H O O
F D S T U K XLIV - H A N D . 24:1-27
PAULUS VOOR FELIX
DE AANKLACHT VAN TERTULLUS
"En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de
ouderlingen en een zekere voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke
verschenen voor de stadhouder tegen Paulus.
"En
als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen,
zeggende:
"Dat
wij groten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten
dezen volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste
Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan.
"Maar
opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw
bescheidenheid, kortelijk hoort.
"Want
wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een die
oproer verwekt onder al de Joden door de ganse wereld, en een
oppersten voorstander van de secte der Nazarיnen;
"Die
ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen; welken wij ook
gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordelen.
"Maar
Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld
uit onze handen weggebracht.
"Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van denwelken gij
zelf hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen ,
waarvan wij hem beschuldigen.
"En
ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzo
waren."
- Hand.24:1-9.
De
Joden verloren geen tijd om de man te achtervolgen die tot
dusver aan hun greep was ontgaan. Het was slechts vijf dagen na
Paulus' vertrek uit Jeruzalem, dat Ananias en de oudsten*/[i]
in Cesarea verschenen om hem aan te klagen. Dit zou kunnen
worden bevestigd uit het feit, dat dit de twaalfde dag was sinds
zijn aankomst in Jeruzalem (V.11), en hij gedurende
ongeveer vijf dagen in Jeruzalem was (21:27; 22:30; 23:11,12).
Het moet dan wel ongewoon geweest zijn voor de
hogepriester om persoonlijk verhoren in Cesarea bij te wonen, op
bijna honderd kilometer afstand. Maar hij had ook een
persoonlijk belang bij de vervolging van de man, die hem een
"gewitte wand" genoemd had.
De rechter voor wie zij hun klacht kenbaar moesten maken,
was allesbehalve een man van recht of integriteit. Historici
vertellen ons, dat hij een vroegere slaaf was, slechts verheven
tot deze positie van gouverneur van Judea, door de invloed van
zijn broer Pallas, een lieveling va
n de
Keizer. Hij werd teruggeroepen en veroordeeld te Rome wegens
wanbeheer, tenslotte weer vrijgelaten door Nero, alleen door
tussenkomst van zijn broer. Josephus vertelt van zijn
ongerechtigheid en wreedheid, en Tacitus zegt, dat "door toepassing
van alle soorten lust en wreedheid, hij de macht uitoefende van een
koning, in de gesteldheid van een slaaf" (Hist. V,9). Dit
alles stemt overeen met wat de Schriften van hem vertellen.
Veel commentators geloven, dat Tertullus, de raadsman voor de
vervolgers, een Italiaanse advocaat was, aangenomen door de Joden
vanwege zijn kennis van de Romeinse wet, en voor het effekt dat zijn
bemiddeling zou kunnen hebben op de Romeinse gouverneur. Als dit
waar is - en dat zou wel kunnen - maakt de Schrift dit niet
duidelijk, noch maakt er een punt van, want Tertullus staat hier als
vertegenwoordigend Israel en Israels houding ten opzichte van
Christus en Zijn dienaar Paulus.
In
overeenstemming met de Romeinse wet, werden de beschuldigingen tegen
Paulus niet eerder gehoord, dan nadat Paulus naar voren was
geroepen, om zijn beschuldigers "oog in oog" te ontmoeten (V.2;
25:16). Daarna bracht de spreker, Tertullus, de formele klacht in
voor Felix.
Tertullus' buitengewone vleierij van de slechte Felix, staat in
scherp contrast, zowel met zijn gebrekkig en gewetenloze aanval op
Paulus, als met Paulus' welbedacht en feitelijk antwoord. Hij zou
het niet aangedurfd hebben om Felix te prijzen voor integriteit,
rechtschapenheid of welwillendheid, of de gezichten van de Joodse
oudsten (die Felix volstrekt verafschuwden) zouden zijn
onoprechtheid hebben verraden en de gouverneur hebben geכrgerd.
Zo roemde hij hem integendeel voor de "rust" waarin Judea zich, in
zekere mate, onder zijn bestuur mocht verheugen, en de "uitstekende
maatregelen" genomen door zijn "voorzienigheid" - een term die
meestal werd gereserveerd voor de goden en de Keizer. Voor dit alles
verzekerde hem deze Tertullus, van de ononderbroken en algemene
dankbaarheid van de Joden (V.3.).
Langgeleden had Mozes verklaard, door inspiratie van God, dat als
Israel tegen Hem zou opstaan:
"De vreemdeling die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u
opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen...hij zal tot een hoofd
zijn en gij zult een staart zijn (Deut.28:43,44).
