De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

            

     H O O F D S T U K  XL  HAND. 21:15-26

 PAULUS LAATSTE BEZOEK AAN JERUZALEM

              IN HET HUIS VAN MNASON

 

 "En na die dagen maakten wij ons gereed en gingen op naar Jeruzalem. "En met ons gingen ook sommigen der discipelen van Cesarea, leidende met zich een zekere Mnason van Cyprus, een oude discipel, bij denwelken wij zouden te huis liggen. "En als wij te Jeruzalem gekomen waren, ontvingen ons de broeders blijdelijk." - Hand.21:15-17. 

Voor het aanstaande feest moesten de apostel en zijn gezelschap uit Cesarea vertrekken naar Jeruzalem. Dat zij zich "gereed maakten" duidt er op dat zij bagage etc. bij zich hadden en dat een deel daarvan de kostbare "collecte" voor de Joodse heiligen bevatte.

De groep vormde nu een kleine karavan. Behalve de acht broeders die Paulus begeleid hadden waren daar ook "sommige der discipelen van Cesarea" bij, en  wellicht Mnason, een der eerste gelovigen, een inwoner van Cyprus, waar Paulus en zijn gezelschap in Jeruzalem zouden logeren.

Dit was nu belangrijk. Passend onderkomen zou best moeilijk te vinden zijn in Jeruzalem, in de tijd van het feest. Mnasons gastvrijheid zou waarschijnlijk het gevaar voor Paulus leven verminderen. Bovendien zouden de broeders uit Cesarea kunnen dienen als een soort escorte.

In Jeruzalem hielden "de broeders", blijkbaar in het huis van Mnason, een ongedwongen en hartelijke welkomsdienst voor het gezelschap. Het is echter duidelijk dat tot deze broeders niet Jakobus  en de oudsten behoorden, want Paulus en zijn metgezellen bezochten hen "de volgende dag" (V.18).

MET JAKOBUS EN DE OUDSTEN

"En den volgenden dag ging Paulus met ons in tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen. "En als hij hen gegroet had, verhaalde hij van stuk tot stuk, wat God onder de heidenen door zijn dienst gedaan had. "En zij dat gehoord hebbende, loofden den Here, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevel duizenden van Joden er zijn die geloven, en zij zijn allen ijveraars van de wet. "En zij zijn aangaande u bericht, dat gij al de Joden, die onder de heidenen zijn, leert van Mozes afvallen, zeggende, dat zij de kinderen niet zouden besnijden, noch naar de wijzen der wet wandelen. "Wat is er dan te doen? Het is gans nodig dat de menigte samenkomt; want zij zullen horen, dat gij gekomen zijt. "Doe dan hetgeen dat wij u zeggen: Wij hebben vier mannen, die een gelofte gedaan hebben."Neem dezen tot u, en heilig u met hen, opdat zij het hoofd bescheren mogen, en allen mogen weten, dat er niets is aan hetgeen, waarvan zij aangaande u bericht zijn, maar dat gij alzo wandelt, dat gij ook zelf de wet onderhoudt. "Doch van de heidenen die geloven, hebben wij geschreven en goedgevonden, dat zij niets dergelijks zouden onderhouden, dan dat zij zich wachten van hetgeen den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van hoererij" (Hand.21:18-25).

      DE TOESTAND VAN DE KERK

                    TE JERUZALEM

Met droefheid onderkennen we hier de toestand in de Kerk van Jeruzalem in die tijd.Ten eerste wordt ons verteld, dat Paulus en zijn gezelschap "ingaan tot Jakobus" - "en de ouderlingen waren daar gekomen" (V.18).

We hebben reeds eerder gezien hoe Petrus, de door Christus aangewezen leider van de Messiaanse Kerk was in die eerste dagen, toen "zij allen vervuld werden met de Heilige Geest" (Zie Matt.16:19; Hand.1:15; 2:14; 2:37; 5:29; etc.). We hebben ook gezien, hoe Jakobus, "de broeder des Heren" (niet eens één van de twaalven) geleidelijk de boventoon kreeg boven Petrus, blijkbaar vanwege zijn familierelatie met onze Here. Zo vinden we danook Petrus, die aan "Jakobus en de ouderlingen" verslag uitbrengt in Hand.12:17. Later noemt Paulus alleen Jakobus als tegenwoordig bij Petrus te Jeruzalem, tijdens een eerder bezoek daar (Gal.1:19).

Daarna vinden we Petrus, die voor de Raad te Jeruzalem getuigt, terwijl Jakobus voorzitter is, en de vergadering besluit met de woorden: "Daarom oordeel ik" (Hand.15:19). Nog later, in Antiochië, zien we Petrus bevreesd voor "sommigen van Jakobus", zodat hij zich afscheidt van de gelovigen uit de heidenen, met wie hij zich tevoren in gemeenschap verheugde (Gal.2:11,12). En nu gaan Paulus en zijn metgezellen tot Jakobus. En zo absoluut is zijn gezag, dat het verslag alleen maar meldt, dat "de oudsten gekomen waren" (Hand.21:18). In de vergadering van ongeveer veertien jaren eerder, waren "de apostelen en de ouderlingen" samengekomen om de zaak te bespreken van de vrijheid van de wet voor de heidenen (Hand.15:6). Nu is er geen spoor van te bekennen, dat ook maar één apostel aanwezig is. Het verslag vermeldt alleen "Jakobus en de ouderlingen". Als één van de apostelen werkelijk aanwezig geweest zou zijn onder de ouderlingen, maar zelfs niet genoemd wordt, is dit temeer een blijk van het secundaire karakter van hun positie in die tijd. Jakobus, wiens naam betekent "verdringer", heeft volledig Petrus' plaats overgenomen.

