De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XLIV  -  H A N D . 24:1-27

PAULUS VOOR FELIX

    DE AANKLACHT VAN TERTULLUS

"En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias af met de ouderlingen en een zekere voorspraak, genaamd Tertullus, dewelke verschenen voor de stadhouder tegen Paulus.

"En als hij geroepen was, begon Tertullus hem te beschuldigen, zeggende:

"Dat wij groten vrede door u bekomen, en dat vele loffelijke diensten dezen volke geschieden door uw voorzichtigheid, machtigste Felix, nemen wij ganselijk en overal met alle dankbaarheid aan.

"Maar opdat ik u niet lang ophoude, ik bid u, dat gij ons, naar uw bescheidenheid, kortelijk hoort.

"Want wij hebben dezen man bevonden te zijn een pest, en een die oproer verwekt onder al de Joden door de ganse wereld, en een oppersten voorstander van de secte der Nazarיnen;

"Die ook gepoogd heeft den tempel te ontheiligen; welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordelen.

"Maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht.

"Gebiedende zijn beschuldigers tot u te komen; van denwelken gij zelf hem onderzocht hebbende, zult kunnen verstaan al hetgeen , waarvan wij hem beschuldigen.

"En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzo waren."  - Hand.24:1-9.

De Joden verloren geen tijd om de man te achtervolgen die tot dusver aan hun greep was ontgaan. Het was slechts vijf dagen na Paulus' vertrek uit Jeruzalem, dat Ananias en de oudsten*/[i] in Cesarea verschenen om hem aan te klagen. Dit zou kunnen worden bevestigd uit het feit, dat dit de twaalfde dag was sinds zijn aankomst in Jeruzalem (V.11), en hij gedurende ongeveer vijf dagen in Jeruzalem was (21:27; 22:30; 23:11,12).

       Het moet dan wel ongewoon geweest zijn voor de hogepriester om persoonlijk verhoren in Cesarea bij te wonen, op bijna honderd kilometer afstand. Maar hij had ook een persoonlijk belang bij de vervolging van de man, die hem een "gewitte wand" genoemd had.

       De rechter voor wie zij hun klacht kenbaar moesten maken, was allesbehalve een man van recht of integriteit. Historici vertellen ons, dat hij een vroegere slaaf was, slechts verheven tot deze positie van gouverneur van Judea, door de invloed van zijn broer Pallas, een lieveling va


 

n de Keizer. Hij werd teruggeroepen en veroordeeld te Rome wegens wanbeheer, tenslotte weer vrijgelaten door Nero, alleen door tussenkomst van zijn broer. Josephus vertelt van zijn ongerechtigheid en wreedheid, en Tacitus zegt, dat "door toepassing van alle soorten lust en wreedheid, hij de macht uitoefende van een koning, in de gesteldheid van een slaaf" (Hist. V,9). Dit alles stemt overeen met wat de Schriften van hem vertellen.

       Veel commentators geloven, dat Tertullus, de raadsman voor de vervolgers, een Italiaanse advocaat was, aangenomen door de Joden vanwege zijn kennis van de Romeinse wet, en voor het effekt dat zijn bemiddeling zou kunnen hebben op de Romeinse gouverneur. Als dit waar is - en dat zou wel kunnen - maakt de Schrift dit niet duidelijk, noch maakt er een punt van, want Tertullus staat hier als vertegenwoordigend Israel en Israels houding ten opzichte van Christus en Zijn dienaar Paulus.

       In overeenstemming met de Romeinse wet, werden de beschuldigingen tegen Paulus niet eerder gehoord, dan nadat Paulus naar voren was geroepen, om zijn beschuldigers "oog in oog" te ontmoeten (V.2; 25:16). Daarna bracht de spreker, Tertullus, de formele klacht in voor Felix.

       Tertullus' buitengewone vleierij van de slechte Felix, staat in scherp contrast, zowel met zijn gebrekkig en gewetenloze aanval op Paulus, als met Paulus' welbedacht en feitelijk antwoord. Hij zou het niet aangedurfd hebben om Felix te prijzen voor integriteit, rechtschapenheid of welwillendheid, of de gezichten van de Joodse oudsten (die Felix volstrekt verafschuwden) zouden zijn onoprechtheid hebben verraden en de gouverneur hebben geכrgerd. Zo roemde hij hem integendeel voor de "rust" waarin Judea zich, in zekere mate, onder zijn bestuur mocht verheugen, en de "uitstekende maatregelen" genomen door zijn "voorzienigheid" - een term die meestal werd gereserveerd voor de goden en de Keizer. Voor dit alles verzekerde hem deze Tertullus, van de ononderbroken en algemene dankbaarheid van de Joden (V.3.).

       Langgeleden had Mozes verklaard, door inspiratie van God, dat als Israel tegen Hem zou opstaan:

       "De vreemdeling die in het midden van u is, zal hoog, hoog boven u opklimmen; en gij zult laag, laag nederdalen...hij zal tot een hoofd zijn en gij zult een staart zijn (Deut.28:43,44).

