De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

              

H O O F D S T U K  XLI  -  HAND. 21:27 - 22:30

 

                HET OPROER IN JERUZALEM

"Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van Azië in de tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem.

"Roepende: Gij Israelietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk en de wet en deze plaats allen man overal leert; en bovendien heeft hij ook Grieken in de tempel gebracht en heeft deze heilige plaats ontheiligd.

Want zij hadden tevoren Trophimus, de Efeziër, met hem in de stad gezien, welken zij meenden dat Paulus in de tempel gebracht had.

"En de gehele stad kwam in roer, en het volk liep tezamen; en zij grepen Paulus en trokken hem buiten de tempel; en terstond werden de deuren gesloten.

"En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot de overste der bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.

"Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam, en liep af naar hen toe. Zij nu, de overste en de krijgsknechten ziende, hielden op van Paulus te slaan.

Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee ketenen zou binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had.

"En onder de schare riep de een dit, de ander wat anders. Doch als hij de zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de legerplaats zou brengen.

"En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de krijgsknechten gedragen werd, van wege het geweld der schare.

"Want de menigte des volks volgde al roepende: Weg met hem!

En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot de overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide kent gij Grieks?

"Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte en de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?

"Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te spreken.

"En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trappen, wenkte met de hand het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan in de Hebreeuwse taal zeggende: - Hand.21:27-40.

PAULUS GEGREPEN IN DE TEMPEL

De duizenden pelgrims die naar Jeruzalem reisden op de hoge feestdagen, zullen wellicht de grootste ijveraars der wet en der vaderlijke tradities geweest zijn. Ook van de ongelovige Joden die in Jeruzalem woonden, zullen er weinigen overgebleven zijn die Paulus gekend hebben, want het was nu meer dan vijfentwintig jaren geleden dat hij in Israel bekend was als de leider van de grote vervolging tegen Jezus.

Het waren dus "de Joden die uit Azië waren", die het grote oproer tegen Paulus in Jeruzalem begonnen.

Het was, toen de zeven reinigingsdagen bijna voleindigd waren, dat deze ijveraars hem in de tempel zagen en een geroep tegen hem begonnen. Zij hadden met hem Trophimus uit Ephese in de stad herkend, en veronderstelden nu dat hij "Grieken*/[1]...in de tempel" bracht, om zijn verachting voor Israel, de wet en de tempel te demonstreren.

Dat Paulus' bediening breedvoerig besproken - en misverstaan - werd is duidelijk uit het geroep: "Gij Israelische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die tegen het volk en de wet en deze plaats allen man overal leert" (V.28).

Dit was praktisch dezelfde beschuldiging waarop het Sanhedrin, samen met Saulus, jaren tevoren Stefanus hadden gestenigd (Hand.6:13). Nu hoort de apostel dezelfde beschuldiging van godslastering over hem uitgesproken. De beschuldiging was  natuurlijk volstrekt onwaar, evenals de toegevoegde beschuldiging, dat hij de tempel verontreinigd had door er Grieken in te brengen. Het was bestemd om het volk op te ruien tot verontwaardiging.

Opgravingen van de Palestine Exploration Society (Report for 1871,P.132) hebben een stuk steen aan het licht gebracht met een inscriptie, ontcijferd door M.Clermont Ganneau, die de afkeer aantoont waarmee de Joden neerzagen op de ontheiliging door heidenen van het binnenste gedeelte van de tempelbodem, uitsluitend geheiligd voor Joden. De inscriptie luidt:

"NIEMAND VAN VREEMD RAS MAG BINNEN DE BALUSTRADE EN HEKWERK DAT ROND DE TEMPEL STAAT TREDEN. INDIEN IEMAND DAARBIJ WORDT GEGREPEN, LAAT HIJ WEL WETEN DAT DE DOOD DIE DAAROP VOLGT AAN HEMZELF TE WIJTEN IS."

Zo'n geroep, aangeheven tegen iemand die reeds zo lang en zo wijdverbreid werd belasterd, had een onmiddellijk effekt.         Of Alexander, de Ephesische Jood (Hand.19:33,34; 2Tim.4:14,15) iets met dit oproer te maken had, wordt ons niet verteld, maar de aard van het oproer lijkt veel op dat in Ephese, enige jaren tevoren.

Plotseling was de gehele stad in beroering, het volk stroomde samen en sleepte**/[2] Paulus uit de tempel, terwijl de  tempeldeuren werden gesloten om verdere ontheiliging te voorkomen. Terwijl zij hem onwettig vastpakten, begonnen zij hem te slaan en waren er aan toe hem te doden, toen er iets gebeurde dat hen deed stoppen.

Vanaf de "burcht" van Anthonius, de barakken van de Romeinse soldaten die de orde handhaafden in Jeruzalem, kon de tempelplaats worden overzien. Nauwelijks was het tumult beneden begonnen of een rapport erover kwam binnen bij de "overste van de wacht"***/[3], die blijkbaar de dienst had. Onmiddelllijk rende de overste, Claudius Lysias, met een detachement soldaten naar beneden om te onderzoeken en de orde te herstellen.