Bij het verslag uitbrengen later over de vergadering in Jeruzalem, had Paulus "Jakobus, Cephas en Johannes" (met Jakobus aan het hoofd) genoemd, als degenen "die geacht waren iets te zijn" en "geacht waren pilaren te zijn", die aangaven dat "het evangelie van de besnijdenis" was opgedragen "aan PETRUS" (Gal.2:6-9).

Deze verheffing van Jakobus boven Petrus en de elven, die toch door de Here was aangewezen, geeft blijk van de geestelijke teruggang onder de Judese gelovigen na de opwekking van Paulus. Het heeft een belangrijke ondergrond in de passage die we nu beschouwen.

          EEN KOELE ONTVANGST

Toen Paulus Jakobus en de oudsten begroette, was er een oppervlakkig vertoon van harmonie, maar daarachter verborgen zich elementen van verdenking en onbegrip. Het was niet Jakobus geweest, die zijn huis voor Paulus geopend had. Hij was was niet bij degenen die samengekomen waren om de grote apostel de vorige dag te verwelkomen. En zijn partij had het Paulus in de laatste jaren niet gemakkelijk gemaakt.

Maar nu zou misschien de atmosfeer wat worden opgeklaard als de apostel "speciaal" i.c. in detail  aan hen overbracht "wat grote dingen God door zijn bediening onder de heidenen had gewrocht". Het moet wel boeiend geweest zijn om de grote apostel te horen vertellen van afgoden die uitgeworpen werden, verkeerde boeken verbrand, met kwade praktijken werd opgehouden, en Christus ontvangen en verheerlijkt werd in stad na stad. De delegaties van de verschillende gemeenten zullen toen wellicht hun giften gegeven hebben; een flink bedrag, en een toegewijd bewijs van hun genegenheid tot de broeders in Judea.

De reactie? "Zij verheerlijkten de Here en spraken" - direct daarna van onderwerp veranderend, over een zaak, die de apostel slechts in verlegenheid kon brengen. Het verslag zegt geen enkel woord over hun instemming om Judese gelovigen te helpen Paulus en zijn door God geschonken bediening, te begrijpen. Evenmin een woord tot uitnodiging aan hem om ook hun te vertellen wat God door hem had gewrocht, noch een woord om hem en de heidengemeenten te bedanken voor zo'n grootmoedig nakomen van hun belofte van enige jaren geleden (Gal.2:10) - en niets zou meer vanzelfsprekend geweest zijn binnen het raam van het verslag van Lukas, als dat plaats gevonden zou hebben.

Inplaats daarvan, wezen zij er op "hoe vele duizenden" (Lett. miriaden, of tientallen van duizenden) gelovige Joden toegetreden waren, allen "ijveraars voor de wet", en drongen bij hem aan, omdat zij gehoord hadden dat hij afval van Mozes predikte, dat hij dit gerucht behoorde te ontzenuwen, door in het openbaar deel te hebben aan een Nazireërgelofte.

Als we het verslag lezen, krijgen wij niet de indruk dat deze mannen helemaal oprecht waren, want was er een groter ijveraar voor de wet dan Jakobus zelf, en was het niet een groep die "van Jakobus waren", die veroorzaakten dat Petrus afstand nam van de heidense gelovigen? (Gal.2:12). Als deze menigten van Joden tot het geloof gekomen waren dat Paulus afval van Mozes leerde, dan hadden zij dit onder het leiderschap van Jakobus en zijn groep overgenomen.

Jakobus en de oudsten gebruikten een oude bekende methode om anderen ijveraars te noemen en te verklaren: "Zij allen vertellen dit van je", maar zij zeggen Paulus niet, dat zij dat zelf zo gevoelen.

Met de woorden van John Kitto, "Het is teleurstellend...om door de apostel het heerlijk verslag van de overwinningen van het evangelie te horen, en de klaarblijkelijk hartelijke dank van de oudsten, onmiddellijk gevolgd door een politiek voorstel, om onwaardige vooroordelen, gebaseerd op valse voorstelling van zaken, goed te maken" (The Apostles and Early Church, P.304).

Jaren tevoren, op het grote Jeruzalem convent, had Petrus gesteld, dat God "geen verschil" had gemaakt tussen hen en de heidenen, de harten van de heidenen reinigend door geloof. Hij had verder zijn broeders gedrongen geen juk op de schouders der heidendiscipelen te leggen wat noch de Joodse vaderen noch hun kinderen in staat waren om te dragen (Hand.15:23-29; Gal.2:7-9). Hij was zelfs zover gegaan door te zeggen: "Maar wij geloven dat wij door de genade van de Here Jezus Christus, zalig worden, op dezelfde wijze als zij" (V.11).

Als gevolg van dit schitterend getuigenis hadden Jakobus, Petrus, Johannes en de hele gemeente, plechtig en in het openbaar, Paulus erkenning geschonken als zijnde de apostel der genade (Hand.15:23-29; Gal.2:7-9). De gemeente te Jeruzalem zou daarvan uit hebben te gaan, zoals Petrus deed (2Petr.3:15-18) en zou nu Paulus, overeenkomstig deze afspraak, hebben moeten accepteren. Maar onder Jakobus en zijn partij hadden zij toegegeven en waren zij eerder achteruit, dan geestelijk vooruit gegaan.

Geiki zegt hierover: "...zoals enige tijd tevoren slechts een gedeelte van hen extreem waren in hun Joodse ideeën (Hand.15:1,5), zo waren nu allen fanatieke ijveraars voor de wet. Zo snel had de extreme partij in het volk hun bitter onverzoenlijk Judaïsme verspreid..." (New Testament Hours, Vol.III,P.375).

             ZOU PAULUS HEBBEN GEDWAALD DOOR AAN JAKOBUS TOE TE GEVEN? 