       Dit proces was reeds in gang toen het uitverkoren volk afnam in kracht bij de opkomst van Rome. Een paar jaren tevoren, bij de verwerping van Christus, had de Raad breeduit de zaken in eigen hand genomen en Pilatus ertoe gedreven om te doen wat zij wilden, toen "het geroep van hen en der overpriesters geweldiger werd, en Pilatus oordeelde, dat hun eis geschieden zou" (Luk.23:23,24). Nu komen zij met verachtelijke vleierij tot een bestuurder die zij haten, voorzichtig om niet "vervelend" voor hem te zijn, en smeken hem om uit zijn "bescheidenheid", hen "kortelijk" te horen (V.2-4).

       De strategie die de vervolgers gebruiken, is niet moeilijk te doorzien.

       Eerst doen zij drie aanvallen op hem: ייn wegens oproermaken tegen de Romeinse wet, een andere van ketterij tegen de Hebreeuwse wet, en een derde van heiligschennis tegen beide.

       Paulus was "een pest", "een plaag", verklaarde Tertullus, iemand die oproer verwekt "onder al de Joden door de ganse wereld". Los van de grondige onwaarheid van deze beschuldiging, zou het interessant zijn te onderzoeken sinds wanneer de Joden zulke vaderlandlievende Romeinse onderdanen waren geworden! Wie kon ontkennen, dat de overpriesters zelf echt blij zouden zijn met iemand die zou opruien tegen Rome "onder al de Joden door de ganse wereld"?

       Dan werd ook nog van Paulus beweerd, dat hij "een voorstander van de sekte der Nazarenen" zou zijn"*/[1] Deze aanklacht kwam wel het dichtst bij de waarheid, hoewel Paulus wel iets meer was dan de "voorstander" van een "sekte". Hij verkondigde werkelijk de waarheid over Christus, en dit werd verondersteld ketterij tegen de wet van Mozes te zijn, welke op haar beurt, Rome zelf beloofd had te respecteren.

       Tenslotte werd Paulus beschuldigd van "de tempel te ontheiligen". Deze beschuldiging was natuurlijk geheel vals, maar gerekend zwaar te wegen bij Felix, omdat het Rome's voordeel was om zonder geweld, de heiligheid van de tempel te bewaren.

       Maar de strategie van de Joden ging verder dan de formele beschuligingen,*/[2]met inbegrip van de welwillendheid van Lysias, die Paulus naar Felix zond voor een Romeinse rechtspraak. In nog een onbeschaamde afwijking van de waarheid, verklaarde Tertullus, dat de Joden Paulus hadden gegrepen en hem wilden veroordelen naar hun wet, maar dat Lysias gekomen was, en "met groot geweld" hem uit hun handen had genomen, met het bevel dat zij hun klachten voor Felix moesten uitbrengen.

       Dit ging natuurlijk vlak in tegen het rapport van Lysias, en was een duidelijke poging om de rollen om te draaien en hem tot verstoorder van de vrede te maken, zodat Felix zou worden beןnvloed om Paulus in hun handen terug te geven, - en dat de sluipmoordenaars alsnog een mogelijkheid kregen om toe te slaan.

       Tenslotte stelt Tertullus voor, dat Paulus zal worden onderzocht door marteling**/[3], ook al levert Felix hem al dan niet in hun handen, waarmee zij te kennen gaven, dat hun motief bij alles, louter wraak was.

       Voordat wij Tertullus verlaten, zouden we een voorbeeld willen opmerken van de menselijke karaktertrek om de waarheid om te buigen tot eigen voordeel. Tot nu toe hebben we drie tegengestelde verslagen van wat gebeurde in het oproer bij de tempel.

       Het eerste is het verslag van Lukas in Hand.21 tot 23, geinspireerd door de Heilige Geest, en daarom correct:

       Zekere Joden hadden "al het volk beroerd" tegen Paulus, en "hadden de handen aan hem geslagen" (21:27). Nadat zij hem "buiten de tempel hadden getrokken", "...zochten zij hem te doden" (V.30,31). Toen echter, "den hoofdman en de krijgsknechten ziende, hielden zij op van Paulus te slaan" (V.32).

       Toen nam Lysias de apostel in bewaring, en "vroeg wie hij was en wat hij gedaan had", maar "kon de zekerheid niet weten vanwege de beroerte" (V.33,34). Daarom beval Lysias later, "dat men hem met geselen zou onderzoeken", alleen om te ontdekken, dat hij op het punt stond een Romeins burger onwettig te geselen (22:24,25). Tenslotte beval hij het Sanhedrin bijeen te komen en te beslissen over de beschuldiging of beschuldigingen tegen de apostel. Maar ook dit had bewezen niet tot een conclusie te leiden, zodat Lysias opnieuw werd genoodzaakt om Paulus uit hun handen te redden, toen zij onder elkander vochten, en hem bijna aan stukken trokken (22:30-23:10).

       In Lysias' brief aan Felix echter, zijn de feiten vreemd veranderd tot zijn eigen voordeel. Als hij uitlegt, hoe de apostel door de Joden gegrepen was en door hen gedood had kunnen worden, vervolgt hij: "Toen ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk*/[4], en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is (23:27). Dit laatste was natuurlijk onwaar, want Lysias had niet eerder ontdekt dat Paulus een Romeins burger was, dan nadat hij orders gegeven had hem met martelen te ondervragen (22:24-28). Dit was eenvoudig een slimme poging van Lysias om, zo mogelijk, te voorkomen dat hem onwettig gedrag tegenover een Romein zou worden ten laste gelegd.

