|
H O O F D S T U K XL HAND. 21:15-26
PAULUS
LAATSTE BEZOEK AAN JERUZALEM
IN HET HUIS VAN MNASON
"En
na die dagen maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem. "En met
ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesarea, leidende met zich een
zekere Mnason van Cyprus, een oude discipel, bij denwelken wij zouden te
huis liggen. "En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de
broeders blijdelijk."
- Hand.21:15-17.
Voor het aanstaande feest moesten de apostel en zijn gezelschap uit
Cesarea vertrekken naar Jeruzalem. Dat zij zich "gereed maakten" duidt er
op dat zij bagage etc. bij zich hadden en dat een deel daarvan de kostbare
"collecte" voor de Joodse heiligen bevatte.
De groep vormde nu een kleine karavan. Behalve de acht broeders die Paulus
begeleid hadden waren daar ook "sommige der discipelen van Cesarea" bij,
en wellicht Mnason, een der eerste gelovigen, een inwoner van Cyprus,
waar Paulus en zijn gezelschap in Jeruzalem zouden logeren.
Dit was nu belangrijk. Passend onderkomen zou best moeilijk te vinden zijn
in Jeruzalem, in de tijd van het feest. Mnasons gastvrijheid zou
waarschijnlijk het gevaar voor Paulus leven verminderen. Bovendien zouden
de broeders uit Cesarea kunnen dienen als een soort escorte.
In Jeruzalem hielden "de broeders", blijkbaar in het huis van Mnason, een
ongedwongen en hartelijke welkomsdienst voor het gezelschap. Het is echter
duidelijk dat tot deze broeders niet Jakobus en de oudsten behoorden,
want Paulus en zijn metgezellen bezochten hen "de volgende dag" (V.18).
MET JAKOBUS EN DE OUDSTEN
"En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de
ouderlingen waren daar gekomen. "En als hij hen gegroet had, verhaalde hij
van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had.
"En zij dat gehoord hebbende, loofden den Here, en zeiden tot hem: Gij
ziet, broeder, hoevel duizenden van Joden
er zijn die geloven, en zij zijn allen ijveraars van de wet.
"En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de
heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende, dat zij de kinderen
niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet
wandelen.
"Wat is er dan te doen? Het is gans nodig dat de menigte samenkomt; want
zij zullen horen, dat gij gekomen zijt. "Doe dan hetgeen dat wij u zeggen:
Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben."Neem dezen tot u,
en heilig u met hen, opdat zij het hoofd
bescheren mogen, en allen mogen weten, dat er niets is aan hetgeen,
waarvan zij aangaande u bericht zijn, maar dat gij alzo wandelt, dat gij
ook zelf de wet onderhoudt.
"Doch van de heidenen die geloven, hebben wij geschreven en goedgevonden,
dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van
hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en
van hoererij"
(Hand.21:18-25).
DE TOESTAND VAN DE KERK
TE JERUZALEM
Met droefheid onderkennen we hier de toestand in de Kerk van Jeruzalem in
die tijd.Ten eerste wordt ons verteld, dat Paulus en zijn gezelschap
"ingaan tot Jakobus" - "en de ouderlingen waren daar gekomen"
(V.18).
We hebben reeds eerder gezien hoe Petrus, de door Christus aangewezen
leider van de Messiaanse Kerk was in die eerste dagen, toen "zij allen
vervuld werden met de Heilige Geest" (Zie Matt.16:19; Hand.1:15; 2:14;
2:37; 5:29; etc.). We hebben ook gezien, hoe Jakobus, "de broeder des
Heren" (niet eens één van de twaalven) geleidelijk de boventoon kreeg
boven Petrus, blijkbaar vanwege zijn familierelatie met onze Here. Zo
vinden we danook Petrus, die aan "Jakobus en de ouderlingen" verslag
uitbrengt in Hand.12:17. Later noemt Paulus alleen Jakobus als
tegenwoordig bij Petrus te Jeruzalem, tijdens een eerder bezoek daar
(Gal.1:19).
Daarna vinden we Petrus, die voor de Raad te Jeruzalem getuigt, terwijl
Jakobus voorzitter is, en de vergadering besluit met de woorden:
"Daarom oordeel ik" (Hand.15:19). Nog later, in Antiochië, zien we
Petrus bevreesd voor "sommigen van Jakobus", zodat hij zich afscheidt van
de gelovigen uit de heidenen, met wie hij zich tevoren in gemeenschap
verheugde (Gal.2:11,12). En nu gaan Paulus en zijn metgezellen tot
Jakobus. En zo absoluut is zijn gezag, dat het verslag alleen maar meldt,
dat "de oudsten gekomen waren" (Hand.21:18). In de
vergadering van ongeveer veertien jaren eerder, waren "de apostelen en
de ouderlingen" samengekomen om de zaak te bespreken van de vrijheid
van de wet voor de heidenen (Hand.15:6). Nu is er geen spoor van te
bekennen, dat ook maar één apostel aanwezig is. Het verslag vermeldt
alleen "Jakobus en de ouderlingen". Als één van de apostelen
werkelijk aanwezig geweest zou zijn onder de ouderlingen, maar zelfs
niet genoemd wordt, is dit temeer een blijk van het secundaire karakter
van hun positie in die tijd. Jakobus, wiens naam betekent "verdringer",
heeft volledig Petrus' plaats overgenomen.
Bij het verslag uitbrengen later over de vergadering in Jeruzalem, had
Paulus "Jakobus, Cephas en Johannes" (met Jakobus aan het hoofd) genoemd,
als degenen "die geacht waren iets te zijn" en "geacht waren
pilaren te zijn", die aangaven dat "het evangelie van de besnijdenis" was
opgedragen "aan PETRUS" (Gal.2:6-9).
