De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

            

H O O F D S T U K  XXXIX  -  H A N D. 21:1-14

DE NADERENDE STORM

             VAN MILETE NAAR CESAREA

"En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo liepen wij rechtuit en kwamen te Kos, en den dag daaraan te Rhodos, en vandaar te Patara."En een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicië overvoer, gingen wij erin en voeren af. "En als wij Cyprus in het gezicht gekregen en dat aan de linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus; want het schip zou aldaar den last ontladen.

"En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem. "Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen overgebracht hadden, gingen wij uit en reisden voort, en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.

"En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zij keerden weder elk naar het zijne."Wij nu de scheepvaart volbracht hebbende van Tyrus, kwamen aan te Ptolomaïs, en de broeders gegroet hebbende, bleven één dag bij hen."En des anderen daags Paulus en wij die met hem waren, gingen, gingen vandaar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in het huis van Philippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven wij bij hem.

"Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden. "En als wij daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea, met name Agabus;

"En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zijns zelfs handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man, wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen.

"Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van deze plaats waren, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem."Maar Paulus antwoordde: Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam des Heren Jezus.

"En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende; De wil des Heren geschiede." - Hand.21:1-14.

                DE REIS NAAR TYRUS

Milete verlaten hebbende, zeilden de apostel en zijn gezelschap in een rechte koers tot in de nabijheid van Coos ofwel Cos, destijds beroemd, net als nu, om zijn wijnen, vruchten en zijde. Hier overnachtten zij blijkbaar, om de dag daarop naar het wereldbekende Rhodes te varen.

Deze beroemde stad, genaamd naar "het eiland van rozen" waarop zij was gelegen, was een van de drukste havens in de archipel. En daar was, ongeveer 340 jaren tevoren, één van "de zeven wereldwonderen", een groot standbeeld van Apollo opgericht, dat reikte tot 105 voet hoogte. Sommige historici zeggen dat de grote Kolossus schrijlings boven de haveningang stond, maar dit wordt door anderen betwijfeld. Ongeveer 224 jaren v.Chr. echter wierp een aardbeving het in de zee, waar het bleef als een massa brons tot ongeveer 656 A.D., toen de Saracenen bezit namen van het eiland en het metaal verkochten aan een Joodse handelaar, die 900 kamelen nodig had om het weg te halen.

Ten tijde toen Paulus de haven invoer, was de haven, als de historici het juist hebben, nog steeds bestrooid met stukken van de Kolossus. Alleen stukken van de twee benen stonden nog op hun plaatsen. Misschien heeft het hem herinnerd aan het beeld van de god Dagon en heeft hij geglimlacht toen hij de brokstukken zag.

De tekst vertelt ons niet dat de groep de nacht overbleef in Rhodes en het is mogelijk, dat het schip dezelfde dag direct doorgegaan is naar Patara. Ongetwijfeld zeilden zij alleen bij dag op dit gedeelte van de reis, maar de aanwezigheid van de noordwesten wind in de Aegeïsche Zee zou hen hebben doen verder varen. Dr.Clarke, in een verslag uit de eerste hand, zegt hiervan: "Het is verrassend over hoe lange tijd, en hoe dikwijls, de N.W. in de archipel waait. Zij is er bijna het grootste deel van het jaar, zonder ophouden" (Vol.III, P.380).

Patara, een haven aan de kust van Lycia, was blijkbaar de bestemming van het schip, maar hier waren de apostel en zijn gezelschap gelukkig genoeg om een ander schip te vinden dat juist gereed was om over de Middellandse Zee naar Tyrus te varen. Er wordt niets gezegd van een nacht overblijven. Ook vinden we niet de woorden "de volgende dag" of "de daarop volgende dag". Eerder geeft het verslag, speciaal in het origineel, de indruk dat geen tijd werd verloren. Blijkbaar stapten zij onmiddellijk  over en zetten die nacht zeil voor de reis naar Tyrus, ongeveer 400 mijlen overzee.

Nu met alle zeilen bij en met de hulp van een Noordwesten wind, behoefden zij niet te vrezen voor de vaart bij nacht. "Ook de voorzichtigheid van de vroegere navigatie" zo zegt Clarke, "stond niet tegen om met goede wind snachts dit veilige en ongehinderde stuk water te varen."

De uitdrukking, "En als wij Cyprus in zicht kregen" is in het origineel nadrukkelijk. Het geeft aan dat zij snel zeilden; dat Cyprus plotseling opdoemde in zicht en toen ook weer snel uit zicht was. Zonder twijfel dacht de apostel met blijdschap terug aan de naam toen hij het eiland passeerde.

Dra landden zij in Tyrus, waar het schip haar "last zou ontladen" (V.3). In die tijd was Tyrus in een staat van neergang van haar glorie uit de tijd toen zulke gruwelijke profetiën tegen haar waren uitgesproken over haar verlatenheid ten tijde van de vervulling.

