H O O
F D S T U K XLV - H A N D. 25:1-22
PAULUS VOOR FESTUS
"Festus
dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van
Cesarea op naar Jeruzalem.
"En de hogepriester
en de voornaamsten der Joden verschenen
voor hem tegen Paulus en baden hem,
"Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te
Jeruzalem; en leggende een lage om hem op den weg om te brengen.
"Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard
werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.
"Die dan, zeide hij, onder u kunnen,
dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man
is, dat zij hem beschuldigen.
"En als hij onder hen niet meer dan tien dagen
overgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags
op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zou
voorgebracht worden.
" En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van
Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware
beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden
bewijzen;
"Dewijl hij zich verantwoordende, zeide: Ik heb noch
tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen den
keizer iets gezondigd.
"Maar Festus willende den Joden gunst bewijzen,
antwoordde Paulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en
aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?
"En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des
keizers, waar ik geoordeeld moet worden. Den Joden heb ik geen
onrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet.
"Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig
gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is
van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij
hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.
"Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken
had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer
gaan."
-
Hand.25:1-12.
De gewijde en wereldse historie beide, tonen Festus in
een gunstiger licht dan Felix. Beide tonen hem als een grondig,
redelijk, en rechtschapen iemand, zowel actief, als energiek in
de uitvoering van zijn plichten als gouverneur van Judea, welke
positie hij behield tot slechts twee jaren voor zijn dood.
Toen hij te Cesasea arriveerde, verloor hij geen tijd om
bekend te worden met diegenen over wie hij moest regeren. Al na
drie dagen ging hij op naar Jeruzalem, blijkbaar om de
bestuurders van Israel te ontmoeten.
Nauwelijks was hij aangekomen of hij werd opgenomen in
een karakteristiek web van intrigue. De Joodse leiders begonnen
onmiddellijk hem te "informeren" en te "smeken" met betrekking
tot Paulus en, als zijn eigen weergave erover kan worden
vertrouwd, begon "de ganse menigte derJoden" een geroep, "dat
hij niet meer behoort te leven" (V.24).
Inderdaad legden de bestuurders deze druk op Festus om
hun request weer op te halen dat hij, bij wijze van gunst,
Paulus zou zenden, om in Jeruzalem te worden verhoord. In
werkelijkheid hadden zij niet de bedoeling om Paulus in levende
lijve Jeruzalem te laten bereiken, want hun plan was een
hinderlaag te leggen en hem onderweg te doden.
Hoe corrupt en slecht een religie kan zijn! Twee jaren
waren voorbijgegaan sinds hun geestelijke leidsmannen voor de
eerste maal hun valse beschuldigingen tegen Paulus hadden
bedacht, zijn excecutie eisten, en zelfs een complot belegden om
hem te vermoorden. Nu, na al die tijd, is hun haat nog even
bitter en meedogenloos als ooit, en zijn zij nog steeds
vastbesloten hem te vernietigen, indien niet door valse
beschuldiging en vonnis, dan door de dolk van de
sluipmoordenaar.
Het antwoord van de gouverneur op hun petitie echter, was
waardig en juist. Paulus zou in Cesarea worden bewaard, en omdat
hij daar spoedig heen zou gaan, konden diegenen die machtig, of
machtiger*/[1],
onder hen waren, met hem mee gaan en daar hun klachten bij de
Romeinse zetel van gezag inbrengen. Als ook in dit geval het
latere verslag van Festus betrouwbaar is, wees hij er op, dat
het geen "Romeinse gewoonte" was, een onveroordeelde man, bij
wijze van gunst, uit te leveren aan zijn beschuldigers (Zie
V.16).
Ter vervulling van zijn belofte ging Festus terug naar
Cesarea "niet meer dan acht of tien dagen" later (Zie V.6, N.B.G
Vert.) en, op de eerste dag daarna, beval hij dat Paulus
voorgebracht zou worden.