Dit proces was reeds in gang toen het uitverkoren volk afnam in
kracht bij de opkomst van Rome. Een paar jaren tevoren, bij de
verwerping van Christus, had de Raad breeduit de zaken in eigen hand
genomen en Pilatus ertoe gedreven om te doen wat zij wilden,
toen "het geroep van hen en der overpriesters geweldiger werd, en
Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou" (Luk.23:23,24). Nu
komen zij met verachtelijke vleierij tot een bestuurder die zij
haten, voorzichtig om niet "vervelend" voor hem te zijn, en smeken
hem om uit zijn "bescheidenheid", hen "kortelijk" te horen (V.2-4).
De
strategie die de vervolgers gebruiken, is niet moeilijk te doorzien.
Eerst doen zij drie aanvallen op hem: ייn
wegens oproermaken tegen de Romeinse wet, een andere van
ketterij tegen de Hebreeuwse wet, en een derde van
heiligschennis tegen beide.
Paulus was "een pest", "een plaag", verklaarde Tertullus, iemand die
oproer verwekt "onder al de Joden door de ganse wereld". Los van de
grondige onwaarheid van deze beschuldiging, zou het interessant zijn
te onderzoeken sinds wanneer de Joden zulke vaderlandlievende
Romeinse onderdanen waren geworden! Wie kon ontkennen, dat de
overpriesters zelf echt blij zouden zijn met iemand die zou opruien
tegen Rome "onder al de Joden door de ganse wereld"?
Dan werd ook nog van Paulus beweerd, dat hij "een voorstander van de
sekte der Nazarenen" zou zijn"*/[1]
Deze aanklacht kwam wel het dichtst bij de waarheid, hoewel Paulus
wel iets meer was dan de "voorstander" van een "sekte". Hij
verkondigde werkelijk de waarheid over Christus, en dit werd
verondersteld ketterij tegen de wet van Mozes te zijn, welke op haar
beurt, Rome zelf beloofd had te respecteren.
Tenslotte werd Paulus beschuldigd van "de tempel te ontheiligen".
Deze beschuldiging was natuurlijk geheel vals, maar gerekend zwaar
te wegen bij Felix, omdat het Rome's voordeel was om zonder geweld,
de heiligheid van de tempel te bewaren.
Maar de strategie van de Joden ging verder dan de formele
beschuligingen,*/[2]met
inbegrip van de welwillendheid van Lysias, die Paulus naar Felix
zond voor een Romeinse rechtspraak. In nog een onbeschaamde
afwijking van de waarheid, verklaarde Tertullus, dat de Joden Paulus
hadden gegrepen en hem wilden veroordelen naar hun wet, maar dat
Lysias gekomen was, en "met groot geweld" hem uit hun handen had
genomen, met het bevel dat zij hun klachten voor Felix moesten
uitbrengen.
Dit ging natuurlijk vlak in tegen het rapport van Lysias, en was een
duidelijke poging om de rollen om te draaien en hem tot
verstoorder van de vrede te maken, zodat Felix zou worden beןnvloed
om Paulus in hun handen terug te geven, - en dat de sluipmoordenaars
alsnog een mogelijkheid kregen om toe te slaan.
Tenslotte stelt Tertullus voor, dat Paulus zal worden onderzocht
door marteling**/[3],
ook al levert Felix hem al dan niet in hun handen, waarmee zij te
kennen gaven, dat hun motief bij alles, louter wraak was.
Voordat wij Tertullus verlaten, zouden we een voorbeeld willen
opmerken van de menselijke karaktertrek om de waarheid om te buigen
tot eigen voordeel. Tot nu toe hebben we drie tegengestelde
verslagen van wat gebeurde in het oproer bij de tempel.
Het eerste is het verslag van Lukas in Hand.21 tot 23, geinspireerd
door de Heilige Geest, en daarom correct:
Zekere Joden hadden "al het volk beroerd" tegen Paulus, en "hadden
de handen aan hem geslagen" (21:27). Nadat zij hem "buiten de tempel
hadden getrokken", "...zochten zij hem te doden" (V.30,31). Toen
echter, "den hoofdman en de krijgsknechten ziende, hielden zij op
van Paulus te slaan" (V.32).
Toen nam Lysias de apostel in bewaring, en "vroeg wie hij was en wat
hij gedaan had", maar "kon de zekerheid niet weten vanwege de
beroerte" (V.33,34). Daarom beval Lysias later, "dat men hem met
geselen zou onderzoeken", alleen om te ontdekken, dat hij op het
punt stond een Romeins burger onwettig te geselen (22:24,25).
Tenslotte beval hij het Sanhedrin bijeen te komen en te beslissen
over de beschuldiging of beschuldigingen tegen de apostel. Maar ook
dit had bewezen niet tot een conclusie te leiden, zodat Lysias
opnieuw werd genoodzaakt om Paulus uit hun handen te redden, toen
zij onder elkander vochten, en hem bijna aan stukken trokken
(22:30-23:10).