Voordat we tot een gedetailleerd onderzoek van Jakobus' voorstel en Paulus' aanname hiervan, overgaan, moeten we een Schriftuurlijk antwoord vinden op bovengestelde vraag. Let wel, dat we ons niet afvragen of de apostel werkelijk dwaalde bij het erop ingaan, maar of in het licht van andere Schriftplaatsen, het zelfs mogelijk was, dat hij dat zou hebben kunnen doen.

Wij stellen deze vraag, omdat er zovelen zijn die, ziende op het goddelijk, gelovig, leven van de apostel, hem horen zeggen: "Weest mijn navolgers", etc. Zich verheugend in zijn heerlijke boodschap van genade, gaan zij ervan uit, dat hij zo zeer niet kon hebben gedwaald, en in antwoord aan diegenen die voelen dat hij dat wel deed, antwoorden zij, dat als dit zo is, de beroemde apostel werkelijk een van de grootste hypocriten in de Schrift was, en niet waard dat men naar hem zou luisteren.

Toegegeven dat dit onderwerp moeilijk is, zo moeilijk dat de schrijver zelf niet één keer een sluitende prediking erover gehoord heeft, en niet in staat was ook maar een enkel boek te vinden dat alle Schriftplaatsen hierover behandelt.

Veel sprekers en schrijvers hebben op grond van enkele passages verklaard, dat Paulus gelijk had, of dat hij verkeerd was, door zich deze keer met het Judaïsme in te laten. Maar weinigen zijn inderdaad uitgebreid op het onderwerp ingegaan. Daarom vragen wij ons eerst af, in het licht van andere Schriftgedeelten, of het zelfs mogelijk geweest is, dat hij hier dwaalde.

Zeker zal geen gelovige ontkennen, dat Paulus' leven als Christen, blijkbaar het grootste voorbeeld is in de geschiedenis, van menselijke toewijding en trouw aan Christus. Wie van ons zou het wagen om zich met hem te meten?

Wat echter enkele van zijn geinspireerde verklaringen over zichzelf betreft, wordt in deze verklaringen dikwijls veel meer gelezen dan wat zij werkelijk zeggen. Zijn "volgt mij na" wordt op zijn minst eenmaal gebruikt met betrekking op zijn onderwijzen, en op andere plaatsen betreffende zekere details of eigenschappen in zijn gedrag, of zijn voorgenomen loop.

Een van zijn sterkste stellingen in deze categorie vinden we in Phil.4:9, waar hij zegt: "Hetgeen gij ook geleerd en ontvangen en gehoord en in mij gezien hebt, doet dat; en de God des vredes zal met u zijn."

Maar laten we hierin niet meer lezen dan wat er werkelijk gezegd wordt. Een blik op de voorgaande contekst zal openbaren, dat de apostel niet van plan was zichzelf te presenteren als de standaard van volmaaktheid; ofschoon hij werkelijk de Philippenzen een edel voorbeeld gegeven had. Het is inderdaad in dezelfde brief, dat hij de heiligen in Philippi vertelt van zijn verlangens en aspiraties, en hen verzekert: "Niet dat ik het alrede gegrepen heb of alrede volmaakt ben" (3:12), eraan toevoegend, dat hij moet vergeten die dingen die achter hem liggen, en alleen uitzien naar hetgeen vóór hem ligt, zich uitstrekkend naar de prijs. Bij het doen van "dit ene ding" roept hij hen op, samen met hem, volgelingen te zijn (Phil.3:10-17).

Paulus zou de laatste persoon geweest zijn om volmaaktheid te pretenderen, zoals duidelijk is uit zijn getuigenis in Rom.7. Zij die ons vertellen om "vanuit Romeinen 7 in Romeinen 8" te gaan, dienen op te merken, dat Paulus deze beide hoofdstukken in dezelfde zetting schreef. Dat hij, die verklaarde: "Zo is er dan nu geen verdoemenis voor degenen die in Christus Jezus zijn," ook nederig bekende: "Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont; want het willen is wel bij mij, maar het goede te doen, dat vind ik niet" (Rom.8:1; 7:18).

Maar, zal een tegenspreker zeggen, als hij zo beslist Petrus en de Galaten kon berispen wegens teruggaan in wetticisme en dan, zonder een speciale reden, zelf teruggaan, dan was hij toch wel zo'n hypocriet, dat ik niet onder de indruk kom van zijn geschriften.

Waarom niet? Bent u vergeten om uw eigen hart te onderzoeken? Geeft de diepe toewijding van de Apostel Paulus u aanleiding tot minder begrip van hem als hij een misstap maakt? Verder schreef hij door de inspiratie van God.

Mozes zondigde op vele manieren; weigert u om zijn geschriften te lezen? David bedreef zowel overspel als moord; weigert u om zijn Psalmen te lezen? De profeten, een na de ander, faalde; wantrouwt u hun voorspellingen? Petrus ontkende zijn Here en speelde later de hypocriet in Antiochië; twijfelt u aan de waarheid van zijn brieven? Natuurlijk niet - omdat deze mannen, hoewel zelf falende schepsels, schreven door goddelijke inspiratie. Zo wil God ons behoeden om op mensen te vertrouwen en leidt ons om alleen Zijn Woord te geloven.

Maar Petrus werd berispt voor zijn fout te Antiochië; zou God dan Paulus niet hebben berispt als hij op dezelfde manier schuldig was? In de eerste plaats zou geen nauwkeurig onderzoeker van het verslag zeggen dat Paulus "evenzo" schuldig was in toe te geven om de offers van de Nazireër te brengen. Petrus week terug van het licht dat hij ontvangen had, "vrezende degenen die uit de besnijdenis waren" (Gal.2:12). Paulus daarentegen werd gewikkeld in deze gelofte door een brandende liefde voor zijn volksgenoten, die naar hij hoopte hierdoor gewonnen zouden worden om te luisteren naar zijn getuigenis omtrent Christus.

