|
H O O F D S T U K XLII - HAND. 23;1-11
PAULUS VOOR HET SANHEDRIN
"En Paulus de ogen op den Raad houdende, zeide; Mannen broeders, ik heb
met alle goede consciëntie voor God gewandeld tot op dezen dag.
"Maar
de hogepriester Ananias beval dengenen die bij hem stonden, dat zij hem op
den mond zouden slaan.
"Toen zeide Paulus tot hem: God zal u slaan, gij gewitte wand. Zit
gij ook om mij te oordelen naar de wet, en beveelt gij tegen de wet, dat
men mij zal slaan?
"En die daarbij stonden, zeiden: Scheldt gij den hogepriester Gods?
"En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester
was; want er is geschreven: Den overste uws volks zult gij niet vloeken.
"En Paulus wetende, dat het ene deel was van de sadduceeën en het
andere van de farizeeën, riep in den Raad: Mannen broeders, ik ben een
farizeeër, eens farizeeërs zoon; ik word over de hoop en opstanding der
doden geoordeeld.
"En als hij dit gesproken had, ontstond er tweedracht tussen de
farizeeën en de sadduceeën, en de menigte werd verdeeld.
"Want de sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel
noch geest, maar de farizeeën belijden het beide.
"En er geschiedde een groot geroep; en de schriftgeleerden van de
zijde der farizeeën stonden op en streden, zeggende: Wij vinden geen kwaad
in deze mens; en indien een geest tot hem gesproken heeft of een engel,
laat ons tegen God niet strijden.
"En als er grote tweedracht ontstaan was, de overste vrezende, dat
Paulus van hen verscheurd mocht worden, gebood dat het krijgsvolk zou
afkomen en hem uit het midden van hen wegrukken en in de legerplaats
brengen.
"En den volgenden nacht stond de Here bij hem, en zeide: Heb goeden
moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet
gij ook te Rome getuigen." - Hand.23:1-11.
EEN VERANDERING IN GEDRAG
Paulus had nu blijkbaar alle hoop om recht te verkrijgen uit handen
van zijn landgenoten verloren, want zijn gedrag en opstelling tegenover
zelfs de leden van het Sanhedrin verandert nu abrupt.
Nog gisteren had hij de menigte toegesproken met "Mannen, broeders,
en vaders", op de meest verzoenlijke wijze.
Nu, in verhoor voor het Sanhedrin, opent hij zelf de
gebeurtenissen, als hij hen aanspreekt als "Mannen broeders", waarbij hij
zich met hen op hetzelfde niveau plaatst en, zijn ogen strak op hen
gericht, bekent dat hij - konden zij dat ook zo zeggen? -
had geleefd voor God met een goed geweten, tot op deze dag.
Wanneer de hogepriester degenen die dicht bij hem staan beveelt hem
hiervoor op zijn mond te slaan, antwoordt hij met een stekende berisping.
Als hij daarvoor tot de orde geroepen wordt, verklaart hij, dat hij
zich niet had gerealiseerd dat het de hogepriester was, die deze order om
hem te slaan gegeven had. Hij verontschuldigt zich echter niet tegenover
de hogepriester, of neemt ook maar één woord terug van wat hij gezegd
heeft.
Hij gaat inderdaad zelfs nog verder, en verdeelt opzettelijk het
Sanhedrin door "uit te roepen", dat hij een farizeeër is.
Maar laat ons beginnen bij het begin. Eigenlijk kon het Sanhedrin
geen uiteindelijke beslissing nemen in deze zaak. Zij waren niet
samengeroepen om een beschuldiging te onderzoeken, gemaakt door de Joden
tegen Paulus. Het was Rome dat Paulus in bewaring had gesteld voor een
schijnbare vredebreuk en Lysias, de overste, had alleen het Sanhedrin
gevraagd hem te horen, zodat hij, de overste, de oorzaak van het
oproer kon vaststellen en beslissen of een formele beschuldiging tegen hem
kon worden ingebracht.
Paulus, dit snel begrijpend, begon hen toe te spreken,
waarbij hij niet op hen wachtte om hem in een formeel verhoor te
betrekken. Hij had meer reden, om van Rome recht te verwachten.
Dit alleen mag de hogepriester geërgerd hebben, maar wat Paulus
zei, en de manier waarop hij het zei, maakte hem woedend. Zich tot hen
richtend als zijns gelijke (V.1, ctr., 4:8; 7:2), richtte de apostel zijn
ogen op hen met een onderzoekende blik*/[1]
en maakte bedenkingen over hun integriteit door ernstig te verzekeren, dat
hij "voor God geleefd had met een goed geweten...tot op deze dag"**/[2]
(V.1).
Dit kon de hogepriester niet verdragen, daarbij zijn ware karakter
verradend, door hen die dicht bij Paulus stonden, te bevelen Paulus op
zijn mond te slaan. Hoe waar is het gezegde: "Hoe meer vrijheid door
despoten wordt genomen, des te minder staan zij hun ondergeschikten toe".