In
Lysias' brief aan Felix echter, zijn de feiten vreemd veranderd tot
zijn eigen voordeel. Als hij uitlegt, hoe de apostel door de Joden
gegrepen was en door hen gedood had kunnen worden, vervolgt hij:
"Toen ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk*/[4],
en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is
(23:27). Dit laatste was natuurlijk onwaar, want Lysias had niet
eerder ontdekt dat Paulus een Romeins burger was, dan nadat hij
orders gegeven had hem met martelen te ondervragen (22:24-28). Dit
was eenvoudig een slimme poging van Lysias om, zo mogelijk, te
voorkomen dat hem onwettig gedrag tegenover een Romein zou worden
ten laste gelegd.
Lysias geeft verder de indruk, dat door Paulus voor de Hebreeuwse
Raad te brengen, hem bekend was geworden wat zij tegen hem
hadden. Feitelijk echter was het Lysias niet gelukt iets door dit
onderzoek te weten te komen, want de rechters hadden zo hevig onder
elkaar gevochten, dat hij genoodzaakt was troepen te sturen om
Paulus voor de tweede maal te redden (23:10). Maar het zou niet wijs
geweest zijn om Felix te doen weten dat hij teleurgesteld was in
zijn pogingen om te ontdekken wat de Joden tegen Paulus hadden.
Maar nu is het rapport van de Joden over het incident, zoals dat
door Tertullus wordt overgebracht, weer anders. Hij zegt met
betrekking tot Paulus: "Welken wij ook gegrepen hebben en naar
onze wet hebben willen oordelen, maar Lysias, de overste, daarover
komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht"
(24:6,7). "En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen
alzo waren" (V.9).
Volgens hun getuigenis was alles soepel verlopen en waren zij juist
zo ver om Paulus een eerlijk verhoor af te nemen, toen Lysias
"daarover kwam" en hem "met groot geweld" wegbracht. Dit was een
brutalere misleiding dan iets wat Lysias geschreven had. Want niet
alleen waren zij bezig om Paulus te vermoorden toen Lysias hem
redde, maar zij hadden hem, bij de tweede keer, bijna verscheurd en
tenslotte deelgenomen met meer dan veertig sluipmoordenaars, aan een
smerig complot om hem om te brengen (21:31; 23:10,12,20,21). Het was
inderdaad Lysias die hen bevolen had om Paulus een verhoor af
te nemen. Toen hadden zij zo onder elkaar gevochten, dat het
leven van Paulus opnieuw in gevaar kwam (22:30; 23:7-10).
PAULUS' VERDEDIGING
"Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had dat hij zou spreken,
antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk
rechter geweest zijt, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren
moed.
"Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van
dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem.
"En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekende
of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch
in de stad;
"En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij beschuldigen.
"Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen,
den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de Wet en in
de Profeten geschreven is;
"Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelven verwachten, dat er een
opstanding der doden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der
onrechtvaardigen.
"En hierin oefen ik mijzelven, om een onergerlijke consciכntie
te hebben bij God en de mensen.
"Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn
volk en offeranden;
"Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in de tempel, niet
met volk noch met beroerte, enige Joden uit Aziכ;
"Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn en mij te
beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.
"Of dat dezen zelven zeggen, of zij enig onrecht in mij gevonden
hebben, als ik voor de Raad stond.
"Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de
opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld."
- Hand.24:10-21.
De
eenvoudige en waardige manier waarop Paulus zijn verdediging
tegenover Felix opende, staat in scherp contrast tot Tertullus'
valse en kruiperige vleierij. Als hij het teken van de gouverneur
ontving om zijn antwoord te geven, begon de apostel door eenvoudig
en waarachtig te zeggen, dat het hem verheugde om verhoord te worden
door iemand wiens ongebruikelijk lange ambtsperiode in Judea hem
zoveel ervaring had doen krijgen in haar zaken.
Dienovereenkomstig was het pleidooi van de apostel alleen gebaseerd
op simpele feiten, simpele logica, en het recht van zijn zaak, zoals
hij uitvoerig de beschuldigingen behandelde die tegen hem ingebracht
waren.
Ten eerste was er een grondfeit dat Felix gemakkelijk voor zichzelf
kon vergewissen*/[5].
Het was nu twaalf dagen sinds Paulus naar Jeruzalem gekomen was. Dit
was, zoals Felix wist, aan het begin van het Pinksterfeest, en dat
zou kunnen helpen om zijn argument te verstevigen, dat hij was
gekomen om "te aanbidden" of wel "aanbiddend" (V.11). Onder het
aandringen van Jakobus was hij uiteraard dieper in het Judaןsme
betrokken dan hij van plan was, maar nu was de kwestie slechts of
hij al dan niet schuldig was aan de aanklachten van oproermaken,
ketterij en heiligschennis.
