|
H O O F D S T U K XLI - HAND. 21:27 - 22:30
HET OPROER IN JERUZALEM
"Als nu de zeven dagen zouden voleindigd worden, zagen hem de Joden van
Azië in de tempel, en beroerden al het volk, en sloegen de handen aan hem.
"Roepende: Gij Israelietische mannen, komt te hulp! Deze is de mens, die
tegen het volk en de wet en deze plaats allen man overal leert; en
bovendien heeft hij ook Grieken
in de tempel gebracht en heeft deze heilige plaats ontheiligd.
Want zij hadden tevoren Trophimus, de Efeziër, met hem in de stad gezien,
welken zij meenden dat Paulus in de tempel gebracht had.
"En de gehele stad kwam in roer, en het volk liep tezamen; en zij
grepen Paulus en trokken hem buiten de tempel; en terstond werden de
deuren gesloten.
"En als zij hem zochten te doden, kwam het gerucht tot de overste der
bende, dat geheel Jeruzalem in verwarring was.
"Welke terstond krijgsknechten en hoofdmannen over honderd tot zich nam,
en liep af naar hen toe. Zij nu, de overste en de krijgsknechten ziende,
hielden op van Paulus te slaan.
Toen naderde de overste en greep hem, en beval dat men hem met twee
ketenen zou binden, en vraagde wie hij was en wat hij gedaan had.
"En onder de schare riep de een dit, de ander wat anders. Doch als hij de
zekerheid niet kon weten vanwege de beroerte, beval hij, dat men hem in de
legerplaats zou brengen.
"En als hij aan de trappen gekomen was, gebeurde het, dat hij van de
krijgsknechten gedragen werd, van wege het geweld der schare.
"Want de menigte des volks volgde al roepende: Weg met hem!
En als Paulus nu in de legerplaats zou geleid worden, zeide hij tot de
overste: Is het mij geoorloofd tot u wat te spreken? En hij zeide kent gij
Grieks?
"Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die voor deze dagen oproer verwekte en
de vierduizend moordenaars naar de woestijn uitleidde?
"Maar Paulus zeide: Ik ben een Joods man van Tarsen, een burger van geen
onvermaarde stad in Cilicië, en ik bid u, laat mij toe tot het volk te
spreken.
"En als hij het toegelaten had, Paulus staande op de trappen, wenkte met
de hand het volk; en als er grote stilte geworden was, sprak hij hen aan
in de Hebreeuwse taal zeggende:
- Hand.21:27-40.
PAULUS GEGREPEN IN DE TEMPEL
De duizenden pelgrims die naar Jeruzalem reisden op de hoge feestdagen,
zullen wellicht de grootste ijveraars der wet en der vaderlijke tradities
geweest zijn. Ook van de ongelovige Joden die in Jeruzalem woonden, zullen
er weinigen overgebleven zijn die Paulus gekend hebben, want het was nu
meer dan vijfentwintig jaren geleden dat hij in Israel bekend was als de
leider van de grote vervolging tegen Jezus.
Het waren dus "de Joden die uit Azië waren", die het grote oproer tegen
Paulus in Jeruzalem begonnen.
Het was, toen de zeven reinigingsdagen bijna voleindigd waren, dat deze
ijveraars hem in de tempel zagen en een geroep tegen hem begonnen. Zij
hadden met hem Trophimus uit Ephese in de stad herkend, en veronderstelden
nu dat hij "Grieken*/[1]...in
de tempel" bracht, om zijn verachting voor Israel, de wet en de tempel te
demonstreren.
Dat Paulus' bediening breedvoerig besproken - en misverstaan - werd is
duidelijk uit het geroep: "Gij Israelische mannen, komt te hulp! Deze
is de mens, die tegen het volk en de wet en deze plaats allen man overal
leert" (V.28).
Dit was praktisch dezelfde beschuldiging waarop het Sanhedrin, samen met
Saulus, jaren tevoren Stefanus hadden gestenigd (Hand.6:13). Nu hoort de
apostel dezelfde beschuldiging van godslastering over hem uitgesproken. De
beschuldiging was natuurlijk volstrekt onwaar, evenals de toegevoegde
beschuldiging, dat hij de tempel verontreinigd had door er Grieken in te
brengen. Het was bestemd om het volk op te ruien tot verontwaardiging.
Opgravingen van de Palestine Exploration Society (Report for 1871,P.132)
hebben een stuk steen aan het licht gebracht met een inscriptie,
ontcijferd door M.Clermont Ganneau, die de afkeer aantoont waarmee de
Joden neerzagen op de ontheiliging door heidenen van het binnenste
gedeelte van de tempelbodem, uitsluitend geheiligd voor Joden. De
inscriptie luidt:
"NIEMAND VAN VREEMD RAS MAG BINNEN DE BALUSTRADE EN HEKWERK DAT ROND DE
TEMPEL STAAT TREDEN. INDIEN IEMAND DAARBIJ WORDT GEGREPEN, LAAT HIJ WEL
WETEN DAT DE DOOD DIE DAAROP VOLGT AAN HEMZELF TE WIJTEN IS."