       Lysias geeft verder de indruk, dat door Paulus voor de Hebreeuwse Raad te brengen, hem bekend was geworden wat zij tegen hem hadden. Feitelijk echter was het Lysias niet gelukt iets door dit onderzoek te weten te komen, want de rechters hadden zo hevig onder elkaar gevochten, dat hij genoodzaakt was troepen te sturen om Paulus voor de tweede maal te redden (23:10). Maar het zou niet wijs geweest zijn om Felix te doen weten dat hij teleurgesteld was in zijn pogingen om te ontdekken wat de Joden tegen Paulus hadden.

       Maar nu is het rapport van de Joden over het incident, zoals dat door Tertullus wordt overgebracht, weer anders. Hij  zegt met betrekking tot Paulus: "Welken wij ook gegrepen hebben en naar onze wet hebben willen oordelen, maar Lysias, de overste, daarover komende, heeft hem met groot geweld uit onze handen weggebracht" (24:6,7). "En ook de Joden stemden het toe, zeggende dat deze dingen alzo waren" (V.9).

       Volgens hun getuigenis was alles soepel verlopen en waren zij juist zo ver om Paulus een eerlijk verhoor af te nemen, toen Lysias "daarover kwam" en hem "met groot geweld" wegbracht. Dit was een brutalere misleiding dan iets wat Lysias geschreven had. Want niet alleen waren zij bezig om Paulus te vermoorden toen Lysias hem redde, maar zij hadden hem, bij de tweede keer, bijna verscheurd en tenslotte deelgenomen met meer dan veertig sluipmoordenaars, aan een smerig complot om hem om te brengen (21:31; 23:10,12,20,21). Het was inderdaad Lysias die hen bevolen had om Paulus een verhoor af te nemen. Toen hadden zij zo onder elkaar gevochten, dat het leven van Paulus opnieuw in gevaar kwam (22:30; 23:7-10).

 

                  PAULUS' VERDEDIGING

 

       "Maar Paulus, als hem de stadhouder gewenkt had dat hij zou spreken, antwoordde: Dewijl ik weet, dat gij nu vele jaren over dit volk rechter geweest zijt, zo verantwoord ik mijzelven met des te beteren moed.

       "Alzo gij kunt weten, dat het niet meer dan twaalf dagen zijn, van dat ik ben opgekomen om te aanbidden te Jeruzalem.

       "En zij hebben mij noch in de tempel gevonden tot iemand sprekende of enige samenrotting des volks makende, noch in de synagogen, noch in de stad;

       "En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij beschuldigen.

       "Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is;

       "Hebbende hoop op God, welke dezen ook zelven verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen.

       "En hierin oefen ik mijzelven, om een onergerlijke consciכntie te hebben bij God en de mensen.

       "Doch na vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen te doen aan mijn volk en offeranden;

       "Waarover mij gevonden hebben, geheiligd zijnde, in de tempel, niet met volk noch met beroerte, enige Joden uit Aziכ;

       "Welke behoorden hier voor u tegenwoordig te zijn en mij te beschuldigen, indien zij iets hadden tegen mij.

       "Of dat dezen zelven zeggen, of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor de Raad stond.

       "Dan van dit enig woord, hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld."

                                             - Hand.24:10-21.

 

       De eenvoudige en waardige manier waarop Paulus zijn verdediging tegenover Felix opende, staat in scherp contrast tot Tertullus' valse en kruiperige vleierij. Als hij het teken van de gouverneur ontving om zijn antwoord te geven, begon de apostel door eenvoudig en waarachtig te zeggen, dat het hem verheugde om verhoord te worden door iemand wiens ongebruikelijk lange ambtsperiode in Judea hem zoveel ervaring had doen krijgen in haar zaken.

       Dienovereenkomstig was het pleidooi van de apostel alleen gebaseerd op simpele feiten, simpele logica, en het recht van zijn zaak, zoals hij uitvoerig de beschuldigingen behandelde die tegen hem ingebracht waren.

       Ten eerste was er een grondfeit dat Felix gemakkelijk voor zichzelf kon vergewissen*/[5]. Het was nu twaalf dagen sinds Paulus naar Jeruzalem gekomen was. Dit was, zoals Felix wist, aan het begin van het Pinksterfeest, en dat zou kunnen helpen om zijn argument te verstevigen, dat hij was gekomen om "te aanbidden" of wel "aanbiddend" (V.11). Onder het aandringen van Jakobus was hij uiteraard dieper in het Judaןsme betrokken dan hij van plan was, maar nu was de kwestie slechts of hij al dan niet schuldig was aan de aanklachten van oproermaken, ketterij en heiligschennis.

       Toegevend dat de feesttijd zou kunnen zijn gekozen als een geschikte tijd om oproer te maken, stelt hij echter zo'n mogelijkheid effectief terzijde door aan te tonen, dat zij hem niet in dispuut of oproermakend onder het volk hebben aangetroffen, noch in de tempel, noch in de synagoges of waar ook in de stad (V.12).

       Dit toont tezelfder tijd nog een fout aan in de beschuldiging van Tertullus. Tertullus mocht hem beschuldigen van oproer verwekken "over de ganse wereld", maar Felix was gouverneur over Judea, en de kwestie ging over wat hij gedurende de laatste paar dagen in Jeruzalem had gedaan. Wat de rest betreft, antwoordde de apostel heel simpel: "En zij kunnen niet bewijzen, waarvan zij mij nu beschuldigen" (V.13).