Daarop "hielden de Joden op van Paulus te slaan" (V.32). Eens temeer was de apostel zijn behoud verschuldigd aan ingrijpen door burgerlijke autoriteiten.

PAULUS EN LYSIAS

In de veronderstelling dat Paulus verantwoordelijk was voor het tumult, nam de overste hem in bewaring en commandeerde zijn soldaten hem "met twee ketenen"*/[4] te binden. Hier reeds werd Agabus' profetie vervuld (Zie V.10,11).

Maar het tumult was zo groot, dat het voor Lysias onmogelijk was om te begrijpen waar het om ging. Zoals het in Ephese geweest was, zo ook hier, "sommigen schreeuwden dit, anderen dat" (Cf. V.4 met 19:32). Daarom gebood Lysias hem in de burcht te brengen, en Paulus moest door de soldaten de trappen worden opgedragen, zo groot was "het geweld der schare". In de tussentijd rees er één roep uit boven het woedende tumult; dezelfde roep die gehoord werd bij het verhoor van de Here Jezus: "Weg met hem!" En dit alles zelfs voordat de apostel was verhoord. Zo onredelijk en boos kan religieuse afgoderij mensen maken.

Men zou kunnen denken, dat na zo juist gered te zijn uit zo'n aanval door mensen met de bedoeling hem te doden, en onder het geloei en gekrijs om zijn leven, dat de apostel meer dan dankbaar was om in een plaats van bescherming en veiligheid gebracht te zijn. Maar zo was het niet. Hij was kennelijk de enige rustige persoon in die hele menigte. Zijn hart bloedde temeer voor degenen wier blinde, bittere haat tegen Christus, slechts de afspiegeling was van zijn eigen vroegere gevoelens, toen hij zijn volk had geleid in een brutale oorlog tegen Messias.

Zo geschiedde het, dat de apostel die in de burcht werd geleid, vol respect aan de overste in het Grieks vroeg: "Mag ik tot hen spreken?". Het feit dat Paulus hem in het Grieks aansprak, verraste de overste, die gedacht had dat hij een Egyptenaar was, met wie Rome onlangs moeilijkheden had gehad. En hier bewijst Paulus zijn opvoeding en zijn aristocratisch bewustzijn. Met kalme waardigheid maakt hij zich bekend, Lysias duidelijk makend, dat hij een inwoner is van Tarsen, "geen onvermaarde stad"**/[5], en verzoekt om een gelegenheid om tot het volk te spreken.

Deze tactvolle benadering, samen met zijn gedrag onder zulke omstandigheden, trof Lysias zo, dat hij hem permissie gaf de woedende menigte toe te spreken.

Maar nu staat Lysias voor een nieuwe verrassing, want Paulus keert zich boven aan de trappen om, teneinde de menigte toe te spreken, niet in het Grieks, wat allen konden verstaan, maar in het Hebreeuws! In zijn voorzichtigheid en zijn tegenwoordigheid van geest, had de apostel op zijn minst twee redenen hiervoor.

Allereerst om de Joden gunstig te stemmen. Zij zouden verwachten dat hij hen in het Grieks zou aanspreken; in plaats daarvan doet hij het in de taal die alleen de Besnijdenis verstaan kan, en die in hun gedachten verbonden is met al wat heilig is in het Judaïsme waar zij zo voor vochten. Dit zou hen eerder aanspreken als zijnde loyaal met Gods wet, dan als daarvan afvallig (Zie 22:2).

In de tweede plaats wenste hij niet, dat Lysias het zou verstaan. Tot Lysias had hij zojuist gezegd: "Ik ben...een Jood uit Tarsen...geen onvermaarde stad" (V.39), maar tegen de Joden zegt hij nu in het Hebreeuws: "Ik ben waarlijk...een Jood, geboren in Tarsen...niettemin opgevoed in deze stad..."(22:3). Voor hen plaatst hij Tarsen op de achtergrond en brengt  Jeruzalem op de voorgrond. Ook was het beter dat Lysias niet zou horen hoe hij velen van zijn volksgenoten "ten dode" had vervolgd, en zo de overste tegen hem bevooroordelen.

Hoe genadevol had God voorzien! Een oproer had Paulus verhinderd om de offeranden te offeren die hij op het punt stond te verrichten, hetgeen zijn getuigenis tot nul zou hebben gereduceerd. En nu, door datzelfde oproer, krijgt hij een gelegenheid om zijn volksgenoten toe te spreken in een groter aantal, dan dit had kunnen worden gearrangeerd op welke andere wijze ook. Zo'n verzameling had nooit kunnen worden opgeroepen, noch enig gebouw zo'n grote menigte bevatten. Hoe anders konden zoveel Joden uit Jeruzalem en uit de diaspora worden vergaderd om het slotgetuigenis over Christus te horen? En welke omstandigheden konden beter zijn gearrangeerd om hun grootste aandacht te trekken? Dit was zijn mogelijkheid. Zou hij hen tot Christus kunnen keren en hun "het goede nieuws van Gods genade" mogen verkondigen?