Maar beval dan de Here hem niet in Hand 23:11, toen Hij bij hem stond en zeide: "Heb goeden moed Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen"? Nee, Hij beval hem tenminste niet om deel te nemen aan de Joodse gelofte. Hij bemoedigde Paulus eerder in deze zaak, begrip hebbend voor zijn grote liefde tot Israel en voor Hemzelf, en zijn diep gevoel voor verantwoordelijkheid wegens zijn leiding geven aan Israel in hun opstand tegen Christus.

Maar zei de grote apostel dan niet, ziende op zijn martelaarschap: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden" (2Tim.4:7)? Natuurlijk! Lees het verslag van zijn trouwe, onvermoeibare dienst voor Christus. Loop de lange, maar ver van complete lijst door van zijn lijden voor Christus in 2Cor.11. Let op hoe zijn brieven uit de gevangenis ons nog meer van de glorie van Christus en Zijn genade tonen, en ons nog verder meenemen in de hemelse gewesten, dan de brieven die vóór zijn bezoek aan Jeruzalem geschreven zijn. Overweeg dit alles, samen met nog veel meer wat over zijn leven en zijn onderwijzingen zou kunnen worden gezegd, en vraag dan of deze fout al dat andere kan doen vervallen. Inderdaad, wie heeft in de geschiedenis zoveel reden om te zeggen: "Ik heb de goede strijd gestreden" of: "Ik heb het geloof behouden"?

Bij wijze van illustratie, kan er een tijd, of verschillende tijden, zijn in het leven van een toegewijd dienaar van God, dat zijn oprechte liefde voor een vriend en zijn oprecht verlangen om deze gered te zien, hem zou kunnen leiden tot een werkwijze die niet in Gods wil is, en zijn veronderstelling dat dit Gods wil is, tijdelijk vervagen. Als dit plaats vindt, zult gij onjuist zijn wanneer ge hem beschuldigt van ontrouw of van flagrante opstand tegen God - speciaal wannneer u zelf niet half zoveel liefde hebt voor God of voor uw vrienden.

                     WAS HET VERSLAG BETREFFENDE PAULUS WAAR OF NIET WAAR?

Het verslag dat, volgens Jakobus, algemeen geloof gevonden had onder de Joodse gelovigen van Judea, was dat Paulus alle Joden die onder de heidenen leefden geleerd had, "afval van Mozes", door te zeggen, dat zij hun kinderen niet behoefden te besnijden, noch naar de gebruiken te wandelen".

Nu was deze beschuldiging tamelijk ingewikkeld door vooroordeel, zoals zulke beschuldigingen meestal zijn. Zoals het er staat, was het verkeerd. Paulus was geen opstand tegen Mozes of de wet begonnen.  Te zeggen dat de wet vervuld was door Christus is geen ontkenning, maar bevestiging van haar aanspraken.

Maar de apostel leerde werkelijk, dat de wet vervuld was in Christus, en dat het daarom onnodig was haar ceremoniële rites waar te nemen, - en hij leerde dat niet alleen de heidenen, maar ook de Joden die onder hen waren.

"Na het lezen van de wet en de profeten" in de Pisidische synagoge, vroegen de oversten Paulus om een "woord van bemoediging". In antwoord daarop gaf de apostel hun een woord van bemoediging met betrekking tot ieder. Wat betreft de wet vermaande hij hen daar niet in te vertrouwen, maar hun vertrouwen te stellen in Christus, door het zo te zeggen:

"Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat DOOR DEZEN (mens) U VERGEVING DER ZONDEN VERKONDIGD WORDT; "En dat van alles, waarvan GIJ NIET KONDET GERECHTVAARDIGD WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, door Dezen een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt." (Hand.13:38,39).

Zeker waren er Joodse gelovigen onder de Galaten, en zij waren begrepen in het getal van hen tot wie de apostel schreef: "...valse broeders...die van bezijden ingekomen waren om te verspieden ONZE VRIJHEID, die wij in Christus Jezus hebben" (Gal.2:4). "...IK BEN DOOR DE WET DER WET GESTORVEN..."(2:19). "Zijt gij zo uitzinnig? Daar gij met de Geest begonnen zijt, voleindigt gij nu met het vlees?" (3:3). "...de wet is onze tuchtmeester...Maar als het geloof gekomen is, ZO ZIJN WIJ NIET MEER ONDER DE TUCHTMEESTER" (3:24,25).

"...HOE KEERT GIJ U WEDEROM TOT DE ZWAKKE EN ARME EERSTE BEGINSELEN, WELKE GIJ WEDEROM VAN VOREN AAN WILT DIENEN?. "GIJ ONDERHOUDT DAGEN, EN MAANDEN, EN TIJDEN, EN JAREN. "IK VREES VOOR U, DAT IK ENIGSZINS TEVERGEEFS AAN U GEARBEID HEB" (4:9-11). "STAAT DAN IN DE VRIJHEID, MET WELKE ONS CHRISTUS VRIJGEMAAKT HEEFT, EN WORDT NIET WEDEROM MET HET JUK DER DIENSTBAARHEID BEVANGEN. "ZIE, IK PAULUS ZEG U, ZO GIJ U LAAT BESNIJDEN, DAT CHRISTUS U NIET NUT ZAL ZIJN" (5:1,2).  "...zij noodzaken u besneden te worden, alleenlijk opdat zij vanwege het kruis van Christus niet zouden vervolgd worden.  "...maar zij willen dat gij besneden wordt, opdat zij in uw vlees roemen zouden. "MAAR HET ZIJ VERRE VAN MIJ, DAT IK ZOU ROEMEN, ANDERS DAN IN HET KRUIS VAN ONZEN HERE JEZUS CHRISTUS, DOOR WELKEN DE WERELD MIJ GEKRUISIGD IS, EN IK DER WERELD" (6:12,13,14).