Zo'n geroep, aangeheven tegen iemand die reeds zo lang en zo wijdverbreid
werd belasterd, had een onmiddellijk effekt. Of Alexander,
de Ephesische Jood (Hand.19:33,34; 2Tim.4:14,15) iets met dit oproer te
maken had, wordt ons niet verteld, maar de aard van het oproer lijkt veel
op dat in Ephese, enige jaren tevoren.
Plotseling was de gehele stad in beroering, het volk stroomde samen en
sleepte**/[2]
Paulus uit de tempel, terwijl de tempeldeuren werden gesloten om verdere
ontheiliging te voorkomen. Terwijl zij hem onwettig vastpakten, begonnen
zij hem te slaan en waren er aan toe hem te doden, toen er iets gebeurde
dat hen deed stoppen.
Vanaf de "burcht" van Anthonius, de barakken van de Romeinse soldaten die
de orde handhaafden in Jeruzalem, kon de tempelplaats worden overzien.
Nauwelijks was het tumult beneden begonnen of een rapport erover kwam
binnen bij de "overste van de wacht"***/[3],
die blijkbaar de dienst had. Onmiddelllijk rende de overste, Claudius
Lysias, met een detachement soldaten naar beneden om te onderzoeken en de
orde te herstellen.
Daarop "hielden de Joden op van Paulus te slaan" (V.32). Eens temeer was
de apostel zijn behoud verschuldigd aan ingrijpen door burgerlijke
autoriteiten.
PAULUS EN LYSIAS
In de veronderstelling dat Paulus verantwoordelijk was voor het tumult,
nam de overste hem in bewaring en commandeerde zijn soldaten hem "met twee
ketenen"*/[4]
te binden. Hier reeds werd Agabus' profetie vervuld (Zie V.10,11).
Maar het tumult was zo groot, dat het voor Lysias onmogelijk was om te
begrijpen waar het om ging. Zoals het in Ephese geweest was, zo ook hier,
"sommigen schreeuwden dit, anderen dat" (Cf. V.4 met 19:32). Daarom gebood
Lysias hem in de burcht te brengen, en Paulus moest door de
soldaten de trappen worden opgedragen, zo groot was "het geweld der
schare". In de tussentijd rees er één roep uit boven het woedende tumult;
dezelfde roep die gehoord werd bij het verhoor van de Here Jezus: "Weg
met hem!" En dit alles zelfs voordat de apostel was verhoord. Zo
onredelijk en boos kan religieuse afgoderij mensen maken.
Men zou kunnen denken, dat na zo juist gered te zijn uit zo'n aanval door
mensen met de bedoeling hem te doden, en onder het geloei en gekrijs om
zijn leven, dat de apostel meer dan dankbaar was om in een plaats van
bescherming en veiligheid gebracht te zijn. Maar zo was het niet. Hij was
kennelijk de enige rustige persoon in die hele menigte. Zijn hart bloedde
temeer voor degenen wier blinde, bittere haat tegen Christus, slechts de
afspiegeling was van zijn eigen vroegere gevoelens, toen hij zijn volk had
geleid in een brutale oorlog tegen Messias.
Zo geschiedde het, dat de apostel die in de burcht werd geleid, vol
respect aan de overste in het Grieks vroeg: "Mag ik tot hen spreken?".
Het feit dat Paulus hem in het Grieks aansprak, verraste de overste, die
gedacht had dat hij een Egyptenaar was, met wie Rome onlangs moeilijkheden
had gehad. En hier bewijst Paulus zijn opvoeding en zijn aristocratisch
bewustzijn. Met kalme waardigheid maakt hij zich bekend, Lysias duidelijk
makend, dat hij een inwoner is van Tarsen, "geen onvermaarde stad"**/[5],
en verzoekt om een gelegenheid om tot het volk te spreken.
Deze tactvolle benadering, samen met zijn gedrag onder zulke
omstandigheden, trof Lysias zo, dat hij hem permissie gaf de woedende
menigte toe te spreken.
Maar nu staat Lysias voor een nieuwe verrassing, want Paulus keert zich
boven aan de trappen om, teneinde de menigte toe te spreken, niet in het
Grieks, wat allen konden verstaan, maar in het Hebreeuws! In zijn
voorzichtigheid en zijn tegenwoordigheid van geest, had de apostel op zijn
minst twee redenen hiervoor.
Allereerst om de Joden gunstig te stemmen. Zij zouden verwachten dat hij
hen in het Grieks zou aanspreken; in plaats daarvan doet hij het in de
taal die alleen de Besnijdenis verstaan kan, en die in hun gedachten
verbonden is met al wat heilig is in het Judaïsme waar zij zo voor
vochten. Dit zou hen eerder aanspreken als zijnde loyaal met Gods wet, dan
als daarvan afvallig (Zie 22:2).
In de tweede plaats wenste hij niet, dat Lysias het
zou verstaan. Tot Lysias had hij zojuist gezegd: "Ik ben...een Jood uit
Tarsen...geen onvermaarde stad" (V.39), maar tegen de Joden
zegt hij nu in het Hebreeuws: "Ik ben waarlijk...een Jood, geboren in
Tarsen...niettemin opgevoed in deze stad..."(22:3). Voor hen
plaatst hij Tarsen op de achtergrond en brengt Jeruzalem op de voorgrond.
