De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XLIII  -  H A N D. 23:12-35

                EEN SAMENZWERING ONTDEKT

       "En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende dat zij nog eten noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.

       "En zij waren meer dan veertig, die deze eed tezamen gedaan hadden;

       "Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden: Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt, niet te zullen nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.

       "Gij dan nu, laat de oversten weten met de raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.

       "En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.

       "En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en zeide: Leid deze jongeling tot de overste; want hij heeft hem wat te boodschappen.

       "Deze dan nam hem en bracht hem tot de overste, en zeide: Paulus, de gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik deze jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.

       "De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde, vraagde hij: Wat is het, dat gij mij hebt te boodschappen?

       "En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeren, dat gij Paulus morgen in de raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem nader zouden onderzoeken.

       "Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht hebben; en zij zijn nu gereed verwachtende de toezegging van u."

                                              - Hand.23:12-21.

 

            HET COMPLOT OM PAULUS IN HINDERLAAG

                     TE DOEN VALLEN

 

       "En toen het dag was..."

       Wat had de apostel de in de vorige nacht ontvangen bemoediging van de Here nodig!

       Nauwelijks was de zon opgekomen of de tot dusver meest beslissende aanval op Paulus' leven werd ondernomen, toen veertig ijveraars samensmeedden om de wet in eigen handen te nemen en hem te vermoorden.

       Ongetwijfeld rechtvaardigden zij zich hiervoor, voelend dat zij de wil van God uitvoerden. Het zag er naar uit, dat Paulus vrijuit zou mogen gaan. Zou aan de onbesneden Romeinen worden toegestaan de juiste bestraffing van een verrader tegen de wet te verhinderen?*/[1]

       Zo verbonden zij zich met een plechtige eed, verklarende dat zij "niet zouden eten noch drinken tot zij Paulus gedood zouden hebben" (V.12). Hun verslag hiervan aan de leiders van het Sanhedrin toont inderdaad de diepte aan van hun bitterheid, want zij zeiden letterlijk: "Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt" (V.14).

       Het was aan de partij der Sadduceeכn dat zij hun plan openbaarden (V.14, Cf.5:17), en hen dringend verzochten om de overigen van de raad te overtuigen (V.15). Het was een riskant plan, waarbij de sluipmoordenaars hun eigen leven in gevaar brachten, niet alleen vanwege de ondervoeding maar vanwege het Romeins gezag. De overste zou, daarvan waren zij zeker, het Sanhedrin een gelegenheid tot verder verhoor in de zaak Paulus, weigeren, speciaal omdat het de overste niet gelukt was de verlangde informatie vanuit de zitting van de vorige dag te krijgen. De raad moest daarom dus de aanwezigheid van Paulus verzoeken voor zo'n verder onderzoek, en de veertig sluipmoordenaars zouden vanuit een hinderlaag hem vermoorden als hij naar de zittingskamer zou worden gebracht.

       De toestemming van de leiders van het Sanhedrin om deel te nemen in dit complot (V.20) toont aan de verregaande onbeschaamdheid waartoe gecultiveerde religieuse mensen kunnen komen (Cf. Matt.26:4; Hand.6:11, etc.). Juist het feit, dat de sluipmoordenaars de voornaamste dienaars van het Hoogste Gerechtshof konden benaderen, hun complot aan hen konden openbaren en hen daarin betrekken, wijst er op hoe bekend hun verachtelijke houding tegenover de wet was, die zij toch geroepen waren te handhaven. Weer was Paulus in gevaar door zijn eigen volksgenoten.

       In de ervaringen van de apostel in dit geval, zien we weer de trend van bedeling in het Boek Handelingen zo duidelijk. Tweemaal werd Petrus in vorige gevallen wonderbaarlijk bevrijd uit de gevangenis, toen engelen verschenen om deuren te openen (Hand.5:19; 12:7-10). Paulus zelf heeft enige jaren tevoren in Philippi gezien dat gevangenisdeuren open vlogen en dat zijn ketenen wonderbaarlijk los werden, maar nu, als zo'n wonder een heel groot doel zou kunnen dienen, vindt geen wonder plaats. God had "Zijn handen" lang genoeg "uitgestrekt naar dit tegensprekend volk"; waarom hun oordeel nog langer doen toenemen door hen toe te staan hun ogen te sluiten voor nog verder bewijs?