Toen de apostel "met zijn hand wenkte tot het volk" met dat karakteristieke gebaar, dat meer dan eens hem de aandacht van zijn toehoorders had doen verkrijgen (Zie Hand.13:16 en 26:1), kwam de menigte "tot grote stilte" (V.40). Toch was hier een groot gehoor wat de kracht van die stem, versterkt door veel spreken in het openbaar, op de proef zou stellen.

                PAULUS' VERWEER VOOR

                      DE MENIGTE

 

 Hij haalt de geschiedenis  van zijn bekering op

"Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik tegenwoordig tot u doen zal.  "(Als zij nu hoorden, dat hij in de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide:)  "Ik ben een Joods man, te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt; "Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen;"Gelijk mij ook de hogepriester getuigenis is, en de gehele Raad der ouderlingen; van welke ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus gereisd, om ook degenen die daar waren, gebonden te brengen naar Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. "Maar het geschiedde mij, als ik reisde en Damaskus genaakte, omtrent de middag, dat snellijk uit de hemel een groot licht mij rondom omscheen. "En ik viel ter aarde, en ik hoorde een stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?  "En ik antwoordde: Wie zijt gij Here? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus de Nazarener, Welken gij vervolgt.

"En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd, maar de stem Desgenen Die tot mij sprak, hoorden zij niet. "En ik zeide: Here, wat zal ik doen? En de Here zeide tot mij: Sta op en ga heen naar Damaskus; en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te doen.  "En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zo werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te Damaskus.

"En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis hebbende van al de Joden die daar woonden. "Kwam tot mij, en bij mij staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En ter zelver ure werd ik ziende op hem. "En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u tevoren verordineerd om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien, en de stem uit Zijn mond te horen. "Want gij zult Hem getuige zijn bij alle mensen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. "En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heren."    - Hand.22:1-16.

Het boek Handelingen bevat niet minder dan drie verslagen van Paulus' bekering. Het eerste is een eenvoudige vertelling van de geschiedenis door Lukas in Hoofdstuk 9, maar de andere twee zijn verontschuldigend van karakter, als Paulus zichzelf verdedigt, eerst voor de menigte hier in Jeruzalem, en dan voor Agrippa.

Tactloze predikers, die hun nuttig effekt verspelen door zogenaamd "open, recht op de man af" te zijn, meer geneigd tot aanval dan om te overtuigen, zouden er goed aan doen om deze toespraak van de Apostel Paulus te bestuderen. Het opmerkelijke feit hierbij is, niet dat hij faalde om zijn toehoorders te overtuigen, maar dat in zijn God-gegeven verstand om zichzelf open te geven voor zijn hoorders, hij in staat was hun ongedeelde belangstelling, zo lang als het kon, te boeien. Zeker is, dat we hier een van de merkwaardigste toespraken hebben voor wat betreft sympathie en tact, ernst, eerlijkheid en overtuigingskracht.

Het gebaar van de apostel had het tumult gekalmeerd, het gebruik van Hebreeuws had hem een ademloze stilte bezorgd, en nu zijn zijn woorden berekend om zijn toehoorders te winnen en sympathie voor zichzelf en zijn standpunt te verkrijgen.

Hij speekt hen vol respect aan met "broeders en vaders", op die manier zijn verwantschap met hen naar voren brengend. Hij had de Romeinse Lysias verteld dat hij was "een Jood uit Tarsen...geen onvermaarde stad" (21:39), maar tot dit gehoor wijst hij erop, dat terwijl hij was "geboren in Tarsen", hij "opgevoed was in deze stad (Jeruzalem)" (22:3). Tarsen komt op de achtergrond, en aan Jeruzalem wordt voorrang gegeven. Hij was inderdaad "onderwezen", of getraind, op de "perfecte" of juiste "wijze" waarin de vaders de wet hadden betracht (Cf.Gal.1:14) "aan de voeten van Gamaliël, "een leraar der wet", "in aanzien bij het gehele volk"*/[6] (5:34). Zeker toen, zal zijn huidige koers niet lichtvaardig worden geaccepteerd als zijnde het resultaat van zomaar een eigen idee.

Hij laat zien, dat hij deze uitbarsting van ijver voor God en Zijn wet, volstrekt begrijpt: "Ik... was*/[7] een ijveraar voor God, zoals gij allen heden zijt" (V.3, Cf. 21:28). Inderdaad, had hij hen overtroffen met zijn beslissing om weg te doen hetgeen hij dwaalleer beschouwde.

Met zijn verwijzing naar zijn leren aan de voeten van Gamaliël, geeft hij een aanwijzing dat hij een Pharizeër was, maar zegt dat niet, omdat anders de Sadduceën, met inbegrip van de meesten van de priesters, het oproer opnieuw zouden beginnen. Maar hij verwijst openlijk naar het getuigenis van de hogepriester en "de gehele raad der ouderlingen"**/[8] wat betreft zijn opdracht om de gelovigen in Damaskus te bestraffen. En hier vertelt hij hen ook weer gewiekst, dat hij "ontving", niet "verlangde" zoals in 9:1,2, brieven van volmacht voor Damaskus. Dit zou het vertrouwen aantonen, dat de Hebreeuwse leiders in hem hadden. En deze brieven, zo zegt hij, waren geadresseerd aan de "broederen" in Damaskus, een term die hij in deze toespraak zelfs voor zijn medegelovigen in Christus niet gebruikt.