Ook was het beter dat Lysias niet zou horen hoe hij velen van zijn
volksgenoten "ten dode" had vervolgd, en zo de overste tegen hem
bevooroordelen.
Hoe genadevol had God voorzien! Een oproer had Paulus verhinderd om de
offeranden te offeren die hij op het punt stond te verrichten, hetgeen
zijn getuigenis tot nul zou hebben gereduceerd. En nu, door datzelfde
oproer, krijgt hij een gelegenheid om zijn volksgenoten toe te spreken in
een groter aantal, dan dit had kunnen worden gearrangeerd op welke andere
wijze ook. Zo'n verzameling had nooit kunnen worden opgeroepen, noch enig
gebouw zo'n grote menigte bevatten. Hoe anders konden zoveel Joden uit
Jeruzalem en uit de diaspora worden vergaderd om het slotgetuigenis over
Christus te horen? En welke omstandigheden konden beter zijn gearrangeerd
om hun grootste aandacht te trekken? Dit was zijn mogelijkheid. Zou hij
hen tot Christus kunnen keren en hun "het goede nieuws van Gods genade"
mogen verkondigen?
Toen de apostel "met zijn hand wenkte tot het volk" met dat
karakteristieke gebaar, dat meer dan eens hem de aandacht van zijn
toehoorders had doen verkrijgen (Zie Hand.13:16 en 26:1), kwam de menigte
"tot grote stilte" (V.40). Toch was hier een groot gehoor wat de kracht
van die stem, versterkt door veel spreken in het openbaar, op de proef zou
stellen.
PAULUS' VERWEER VOOR
DE MENIGTE
Hij haalt de geschiedenis
van zijn bekering op
"Mannen broeders en vaders, hoort mijn verantwoording, die ik
tegenwoordig tot u doen zal. "(Als zij nu hoorden, dat hij in
de Hebreeuwse taal hen aansprak, hielden zij zich te meer stil. En hij
zeide:)
"Ik ben een Joods man, te Tarsen in Cilicië geboren, opgevoed in deze
stad, aan de voeten van Gamaliël onderwezen naar de bescheidenste wijze
der vaderlijke wet, zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden
zijt; "Die deze weg vervolgd heb tot de dood, bindende en in de
gevangenissen overleverende beide mannen en vrouwen;"Gelijk mij ook de
hogepriester getuigenis is, en de gehele Raad der ouderlingen; van welke
ik ook brieven genomen hebbende tot de broeders, ben naar Damaskus
gereisd, om ook degenen die daar waren, gebonden te brengen naar
Jeruzalem, opdat zij gestraft zouden worden. "Maar het geschiedde mij, als
ik reisde en Damaskus genaakte, omtrent de middag, dat snellijk uit de
hemel een groot licht mij rondom omscheen. "En ik viel ter aarde, en ik
hoorde een stem tot mij zeggende: Saul, Saul, wat vervolgt gij mij?
"En ik antwoordde: Wie zijt gij Here? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus
de Nazarener, Welken gij vervolgt.
"En die met mij waren, zagen wel het licht, en werden zeer bevreesd, maar
de stem Desgenen Die tot mij sprak, hoorden zij niet. "En ik zeide: Here,
wat zal ik doen? En de Here zeide tot mij: Sta op en ga heen naar Damaskus;
en aldaar zal met u gesproken worden van al hetgeen u geordineerd is te
doen. "En als ik vanwege de heerlijkheid van dat licht niet zag, zo
werd ik bij de hand geleid van degenen die met mij waren, en kwam te
Damaskus.
"En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, goede getuigenis
hebbende van al de Joden die daar woonden. "Kwam tot mij, en bij mij
staande, zeide tot mij: Saul, broeder, word weder ziende. En ter zelver
ure werd ik ziende op hem. "En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u
tevoren verordineerd om Zijn wil te kennen, en de Rechtvaardige te zien,
en de stem uit Zijn mond te horen. "Want gij zult Hem getuige zijn bij
alle mensen van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. "En nu, wat vertoeft
gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden afwassen, aanroepende de Naam
des Heren." -
Hand.22:1-16.
Het boek Handelingen bevat niet minder dan drie verslagen van Paulus'
bekering. Het eerste is een eenvoudige vertelling van de geschiedenis door
Lukas in Hoofdstuk 9, maar de andere twee zijn verontschuldigend van
karakter, als Paulus zichzelf verdedigt, eerst voor de menigte hier in
Jeruzalem, en dan voor Agrippa.
Tactloze predikers, die hun nuttig effekt verspelen door zogenaamd "open,
recht op de man af" te zijn, meer geneigd tot aanval dan om te overtuigen,
zouden er goed aan doen om deze toespraak van de Apostel Paulus te
bestuderen. Het opmerkelijke feit hierbij is, niet dat hij faalde om zijn
toehoorders te overtuigen, maar dat in zijn God-gegeven verstand om
zichzelf open te geven voor zijn hoorders, hij in staat was hun ongedeelde
belangstelling, zo lang als het kon, te boeien. Zeker is, dat we hier een
van de merkwaardigste toespraken hebben voor wat betreft sympathie en
tact, ernst, eerlijkheid en overtuigingskracht.