De gemeenten in Galatië bestonden natuurlijk grotendeels uit heidenen. De apostel sloot zeker de heidenen niet uit toen hij over besnijdenis schreef, zodat het principe zeker ook sloeg op hen, die reeds besneden waren, hetgeen beslissend was voor elke overweging tot besnijdenis van hun kinderen.

Evenmin kan gezegd worden, dat in de brief aan de Galaten de apostel alleen redeneert tegen het rechtvaardiging zoeken door de wet, want hij waarschuwt duidelijk hen, die reeds gerechtvaardigd zijn, tegen opnieuw 'verstrikt" te worden door onderhouden van haar rites. Hij waarschuwt hen dat onderwerping aan één, de verantwoordelijkheid impliceert om ze allen te gehoorzamen (Zie Gal.5:1,3). En in dit verband had hij hen gewaarschuwd dat "Een weinig zuurdesem het gehele deeg verzuurt" (5:9).

Beschouw vervolgens de gemeente in Corinthe. Zij was begonnen met een groep uit de synagoge, met inbegrip van het huishouden van Crispus, de overste van de synagoge, en later, Sosthenes, de volgende overste (Hand.18:8,17; 1Cor.1:1).

Aan deze Joden, "die onder de heidenen waren", schreef hij: "Want ook wij allen zijn door één Geest tot één lichaam gedoopt, hetzij Joden, hetzij Grieken..." (1Cor.12:13). "Zo dan, wij kennen van nu aan niemand naar het vlees..." (2Cor.5:16).

Aan hen schreef hij, dat de wet was "de bediening des doods" en "de bediening der verdoemenis" (2Cor.3:7,9). Evenmin verwijst de apostel hier alleen naar de tien geboden, want door te zeggen dat alles is "tenietgedaan" verwijst hij duidelijk naar de gehele wet (Cf. V.13 met Ex.34:32,33). En tot beiden, Joodse gelovigen, en gelovigen uit de heidenen, had hij geschreven:       "...Ik ben ijverig over u met een ijver Gods; want ik heb ulieden toebereid om u als een reine maagd aan EEN MAN voor te stellen, namelijk aan Christus. "Doch ik vrees, dat enigszins, gelijk de slang Eva door zijn arglistigheid bedrogen heeft, alzo uw zinnen bedorven worden, om af te wijken van DE EENVOUDIGHEID DIE IN CHRISTUS IS" (2Cor.11:2,3). En slechts kort tevoren had hij aan de gelovigen in Rome geschreven - en speciaal tot de Joodse gelovigen onder hen - in dezelfde geest: "...Gij zijt ook DER WET GEDOOD...OPDAT GIJ ZOUDT WORDEN (getrouwd K.J.V.) EENS ANDEREN..." (Rom.7:4). "Maar nu ZIJN WIJ VRIJGEMAAKT VAN DE WET, OVERMITS WIJ DIEN GESTORVEN ZIJN, ONDER WELKEN WIJ GEHOUDEN WAREN; ALZO DAT WIJ DIENEN IN NIEUWIGHEID DES GEESTES, EN NIET IN DE OUDHEID DER LETTER" (V.6).

Inderdaad, als Paulus de Joden onder de heidenen niet geleerd had hun Judaïsme op te geven, welk recht had hij dan om Petrus te berispen wegens ernaar terug te keren toen hij de heidenen in Antiochië bezocht? Herinner dat Petrus "geleefd had naar de wijze der heidenen, en NIET zoals de Joden deden" toen hij daar in Antiochië was. En "de andere Joden" onder hen hadden hetzelfde gedaan, totdat "sommigen van Jakobus" kwamen. Toen begonnen Petrus en de andere Joodse gelovigen weer te leven "zoals de Joden doen" en werden berispt door Paulus wegens hun huichelarij (Zie Gal.2:11-14).

Wij citeren deze passages, en zouden nog andere kunnen citeren, alleen om aan te tonen dat, omdat Paulus zeker niet afvallig was van Mozes, hij de Joden onder de heidenen had geleerd, dat de wet door Christus vervuld was, en dat zij daardoor genieten mochten van de bevrijding van haar juk, zodat de geruchten over de apostel niet helemaal "niets" waren, zoals Jakobus deed voorkomen (Hand.21:24). Van hen die volhouden dat het verslag volstrekt ongefundeerd was, kennen wij inderdaad niemand die de feiten onder ogen zien.

         HET VOORSTEL VAN JAKOBUS

Jakobus' voorstel, dat blijkbaar tevoren was overeengekomen, dient zorgvuldig te worden beschouwd in het licht van zijn achtergrond.

De Joodse gemeente was naar aantal in Jeruzalem en Judea krachtig geworden. Sinds de verstrooiïng in Hand.8:1 hadden de oversten van Israel Saulus van Tarsen, de vurige leider van hun opstand tegen Christus verloren, en waren zelf minder agressief geworden. Het resultaat was, dat grote aantallen waren teruggekeerd naar Jeruzalem, totdat, ongeveer tien jaren later, daar niet enkel een "menigte" gelovigen in de stad waren, maar dat zij zo'n gunstige positie hadden verkregen, dat de Kerk het grote convent in Hand.15 kon houden, zonder dat iemand werd gemolesteerd. En nu, nog eens dertien of veertien jaren later, waren de aantallen daar blijkbaar groter dan ooit (Hand.21:20).