Deze verheffing van Jakobus boven Petrus en de elven, die toch door de
Here was aangewezen, geeft blijk van de geestelijke teruggang onder de
Judese gelovigen na de opwekking van Paulus. Het heeft een belangrijke
ondergrond in de passage die we nu beschouwen.
EEN KOELE ONTVANGST
Toen Paulus Jakobus en de oudsten begroette, was er een oppervlakkig
vertoon van harmonie, maar daarachter verborgen zich elementen van
verdenking en onbegrip. Het was niet Jakobus geweest, die zijn huis voor
Paulus geopend had. Hij was was niet bij degenen die samengekomen waren om
de grote apostel de vorige dag te verwelkomen. En zijn partij had het
Paulus in de laatste jaren niet gemakkelijk gemaakt.
Maar nu zou misschien de atmosfeer wat worden opgeklaard als de apostel
"speciaal" i.c. in detail aan hen overbracht "wat grote dingen
God door zijn bediening onder de heidenen had gewrocht". Het moet wel
boeiend geweest zijn om de grote apostel te horen vertellen van afgoden
die uitgeworpen werden, verkeerde boeken verbrand, met kwade praktijken
werd opgehouden, en Christus ontvangen en verheerlijkt werd in stad na
stad. De delegaties van de verschillende gemeenten zullen toen wellicht
hun giften gegeven hebben; een flink bedrag, en een toegewijd bewijs van
hun genegenheid tot de broeders in Judea.
De reactie? "Zij verheerlijkten de Here en spraken" - direct daarna van
onderwerp veranderend, over een zaak, die de apostel slechts in
verlegenheid kon brengen. Het verslag zegt geen enkel woord over hun
instemming om Judese gelovigen te helpen Paulus en zijn door God
geschonken bediening, te begrijpen. Evenmin een woord tot uitnodiging aan
hem om ook hun te vertellen wat God door hem had gewrocht, noch een
woord om hem en de heidengemeenten te bedanken voor zo'n grootmoedig
nakomen van hun belofte van enige jaren geleden (Gal.2:10) - en niets zou
meer vanzelfsprekend geweest zijn binnen het raam van het verslag van
Lukas, als dat plaats gevonden zou hebben.
Inplaats daarvan, wezen zij er op "hoe vele duizenden" (Lett. miriaden,
of tientallen van duizenden) gelovige Joden toegetreden waren,
allen "ijveraars voor de wet", en drongen bij hem aan, omdat zij gehoord
hadden dat hij afval van Mozes predikte, dat hij dit gerucht behoorde te
ontzenuwen, door in het openbaar deel te hebben aan een Nazireërgelofte.
Als we het verslag lezen, krijgen wij niet de indruk dat deze mannen
helemaal oprecht waren, want was er een groter ijveraar voor de wet dan
Jakobus zelf, en was het niet een groep die "van Jakobus waren", die
veroorzaakten dat Petrus afstand nam van de heidense gelovigen?
(Gal.2:12). Als deze menigten van Joden tot het geloof gekomen waren dat
Paulus afval van Mozes leerde, dan hadden zij dit onder het leiderschap
van Jakobus en zijn groep overgenomen.
Jakobus en de oudsten gebruikten een oude bekende methode om anderen
ijveraars te noemen en te verklaren: "Zij allen vertellen dit van je",
maar zij zeggen Paulus niet, dat zij dat zelf zo gevoelen.
Met de woorden van John Kitto, "Het is teleurstellend...om door de apostel
het heerlijk verslag van de overwinningen van het evangelie te horen, en
de klaarblijkelijk hartelijke dank van de oudsten, onmiddellijk gevolgd
door een politiek voorstel, om onwaardige vooroordelen, gebaseerd op valse
voorstelling van zaken, goed te maken" (The Apostles and Early Church,
P.304).
Jaren tevoren, op het grote Jeruzalem convent, had Petrus gesteld, dat
God "geen verschil" had gemaakt tussen hen en de heidenen, de harten
van de heidenen reinigend door geloof. Hij had verder zijn broeders
gedrongen geen juk op de schouders der heidendiscipelen te leggen wat noch
de Joodse vaderen noch hun kinderen in staat waren om te dragen
(Hand.15:23-29; Gal.2:7-9). Hij was zelfs zover gegaan door te zeggen:
"Maar wij geloven dat wij door de genade van de Here Jezus
Christus, zalig worden, op dezelfde wijze als zij" (V.11).
Als gevolg van dit schitterend getuigenis hadden Jakobus, Petrus, Johannes
en de hele gemeente, plechtig en in het openbaar, Paulus erkenning
geschonken als zijnde de apostel der genade (Hand.15:23-29; Gal.2:7-9). De
gemeente te Jeruzalem zou daarvan uit hebben te gaan, zoals Petrus deed
(2Petr.3:15-18) en zou nu Paulus, overeenkomstig deze afspraak, hebben
moeten accepteren. Maar onder Jakobus en zijn partij hadden zij toegegeven
en waren zij eerder achteruit, dan geestelijk vooruit gegaan.
Geiki zegt hierover: "...zoals enige tijd tevoren slechts een gedeelte van
hen extreem waren in hun Joodse ideeën (Hand.15:1,5), zo waren nu allen
fanatieke ijveraars voor de wet. Zo snel had de extreme partij in het volk
hun bitter onverzoenlijk Judaïsme verspreid..." (New Testament Hours,
Vol.III,P.375).
ZOU PAULUS HEBBEN GEDWAALD DOOR AAN JAKOBUS TOE TE GEVEN?