Het gebaar van de apostel had het tumult gekalmeerd, het gebruik van
Hebreeuws had hem een ademloze stilte bezorgd, en nu zijn zijn woorden
berekend om zijn toehoorders te winnen en sympathie voor zichzelf en zijn
standpunt te verkrijgen.
Hij speekt hen vol respect aan met "broeders en vaders", op die manier
zijn verwantschap met hen naar voren brengend. Hij had de Romeinse Lysias
verteld dat hij was "een Jood uit Tarsen...geen onvermaarde stad"
(21:39), maar tot dit gehoor wijst hij erop, dat terwijl hij was
"geboren in Tarsen", hij "opgevoed was in deze stad (Jeruzalem)"
(22:3). Tarsen komt op de achtergrond, en aan Jeruzalem wordt voorrang
gegeven. Hij was inderdaad "onderwezen", of getraind, op de "perfecte" of
juiste "wijze" waarin de vaders de wet hadden betracht (Cf.Gal.1:14) "aan
de voeten van Gamaliël, "een leraar der wet", "in aanzien bij het gehele
volk"*/[6]
(5:34). Zeker toen, zal zijn huidige koers niet lichtvaardig worden
geaccepteerd als zijnde het resultaat van zomaar een eigen idee.
Hij laat zien, dat hij deze uitbarsting van ijver voor God en Zijn wet,
volstrekt begrijpt: "Ik... was*/[7]
een ijveraar voor God, zoals gij allen heden zijt" (V.3, Cf. 21:28).
Inderdaad, had hij hen overtroffen met zijn beslissing om weg te doen
hetgeen hij dwaalleer beschouwde.
Met zijn verwijzing naar zijn leren aan de voeten van Gamaliël, geeft hij
een aanwijzing dat hij een Pharizeër was, maar zegt dat niet, omdat
anders de Sadduceën, met inbegrip van de meesten van de priesters, het
oproer opnieuw zouden beginnen. Maar hij verwijst openlijk naar het
getuigenis van de hogepriester en "de gehele raad der ouderlingen"**/[8]
wat betreft zijn opdracht om de gelovigen in Damaskus te bestraffen. En
hier vertelt hij hen ook weer gewiekst, dat hij "ontving", niet
"verlangde" zoals in 9:1,2, brieven van volmacht voor Damaskus. Dit zou
het vertrouwen aantonen, dat de Hebreeuwse leiders in hem hadden. En deze
brieven, zo zegt hij, waren geadresseerd aan de "broederen" in Damaskus,
een term die hij in deze toespraak zelfs voor zijn medegelovigen in
Christus niet gebruikt.
Om verder te laten zien, dat hij niet alleen een ambitieus jongmens
geweest was, dat probeerde iets nieuws te starten, beklemtoont hij het
wonderbare in zijn bekering. Hij laat zien, hetgeen niet in Lukas' verslag
staat, dat het "omtrent de middag" was, toen "een groot licht", feller dan
de middagzon, hem omstraalde, en dat hij niet meer kon zien vanwege "de
heerlijkheid van dit licht". En daarop zegt hij: "ik viel op de grond".
Hij was vernederd door God, niet opgeblazen door een weinig kennis.
Het was niets minder dan een wonderbare en heilige openbaring, die hem
geleid had tot verandering van zijn loop, en tot het zeggen tegen Degene
die hij zo bitter vervolgd had: "Wat wilt gij dat ik doen zal, Here?"***/[9]
De oorzaak van het grote oproer dat volgde op Paulus' toespraak, dient in
gedachten te worden gehouden als we dit gedeelte van het verhaal lezen. De
menigte maakte geen oproer toen Paulus vertelde hoe hij ontdekt had, dat
Jezus de Messias was. Tienduizenden in Jeruzalem geloofden dit, en de rest
tolereerde het (Zie 21:20). Wat hen zo woedend maakte, was Paulus'
verkondiging van het volbrachte werk van de nu-verrezen
Christus en het daarmee verbonden vervangen der wet door genade, afdoende
voor onbesneden heidenen zowel als voor Joden (21:28). Dit was de kwestie,
zelfs onder de gelovigen in Jeruzalem (Zie 21:20,21).
En dit is nog steeds de grote kwestie vandaag. "Christendom" als een
zijtak van Judaïsme, met gelovigen in Christus onder de wet, wordt
toegelaten, maar ware Christenheid, met haar vrij zijn van de wet
en haar volheid van genade, kan niet worden toegelaten! Zelfs leiders van
het Fundamentalisme noemen het iets vervloekts. Dit, het heerlijke
alles-voldoende van Christus, is wat Satan haat, en wat bitter wordt
tegengestaan.
Het was juist in de tijd van Paulus' bekering, dat de Here Zelf Paulus had
opgedragen om naar de heidenen te gaan (26:17), en ook aan Ananias werd
verteld, dat Paulus "een uitverkoren vat" was om Christus' naam "voor de
heidenen..." te dragen (9:15). Maar, vol tact, bewaart de apostel hier het
noemen van de heidenen, tot zijn verslag van zijn terugkeer naar
Jeruzalem. Hand.22:21,22 toont duidelijk genoeg waarom het wijs was om
terughoudend te zijn, zo lang als mogelijk was, door iets te zeggen wat
bijna zeker de woede van zijn hoorders weer op zou wekken.
