De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XLV - H A N D. 25:1-22

 

                   PAULUS VOOR FESTUS

 

"Festus dan in de provincie gekomen zijnde, ging na drie dagen van Cesarea op naar Jeruzalem.  "En de hogepriester en de voornaamsten der Joden verschenen voor hem tegen Paulus en baden hem, "Begerende gunst tegen hem, opdat hij hem zou doen komen te Jeruzalem; en leggende een lage om hem op den weg om te brengen.

       "Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Cesarea bewaard werd, en dat hij zelf haast derwaarts zou verreizen.

       "Die dan, zeide hij, onder u kunnen, dat zij mede afreizen, en zo er iets onbehoorlijks in dezen man is, dat zij hem beschuldigen.

       "En als hij onder hen niet meer dan tien dagen overgebracht had, kwam hij af naar Cesarea; en des anderen daags op den rechterstoel gezeten zijnde, beval hij dat Paulus zou voorgebracht worden.

       " En als hij daar gekomen was, stonden de Joden die van Jeruzalem afgekomen waren, rondom hem, vele en zware beschuldigingen tegen Paulus voortbrengende, die zij niet konden bewijzen;

       "Dewijl hij zich verantwoordende, zeide: Ik heb noch tegen de wet der Joden, noch tegen de tempel, noch tegen den keizer iets gezondigd.

       "Maar Festus willende den Joden gunst bewijzen, antwoordde Paulus en zeide: Wilt gij naar Jeruzalem opgaan, en aldaar voor mij over deze dingen geoordeeld worden?

       "En Paulus zeide: Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden. Den Joden heb ik geen onrecht gedaan, gelijk gij ook zeer wel weet.

       "Want indien ik onrecht doe, en iets des doods waardig gedaan heb, ik weiger niet te sterven; maar indien er niets is van hetgeen waarvan dezen mij beschuldigen, zo kan niemand mij hun uit gunst overgeven. Ik beroep mij op den keizer.

       "Toen antwoordde Festus, als hij met den raad gesproken had: Hebt gij u op den keizer beroepen? Gij zult tot den keizer gaan."

                                                 - Hand.25:1-12.

 

       De gewijde en wereldse historie beide, tonen Festus in een gunstiger licht dan Felix. Beide tonen hem als een grondig, redelijk, en rechtschapen iemand, zowel actief, als energiek in de uitvoering van zijn plichten als gouverneur van Judea, welke positie hij behield tot slechts twee jaren voor zijn dood.

       Toen hij te Cesasea arriveerde, verloor hij geen tijd om bekend te worden met diegenen over wie hij moest regeren. Al na drie dagen ging hij op naar Jeruzalem, blijkbaar om de bestuurders van Israel te ontmoeten.

       Nauwelijks was hij aangekomen of hij werd opgenomen in een karakteristiek web van intrigue. De Joodse leiders begonnen onmiddellijk hem te "informeren" en te "smeken" met betrekking tot Paulus en, als zijn eigen weergave erover kan worden vertrouwd, begon "de ganse menigte derJoden" een geroep, "dat hij niet meer behoort te leven" (V.24).

       Inderdaad legden de bestuurders deze druk op Festus om hun request weer op te halen dat hij, bij wijze van gunst, Paulus zou zenden, om in Jeruzalem te worden verhoord. In werkelijkheid hadden zij niet de bedoeling om Paulus in levende lijve Jeruzalem te laten bereiken, want hun plan was een hinderlaag te leggen en hem onderweg te doden.

       Hoe corrupt en slecht een religie kan zijn! Twee jaren waren voorbijgegaan sinds hun geestelijke leidsmannen voor de eerste maal hun valse beschuldigingen tegen Paulus hadden bedacht, zijn excecutie eisten, en zelfs een complot belegden om hem te vermoorden. Nu, na al die tijd, is hun haat nog even bitter en meedogenloos als ooit, en zijn zij nog steeds vastbesloten hem te vernietigen, indien niet door valse beschuldiging en vonnis, dan door de dolk van de sluipmoordenaar.