Toegevend dat de feesttijd zou kunnen zijn gekozen als een geschikte
tijd om oproer te maken, stelt hij echter zo'n mogelijkheid
effectief terzijde door aan te tonen, dat zij hem niet in dispuut of
oproermakend onder het volk hebben aangetroffen, noch in de tempel,
noch in de synagoges of waar ook in de stad (V.12).
Dit toont tezelfder tijd nog een fout aan in de beschuldiging van
Tertullus. Tertullus mocht hem beschuldigen van oproer verwekken
"over de ganse wereld", maar Felix was gouverneur over Judea,
en de kwestie ging over wat hij gedurende de laatste paar dagen
in Jeruzalem had gedaan. Wat de rest betreft, antwoordde de
apostel heel simpel: "En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij
mij nu beschuldigen" (V.13).
Maar de apostel beantwoordt de beschuldiging van ketterij met nog
grotere doeltreffendheid, tot verlegenheid van zijn tegenstanders.
"Dit beken*/[6]
ik u" zegt hij, "dat ik naar dien weg, welken zij sekte
noemen, den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de wet
en in de Profeten geschreven is" (V.14). Zijn geloof in Christus was
geen afval van de Oud Testamentische Geschriften, maar
gehoorzaamheid daaraan. Zij waren de ketters wegens
weigering om de Schrift te geloven, en wegens verwerping van hun
eigen Messias. Zelfs het volbrachte werk van Christus, dat Paulus
verkondigde, was niet in tegenspraak met het Oude Testament, maar
eerder het hoogtepunt van haar boodschap en haar programma. De leer
der rechtvaardiging door geloof in Christus alleen, maakte de wet
niet overbodig; het bevestigde de wet en boodt de enige
basis waarop God rechtvaardig kon wezen in het rechtvaardigen
van zondaren (Rom.3:24-26,31).
Maar de apostel is nog niet klaar met zijn antwoord. Hij zal zijn
beschuldigers met de rug tegen de muur plaatsen.
"Gelovende alles wat in de Wet en de Profeten geschreven is"
zegt hij: "(Ik) hebbende hoop op God, welke dezen ook zelven
verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beide der
rechtvaardigen en der onrechtvaardigen" (V.14,15).
Opgemerkt dient te worden, dat hij enkele dagen tevoren, voor het
Sanhedrin, de afwijzing van de opstanding door de Sadduceeכn
had gesteld, en de onenigheid aangetoond onder Israels bestuurders.
Hij zou dit nogeens hebben kunnen doen voor Felix, maar deed dit
niet, ongetwijfeld uit respect voor zijn volk en voor het getuigenis
dat beiden dan zouden geven voor Felix. Omdat de meerderheid in het
Sanhedrin, en de grote meerderheid van de Joden, in de opstanding
geloofden; en omdat dit het traditonele Hebreeuwse geloof en de leer
van de Schriften was, kon hij waarheidsgetrouw zeggen: "welke dezen
ook zelven verwachten", het aan hen overlatend om heimelijk het
verrassende feit onder ogen te zien, dat de ketters onder hen,
zijn beschuldigers, te vinden waren. Hij snoerde hen op
hetzelfde moment de mond, daar zij anders voor Felix de diepe
verdeeldheid die onder hen was, zouden demonstreren. Hij
geloofde de Oud Testamentische Geschriften wat betreft de
opstanding, terwijl sommigen van hen, zelfs hun
overpriesters, dit niet deden - en willen zij nu hem
beschuldigen van ketterij?
Maar omdat de apostel de zwakheid van hun positie had aangetoond,
was hij nog niet klaar met het antwoord op de beschuldiging van
ketterij. Gebruikmakend van de waarheid die enigen van hen
ontkenden, zou hij hun schuld naar voren brengen, en daarbij
hun gewetens nog dieper aanspreken.
Voortgaande met zijn verdediging verklaart de apostel, dat het is
omdat er een opstanding zal zijn, beide van rechtvaardigen en
onrechtvaardigen; omdat allen op een dag God van aangezicht
tot aangezicht zullen zien, dat "Ik mijzelven oefen, om altijd
een onergerlijke consciכntie te
hebben bij God en de mensen (V.16).
Minder dan een week daarvoor had hij het Sanhedrin verteld, met
een onderzoekende blik in zijn ogen, dat hij geleefd had "met alle
goede consciכntie voor God",
waarvoor de hogepriester had bevolen aan hen die bij hem stonden,
"hem op de mond te slaan" (23:1,2). Nu, voor Felix, waar de
hogepriester dit niet kon doen, brengt Paulus opnieuw de zaak van
het geweten naar voren.