Voordat we tot een gedetailleerd onderzoek van Jakobus' voorstel en
Paulus' aanname hiervan, overgaan, moeten we een Schriftuurlijk antwoord
vinden op bovengestelde vraag. Let wel, dat we ons niet afvragen of de
apostel werkelijk dwaalde bij het erop ingaan, maar of in het licht
van andere Schriftplaatsen, het zelfs mogelijk was, dat hij dat zou
hebben kunnen doen.
Wij stellen deze vraag, omdat er zovelen zijn die, ziende op het
goddelijk, gelovig, leven van de apostel, hem horen zeggen: "Weest mijn
navolgers", etc. Zich verheugend in zijn heerlijke boodschap van
genade, gaan zij ervan uit, dat hij zo zeer niet kon hebben
gedwaald, en in antwoord aan diegenen die voelen dat hij dat wel deed,
antwoorden zij, dat als dit zo is, de beroemde apostel werkelijk een van
de grootste hypocriten in de Schrift was, en niet waard dat men naar hem
zou luisteren.
Toegegeven dat dit onderwerp moeilijk is, zo moeilijk dat de schrijver
zelf niet één keer een sluitende prediking erover gehoord heeft, en niet
in staat was ook maar een enkel boek te vinden dat alle Schriftplaatsen
hierover behandelt.
Veel sprekers en schrijvers hebben op grond van enkele passages verklaard,
dat Paulus gelijk had, of dat hij verkeerd was, door zich deze keer met
het Judaïsme in te laten. Maar weinigen zijn inderdaad uitgebreid op het
onderwerp ingegaan. Daarom vragen wij ons eerst af, in het licht van
andere Schriftgedeelten, of het zelfs mogelijk geweest is, dat hij
hier dwaalde.
Zeker zal geen gelovige ontkennen, dat Paulus' leven als Christen,
blijkbaar het grootste voorbeeld is in de geschiedenis, van menselijke
toewijding en trouw aan Christus. Wie van ons zou het wagen om zich met
hem te meten?
Wat echter enkele van zijn geinspireerde verklaringen over zichzelf
betreft, wordt in deze verklaringen dikwijls veel meer gelezen dan wat zij
werkelijk zeggen. Zijn "volgt mij na" wordt op zijn minst eenmaal gebruikt
met betrekking op zijn onderwijzen, en op andere plaatsen
betreffende zekere details of eigenschappen in zijn gedrag, of zijn
voorgenomen loop.
Een van zijn sterkste stellingen in deze categorie vinden we in Phil.4:9,
waar hij zegt:
"Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt,
doet dat; en de God des vredes zal met u zijn."
Maar laten we hierin niet meer lezen dan wat er werkelijk gezegd wordt.
Een blik op de voorgaande contekst zal openbaren, dat de apostel niet van
plan was zichzelf te presenteren als de standaard van volmaaktheid;
ofschoon hij werkelijk de Philippenzen een edel voorbeeld gegeven had. Het
is inderdaad in dezelfde brief, dat hij de heiligen in Philippi vertelt
van zijn verlangens en aspiraties, en hen verzekert: "Niet dat ik het
alrede gegrepen heb of alrede volmaakt ben" (3:12), eraan toevoegend,
dat hij moet vergeten die dingen die achter hem liggen, en alleen
uitzien naar hetgeen vóór hem ligt, zich uitstrekkend naar de
prijs. Bij het doen van "dit ene ding" roept hij hen op, samen met
hem, volgelingen te zijn (Phil.3:10-17).
Paulus zou de laatste persoon geweest zijn om volmaaktheid te pretenderen,
zoals duidelijk is uit zijn getuigenis in Rom.7. Zij die ons
vertellen om "vanuit Romeinen 7 in Romeinen 8" te gaan, dienen op te
merken, dat Paulus deze beide hoofdstukken in dezelfde zetting
schreef. Dat hij, die verklaarde: "Zo is er dan nu geen verdoemenis
voor degenen die in Christus Jezus zijn," ook nederig bekende:
"Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het
willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet"
(Rom.8:1; 7:18).
Maar, zal een tegenspreker zeggen, als hij zo beslist Petrus en de Galaten
kon berispen wegens teruggaan in wetticisme en dan, zonder een speciale
reden, zelf teruggaan, dan was hij toch wel zo'n hypocriet, dat ik niet
onder de indruk kom van zijn geschriften.
Waarom niet? Bent u vergeten om uw eigen hart te onderzoeken? Geeft de
diepe toewijding van de Apostel Paulus u aanleiding tot minder begrip van
hem als hij een misstap maakt? Verder schreef hij door de
inspiratie van God.
Mozes zondigde op vele manieren; weigert u om zijn geschriften te
lezen? David bedreef zowel overspel als moord; weigert u om zijn Psalmen
te lezen? De profeten, een na de ander, faalde; wantrouwt u hun
voorspellingen? Petrus ontkende zijn Here en speelde later de hypocriet in
Antiochië; twijfelt u aan de waarheid van zijn brieven? Natuurlijk niet -
omdat deze mannen, hoewel zelf falende schepsels, schreven door
goddelijke inspiratie. Zo wil God ons behoeden om op mensen te
vertrouwen en leidt ons om alleen Zijn Woord te geloven.
Maar Petrus werd berispt voor zijn fout te Antiochië; zou God dan Paulus
niet hebben berispt als hij op dezelfde manier schuldig was? In de eerste
plaats zou geen nauwkeurig onderzoeker van het verslag zeggen dat Paulus
"evenzo" schuldig was in toe te geven om de offers van de Nazireër te
brengen. Petrus week terug van het licht dat hij ontvangen had,
"vrezende degenen die uit de besnijdenis waren" (Gal.2:12). Paulus
daarentegen werd gewikkeld in deze gelofte door een brandende liefde voor
zijn volksgenoten, die naar hij hoopte hierdoor gewonnen zouden worden om
te luisteren naar zijn getuigenis omtrent Christus.
