|
H O O F D
S T U K XLIII - H A N D. 23:12-35
EEN SAMENZWERING ONTDEKT
"En als het dag geworden was, maakten sommigen van de Joden een
samenrotting, en vervloekten zichzelven, zeggende dat zij nog eten
noch drinken zouden, totdat zij Paulus zouden gedood hebben.
"En zij waren meer dan veertig, die deze eed tezamen gedaan hadden;
"Dewelke gingen tot de overpriesters en de ouderlingen, en zeiden:
Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt, niet te zullen
nuttigen, totdat wij Paulus zullen gedood hebben.
"Gij dan nu, laat de oversten weten met de
raad, dat hij hem morgen tot u afbrenge, alsof gij nadere
kennis zoudt nemen van zijn zaken; en wij
zijn bereid hem om te brengen, eer hij bij u komt.
"En als de zoon van Paulus' zuster deze lage gehoord had, kwam hij
daar en ging in de legerplaats, en boodschapte het Paulus.
"En Paulus riep tot zich een van de hoofdmannen over honderd, en
zeide: Leid deze jongeling tot de overste; want hij heeft hem wat te
boodschappen.
"Deze dan nam hem en bracht hem tot de overste, en zeide: Paulus, de
gevangene, heeft mij tot zich geroepen, en begeerd dat ik deze
jongeling tot u zou brengen, die u wat heeft te zeggen.
"De overste nu nam hem bij de hand, en bezijden gegaan zijnde,
vraagde hij: Wat is het, dat gij mij hebt te boodschappen?
"En hij zeide: De Joden zijn overeengekomen om van u te begeren, dat
gij Paulus morgen in de raad zoudt afbrengen, alsof zij iets van hem
nader zouden onderzoeken.
"Doch geloof hen niet; want meer dan veertig mannen uit hen leggen
hem lagen, welke zichzelven met een vervloeking verbonden hebben
noch te eten noch te drinken, totdat zij hem zullen omgebracht
hebben; en zij zijn nu gereed verwachtende de toezegging van u."
- Hand.23:12-21.
HET COMPLOT OM PAULUS IN HINDERLAAG
TE DOEN VALLEN
"En toen het dag was..."
Wat had de apostel de in de vorige nacht ontvangen
bemoediging van de Here nodig!
Nauwelijks was de zon opgekomen of de tot dusver meest beslissende
aanval op Paulus' leven werd ondernomen, toen veertig ijveraars
samensmeedden om de wet in eigen handen te nemen en hem te
vermoorden.
Ongetwijfeld rechtvaardigden zij zich hiervoor, voelend dat zij de
wil van God uitvoerden. Het zag er naar uit, dat Paulus vrijuit zou
mogen gaan. Zou aan de onbesneden Romeinen worden toegestaan de
juiste bestraffing van een verrader tegen de wet te verhinderen?*/[1]
Zo
verbonden zij zich met een plechtige eed, verklarende dat zij "niet
zouden eten noch drinken tot zij Paulus gedood zouden hebben"
(V.12). Hun verslag hiervan aan de leiders van het Sanhedrin toont
inderdaad de diepte aan van hun bitterheid, want zij zeiden
letterlijk: "Wij hebben onszelven met vervloeking vervloekt"
(V.14).
Het was aan de partij der Sadduceeכn
dat zij hun plan openbaarden (V.14, Cf.5:17), en hen dringend
verzochten om de overigen van de raad te overtuigen (V.15).
Het was een riskant plan, waarbij de sluipmoordenaars hun eigen
leven in gevaar brachten, niet alleen vanwege de ondervoeding maar
vanwege het Romeins gezag. De overste zou, daarvan waren zij zeker,
het Sanhedrin een gelegenheid tot verder verhoor in de zaak Paulus,
weigeren, speciaal omdat het de overste niet gelukt was de verlangde
informatie vanuit de zitting van de vorige dag te krijgen. De raad
moest daarom dus de aanwezigheid van Paulus verzoeken voor zo'n
verder onderzoek, en de veertig sluipmoordenaars zouden vanuit een
hinderlaag hem vermoorden als hij naar de zittingskamer zou worden
gebracht.
De
toestemming van de leiders van het Sanhedrin om deel te nemen in dit
complot (V.20) toont aan de verregaande onbeschaamdheid waartoe
gecultiveerde religieuse mensen kunnen komen (Cf. Matt.26:4;
Hand.6:11, etc.). Juist het feit, dat de sluipmoordenaars de
voornaamste dienaars van het Hoogste Gerechtshof konden benaderen,
hun complot aan hen konden openbaren en hen daarin betrekken, wijst
er op hoe bekend hun verachtelijke houding tegenover de wet was, die
zij toch geroepen waren te handhaven. Weer was Paulus in gevaar door
zijn eigen volksgenoten.