Maar het convent te Jeruzalem, voor zover het de monden van de Judaïsten had gesloten wat betreft publieke tegenstand tegen Paulus' boodschap van genade, had hen geenszins gewonnen  voor de houding die Petrus had aangegeven in zijn edelmoedige verklaring in Hand.15:8-11. In plaats daarvan hadden zij Paulus' voetsporen nagespeurd, waar hij ook ging, trachtend zijn bediening onder de Galaten, de Corinthiërs, en de heidense gelovigen in het algemeen, te ondermijnen. Inderdaad had Petrus zelf, samen met andere Joodse gelovigen, met inbegrip zelfs van Barnabas, een ernstige scheiding in de gemeente in Antiochië teweeggebracht, onder de invloed van "sommigen (die gekomen waren) van Jakobus" (Gal.2:12,13).

En doen nu Jakobus en de ouderlingen hun voorstel aan Paulus om hem te helpen, of omdat zij verlegen zijn met zijn komst naar Jeruzalem op dat ogenblik? Als hun verlangen werkelijk is om te helpen, zijn zij in de positie dit nu te doen, maar dit schijnt niet het geval te zijn, want, zonder aanbod om zijn bediening te ondersteunen, of hem op enige wijze bij te staan, dwingen zij hem om een Joods ritueel te onderhouden, terwille van hen die zijn ingelicht (gedeeltelijk in waarheid), dat hij het Judaïsme verlaat.

De menigte, zo zeggen zij, zal zeker "samenstromen" als zij horen dat Paulus is aangekomen. Er moet dan snel iets worden gedaan, door Paulus, in het publiek, om hen te overtuigen dat zij verkeerd geinformeerd zijn; dat de apostel een goede Jood is, die getrouw de inzettingen van de wet**/[i] onderhoudt.

Hun voorstel was daarom dit: Paulus zelf was blijkbaar niet onder een gelofte in die tijd, maar zij hadden vier mensen die dit wel waren, en Paulus kon zich in het openbaar bij hen voegen in hun gelofte, door zichzelf te reinigen en voor de offers te betalen, daarmee de instemming van hun gelofte betuigend. Dit moet een omvangrijk bedrag zijn geweest, omdat voor elk van de vier, twee duiven, een mannelijk lam, een ooilam en een ram moest worden geofferd (Num.6).

Deze procedure was blijkbaar niet ongewoon in die tijd. Josephus vertelt metterdaad, hoe Agrippa I Joodse gunst verkreeg, door ook zo Narireërsgeloften te betalen (Ant.XIX, 6,1).

Jakobus en de oudsten wensten blijkbaar, dat Paulus hen zou achterlaten met enige vragen die hij hierover zou kunnen hebben, door hem te dringen: "Doe dan hetgeen wij u zeggen" (V.23). En om hem nog meer te beinvloeden toe te geven, herinneren zij hem, dat zij hem "hadden geschreven en goedgevonden dat (de heidenen) dergelijke dingen niet zouden onderhouden"(V.25).

ZOU HET GOED OF VERKEERD ZIJN TOE TE GEVEN?

Zo werd de apostel gedwongen de actie van vier Joodse ijveraars te ondersteunen bij het nemen van een Nazireërgelofte, door het financieren van niet één, maar vijf bloedige offers voor ieder. En hij werd gedwongen om dit te doen, om te bewijzen dat hij een trouw onderhouder van de wet was. Was het goed of verkeerd van hem om toe te geven?

Als we alle betreffende Schriftplaatsen onderzoeken, komen we maar tot één conclusie: Het zou verkeerd zijn.

Er is veel gezegd over de twee programma's die gelijk op gaan door het laatste deel van Handelingen. Wij hebben geen bezwaar tegen de term "zij aan zij", als slechts wordt begrepen dat het niet Gods bedoeling was, dat twee programma's met gelijke kracht gedurende jaren zouden voortgaan. Evenzo als het nieuwe programma geleidelijk verscheen, zo verdween het oude. Er moest een overgang zijn van de ene naar de andere. Petrus' aandeel in de bekering van Cornelius en zijn huis, zijn woorden in Hand.15:8-11, en de beslissing van het Jeruzalem-convent alleen al, hadden aangewezen, dat zelfs aan de zijde van de Joodse gelovigen, er een geleidelijke bevrijding van de wet was. De afbreuk van de "scheidsmuur" zou hen aan beide zijden raken.

Maar had Paulus niet aan de Corinthiërs geschreven, dat ieder in zijn eigen geroepen stand moest blijven, en dat de besnedenen niet onbesneden zouden worden? (Cor.7:18). Ten eerste verwijst de apostel hier niet naar leerstellige posities die men zou moeten innemen, maar naar lichamelijke omstandigheden, waarin zij zich bevonden, met inbegrip van slavernij, maagdschap, huwelijksleven, etc. Nu waren er blijkbaar enige Joodse bekeerlingen die zo extreem geworden waren in hun gevoelens over besnijding en de wet, dat zij hadden getracht, door chirurgisch ingrijpen, "onbesnedenen" te worden. Het Griekse woord "epispaomi" is niet, zoals het gebruikelijke woord voor onbesnedenheid, een medische term, die "overtrekken" betekent. De passage heeft dus niets te maken met Joden die in het Judaïsme blijven.

Maar heeft hij dan ook niet geschreven: "En ik ben den Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen die onder de wet zijn, winnen zou; Dengenen die zonder de wet zijn, ben ik geworden als zonder de wet zijnde (Gode nochtans zijnde niet zonder de wet, maar voor Christus onder de wet), opdat ik degenen die zonder de wet zijn, winnen zou?" (1Cor.9:20,21).

Deze passage wordt door sommigen geacht de volle rechtvaardiging te geven van Paulus' betrokkenheid bij het Judaïsme in deze tijd. Zij veronderstellen dat het betekent, dat hij zich afwisselend in afhankelijkheid van de wet plaatst, en in de vrijheid ervan, als hij werkte, nu met de Joden, dan met de heidenen.