Om verder te laten zien, dat hij niet alleen een ambitieus jongmens geweest was, dat probeerde iets nieuws te starten, beklemtoont hij het wonderbare in zijn bekering. Hij laat zien, hetgeen niet in Lukas' verslag staat, dat het "omtrent de middag" was, toen "een groot licht", feller dan de middagzon, hem omstraalde, en dat hij niet meer kon zien vanwege "de heerlijkheid van dit licht". En daarop zegt hij: "ik viel op de grond". Hij was vernederd door God, niet opgeblazen door een weinig kennis. Het was niets minder dan een wonderbare en heilige openbaring, die hem geleid had tot verandering van zijn loop, en tot het zeggen tegen Degene die hij zo bitter vervolgd had: "Wat wilt gij dat ik doen zal, Here?"***/[9]

De oorzaak van het grote oproer dat volgde op Paulus' toespraak, dient in gedachten te worden gehouden als we dit gedeelte van het verhaal lezen. De menigte maakte geen oproer toen Paulus vertelde hoe hij ontdekt had, dat Jezus de Messias was. Tienduizenden in Jeruzalem geloofden dit, en de rest tolereerde het (Zie 21:20). Wat hen zo woedend maakte, was Paulus' verkondiging van het volbrachte werk van de nu-verrezen Christus en het daarmee verbonden vervangen der wet door genade, afdoende voor onbesneden heidenen zowel als voor Joden (21:28). Dit was de kwestie, zelfs onder de gelovigen in Jeruzalem (Zie 21:20,21).

En dit is nog steeds de grote kwestie vandaag. "Christendom" als een zijtak van Judaïsme, met gelovigen in Christus onder de wet, wordt toegelaten, maar ware Christenheid, met haar vrij zijn van de wet en haar volheid van genade, kan niet worden toegelaten! Zelfs leiders van het Fundamentalisme noemen het iets vervloekts. Dit, het heerlijke alles-voldoende van Christus, is wat Satan haat, en wat bitter wordt tegengestaan.

Het was juist in de tijd van Paulus' bekering, dat de Here Zelf Paulus had opgedragen om naar de heidenen te gaan (26:17), en ook aan Ananias werd verteld, dat Paulus "een uitverkoren vat" was om Christus' naam "voor de heidenen..." te dragen (9:15). Maar, vol tact, bewaart de apostel hier het noemen van de heidenen, tot zijn verslag van zijn terugkeer naar Jeruzalem. Hand.22:21,22 toont duidelijk genoeg waarom het wijs was om terughoudend te zijn, zo lang als mogelijk was, door iets te zeggen wat bijna zeker de woede van zijn hoorders weer op zou wekken.

In zijn verwijzing naar Ananias laat de apostel opnieuw zijn buitengewone tact zien. Het verslag in Hand.9 beschrijft Ananias als een "discipel" in innige verbinding met Christus, maar hier noemt Paulus zelfs zijn geloof (hoewel het erin opgesloten is) niet. Integendeel verwijst hij naar hem als "een godvruchtig man naar de wet" en "goede getuigenis hebbende van al de Joden die daar woonden" (V.12), hetgeen uiteraard ook waar was. Dit zou hen een gevoel van verwantschap met Ananias geven, en hen verzekeren, dat hij geen gemeenschap wilde met een lasteraar, noch met een vroegere vervolger, tenzij er een duidelijke aanleiding was, dat God zijn hart had veranderd.*/[10]         Als hij zijn verzoeningspoging vervolgt, herinnert zich de apostel dat Ananias hem "Broeder Saulus" genoemd had, en ook verklaarde: "De God van onze vaderen heeft u uitverkoren..." En nu is het ogenblik dat hij verklaren kan, dat hij het uitverkoren vat is om de nieuwe bedeling in te leiden, want aan Ananias was opgedragen hem in te lichten, dat hij door God was uitverkoren: 1.) om "Zijn wil te kennen"**/[11] 2.) om "de Rechtvaardige te zien", Christus, 3.) om "de stem uit Zijn mond te horen" en 4.) om "Zijn getuige te zijn" van wat hij had "gezien en gehoord"***/[12]

Maar nu nadert hij opnieuw een gevaarlijk punt. Aan wie moest hij getuigenis brengen van wat hij gezien en gehoord had? Zoals we reeds hebben gezien, was dat hoofdzakelijk tot de heidenen. Hoe handig raakt hij dit punt aan, als hij de term "aan alle mensen" gebruikt!

Tenslotte vertelt hij hoe Ananias hem had geïnstrueerd:

"En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam des Heren" (V.16).

Wij hebben de doop van Paulus reeds besproken (zie commentaar bij Hand.9) maar hier zijn nog enige aanvullende punten die hier zullen worden beschouwd.