       Het antwoord van de gouverneur op hun petitie echter, was waardig en juist. Paulus zou in Cesarea worden bewaard, en omdat hij daar spoedig heen zou gaan, konden diegenen die machtig, of machtiger*/[1], onder hen waren, met hem mee gaan en daar hun klachten bij de Romeinse zetel van gezag inbrengen. Als ook in dit geval het latere verslag van Festus betrouwbaar is, wees hij er op, dat het geen "Romeinse gewoonte" was, een onveroordeelde man, bij wijze van gunst, uit te leveren aan zijn beschuldigers (Zie V.16).

       Ter vervulling van zijn belofte ging Festus terug naar Cesarea "niet meer dan acht of tien dagen" later (Zie V.6, N.B.G Vert.) en, op de eerste dag daarna, beval hij dat Paulus voorgebracht zou worden.

       Dit was geen privי onderhoud, maar een publiek verhoor, want de gouverneur had plaats genomen in "de rechterstoel", en de Joden, die reeds op het toneel verschenen waren, "stonden rondom hem", Paulus beschuldigend van vele ernstige misdaden, die draaiden om de drie voornaamste tenlasteleggingen van het vorige verhoor, zoals zijn verdediging aangeeft (V.8).

       Opnieuw waren zij echter niet in staat bewijzen te leveren, dat hij werkelijk schuldig was aan ketterij, heiligschennis, en oproermaken. Hij stond danook stevig in zijn afwijzing, dat hij een enkel vergrijp gepleegd had, niet tegen de wet van Israel, of tegen de tempel, of tegen de keizer.

       Als het aantal en de ernst van hun beschuldigingen tegen Paulus, Festus' verdenking zou hebben opgeroepen, hun gebrek om wettig getuigenis te produceren, had hem ten volle overtuigd van het bankroet van hun zaak tegen Paulus. Festus zelf bevestigde dit later (V.25).

       Toch moest er worden onderzocht in deze eerste zitting van het hof in Judea. Als de historie juist is, waren de Joden oorzaak van Felix overplaatsing door Nero. Als Festus nu Paulus zou vrijspreken en hem vrijlaten, zou hij de Joodse leiders tot bittere vijanden maken bij de aanvang van zijn regering, juist als hij hun vriendschap en ondersteuning het meest nodig had.

       Hij deed daarom een voorstel dat, hoewel bedoeld om de Joden tot rust te brengen, niettemin aantoonde, dat hij niet geheel onjuist bedoelde te zijn: Zou Paulus toestemmen om naar Jeruzalem te gaan en daar in Festus' aanwezigheid worden verhoord, of op zijn minst onder zijn supervisie?**/[2] Hij begreep zeer goed, dat Paulus hiermee niet behoefde in te stemmen, en liet dus de beslissing aan hem.

       Maar dat zou toch betekenen, een verhoor door het Joodse Sanhedrin, en Paulus wist, wat Festus niet zal hebben geweten, hoe volstrekt hopeloos het zou zijn om daar gerechtigheid te zoeken. Dus antwoordde hij op het voorstel van de gouverneur door stevig te blijven staan op zijn rechten als Romeins burger: "Ik sta voor den rechterstoel des keizers, waar ik geoordeeld moet worden," zei hij, verklarend dat als hij een misdaad begaan had die de dood verdiende, hij het vonnis mannelijk zou hebben geaccepteerd. Maar omdat de beschuldigingen tegen hem vals waren, hetgeen Festus zeer goed wist, had niemand het recht hem aan zijn beschuldigers over te leveren.

       En dan spreekt de apostel die woorden, die Festus verrastten en verbaasden, omdat zij hem in een nog moeilijker positie plaatsten:

       "Ik beroep mij op de Keizer."