In
de ervaringen van de apostel in dit geval, zien we weer de trend van
bedeling in het Boek Handelingen zo duidelijk. Tweemaal werd Petrus
in vorige gevallen wonderbaarlijk bevrijd uit de gevangenis, toen
engelen verschenen om deuren te openen (Hand.5:19; 12:7-10). Paulus
zelf heeft enige jaren tevoren in Philippi gezien dat
gevangenisdeuren open vlogen en dat zijn ketenen wonderbaarlijk los
werden, maar nu, als zo'n wonder een heel groot doel zou kunnen
dienen, vindt geen wonder plaats. God had "Zijn handen" lang genoeg
"uitgestrekt naar dit tegensprekend volk"; waarom hun oordeel nog
langer doen toenemen door hen toe te staan hun ogen te sluiten voor
nog verder bewijs?
Maar deze trend wordt nog verder gezien in het feit, dat gedurende
de gevangenschap van Petrus in het eerste gedeelte van Handelingen,
de hele Judese gemeente "zonder onderbreking" voor hem bad. Maar nu,
hoewel het aantal gelovigen was vermenigvuldigd tot "vele
duizenden", en de Joodse gemeente in Jeruzalem sterk geworden was,
is er geen enkele aanwijzing dat iemand van hen - zelfs hun leiders
niet - iets deed om Paulus te helpen.
HET COMPLOT ONTDEKT
Maar God was besturend, hoewel niet direct tussenbeide
komend. Hij die "bij Paulus stond", de nacht tevoren, om hem te
bemoedigen, was er vandaag bij om Zijn belofte te bevestigen.
De
apostel had een zuster, wier zoon, in Gods voorziening, in die tijd
in Jeruzalem was. Of hij daar woonde met zijn moeder is niet
bekend, maar als dit zo was, zou het kunnen betekenen, dat zij geen
gelovigen waren, omdat Paulus niet bij hen ingetrokken was bij zijn
bezoek, noch lezen we dat hij enig contact had met hen.
De
apostel had gelovige verwanten in Rome (Rom.16:7,11), maar er is
geen aanwijzing dat enigen van zijn naaste familie gered waren, noch
enige reden om aan te nemen dat zij dat waren, want waarheid loopt
niet door in families.
Wellicht was de jongeman, net als zovele andere, slechts voor de
feestdagen in Jeruzalem. Maar het punt is, dat God de rechte
persoon, op de juiste tijd, op de rechte plaats had om het complot
om Paulus' leven, af te luisteren.
Of
de knaap ook al of niet sympathiek stond tegenover Paulus' zaak, dit
was zijn eigen vlees en bloed, en hij kon niet toestaan, dat hij in
koelen bloede zou worden vermoord. Bovendien geeft het verslag aan,
dat hij nog erg jong was, zodat hij niet gauw verdacht zou worden
van bedrog, zij het door Paulus of door Lysias.
De
apostel, nog steeds een onveroordeelde gevangene, werd blijkbaar
vastgehouden onder alleen een gebruikelijke vorm van militair gezag,
want het schijnt, dat zijn neef vrij toegang tot hem had (V.16;
Cf.24:23; 27:3; 28:16,30).
De
kalme tegenwoordigheid van geest en evenwichtigheid waarmee Paulus
reageerde op het verslag van de jongeman, was karakteristiek voor
hem. God had hem verzekerd, dat hij Rome zou bereiken, maar
daarvoor achtte hij het verslag niet als van geen belang voor zijn
veiligheid. Hij realiseerde zich, omdat God souverein is, dat
menselijke verantwoordelijkheid en initiatief, deel uitmaken van
Zijn plannen (Cf. Hand.27:24,31). Als hij een van de centurions
roept, zegt hij daarop eenvoudig: "Leid dezen jongeling heen tot
de overste; want hij heeft hem wat te boodschappen" (V.17).
De
centurion leidt dan de jongen naar Lysias met zijn boodschap van
"Paulus, de gevangene", een beschrijving die voortaan aan velen
bekend zal worden. De overste nu "nam hem bij de hand" naar een privי
ruimte en vroeg hem daar wat hij te vertellen had.
De
manier waarop Lysias de jongen ontving zou kunnen wijzen op de jeugd
van de jongen en Lysias' sympathieke belangstelling voor Paulus.
De
jongen vertelde met enig gevoel de feiten die hij had gehoord over
het complot, en smeekte de overste: "geloof hen niet; want meer
dan veertig mannen uit hen leggen hem lagen" (V.21).