Lukas' verslag van de hele reis, van Troas tot Tyrus, geeft de indruk dat het weer, de hele reis zeer gunstig was. Temeer had het voordeel van het vinden van een schip in Patara, klaar om uit te zeilen, niet alleen Paulus bevrijd van zijn bezorgdheid om Jeruzalem tijdig met Pinksteren te bereiken, maar had hem ook aanzienlijk tijdsbesparing verschaft.

"De discipelen gevonden hebbend" bleef het gezel-schap daar zeven dagen (V.4) blijkbaar de tijd die het kostte voor het schip, een grote zeevaarder, om haar lading te lossen en te herladen.

        DE WAARSCHUWING VAN DE GEEST OM NIET NAAR JERUZALEM   TE GAAN

Hier zeiden de discipelen, zoals we gezien hebben, tot Paulus door den Geest, "dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem" (V.4).

Zoals we reeds aangaven, was het niet zomaar een zorg voor Paulus' welzijn wat deze discipelen aanzette om hem te dringen zijn reis niet te vervolgen. Zij spraken "door de Geest". Wij hebben ook aangetoond, dat de uitdrukking in het Grieks niet wijst naar een verbod, maar eerder naar een waarschuwing en een verzoek. Het is verder waarschijnlijk, dat Paulus begreep dat dit een waarschuwing was van de Geest, want hij had reeds gezegd: "De Heilige Geest betuigt van stad tot stad, zeggende dat mij banden en vverdrukkingen aanstaande zijn" (20:23).

Zijn reacties op zulke verzoeken en waarschuwingen wijzen er sterk op, dat hij deze niet zag als een goddelijk verbod op zijn gaan naar Jeruzalem, maar beschouwde als een uitdaging en een beproeving van zijn trouw (Zie 20:24; 21:13).

Omdat dus de motieven en bedoelingen van de apostel inderdaad edel waren, kan niet gezegd worden dat hij in de aanwijsbare wil van God was door naar Jeruzalem te gaan. Zeker waren de herhaalde waarschuwingen van de Geest tegen zijn gaan naar Jeruzalem niet uit te leggen als Zijn leiding om daarheen te gaan.

             HET AFSCHEID IN TYRUS

Het verslag van het afscheid in Tyrus is bijzonder treffend. Kennelijk hebben de discipelen daar hem niet persoonlijk gekend, zodat de afscheidscène niet zo zou zijn als die in Milete bijvoorbeeld. Maar het opmerkelijk feit is, dat in deze weinige dagen, Paulus reeds zo'n plaats in hun toegenegenheid had, dat zij hem en zijn reisgenoten naar het schip vergezelden om afscheid te nemen. De toevoeging hier van "de vrouwen en kinderen" maken het beeld bijzonder schiderachtig en ontroerend.

Voordat zij vertrekken, knielde het gehele gezelschap neer aan de oever om te bidden; Paulus, zijn acht metgezellen en de gelovigen uit Tyrus, waarbij wellicht allen voor elkander in voorbede smekingen uitstortten. De kinderen zouden het nooit vergeten!

Maar op het laatst werd het tijd om uit te zeilen, en Paulus en zijn gezelschap moesten vaarwel zeggen, aan boord gaan en vertrekken, terwijl hun nieuwgevonden vrienden ontroerd terugkeerden naar hun huizen.

          DE PROFETIE VAN AGABUS

Hun reis vervolgend, stopten de apostel en zijn metgezellen in Ptolomaïs om "de broeders" daar te begroeten en bleven daar voor één dag bij hen, en vervolgden toen hun reis tot Cesarea, waar Paulus zijn laatste dagen van vrijheid besteedde. Hun gastheer daar was de bekende Philippus, evenals Paulus een Hellenist, en daarom waarschijnlijk meer symphatiek staande tegenover Paulus' zaak, dan de andere Hebreeuwse gelovigen.

Philippus was oorspronkelijk één van de zeven diakenen geweest, die opzicht hadden over de "dagelijkse bediening" in de Pinksterdagen, toen de gelovigen in Jeruzalem "alle dingen gemeenschappelijk" hadden (Hand.6:1-5). Sinds die tijd echter was de gemeente te Jeruzalem door een "grote vervolging" verstrooid en Philippus was in plaats daarvan gebruikt als evangelist (Zie Hand.8:4-40). Maar omdat Philippus waarschijnlijk niet langer actief was als diaken van de Gemeente in Jeruzalem, zal het feit dat hij hier "Philippus de evangelist" genoemd wordt, met toevoeging "één van de zeven", betekenen dat hij nog genoeg associatie met, of kennis van, de zaken van de Gemeente in Jeruzalem had, om Paulus te verlichten van de noodzaak tot persoonlijke aflevering van de "collecte", die hij had ingezameld voor de armen daar.

Deze Philippus had ook vier dochters die zich hadden gegeven in Gods dienst als profetessen (12:9). Daar was natuurlijk niets verkeerds aan, dat vrouwen profeteerden in die dagen, want Joël had speciaal geprofeteerd met betrekking op Pinksteren: "Uw dochters zullen profeteren" (Hand.2:17). In het licht van het getuigenis van de Geest "in iedere stad" langs de route van Paulus' reis, dat "banden en verdrukkingen" hem te wachten stonden in Jeruzalem, is het niet twijfelachtig, dat deze jonge vrouwen hun Geestvervuld getuigenis voegden bij die, welke reeds gegeven waren.