Daar was een belangrijke reden voor. Het grote punt tussen Israel en
Paulus was niet langer theologisch, maar moreel. Zij waren
tot nu toe omringd met overvloedig bewijs, dat Jezus was "de
Christus, de Zoon van God", maar ondanks dit alles bleven zij Hem
hardnekkig verwerpen. Zij schonden hun gewetens, en sloten hun ogen
voor de waarheid.
Dit is in het algemeen zo met hen, die de Paulinische boodschap
vandaag tegenstaan. Zij zijn zo met onomstotelijke feiten
geconfronteerd en omringd met zo overtuigende bewijzen, dat zij aan
de hand van de Schriften niet langer kunnen antwoorden, maar toch
gaan zij door met een vertragende actie tegen deze grote waarheid,
en staan hen die deze verkondigen, op verschillende manieren tegen.
Net als met de godsdienstige leiders in Paulus' dagen, is het niet
langer een kwestie van theologische uitleggingen, maar van
geweten. Zulken dienen zichzelf af te vragen hoe zij Hem zullen
antwoorden, voor Wie wij allen op zekere dag rekenschap zullen
moeten afleggen.
En
nu raakt de apostel ייn van de
belangrijkste redenen aan waarom hij naar Jeruzalem gekomen is, i.c.
"om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden"*/[7]
(V.17). Dit feit zou volledig naar voren moeten komen en was, op
zich, een antwoord op alle drie de beschuldigingen tegen hem.
Bovendien waren het zekere Joden uit Aziכ
die hem oorspronkelijk beschuldigd hadden van verkeerd handelen,
hoewel zij hem "gereinigd in de tempel, noch met het volk, noch met
beroerte" hadden gevonden. Waarom waren zij dan niet hier voor Felix
om hun klachten kenbaar te maken? Kon er nog een duidelijker bewijs
zijn van de zwakheid van hun zaak, dan hun afwezig zijn bij dit
verhoor?
En
zij die formeel beschuldigingen hadden ingebracht voor Felix,
hadden geen persoonlijke kennis van de verkeerdheid van de apostel,
dus argumenteerde hij, "laten deze zelven die hier voor u
tegenwoordig zijn zeggen, of zij enig onrecht in mij gevonden
hebben, als ik voor hun Raad stond" (V.20), waarbij hij hen
vrijmoedig uitdaagde om voor de gouverneur de resultaten van dat
verhoor te stellen.
En
om aan hen het bankroet van hun zaak nog meer naar voren te
brengen, brengt hij opnieuw de zaak naar voren, die zo'n hevige
animositeit onder hen had verwekt bij het verhoor in Jeruzalem, dat
zij hem zouden hebben vermoord als de Romeinse soldaten hem niet
gered hadden.
Hij brengt de zaak naar voren als een soort van erkenning, maar een
die in feite hun de monden snoert, als hij zegt: "Dan van dit
enig woord (deze uiting), hetwelk ik riep, staande onder hen: Over
de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld"
(V.21).
ALLE BESCHULDIGINGEN WEERLEGD
Zo
beantwoordde de apostel zijn beschuldigers stap voor stap, zo
effectief, dat het hen in de verdediging bracht, en hun
volledig de mond snoerde.
Wat betreft de aanklacht van oproermaken: Het was slechts
twaalf dagen geleden, dat hij in Jeruzalem was aangekomen. De helft
van deze tijd had hij besteed in het vervullen van een Joods
ritueel, en de andere helft was hij onder Romeinse bewaring geweest.
Bovendien had zijn eigen gedrag deze aanklacht ontzenuwd, noch was
er enig bewijs, of een getuigenis, dat hij oproer had verwekt.
Wat betreft ketterij: Hij was nimmer afgedwaald van het
geloof in de schriften van Mozes en de profeten. De ketters dienden
onder hen te worden ontdekt.
Wat betreft heiligschennis: Hij was gekomen om aalmoezen en
offeranden te doen voor zijn volk; waarom zou hij hun tempel
ontheiligen? Zijn vijanden hadden hem inderdaad "gereinigd" in de
tempel ontdekt, "niet met volk, noch met beroerte".
De
Joden uit Aziכ hadden geen zaak
tegen hem, anders zouden zij aanwezig zijn geweest om tegen hem te
getuigen. Ook hadden de bestuurders in Judea geen zaak tegen hem,
anders zouden zij zijn uitdaging hebben aangegrepen om te vertellen
welke kwade zaken zij bij hem ontdekt hadden.
AKTIE UITGESTELD
"Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik
nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, de
overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw
zaken.
"En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zou bewaard
worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou
beletten hem te dienen of tot hem te komen."
- Hand.24:22,23.
Felix had, beide vanwege zijn positie als gouverneur van Judea, en
omdat zijn vrouw een Joodse was, "nader wetenschap van dezen weg",
dan overtuigd te zijn, dat de beschuldigingen tegen Paulus
ingebracht, juist waren. Bovendien was niemand van hen ingelicht
door getuigenissen uit de eerste hand. Toch deed hij de zaak niet af
maar "stelde uit", tot de aankomst van Lysias om te getuigen.