       Er bestaat historisch bewijs voor het feit, dat zekere, niet alle Romeinse burgers in die tijd, het recht hadden om rechtsonderzoeken door lagere overheden, waarin zij verwikkeld waren, uit te stellen door beroep op de Keizer. Zo beriep zich de apostel nu op dit recht, ongetwijfeld overwegend dat dit de enige ontkoming was aan een zekere dood aan de ene kant, of weer een lange gevangenschap aan de andere kant. Wellicht herinnerde hij zich ook de belofte van de Here, dat hij zou getuigen te Rome (Hand.23:11), en voelde dat dit de koers was die Hij wilde dat hij zou nemen.

       Maar dit liet Festus in een netelige positie, want het kon hem nauwelijks helpen, in de ogen van Keizerlijk Rome, dat zijn eerste officןele daad als gouverneur, voor hem zo uitdagend was. Daarom sprak hij met zijn raadgevers*/[3] om zeker te zijn, dat Paulus' burgerschap niet te betwijfelen was, en te zien of er nog andere mogelijke oplossingen waren uit dit dilemma.

       Maar de gouverneur durfde niet het beroep van de apostel ontkennen, en we ontdekken een toon van spijt, zowel als van spot in zijn antwoord, als hij zegt: "Hebt gij u op den Keizer beroepen? Gij zult tot den Keizer gaan". "Je weet niet" dacht hij, "wat een beroep op den Keizer betekent."

       Nu was de zaak bij Festus uit handen. Er resteerde slechts een officieel rapport aan het hoogste gerechtshof, met al de bijbehoende verslagen en documenten, en een terugblik op zijn eigen rechtspraak in deze zaak. Hij was eveneens verantwoordelijk erop toe te zien, dat de beklaagde veilig naar Rome zou worden gebracht.

       Zo wordt Israel verder en verder achtergelaten in de bediening en ervaring van de apostel, en verschijnt hij steeds duidelijker als "de apostel der heidenen".

 

              HERODES AGRIPPA BEZOEKT FESTUS

 

       AGRIPPA'S BELANGSTELLING IN DE ZAAK VAN PAULUS

 

       "En als enige dagen voorbijgegaan waren, kwamen de koning Agrippa en Bernice te Cesarea om Festus te begroeten.

       "En toen zij aldaar vele dagen overgebracht hadden, heeft Festus de zaken van Paulus aan den koning verhaald, zeggende: Hier is een zeker man van Felix gevangen gelaten;

       "Om wiens wil, als ik te Jeruzalem was, de overpriesters en de ouderlingen der Joden verschenen, begerende vonnis tegen hem;

       "Aan dewelke ik antwoordde, dat de Romeinen de gewoonte niet hebben enig mens uit gunst ter dood over te geven, eer de beschuldigde de beschuldigers tegenwoordig heeft, en plaats van verantwoording gekregen heeft over de beschuldiging.

       "Als zij dan gezamenlijk alhier gekomen waren, zo heb ik, geen uitstel nemende, des daags daaraan op den rechterstoel gezeten, en beval dat de man zou voorgebracht worden;

       "Over welken de beschuldigers, hier staande, geen zaak hebben voorgebracht, waarvan ik vermoedde,

       "Maar hadden tegen hem enige vragen van hun godsdienst, en van zekeren Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven.

       "En als ik over de onderzoeking van deze zaak in twijfeling was, zeide ik, of hij wilde gaan naar Jeruzalem, en aldaar over deze dingen geoordeeld worden.

       "En als Paulus zich beriep, dat men hem tot de kennis des keizers bewaren zou, zo heb ik bevolen, dat hij bewaard zou worden tot den tijd toe, dat ik hem tot den keizer zenden zou.

       "En Agrippa zeide tot Festus: Ik wilde ook zelf dien mens wel horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen."

                                              - Hand.25:13-22.