Zij die deze passage op die manier interpreteren om Paulus' daad in Jeruzalem te verdedigen, dienen op te passen, dat zij hem niet beschuldigen van een zwaardere misstap in trouw. Wij kunnen begrijpen hoe onze apostel, als andere Godsmannen, zou kunnen struikelen en vallen, maar de bovengenoemde uitleg van 1Cor.9:20 zou Paulus schuldig maken aan gewone tweeslachtigheid.

In de eerste plaats werkte de apostel de meeste tijd met Joden en heidenen. In praktisch alle gemeenten die hij stichtte waren eerst Joden; dan werden heidenen toegevoegd. Veronderstel nu dat hij zichzelf onder de wet plaatst om de Joden te winnen, en dan, later, deze zelfde Joden leerde, dat hij onder de heidenen het juk wegwerpt en leerde dat de ceremoniën van het Judaïsme "niets" waren; wat zouden zij - wat konden zij van hem denken?

Wij geloven dat de passage in 1Cor.9 eenvoudig betekent, dat hij, in sympathie, zichzelf mentaal in de positie plaatste van degenen met wie hij handelde. Hij ging niet terug in het Judaïsme als hij onder Joden was, maar hun vooroordelen kennende, hield hij zich in, om te doen wat hen zou tegenstaan - zodat hij hun geleidelijk dezelfde waarheden zou kunnen leren die hij de Joden in Pisidisch Antiochië had geleerd: rechtvaardiging van alle dingen door geloof in Christus, los van de wet (Hand.13:38,39).

In het volgende vers van 1Cor.9 zegt de apostel: "Ik ben de zwakken geworden als een zwakke". Betekent dit dat hij werkelijk zwak werd? Natuurlijk niet. Het betekent dat hij sympathiseerde met de zwakken, teder met hen handelde, en niet zijn sterkte liet blijken. Op dezelfde manier werd hij "als een Jood" voor de Joden en "als onder de wet" voor hen die daar onder waren.

Zoals we gezegd hebben, gingen de twee programma's niet met dezelfde kracht door. Het oude werd voor een tijd nog gelaten, alleen omdat mensen langzaam leren en langbestaande gewoonten moeilijk zijn af te werpen. Maar dat de apostel trachtte "de Joden onder de heidenen" het volbrachte werk van Christus te tonen en hun vrijheid in Christus, samen met de gelovige heidenen is duidelijk uit het feit, dat hij in Antiochië, samen met Petrus, had geleefd "naar de wijze der heidenen", en Petrus had berispt wegens teruggang naar Judaïsme uit vrees voor degenen van de partij van Jakobus (Gal.2;14).

Hoe konden Petrus, dan wel Paulus, de populaire uitleg van 1Cor.9:20,21 hier in Antiochië dan wel hebben gepraktiseerd, in aanwezigheid van zowel Joden als heidenen? In zulke gevallen zouden de vruchten van tweeslachtigheid zeker zijn geoogst! En merk verder op, dat Paulus Petrus bij deze gelegenheid berispte, niet wegens het op verkeerde wijze of op de verkeerde tijd overschrijden van een Joden-heiden streep, maar wegens teruggang uit licht dat ontvangen was (Gal.2:15-19). Petrus had door een apart visioen en bij de bekering van Cornelius geleerd, dat God geen verschil maakte tussen Jood en heiden, en hij had dit openlijk gesteld, n.b. op het convent in Jeruzalem. Nu was hij, door Joden van de heidenen in Antiochië te scheiden, datgene wat hij had neergehaald, weer aan het opbouwen, en zo zichzelf tot een overtreder makend (Gal.2:18).

Zo is het dus niet genoeg om te redeneren, dat er gedurende het laatste deel van Handelingen, één programma was voor de Joden, en een ander voor de heidenen. Het was immers op basis van geopenbaarde waarheid omtrent Oud Testamentische rites, dat Paulus vocht voor vrijheid daarvan voor de heidenen. En het was ook op basis van geopenbaarde waarheid, dat het Joodse programma geleidelijk zou worden los gelaten (Hand.15:8-11; Heb. 10:1-39, etc.). Daarvoor was iemand die trachtte zich nu onder de wet te plaatsen verdoemd, niet omdat hij een programma geweld aandeed, maar omdat hij de waarheid niet gehoorzaamde (Zie Gal.3:1; 5:7).

Als Paulus nu toestemt om deel te nemen, samen met ongelovige priesters en Levieten, aan het brengen van brandoffers, zondoffers en vredeoffers, die allen in Christus vervuld zijn, zou hij zeer zeker de Joodse gelovigen helpen om onder de binding te blijven waarvan de heidenen bevrijd waren, en wat Petrus juist beschreef als een juk, te zwaar om te dragen (Hand.15:10). In het licht van alle Geschriften over dit onderwerp, is het meer aannemelijk, dat hij hier fout ging, dan dat dit zijn politiek was.

Maar had hij niet kort tevoren een gelofte gedaan, en zich gehaast om een feest in Jeruzalem bij te wonen? Was de apostel ook in dit geval buiten de wil van God? In antwoord hierop zeggen wij, onderzoek het verslag en let op de omstandigheden. In het enig vermelde geval, waar een samenkomst in een synagoge "verlangde van hem langer bij hen te blijven", stemde hij niet toe, want hij haastte zich, gedreven door zijn verlangen, "op alle manieren" op tijd voor het feest in Jeruzalem te zijn (Hand.18:20,21). En dan trekt de Geest een sluier over de activiteiten van de apostel. Welk feest hij wilde vieren wordt ons niet verteld. Noch wordt ons gemeld of hij Jeruzalem op tijd bereikte, of hoe hij werd ontvangen. Inderdaad wordt alleen maar aangenomen, dat hij Jeruzalem ook bereikte.