Maar beval dan de Here hem niet in Hand 23:11, toen Hij bij hem
stond en zeide: "Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem
van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen"? Nee, Hij
beval hem tenminste niet om deel te nemen aan de Joodse gelofte.
Hij bemoedigde Paulus eerder in deze zaak, begrip hebbend voor zijn
grote liefde tot Israel en voor Hemzelf, en zijn diep gevoel voor
verantwoordelijkheid wegens zijn leiding geven aan Israel in hun opstand
tegen Christus.
Maar zei de grote apostel dan niet, ziende op zijn martelaarschap: "Ik
heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof
behouden" (2Tim.4:7)? Natuurlijk! Lees het verslag van zijn trouwe,
onvermoeibare dienst voor Christus. Loop de lange, maar ver van complete
lijst door van zijn lijden voor Christus in 2Cor.11. Let op hoe zijn
brieven uit de gevangenis ons nog meer van de glorie van Christus en Zijn
genade tonen, en ons nog verder meenemen in de hemelse gewesten, dan de
brieven die vóór zijn bezoek aan Jeruzalem geschreven zijn. Overweeg dit
alles, samen met nog veel meer wat over zijn leven en zijn onderwijzingen
zou kunnen worden gezegd, en vraag dan of deze fout al dat andere kan doen
vervallen. Inderdaad, wie heeft in de geschiedenis zoveel reden om te
zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden" of: "Ik heb het
geloof behouden"?
Bij wijze van illustratie, kan er een tijd, of verschillende tijden, zijn
in het leven van een toegewijd dienaar van God, dat zijn oprechte liefde
voor een vriend en zijn oprecht verlangen om deze gered te zien, hem zou
kunnen leiden tot een werkwijze die niet in Gods wil is, en zijn
veronderstelling dat dit Gods wil is, tijdelijk vervagen. Als dit plaats
vindt, zult gij onjuist zijn wanneer ge hem beschuldigt van ontrouw of van
flagrante opstand tegen God - speciaal wannneer u zelf niet half zoveel
liefde hebt voor God of voor uw vrienden.
WAS HET VERSLAG BETREFFENDE PAULUS WAAR OF NIET WAAR?
Het verslag dat, volgens Jakobus, algemeen geloof gevonden had onder de
Joodse gelovigen van Judea, was dat Paulus alle Joden die onder de
heidenen leefden geleerd had, "afval van Mozes", door te zeggen, dat zij
hun kinderen niet behoefden te besnijden, noch naar de gebruiken te
wandelen".
Nu was deze beschuldiging tamelijk ingewikkeld door vooroordeel, zoals
zulke beschuldigingen meestal zijn. Zoals het er staat, was het verkeerd.
Paulus was geen opstand tegen Mozes of de wet begonnen. Te zeggen dat de
wet vervuld was door Christus is geen ontkenning, maar bevestiging
van haar aanspraken.
Maar de apostel leerde werkelijk, dat de wet vervuld was in
Christus, en dat het daarom onnodig was haar ceremoniële rites waar
te nemen, - en hij leerde dat niet alleen de heidenen, maar ook de Joden
die onder hen waren.
"Na het lezen van de wet en de profeten" in de Pisidische synagoge,
vroegen de oversten Paulus om een "woord van bemoediging". In
antwoord daarop gaf de apostel hun een woord van bemoediging met
betrekking tot ieder. Wat betreft de wet vermaande hij hen daar niet in te
vertrouwen, maar hun vertrouwen te stellen in Christus, door het zo te
zeggen:
"Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat DOOR DEZEN (mens) U VERGEVING
DER ZONDEN VERKONDIGD WORDT; "En dat van alles, waarvan GIJ NIET KONDET
GERECHTVAARDIGD WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, door Dezen een iegelijk die
gelooft, gerechtvaardigd wordt."
(Hand.13:38,39).
Zeker waren er Joodse gelovigen onder de Galaten, en zij waren begrepen in
het getal van hen tot wie de apostel schreef:
"...valse broeders...die van bezijden ingekomen waren om te verspieden
ONZE VRIJHEID, die wij in Christus Jezus hebben"
(Gal.2:4).
"...IK BEN DOOR DE WET DER WET GESTORVEN..."(2:19).
"Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt
gij nu met het vlees?"
(3:3). "...de
wet is onze tuchtmeester...Maar als het geloof gekomen is, ZO ZIJN WIJ
NIET MEER ONDER DE TUCHTMEESTER"
(3:24,25).
"...HOE KEERT GIJ U WEDEROM TOT DE ZWAKKE EN ARME EERSTE BEGINSELEN, WELKE
GIJ WEDEROM VAN VOREN AAN WILT DIENEN?. "GIJ ONDERHOUDT DAGEN, EN MAANDEN,
EN TIJDEN, EN JAREN. "IK VREES VOOR U, DAT IK ENIGSZINS TEVERGEEFS AAN U
GEARBEID HEB"
(4:9-11).
"STAAT DAN IN DE VRIJHEID, MET WELKE ONS CHRISTUS VRIJGEMAAKT HEEFT, EN
WORDT NIET WEDEROM MET HET JUK DER DIENSTBAARHEID BEVANGEN. "ZIE, IK
PAULUS ZEG U, ZO GIJ U LAAT BESNIJDEN, DAT CHRISTUS U NIET NUT ZAL ZIJN"
(5:1,2).
"...zij noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het
kruis van Christus niet zouden vervolgd
worden. "...maar
zij willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden.
"MAAR HET ZIJ VERRE VAN MIJ, DAT IK ZOU ROEMEN, ANDERS DAN IN HET KRUIS
VAN ONZEN HERE JEZUS CHRISTUS, DOOR WELKEN DE WERELD MIJ GEKRUISIGD IS, EN
IK DER WERELD"
(6:12,13,14).