Ten eerste, is het duidelijk dat Paulus volstrekt bekeerd was op de weg naar Damaskus. Toch was in die tijd de waterdoop nog vereist tot redding (Mark.16:16), dus werd hij opgeroepen om "zijn zonden weg te wassen" door waterdoop. Niet dat water op zich zonden kon afwassen, maar als een uitdrukking van geloof. Als God zei, dat waterdoop nodig was om gered te worden, reageerde geloof, met te worden gedoopt.*/[13]

Ten tweede, geeft deze passage getuigenis van het falen van de "watergraf"-theorie van onze broeders die onderdompelen. Wij begraven geen mensen in water - evenmin als zij dat toen deden. Kan de lezer zich voorstellen, dat in de gevallen van Cornelius, Lydia, de stokbewaarder in Philippi, en in Paulus' geval hier, zij toevallig voldoende grote bassins met water hadden om mensen in te begraven? Er is zeker geen aanwijzing in de bovenaangehaalde gevallen, dat zij naar buiten gingen en de benodigdheden ophaalden, of de doopcandidaat naar een of andere plaats brachten waar zulke mogelijkheden gevonden werden. Deze ondoordachte theorie van begrafenis in water, komt van het verkeerde begrip, dat Rom.6:4 en Col.2:12 doelen op waterdopen.**/[14]

Waterdoop is een natuurlijk symbool voor afwassen, of reinigen, zoals deze passage en vele andere aangeven (Cf.Mark.7:1-5 waar baptizo tweemaal met wassen wordt weergegeven en waar het alternatief wordt gebruikt met nipto, een ander woord voor wassen; ook Hebr.9:10, waar het originele woord is baptismos).

Ten derde, dient te worden opgemerkt, dat Paulus hier weergeeft wat plaats greep ten tijde van zijn bekering. Hij werd bekeerd onder de bedeling waarin waterdoop vereist werd, en als  symbool werd hij gedoopt tot afwassing van zijn zonden, maar later wordt hetzelfde woord weergegeven met "wassen" (Gr. apolouo) als hij hier aan de Corinthiërs schrijft:

"En dit waart gij sommigen; MAAR GIJ ZIJT AFGEWASSEN, maar gij zijt geheiligd; maar gij zijt gerewchtvaardigd in de Naam van de Here Jezus en DOOR DE GEEST ONZES GODS" (1Cor.6:11).

En nog later schrijft hij aan Titus: "HEEFT HIJ ONS ZALIG GEMAAKT, NIET UIT DE WERKEN DER RECHTVAARDIGHEID DIE WIJ GEDAAN HADDEN, MAAR NAAR ZIJN BARMHARTIGHEID, DOOR HET BAD DER WEDERGEBOORTE EN VERNIEUWING DES HEILIGEN GEESTES" (Tit.3:5).

Hoewel de toespraak van de apostel nog niet beeindigd is, besluit dit wel het verslag van zijn bekering. Voordat we van dit onderwerp afstappen, wijzen we erop dat, waar de twaalven Christus alleen "gezien en gehoord" hadden in Zijn bediening op aarde, en opdracht hadden om getuigen van deze dingen te zijn (Hand.4:20), Paulus Hem gezien en gehoord had in Zijn glorie, "ver boven alles". Hij kreeg opdracht om hiervan getuigenis af te leggen, en van de andere openbaringen die hij nog van de verheerlijkte Here zou ontvangen (26:16). De slotwoorden van deze toespraak in Jeruzalem gaan over deze openbaringen.

TOT DIT WOORD TOE

"En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in de tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was."En dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen.  "En ik zeide: Here, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen geselde, die in U geloofden;  "En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige, vergoten werd, dat ik daar ook bij stond en mede een welbehagen had in zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen die hem doodden.  "En Hij zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden.  "Zij hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij leeft. "En als zij riepen en de klederen van zich smeten en stof in de lucht wierpen,

"Zo beval de overste dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht om wat oorzaak zij alzo over hem riepen." - Hand.17-24.

Paulus' bedoeling in zijn toespraak tot de menigte in Jeruzalem was niet uitsluitend om hun de geschiedenis van zijn bekering te vertellen. Er was meer te zeggen, en hij moet nu tot de kern komen.

Voorzichtig legt hij uit, hoe na zijn bekering en opdracht om "alle mensen" te vertellen wat hij gezien en gehoord had, naar Jeruzalem terugkeerde en naar de tempel ging om te bidden. En het was daar, in het Huis van God, terwijl hij in gebed was, dat in een zinsverrukking*/[15], de Here hem gebood Jeruzalem met haast te verlaten, daar zij zijn getuigenis van Hem niet zouden aannemen. We weten uit het verslag in Hand.9, dat zijn leven ook op dat ogenblik in gevaar was (V.29), maar het zou niet verstandig zijn dit nu hier ter sprake te brengen. De apostel toont juist aan hoe hij er naar verlangde om te blijven, en met zijn volk mee te werken, door hun te herinneren hoe hij de Here Zelf in dit geval had tegengesproken. Hij wees erop, dat deze mensen wisten hoe hij hen, die in Christus geloofden, gevangen nam en sloeg, en hoe hij zelfs deelnam aan het doden van Stefanus, door op de kleren te passen van hen die hem stenigden, zodat zij zeker naar zijn getuigenis zouden luisteren.