       Maar de apostel beantwoordt de beschuldiging van ketterij met nog grotere doeltreffendheid, tot verlegenheid van zijn tegenstanders.

       "Dit beken*/[6] ik u" zegt hij, "dat ik naar dien weg, welken zij sekte noemen, den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de wet en in de Profeten geschreven is" (V.14). Zijn geloof in Christus was geen afval van de Oud Testamentische Geschriften, maar gehoorzaamheid daaraan. Zij waren de ketters wegens weigering om de Schrift te geloven, en wegens verwerping van hun eigen Messias. Zelfs het volbrachte werk van Christus, dat Paulus verkondigde, was niet in tegenspraak met het Oude Testament, maar eerder het hoogtepunt van haar boodschap en haar programma. De leer der rechtvaardiging door geloof in Christus alleen, maakte de wet niet overbodig; het bevestigde de wet en boodt de enige basis waarop God rechtvaardig kon wezen in het rechtvaardigen van zondaren (Rom.3:24-26,31).

       Maar de apostel is nog niet klaar met zijn antwoord. Hij zal zijn beschuldigers met de rug tegen de muur plaatsen.

       "Gelovende alles wat in de Wet en de Profeten geschreven is" zegt hij: "(Ik) hebbende hoop op God, welke dezen ook zelven verwachten, dat er een opstanding der doden wezen zal, beide der rechtvaardigen en der onrechtvaardigen" (V.14,15).

       Opgemerkt dient te worden, dat hij enkele dagen tevoren, voor het Sanhedrin, de afwijzing van de opstanding door de Sadduceeכn had gesteld, en de onenigheid aangetoond onder Israels bestuurders. Hij zou dit nogeens hebben kunnen doen voor Felix, maar deed dit niet, ongetwijfeld uit respect voor zijn volk en voor het getuigenis dat beiden dan zouden geven voor Felix. Omdat de meerderheid in het Sanhedrin, en de grote meerderheid van de Joden, in de opstanding geloofden; en omdat dit het traditonele Hebreeuwse geloof en de leer van de Schriften was, kon hij waarheidsgetrouw zeggen: "welke dezen ook zelven verwachten", het aan hen overlatend om heimelijk het verrassende feit onder ogen te zien, dat de ketters onder hen, zijn beschuldigers, te vinden waren. Hij snoerde hen op hetzelfde moment de mond, daar zij anders voor Felix de diepe verdeeldheid die onder hen was, zouden demonstreren. Hij geloofde de Oud Testamentische Geschriften wat betreft de opstanding, terwijl sommigen van hen, zelfs hun overpriesters, dit niet deden - en willen zij nu hem beschuldigen van ketterij?

       Maar omdat de apostel de zwakheid van hun positie had aangetoond, was hij nog niet klaar met het antwoord op de beschuldiging van ketterij. Gebruikmakend van de waarheid die enigen van hen ontkenden, zou hij hun schuld naar voren brengen, en daarbij hun gewetens nog dieper aanspreken.

       Voortgaande met zijn verdediging verklaart de apostel, dat het is omdat er een opstanding zal zijn, beide van rechtvaardigen en onrechtvaardigen; omdat allen op een dag God van aangezicht tot aangezicht zullen zien, dat "Ik mijzelven oefen, om altijd een onergerlijke consciכntie te hebben bij God en de mensen (V.16).

       Minder dan een week daarvoor had hij het Sanhedrin verteld, met een onderzoekende blik in zijn ogen, dat hij geleefd had "met alle goede consciכntie voor God", waarvoor de hogepriester had bevolen aan hen die bij hem stonden, "hem op de mond te slaan" (23:1,2). Nu, voor Felix, waar de hogepriester dit niet kon doen, brengt Paulus opnieuw de zaak van het geweten naar voren.

       Daar was een belangrijke reden voor. Het grote punt tussen Israel en Paulus was niet langer theologisch, maar moreel. Zij waren tot nu toe omringd met overvloedig bewijs, dat Jezus was "de Christus, de Zoon van God", maar ondanks dit alles bleven zij Hem hardnekkig verwerpen. Zij schonden hun gewetens, en sloten hun ogen voor de waarheid.

       Dit is in het algemeen zo met hen, die de Paulinische boodschap vandaag tegenstaan. Zij zijn zo met onomstotelijke feiten geconfronteerd en omringd met zo overtuigende bewijzen, dat zij aan de hand van de Schriften niet langer kunnen antwoorden, maar toch gaan zij door met een vertragende actie tegen deze grote waarheid, en staan hen die deze verkondigen, op verschillende manieren tegen. Net als met de godsdienstige leiders in Paulus' dagen, is het niet langer een kwestie van theologische uitleggingen, maar van geweten. Zulken dienen zichzelf af te vragen hoe zij Hem zullen antwoorden, voor Wie wij allen op zekere dag rekenschap zullen moeten afleggen.

       En nu raakt de apostel ייn van de belangrijkste redenen aan waarom hij naar Jeruzalem gekomen is, i.c. "om aalmoezen te doen aan mijn volk, en offeranden"*/[7] (V.17). Dit feit zou volledig naar voren moeten komen en was, op zich, een antwoord op alle drie de beschuldigingen tegen hem.