       Maar deze trend wordt nog verder gezien in het feit, dat gedurende de gevangenschap van Petrus in het eerste gedeelte van Handelingen, de hele Judese gemeente "zonder onderbreking" voor hem bad. Maar nu, hoewel het aantal gelovigen was vermenigvuldigd tot "vele duizenden", en de Joodse gemeente in Jeruzalem sterk geworden was, is er geen enkele aanwijzing dat iemand van hen - zelfs hun leiders niet - iets deed om Paulus te helpen.

 

                  HET COMPLOT ONTDEKT

 

       Maar God was besturend, hoewel niet direct tussenbeide komend. Hij die "bij Paulus stond", de nacht tevoren, om hem te bemoedigen, was er vandaag bij om Zijn belofte te bevestigen.

       De apostel had een zuster, wier zoon, in Gods voorziening, in die tijd in Jeruzalem was. Of hij daar woonde met zijn moeder is niet bekend, maar als dit zo was, zou het kunnen betekenen, dat zij geen gelovigen waren, omdat Paulus niet bij hen ingetrokken was bij zijn bezoek, noch lezen we dat hij enig contact had met hen.

       De apostel had gelovige verwanten in Rome (Rom.16:7,11), maar er is geen aanwijzing dat enigen van zijn naaste familie gered waren, noch enige reden om aan te nemen dat zij dat waren, want waarheid loopt niet door in families.

       Wellicht was de jongeman, net als zovele andere, slechts voor de feestdagen in Jeruzalem. Maar het punt is, dat God de rechte persoon, op de juiste tijd, op de rechte plaats had om het complot om Paulus' leven, af te luisteren.

       Of de knaap ook al of niet sympathiek stond tegenover Paulus' zaak, dit was zijn eigen vlees en bloed, en hij kon niet toestaan, dat hij in koelen bloede zou worden vermoord. Bovendien geeft het verslag aan, dat hij nog erg jong was, zodat hij niet gauw verdacht zou worden van bedrog, zij het door Paulus of door Lysias.

       De apostel, nog steeds een onveroordeelde gevangene, werd blijkbaar vastgehouden onder alleen een gebruikelijke vorm van militair gezag, want het schijnt, dat zijn neef vrij toegang tot hem had (V.16; Cf.24:23; 27:3; 28:16,30).

       De kalme tegenwoordigheid van geest en evenwichtigheid waarmee Paulus reageerde op het verslag van de jongeman, was karakteristiek voor hem. God had hem verzekerd, dat hij Rome zou bereiken, maar daarvoor achtte hij het verslag niet als van geen belang voor zijn veiligheid. Hij realiseerde zich, omdat God souverein is, dat menselijke verantwoordelijkheid en initiatief, deel uitmaken van Zijn plannen (Cf. Hand.27:24,31). Als hij een van de centurions roept, zegt hij daarop eenvoudig: "Leid dezen jongeling heen tot de overste; want hij heeft hem wat te boodschappen" (V.17).

       De centurion leidt dan de jongen naar Lysias met zijn boodschap van "Paulus, de gevangene", een beschrijving die voortaan aan velen bekend zal worden. De overste nu "nam hem bij de hand" naar een privי ruimte en vroeg hem daar wat hij te vertellen had.

       De manier waarop Lysias de jongen ontving zou kunnen wijzen op de jeugd van de jongen en Lysias' sympathieke belangstelling voor Paulus.

       De jongen vertelde met enig gevoel de feiten die hij had gehoord over het complot, en smeekte de overste: "geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen" (V.21).

 

                HET COMPLOT VERIJDELD

 

       "De overste dan liet de jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.

       "En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijsknechten gereed, opdat zij tot Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd schutters, tegen de derde ure des nachts;

       "En laat hen zadelbeesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten en behouden overbrengen tot de stadhouder Felix.

       "En hij schreef een brief, hebbende deze inhoud:

       "Claudius Lysias aan de machtigste stadhouder Felix groetenis.

       "Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hem opgebracht zou geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is.

       "En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht ik hem af in hun raad;

       "Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of banden waardig is.

