De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XLVI   -  H A N D. 25:23 - 26:32

             PAULUS VOOR HERODES EN AGRIPPA

        "Des anderen daags dan, als Agrippa gekomen was, en Bernice met grote pracht, en als zij ingegaan waren in het rechthuis met de oversten over duizend en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus op bevel van Festus voorgebracht.

       "En Festus zeide: Koning Agrippa en gij mannen allen, die met ons hier tegenwoordig zijt, gij ziet dezen, van welke mij de ganse menigte der Joden heeft aangesproken, beide te Jeruzalem en hier, roepende dat hij niet meer behoort te leven.

       "Maar ik bevonden hebbende, dat hij niets des doods waardig gedaan had, en dewijl hij ook zelf zich op den keizer beroepen heeft, heb besloten hem te zenden.

       "Van welken ik niets zekers heb aan den heer te schrijven; daarom heb ik hem voor ulieden voorgebracht, en meest voor u, koning Agrippa, opdat ik, na gedane onderzoeking, wat heb te schrijven.

       "Want het dunkt mij tegen rede, een gevangene te zenden, en niet ook de beschuldigingen, die tegen hem zijn, te kennen te geven."  - Hand.25:23-27.

       Omdat Festus Agrippa had genodigd om Paulus de volgende dag te horen, besliste hij blijkbaar om de gelegenheid te gebruiken zich tegelijkertijd vriendschappelijk aan de militaire en burgerlijke leiders van Cesarea te tonen. Zij zouden ook wel geןnteresseerd zijn in de zaak Paulus.

       Zo vinden we dus Agrippa en Bernice, op tijd aankomend in de Hoorzaal "met grote pracht", samen met de militaire hoge officieren en notabele gemeentelijke burgers.

       Nadat Paulus is binnengebracht, richt Festus zich tot alle toehoorders, vrijelijk sprekend over de moeilijke positie waarin hij geplaatst is, om een gevangene naar Caesar te zenden, zonder in staat te zijn enige definitieve informatie over zijn zaak te kunnen verstrekken.*/[i]

       De openingswoorden van Festus: "Gij ziet dezen (man)", verlenen pathos aan de scene. Daar staat de grote apostel, die had dienen te worden gehuldigd met hoge eerbewijzen, eerder dan te worden beschuldigd van misdaden - daar staat hij voor al deze hoge lieden, een gevangene in ketenen.

       Hadden zij medelijden met hem? Misschien, maar hij had zeer zeker medelijden met hen, zoals we nu zullen zien. En wat te denken van Herodes Agrippa, in zijn purperen kleed, met Bernice, bedekt met juwelen, naast hem? Zij waren ten tonele gekomen in schittering en pronk. Maar als nu Agrippa Paulus ziet, herinnert hij zich dan zijn grootvader, Herodes, en de slachting van de onschuldige kinderen? (Matt.14:2:16). Herinnert hij zich zijn grote oom, Herodus Antipas, en de vermoording van Johannes de Doper? (Matt.14:1-11). Herinnert hij zich zijn vader, Herodes Agrippa I en de moord op Jakobus? (Hand.12:1,2). Kwam het bij hem op, dat al deze voorvaders van hem gestorven waren of onteerd, spoedig na hun opdracht tot deze misdaden? Herinnerde de "grote pronk" van zijn eigen parade naar de Gehoorzaal hem aan de tijd, zestien jaren geleden, toen het volk had geroepen dat zijn veel krachtvoller vader een god was, en hoe hij onmiddellijk dood was, en gegeten werd door de wormen, "omdat hij niet God de glorie gaf"? Als wij de extreme ijdelheid en zelfingenomenheid van deze schijn-koning beschouwen, is het te betwijfelen dat er ook maar ייn van deze dingen ooit in zijn gedachten kwam.

       Hier stond Paulus voor een gehoor dat verschilde van enig ander dat hij ooit had toegesproken. Festus, de Romeinse Procurator, Koning Herodes Agrippa II, militaire officieren van hoge rang, en eminente burgerlijk leiders, waren allen onder zijn gehoor die dag. De Here vervulde Zijn belofte: "Hij is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor...koningen..." (Hand.9:15).

              PAULUS' VERDEDIGING VOOR AGRIPPA

        We komen nu tot het derde verslag van Paulus' bekering in het Boek Handelingen. Het eerste is Lukas' geinspireerde verslag ervan in Hoofdstuk 9, het tweede is Paulus' weergave voor de menigte te Jeruzalem in Hoofdstuk 22, en het derde is Paulus' weergave voor Herodes Agrippa, hier in Hoofdstuk 26.

       Paulus' verhoor voor Agrippa was in geen enkele zin een wettelijk verhoor. Zijn beschuldigers waren er niet bij om hun beschuldigingen naar voren te brengen, evenmin hadden Festus of Agrippa enig recht om oordeel te vellen, sinds hij zich op Caesar had beroepen. Dit was eerder een speciale hoorzitting voor iemand die beter gekwalificeerd was dan Festus om de verdiensten van Paulus' zaak te oordelen, en Festus had er om gevraagd, zodat hij beter in staat zou zijn een rapport aan Caesar te zenden.

       Paulus echter, wilde niet bevoordeeld worden door Festus te helpen de beschuldigingen, die hem ten laste gelegd waren, te verklaren! Zo spreekt hij, zoals ook in zijn privי hoorzittingen voor Felix, weinig over deze beschuldigingen, maar trekt voordeel van de mogelijkheid om zijn toehoorders te winnen voor Christus.

             DE KWESTIE NAAR VOREN GEBRACHT

        "En Agrippa zeide tot Paulus: het is u geoorloofd voor uzelven te spreken. Toen strekte Paulus de hand uit, en verantwoordde zich aldus:

       "Ik acht mijzelven gelukkig, o koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal verantwoorden van alles, waarover ik van de Joden beschuldigd word;

       "Allermeest dewijl ik weet, dat gij kennis hebt van alle gewoonten en vragen, die onder de Joden zijn. Daarom bidt ik u, dat gij mij lankmoediglijk hoort.

       "Mijn leven dan van de jonkheid aan, hetwelk van den beginne onder mijn volk te Jeruzalem geweest is, weten al de Joden;

       "Als die van overlang mij te voren gekend hebben (in dien zij het wilden getuigen), dat ik naar de bescheidenste sekte van onzen godsdienst als een farizeeכr geleefd heb.

       "En nu sta ik en word geoordeeld over de hoop der belofte, die van God tot de vaderen geschied is;

       "Tot dewelke onze twaalf geslachten, geduriglijk nacht en dag God dienende, verhopen te komen; over welke hoop ik o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd.

       "Wat? Wordt het bij ulieden ongelooflijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?"

                                                 - Hand.26:1-8.

 

       Als erevoorzitter van de zitting, inviteerde Agrippa nu Paulus om zijn kant van de geschiedenis te vertellen, en Paulus, met dat karakteristieke gebaar van hem, "strekte zijn hand uit"*/[1] daarmee alle aanwezigen wenkend om naar hem te luisteren.