Of
Felix werkelijk het voornemen had om Lysias op te roepen, teneinde
"het uiterste" van deze zaak te weten, is twijfelachtig. Er wordt
geen melding van gemaakt dat hij ooit om hem gezonden heeft; wel
blijkt duidelijk uit het verslag, dat hij de zaak uitstelde om
minder eervolle redenen.
Hem was te weten gekomen, dat Paulus naar Jeruzalem gekomen was met
grote sommen geld. Zou hij daarvan wat te pakken kunnen krijgen?
Zouden Paulus' vrienden misschien willig zijn om voor zijn
vrijstelling goed te betalen? In elk geval wilde hij, dat zij hem
vrij konden bezoeken.
Zo
werd Paulus in "verzekerde bewaring"*/[8]
gesteld, met speciale instructies voor de centurion, "dat hij
niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen of tot hem te
komen" (V.23).
Zouden de Joden om te beginnen de zaak niet hebben doorgedrukt, dan
zou hij zeker zijn bevrijd, maar de Here wilde hem nu houden als
gevangene voor de heidenen (Eph.3:1).
PAULUS VOOR FELIX
EN DRUSILLA
"En na sommige dagen Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn
vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het
geloof in Christus.
"En als hij handelde van rechtvaardigheid en
matigheid en van het toekomende oordeel, Felix zeer bevreesd
geworden zijnde,
antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik
gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.
"En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou
worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikmaals ontbood,
en sprak met hem.
"Maar als twee jaren vervuld waren kreeg Felix Portius Festus in
zijn plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus
gevangen."
- Hand.24:24-27.
Het valt op dat er staat: "daar gekomen zijnde". Dit stemt overeen
met historische verslagen, die aangeven dat het in die tijd was, dat
de boze Felix, met behulp van Simon, een tovenaar uit Cyprus*/[9]
erin slaagde de schone Drusilla weg te lokken van Azizus, koning
van Emesa, die haar ongeveer zes jaren eerder getrouwd had in de
leeftijd van veertien. Nu, ongeveer twintig, had zij reeds een
berucht verleden. Zij was de dochter van Herodes Agrippa I (uit
Hand.12), de zuster van Herodes Agrippa II (uit Hand.26), en was een
klein meisje ten tijde dat haar vader werd aanbeden als een god en
plotseling stierf (Hand.12:22,23).
Deze Drusilla was "een Jodin" (V.24) en bij haar "aankomst" met
Felix, zou zij natuurlijk geinteresseerd zijn in de zaak van Paulus.
Zij had ongetwijfeld sinds haar kindheid van hem gehoord en was
benieuwd waarom hij zo plotseling tot Christus bekeerd was, die hij
en zijn volk hadden veracht en verworpen, en waarom hij Hem nu zo
hartstochtelijk diende. In elk geval zond hij, bij zijn aankomst met
Drusilla, om Paulus en hoorde hem**/[10],
niet met betrekking tot de beschuldigingen die kort tevoren tegen
hem waren ingebracht, maar "betreffende het geloof in Christus"
(V.24).
Bijna alle omstandigheden waren nu geheel veranderd. Dit was geen
verhoor, maar een privי-onderhoud
met twee verheven maar schuldige deugnieten, en het was zijn hoge
verantwoordelijkheid om op zo'n manier voor hen te getuigen, dat hun
zielen, indien mogelijk, zouden worden gered van de dood. En wie zal
niet beide, de morele moed, en de tact waarmee de apostel deze
verantwoordelijkheid op zich nam, bewonderen?
Zich richtend tot degene die, menselijk gesproken, de macht had hem
te bevrijden, begon Paulus te spreken van gerechtigheid, die
Felix gewoonlijk vergat, van matigheid (of zelfbeheersing)
die hij had nagelaten te beoefenen, en van komend oordeel,
waarvan geen redding, of zich beroepen, meer mogelijk was.