Dit was geen privי
onderhoud, maar een publiek verhoor, want de gouverneur had
plaats genomen in "de rechterstoel", en de Joden, die reeds op
het toneel verschenen waren, "stonden rondom hem", Paulus
beschuldigend van vele ernstige misdaden, die draaiden om de
drie voornaamste tenlasteleggingen van het vorige verhoor, zoals
zijn verdediging aangeeft (V.8).
Opnieuw waren zij echter niet in staat bewijzen te
leveren, dat hij werkelijk schuldig was aan ketterij,
heiligschennis, en oproermaken. Hij stond danook stevig in zijn
afwijzing, dat hij een enkel vergrijp gepleegd had, niet tegen
de wet van Israel, of tegen de tempel, of tegen de keizer.
Als het aantal en de ernst van hun beschuldigingen tegen
Paulus, Festus' verdenking zou hebben opgeroepen, hun gebrek om
wettig getuigenis te produceren, had hem ten volle overtuigd van
het bankroet van hun zaak tegen Paulus. Festus zelf bevestigde
dit later (V.25).
Toch moest er worden onderzocht in deze eerste zitting
van het hof in Judea. Als de historie juist is, waren de Joden
oorzaak van Felix overplaatsing door Nero. Als Festus nu Paulus
zou vrijspreken en hem vrijlaten, zou hij de Joodse leiders tot
bittere vijanden maken bij de aanvang van zijn regering, juist
als hij hun vriendschap en ondersteuning het meest nodig had.
Hij deed daarom een voorstel dat, hoewel bedoeld om de
Joden tot rust te brengen, niettemin aantoonde, dat hij niet
geheel onjuist bedoelde te zijn: Zou Paulus toestemmen om naar
Jeruzalem te gaan en daar in Festus' aanwezigheid worden
verhoord, of op zijn minst onder zijn supervisie?**/[2]
Hij begreep zeer goed, dat Paulus hiermee niet behoefde in te
stemmen, en liet dus de beslissing aan hem.
Maar dat zou toch betekenen, een verhoor door het Joodse
Sanhedrin, en Paulus wist, wat Festus niet zal hebben geweten,
hoe volstrekt hopeloos het zou zijn om daar gerechtigheid te
zoeken. Dus antwoordde hij op het voorstel van de gouverneur
door stevig te blijven staan op zijn rechten als Romeins burger:
"Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld
moet worden," zei hij, verklarend dat als hij een misdaad
begaan had die de dood verdiende, hij het vonnis mannelijk zou
hebben geaccepteerd. Maar omdat de beschuldigingen tegen hem
vals waren, hetgeen Festus zeer goed wist, had niemand het recht
hem aan zijn beschuldigers over te leveren.
En dan spreekt de apostel die woorden, die Festus
verrastten en verbaasden, omdat zij hem in een nog moeilijker
positie plaatsten:
"Ik beroep mij op de Keizer."
Er bestaat historisch bewijs voor het feit, dat
zekere, niet alle Romeinse burgers in die tijd, het recht hadden
om rechtsonderzoeken door lagere overheden, waarin zij
verwikkeld waren, uit te stellen door beroep op de Keizer. Zo
beriep zich de apostel nu op dit recht, ongetwijfeld overwegend
dat dit de enige ontkoming was aan een zekere dood aan de ene
kant, of weer een lange gevangenschap aan de andere kant.
Wellicht herinnerde hij zich ook de belofte van de Here, dat hij
zou getuigen te Rome (Hand.23:11), en voelde dat dit de koers
was die Hij wilde dat hij zou nemen.
Maar dit liet Festus in een netelige positie, want het
kon hem nauwelijks helpen, in de ogen van Keizerlijk Rome, dat
zijn eerste officןele daad als
gouverneur, voor hem zo uitdagend was. Daarom sprak hij met zijn
raadgevers*/[3]
om zeker te zijn, dat Paulus' burgerschap niet te betwijfelen
was, en te zien of er nog andere mogelijke oplossingen waren uit
dit dilemma.