       "En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden, gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen hem hadden. Vaarwel.

       "De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en brachten hem des nachts te Antipratis.

       "En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden zij weder naar de legerplaats.

       "Dewelke als zij te Cesarea gekomen waren en de brief den stadhouder overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.

       "En de stadhouder de brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat provincie hij was; en verstaande, dat hij van Ciliciכ was,

       "Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodus zou bewaard worden."

                                            - Hand.23:22-35.

 

       Bij een zakelijk lezen van passages in het Nieuwe Testament, die handelen over officieren in het Romeinse Leger, zullen de aan te bevelen karakterkwaliteiten, die zij als klasse bezaten, indruk moeten maken op ons denken. Wellicht dat de discipline in hun militaire training deze goede handelwijze met zich bracht. De centurion in Kapernaum, de centurion bij het kruis, Cornelius en Julius, de hoofdman van de bende van Augustus, zijn sommigen die bij ons in herinnering zijn gebleven.

       Lysias, de overste van het Fort Antonia, was ook iemand die, hoewel een heiden, karaktereigenschappen had die in fel contrast staan tot de boze bedriegerij van de religieuse leiders van Israel.

       Wij hebben zijn rechtschapenheid en zelfs zijn vriendelijkheid ten opzichte van Paulus gezien; en indien hij in de opwinding van het oproer een onrechtmatigheid had gepleegd, door Paulus te laten binden om te geselen, was het ongetwijfeld alleen, omdat hij aannam dat iemand in Paulus' positie zijn Romeins burgerschap onmiddelllijk zou hebben geclaimd, als hij een Romein geweest was.

       Het feit, dat Lysias de neef van Paulus "bij de hand" nam, zou verder aanwijzing zijn, dat achter het ruwe uiterlijk gedrag van de soldaat, er een vriendelijk en nobel hart aanwezig was.

       Tegelijk nam de overste de officiכle voorzichtigheid, eigen aan zijn positie, in acht. Eerst had hij de jongen "privי" gehoord. Dan laat hij hem gaan, zonder aan te geven welke maatregelen hij zou nemen, alleen waarschuwde hij hem: "Zeg niemand voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt." (V.22).

                   Dan handelt Lysias ook met de goede en snelle afdoening van een goed getrainde legerofficier. Hij was verantwoordelijk, niet alleen voor de veiligheid van een Romeins burger, maar ook voor de bescherming van de openbare rust. Overtuigd dat de jongen de waarheid had gesproken, en zich realiserend dat zoiets precies was wat de Joodse ijveraars zouden kunnen doen, gaf hij onmiddellijk orders aan twee van zijn hoofdmannen om tweehonderd geregelde infanteristen (blijkbaar zwaar gewapend), samen met

zeventig cavalaristen en tweehonderd boogschutters*/[2] te zamelen. Het totale leger van vierhonderd en zeventig man zou alzo voorbereid zijn om allerlei vormen van aanval te ontmoeten, en hun vertrek werd uitgesteld tot de duisternis (9 P.M.) zodat niemand hen kon achtervolgen, totdat de stadsdeuren om zes uur 's morgens weer opengingen. Op die tijd zouden zij al negen uur marcherend op weg zijn.

       Het grote getal soldaten dat betrokken was bij de begeleiding van Paulus naar Cesarea geeft aan, hoe gevaarlijk ongeregeld de situatie in Jeruzalem was. Maar aan de andere kant zal Lysias, wiens sympathiכn in die tijd duidelijk naar Paulus uitgingen, hem dit zware escorte gegeven hebben om zijn prestige te verhogen, en om tegelijkertijd de Joden te tonen, hoe hij een Romeins burger zou beschermen voor hun vijandelijkheid.

       Hoe genadig had God de plannen van Paulus vijanden verijdeld, - niet door een demonstratie van wonderen, maar door de meest natuurlijke loop der omstandigheden. Hoe moet het "Heb goeden moed" van de Here in zijn oren hebben geklonken toen hij, even over negen, die zelfde avond, op weg was naar Cesarea met een escorte als voor een koning! En stel u voor de spijt van de hogepriesters toen zij, in plaats van toestemming te krijgen om Paulus voor te laten komen voor verdere ondervraging, werden afgewezen met het korte antwoord: "Ik heb hem naar de gouverneur in Cesarea gezonden; u dient daarheen te gaan en uw klacht daar in te dienen"!