Hij laat uitkomem, hoe onjuist en onwaar het is, dat hij tegen het volk, tegen de wet, en tegen de tempel geweest zou zijn.! Toch vinden we in zijn verwijzingen naar zijn vervolging van gelovigen in Christus en de steniging van Stefanus, een nobel voorbeeld van iemand die publieke zonde in het publiek tracht te herstellen, en daarbij zichzelf de schuld geeft van hun ongeloof.

Maar hij herinnert hoe de Here hem niet toestond om te blijven, en hem tenslotte sommeerde: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (V.21).

Dit kon zeker niet slaan op een privéreis die Paulus ging maken, maar op het werkgebied dat voortaan het zijne zou zijn. De menigte heeft het zeer zeker zo verstaan.

Zo erkent dus de apostel, dat de Here Zelf hem had geïnstrueerd om Jeruzalem te verlaten. Ook dat zij niet zouden luisteren, en toch smeekte hij hen - onder zulke omstandigheden! Kon hij een groter bewijs van zijn liefde voor hen geven?

Inderdaad zou de apostel doorgegaan zijn om zijn rede af te sluiten met een verkondiging van Gods genade (Zie 20:24) en een smeekbede aan zijn toehoorders om deze genade aan te nemen, maar dit is weer een van de onderbroken toespraken uit het Boek Handelingen. Zij stonden hem niet toe uit te spreken.

Hij had tot nu toe vermeden de heidenen te noemen, dit uitstellende totdat hij eerst de Joden getoond zou hebben hoe hij hen liefhad, en hoe hij slechts op speciaal, herhaald goddelijk bevel, het uitverkoren volk had verlaten om naar de heidenen te gaan. Maar zij "gaven hem gehoor" slechts "tot aan dit woord". Dan, als vuur dat tot een ontploffing leidt, barsten zij uit in een demonstratie van ongecontroleerde woede, die de toespraak van de apostel onmiddellijk beëindigde.

Zij zouden geinteresseerd hebben kunnen zijn in de redding van de heidenen (Zie Gen.22:18; Jes. 56:6-8), maar hun intense nationale trots had hen geheel verblind voor al het overige wat de apostel had gezegd, zodat zij schreeuwden: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij leeft!" En "als zij riepen", "smeten zij hun klederen*/[16] van zich en wierpen stof in de lucht".

Heidenen! Dus dat zou de climax zijn! Nu was hij te ver gegaan! Stel je voor, deze afvallige van de wet, deze verrader van zijn volk, een visioen uit de hemel en een zinsverrukking in de tempel erbij halend tot zijn verdediging, en dan de poorten van heilige aanbidding opengooien voor deze "zondaars uit de heidenen", deze onbesneden honden! Zij wilden geen enkel woord meer horen. Deze man moest ter dood gebracht worden.

Helaas was Paulus' hopen, en waren zijn gebeden aangaande Jeruzalem niet verwezenlijkt. Het "verlangen van zijn hart en gebed tot God...dat zij gered zouden worden" (Rom.10:1) was niet vervuld. Het was hem niet vergund "het evangelie van Gods genade" (Hand.20:24) aan hen te verkondigen. Hij was niet "verlost van hen die niet geloofden in Judea" (K.J.V.), evenmin was daar de offerbijdrage van de heidengemeenten "door de heiligen opgenomen" (N.B.G.). Toen zij het geld aannamen (hetgeen ons niet wordt verteld), heeft het zeker niet gediend om hen nader te brengen tot hun heidense broeders in Christus.

Als de ongelovige Joden de bittere vijanden waren van Paulus, dan waren "Jakobus en de ouderlingen" samen met enkele van de apostelen die erbij tegenwoordig waren, wel zijn twijfelachtige vrienden. Noch nu, noch later, vinden we er een die aan zijn zij staat, zelfs hoewel Jakobus, Cephas en Johannes officieel, en in het openbaar, hem enige jaren tevoren hadden erkend als de apostel der genade en de apostel der heidenen.

Inderdaad had het voorstel dat Jakobus en zijn partij Paulus hadden gedrongen op te volgen, niets opgebracht - dan dit oproer - terwijl zij op de achtergrond bleven.

Toch had de apostel alleen uit liefde voor zijn volksgenoten gehandeld. Het was in Gods voorzienigheid, dat Israel een laatste bewogen getuigenis voor Christus ontving van de lippen van iemand die zelfs geinstrueerd was om hen aan hun lot over te laten.

Zeker was de geinspireerde profetie van Jesaja letterlijk in vervulling gegaan: "Maar tegen Israel zegt Hij: DEN GEHELEN DAG HEB IK MIJN HANDEN UITGESTREKT  TOT EEN ONGEHOORZAAM EN TEGENSPREKEND VOLK" (Rom.10:21).

Maar nu zou de apostel een andere proef moeten doorstaan. Zijn toespraak in het Hebreeuws had het karakter gehad van een vertrouwelijke verhandeling, alleen tot de Joden, met het resultaat dat Lysias en zijn soldaten slechts konden luisteren met een vergeefse belangstelling en wellicht ongeduldige verdenking. En nu, bij dit hernieuwde en aanhoudende oproer, verdacht Lysias kennelijk Paulus van schuld aan een of andere erge misdaad.