       Bovendien waren het zekere Joden uit Aziכ die hem oorspronkelijk beschuldigd hadden van verkeerd handelen, hoewel zij hem "gereinigd in de tempel, noch met het volk, noch met beroerte" hadden gevonden. Waarom waren zij dan niet hier voor Felix om hun klachten kenbaar te maken? Kon er nog een duidelijker bewijs zijn van de zwakheid van hun zaak, dan hun afwezig zijn bij dit verhoor?

       En zij die formeel beschuldigingen hadden ingebracht voor Felix, hadden geen persoonlijke kennis van de verkeerdheid van de apostel, dus argumenteerde hij, "laten deze zelven die hier voor u tegenwoordig zijn zeggen, of zij enig onrecht in mij gevonden hebben, als ik voor hun Raad stond" (V.20), waarbij hij hen vrijmoedig uitdaagde om voor de gouverneur de resultaten van dat verhoor te stellen.

       En om aan hen het bankroet van hun zaak nog meer naar voren te brengen, brengt hij opnieuw de zaak naar voren, die zo'n hevige animositeit onder hen had verwekt bij het verhoor in Jeruzalem, dat zij hem zouden hebben vermoord als de Romeinse soldaten hem niet gered hadden.

       Hij brengt de zaak naar voren als een soort van erkenning, maar een die in feite hun de monden snoert, als hij zegt: "Dan van dit enig woord (deze uiting), hetwelk ik riep, staande onder hen: Over de opstanding der doden word ik heden van ulieden geoordeeld" (V.21).

 

             ALLE BESCHULDIGINGEN WEERLEGD

 

       Zo beantwoordde de apostel zijn beschuldigers stap voor stap, zo effectief, dat het hen in de verdediging bracht, en hun volledig de mond snoerde.

       Wat betreft de aanklacht van oproermaken: Het was slechts twaalf dagen geleden, dat hij in Jeruzalem was aangekomen. De helft van deze tijd had hij besteed in het vervullen van een Joods ritueel, en de andere helft was hij onder Romeinse bewaring geweest. Bovendien had zijn eigen gedrag deze aanklacht ontzenuwd, noch was er enig bewijs, of een getuigenis, dat hij oproer had verwekt.

       Wat betreft ketterij: Hij was nimmer afgedwaald van het geloof in de schriften van Mozes en de profeten. De ketters dienden onder hen te worden ontdekt.

       Wat betreft heiligschennis: Hij was gekomen om aalmoezen en offeranden te doen voor zijn volk; waarom zou hij hun tempel ontheiligen? Zijn vijanden hadden hem inderdaad "gereinigd" in de tempel ontdekt, "niet met volk, noch met beroerte".

       De Joden uit Aziכ hadden geen zaak tegen hem, anders zouden zij aanwezig zijn geweest om tegen hem te getuigen. Ook hadden de bestuurders in Judea geen zaak tegen hem, anders zouden zij zijn uitdaging hebben aangegrepen om te vertellen welke  kwade zaken zij bij hem ontdekt hadden.

 

                   AKTIE UITGESTELD

 

       "Toen nu Felix dit gehoord had, stelde hij hen uit, zeggende: Als ik nader wetenschap van dezen weg zal hebben, wanneer Lysias, de overste, zal afgekomen zijn, zo zal ik volle kennis nemen van uw zaken.

       "En hij beval den hoofdman over honderd dat Paulus zou bewaard worden, en verlichting hebben, en dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen of tot hem te komen."

                                               - Hand.24:22,23.

       Felix had, beide vanwege zijn positie als gouverneur van Judea, en omdat zijn vrouw een Joodse was, "nader wetenschap van dezen weg", dan overtuigd te zijn, dat de beschuldigingen tegen Paulus ingebracht, juist waren. Bovendien was niemand van hen ingelicht door getuigenissen uit de eerste hand. Toch deed hij de zaak niet af maar "stelde uit", tot de aankomst van Lysias om te getuigen.

       Of Felix werkelijk het voornemen had om Lysias op te roepen, teneinde "het uiterste" van deze zaak te weten, is twijfelachtig. Er wordt geen melding van gemaakt dat hij ooit om hem gezonden heeft; wel blijkt duidelijk uit het verslag, dat hij de zaak uitstelde om minder eervolle redenen.

       Hem was te weten gekomen, dat Paulus naar Jeruzalem gekomen was met grote sommen geld. Zou hij daarvan wat te pakken kunnen krijgen? Zouden Paulus' vrienden misschien willig zijn om voor zijn vrijstelling goed te betalen? In elk geval wilde hij, dat zij hem vrij konden bezoeken.

       Zo werd Paulus in "verzekerde bewaring"*/[8] gesteld, met speciale instructies voor de centurion, "dat hij niemand van de zijnen zou beletten hem te dienen of tot hem te komen" (V.23).

       Zouden de Joden om te beginnen de zaak niet hebben doorgedrukt, dan zou hij zeker zijn bevrijd, maar de Here wilde hem nu houden als gevangene voor de heidenen (Eph.3:1).

 

                   PAULUS VOOR FELIX

                      EN DRUSILLA

 

       "En na sommige dagen Felix, daar gekomen zijnde met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, ontbood Paulus, en hoorde hem van het geloof in Christus.