In zijn verwijzing naar Ananias laat de apostel opnieuw zijn buitengewone
tact zien. Het verslag in Hand.9 beschrijft Ananias als een "discipel" in
innige verbinding met Christus, maar hier noemt Paulus zelfs zijn geloof
(hoewel het erin opgesloten is) niet. Integendeel verwijst hij naar hem
als "een godvruchtig man naar de wet" en "goede getuigenis
hebbende van al de Joden die daar woonden" (V.12), hetgeen uiteraard
ook waar was. Dit zou hen een gevoel van verwantschap met Ananias geven,
en hen verzekeren, dat hij geen gemeenschap wilde met een
lasteraar, noch met een vroegere vervolger, tenzij er een duidelijke
aanleiding was, dat God zijn hart had veranderd.*/[10]
Als hij zijn verzoeningspoging vervolgt, herinnert zich de apostel dat
Ananias hem "Broeder Saulus" genoemd had, en ook verklaarde: "De
God van onze vaderen heeft u uitverkoren..." En nu is het ogenblik dat
hij verklaren kan, dat hij het uitverkoren vat is om de nieuwe bedeling in
te leiden, want aan Ananias was opgedragen hem in te lichten, dat hij door
God was uitverkoren: 1.) om "Zijn wil te kennen"**/[11]
2.) om "de Rechtvaardige te zien", Christus, 3.) om
"de stem uit Zijn mond te horen" en 4.) om "Zijn getuige te zijn"
van wat hij had "gezien en gehoord"***/[12]
Maar nu nadert hij opnieuw een gevaarlijk punt. Aan wie moest hij
getuigenis brengen van wat hij gezien en gehoord had? Zoals we reeds
hebben gezien, was dat hoofdzakelijk tot de heidenen. Hoe handig raakt hij
dit punt aan, als hij de term "aan alle mensen" gebruikt!
Tenslotte vertelt hij hoe Ananias hem had geïnstrueerd:
"En nu, wat vertoeft gij? Sta op, en laat u dopen en uw zonden
afwassen, aanroepende de Naam des Heren" (V.16).
Wij hebben de doop van Paulus reeds besproken (zie commentaar bij Hand.9)
maar hier zijn nog enige aanvullende punten die hier zullen worden
beschouwd.
Ten eerste, is het duidelijk dat Paulus volstrekt bekeerd was op de weg
naar Damaskus. Toch was in die tijd de waterdoop nog vereist tot
redding (Mark.16:16), dus werd hij opgeroepen om "zijn zonden weg te
wassen" door waterdoop. Niet dat water op zich zonden kon afwassen, maar
als een uitdrukking van geloof. Als God zei, dat waterdoop nodig was om
gered te worden, reageerde geloof, met te worden gedoopt.*/[13]
Ten tweede, geeft deze passage getuigenis van het falen van de
"watergraf"-theorie van onze broeders die onderdompelen. Wij begraven geen
mensen in water - evenmin als zij dat toen deden. Kan de lezer zich
voorstellen, dat in de gevallen van Cornelius, Lydia, de stokbewaarder in
Philippi, en in Paulus' geval hier, zij toevallig voldoende grote bassins
met water hadden om mensen in te begraven? Er is zeker geen
aanwijzing in de bovenaangehaalde gevallen, dat zij naar buiten gingen en
de benodigdheden ophaalden, of de doopcandidaat naar een of andere plaats
brachten waar zulke mogelijkheden gevonden werden. Deze ondoordachte
theorie van begrafenis in water, komt van het verkeerde begrip, dat
Rom.6:4 en Col.2:12 doelen op waterdopen.**/[14]
Waterdoop is een natuurlijk symbool voor afwassen, of reinigen,
zoals deze passage en vele andere aangeven (Cf.Mark.7:1-5 waar baptizo
tweemaal met wassen wordt weergegeven en waar het alternatief
wordt gebruikt met nipto, een ander woord voor wassen; ook
Hebr.9:10, waar het originele woord is baptismos).
Ten derde, dient te worden opgemerkt, dat Paulus hier weergeeft wat plaats
greep ten tijde van zijn bekering. Hij werd bekeerd onder de
bedeling waarin waterdoop vereist werd, en als symbool werd hij gedoopt
tot afwassing van zijn zonden, maar later wordt hetzelfde woord
weergegeven met "wassen" (Gr. apolouo) als hij hier aan de
Corinthiërs schrijft:
"En dit waart gij sommigen; MAAR GIJ ZIJT AFGEWASSEN, maar gij zijt
geheiligd; maar gij zijt gerewchtvaardigd in de Naam van de Here Jezus en
DOOR DE GEEST ONZES GODS" (1Cor.6:11).
En nog later schrijft hij aan Titus: "HEEFT HIJ ONS ZALIG GEMAAKT, NIET
UIT DE WERKEN DER RECHTVAARDIGHEID DIE WIJ GEDAAN HADDEN, MAAR NAAR ZIJN
BARMHARTIGHEID, DOOR HET BAD DER WEDERGEBOORTE EN VERNIEUWING DES HEILIGEN
GEESTES" (Tit.3:5).