De
apostel had, om zeker te wezen, een andere benadering kunnen
benutten, door misschien Felix als vriend voor zijn zaak te winnen,
en dan zijn eigen vrijheid te bewerken. Maar Paulus was een man,
geheel anders dan zijn aanklagers, die "zee en land omreisden om
ייn volgeling te maken"
(Matt.23:15). Hij had gesteld, dat het zijn verlangen was "altijd
een onergerlijke consciכntie te
hebben bij God en de mensen" (V.16) en dat bewees hij nu. Wat Felix
- en Drusilla - nodig hadden, was wedergeboorte, en
dit kon nimmer het resultaat zijn van vriendelijke aandrang met
betrekking tot de "zaak" die hij vertegenwoordigde. Hij moest hun
gewetens bereiken; hij moest hen hun schuld tonen, hun gevaar,
hun nood. En dit deed de apostel, totdat Felix bevreesd werd.*/[11]
Toch deed de apostel dit alles op zo'n tactvolle wijze, dat de
gouverneur geen reden kon hebben om beledigd te zijn.**/[12]
Hoewel Felix schuldig was aan de ergste zonden en de zwaarste
misdaden, waaronder privי-moord en
openlijke doodslag, beschuldigde of hekelde de apostel hem niet. Hij
liet de Geest en Felix' eigen geweten dit doen. In plaats daarvan
sprak hij over "gerechtigheid" - in abstracte zin; de kern
van gerechtigheid, de vereisten van gerechtigheid met betrekking tot
onze medemens - en tot God - en Gods eigen en oneindige
gerechtigheid. Dan ging hij voort om een onderwerp te bespreken dat
volgde als natuurlijk en logisch gevolg: de "zelfbeheersing",
die men verplicht is te beoefenen met het oog op de vereisten van
gerechtigheid. Hoewel de schuldige gouverneur weinig wist van
zelfbeheersing kon hij nauwelijks aanstoot nemen , want zulke
onderwerpen werden vrij besproken in alle philosofische scholen.
Toch boorde de waarheid zich diep in zijn geweten, omdat hij,
misschien voor de eerste keer, geconfronteerd werd met zijn zonde.
Maar de apostel moet, om eerlijk te zijn, nog verder gaan dan dit.
Hij moet Felix en zijn Joodse minnares de drang van hun nood
laten zien. Dan gaat hij voort naar een onderwerp wat niet dagelijks
door de philosofen besproken wordt, maar alleen in de Hebreeuwse
Geschriften: het "komende oordeel". Felix had reeds van de
overtuigingen van de apostel hierover, kennis genomen. zijn
verklaring dat er "een opstanding...zowel voor rechtvaardigen
als onrechtvaardigen" zal zijn (V.15) bracht direct met zich,
dat zij die dus zouden opstaan, voor God tot rekenschap afleggen
geroepen zouden worden. Maar nu brengt de apostel deze waarheid
onder ogen, ongetwijfeld door aanhaling van de Heilige Schriften,
totdat de gouverneur zo bevreesd werd, dat hij plotseling het
onderhoud afkapt, met te zeggen: "Voor ditmaal ga heen; en als ik
gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen".
Sommigen hebben onnauwkeurig geconcludeerd dat Paulus hier
de waarheid van het "koninkrijk" verkondigde, en dat deze toespraak
niet verenigbaar zou zijn met "het evangelie van Gods genade". Maar
dezen zien over het hoofd het feit, dat we hier nogeens
ייn van de onderbroken
uiteenzettingen uit Handelingen hebben. Wat Paulus gezegd had,
vormde de inleiding tot het evangelie van Gods genade, want ook
vandaag nog, kan niemand waarlijk genade verkondigen, die dit niet
verkondigt tegen de achtergrond van de gerechte toorn van God tegen
de zonde. Ieder die dit als kwestie stelt, dient passages als
Eph.2:1-10 en de eerste hoofdstukken van Romeinen, in gebed ernstig
op zich te laten inwerken.
Paulus had gehoopt dat hij, toen hij Felix zijn nood had aangetoond,
hem nu Gods genadige voorziening in die nood kon laten zien,
maar de gouverneur wilde niet verder luisteren. Hier staat hij in
regelrechte tegenstelling met de Philippische stokbewaarder die, ook
bevende, vroeg: "Heren, wat moet ik doen , opdat ik zalig worde?"
(Hand.16:29,30), met het resultaat, dat hij heerlijk werd gered.
Maar Felix, bevende, zond de man Gods weg, belovend hem verder te
horen als hij weer gelegenheid had. Er zijn menigten van volgelingen
die hem hierin navolgen, die overtuigd door de Geest van hun zonde
en nood, weigeren inplaats van toe te geven, hopend op nog een
latere kans.
De
diepte van menselijk bederf wordt gezien in het feit, dat hoewel
Felix Paulus nogeens liet roepen, verscheidene keren, hij eigenlijk
hoopte dat hem steekpenningen zouden worden aangeboden om Paulus te
bevrijden. Zo had hij zijn geweten verhard. Als de deugniet steeds
meer om Paulus roept, en met hem spreekt, horen we hem bijna zachte
wenken geven, beloven, dreigen - maar alles tevergeefs. Paulus wilde
niet overgaan tot zulke oneerlijke middelen om zijn bevrijding te
verkrijgen, en ook wilde hij zijn liefste vrienden niet toestaan om
dat voor hem te doen.
