zijn. Het woord kolpos wordt in Luk.6:38 weergegeven als "boezem" (K.J.V.), maar dit was ook de nautische term voor baai.


 

[i].*/Voetnoot: Zie de kaart op blz.10 van dit deel van Handelingen.

[ii].**/Voetnoot: Een van de meest complete studies over dit onderwerp is te vinden in The voyage and Shipwreck of St. Paul, door James Smith, Jordanhill, England, een van de eersten die dit Schriftgedeelte beschouwd heeft met het oog van een zeeman. Zijn boek verscheen in 1848, toen Engelands interesse in zeilschepen op zijn hoogst was. Aan dit boek en zijn auteur vooral, danken we hoofdzakelijk de nautische informatie die wij geven over de reis van Paulus naar Rome.

[iii].***/Voetnoot: Deze bestonden uit kabels, kettingen, of ook zware touwen, in de breedte onder het schip door, om breuk te voorkomen. Deze handeling werd door vroegere zeelieden van de Britse en Amerikaanse Vloten "frapping" genoemd. Met de verschijning van meer moderne zeilschepen en daarna stoomschepen werden deze maatregelen overbodig.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011