Hoewel de toespraak van de apostel nog niet beeindigd is, besluit dit wel
het verslag van zijn bekering. Voordat we van dit onderwerp afstappen,
wijzen we erop dat, waar de twaalven Christus alleen "gezien en gehoord"
hadden in Zijn bediening op aarde, en opdracht hadden om
getuigen van deze dingen te zijn (Hand.4:20), Paulus Hem gezien en gehoord
had in Zijn glorie, "ver boven alles". Hij kreeg opdracht om hiervan
getuigenis af te leggen, en van de andere openbaringen die hij nog van de
verheerlijkte Here zou ontvangen (26:16). De slotwoorden van deze
toespraak in Jeruzalem gaan over deze openbaringen.
TOT DIT WOORD TOE
"En het gebeurde mij, als ik te Jeruzalem wedergekeerd was en in de
tempel bad, dat ik in een vertrekking van zinnen was."En
dat ik Hem zag, en Hij tot mij zeide: Spoed u en ga inderhaast uit
Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen. "En ik
zeide: Here, zij weten, dat ik in de gevangenis wierp en in de synagogen
geselde, die in U geloofden; "En toen het bloed van Stefanus, Uw getuige,
vergoten werd, dat ik daar ook bij stond en mede een welbehagen had in
zijn dood, en de klederen bewaarde dergenen die hem doodden. "En Hij
zeide tot mij: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden. "Zij
hoorden hem nu tot dit woord toe; en zij verhieven hun stem, zeggende: Weg
van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij leeft. "En
als zij riepen en de klederen van zich smeten en stof in de lucht wierpen,
"Zo beval de overste dat men hem in de legerplaats zou brengen, en zeide
dat men hem met geselen onderzoeken zou, opdat hij verstaan mocht om wat
oorzaak zij alzo over hem riepen."
- Hand.17-24.
Paulus' bedoeling in zijn toespraak tot de menigte in Jeruzalem was niet
uitsluitend om hun de geschiedenis van zijn bekering te vertellen. Er was
meer te zeggen, en hij moet nu tot de kern komen.
Voorzichtig legt hij uit, hoe na zijn bekering en opdracht om
"alle mensen" te vertellen wat hij gezien en gehoord had, naar
Jeruzalem terugkeerde en naar de tempel ging om te bidden.
En het was daar, in het Huis van God, terwijl hij in gebed was, dat in een
zinsverrukking*/[15],
de Here hem gebood Jeruzalem met haast te verlaten, daar zij zijn
getuigenis van Hem niet zouden aannemen. We weten uit het verslag in
Hand.9, dat zijn leven ook op dat ogenblik in gevaar was (V.29), maar het
zou niet verstandig zijn dit nu hier ter sprake te brengen. De apostel
toont juist aan hoe hij er naar verlangde om te blijven, en met zijn volk
mee te werken, door hun te herinneren hoe hij de Here Zelf in dit geval
had tegengesproken. Hij wees erop, dat deze mensen wisten hoe hij hen, die
in Christus geloofden, gevangen nam en sloeg, en hoe hij zelfs deelnam aan
het doden van Stefanus, door op de kleren te passen van hen die hem
stenigden, zodat zij zeker naar zijn getuigenis zouden luisteren.
Hij laat uitkomem, hoe onjuist en onwaar het is, dat hij tegen het
volk, tegen de wet, en tegen de tempel geweest zou zijn.!
Toch vinden we in zijn verwijzingen naar zijn vervolging van gelovigen in
Christus en de steniging van Stefanus, een nobel voorbeeld van iemand die
publieke zonde in het publiek tracht te herstellen, en daarbij zichzelf
de schuld geeft van hun ongeloof.
Maar hij herinnert hoe de Here hem niet toestond om te blijven, en
hem tenslotte sommeerde: Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen
afzenden" (V.21).
Dit kon zeker niet slaan op een privéreis die Paulus ging maken, maar op
het werkgebied dat voortaan het zijne zou zijn. De menigte heeft het zeer
zeker zo verstaan.
Zo erkent dus de apostel, dat de Here Zelf hem had geïnstrueerd om
Jeruzalem te verlaten. Ook dat zij niet zouden luisteren, en toch
smeekte hij hen - onder zulke omstandigheden! Kon hij een groter bewijs
van zijn liefde voor hen geven?
Inderdaad zou de apostel doorgegaan zijn om zijn rede af te sluiten met
een verkondiging van Gods genade (Zie 20:24) en een smeekbede aan zijn
toehoorders om deze genade aan te nemen, maar dit is weer een van de
onderbroken toespraken uit het Boek Handelingen. Zij stonden hem niet toe
uit te spreken.
Hij had tot nu toe vermeden de heidenen te noemen, dit uitstellende totdat
hij eerst de Joden getoond zou hebben hoe hij hen liefhad, en hoe
hij slechts op speciaal, herhaald goddelijk bevel, het uitverkoren volk
had verlaten om naar de heidenen te gaan. Maar zij "gaven hem gehoor"
slechts "tot aan dit woord". Dan, als vuur dat tot een ontploffing leidt,
barsten zij uit in een demonstratie van ongecontroleerde woede, die de
toespraak van de apostel onmiddellijk beëindigde.