       In deze situatie, zowel als in andere die we reeds beschouwd hebben, vinden we de apostel volstrekt objectief in zijn levensbeschouwing. De pracht en praal verbonden aan deze gelegenheid, de ijdelheid van het "koninklijk" paar, de aanwezigheid van militaire en burgerlijke autoriteiten, het feit dat hij in ketenen voor hen stond; dit alles schijnt hem geen moment afgeleid te hebben. Met volkomen gemak gedurende de gehele hoorzitting gebruikte de apostel natuurlijk de gelegenheid tot zijn verdediging, maar zoals we hebben gezien, nog meer om zijn toehoorders voor Christus te winnen.

       Bij zijn inleidende opmerkingen ontdekken we opnieuw die combinatie van openheid en hoffelijkheid, die de man Gods past. Hij vleit de boze Agrippa niet, noch prijst hem voor wat betreft zijn karakter of begaafdheden, maar hij drukt ernstig zijn dank uit, in staat gesteld te zijn, een hoorzitting te ontvangen voor iemand die zo vertrouwd is met Joodse zaken. En deze erkenning van Agrippa's kwaliteiten in de zaak, opent vanzelf de weg voor de apostel om de koning te vragen hem "geduldig" te willen aanhoren.

       Weer bepleit de apostel, dat zijn "leven" bij al de Joden bekend geweest is (V.4). Hij werd onder hen opgevoed te Jeruzalem, als een van die veelbelovende en bevoorrechte groep jongemannen die onder Gamaliכl, de bekende doctor in de wet van Mozes, studeerde (22:3). Hij was "toegenomen boven velen van zijn ouderdom in het Jodendom...zijnde overvloediglijk ijverig voor (zijn) vaderlijke inzettingen" (Gal.1:14). Zijn beschuldigers wisten wel, hoewel zij dit niet wilden getuigen, dat hij vanaf het begin had geleefd als een Farizeeכr, de leringen en g


 

ewoonten betrachtend van de strengste secte in Israel (Hand.26:5).

       En nu staat hij terecht - waarvoor? Wegens afwijzing van zijn geloof in Gods belofte aan de vaderen? Nee! Maar juist wegens verkondiging van de hoop waarop die belofte rustte (V.6.).

 

         EEN MISVATTING BINNEN DE LEER DER BEDELING

 

       We staan hier even stil om een misvatting op te merken, waarin mensen met extreme bedelingsinzichten kunnen vallen bij het lezen van deze passage.

       Als het nalaten om onderscheid in bedelingen in de Schriften op te merken, schade en verlies aan de Kerk heeft gebracht, dan is het falen om de eenheid van Gods plan voor de eeuwen te onderkennen, en de verbanden binnen de bedeling te beschouwen, wel een groot gevaar.

       Zij die haastig op extreme conclusies vanuit de bedelingen ingaan, zien over het algemeen enkele "verschillen", die niet bestaan. Het resultaat is, interessant genoeg, dat proberend niet-bestaande "verschillen" vast te stellen, zij over het algemeen terugvallen in het kamp van hen, die nalaten te rekenen met de meest oorspronkelijke verschillen.

       Een voorbeeld hiervan wordt gezien in de foutieve aanname, dat Paulus hier voor Agrippa verzekert, dat het is vanwege het verkondigen van het koninkrijk van Messias, dat hij door de Joden werd beschuldigd. Gedurende de eerste tijd van Paulus' bediening, zo wordt beweerd, predikte hij praktisch dezelfde boodschap als de twaalven, en zijn bijzondere bediening aan ons begon niet eerder dan na Hand.28:28. Vreemd genoeg schijnt de vraag, waarom de overige leden van de twaalven dan niet samen met Paulus geleden hebben, niet bij deze broeders opgekomen. Maar wij stellen deze hier wel. Als de Joden zo boos waren op Paulus wegens prediken van het koninkrijk, hoe kwam het dan dat menigten van hen die geloofden en deze zelfde boodschap in Jeruzalem en Judea verkondigden, in die tijd niet gemolesteerd werden?

       Het feit is, dat vanaf het begin, Paulus' apostelschap en boodschap, gescheiden en verschillend was, van die van de twaalven, of welke andere ook - en hij zegt dit in Handelingen en in zijn eerste brieven (Zie Hand.20:24; Eph.3:1-3; Gal.1:11,12; 2:2,7,9; etc.).

       Als we nu de passage die voor ons ligt beschouwen, dient zorgvuldig te worden opgemerkt, dat de apostel niet zegt dat hij werd geoordeeld wegens verkondiging van "de belofte" aan de vaderen gedaan. De "twaalf stammen" zelf, "hoopten te komen" tot de vervulling van deze belofte (het duizendjarig koninkrijk). Waarom zouden zij het dan fout vinden van hem, als hij dit geloofde en verkondigde?

       Het was wegens de verkondiging van "de hoop van de belofte" dat hij werd gehaat en vervolgd. En wat was "de hoop van de belofte"? Het was de opstanding in het algemeen, en de opstanding van Christus in het bijzonder. De Sadduceeכn - arme afvalligen! - die hem zo bitter tegenstonden, zagen de opstanding niet, en juist de opstanding van Christus was de enige basis  voor elke verwachting van het beloofde koninkrijk. Christus alleen was - en is - de gerechte Koning, en de duizenden gelovigen die eerder zijn heengegaan, konden dat koninkrijk niet zien, dan nadat zij werden opgewekt uit de dood.

       De Farizeeכn voegden zich natuurlijk bij de Sadduceeכn in hun vervolging van Paulus, omdat hij verder aanwees hoe de opstanding van Christus een bewijs was van een volbrachte verzoening, en van rechtvaardiging door genade zonder religie of werken.

       Maar zijn bedoeling was om aan te tonen, dat hij werd tegengestaan door de Joden, wegens verkondiging van een leer, die juist - de enige - hoop op vervulling van een belofte was, waartoe de twaalf stammen*/[2] zelf hoopten te komen. Zij "dienden" God voortdurend, dag en nacht, brachten gebeden en offers en offeranden, verlangend naar de vestiging van het lang beloofde koninkrijk. Maar de opstanding, speciaal de opstanding van Christus, was de hoop van die belofte en, let wel, de apostel herhaalt dat dit is wat de Joden tegenstonden:

       "En nu sta ik en word geoordeeld over de HOOP der belofte, ...over welke HOOP ik, o koning Agrippa, van de Joden word beschuldigd" (V.6,7; Zie ook 23:6; 24:15; 25:18,19; 26:22,23).

       En "wat?," zo vraagt hij, "Wordt het bij ulieden (Joden) ongelooflijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?" (V.8). Door het stellen van deze vraag, confronteert de apostel Agrippa regelrecht met vele duidelijke argumenten voor de opstanding. Leerden de Schriften dit niet? Gaven zij geen duidelijke voorbeelden daarvan? Droeg de hele natuur niet bij tot het getuigenis ervan, en - het sterkst argument van alle - omvat de naam "God" niet miriaden van wonderen? Zou Hij God zijn als Hij niet doden kon opwekken? "Wat? Wordt het bij ulieden ongelooflijk geoordeeld, dat God de doden opwekt?".

       Ongetwijfeld plaatste Paulus op die manier Agrippa regelrecht tegenover de vraag van de opstanding, omdat hij aanvoelde dat Agrippa een nauwere relatie zou hebben met de Sadduceeכn, uit welke hij enkele hogepriesters had benoemd.