HET COMPLOT VERIJDELD
"De overste dan liet de jongeling gaan, hem gebiedende: Zeg niemand
voort, dat gij mij zulks geopenbaard hebt.
"En zekere twee van de hoofdmannen over honderd tot zich geroepen
hebbende, zeide hij: Maakt tweehonderd krijsknechten gereed, opdat
zij tot Cesarea trekken, en zeventig ruiters, en tweehonderd
schutters, tegen de derde ure des nachts;
"En laat hen zadelbeesten bestellen, opdat zij Paulus daarop zetten
en behouden overbrengen tot de stadhouder Felix.
"En hij schreef een brief, hebbende deze inhoud:
"Claudius Lysias aan de machtigste stadhouder Felix groetenis.
"Alzo deze man van de Joden gegrepen was, en van hem opgebracht zou
geworden zijn, ben ik daarover gekomen met het krijgsvolk, en heb
hem hun ontnomen, bericht zijnde dat hij een Romein is.
"En willende de zaak weten, waarover zij hem beschuldigden, bracht
ik hem af in hun raad;
"Welken ik bevond beschuldigd te worden over vragen hunner wet, maar
geen beschuldiging tegen hem te zijn, die de dood of banden waardig
is.
"En als mij te kennen gegeven was, dat van de Joden een lage tegen
deze man gelegd zou worden, zo heb ik hem terstond aan u gezonden,
gebiedende ook den beschuldigers voor u te zeggen, hetgeen zij tegen
hem hadden. Vaarwel.
"De krijgsknechten dan, gelijk hun bevolen was, namen Paulus en
brachten hem des nachts te Antipratis.
"En des anderen daags, latende de ruiters met hem trekken, keerden
zij weder naar de legerplaats.
"Dewelke als zij te Cesarea gekomen waren en de brief den stadhouder
overgeleverd hadden, hebben zij ook Paulus voor hem gesteld.
"En de stadhouder de brief gelezen hebbende, vraagde, uit wat
provincie hij was; en verstaande, dat hij van Ciliciכ
was,
"Zeide hij: Ik zal u horen, als ook uw beschuldigers hier zullen
gekomen zijn. En hij beval, dat hij in het rechthuis van Herodus zou
bewaard worden."
- Hand.23:22-35.
Bij een zakelijk lezen van passages in het Nieuwe Testament, die
handelen over officieren in het Romeinse Leger, zullen de aan te
bevelen karakterkwaliteiten, die zij als klasse bezaten, indruk
moeten maken op ons denken. Wellicht dat de discipline in hun
militaire training deze goede handelwijze met zich bracht. De
centurion in Kapernaum, de centurion bij het kruis, Cornelius en
Julius, de hoofdman van de bende van Augustus, zijn sommigen die bij
ons in herinnering zijn gebleven.
Lysias, de overste van het Fort Antonia, was ook iemand die, hoewel
een heiden, karaktereigenschappen had die in fel contrast staan tot
de boze bedriegerij van de religieuse leiders van Israel.
Wij hebben zijn rechtschapenheid en zelfs zijn vriendelijkheid ten
opzichte van Paulus gezien; en indien hij in de opwinding van het
oproer een onrechtmatigheid had gepleegd, door Paulus te laten
binden om te geselen, was het ongetwijfeld alleen, omdat hij aannam
dat iemand in Paulus' positie zijn Romeins burgerschap onmiddelllijk
zou hebben geclaimd, als hij een Romein geweest was.
Het feit, dat Lysias de neef van Paulus "bij de hand" nam, zou
verder aanwijzing zijn, dat achter het ruwe uiterlijk gedrag van de
soldaat, er een vriendelijk en nobel hart aanwezig was.
Tegelijk nam de overste de officiכle
voorzichtigheid, eigen aan zijn positie, in acht. Eerst had hij de
jongen "privי" gehoord. Dan laat
hij hem gaan, zonder aan te geven welke maatregelen hij zou nemen,
alleen waarschuwde hij hem: "Zeg niemand voort, dat gij mij zulks
geopenbaard hebt." (V.22).
Dan handelt Lysias ook met de goede en snelle
afdoening van een goed getrainde legerofficier. Hij was
verantwoordelijk, niet alleen voor de veiligheid van een Romeins
burger, maar ook voor de bescherming van de openbare rust. Overtuigd
dat de jongen de waarheid had gesproken, en zich realiserend dat
zoiets precies was wat de Joodse ijveraars zouden kunnen doen, gaf
hij onmiddellijk orders aan twee van zijn hoofdmannen om tweehonderd
geregelde infanteristen (blijkbaar zwaar gewapend), samen met
zeventig
cavalaristen en tweehonderd boogschutters*/[2]
te zamelen. Het totale leger van vierhonderd en zeventig man zou
alzo voorbereid zijn om allerlei vormen van aanval te ontmoeten, en
hun vertrek werd uitgesteld tot de duisternis (9 P.M.) zodat niemand
hen kon achtervolgen, totdat de stadsdeuren om zes uur 's morgens
weer opengingen. Op die tijd zouden zij al negen uur marcherend op
weg zijn.