Daarom beval hij dat Paulus in de legerplaats zou worden gebracht om hem "met geselen te onderzoeken" (V.24). Dit was veel erger dan ons zogenaamde "derde graads" verhoor. Het was een reeks zweepslagen, die dienden om een misdaad te doen bekennen.

            PAULUS LAAT OPNIEUW ZIJN RECHTEN

               ALS ROMEINS BURGER GELDEN

 

"En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeins mens, en dien onveroordeeld, te geselen? "Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is een Romein. "En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja.  "En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik ben ook een burger geboren.  "Terstond dan lieten zij van hem af, die hem zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden."En des anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht hebbende, stelde hij hem voor hen."       - Hand.22:25-30.

De apostel was in die tijd een beproefd krijgsman voor Christus. Hij had reeds "in slagen uitnemender" geleden. "Van de Joden" had hij "vijfmaal ontvangen...veertig min één slagen"*/[17]. "Driemaal" was hij "met roeden geslagen", door Romeinse lectoren (Zie 2Cor.11:23-25). Nu zou het de Romeinse zweep worden.

Maar toen zij hem met riemen**/[18] aan de paal bonden, ongetwijfeld met ontbloot bovenlichaam (Cf. 16:22), vroeg hij de centurion die erbij stond; "Is het ulieden geoorloofd een Romeins mens, en dien onveroordeeld, te geselen?"

Let hier op de klemtoon. Een tweevoudige onwettigheid zou zijn uitgevoerd.

En het was - inderdaad - een inbreuk op de Romeinse wet om een Romeins burger te geselen. Hoeveel meer een flagrante inbreuk om hem zelfs zonder verhoor te geselen!

Het effekt van de kalme vraag was onmiddellijk! De centurion, in wiens handen het brute onderzoek blijkbaar was gelegd, ging onmiddellijk naar de overste en riep uit: "Wat zijt gij aan het doen? Deze man is een Romein!"

Hierdoor kwam de overste met de verbaasde vraag: "Zijt gij een Romein? Hij was verrast toen hij hem Grieks hoorde spreken; daarna weer toen hij Hebreeuws sprak. En was hij nu ook nog een Romeins burger? In het korte, misschien wel afgebeten antwoord van Paulus, "Ja", zal wel een bedenking over het haastig besluit van de overste tot uitdrukking zijn gekomen.

Verrast wordt Lysias vriendelijk, zelfs vertrouwelijk met Paulus, en legt uit hoe het hem een grote som geld gekost heeft om Romeins burger te worden.*/[19] Maar Paulus, nog steeds in  voordeels positie, antwoordt simpel: "Ik ben een geboren (Romeins) burger".

Hierop "lieten van hem af", allen die klaar stonden om hem te "onderzoeken". Niemand wenste erbij betrokken te worden. En de overste, die oorspronkelijk de order gegeven had voor het geselen, "werd bevreesd".

Niet ver van deze plaats werd de Here Jezus Christus gegeseld door de Romeinen, maar toch kon en maakte Paulus nu aanspraak op uitzondering wegens Romeins burgerschap. Het verslag in Handelingen geeft inderdaad in verschillende gevallen weer, hoe hij zich beroept op zijn Romeins burgerschap. Hiervoor waren verschillende redenen, maar de reden vanuit het oogpunt der bedeling is wellicht het meest belangrijk, want de Geest wilde op doe wijze het heidens karakter van zijn apostelschap en bediening benadrukken.

Deze trouwe dienaar van God had ernstig getuigd tot het uitverkoren volk als "een Jood" (V.3) en zij waren erop uit om hem te doden. Maar toen hij zich presenteerde aan de heidenen als "een Romein" (V.25), werd zijn woord onmiddellijk geaccepteerd, en werd hij met respect behandeld.

Maar hier is voor ons nog een verdere les, gezien vanuit de bedeling. Paulus, de vroegere vijand van Christus, nu verzoend door genade, en hier staande als "een Jood" en "een Romein" in één "persoon", is de natuurlijke vertegenwoordiger van de Gemeente van deze huidige bedeling, de "nieuwe mens", samengesteld uit Joden en heidenen, verzoend door God in één lichaam, door het kruis (Zie Eph.2:14-16). Dat deze bedeling begon te lichten en het "ene Lichaam" gestalte gegeven werd, is duidelijk uit wat hij reeds geschreven had aan de Corinthiërs en de Romeinen (Zie 1Cor.12:13,27; Rom.12:5).

Paulus' schitterende combinatie in zichzelf in dit alles,  had hem en zijn geval, door God, in een voordeels positie geplaatst. Lysias zou werkelijk blij geweest zijn als hij, net als de bestuurders van Philippi in dezelfde verlegenheid, de apostel had kunnen laten gaan met een verontschuldiging*/[20]. Maar Jeruzalem was niet Philippi. Daar was de boze menigte die riep om zijn doodvonnis. Op zijn minst zou Paulus' protest de overste stijven in zijn beslissing, dat recht zou worden gedaan.