 

              PAULUS' VROEGERE VIJANDSCHAP

                    TEGEN CHRISTUS

 

       "Ik meende waarlijk bij mij zelven, dat ik tegen den Naam van Jezus van Nazareth vele wederpartijdige dingen moest doen;

       "Hetwelk ik ook gedaan heb te Jeruzalem, en ik heb velen van de heiligen in de gevangenissen gesloten, de macht van de overpriesters ontvangen hebbende; en als zij omgebracht werden, stemde ik het toe.

       "En door al de synagogen heb ik hen dikmaals gestraft en gedwongen te lasteren; en bovenmate tegen hen woedende, heb ik hen vervolgd ook tot in de buitenlandse steden."

                                               - Hand.26:9-11.

 

       In het getugenis van Paulus voor Agrippa toont hij aan, hoe bedorven het menselijke geweten kan worden. Hij dacht echt "bij zichzelf", dat hij "vele dingen" tegen Christus "behoorde" te doen - dat is, dat hij Hem behoorde tegen te staan op elke mogelijke wijze.

       Onze Here Zelf had Zijn discipelen gewaarschuwd: "...de ure komt, dat een iegelijk die u zal doden, zal menen Gode een dienst te doen" (Joh.16:2). Rechtvaardigde dit dan Saulus in zijn daden? In geen geval. Hij kon en zou hebben geweten, dat Jezus was de Christus, want de Schriften waren duidelijk genoeg wat dit betreft. Maar zoals de Farizeeכr in Luk.18:11 "bij zichzelf bad", en zoals de Farizeeכn in Hand.8 en 9 "bij zichzelf gedacht" hadden, maakten zijn conclusies hem, hoewel hij er ernstig toe gekomen was, tot een vijand van God en een moordenaar van Zijn volk.

       Nee, Paulus' ernst was geen excuus voor hem, hoewel het toch God gronden gaf om hem genade te betonen (1Tim.1:13).

       Paulus had blijkbaar een drieledig doel met het ophalen van zijn vroegere bittere haat tegen Christus. Ten eerste zou het aangeven dat hij zijn houding tegenover Christus niet lichtelijk had veranderd. Ten tweede zou het aangeven, dat als iemand, uiterlijk zo ernstig, toch verkeerd kon zijn, de positie van zijn toehoorders, in Gods oog, heel slecht kon zijn. Ten derde drukt zijn "Ik meende waarlijk bij mijzelven...", duidelijk zijn sympathie uit tot zijn toehoorders, en zijn hoop dat God hen ook mocht redden.

       En hiermee komt de apostel ertoe enige details van zijn vervolging van de volgelingen van Christus te Jeruzalem op te halen. Hij "bedacht" niet alleen, maar hij "deed ook" vele dingen tegen de naam van Jezus.

       "Velen" van Christus' volgelingen had hij "opgesloten"*/[3] in de gevangenis, op "gezag van de overpriesters" (die hem nu tegenstonden), en toen deze discipelen ter dood veroordeeld werden, stemde hij toe**/[4].

       Paulus' getuigenis dat "velen" van de heiligen zo gevangengenomen en gedood werden, toont aan, dat Stefanus in die tijd niet de enige martelaar was. Ongetwijfeld is Stefanus' martelaarschap de enige die door Lukas wordt genoemd, omdat het cruciaal en tekenend was in Israels geschiedenis. Maar Lukas informeert ons dat de vermoording van Stefanus een grote vervolging tot gevolg had, waarbij Saulus "de gemeente verwoestte" (Hand.8:1,3) en verder ging, "blazende dreiging en moord tegen de discipelen van de Here" (9:1). Bovendien riepen de Joden bij zijn bekering in Damaskus: "Is deze niet degene, die te Jeruzalem uitroeide (N.B.G.) die dezen Naam aanriepen?" (9:21). Tenslotte schreef Paulus zelf aan de Galaten: "Ik heb uitnemend zeer de gemeente Gods vervolgd en dezelve verwoest" (Gal.1:13). Er is dus geen reden om aan Paulus' getuigenis voor Agrippa te twijfelen, of te concluderen dat het wordt tegengesproken door het feit, dat Lukas alleen het martelaarschap van Stefanus vermeldt.

       Maar het was niet genoeg, dat zij die gegrepen waren voor hun geloof in Christus, gevangen gezet werden, gevonnist en geכxcecuteerd, want Paulus had tevoren velen van hen gemarteld om hen te dwingen openlijk te herroepen.. "Ik strafte hen dikwijls.", zegt hij, "in elke synagoge (in Jeruzalem, V.10 en 22:18,19) en dwong*/[5] hen te te lasteren" (V.11).

       En de vurige leider van de rebellie tegen Christus was hiermede zelfs niet tevreden. Joden in andere steden moesten leren de aanbidding van Christus als een plaag te beschouwen. Razend van woede tegen de gelovigen "vervolgde hij hen zelfs tot in buitenlandse steden"**/[6] (V.11) pogend om de aanbidding van, en herinnering aan Jezus van Nazareth, uit te roeien.

       Dit is Paulus' opgesomde analyse van zijn vroegere stand, zoals hij deze voor Agrippa en de anderen presenteert. Hij stelt het zo, dat hij gezien kan worden als iemand die gekomen is tot kennis van de waarheid - Christus te kennen -, en dat hij zo tot bezinning is gekomen.

       De bede van de apostel om de zielen van zijn toehoorders, wordt verder gezien in het feit, dat hij degenen die hij vroeger zo intens vervolgde, nu "heiligen" (gewijde of toegewijde mensen) noemt, en verklaart dat hij hen vroeger zo strafte, dat zij zouden "lasteren"  - natuurlijk Christus lasteren. Kon hij iets  meer aanvoeren om helder te maken dat hij nu Christus zag als God?

 

              ZIJN BEKERING TOT CHRISTUS

 

        "Waarover ook als ik naar Damaskus reisde, met macht en last, welke ik van de overpriesters had,

        "Zag ik, o koning, in het midden van de dag op de weg een licht, boven de glans der zon, van de hemel mij en degenen die met mij reisden omschijnende.

        "En als wij allen ter aarde nedergevallen waren, hoorde ik een stem tot mij sprekende, en zeggende in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, wat vervolgt gij Mij? Het is u hard tegen de prikkels de verzenen te slaan.

        "En ik zeide: Wie zijt Gij Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, Dien gij vervolgt,

        "Maar richt u op en sta op uw voeten; Want hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen;

        "Verlossende u van dit volk en van de heidenen, tot dewelke Ik u nu zend,

        "Om hun ogen te openen, en hen te bekeren van de duisternis tot het licht, en van de macht des satans tot God; opdat zij vergeving der zonden ontvangen, en een erfdeel onder de geheiligden, door het geloof in Mij".

                                             - Hand.26:12-18.

 

       Het was uiteraard Paulus zelf, die de vervolging die woedde tegen Messias' volgelingen, had aangevuurd. Volgens het verslag was hij het, die de gemeente "verwoestte" (8:3), die de gelovigen te Jeruzalem had "uitgeroeid" (9:21 N.B.G.), die "de gemeente Gods vervolgde en dezelve verwoestte" (Gal.1:13). Hij was het, die naar de hogepriester was gegaan om te vragen om machtigingsbrieven om iedere volgeling van Christus in Damaskus te binden en deze ter bestraffing naar Jeruzalem te brengen.