Zij zouden geinteresseerd hebben kunnen zijn in de redding van de heidenen
(Zie Gen.22:18; Jes. 56:6-8), maar hun intense nationale trots had hen
geheel verblind voor al het overige wat de apostel had gezegd, zodat zij
schreeuwden: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet
behoorlijk dat hij leeft!" En "als zij riepen", "smeten zij hun
klederen*/[16]
van zich en wierpen stof in de lucht".
Heidenen! Dus dat zou de climax zijn! Nu was hij te
ver gegaan! Stel je voor, deze afvallige van de wet, deze verrader van
zijn volk, een visioen uit de hemel en een zinsverrukking in de tempel
erbij halend tot zijn verdediging, en dan de poorten van heilige
aanbidding opengooien voor deze "zondaars uit de heidenen", deze
onbesneden honden! Zij wilden geen enkel woord meer horen. Deze man moest
ter dood gebracht worden.
Helaas was Paulus' hopen, en waren zijn gebeden aangaande Jeruzalem niet
verwezenlijkt. Het "verlangen van zijn hart en gebed tot God...dat zij
gered zouden worden" (Rom.10:1) was niet vervuld. Het was hem niet vergund
"het evangelie van Gods genade" (Hand.20:24) aan hen te verkondigen. Hij
was niet "verlost van hen die niet geloofden in Judea" (K.J.V.), evenmin
was daar de offerbijdrage van de heidengemeenten "door de heiligen
opgenomen" (N.B.G.). Toen zij het geld aannamen (hetgeen ons niet
wordt verteld), heeft het zeker niet gediend om hen nader te brengen tot
hun heidense broeders in Christus.
Als de ongelovige Joden de bittere vijanden waren van Paulus, dan waren
"Jakobus en de ouderlingen" samen met enkele van de apostelen die erbij
tegenwoordig waren, wel zijn twijfelachtige vrienden. Noch nu, noch later,
vinden we er een die aan zijn zij staat, zelfs hoewel Jakobus, Cephas en
Johannes officieel, en in het openbaar, hem enige jaren tevoren hadden
erkend als de apostel der genade en de apostel der heidenen.
Inderdaad had het voorstel dat Jakobus en zijn partij Paulus hadden
gedrongen op te volgen, niets opgebracht - dan dit oproer - terwijl zij
op de achtergrond bleven.
Toch had de apostel alleen uit liefde voor zijn volksgenoten gehandeld.
Het was in Gods voorzienigheid, dat Israel een laatste bewogen getuigenis
voor Christus ontving van de lippen van iemand die zelfs geinstrueerd was
om hen aan hun lot over te laten.
Zeker was de geinspireerde profetie van Jesaja letterlijk in vervulling
gegaan: "Maar tegen Israel zegt Hij: DEN GEHELEN DAG HEB IK MIJN HANDEN
UITGESTREKT TOT EEN ONGEHOORZAAM EN TEGENSPREKEND VOLK" (Rom.10:21).
Maar nu zou de apostel een andere proef moeten doorstaan. Zijn toespraak
in het Hebreeuws had het karakter gehad van een vertrouwelijke
verhandeling, alleen tot de Joden, met het resultaat dat Lysias en zijn
soldaten slechts konden luisteren met een vergeefse belangstelling en
wellicht ongeduldige verdenking. En nu, bij dit hernieuwde en aanhoudende
oproer, verdacht Lysias kennelijk Paulus van schuld aan een of andere erge
misdaad.
Daarom beval hij dat Paulus in de legerplaats zou worden gebracht om hem
"met geselen te onderzoeken" (V.24). Dit was veel erger dan ons zogenaamde
"derde graads" verhoor. Het was een reeks zweepslagen, die dienden om een
misdaad te doen bekennen.
PAULUS LAAT OPNIEUW ZIJN RECHTEN
ALS ROMEINS BURGER GELDEN
"En alzo zij hem met de riemen uitrekten, zeide Paulus tot den hoofdman
over honderd, die daar stond: Is het ulieden geoorloofd een Romeins mens,
en dien onveroordeeld, te geselen?
"Als nu de hoofdman over honderd dat hoorde, ging hij toe en boodschapte
het den overste, zeggende: Zie, wat gij te doen hebt; want deze mens is
een Romein. "En de overste kwam toe en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij
een Romein? En hij zeide: Ja. "En de overste antwoordde: Ik heb dit
burgerrecht voor een grote som geld verkregen. En Paulus zeide: Maar ik
ben ook een burger geboren. "Terstond dan lieten zij van hem af, die hem
zouden onderzocht hebben. En de overste werd ook bevreesd, toen hij
verstond, dat hij een Romein was, en dat hij hem had gebonden."En des
anderen daags, willende de zekerheid weten, waarom hij van de Joden
beschuldigd werd, maakte hij hem los van de banden, en beval, dat de
overpriesters en hun gehele raad zouden komen; en Paulus afgebracht
hebbende, stelde hij hem voor hen."
- Hand.22:25-30.
De apostel was in die tijd een beproefd krijgsman voor Christus. Hij had
reeds "in slagen uitnemender" geleden. "Van de Joden" had hij "vijfmaal
ontvangen...veertig min één slagen"*/[17].