       "En als hij handelde van rechtvaardigheid en matigheid en van het toekomende oordeel, Felix zeer bevreesd geworden zijnde, antwoordde: Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen.

       "En tegelijk ook hopende, dat hem van Paulus geld gegeven zou worden, opdat hij hem losliet; waarom hij hem ook dikmaals ontbood, en sprak met hem.

       "Maar als twee jaren vervuld waren kreeg Felix Portius Festus in zijn plaats; en Felix willende den Joden gunst bewijzen, liet Paulus gevangen."

                                       - Hand.24:24-27.

 

       Het valt op dat er staat: "daar gekomen zijnde". Dit stemt overeen met historische verslagen, die aangeven dat het in die tijd was, dat de boze Felix, met behulp van Simon, een tovenaar uit Cyprus*/[9] erin slaagde de schone Drusilla weg te lokken van Azizus, koning van Emesa, die haar ongeveer zes jaren eerder getrouwd had in de leeftijd van veertien. Nu, ongeveer twintig, had zij reeds een berucht verleden. Zij was de dochter van Herodes Agrippa I (uit Hand.12), de zuster van Herodes Agrippa II (uit Hand.26), en was een klein meisje ten tijde dat haar vader werd aanbeden als een god en plotseling stierf (Hand.12:22,23).

       Deze Drusilla was "een Jodin" (V.24) en bij haar "aankomst" met Felix, zou zij natuurlijk geinteresseerd zijn in de zaak van Paulus. Zij had ongetwijfeld sinds haar kindheid van hem gehoord en was benieuwd waarom hij zo plotseling tot Christus bekeerd was, die hij en zijn volk hadden veracht en verworpen, en waarom hij Hem nu zo hartstochtelijk diende. In elk geval zond hij, bij zijn aankomst met Drusilla, om Paulus en hoorde hem**/[10], niet met betrekking tot de beschuldigingen die kort tevoren tegen hem waren ingebracht, maar "betreffende het geloof in Christus" (V.24).

       Bijna alle omstandigheden waren nu geheel veranderd. Dit was geen verhoor, maar een privי-onderhoud met twee verheven maar schuldige deugnieten, en het was zijn hoge verantwoordelijkheid om op zo'n manier voor hen te getuigen, dat hun zielen, indien mogelijk, zouden worden gered van de dood. En wie zal niet beide, de morele moed, en de tact waarmee de apostel deze verantwoordelijkheid op zich nam, bewonderen?

       Zich richtend tot degene die, menselijk gesproken, de macht had hem te bevrijden, begon Paulus te spreken van gerechtigheid, die Felix gewoonlijk vergat, van matigheid (of zelfbeheersing) die hij had nagelaten te beoefenen, en van komend oordeel, waarvan geen redding, of zich beroepen, meer mogelijk was.

       De apostel had, om zeker te wezen, een andere benadering kunnen benutten, door misschien Felix als vriend voor zijn zaak te winnen, en dan zijn eigen vrijheid te bewerken. Maar Paulus was een man, geheel anders dan zijn aanklagers, die "zee en land omreisden om ייn volgeling te maken" (Matt.23:15). Hij had gesteld, dat het zijn verlangen was "altijd een onergerlijke consciכntie te hebben bij God en de mensen" (V.16) en dat bewees hij nu. Wat Felix - en Drusilla - nodig hadden, was wedergeboorte, en dit kon nimmer het resultaat zijn van vriendelijke aandrang met betrekking tot de "zaak" die hij vertegenwoordigde. Hij moest hun gewetens bereiken; hij moest hen hun schuld tonen, hun gevaar, hun nood. En dit deed de apostel, totdat Felix bevreesd werd.*/[11]

       Toch deed de apostel dit alles op zo'n tactvolle wijze, dat de gouverneur geen reden kon hebben om beledigd te zijn.**/[12] Hoewel Felix schuldig was aan de ergste zonden en de zwaarste misdaden, waaronder privי-moord en openlijke doodslag, beschuldigde of hekelde de apostel hem niet. Hij liet de Geest en Felix' eigen geweten dit doen. In plaats daarvan sprak hij over "gerechtigheid" - in abstracte zin; de kern van gerechtigheid, de vereisten van gerechtigheid met betrekking tot onze medemens - en tot God - en Gods eigen en oneindige gerechtigheid. Dan ging hij voort om een onderwerp te bespreken dat volgde als natuurlijk en logisch gevolg: de "zelfbeheersing", die men verplicht is te beoefenen met het oog op de vereisten van gerechtigheid. Hoewel de schuldige gouverneur weinig wist van zelfbeheersing kon hij nauwelijks aanstoot nemen , want zulke onderwerpen werden vrij besproken in alle philosofische scholen. Toch boorde de waarheid zich diep in zijn geweten, omdat hij, misschien voor de eerste keer, geconfronteerd werd met zijn zonde.