De gemeenten in Galatië bestonden natuurlijk grotendeels uit heidenen. De
apostel sloot zeker de heidenen niet uit toen hij over besnijdenis
schreef, zodat het principe zeker ook sloeg op hen, die reeds besneden
waren, hetgeen beslissend was voor elke overweging tot besnijdenis van hun
kinderen.
Evenmin kan gezegd worden, dat in de brief aan de Galaten de apostel
alleen redeneert tegen het rechtvaardiging zoeken door de wet, want
hij waarschuwt duidelijk hen, die reeds gerechtvaardigd zijn, tegen
opnieuw 'verstrikt" te worden door onderhouden van haar rites. Hij
waarschuwt hen dat onderwerping aan één, de verantwoordelijkheid
impliceert om ze allen te gehoorzamen (Zie Gal.5:1,3). En in dit verband
had hij hen gewaarschuwd dat "Een weinig zuurdesem het gehele deeg
verzuurt" (5:9).
Beschouw vervolgens de gemeente in Corinthe. Zij was begonnen met een
groep uit de synagoge, met inbegrip van het huishouden van Crispus, de
overste van de synagoge, en later, Sosthenes, de volgende overste
(Hand.18:8,17; 1Cor.1:1).
Aan deze Joden, "die onder de heidenen waren", schreef hij: "Want ook
wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden,
hetzij Grieken..." (1Cor.12:13).
"Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees..."
(2Cor.5:16).
Aan hen schreef hij, dat de wet was "de bediening des doods" en
"de bediening der verdoemenis" (2Cor.3:7,9). Evenmin verwijst de
apostel hier alleen naar de tien geboden, want door te zeggen dat alles is
"tenietgedaan" verwijst hij duidelijk naar de gehele wet (Cf. V.13
met Ex.34:32,33). En tot beiden, Joodse gelovigen, en gelovigen uit de
heidenen, had hij geschreven:
"...Ik ben
ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid om u
als een reine maagd aan EEN MAN voor te stellen, namelijk aan Christus.
"Doch ik vrees, dat enigszins, gelijk de slang Eva door zijn arglistigheid
bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van DE
EENVOUDIGHEID DIE IN CHRISTUS IS"
(2Cor.11:2,3). En slechts kort tevoren had hij aan de gelovigen in Rome
geschreven - en speciaal tot de Joodse gelovigen onder hen - in dezelfde
geest:
"...Gij zijt ook DER WET GEDOOD...OPDAT GIJ ZOUDT WORDEN (getrouwd K.J.V.)
EENS ANDEREN..."
(Rom.7:4).
"Maar nu ZIJN WIJ VRIJGEMAAKT VAN DE WET, OVERMITS WIJ DIEN GESTORVEN
ZIJN, ONDER WELKEN WIJ GEHOUDEN WAREN; ALZO DAT WIJ DIENEN IN NIEUWIGHEID
DES GEESTES, EN NIET IN DE OUDHEID DER LETTER"
(V.6).
Inderdaad, als Paulus de Joden onder de heidenen niet geleerd had hun
Judaïsme op te geven, welk recht had hij dan om Petrus te berispen wegens
ernaar terug te keren toen hij de heidenen in Antiochië bezocht? Herinner
dat Petrus "geleefd had naar de wijze der heidenen, en NIET
zoals de Joden deden" toen hij daar in Antiochië was. En "de andere
Joden" onder hen hadden hetzelfde gedaan, totdat "sommigen van
Jakobus" kwamen. Toen begonnen Petrus en de andere Joodse gelovigen
weer te leven "zoals de Joden doen" en werden berispt door Paulus wegens
hun huichelarij (Zie Gal.2:11-14).
Wij citeren deze passages, en zouden nog andere kunnen citeren, alleen om
aan te tonen dat, omdat Paulus zeker niet afvallig was van Mozes,
hij de Joden onder de heidenen had geleerd, dat de wet door
Christus vervuld was, en dat zij daardoor genieten mochten van de
bevrijding van haar juk, zodat de geruchten over de apostel niet helemaal
"niets" waren, zoals Jakobus deed voorkomen (Hand.21:24). Van hen die
volhouden dat het verslag volstrekt ongefundeerd was, kennen wij
inderdaad niemand die de feiten onder ogen zien.
HET VOORSTEL VAN JAKOBUS
Jakobus' voorstel, dat blijkbaar tevoren was overeengekomen, dient
zorgvuldig te worden beschouwd in het licht van zijn achtergrond.
De Joodse gemeente was naar aantal in Jeruzalem en Judea krachtig
geworden. Sinds de verstrooiïng in Hand.8:1 hadden de oversten van Israel
Saulus van Tarsen, de vurige leider van hun opstand tegen Christus
verloren, en waren zelf minder agressief geworden. Het resultaat was, dat
grote aantallen waren teruggekeerd naar Jeruzalem, totdat, ongeveer tien
jaren later, daar niet enkel een "menigte" gelovigen in de stad waren,
maar dat zij zo'n gunstige positie hadden verkregen, dat de Kerk het grote
convent in Hand.15 kon houden, zonder dat iemand werd gemolesteerd. En nu,
nog eens dertien of veertien jaren later, waren de aantallen daar
blijkbaar groter dan ooit (Hand.21:20).