       Maar hieruit moet niet de conclusie getrokken worden dat de overpriesters niet meer dan blij waren, dat deze jonge ijveraar haat zaaide tegen Christus en Zijn volgelingen. En Paulus zorgt er wel voor, dit feit te benadrukken. In het verslag van zijn bekering dat hij gaf aan de menigte te Jeruzalem, had hij verwezen naar "de hogepriester...en de gehele raad der ouderlingen" als getuigen van zijn vervolgingen, en hij voegde eraan toe: "van dewelke ik ook brieven genomen hebbende...naar Damaskus, om ook degenen die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden" (Hand.22:5). En nu in zijn tweede verslag, voor Agrippa, verklaart hij desgelijks, dat hij de heiligen had vervolgd, "de macht van de overpriesters ontvangen hebbende" (26:10), en dat het ging "met macht en last van de overpriesters", dat hij naar Damaskus was gegaan om de gelovigen daar te binden (V.12). Zo was hij uitgegaan als de aangewezen vertegenwoordiger van Israel en haar bestuurders, en zijn bittere vijandschap tegen Christus en Zijn volgelingen was slechts hun uitdrukking daarvan.

       Het is in dit verslag van Paulus' bekering dat hij zegt, dat het licht dat van de hemel straalde heller was dan de middagzon. Alleen zij, die weten hoe verblindend scherp de middagzon in Syriכ is op het midden van de dag, kunnen zich dit voorstellen. Het was niet een visioen dat alleen de apostel ervoer. Het licht vanuit de hemel scheen die dag om Paulus en degenen die met hem reisden heen, even werkelijk als de heerlijkheid des Heren geschenen had rondom de herders bij de geboorte van Christus (Luk.2:9). En zoals de herders, waren ook zij allen "zeer bevreesd"*/[7] en allen vielen ter aarde (V.14).

       Dit feit alleen al, geeft aan wat een belangrijke gebeurtenis in de geschiedenis het ogenblik van bekering en opdracht van Paulus was**/[8] Inderdaad zal een vergelijking van het verhaal in Luk.2, met dat wat wij hier hebben, dit nog sterker doen uitkomen.

       De heerlijkheid des Heren die rondom de herders scheen, was "des nachts" (Luk.2:8,9), maar de heerlijkheid die Paulus verblindde - en zijn ogen opende - verbleekte de middagzon. Het was de heerlijkheid van het aangezicht van Hem die verheerlijkt was "ver boven alle hemelen" (Eph.4:10; Cf.Eph.1:20,21; Phil.2:9; Hebr.7:26), Die Paulus blindelings vervolgde, maar die nu verscheen in liefde en genade.

       In dit verslag horen we, dat de Here tot Paulus sprak in de gewijde taal van zijn vaderen, "de Hebreeuwse taal", en hem vriendelijk vroeg: "Saul, Saul, waarom vervolgt gij mij?" (V.14).

       In dit verslag horen we ook van de tegenwerping van omhoog: "Het is u hard om de verzenen tegen de prikkels te slaan"***/[9] (V.14). En dit openbaart ons een feit dat tot nu niet bekend gemaakt was: dat de vervolger van Christus niet helemaal zeker van zichzelf was, altans in de tijd direct voorafgaand aan zijn bekering.

       Zijn onbekwaamheid om Stefanus te antwoorden (Hand.6:10), Stefanus' verheven verschijning voor het Sanhedrin (6:15), zijn getuigenis over zijn "zien van de Zoon des mensen" (7:56), zijn gebed voor zijn moordenaars (7:60), en honderd andere van zulke gebeurtenissen als deze, in verband met degenen die hij had vervolgd en terdood gebracht, zullen hem innerlijk wel een bepaalde onzekerheid gegeven hebben, welke door zijn hardnekkige beslistheid niet kon worden overwonnen.

       Tenslotte hebben we in dit verslag van Paulus' bekering wel een volledige weergave van hetgeen de Here vanuit de hemel tegen hem zeide.

       Ten eerste dient te worden opgemerkt, dat Saul niet een bekeerde Jood was, zoals degenen die onder de bediening van Johannes de Doper en de twaalven gered waren. Hij had Christus niet gezocht, of gewenst Hem te kennen. Zijn redding was duidelijk door souvereine genade. De Here was aan Paulus verschenen in zijn opstandigheid, niet om hem te straffen, maar om hem te redden, en hem op te dragen als Zijn apostel.

       Ten tweede leren we, dat de waarheden die hij moest verkondigen, verder aan hem bekend zouden worden gemaakt door een reeks openbaringen, waarin de Here Zelf aan hem zou verschijnen:

       "...hiertoe ben Ik u verschenen, om u te stellen tot een dienaar en getuige der dingen, beide die gij gezien hebt en in welke Ik u nog zal verschijnen" (V.16; Cf.2Cor.12:1-4).

       Dit spreekt de leer tegen, dat Paulus' "openbaringsbediening" niet eerder begon, dan na Hand.28:28. De apostel had in zijn eerste openbaring van Christus reeds de Here gezien in een glorie die ver uitging boven die waarin de twaalven Hem ooit gezien hadden. Zij hadden de Christus alleen op aarde gekend; Paulus had vanaf het begin, de Christus alleen gekend "boven alles verheven", en had Hem gezien in Zijn hemelse glorie. Zij waren gezonden om Zijn koninkrijksrechten te verkondigen, zelfs tot na Zijn hemelvaart (Zie Hand.1:6-8; 3:19-21; etc.). Hij was gezonden "om te getuigen het evangelie  van Gods genade" (Hand.20:24). Zo spreekt de apostel nooit van "mijn evangeliכn" (meervoud), maar altijd van "mijn evangelie" (Rom.2:16; 16:25; 2Tim.2:8); ook spreekt hij er nimmer van, dat de openbaringen van Christus aangaande hem, verschillende boodschappen bevatten, maar eerder dat ייn boodschap geleidelijk aan hem werd opgedragen in een reeks openbaringen (Hand.20:24; 26:16; 1Cor.9:17; 2Cor.12:1-4; Gal.1:11,12,15,16; Eph.3:1-4; Col.1:24,26; etc.).

       Ten derde leren we uit deze passage, dat vanaf de dag van Paulus' bekering hij verkozen werd uit Israel en uit de heidenen, als Christus' apostel voor beiden.

       Het woord "verlossende" (V.17) is vrijwel zeker een onjuiste weergave van het Grieks hier, want Paulus werd niet "verlost" vanuit de heidenen in de zin die hier wordt bedoeld; in feite werd hij uiteindelijk onthoofd door Nero. Het Griekse exaireo betekent eenvoudig "ontnemen". Dus kan het wijzen op verlossing, zoals in Hand.23:27, waar het correct is vertaald met "ontnomen" ("gered"). Maar zeker zou het niet kunnen worden weergegeven met "gered" of "verlost" in Matt.5:29. In deze passage is het correct weergegeven: "Indien dan uw rechteroog u ergert, trek het uit, en werp het van u". Ook geloven wij niet, dat "verlossende" hier de juiste weergave is. Dean Howson vertaalt het in Life and Epistles of St. Paul (P.673): "u heb ik gekozen". En J.N.Darby, in zijn New Translation, met "neem u uit".