Zeker is dat wij niet geinformeerd worden, noch door Paulus zelf, noch door Lukas, welke goede reden er was om de gelofte te doen, of waarom het zo nodig was om een Joods feest in Jeruzalem bij te wonen. Wij kunnen alleen maar concluderen, dat zijn "grote droefheid en voortdurende smart" over Israel zijn hart terugtrok naar Jeruzalem, en hem drong om juist deze koers te nemen, om zo mogelijk hen te redden.

Maar hoe zit het dan met de besnijdenis van Timotheus, en met de dopen die Paulus opnoemt? Zijn deze beiden soms niet met de wet verbonden? Hier moeten we opnieuw nadruk leggen op het overgangskarakter van het laatste gedeelte van Handelingen. Zonder opnieuw de omstandigheden rondom de besnijdenis van Timotheus te beschouwen, werd dit gedaan, net als het dopen door Paulus, vóórdat hij zelfs zijn eerste brief geschreven had, en terwijl hij nog, de een na de ander, openbaringen ontving van de verheerlijkte Here. En wanneer hij terugkijkt, jaren later, op de Corinthische dopen die hij zich herinnert, dankt hij God, dat hij niet nog meer gedoopt heeft, en voegt er aan toe: "Want Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen...Want het woord (evangelie) des kruises...is een ("de",K.J.V.) kracht Gods" (1Cor.1:18).

Wat betreft het voorstel van Jakobus dat Paulus aan de "ijveraars voor de wet" zou bewijzen zelf een getrouw betrachter van de wet te zijn, is het feit, dat slechts een paar dagen later Paulus betuigde: "Ik...zijnde een ijveraar Gods, gelijkerwijs gij allen heden zijt" (Hand.22:3). En later betuigd hij weer, voor Felix:

"Maar dit beken ik u, dat ik naar dien weg, welken zij een sekte noemen, den God der vaderen alzo dien, gelovende alles wat in de Wet en in de Profeten geschreven is" (Hand.24:14).

De apostel kon toen niet een getrouw betrachter van de wet geweest zijn. Waarom zou hij nu proberen te bewijzen dat hij dat was? Waarom zou hij trachten de Joden te bewijzen, dat hij "ordelijk wandelde en de wet onderhield", als hij dat zeker niet onder de heidenen gedaan had?

Hij was naar Jeruzalem gekomen om een offer te brengen aan de arme heiligen daar, en te "betuigen het evangelie van Gods genade". Het verslag vermeldt niet, dat het offer dankbaar werd geaccepteerd, en zeker kon hij niet "het evangelie van Gods genade betuigen" door bloedoffers te brengen. Maar ook de offers werden niet werkelijk overhandigd. In plaats dat het plan van Jakobus gelukte, ontstond er een grote beroering en de arrestatie van Paulus "toen de zeven dagen bijna voleindigd waren". Dit was oorzaak dat Paulus geen aandeel kon hebben in het overreiken van de voorgestelde offers.

                DE APOSTEL GEEFT TOE

"Toen nam Paulus de mannen met zich, en de dag daaraan met hen geheiligd zijnde, ging hij in de tempel, en verkondigde, dat de dagen der heiliging vervuld waren, blijvende daar totdat voor een iegelijk van hen de offerande geofferd was." - Hand.21:26.

Zo trad Paulus, als vertegenwoordiger van de vier Nazireërs, de tempel binnen om de priester aan te kondigen, dat na zeven dagen reiniging, de voorgeschreven offers nu zouden worden geofferd.

Het is vreemd om Paulus te zien buigen voor Jakobus, en terug te zien gaan naar dat wat hij kort tevoren nog "zwakke en arme eerste beginselen" genoemd had.

Welke al zijn eigen motieven waren om zo te doen, weten we niet. Er kan niet gezegd worden dat, omdat hij in Jeruzalem was, hij zich onderwierp aan het gezag van de apostelen der besnijdenis, want er is geen vermelding dat enigen van hen daarbij tegenwoordig waren.

Toch betuigde hij later voor het Sanhedrin: "Ik heb met alle consciëntie voor God gewandeld tot op deze dag" (Hand.23:1). Ongetwijfeld redeneerde hij zo, dat de beschuldiging tegen hem onwaar was, dat hij hier op Joodse gronden stond, en dat zich voegen in de gelofte tot gevolg zou kunnen hebben, dat de Joden hem zouden aanhoren. En had hij bovendien ook niet moeizaam en maandenlang de inzameling georganiseerd, die hij nu aan zijn Joodse broeders bracht? Was dit alles nu tevergeefs? Wat zouden de gemeenten zeggen als, na zo zwaar van hun middelen geofferd te hebben, het plan misliep? Zulke gedachten moeten wel door hem heengegaan zijn, en zo complex kunnen geestelijke problemen worden.

       Zoals we weten, mislukte het plan helemaal, want de eigenlijke bedoeling die het had, kwam er niet uit, door het oproer dat plaatsgreep, juist voordat hij zijn toespraak kon afmaken. Dit had tot gevolg dat zijn openbare bediening werd onderbroken, altans voor die tijd, en hij weggeleid werd als "de gevangene van Jezus Christus voor (de) heidenen" (Eph.3:1). Dit zien wij niet als een bestraffing, maar eerder als een middel om hem te behouden als "de apostel der heidenen", onverschillig hoe intens hij zich ook verplicht voelde aan de Joden.                      


[i].**/Voetnoot: De woorden "wandelen naar de wijzen der wet" kunnen niets minder betekenen dan getrouwe onderhouding van de wet.

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011