Het grote getal soldaten dat betrokken was bij de begeleiding van
Paulus naar Cesarea geeft aan, hoe gevaarlijk ongeregeld de situatie
in Jeruzalem was. Maar aan de andere kant zal Lysias, wiens sympathiכn
in die tijd duidelijk naar Paulus uitgingen, hem dit zware escorte
gegeven hebben om zijn prestige te verhogen, en om tegelijkertijd de
Joden te tonen, hoe hij een Romeins burger zou beschermen voor hun
vijandelijkheid.
Hoe genadig had God de plannen van Paulus vijanden verijdeld, - niet
door een demonstratie van wonderen, maar door de meest natuurlijke
loop der omstandigheden. Hoe moet het "Heb goeden moed" van de Here
in zijn oren hebben geklonken toen hij, even over negen, die zelfde
avond, op weg was naar Cesarea met een escorte als voor een koning!
En stel u voor de spijt van de hogepriesters toen zij, in plaats van
toestemming te krijgen om Paulus voor te laten komen voor verdere
ondervraging, werden afgewezen met het korte antwoord: "Ik heb hem
naar de gouverneur in Cesarea gezonden; u dient daarheen te gaan en
uw klacht daar in te dienen"!
De
brief van Lysias aan Felix laat verder zijn karakter en bekwaamheid
als Romeins officier zien, hoewel hij daarin toegeeft aan de
natuurlijke menselijke geneigdheid om zichzelf te beschermen voor
blaam, en zich voor Felix in het mooiste licht zet - zelfs door enig
verdraaien van de feiten tot zijn eigen voordeel.
De
verklaring van Lysias, dat hij de beschuldigers van Paulus bevolen
had om voor Felix te verschijnen, was ongetwijfeld gegrond. Het is
goed mogelijk dat de hogepriesters Paulus' aanwezigheid voor een
verder verhoor reeds hadden verzocht (V.21), en dat Lysias hun zijn
antwoord gegeven had, maar in ieder geval moet hij dat gedaan
hebben, voordat zijn brief door Felix werd gelezen.
Door het duister marcherend, begeleidden Lysias' troepen Paulus
veilig naar Antipatras, een afstand van ongeveer vijftig kilometers,
waarbij zeker het stadsvolk overal langs de weg wakker werd. Na hem
zover gebracht te hebben, marcheerden de vierhonderd infanteristen
en boogschutters terug naar Jeruzalem en begeleidde de cavalerie de
apostel het overige deel van de weg naar Cesarea. Het was niet
dienstig om het Fort Antonia langer te licht bemand te laten.
Uit het verslag zou kunnen blijken dat de cavalerie, zeker na een
poos gerust te hebben, haast maakte om de overige veertig kilometer
naar Cesarea diezelfde dag nog af te leggen, om nog bij daglicht de
stad te bereiken.
Wat zullen de gelovigen in Cesarea wel gedacht en gevoeld hebben
toen de vermoeide stoet de stad inreed met Paulus in hun
midden! Slechts enkele dagen tevoren had Agabus hem daar
gewaarschuwd voor de gevaren in Jeruzalem, waarbij hij voorspelde
dat hij zou worden overgeleverd in de handen der heidenen, en zij
allen, samen met Paulus' eigen medewerkers, hem hadden gesmeekt niet
te gaan (21:8-12). Nu was Agabus' profetie reeds vervuld en hun
vrees bevestigd. En welke gedachten moeten er in Paulus' hart
geweest zijn! Maar God was in dit alles, want op deze manier moest
Paulus de naam van Christus voor "koningen" dragen, zoals was
voorzegd in Hand.9:15, en een nog grotere bediening vervullen onder
de heidenen.
Als Paulus' beraamde sluipmoordenaars zich aan hun eed gehouden
hebben, zullen zij allen van honger gestorven zijn, maar Lightfoot
toont vanuit de Talmoed aan, dat zulke eden gemakkelijk konden
worden ingetrokken.
Toen de soldaten Paulus, en de brief van Lysias, aan Felix hadden
afgeleverd, informeerde de gouverneur uit welke provincie de
gevangene kwam. Toen hij hoorde dat hij een Ciliciכr
was, beloofde Felix hem een uitgebreide verhoring*/[3],
als zijn beschuldigers zouden arriveren. Intussen stelde hij hem in
bewaring in het rechthuis van Herodes.
|