Maar het convent te Jeruzalem, voor zover het de monden van de Judaïsten
had gesloten wat betreft publieke tegenstand tegen Paulus' boodschap van
genade, had hen geenszins gewonnen voor de houding die Petrus had
aangegeven in zijn edelmoedige verklaring in Hand.15:8-11. In plaats
daarvan hadden zij Paulus' voetsporen nagespeurd, waar hij ook ging,
trachtend zijn bediening onder de Galaten, de Corinthiërs, en de heidense
gelovigen in het algemeen, te ondermijnen. Inderdaad had Petrus zelf,
samen met andere Joodse gelovigen, met inbegrip zelfs van Barnabas, een
ernstige scheiding in de gemeente in Antiochië teweeggebracht, onder de
invloed van "sommigen (die gekomen waren) van Jakobus" (Gal.2:12,13).
En doen nu Jakobus en de ouderlingen hun voorstel aan Paulus om hem
te helpen, of omdat zij verlegen zijn met zijn komst naar Jeruzalem
op dat ogenblik? Als hun verlangen werkelijk is om te helpen, zijn zij
in de positie dit nu te doen, maar dit schijnt niet het geval te zijn,
want, zonder aanbod om zijn bediening te ondersteunen, of hem op enige
wijze bij te staan, dwingen zij hem om een Joods ritueel te onderhouden,
terwille van hen die zijn ingelicht (gedeeltelijk in waarheid), dat hij
het Judaïsme verlaat.
De menigte, zo zeggen zij, zal zeker "samenstromen" als zij horen dat
Paulus is aangekomen. Er moet dan snel iets worden gedaan, door Paulus,
in het publiek, om hen te overtuigen dat zij verkeerd geinformeerd
zijn; dat de apostel een goede Jood is, die getrouw de inzettingen van de
wet**/[i]
onderhoudt.
Hun voorstel was daarom dit: Paulus zelf was blijkbaar niet onder
een gelofte in die tijd, maar zij hadden vier mensen die dit wel
waren, en Paulus kon zich in het openbaar bij hen voegen in hun
gelofte, door zichzelf te reinigen en voor de offers te betalen, daarmee
de instemming van hun gelofte betuigend. Dit moet een omvangrijk bedrag
zijn geweest, omdat voor elk van de vier, twee duiven, een mannelijk lam,
een ooilam en een ram moest worden geofferd (Num.6).
Deze procedure was blijkbaar niet ongewoon in die tijd. Josephus vertelt
metterdaad, hoe Agrippa I Joodse gunst verkreeg, door ook zo
Narireërsgeloften te betalen (Ant.XIX, 6,1).
Jakobus en de oudsten wensten blijkbaar, dat Paulus hen zou
achterlaten met enige vragen die hij hierover zou kunnen hebben, door hem
te dringen: "Doe dan hetgeen wij u zeggen" (V.23). En om hem nog
meer te beinvloeden toe te geven, herinneren zij hem, dat zij hem "hadden
geschreven en goedgevonden dat (de heidenen) dergelijke dingen niet
zouden onderhouden"(V.25).
ZOU HET GOED OF VERKEERD ZIJN TOE TE GEVEN?
Zo werd de apostel gedwongen de actie van vier Joodse ijveraars te
ondersteunen bij het nemen van een Nazireërgelofte, door het financieren
van niet één, maar vijf bloedige offers voor ieder. En hij
werd gedwongen om dit te doen, om te bewijzen dat hij een trouw
onderhouder van de wet was. Was het goed of verkeerd van hem om toe te
geven?
Als we alle betreffende Schriftplaatsen onderzoeken, komen we maar tot één
conclusie: Het zou verkeerd zijn.
Er is veel gezegd over de twee programma's die gelijk op gaan door het
laatste deel van Handelingen. Wij hebben geen bezwaar tegen de term "zij
aan zij", als slechts wordt begrepen dat het niet Gods bedoeling was, dat
twee programma's met gelijke kracht gedurende jaren zouden
voortgaan. Evenzo als het nieuwe programma geleidelijk verscheen, zo
verdween het oude. Er moest een overgang zijn van de ene naar de
andere. Petrus' aandeel in de bekering van Cornelius en zijn huis, zijn
woorden in Hand.15:8-11, en de beslissing van het Jeruzalem-convent alleen
al, hadden aangewezen, dat zelfs aan de zijde van de Joodse gelovigen, er
een geleidelijke bevrijding van de wet was. De afbreuk van de
"scheidsmuur" zou hen aan beide zijden raken.
Maar had Paulus niet aan de Corinthiërs geschreven, dat ieder in zijn
eigen geroepen stand moest blijven, en dat de besnedenen niet onbesneden
zouden worden? (Cor.7:18). Ten eerste verwijst de apostel hier niet naar
leerstellige posities die men zou moeten innemen, maar naar
lichamelijke omstandigheden, waarin zij zich bevonden, met
inbegrip van slavernij, maagdschap, huwelijksleven, etc. Nu waren er
blijkbaar enige Joodse bekeerlingen die zo extreem geworden waren in hun
gevoelens over besnijding en de wet, dat zij hadden getracht, door
chirurgisch ingrijpen, "onbesnedenen" te worden. Het Griekse woord "epispaomi"
is niet, zoals het gebruikelijke woord voor onbesnedenheid, een medische
term, die "overtrekken" betekent. De passage heeft dus niets te maken met
Joden die in het Judaïsme blijven.
Maar heeft hij dan ook niet geschreven: "En ik ben den Joden geworden
als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet
zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder
de wet zijn, winnen zou; Dengenen die zonder de wet zijn, ben ik geworden
als zonder de wet zijnde (Gode nochtans zijnde niet zonder de wet, maar
voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn,
winnen zou?" (1Cor.9:20,21).
Deze passage wordt door sommigen geacht de volle rechtvaardiging te geven
van Paulus' betrokkenheid bij het Judaïsme in deze tijd. Zij
veronderstellen dat het betekent, dat hij zich afwisselend in
afhankelijkheid van de wet plaatst, en in de vrijheid ervan, als hij
werkte, nu met de Joden, dan met de heidenen.