 

       Festus werd nu geconfronteerd met een lastig probleem. De formele beschuldigingen die tegen Paulus waren ingebracht, werden door geen enkel getuigenis uit de eerste hand ondersteund. Zij zouden daarom als waardeloos dienen te worden verworpen, de zaak daarmee afgedaan, en Paulus in vrijheid te zijn gesteld. Maar hoe kon Festus nu voorkomen dat de Joden boos werden? En zat er soms meer achter het eisen van het leven van Paulus? Was er nog een andere beschuldiging die mogelijk tegen hem kon worden ingebracht?

       De "vele en ernstige klachten" tegen Paulus - allemaal onbewezen (V.7), hadden Festus toch in een moeilijke situatie gebracht om er achter te komen wat het nu werkelijk was wat zij tegen hem hadden. En wat de dingen nog erger maakte, Paulus had de zaak uit zijn handen genomen door beroep op de Keizer. Wat voor een rapport moest Festus nu naar de Keizer zenden, zonder zichzelf tot een niet competente rechter te maken (V.26,27)? Dit zou een kwade zaak zijn, zo kort na het aanvaarden van zijn ambt in Judea.

       Het gebeurde echter in die tijd, dat Herodes Agrippa II en Bernice op het toneel verschenen, kennelijk gekomen om formeel kennis te maken met de nieuwe procurator.

       Agrippa II, de laatste van de Herodianen, was zelfs niet eens, zoals zijn voorgangers, "Koning der Joden". Lukas noemt hem eenvoudig "de koning" (V.14, Ctr. Luk.1:5). Het domein dat Caesar eerst aan Herodes de Grote had toegewezen, was in twee stukken verdeeld, zodat Archelaus "etnarch" werd over de halve provincie. Deze helft was opnieuw in stukken gesneden, zodat Herodes Antipas "tetrarch", of gouverneur was over een kwart van een provincie. En aan de tegenwoordige Herodes was zelfs nog minder gebied toegewezen, bestaande uit een deel van Galilea, maar niet Judea, zodat hij ook geen "Koning der Joden" was. De titel "koning" was hem slechts gegeven als hoffelijkheid. De geschiedenis vermeldt echter, dat hij een aangestelde beschermer was van de tempel, met het recht de hogepriester te benoemen. In dit alles zien we een verdere bevestiging van het verval van het volk Israel. Voor jaren waren de koningen van Israel, die moesten afstammen van de koninklijke lijn van David, en de hogepriesters, die moesten afstammen van de priesterlijke lijn van Aaron, benoemd door heidense keizers. De keizers wezen direct de koning aan, terwijl de koning, op zijn beurt, de macht had om de hogepriester te benoemen. Maar deze Herodianen ontbrak niet alleen het koninklijke bloed van Davids lijn; zij waren Edomieten, van geboorte vreemden, hoewel zij de Joodse riten tot inwijding in de Joodse religie wel ondergingen.

       Omdat Agrippa tenminste nog enkelen van het volk Israel vertegenwoordigde, was het voor hem aan te bevelen om de best mogelijk relaties met de Romeinse procurator in Cesarea te onderhouden. Vandaar dit bezoek. Verder had Festus hem ook nodig - speciaal nu - vanwege zijn kennis van de Joodse religie en de Joodse wetten en gewoonten.

       Weer hebben we hier een slecht paar voor ons. Herodes stamde natuurlijk af van slechte ouders, en had een donker, berucht verleden. Bernice, die driemaal wordt vermeld als zijnde met hem (V.13,23; 26:30) was niemand anders dan de zuster van Drusilla, Felix's gezonken minnares, en dus Herodes' eigen zuster, met wie hij leefde in bloedschande.

       Het was na "vele dagen" (V.14), dat Festus bij Agrippa de kwestie Paulus noemde; dagen die ongetwijfeld besteed waren in optochten en festiviteiten ter ere van "de koning". Maar tenslotte kwam de tijd dat Festus zijn probleem betreffende Paulus, overbracht aan de man waarvan hij hoopte dat deze hem kon helpen.