Nog in het duister voor wat betreft de aanklacht van de Joden tegen Paulus, maakte Lysias hem de volgende dag "los van de banden"**/[21] (V.30), riep een vergadering van het Sanhedrin bijeen, en zette Paulus voor hen, zodat formele beschuldigingen tegen hem konden worden ingebracht.

Blijkbaar werd deze zitting niet in de gebruikelijke kamers van het Sanhedrin gehouden, want Romeinse soldaten was het niet geoorloofd daarbinnen te komen, noch in de legerplaats, want Paulus moest later daar naar toe "afgebracht" worden (Zie 22:30; 23:10).

Het feit dat een gewone "hoofdman" over duizend Romeinse soldaten het Joodse Sanhedrin kon samenroepen voor een vergadering, wijst erop hoe onderworpen Israel, en zelfs haar Hoogste Gerechtshof, ten opzichte van Rome geworden was.


    [1]*/Voetnoot: De vier mannen voor welke Paulus nu offers zou brengen waren wellicht bij hem en werden voor Grieken gehouden.

    [2]**/Voetnoot: Gr., Helko

    [3]***/Voetnoot: "Overste" Gr. chilliarch, "hoofdman over duizend"; Gr. speira, één van de tien divisies van een legioen, of ongeveer 600 mannen.

    [4]*/Voetnoot: Waarschijnlijk met de polsen aan twee soldaten (Cf.12:6).

    [5]**/Voetnoot: Een stad, hoog in aanzien bij het Romeinse gouvernement.

    [6]*/Voetnoot: Inderdaad nog steeds beschouwd als een der grootste rabbies die Israel ooit voortbracht.

    [7]*/Voetnoot: Zie hoe verstandig hij invoegt, dat hij niet langer meer zo is (Cf. Gal.1:14), terwijl Hand.21:20 ons inlicht, dat zelfs de Joodse gelovigen in Judea nog ijveraars voor de wet waren.

    [8]**/Voetnoot: Blijkbaar een groter college dan het Sanhedrin (hoewel daarin wel opgenomen) en overeenkomend met "al de oudsten der kinderen Israels" in Hand.5:21.

    [9]***/Voetnoot: Er bestaat geen tegenstelling tussen Hand.9:7 en 22:3, Paulus' metgezellen hoorden de stem, maar hoorden niet "de stem van Hem die tot mij sprak" i.c., zij verstonden niets van wat er gezegd werd.

    [10]*/Voetnoot: Ananias' weerstand tegen het bezoeken van Paulus bevestigt dit als zijnde waar (Zie Hand.9:13,14).

    [11]**/Voetnoot: Dit kon geen betrekking hebben op Zijn wil ten aanzien van Paulus, want waarom zou hij zijn "uitverkoren" om dat te weten? Aan wie anders zou het worden geopenbaard? Klaar en duidelijk slaat het op de wil van God, waarover wordt gesproken in Eph.1:9,11; 5:17. Zijn wil, of programma, met het oog op Israels verwerping van Christus.

    [12]***/Voetnoot: Zie het boek van de auteur getiteld: Moses and Paul, Pp.20-28.

    [13]*/Voetnoot: Zie het hoofdstuk over De Principes en Bedelingen van God, in het boek van de auteur The Fundamentals of Dispensationalism.

    [14]**/Voetnoot: Voor uitgebreider bespreking van dit onderwerp zie Real Baptism, door Charles F.Baker.

    [15]*/Voetnoot: Gr., ekstasis, een buiten zichzelf zijn.

    [16]*/Voetnoot: I.c. hun bovenklederen. De apostel wist goed wat dit betekende. Zij waren bereid hem te stenigen als de overste hem slechts aan hun wilde overgeven (Zie 22:20).

    [17]*/Voetnoot: Veertig was niet geoorloofd, bevreesd dat het slachtoffer zou sterven.

    [18]**/Voetnoot: Lett., banden. Het woord is driemaal weergegeven met "veters" onder verwijzing naar de banden van de sandalen van onze Here (Mark.1:7; Luk.3:16; Joh.1:27).

    [19]*/Voetnoot: Sommigen denken dat Lysias deze zaak ophaalde, omdat hij eraan twijfelde dat een arme Jood mogelijk een Romeins burger geweest zou zijn. Wij wijzen dit af, omdat 1.) Paulus niet het type was om door bluffen tijdelijk voordeel te behalen en dus grotere straf zou riskeren, 2.) Het Romeins burgerschap werd om verschillende redenen aan vele arme mensen verleend, en 3.) wij geloven niet dat Paulus in die tijd arm was, zoals we zullen aantonen als we zijn financiele status in deze periode van zijn bediening zullen behandelen.

    [20]*/Voetnoot: Zie de opmerkingen bij Hand 16:35-40.

    [21]**/Voetnoot: Een woord, verschillend van "riemen" in V.25. Het was niet naar de wet om een Romeinse      evangene in ketenen te houden (Zie 26:29; Col.4:3; 2Tim.2:9).

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011