Zij die deze passage op die manier interpreteren om Paulus' daad in
Jeruzalem te verdedigen, dienen op te passen, dat zij hem niet
beschuldigen van een zwaardere misstap in trouw. Wij kunnen begrijpen hoe
onze apostel, als andere Godsmannen, zou kunnen struikelen en vallen, maar
de bovengenoemde uitleg van 1Cor.9:20 zou Paulus schuldig maken aan
gewone tweeslachtigheid.
In de eerste plaats werkte de apostel de meeste tijd met Joden en
heidenen. In praktisch alle gemeenten die hij stichtte waren eerst Joden;
dan werden heidenen toegevoegd. Veronderstel nu dat hij zichzelf onder de
wet plaatst om de Joden te winnen, en dan, later, deze zelfde Joden
leerde, dat hij onder de heidenen het juk wegwerpt en leerde dat de
ceremoniën van het Judaïsme "niets" waren; wat zouden zij - wat konden
zij van hem denken?
Wij geloven dat de passage in 1Cor.9 eenvoudig betekent, dat hij, in
sympathie, zichzelf mentaal in de positie plaatste van degenen met wie hij
handelde. Hij ging niet terug in het Judaïsme als hij onder Joden was,
maar hun vooroordelen kennende, hield hij zich in, om te doen wat hen zou
tegenstaan - zodat hij hun geleidelijk dezelfde waarheden zou kunnen leren
die hij de Joden in Pisidisch Antiochië had geleerd: rechtvaardiging van
alle dingen door geloof in Christus, los van de wet
(Hand.13:38,39).
In het volgende vers van 1Cor.9 zegt de apostel: "Ik ben de zwakken
geworden als een zwakke". Betekent dit dat hij werkelijk zwak
werd? Natuurlijk niet. Het betekent dat hij sympathiseerde met de
zwakken, teder met hen handelde, en niet zijn sterkte liet blijken. Op
dezelfde manier werd hij "als een Jood" voor de Joden en "als
onder de wet" voor hen die daar onder waren.
Zoals we gezegd hebben, gingen de twee programma's niet met dezelfde
kracht door. Het oude werd voor een tijd nog gelaten, alleen omdat mensen
langzaam leren en langbestaande gewoonten moeilijk zijn af te werpen. Maar
dat de apostel trachtte "de Joden onder de heidenen" het volbrachte
werk van Christus te tonen en hun vrijheid in Christus, samen met de
gelovige heidenen is duidelijk uit het feit, dat hij in Antiochië, samen
met Petrus, had geleefd "naar de wijze der heidenen", en Petrus had
berispt wegens teruggang naar Judaïsme uit vrees voor degenen van de
partij van Jakobus (Gal.2;14).
Hoe konden Petrus, dan wel Paulus, de populaire uitleg van 1Cor.9:20,21
hier in Antiochië dan wel hebben gepraktiseerd, in aanwezigheid van zowel
Joden als heidenen? In zulke gevallen zouden de vruchten van
tweeslachtigheid zeker zijn geoogst! En merk verder op, dat Paulus Petrus
bij deze gelegenheid berispte, niet wegens het op verkeerde wijze of op de
verkeerde tijd overschrijden van een Joden-heiden streep, maar wegens
teruggang uit licht dat ontvangen was (Gal.2:15-19). Petrus had door
een apart visioen en bij de bekering van Cornelius geleerd, dat God geen
verschil maakte tussen Jood en heiden, en hij had dit openlijk gesteld,
n.b. op het convent in Jeruzalem. Nu was hij, door Joden van de heidenen
in Antiochië te scheiden, datgene wat hij had neergehaald, weer aan het
opbouwen, en zo zichzelf tot een overtreder makend (Gal.2:18).
Zo is het dus niet genoeg om te redeneren, dat er gedurende het laatste
deel van Handelingen, één programma was voor de Joden, en een ander voor
de heidenen. Het was immers op basis van geopenbaarde waarheid
omtrent Oud Testamentische rites, dat Paulus vocht voor vrijheid daarvan
voor de heidenen. En het was ook op basis van geopenbaarde waarheid, dat
het Joodse programma geleidelijk zou worden los gelaten (Hand.15:8-11;
Heb. 10:1-39, etc.). Daarvoor was iemand die trachtte zich nu onder de wet
te plaatsen verdoemd, niet omdat hij een programma geweld aandeed, maar
omdat hij de waarheid niet gehoorzaamde (Zie Gal.3:1; 5:7).
Als Paulus nu toestemt om deel te nemen, samen met ongelovige priesters en
Levieten, aan het brengen van brandoffers, zondoffers en vredeoffers, die
allen in Christus vervuld zijn, zou hij zeer zeker de Joodse gelovigen
helpen om onder de binding te blijven waarvan de heidenen bevrijd waren,
en wat Petrus juist beschreef als een juk, te zwaar om te dragen
(Hand.15:10). In het licht van alle Geschriften over dit onderwerp, is het
meer aannemelijk, dat hij hier fout ging, dan dat dit zijn politiek was.
Maar had hij niet kort tevoren een gelofte gedaan, en zich gehaast om een
feest in Jeruzalem bij te wonen? Was de apostel ook in dit geval buiten de
wil van God? In antwoord hierop zeggen wij, onderzoek het verslag en let
op de omstandigheden. In het enig vermelde geval, waar een samenkomst in
een synagoge "verlangde van hem langer bij hen te blijven", stemde hij
niet toe, want hij haastte zich, gedreven door zijn verlangen, "op alle
manieren" op tijd voor het feest in Jeruzalem te zijn (Hand.18:20,21). En
dan trekt de Geest een sluier over de activiteiten van de apostel. Welk
feest hij wilde vieren wordt ons niet verteld. Noch wordt ons gemeld of
hij Jeruzalem op tijd bereikte, of hoe hij werd ontvangen. Inderdaad wordt
alleen maar aangenomen, dat hij Jeruzalem ook bereikte.