       Dit is een sterkere weergave, want Paulus werd inderdaad gekozen en genomen uit beide, uit zijn eigen volk*/[10], en uit de heidenen, en tot beiden**/[11] teruggezonden met de boodschap van genade. Dit onderscheidt hem ook van de twaalven. Zij vertegenwoordigden de twaalf stammen van Israel (Matt.19:28). Hij, als de ene apostel, vertegenwoordigt het ene Lichaam (Col.1:24; Eph.4:4).

       En welk een volstrekte vertegenwoordiger! Hij was een Hebreeכr, een geboren Hebreeכr en door en door Hebreeuws (Phil.3:5). Hij was ook, zoals we gezien hebben, een Romein (Hand.22:25), een geboren Romein (22:28), en door en door Romeins (21:39; 25:9-11). Hier hebben we dan een Hebreeכr en een Romein in ייn persoon! Bovendien was hij een vroegere vijand, verzoend met God, door genade - "buitengewoon overvloeiende" genade! Welk een vertegenwoordiger van de gelovige Joden en heidenen in deze bedeling, "verzoend met God in ייn lichaam", die "de vergeving van zonden hebben overeenkomstig de rijkdommen Zijner genade!"

       Het Boek Handelingen is natuurlijk in de eerste plaats het verslag van de val van het volk Israel, niet "de geschiedenis van de grondlegging der Kerk". Maar het verslag van Handelingen bevestigt daadwerkelijk, het getuigenis van Paulus' eerste brieven, dat de verzoening van gelovende Joden en heidenen met God in ייn lichaam, begon bij Paulus, gedurende zijn vroege bediening. Verder wijzen de woorden van de Here: "tot dewelke Ik u nu zend" (Gr.,apostello) er ook op, dat Paulus als apostel werd opgedragen op de dag van zijn bekering.

       "De verheerlijkte Christus zei op die dag tot mij", zo herinnert hij:

       "U heb Ik gekozen uit het huis van Israel en uit de heidenen; tot welke Ik u nu zend:

       "Om hun ogen te openen

       "en om hen te bekeren vanuit de duisternis tot het licht,

       "en van de macht van Satan tot God,

       "dat zij vergeving van zonden mochten ontvangen,

       "en erfdeel onder hen die geheiligd zijn door geloof dat in Mij is" (V.17,18; Cf. Life and Epistles of St.Paul, P.673).

       Hoe geschokt Agrippa, Bernice, Festus en alle anderen zouden moeten zijn geweest bij deze progressieve ontvouwing van wat de opgestane, maar ook verheerlijkte Christus, bereid was voor hen te doen! Blindheid weggedaan, licht ontvangen, zonden vergeven. Dit alles, en nog meer, kon nu voor hen zijn, voor het grijpen*/[12]

 

           ZIJN BEDIENING SINDS ZIJN BEKERING

 

       "Daarom, o koning Agrippa, ben ik dat hemels gezicht niet ongehoorzaam geweest;

       "Maar heb eerst dengenen die te Damaskus waren, en te Jeruzalem, en in het gehele land van Judea, en den heidenen verkondigd, dat zij zich zouden beteren en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig.

       "Om dezer zaken wil hebben mij de Joden in den tempel gegrepen en gepoogd om te brengen.

       "Dan, hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende klein en groot; niets zeggende buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou:

       "Namelijk dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke en den heidenen."

                                           - Hand.26:19-23.

 

       De apostel herinnert er niet aan, dat hij eigenlijk ongehoorzaam was aan het hemelse visioen. Hij zegt: "Ik was niet ongehoorzaam", aantonend dat het enige alternatief op de koers die hij had genomen zou geweest zijn, bevelen direct afkomstig uit de hemel, ontvangen onder zulke bijzondere omstandigheden, niet te gehoorzamen. Dit zou ondenkbaar zijn geweest. Toch was het omdat hij niet ongehoorzaam geweest was aan de verheven opdracht, dat de Joden rond gegaan waren om hem te vermoorden. Dit was natuurlijk berekend om effekt te hebben bij hen die mede tegenwoordig waren, met inbegrip vooral van Agrippa zelf, zoals blijkt uit de ernstige wijze waarop Paulus hem persoonlijk aanspreekt.

       In het korte verslag van de apostel over het uitdragen van zijn boodschap valt op, dat het woord "toen" is toegevoegd in vers 20 in de Luthervertaling; dit staat niet in het origineel. Albert Barnes zegt hierover:

       "Uit dat woord (toen) zou blijken, dat hij niet gepredikt had 'tot de heidenen' dan nadat hij had gepredikt 'in Jeruzalem en in het gehele land van Judea', terwijl hij infeite, waar we reden toe hebben om dat te geloven...daarvoor 'predikte' tot de heidenen in Arabiכ" (Barnes bij Hand.26:20).

       Hoewel Barnes niet bewijst, ook niet in zijn notities bij Hand.9, dat Paulus in Arabiכ predikte, is zijn argument in het algemeen wel correct. Vast staat, dat hij, na zijn terugkeer naar Jeruzalem uit Damaskus (Gal.1:17,18), "in de gewesten van Syriכ en van Ciliciכ kwam", waarschijnlijk in verband met zijn reis naar Tarsen (Cf. Hand.9:29,30). Kennelijk was toen het geval dat daar heidengemeenten werden gevestigd. Later vinden we immers brieven aan de heidengelovigen daar, door Paulus en die met hem waren daar bezorgd, teneinde hen in de genade te bevestigen (Hand.15:23-27).*/[13] Nu vertelt ons Paulus zelf, dat hij in die tijd, "van aangezicht onbekend was aan de gemeenten in Judea, die in Christus zijn" (Gal.1:22). Hij kon daarom niet "door de streken van Judea" gepredikt hebben, voordat hij naar de heidenen ging. Zijn bediening in Jeruzalem vond meer waarschijnlijk plaats in de tijd, dat de heidenen in Antiochiכ geldelijke ondersteuning zonden "ten dienste der broederen die in Judea woonden" (Hand.11:29,30), of anders op een van zijn daarop volgende bezoeken aan die streek.

       De volgorde in Vers 20, gelezen in het Grieks, zou aan kunnen duiden, dat het woord "eerst" slaat op Damaskus, waar hij begon met van Christus te getuigen. Het is waar, dat waar hij ook ging, tot aan het einde van Handelingen, hij voortdurend eerst tot de Joden ging, maar zeer zeker niet "eerst" naar de Joden ging in Palestina en "daarna" naar de heidense streken.**/[14] De bedoeling van Vers 20 is eenvoudig, dat hij zich, beiden tot de Joden en tot de heidenen, richtte.

       Maar Vers 20 brengt nog een ander probleem.

       Paulus' verklaring, dat hij zowel Joden als heidenen gelijkelijk had onderwezen "dat zij zich zouden beteren en tot God bekeren, werken doende der bekering waardig", heeft sommigen geleid tot de onjuiste bewering dat de apostel, gedurende deze periode, "het evangelie van het Koninkrijk" zou hebben gepredikt, net als Johannes de Doper, onze Here, en de twaalven gedaan hadden.