       Zijn relaas van het geval, grondig en zakelijk, verraadt meer dan zijn onwetendheid omtrent de Joodse religie en de wet. Het verraadt zijn uiterlijke geestelijke blindheid.

       Hij stelde, dat de beschuldigingen die tegen Paulus ingebracht waren, niet zo waren als hij had verwacht. Toch was Paulus beschuldigd van ontheiliging van de tempel (die onder Romeinse bescherming stond) en zelfs van oproerstoken. Waren dit dan geen beschuldigingen die hij kon behandelen? Het antwoord is duidelijk, dat de aanklagers zo volledig gefaald hadden in het brengen van bewijzen van de waarheid van deze beschuldigingen, dat Festus ze als waardeloos beschouwde.

       De Joden, zei Festus, hadden werkelijk "enige vragen" tegen Paulus "van hun godsdienst"*/[4] en van zekere Jezus, Die gestorven was, Welken Paulus zeide te leven" (V.19).

       Festus' verwijzing naar "zekere Jezus" toont aan, dat hij weinig of niets wist over Christus, hoewel hij had waargenomen dat Joodse gevoelens bij Paulus' verhoor, vooral ten diepste deze Persoon betrof die, naar zijn mening, blijkbaar gestorven was, maar "Welken Paulus zeide te leven". Paulus' aanklagers echter zouden trachten de ware zaak te verbergen - dit was het.

       Maar waarom Paulus zo vasthield dat deze Jezus leefde, of waarom de Joden hier zo fel tegenstonden, of hoe een beslissing van het gerechtshof hieromtrent iets zou oplossen, was meer dan Festus zien kon.

       Arme blinde heiden! Hij zag niet dat het geen kwestie van "hun religie" of "onze religie" was, maar van de waarheid. Hij zag niet dat deze "vragen" hem betroffen. Hij zag niet, dat 's mensen verzoening - zijn verzoening - ervan afhing of Christus wel of niet leefde.


 

       Hoe vele "respectabele" mensen vandaag zijn net zo blind, geestelijk, als Festus! Laat anderen "hun religie" hebben, als zij dat willen; laat hen ontkennen of geloven dat Christus lichamelijk uit de dood is herrezen, maar "wat heb ik daarmee te maken?" Zo gaan millioenen licht heen over de meest vitale waarheden - waarheden, van wezenlijk belang zelfs voor hun eigen redding.

      Festus zei niet de waarheid, tenminste niet de volle waarheid, wat betreft zijn reden om een Joods verhoor voor te stellen aan Paulus, want Lukas' geinspireerde verslag wijst niet aan, dat Festus aangevoeld had dat een verhoor in Jeruzalem juister zou zijn, maar eerder dat hij trachtte "de Joden een plezier te doen" door Paulus in hun handen te spelen (V.9).

       Agrippa had, niet zoals Festus, heel wat gehoord over Jezus, en ongetwijfeld ook over Paulus. Dit laatst wordt gezien uit zijn opmerking: "Ik wilde ook zelf dien mens wel horen", waarop Festus antwoordde: "Morgen zult gij hem horen" (V.22).      


 

    [1]*/Voetnoot: Gr., dunatoi.

    [2]**/Voetnoot: Het verhoor zelf echter zou dan door het Sanhedrin geschieden, zoals de verzen 11 en 29 aangeven.

    [3]*/Voetnoot: De "Raad" in V.12 is natuurlijk niet het Sanhedrin, want zij waren zelfs niet aanwezig. Bovendien wordt hier een ander woord gebruikt, sumboulion.

    [4]*/Voetnoot: Deisidaimonia, vrees voor duivels, was hun woord voor religie. Festus wilde zijn koninklijke bezoeker, zelf een Jood, niet beledigen door de Joodse godsdienst bijgeloof te noemen. Zie onze notities bij Hand.17:22 en de N.B.G. voor deze beide passages.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011