Zeker is dat wij niet geinformeerd worden, noch door Paulus zelf, noch
door Lukas, welke goede reden er was om de gelofte te doen, of waarom het
zo nodig was om een Joods feest in Jeruzalem bij te wonen. Wij kunnen
alleen maar concluderen, dat zijn "grote droefheid en voortdurende smart"
over Israel zijn hart terugtrok naar Jeruzalem, en hem drong om juist deze
koers te nemen, om zo mogelijk hen te redden.
Maar hoe zit het dan met de besnijdenis van Timotheus, en met de dopen die
Paulus opnoemt? Zijn deze beiden soms niet met de wet verbonden? Hier
moeten we opnieuw nadruk leggen op het overgangskarakter van het laatste
gedeelte van Handelingen. Zonder opnieuw de omstandigheden rondom de
besnijdenis van Timotheus te beschouwen, werd dit gedaan, net als het
dopen door Paulus, vóórdat hij zelfs zijn eerste brief geschreven had, en
terwijl hij nog, de een na de ander, openbaringen ontving van de
verheerlijkte Here. En wanneer hij terugkijkt, jaren later, op de
Corinthische dopen die hij zich herinnert, dankt hij God, dat hij niet nog
meer gedoopt heeft, en voegt er aan toe: "Want Christus heeft mij niet
gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen...Want het
woord (evangelie) des kruises...is een ("de",K.J.V.) kracht Gods"
(1Cor.1:18).
Wat betreft het voorstel van Jakobus dat Paulus aan de "ijveraars voor de
wet" zou bewijzen zelf een getrouw betrachter van de wet te zijn, is het
feit, dat slechts een paar dagen later Paulus betuigde: "Ik...zijnde
een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt" (Hand.22:3). En
later betuigd hij weer, voor Felix:
"Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij een sekte noemen,
den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de Wet en in de
Profeten geschreven is"
(Hand.24:14).
De apostel kon toen niet een getrouw betrachter van de wet
geweest zijn. Waarom zou hij nu proberen te bewijzen dat hij dat was?
Waarom zou hij trachten de Joden te bewijzen, dat hij "ordelijk wandelde
en de wet onderhield", als hij dat zeker niet onder de heidenen
gedaan had?
Hij was naar Jeruzalem gekomen om een offer te brengen aan de arme
heiligen daar, en te "betuigen het evangelie van Gods genade". Het verslag
vermeldt niet, dat het offer dankbaar werd geaccepteerd, en zeker kon hij
niet "het evangelie van Gods genade betuigen" door bloedoffers te brengen.
Maar ook de offers werden niet werkelijk overhandigd. In plaats dat het
plan van Jakobus gelukte, ontstond er een grote beroering en de arrestatie
van Paulus "toen de zeven dagen bijna voleindigd waren". Dit was oorzaak
dat Paulus geen aandeel kon hebben in het overreiken van de voorgestelde
offers.
DE APOSTEL GEEFT TOE
"Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daaraan met hen geheiligd
zijnde, ging hij in de tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging
vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de
offerande geofferd was."
- Hand.21:26.
Zo trad Paulus, als vertegenwoordiger van de vier Nazireërs, de tempel
binnen om de priester aan te kondigen, dat na zeven dagen reiniging, de
voorgeschreven offers nu zouden worden geofferd.
Het is vreemd om Paulus te zien buigen voor Jakobus, en terug te zien gaan
naar dat wat hij kort tevoren nog "zwakke en arme eerste beginselen"
genoemd had.
Welke al zijn eigen motieven waren om zo te doen, weten we niet. Er kan
niet gezegd worden dat, omdat hij in Jeruzalem was, hij zich onderwierp
aan het gezag van de apostelen der besnijdenis, want er is geen vermelding
dat enigen van hen daarbij tegenwoordig waren.
Toch betuigde hij later voor het Sanhedrin: "Ik heb met alle
consciëntie voor God gewandeld tot op deze dag" (Hand.23:1).
Ongetwijfeld redeneerde hij zo, dat de beschuldiging tegen hem onwaar was,
dat hij hier op Joodse gronden stond, en dat zich voegen in de gelofte tot
gevolg zou kunnen hebben, dat de Joden hem zouden aanhoren. En had hij
bovendien ook niet moeizaam en maandenlang de inzameling georganiseerd,
die hij nu aan zijn Joodse broeders bracht? Was dit alles nu tevergeefs?
Wat zouden de gemeenten zeggen als, na zo zwaar van hun middelen geofferd
te hebben, het plan misliep? Zulke gedachten moeten wel door hem
heengegaan zijn, en zo complex kunnen geestelijke problemen worden.
Zoals we weten, mislukte het plan helemaal, want de eigenlijke
bedoeling die het had, kwam er niet uit, door het oproer dat plaatsgreep,
juist voordat hij zijn toespraak kon afmaken. Dit had tot gevolg dat zijn
openbare bediening werd onderbroken, altans voor die tijd, en hij
weggeleid werd als "de gevangene van Jezus Christus voor (de) heidenen"
(Eph.3:1). Dit zien wij niet als een bestraffing, maar eerder als
een middel om hem te behouden als "de apostel der heidenen",
onverschillig hoe intens hij zich ook verplicht voelde aan de
Joden.
[i].**/Voetnoot:
De woorden "wandelen naar de wijzen der wet" kunnen niets
minder betekenen dan getrouwe onderhouding van de wet.
|