       Zo'n conclusie zou echter in tegenstelling zijn met het gehele verslag. Een korte terugblik zal aantonen, dat de echte zielenwinner, ook vandaag nog, mensen zal trachten te overtuigen om te "bekeren", lett. "hun gedachtenleven te veranderen", en "zich tot God te keren", en dan de werken te doen die overeenkomen met deze verandering. Dit blijft zo, ook ondanks dat het thema van onze boodschap is, het volbrachte werk van Christus, en de rijkdom van Zijn genade.

       In de presentatie van Messias aan Israel echter, werd de nadruk gelegd op bekering. De meeste Joden berustten in het feit, dat zij, als Abrahams nageslacht, Gods volk waren, ongeacht hun gedrag. Vandaar hun noodzaak om hun gedachten te veranderen, en werken te doen in overeenstemming met deze verandering. Het is ongetwijfeld omdat Paulus in het bijzonder iemand met een Joodse achtergrond benaderde, dat hij de zaak op deze wijze stelde.

       Het was vanwege Paulus' gehoorzaamheid aan de hoge opdracht, dat de Joden probeerden hem te doden (V.21) - dit laatste was reeds vermeld in de wettelijke rapporten waar Festus over beschikte. Paulus bracht ongetwijfeld dit feit bij de rechters naar voren, om de poverheid van de Joodse zaak te benadrukken. Het was duidelijk, zoals Johannes Calvijn het uitdrukt, dat "hun zaak en geweten beiden boosaardig waren" (Zie Acts, Deel II,P.348 'Engels'), anders zouden zij hem een eerlijk verhoor geschonken hebben.

       Maar Paulus had de hulp van God verkregen*/[15] en had tot op die dag zijn koers ongewijzigd gevolgd.

 

                  NOG EEN MISVATTING

             BINNEN DE LEER DER BEDELINGEN

 

       Extreme uitleggers der bedelingen, die proberen te bewijzen, dat Paulus werkelijk een koninkrijksboodschap predikte gedurende zijn eerdere bediening, hebben dikwijls Hand.26:22 aangehaald om hun standpunt te bewijzen.

       "Dan, hulpe van God verkregen hebbende, sta ik tot op dezen dag, betuigende beide groot en klein; NIETS ZEGGENDE BUITEN HETGEEN DE PROFETEN EN MOZES GESPROKEN HEBBEN, DAT GESCHIEDEN ZOU."

       Bewijst dit niet, zo redeneren zij, dat Paulus het geheimenis niet kon hebben gepredikt vףףr Hand.28? Zegt hij dan niet dat hij niets gepredikt heeft wat de profeten en Mozes reeds voorzegd hadden? Hier tonen deze broeders echter hun onbekwaamheid om het onderwerp te doordenken of door de Schrift na te gaan.

       Paulus had tot op die tijd, meerdere waarheden verkondigd die niet in de geschriften van Mozes of de profeten gevonden kunnen worden. Noch Mozes, noch de profeten hadden de redding van de heidenen voorspeld door de val van Israel, noch "het evangelie van Gods genade", waarvan noch besnijdenis, noch wet enig deel zouden uitmaken. Ook hadden zij er nimmer ook maar op gewezen, dat Joden en heidenen door de Geest in ייn lichaam zouden worden gedoopt. Evenmin hadden zij gezegd - of geweten - van gelovigen, die zouden worden "opgenomen" naar de hemel door "de Here Zelf". Toch werd dit alles verkondigd door Paulus, voorafgaand aan deze, onze tijd (Rom.11:11,12; Hand.20:24; 1Cor.12:13; 1Thess.4:16,17).

       En had niet Paulus geschreven over "het geheimenis" en de daarmee verband houdende "verborgenheden" in zijn vroege brieven? (Rom.11:25; 16:25; 1Cor.2:6,7; 4:1; 15:51). Wordt over het geheimenis gehoord in profetie -, en over dat wat "verborgen" en "geheim gehouden" werd, en dat wat "bekend gemaakt" werd?

       Zelfs indien wij zouden toegeven dat Paulus het koninkrijk gepredikt heeft tijdens zijn gehele bediening in Handelingen, dan nog zou hij toch meer hebben gepredikt dan "wat Mozes en de profeten gesproken hebben dat geschieden zou", want zelfs in "het evangelie van het koninkrijk", sprak onze Here dingen, "die verborgen waren van de grondlegging der wereld" (Matt.13:35); waarheden die noch de profeten*/[16] noch Mozes hebben gekend.

       Spreken de feiten dan Paulus verklaring voor Agrippa tegen? Op geen enkele wijze. De narigheid is, dat onze extremistische vrienden slechts de helft van zijn verklaring hebben aangehaald. Het eerste gedeelte van zijn verklaring, in Vers 22, wordt duidelijk bevestigd door het overige in Vers 23:

       "NAMELIJK DAT DE CHRISTUS LIJDEN MOEST, EN DAT HIJ, DE EERSTE**/[17] UIT DE OPSTANDING DER DODEN ZIJNDE, EEN LICHT ZOU VERKONDIGEN DEZEN VOLKE EN DEN HEIDENEN."

       Met andere woorden, de feiten dat Christus moest lijden, opstaan uit de dood, en Israel en de heidenen het licht doen zien, waren niet anders, dan wat de profeten en Mozes reeds hadden voorzegd. Waarom zouden de Joden dan Paulus' bediening aan de heidenen zo fel tegenstaan? Dit alleen was het argument van Paulus.

       Het is voor ons altijd moeilijk om te begrijpen hoe een oprecht prediker van het Woord, Hand.26:22, kan aanhalen en het tot een niet passende uitspraak van Paulus maken, door te verklaren dat hij tot op dat ogenblik niets had gepredikt dan wat de profeten en Mozes voorzegd hadden. Zowel de rest van Paulus' uitspraak hier, en ook de rest van zijn vroeger onderricht en geschriften, zouden hem schuldig verklaren, niet alleen aan verkeerde uitleg, maar aan onjuist naar voren brengen van zijn klare woorden. Dit is in het bijzonder zo, omdat de meesten van hen telkens weer met deze feiten geconfronteerd worden.

 

            PAULUS' VERDEDIGING ONDERBROKEN

 

       "En als hij deze dingen tot verantwoording sprak, zeide Festus met grote stem: Gij raast, Paulus, de grote geleerdheid brengt u tot razernij.

       "Maar hij zeide: Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand.

       "Want de koning weet van deze dingen, tot welken ik ook vrijmoedigheid gebruikende spreek; want ik geloof niet, dat hem iets van deze dingen verborgen is; want dit is in geen (uit)hoek geschied.

       "Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft.

       "En Agrippa zeide tot Paulus: Gij beweegt mij bijna een Christen te worden.

       "En Paulus zeide: Ik wenste wel van God dat, טn bijna טn geheel, niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen, zodanigen werden gelijk als ik ben, uitgenomen deze banden.

       "En als hij dit gezegd had, stond de koning op, en de stadhouder, en Bernice, en die met hen gezeten waren;

       "En aan een zijde gegaan zijnde, spraken zij tot elkander, zeggende: Deze mens doet niets des doods of der banden waardig.

       "En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens kon losgelaten worden, indien hij zich op den keizer niet had beroepen."

                                              - Hand.26:24-32.