       Maar de apostel moet, om eerlijk te zijn, nog verder gaan dan dit. Hij moet Felix en zijn Joodse minnares de drang van hun nood laten zien. Dan gaat hij voort naar een onderwerp wat niet dagelijks door de philosofen besproken wordt, maar alleen in de Hebreeuwse Geschriften: het "komende oordeel". Felix had reeds van de overtuigingen van de apostel hierover, kennis genomen. zijn verklaring dat er "een opstanding...zowel voor rechtvaardigen als onrechtvaardigen" zal zijn (V.15) bracht direct met zich, dat zij die dus zouden opstaan, voor God tot rekenschap afleggen geroepen zouden worden. Maar nu brengt de apostel deze waarheid onder ogen, ongetwijfeld door aanhaling van de Heilige Schriften, totdat de gouverneur zo bevreesd werd, dat hij plotseling het onderhoud afkapt, met te zeggen: "Voor ditmaal ga heen; en als ik gelegen tijd zal hebben bekomen, zo zal ik u tot mij roepen".

       Sommigen hebben onnauwkeurig geconcludeerd dat Paulus hier de waarheid van het "koninkrijk" verkondigde, en dat deze toespraak niet verenigbaar zou zijn met "het evangelie van Gods genade". Maar dezen zien over het hoofd het feit, dat we hier nogeens ייn van de onderbroken uiteenzettingen uit Handelingen hebben. Wat Paulus gezegd had, vormde de inleiding tot het evangelie van Gods genade, want ook vandaag nog, kan niemand waarlijk genade verkondigen, die dit niet verkondigt tegen de achtergrond van de gerechte toorn van God tegen de zonde. Ieder die dit als kwestie stelt, dient passages als Eph.2:1-10 en de eerste hoofdstukken van Romeinen, in gebed ernstig op zich te laten inwerken.

       Paulus had gehoopt dat hij, toen hij Felix zijn nood had aangetoond, hem nu Gods genadige voorziening in die nood kon laten zien, maar de gouverneur wilde niet verder luisteren. Hier staat hij in regelrechte tegenstelling met de Philippische stokbewaarder die, ook bevende, vroeg: "Heren, wat moet ik doen , opdat ik zalig worde?" (Hand.16:29,30), met het resultaat, dat hij heerlijk werd gered. Maar Felix, bevende, zond de man Gods weg, belovend hem verder te horen als hij weer gelegenheid had. Er zijn menigten van volgelingen die hem hierin navolgen, die overtuigd door de Geest van hun zonde en nood, weigeren inplaats van toe te geven, hopend op nog een latere kans.

       De diepte van menselijk bederf wordt gezien in het feit, dat hoewel Felix Paulus nogeens liet roepen, verscheidene keren, hij eigenlijk hoopte dat hem steekpenningen zouden worden aangeboden om Paulus te bevrijden. Zo had hij zijn geweten verhard. Als de deugniet steeds meer om Paulus roept, en met hem spreekt, horen we hem bijna zachte wenken geven, beloven, dreigen - maar alles tevergeefs. Paulus wilde niet overgaan tot zulke oneerlijke middelen om zijn bevrijding te verkrijgen, en ook wilde hij zijn liefste vrienden niet toestaan om dat voor hem te doen.

       En zo gingen twee lange jaren langzaam voorbij, met Paulus nog steeds in gevangenschap te Cesarea. Toch zullen de lange uren, en de teleurstelling over uitstel, aanmerkelijk bekort zijn door verkwikkende bezoeken van Philippus en de broeders uit Cesarea. Misschien ook wel omdat Lukas steeds bereikbaar bleef, samen met Aristarchus (Hand.24:4; Cf.27:2). Toen moeten er ook veel Hebreeuwse gelovigen in de buurt geweest zijn die medelijden toonden met hem in zijn banden (Hebr.10:34).

       Zo zorgde God voor Paulus en gaf hem gelegenheid tot gemeenschap, gebed, meditatie over het Woord en - rust. Toch is het, omdat we geen verslag hebben van enige bekeerlingen die gewonnen zouden zijn in Cesarea, of van een brief die daar vandaan geschreven is, niet aannemelijk dat hij gedurende twee volle jaren helemaal werkeloos geweest zou zijn. Waarschijnlijk is zijn uitgebreide bediening intussen doorgegaan.

       Na twee jaren, waarin Felix vele malen met de apostel converseerde, bleef hij even gewetenloos als altijd. Toen zijn ambt werd beeindigd ten gunste van Porcius Festus, hield hij Paulus toch gevangen, hoewel het in zulke gevallen gebruikelijk was om onveroordeelde gevangenen vrij te laten. Hij deed dit, om  "de Joden een gunst te bewijzen" (hoewel hij hen ronduit haatte), want, als de historie juist is, werd hij ter verantwoording geroepen door Nero, wegens malversatie in zijn gouvernement, en hij had zoveel mogelijk Joodse vriendschap nodig. Zo offerde hij de vrijheid van een onschuldig mens, op het altaar van zijn eigen zelfzucht. Ook was hij niet de eerste Romeinse provinciaal bestuurder die zorg droeg voor de inwoners van het roerige Judea. Op hun eis had Pilatus Jezus in hun handen gegeven (Luk.23:22-24). Herodes Agrippa I had de apostel Jakobus gedood en "omdat hij zag dat het den Joden behaaglijk was, voer hij voort om ook Petrus gevangen te nemen" (Hand.12:1-3). Hier laat Felix Paulus gevangen achter, om de gunst van de Joden te winnen (24:27), en binnen een korte tijd zal Festus, zijn opvolger, gelijksoortig  proberen om Paulus' rechtvaardige belangen te offeren voor Joodse gunst (25:9).