"Driemaal" was hij "met roeden geslagen", door Romeinse lectoren (Zie
2Cor.11:23-25). Nu zou het de Romeinse zweep worden.
Maar toen zij hem met riemen**/[18]
aan de paal bonden, ongetwijfeld met ontbloot bovenlichaam (Cf. 16:22),
vroeg hij de centurion die erbij stond; "Is het ulieden geoorloofd een
Romeins mens, en dien onveroordeeld, te geselen?"
Let hier op de klemtoon. Een tweevoudige onwettigheid zou zijn uitgevoerd.
En het was - inderdaad - een inbreuk op de Romeinse wet om een
Romeins burger te geselen. Hoeveel meer een flagrante inbreuk om hem zelfs
zonder verhoor te geselen!
Het effekt van de kalme vraag was onmiddellijk! De centurion, in wiens
handen het brute onderzoek blijkbaar was gelegd, ging onmiddellijk naar de
overste en riep uit: "Wat zijt gij aan het doen? Deze man is een Romein!"
Hierdoor kwam de overste met de verbaasde vraag: "Zijt gij een Romein?
Hij was verrast toen hij hem Grieks hoorde spreken; daarna weer toen hij
Hebreeuws sprak. En was hij nu ook nog een Romeins burger? In het korte,
misschien wel afgebeten antwoord van Paulus, "Ja", zal wel een
bedenking over het haastig besluit van de overste tot uitdrukking zijn
gekomen.
Verrast wordt Lysias vriendelijk, zelfs vertrouwelijk met Paulus, en legt
uit hoe het hem een grote som geld gekost heeft om Romeins burger te
worden.*/[19]
Maar Paulus, nog steeds in voordeels positie, antwoordt simpel: "Ik
ben een geboren (Romeins) burger".
Hierop "lieten van hem af", allen die klaar stonden om hem te
"onderzoeken". Niemand wenste erbij betrokken te worden. En de overste,
die oorspronkelijk de order gegeven had voor het geselen, "werd bevreesd".
Niet ver van deze plaats werd de Here Jezus Christus gegeseld door de
Romeinen, maar toch kon en maakte Paulus nu aanspraak op uitzondering
wegens Romeins burgerschap. Het verslag in Handelingen geeft inderdaad in
verschillende gevallen weer, hoe hij zich beroept op zijn Romeins
burgerschap. Hiervoor waren verschillende redenen, maar de reden vanuit
het oogpunt der bedeling is wellicht het meest belangrijk, want de
Geest wilde op doe wijze het heidens karakter van zijn apostelschap en
bediening benadrukken.
Deze trouwe dienaar van God had ernstig getuigd tot het uitverkoren volk
als "een Jood" (V.3) en zij waren erop uit om hem te doden. Maar toen hij
zich presenteerde aan de heidenen als "een Romein" (V.25), werd zijn woord
onmiddellijk geaccepteerd, en werd hij met respect behandeld.
Maar hier is voor ons nog een verdere les, gezien vanuit de bedeling.
Paulus, de vroegere vijand van Christus, nu verzoend door genade, en hier
staande als "een Jood" en "een Romein" in één "persoon", is de natuurlijke
vertegenwoordiger van de Gemeente van deze huidige bedeling, de "nieuwe
mens", samengesteld uit Joden en heidenen, verzoend door God in één
lichaam, door het kruis (Zie Eph.2:14-16). Dat deze bedeling begon te
lichten en het "ene Lichaam" gestalte gegeven werd, is duidelijk uit wat
hij reeds geschreven had aan de Corinthiërs en de Romeinen (Zie
1Cor.12:13,27; Rom.12:5).
Paulus' schitterende combinatie in zichzelf in dit alles, had hem en zijn
geval, door God, in een voordeels positie geplaatst. Lysias zou werkelijk
blij geweest zijn als hij, net als de bestuurders van Philippi in dezelfde
verlegenheid, de apostel had kunnen laten gaan met een verontschuldiging*/[20].
Maar Jeruzalem was niet Philippi. Daar was de boze menigte die riep om
zijn doodvonnis. Op zijn minst zou Paulus' protest de overste stijven in
zijn beslissing, dat recht zou worden gedaan.
Nog in het duister voor wat betreft de aanklacht van de Joden tegen
Paulus, maakte Lysias hem de volgende dag "los van de banden"**/[21]
(V.30), riep een vergadering van het Sanhedrin bijeen, en zette Paulus
voor hen, zodat formele beschuldigingen tegen hem konden worden
ingebracht.
Blijkbaar werd deze zitting niet in de gebruikelijke kamers van het
Sanhedrin gehouden, want Romeinse soldaten was het niet geoorloofd
daarbinnen te komen, noch in de legerplaats, want Paulus moest later daar
naar toe "afgebracht" worden (Zie 22:30; 23:10).
Het feit dat een gewone "hoofdman" over duizend Romeinse soldaten het
Joodse Sanhedrin kon samenroepen voor een vergadering, wijst erop hoe
onderworpen Israel, en zelfs haar Hoogste Gerechtshof, ten opzichte van
Rome geworden was.
|