 

       Dit Schriftgedeelte in Handelingen heeft sommigen ertoe geleid om Festus te beschouwen als een ruwe grove persoon. Wat wij tot dusver van hem gezien hebben echter, toont aan dat hij allesbehalve ruw was. Het feit dat hij Paulus onderbrak "als hij deze dingen sprak", en dit deed "met grote stem", verraadt duidelijk dat hij diep bewogen was.

       Het is waar, dat "de natuurlijke mens niet begrijpt de dingen die des Geestes Gods zijn" (1Cor.2:14), en dat de verklaring van "Christus gekruisigd" voor "de Grieken een dwaasheid" is (1Cor.1:23). Het is waar, dat los van de werking van de Heilige Geest, al datgene over Iemand die gestorven, weer opgestaan om "licht te brengen" aan de volkeren, samen met de geschiedenis van Paulus' wonderbare bekering, Festus toegeschenen heeft als klaar bijgeloof. Maar het Romeinse Imperium stond de fanatieke bijgelovigheden van vele religies toe. Waarom zouden dan Paulus' woorden bij Festus, in aanwezigheid van Agrippa en alle andere hoogwaardigheden, zo'n uitbarsting teweeggebracht hebben?

       Of Festus zelf werd bewogen door Paulus' dringend getuigenis, en trachtte zijn gevoelens te verbergen door deze uitbarsting, of dat hij zo bezorgd was over het effekt dat dit op de andere aanwezigen kon hebben, kunnen wij niet zeggen. Maar zeker is, dat dit incident de geestelijke kracht aantoont van Paulus' toespraak, toen hij sprak over duisternis en licht, de macht van Satan en van God, de vergeving van zonden en over Christus, de enige Redder.

       De vertaling: "grote geleerdheid brengt u tot razernij", is ongetwijfeld oorzaak van het wanbegrip over Festus' karakter. Het Griekse woord "gramma" betekent gewoon "schriften" en wordt tweemaal in de Heilige Schrift gebruikt (Joh.5:47; 2Tim.3:15). Zeker is, dat een man van het karakter en de positie van Festus geen bezwaren zal hebben tegen geleerdheid. Het was duidelijk, dat Festus verwees naar de "schriften", die Paulus voor zo kostbaar hield. Deze citeerde Paulus zo vloeiend; deze haalde hij aan als uiteindelijk beslissend voor vele kwesties, en deze had hij ongetwijfeld vlijtig bestudeerd tijdens zijn tweejarig verblijf in Cesarea, speciaal in verband met de verdere openbaringen die hij van de verheerlijkte Here had gekregen.

       Dat wat Festus eigenlijk zei was: "Uw vele geschriften brengen u tot razernij".

       Paulus, de opwinding van Festus begrijpend, antwoordde met kalme en eenvoudige waardigheid: "Ik raas niet, machtigste Festus, maar ik spreek woorden van waarheid en van een gezond verstand" (V.25) en keert onmiddellijk weer terug tot de koning. Deze combinatie van stevig protest met hoffelijkheid is karakteristiek voor Paulus. Hij behandelt Festus met onderscheiding, maar toch beslist, zoals een sterke man een zwakkere tegenstander zou behandelen, en gaat voort met hem te tonen, dat zijn diepe ernst niet komt uit razernij, niet uit dwaasheid, maar vanuit "waarheid en gezond verstand".*/[18]

       In een handig gebruik van tegengestelde omstandigheden, verklaart de apostel aan Festus, dat Koning Agrippa van deze dingen afweet; dat hij vrijuit voor hem kan spreken, en dat hij overtuigd is, dat de details van zijn uiteenzetting niet voor hem "verborgen" zijn, omdat zij niet "in een uithoek" geschied zijn.

       Ontegenzeggelijk was Paulus hierin correct, want Agrippa was niet alleen opgevoed in de Joodse religie, maar was ook lange tijd politiek nauw verbonden geweest met Israel. Zeer zeker kon toen de bekering van de vervolger Saulus, tot Christus, en de wijdverspreide bediening van de apostel, en de buitengewone verspreiding van het evangelie, hem niet onbekend geweest zijn.

       En nu doet hij iets, dat meer geschikt is om Festus te overtuigen dan welk argument ook, tot zijn eigen verdediging. Agrippa persoonlijk aansprekend, vraagt hij: "Gelooft gij, o koning Agrippa, de profeten? En dan onmiddelllijk vervolgt hij: "Ik weet, dat gij ze gelooft" (V.27).

       Op antwoord wachten zou, onder zulke omstandigheden, zowel onterecht als dom geweest zijn. Hij, niet Agrippa, was ter verhoring gedaagd, en de koning in verlegenheid brengen zou hem hebben geכrgerd. Daarom beantwoordt de apostel tactisch zijn eigen vraag. Hij weet dat Koning Agrippa de Oud Testamentische Geschriften gelooft - en zeker zal Festus Agrippa niet razend noemen! Noch kon Agrippa, in zijn positie, dit ontkennen, en Festus' mening omtrent de heilige Geschriften aanvaarden. Zo doet de apostel met een bijzondere tact een beroep op Agrippa zelf, en gebruikt hem als zijn getuige, daarmee tegelijkertijd de waarheid van zijn argument naar voren brengend.

 

                     WERD AGRIPPA

                   "BIJNA BEKEERD"?

 

       Er is reeds veel verschil van mening geweest over de betekenis van Agrippa's reactie op de oproep van Paulus: "Gij beweegt mij bijna een Christen te worden." De verschillende zichten op het onderwerp zijn hoofdzakelijk de volgende:

       1. Dat het Griekse "en oligo", of "een weinig", aan de zin de betekenis geeft: "in het kort, gij wilt mij overtuigen om een Christen te worden."

       2. Dat de woorden "en oligo" slaan op het argument van Paulus, en dan de betekenis van de zin als volgt maken: "Met een weinig (een kort argument) wilt gij mij overtuigen een Christen te worden."

       3. Dat hij het sarcastisch bedoelde: "Nog even (een klein moment), en gij zult mij overhalen een Christen te worden."

       4. Dat de woorden "en oligo" hier de betekenis hebben van "bijna", en dat bedoeld wordt, hetzij sarcastisch of meer of minder ernstig: "Gij haalt mij bijna over een Christen te worden."

       5. Enkele vertalers en commentatoren houden vast, dat het woord "bewegen" op Paulus betrekking heeft, en dat Agrippa eigenlijk zei: "Nog even en gij overtuigt uzelf om van mij een Christen te maken."

       Sommigen houden het ervoor, dat de uitdrukking "Gij beweegt mij" correcter zou zijn vertaald met: "Gij zoudt mij willen bewegen", maar andere commentators wijzen dit gezichtspunt af. Een aanzienlijke meerderheid van onze Bijbelvertalingen brengen het niet naar voren.

       Met het oog op dit feit, en het emotioneel effekt in overweging nemend dat Paulus' toespraak bij Festus teweegbracht, wijzen wij de interpretaties onder 1, 2, en 3 af. Ook wijzen we interpretatie 5 af wegens gebrek aan ondersteuning.