Maar de meest indrukwekkende en ernstige waarschuwing van allen was toch wel die Agabus overbracht, een bekende en vertrouwde profeet, die jaren tevoren, de grote hongersnood had voorspeld die de heiligen in Judea had verarmd. In die tijd was hij een instrument geweest in het voorzien van de eerste bijdrage van de gelovigen uit de heidenen voor de arme heiligen in Judea. Deze keer echter kwam hij om een dramatische waarschuwing door te geven over wat de apostel zou overkomen als hij bleef bij zijn voornemen om naar Jeruzalem te gaan.

De gevoelens die leidden tot het moordplan tegen Paulus' leven weergegeven in Hand.23:12, kon nauwelijks een geheim zijn geweest voor een profeet die in Judea woonde. En nu, bovennatuurlijk of door bericht*/[i] vernomen hebbend over de nadering van de apostel, gaat Agabus af naar Cesarea om hem te waarschuwen, en treft hem in gezelschap van metgezellen en vrienden. Terwijl hij de symbolische manier van vele Oud Testamentische profeten aanneemt, nadert hij de apostel en neemt hem zijn gordel waarmee hij zijn mantel dichtsluit af, en gebruikt die om zijn eigen handen en voeten te binden, en zegt:

"Den man wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen" (V.11).

Nu is het zeker dat deze passage, eenvoudig en gewoon gelezen, op geen andere manier zou kunnen worden uitgelegd als alleen een waarschuwing tegen Paulus' voornemen naar Jeruzalem te gaan. Dat Agabus inderdaad sprak als profeet is bewezen, niet alleen door de tetterlijke vervulling van zijn profetie in Hand.11, maar ook door de letterlijke vervulling van deze profetie hier.

De vanzelfsprekende vraag is, of de Geest hem waarschuwde om hem te af te schrikken, of om hem voor te bereiden voor het oordeel. Wij geloven dat het eerste het geval is. Is het ooit Gods wijze van doen geweest om zijn dienaren voor te bereiden op beproevingen door hen daarvoor te waarschuwen? Heeft Hij dat niet veel eerder gedaan door hen te bemoedigen wat betreft Zijn trouw? Zeer zeker is dit zo in het geval van Paulus zelf (Zie 18:9; 23:11; 27:23-25).

Zeker begrepen allen die erbij tegenwoordig waren de profetie van Agabus als een waarschuwing voor Paulus dat hij niet noest doorgaan, want zowel zijn medewerkers, met inbegrip van Lukas, en de gelovigen in Cesarea, begonnen hem te smeken, onder tranen, zijn doel los te laten (V.12,13).

Zoals Paulus werd gehaat door de Joden, en de onlust, of op zijn minst de verdachtmaking van vele gelovigen in Jeruzalem had, zo zeker had hij ook de stralende liefde van een menigte heiligen, die zijn bediening als de apostel der genade waardeerden, want waar hij ook pauseerde om afscheid te nemen, waren er ontroerende demonstraties van verbondenheid met hem.

Het antwoord van Paulus op de smeekbeden van zijn vrienden openbaarde iets van de grootheid van de man en zijn motieven. Met een hart dat bloedde voor zijn volksgenoten en met een diep gevoel van verplichting aan de Christus had hij hen geleerd te haten, hij was niet in staat om Agabus' waarschuwing te zien op dezelfde wijze als zijn vrienden. Hij was geen fanatieke of namaak martelaar, hij was een veteraan in vervolging, met lidtekens die hij kon laten zien, toch was hij in geen enkele zin een stoicijn. Eerder had hij een gevoelige, liefhebbende natuur, en de smekingen onder tranen van zijn medewerkers en vrienden maakten hem kapot en waren de oorzaak dat hij uitriep:"Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam des Heren Jezus" (V.13).

Wanneer er een fout gevonden kan worden in de grote apostel dooor vast te houden aan zijn bedoeling om deze keer  naar Jeruzalem te gaan, kan zeker niemand de verhevenheid van zijn motieven betwijfelen, noch de diepte van zijn toewijding aan Christus. Diegenen die hem beschuldigen van gewetensvol, gewillig God ongehoorzaam zijn in deze zaak, dienen hun eigen harten te onderzoeken

 

[i].*/Voetnoot: Er zal tijd genoeg geweest zijn dat hem zo'n bericht kon bereiken.

om te zien of hun eigen motieven van zo'n hoog gehalte zijn of hun toewijding net zo diep.

Tenslotte hielden allen die tegenwoordig waren op met de apostel te smeken, en zeiden: "De wil van God geschiede". In het licht van de contekst is het natuurlijk foutief om hieruit te concluderen dat de vrienden van Paulus nu inzagen dat Paulus' doel in overeenstemming was met de besturende wil van God. Zij spraken eerder van Gods toelatende wil, zich neerleggend bij wat zij zagen als onafwendbaar.

   

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011