Maar de gouverneur durfde niet het beroep van de
apostel ontkennen, en we ontdekken een toon van spijt, zowel als
van spot in zijn antwoord, als hij zegt: "Hebt gij u op den
Keizer beroepen? Gij zult tot den Keizer gaan". "Je weet
niet" dacht hij, "wat een beroep op den Keizer betekent."
Nu was de zaak bij Festus uit handen. Er resteerde
slechts een officieel rapport aan het hoogste gerechtshof, met
al de bijbehoende verslagen en documenten, en een terugblik op
zijn eigen rechtspraak in deze zaak. Hij was eveneens
verantwoordelijk erop toe te zien, dat de beklaagde veilig naar
Rome zou worden gebracht.
Zo wordt Israel verder en verder achtergelaten in de
bediening en ervaring van de apostel, en verschijnt hij steeds
duidelijker als "de apostel der heidenen".
HERODES AGRIPPA BEZOEKT FESTUS
AGRIPPA'S BELANGSTELLING IN DE ZAAK VAN PAULUS
"En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de
koning Agrippa en Bernice te Cesarea om Festus te begroeten.
"En toen zij aldaar vele dagen overgebracht hadden, heeft
Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende:
Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;
"Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters
en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen
hem;
"Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte
niet hebben enig mens uit gunst ter dood over te geven, eer de
beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van
verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.
"Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb
ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel
gezeten, en beval dat de man zou voorgebracht worden;
"Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak
hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde,
"Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst,
en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te
leven.
"En als ik over de onderzoeking van deze zaak in
twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en
aldaar over deze dingen geoordeeld worden.
"En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des
keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zou
worden tot den tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.
"En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens
wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen."
- Hand.25:13-22.
Festus werd nu geconfronteerd met een lastig probleem. De
formele beschuldigingen die tegen Paulus waren ingebracht,
werden door geen enkel getuigenis uit de eerste hand
ondersteund. Zij zouden daarom als waardeloos dienen te worden
verworpen, de zaak daarmee afgedaan, en Paulus in vrijheid te
zijn gesteld. Maar hoe kon Festus nu voorkomen dat de Joden boos
werden? En zat er soms meer achter het eisen van het leven van
Paulus? Was er nog een andere beschuldiging die mogelijk
tegen hem kon worden ingebracht?
De "vele en ernstige klachten" tegen Paulus - allemaal
onbewezen (V.7), hadden Festus toch in een moeilijke situatie
gebracht om er achter te komen wat het nu werkelijk was wat zij
tegen hem hadden. En wat de dingen nog erger maakte, Paulus had
de zaak uit zijn handen genomen door beroep op de Keizer. Wat
voor een rapport moest Festus nu naar de Keizer zenden, zonder
zichzelf tot een niet competente rechter te maken (V.26,27)? Dit
zou een kwade zaak zijn, zo kort na het aanvaarden van zijn ambt
in Judea.
Het gebeurde echter in die tijd, dat Herodes Agrippa II
en Bernice op het toneel verschenen, kennelijk gekomen om
formeel kennis te maken met de nieuwe procurator.