       Wat betreft interpretatie 4, is het idee van "bijna", passender in Paulus' antwoord in Vers 29. Ook, omdat Paulus in zijn antwoord ieder sarcasme van de zijde van Agrippa eenvoudig ontkent, leiden de volgende omstandigheden ertoe om te geloven dat Agrippa de overtuigende kracht van de Heilige Geest ervoer: t.w. Paulus' bewogen toespraak, zijn beroep op de Schriften, het opwekkend getuigenis van zijn bekering, de duidelijke kracht en het effekt van zijn bediening, de emotionele uitbarsting van Festus, - dit alles hoewel hij zou kunnen hebben bedoeld om dit weg te vagen door een eventueel sarcastische opmerking. Zo wordt hij dus het symbool van al diegenen die nimmer helemaal overtuigd zijn om in Christus te vertrouwen als hun Redder.

       Of Agrippa in deze zaak wel ernstig was, Paulus was niettemin snel om voordeel te trekken uit de situatie. De last op zijn hart openbarend, niet alleen voor Agrippa, maar voor Festus, Bernice en alle aanwezigen, antwoordde hij met veel gevoel:

       "Ik wenste wel van God dat, טn bijna טn geheel, niet alleen gij, maar allen die mij heden horen, zodanigen werden als ik ben, uitgenomen deze banden" (V.29).

       Wat een waarlijk grote dienaar van God was de apostel! Wat een diepe ernst: "Ik wenste wel van God". Hoe ruimhartig: "niet alleen gij, maar ook allen die mij heden horen". Hoe zichzelf wegcijferend: Hij is in ketenen, maar verlangt naar hun bevrijding. Hoe overwinnend: "Ik wens dat gij zult worden zoals ik ben". Hoe krachtig zijn bede: "Bijna" is niet genoeg. Het moet zijn "en geheel".

       En het meest verfijnde gevoel voor Christelijke hoffelijkheid en gratie zijn te vinden in zijn woorden: "uitgenomen deze banden". Hij had veel geleden voor Christus, maar hij wenste niets van dat alles voor hen. Hij wenste hun alleen slechts de vrede en zekerheid en blijdschap die in zijn hart was. Hij zal ook wel met een glans in zijn ogen deze zin hebben toegevoegd, want het toonde aan dat hij werkelijk bij zijn verstand was; hij verheugde zich niet over zijn ketenen.

       Overtuiging kreeg ongetwijfeld vat - wellicht op velen der aanwezigen. Het ongelovige hart zegt dat het niet te ver moet gaan. Agrippa, als voorzitter van de zitting, staat op en verlaat, met de anderen, de zittingszaal. Hoe velen hebben sindsdien zijn voorbeeld gevolgd! Onder elkaar de zaak besprekend gaven zij allen toe, dat Paulus noch dood noch ketenen waardig was, en Agrippa merkte op dat hij vrijgelaten zou mogen worden, als hij zich niet op de keizer beroepen had. Festus had hem niet verteld hoe dit alles was gekomen, had hem eigenlijk de zaak niet goed voorgelegd (Hand.25:25).

       Dit was niet de eerste keer dat Paulus' onschuld werd toegegeven (Hand.23:9; 23:29; 25:25), toch werd hij niet bevrijd.

En nu kon hij niet worden vrijgelaten. Er was geen teruggang voor hem, noch voor Festus. Naar Ceasar moet hij gaan, en Festus is verantwoordelijk erop toe te zien, dat hij veilig Rome bereikt.


 

    [1]*/Voetnoot: Juist deze hand, zowel als de andere, kan aan een Romeinse soldaat geketend zijn. Wij nemen dit aan uit het gebruik van het meervoud in V.29: "deze banden" (Cf. Hand.12:6 "twee soldaten...twee ketenen").

    [2]*/Voetnoot: Deze passage toont de fout van de theorie van "Anglo-Israelisme", dat de tien noordelijke stammen van Israel na hun verbanning nimmer met Juda en Benjamin zijn samengevoegd, maar naar verre landen zwierven en opgegaan zijn in de Anglo-Saksische rassen.

    [3]*/Voetnoot: Deze sterke uitdrukking, katakleio wordt alleen hier gebruikt en in Luk.3:20, en toont aan hoe gebeten hij was op de gelovigen.

    [4]**/Voetnoot: "Stemmen" Gr., psephos, een steen, gebruikt om te stemmen. Het feit, dat Paulus kon werpen, schijnt er verder op te wijzen, dat hij een lid was van het Sanhedrin, of van het groter college, "de stand der ouderlingen" (Cf. Gal.1:14).

    [5]*/Voetnoot: Dit slaat op het onderwerp, eerder dan op het resultaat van de straf, want de onvoltooid verleden tijd wordt gebruikt. Zij die gemarteld werden gaven niet tenslotte toe, anders zouden "velen" niet "ter dood gebracht" zijn.

    [6]**/Voetnoot: Dit bewijst, dat zijn reis naar Damaskus niet de eerste was, en geen opzichzelf staande onderneming, maar de laatste van vele van zulke ondernemingen.

    [7]*/Voetnoot: De "Heerlijkheid des Heren" moet mensen bevreesd maken, omdat "allen gezondigd hebben en derven de heerlijkheid Gods" (Rom.3:23). 

    [8]**/Voetnoot: Zie voor een uitgebreider beschouwing van dit onderwerp, de beginnende bladzijden van Deel II.

    [9]***/Voetnoot: Tot uitdrukking brengend vruchteloze tegenstand, zoals wanneer ossen tegen de prikkels van hun drijvers schoppen. Deze zin wordt in de meeste vertalingen, bij 9:5 niet gevonden.

    [10]*/Voetnoot: De term "het volk" slaat in de Schrift op Israel (Zie Ps.2:1 en Cf.Hand.4:25,27).

    [11]**/Voetnoot: Sommigen houden het erop dat "tot wien" alleen slaat op de heidenen, niet op beiden. Het is waar, dat Paulus meer speciaal werd gezonden tot de heidenen als tot het volk Israel, maar zijn bediening tot het einde omvatte zowel Joden als heidenen (Zie V.20; 1Cor.12:13; Eph.2:14-18, etc.).

    [12]*/Voetnoot: Echter de uitdrukking "door geloof dat is in Mij" wijst niet op hun geloof maar op Zijn geloof,  dan wel getrouwheid . Het woord geloof is hier eerder subjectief dan objectief (Cf. Rom.3:3; Gal. 2:20; etc.).

    [13]*/Voetnoot: Zie onze notities bij Gal.1:21, in Vol.II, Pp.61-63 (Engels).

    [14]**/Voetnoot: Zie onze aantekeningen hierover in Deel II, P.60 (Engels).

    [15]*/Voetnoot: Dit is de zin van het origineel, het lidwoord vףףr "hulp".

    [16]*/Voetnoot: Het is waar, dat onze Here Zelf een profeet was, maar Paulus verwijst duidelijk naar de profeten in welke Agrippa geloofde.

    [17]**/Voetnoot: Niet gezien in tijd, maar in rangorde. Zie 1Cor.15:20,23 en Col.1:18.

    [18]*/Voetnoot: Het Griekse sophroneo wijst op goed bij zijn verstand (Zie Mark.5:15; Luk.8:35; 2Cor.5:13).


[i].*/Voetnoot: Merk op dat Festus niet alleen Nero Augustus (de eerste Augustus) noemt, maar kurios, "mijn heer" (V.21,26). Dit is weer een beeld van Lukas' nauwkeurigheid, want terwijl de eerdere Augustus en Tiberius deze titel geweigerd hadden, had Nero die aangenomen en gebruikt.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011