       De brief van Lysias aan Felix laat verder zijn karakter en bekwaamheid als Romeins officier zien, hoewel hij daarin toegeeft aan de natuurlijke menselijke geneigdheid om zichzelf te beschermen voor blaam, en zich voor Felix in het mooiste licht zet - zelfs door enig verdraaien van de feiten tot zijn eigen voordeel.

       De verklaring van Lysias, dat hij de beschuldigers van Paulus bevolen had om voor Felix te verschijnen, was ongetwijfeld gegrond. Het is goed mogelijk dat de hogepriesters Paulus' aanwezigheid voor een verder verhoor reeds hadden verzocht (V.21), en dat Lysias hun zijn antwoord gegeven had, maar in ieder geval moet hij dat gedaan hebben, voordat zijn brief door Felix werd gelezen.

       Door het duister marcherend, begeleidden Lysias' troepen Paulus veilig naar Antipatras, een afstand van ongeveer vijftig kilometers, waarbij zeker het stadsvolk overal langs de weg wakker werd. Na hem zover gebracht te hebben, marcheerden de vierhonderd infanteristen en boogschutters terug naar Jeruzalem en begeleidde de cavalerie de apostel het overige deel van de weg naar Cesarea. Het was niet dienstig om het Fort Antonia langer te licht bemand te laten.

       Uit het verslag zou kunnen blijken dat de cavalerie, zeker na een poos gerust te hebben, haast maakte om de overige veertig kilometer naar Cesarea diezelfde dag nog af te leggen, om nog bij daglicht de stad te bereiken.

       Wat zullen de gelovigen in Cesarea wel gedacht en gevoeld hebben toen de vermoeide stoet de stad inreed met Paulus in hun midden! Slechts enkele dagen tevoren had Agabus hem daar gewaarschuwd voor de gevaren in Jeruzalem, waarbij hij voorspelde dat hij zou worden overgeleverd in de handen der heidenen, en zij allen, samen met Paulus' eigen medewerkers, hem hadden gesmeekt niet te gaan (21:8-12). Nu was Agabus' profetie reeds vervuld en hun vrees bevestigd. En welke gedachten moeten er in Paulus' hart geweest zijn! Maar God was in dit alles, want op deze manier moest Paulus de naam van Christus voor "koningen" dragen, zoals was voorzegd in Hand.9:15, en een nog grotere bediening vervullen onder de heidenen.

       Als Paulus' beraamde sluipmoordenaars zich aan hun eed gehouden hebben, zullen zij allen van honger gestorven zijn, maar Lightfoot toont vanuit de Talmoed aan, dat zulke eden gemakkelijk konden worden ingetrokken.

       Toen de soldaten Paulus, en de brief van Lysias, aan Felix hadden afgeleverd, informeerde de gouverneur uit welke provincie de gevangene kwam. Toen hij hoorde dat hij een Ciliciכr was, beloofde Felix hem een uitgebreide verhoring*/[3], als zijn beschuldigers zouden arriveren. Intussen stelde hij hem in bewaring in het rechthuis van Herodes.


    [1]*/Voetnoot: Zo heeft telkens weer de Roomse Kerk haar onderdanen vrijgesproken van trouw aan de burgerlijke overheid, daarbij ontkennend de verklaring van de Geest, dat "iedere ziel" zal dienen te zijn "onderworpen den machten over haar gesteld", omdat "de machten die er zijn", goede of slechte, "van God geordineerd zijn" en degene "die zich tegen de macht stelt, de ordinantie Gods wederstaat" (Rom.13:1,2). 

    [2]*/Voetnoot: De vertaling hier is blijkbaar correct. De juiste term in het origineel is "rechtshandige vasthouders", ongetwijfeld verwijzend naar degenen die pijlen schoten met de rechterhand.

    [3]*/Voetnoot: Het is twijfelachtig of Felix' territoir reikte tot Ciliciכ, maar aangezien dit een naburige provincie was, en het oproer in Judea had plaats gevonden, voelde Felix zich zeker gerechtvaardigd de zaak te behandelen.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011