               PAULUS' FINANCIELE TOESTAND

                     IN DIE TIJD

 

       Het is vrij duidelijk, dat Paulus het financieel niet breed had gedurende deze periode van zijn bediening. Hij had minstens acht anderen uit Griekenland meegebracht (20:1-5), meest per schip. Hij had ingestemd de kosten te dragen van niet minder dan twintig gewijde offers, benodigd om de geloften te vervullen van vier Nazireכrs (21:23,24; Cf. Num.6). Zijn behandeling door beide Lysias en Felix geven aan, dat zij hem niet als een arme Jood beschouwden. Arme mensen hebben zelden veel aandacht gekregen in burgerlijke rechtshoven, en dit was bekend ook zo te zijn in de dagen van Paulus. Niettemin was hij, hoewel niet vrij, met opmerkelijk respect behandeld vanaf Jeruzalem tot Rome. Lysias werd vriendelijk met hem, Felix met Drusilla gaven hem minstens ייn privי audiכntie, Agrippa en Bernice verlangden hem te zien, Felix hoopte op smeergeld van hem, en een rijke Romeinse ambtenaar zal zeker geen kleine gift verlangen - en als we doorgaan naar het eind van Handelingen, zal het nog meer blijken, dat Paulus een belangrijk bedrag aan geld had, of hem ter beschikking stond.

       Hoe dit te verantwoorden is geen gemakkelijke zaak. Zeker is dat hij geen toestemming gegeven zal hebben tot gebruikmaking van een der fondsen waar hij zo lang en zo hard voor had gewerkt om deze te verzamelen voor de heiligen in Jeruzalem. Of zijn geliefde Philippiכrs hem persoonlijk giften gegeven hebben voor zijn laatste reis naar Jeruzalem, of dat zijn tentmakerij hem hiertoe voldoende had opgebracht voor dit alles, of dat hij een erfenis uit familie gekregen had, of dat een combinatie van deze of andere omstandigheden hem de beschikking over fondsen gaven, wordt ons niet vermeld. Wij merken alleen maar op, dat hij blijkbaar niet in financiכle behoefte verkeerde, en dat ook niet zou komen in de dagen daarna, omdat het Romeinse gouvernement de kosten van levensonderho

 

    [1]*/Voetnoot: Een minachtende term voor gelovigen in Christus. Het woord "sekte" hier is hereseos, of "ketterij" zoals in V.14. 

    [2]*/Voetnoot: De passage vanaf het woord "welken" in vers 6 tot "tot u" in vers 8 is in sommige van de vroegste vertalingen wegelaten, maar niet in de Syrische, die tot de oudste gewijde geschriften behoort. Ook uit de contekst blijkt het tot de tekst te behoren.

 

    [3]*/Voetnoot: Anakrino wordt gerechtelijk gebruikt voor een vooronderzoek door marteling (Zie Joh.19:1, Cf. Luk.23:14; Hand.22:24,29, etc.). Omdat het Grieks betrekkelijk voornaamwoord in het enkelvoud is, kon Tertullus niet een vooronderzoek van de Joden voorgesteld hebben, noch kon hij, in de contekst, gemeend hebben dat Lysias zo moest worden onderzocht. Het "hem" slaat danook op Paulus.

    [4]*/Voetnoot: Of "mijn troepen".

    [5]/Voetnoot: Niet "weten" zoals in de S.V..

    [6]*/Voetnoot: Het Griekse woord dat hier gebezigd wordt betekent niet schuld bekennen, maar vrijuit spreken.

    [7]*/Voetnoot: Een onderzoek naar de plaatsen waarop het Griekse prosphora, en in het bijzonder het werkwoord prosphero wordt gebruikt, zal aantonen, dat het woord "offeranden" hier in geen geval zonodig verwijst naar godsdienstige offers, maar naar offers van allerlei aard.

    [8]*/Voetnoot: Er waren onder de Romeinse wet drie vormen van bewaring voor onveroordeelde gevangenen, 1.) custodia publica, of opsluiting in de publieke gevangenis, 2.) custodia militaris, of militaire bewaring, onder een soldaat of soldaten, die met hun leven verantwoordelijk waren voor de veilige bewaring van de gevangene, en 3.) custodia libera, of vrije bewaring onder opzicht van een bevoegd persoon. De eerste was de meest ernstige en de derde zo mild, dat de beschuldigde vrijuit kon gaan op verzekering aan de bewaarder, dat hij voor verhoor zou verschijnen. De tweede is blijkbaar de vorm, die in verschillende gevallen bij Paulus werd toegepast.

    [9]*/Voetnoot: Door sommigen wordt verondersteld dat dit was Simon, de tovenaar, uit Hand.8.

    [10]**/Voetnoot: Uit de tussenvoeging blijkt duidelijk dat Felix, nu met Drusilla daarbij aanwezig, Paulus hoorde.

    [11]*/Voetnoot: Gr., emphobos.

    [12]**/Voetnoot: Paulus' door God gegeven wijsheid bij het toespreken van personen en toehoorders, zo verschillend in karakter en achtergrond, in zo'n wijd verbreide bediening, zou op zichzelf al een aparte studie zijn.


 

[i].*/Voetnoot: Of "zekere oudsten".

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011