Agrippa II, de laatste van de Herodianen, was zelfs niet
eens, zoals zijn voorgangers, "Koning der Joden". Lukas noemt
hem eenvoudig "de koning" (V.14, Ctr. Luk.1:5). Het domein dat
Caesar eerst aan Herodes de Grote had toegewezen, was in twee
stukken verdeeld, zodat Archelaus "etnarch" werd over de
halve provincie. Deze helft was opnieuw in stukken gesneden,
zodat Herodes Antipas "tetrarch", of gouverneur was over een
kwart van een provincie. En aan de tegenwoordige Herodes was
zelfs nog minder gebied toegewezen, bestaande uit een deel van
Galilea, maar niet Judea, zodat hij ook geen "Koning der Joden"
was. De titel "koning" was hem slechts gegeven als
hoffelijkheid. De geschiedenis vermeldt echter, dat hij een
aangestelde beschermer was van de tempel, met het recht de
hogepriester te benoemen. In dit alles zien we een verdere
bevestiging van het verval van het volk Israel. Voor jaren waren
de koningen van Israel, die moesten afstammen van de koninklijke
lijn van David, en de hogepriesters, die moesten afstammen van
de priesterlijke lijn van Aaron, benoemd door heidense
keizers. De keizers wezen direct de koning aan, terwijl de
koning, op zijn beurt, de macht had om de hogepriester te
benoemen. Maar deze Herodianen ontbrak niet alleen het
koninklijke bloed van Davids lijn; zij waren Edomieten, van
geboorte vreemden, hoewel zij de Joodse riten tot inwijding in
de Joodse religie wel ondergingen.
Omdat Agrippa tenminste nog enkelen van het volk Israel
vertegenwoordigde, was het voor hem aan te bevelen om de best
mogelijk relaties met de Romeinse procurator in Cesarea te
onderhouden. Vandaar dit bezoek. Verder had Festus hem ook nodig
- speciaal nu - vanwege zijn kennis van de Joodse religie en de
Joodse wetten en gewoonten.
Weer hebben we hier een slecht paar voor ons. Herodes
stamde natuurlijk af van slechte ouders, en had een donker,
berucht verleden. Bernice, die driemaal wordt vermeld als zijnde
met hem (V.13,23; 26:30) was niemand anders dan de zuster van
Drusilla, Felix's gezonken minnares, en dus Herodes'
eigen zuster, met wie hij leefde in bloedschande.
Het was na "vele dagen" (V.14), dat Festus bij Agrippa de
kwestie Paulus noemde; dagen die ongetwijfeld besteed waren in
optochten en festiviteiten ter ere van "de koning". Maar
tenslotte kwam de tijd dat Festus zijn probleem betreffende
Paulus, overbracht aan de man waarvan hij hoopte dat deze hem
kon helpen.
Zijn relaas van het geval, grondig en zakelijk, verraadt
meer dan zijn onwetendheid omtrent de Joodse religie en de wet.
Het verraadt zijn uiterlijke geestelijke blindheid.
Hij stelde, dat de beschuldigingen die tegen Paulus
ingebracht waren, niet zo waren als hij had verwacht. Toch was
Paulus beschuldigd van ontheiliging van de tempel (die onder
Romeinse bescherming stond) en zelfs van oproerstoken.
Waren dit dan geen beschuldigingen die hij kon behandelen? Het
antwoord is duidelijk, dat de aanklagers zo volledig gefaald
hadden in het brengen van bewijzen van de waarheid van deze
beschuldigingen, dat Festus ze als waardeloos beschouwde.
De Joden, zei Festus, hadden werkelijk "enige vragen"
tegen Paulus "van hun godsdienst"*/[4]
en van zekere Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te
leven" (V.19).
Festus' verwijzing naar "zekere Jezus" toont aan, dat hij
weinig of niets wist over Christus, hoewel hij had
waargenomen dat Joodse gevoelens bij Paulus' verhoor, vooral ten
diepste deze Persoon betrof die, naar zijn mening, blijkbaar
gestorven was, maar "Welken Paulus zeide te leven". Paulus'
aanklagers echter zouden trachten de ware zaak te verbergen -
dit was het.
Maar waarom Paulus zo vasthield dat deze Jezus leefde, of
waarom de Joden hier zo fel tegenstonden, of hoe een beslissing
van het gerechtshof hieromtrent iets zou oplossen, was meer dan
Festus zien kon.
Arme blinde heiden! Hij zag niet dat het geen kwestie van
"hun religie" of "onze religie" was, maar van de waarheid.
Hij zag niet dat deze "vragen" hem betroffen. Hij zag
niet, dat 's mensen verzoening - zijn verzoening - ervan
afhing of Christus wel of niet leefde.