Deze brutale belediging, onwettig bevolen door een rechter, bracht
Paulus tot de verontwaardigde beschuldiging dat hij een "gewitte wand",
met name een hypokriet (Cf. Matt.23:27) was, die daar zat als rechter,
maar niettemin beval dat de beklaagde, in strijd met de wet, moest worden
geslagen.
De fout die bij de apostel gevonden werd was, dat hij niet dezelfde
lankmoedigheid vertoonde als zijn Here toen deze op gelijke wijze werd
aangevallen. In dit verband dient te worden opgemerkt, dat onze Here
speciaal naar de aarde gekomen was om de smaad en de straf voor de zonden
van anderen, in het bijzonder van Zijn volk Israel, op zich te nemen,
terwijl in dit geval Paulus voor de Israelische overheid stond na hun
uiteindelijke demonstratie van afkeer van hun Messias. De daden van
beiden, onze Here en Paulus in deze twee gevallen, zijn daarom kenmerkend;
het ene voor Gods barmhartigheid met Israel, het andere voor Zijn oordeel
over hen.
Het antwoord van de apostel tot hen die hem verwijten wegens
berisping van de hogepriester, wordt door sommigen begrepen als sarcasme.
Hoe kon Paulus, zo vragen zij zich af, zich vergist hebben bij het niet
herkennen van de voorzitter van het Sanhedrin? Hij moet daarom wel bedoeld
hebben: "Ik wist niet dat iemand die zo doet, mogelijk de hogepriester zou
kunnen zijn".
Wij nemen deze interpretatie echter niet over. Afgezien van de
beschouwing van het juist verwoorden hier van het origineel, is het te
betwijfelen dat Paulus' woorden bedoeld zouden zijn als een sarcastische
weerlegging. In de eerste plaats is het niets voor Paulus, om "kwaad te
spreken van overheden". Ten tweede, werden Israels hogepriesters in die
tijd van haar geschiedenis, met grote onregelmatigheid aangesteld,
gedeeltelijk als gevolg van nationaal verval van Gods geboden, en
gedeeltelijk vanwege Rome's aandringen, zodat de ene onrechtmatige
hogepriester na de andere zitting hield, en de raad bij tijden werd
voorgezeten door waarnemend "hogepriesters"*/[3].
Onder deze omstandigheden - en omdat Paulus nog maar kort in Jeruzalem was
- is het goed te begrijpen, dat hij de hogepriester niet heeft gekend.
Anderen menen dat Paulus' "Ik wist niet" betekent: "niet in
aanmerking nemen". Dan zouden Paulus' woorden een bekentenis zijn dat hij
te haastig gesproken zou hebben, en faalde bij het in aanmerking nemen van
de waardigheid van het ambt van Ananias. Maar in aanvulling van deze
enigszins geforceerde weergave van het origineel, is het logisch dat in
zo'n geval, Paulus zich bij de hogepriester zou hebben
verontschuldigd.
Had de apostel geweten dat het de hogepriester was die opdracht gaf
om hem te slaan, dan zou hij van berisping hebben afgezien, gedachtig aan
het gebod in Ex.23:28. Maar omdat hij het zo deed, verklaarde hij
eenvoudig hoe dit kwam, en nam hij noch zijn berisping, noch zijn
voorspelling terug. Temeer schande, dat de hogepriester schuldig
zou zijn aan zo'n duidelijke schending van de grondregels van het recht.
De woorden van Paulus waren toen toonbeelden van Gods houding
tegenover Israel en haar regeerders in die tijd. En wanneer de historie
juist is, werd Paulus' voorzegging spoedig daarna vervuld, want niet lang
daarna werd Ananias door een overvaller gedood.
Het is mogelijk, dat een dergelijke onverdiende uitval ook de
Farizeeërs pijn deed, omdat zij van de hogepriester vandaan kwam. Mem
dient te bedenken, dat waar de Farizeeën populairder en groter in aantal
waren, de Sadduceeën rijker en machtiger waren, en de hogepriester van
deze secte was (Zie Hand.4:6; 5:17).
Nu waren de Farizeeën een "strikte" secte (Hand.26:5) en terwijl
hun zware vooroordelen soms hun gevoel voor recht vervormde, konden zij
toch de ruwe en flagrante onverschilligheid voor de minste vorm van recht
niet nemen, noch hun laatdunken**/[4]
waarderen.
Paulus wist ook, dat eer een diepgaand leerverschil was tussen
Farizeeën en Sadduceeën. Daarom neemt hij het voordeel van de situatie, en
roept uit: "Mannen broeders, ik ben een farizeeër, eens farizeeërs
zoon*/[5];
ik word over de hoop en opstanding der doden geoordeeld (V.6). Daarmee
richt hij de aandacht van de oordelenden naar een onderwerp waarvan hij
weet, dat de Farizeeën aan zijn zijde zouden staan. Deze manoeuvre had een
direct effect. Bijna onmiddellijk "ontstond er tweedracht tussen de
farizeeën en de sadduceeën, en de menigte werd verdeeld" en "er
geschiedde een groot geroep; en de Schriftgeleerden van de zijde der
farizeeën stonden op en streden", om de vrijspraak van de apostel,
totdat de "tweedracht" zo "groot" was, dat de overste
bezorgd werd, "dat Paulus van hen verscheurd mocht worden", en zond
om zijn soldaten naar beneden te laten komen en hem met geweld mee te
nemen. Zo werd Paulus opnieuw onder de rechtspraak - en bescherming -
gebracht van het Romeinse gouvernement.