En
zo gingen twee lange jaren langzaam voorbij, met Paulus nog steeds
in gevangenschap te Cesarea. Toch zullen de lange uren, en de
teleurstelling over uitstel, aanmerkelijk bekort zijn door
verkwikkende bezoeken van Philippus en de broeders uit Cesarea.
Misschien ook wel omdat Lukas steeds bereikbaar bleef, samen met
Aristarchus (Hand.24:4; Cf.27:2). Toen moeten er ook veel Hebreeuwse
gelovigen in de buurt geweest zijn die medelijden toonden met hem in
zijn banden (Hebr.10:34).
Zo
zorgde God voor Paulus en gaf hem gelegenheid tot gemeenschap,
gebed, meditatie over het Woord en - rust. Toch is het, omdat we
geen verslag hebben van enige bekeerlingen die gewonnen zouden zijn
in Cesarea, of van een brief die daar vandaan geschreven is, niet
aannemelijk dat hij gedurende twee volle jaren helemaal werkeloos
geweest zou zijn. Waarschijnlijk is zijn uitgebreide bediening
intussen doorgegaan.
Na
twee jaren, waarin Felix vele malen met de apostel converseerde,
bleef hij even gewetenloos als altijd. Toen zijn ambt werd beeindigd
ten gunste van Porcius Festus, hield hij Paulus toch gevangen,
hoewel het in zulke gevallen gebruikelijk was om onveroordeelde
gevangenen vrij te laten. Hij deed dit, om "de Joden een gunst te
bewijzen" (hoewel hij hen ronduit haatte), want, als de historie
juist is, werd hij ter verantwoording geroepen door Nero, wegens
malversatie in zijn gouvernement, en hij had zoveel mogelijk Joodse
vriendschap nodig. Zo offerde hij de vrijheid van een onschuldig
mens, op het altaar van zijn eigen zelfzucht. Ook was hij niet de
eerste Romeinse provinciaal bestuurder die zorg droeg voor de
inwoners van het roerige Judea. Op hun eis had Pilatus Jezus in hun
handen gegeven (Luk.23:22-24). Herodes Agrippa I had de apostel
Jakobus gedood en "omdat hij zag dat het den Joden behaaglijk was,
voer hij voort om ook Petrus gevangen te nemen" (Hand.12:1-3). Hier
laat Felix Paulus gevangen achter, om de gunst van de Joden te
winnen (24:27), en binnen een korte tijd zal Festus, zijn opvolger,
gelijksoortig proberen om Paulus' rechtvaardige belangen te offeren
voor Joodse gunst (25:9).
PAULUS' FINANCIELE TOESTAND
IN DIE TIJD
Het is vrij duidelijk, dat Paulus het financieel niet breed had
gedurende deze periode van zijn bediening. Hij had minstens acht
anderen uit Griekenland meegebracht (20:1-5), meest per schip. Hij
had ingestemd de kosten te dragen van niet minder dan twintig
gewijde offers, benodigd om de geloften te vervullen van vier Nazireכrs
(21:23,24; Cf. Num.6). Zijn behandeling door beide Lysias en Felix
geven aan, dat zij hem niet als een arme Jood beschouwden. Arme
mensen hebben zelden veel aandacht gekregen in burgerlijke
rechtshoven, en dit was bekend ook zo te zijn in de dagen van
Paulus. Niettemin was hij, hoewel niet vrij, met opmerkelijk respect
behandeld vanaf Jeruzalem tot Rome. Lysias werd vriendelijk met hem,
Felix met Drusilla gaven hem minstens ייn
privי audiכntie,
Agrippa en Bernice verlangden hem te zien, Felix hoopte op smeergeld
van hem, en een rijke Romeinse ambtenaar zal zeker geen kleine gift
verlangen - en als we doorgaan naar het eind van Handelingen, zal
het nog meer blijken, dat Paulus een belangrijk bedrag aan geld had,
of hem ter beschikking stond.
Hoe dit te verantwoorden is geen gemakkelijke
zaak. Zeker is dat hij geen toestemming gegeven zal hebben tot
gebruikmaking van een der fondsen waar hij zo lang en zo hard voor
had gewerkt om deze te verzamelen voor de heiligen in Jeruzalem. Of
zijn geliefde Philippiכrs hem
persoonlijk giften gegeven hebben voor zijn laatste reis naar
Jeruzalem, of dat zijn tentmakerij hem hiertoe voldoende had
opgebracht voor dit alles, of dat hij een erfenis uit familie
gekregen had, of dat een combinatie van deze of andere
omstandigheden hem de beschikking over fondsen gaven, wordt ons niet
vermeld. Wij merken alleen maar op, dat hij blijkbaar niet in
financiכle behoefte verkeerde, en
dat ook niet zou komen in de dagen daarna, omdat het Romeinse
gouvernement de kosten van levensonderho
[i].*/Voetnoot:
Of "zekere oudsten".
|