Wat een verschil tussen de eerbiedige, sympathieke, verzoenende
benadering van gisteren, en de ruwe wanordelijke taktiek van deze dag! Om
zichzelf aan de wettige macht van een afvallig Sanhedrin te onttrekken,
neemt hij het initiatief en houdt het, zich richtend tot hen.
Voordat hij zelfs beschuldigd is, berispt hij een wetgeleerde op een
onwettige fout, en roept hij uit dat hij een Farizeeër is, om hen te
verdelen en te verwarren.
En toch was de verklaring van de apostel uitdagend in twee
opzichten. Was het helemaal waarachtig van hem te zeggen dat hij nog
steeds een Farizeeër was, en dat het vanwege de hoop op de opstanding
was, dat hij in deze kwestie betrokken was?
Het antwoord op het eerste onderwerp is, dat hij zijn verklaring
duidelijk genoeg had gekwalificeerd. Het was overeenkomstig de leer van de
opstanding, dat hij een Farizeeër was. Op dezelfde manier, voor wat
betreft de leer van de eeuwige zaligheid van de gelovige, zouden wij mogen
zeggen: "Ik ben een Calvinist". De verklaring van de apostel was in geen
enkel opzicht misleidend, want zijn toehoorders begrepen heel goed, dat
hij nu niet was geassocieerd met de geïnstitueerde partij der Farizeeën.
Wat betreft het tweede onderwerp, ging Paulus inderdaad terug naar
de grondoorzaak waarom de Joden hem zo bitter haatten
- en hier kunnen we een belangrijke les in bedeling leren.
De besnijdenis-apostelen en de menigten van Joodse gelovigen in
Jeruzalem, hadden reeds jaren de opstanding van Christus geloofd en
verkondigd, en toch tolereerden hen de ongelovige Joden zelfs nu. Waarom
dan deze uitbarsting tegen Paulus? Dit kwam omdat hij, door openbaring, de
opstanding van "het zaad van David" verkondigde in een nieuw licht, als de
basis voor een proclamatie van vrijheid van de wet en redding
door genade voor zowel Jood als heiden (Zie 2Tim.2:7-9; Rom.4:22-25;
10:9, etc.). Dit was het waarom zij hem zo bitter tegenstonden.
Meer nog dan dit, was Paulus' uiteenzetting voor het Sanhedrin een
spitsvondige slag om verdeeldheid te veroorzaken en zijn eigen huid te
redden; het was een verklaring van de grondslag voor aanname of verwerping
van Christus.
DE HERE BEMOEDIGT PAULUS
De beproevende ervaringen waardoor de apostel moest gaan in deze
laatste weken en speciaal de laatste dagen, zullen hem wel uitgeput en
neerslachtig gemaakt hebben. Wat zou het einde zijn van deze opstand tegen
hem? Zou Lysias hem vrijspreken, of zouden er nog meer moeilijkheden
komen? Wat zou hij moeten doen als Lysias hem vrijsprak, hoe kon hij dan
levend uit Jeruzalem ontsnappen? Hoe moest het gaan met zijn plan om het
evangelie naar Rome te brengen; zou dit nu worden verhinderd? Het uitzicht
was duister.
Het was in die nacht, toen gedachten als deze de moede apostel
bezwaarden, dat - "de Here bij hem stond". Hoe schitterend! Het
schijnt niet dat er een metgezel bij hem was, noch deed de gemeente in
Jeruzalem of haar leiders iets om hem te helpen. Hij was alleen. Maar
"de Here stond bij hem, en zeide:
"Heb goeden moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van Mij
betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen"
(V.11).
Vele moeilijkheden mogen nog vóór hem liggen, en de weg mag lang
zijn, maar hij zou Rome bereiken met het evangelie. Ja, zo
bereidt God Zijn dienstknechten toe om door beproevingen heen te komen!
Hoe vredig is nu ineens de scene geworden! Een razende orkaan vlak achter
hem; een nog onbekend complot om hem te vermoorden vóór hem, maar hij
kan rusten in de zorg van Hem, "Die alle dingen werkt door de raad van
Zijn eigen wil.
Laten we echter niet meer in deze passage inlezen dan wat zij zegt,
of beschouw het als een ondersteuning van alles wat Paulus in
Jeruzalem gedaan had. Wat ook zijn fouten daar mochten zijn, hij had
edelmoedig getuigd van Christus, en hem is nu goddelijke zekerheid
gegeven, dat hem een gelegenheid zal worden gegeven om hetzelfde te doen
in Rome.
Dit is niet de enige crisis waarin Paulus bovennatuurlijke
ondersteuning werd gegeven. Hij was ondersteund in de gevaarlijke dagen in
Corinthe (18:9,10), en zou dat opnieuw worden, in de angstige storm op weg
naar Rome (27:22-24), en bij zijn eerste verschijning voor Caesar
(2Tim.4:16,17).
|