H O O F D S T U K XXXIX - H A N D. 21:1-14
DE NADERENDE STORM
VAN MILETE NAAR CESAREA
"En als het geschiedde dat wij van hen gescheiden en afgevaren waren, zo
liepen wij rechtuit en kwamen te Kos, en den dag daaraan te Rhodos, en
vandaar te Patara."En
een schip gevonden hebbende, dat naar Fenicië overvoer, gingen wij erin en
voeren af. "En als wij Cyprus in het gezicht gekregen en dat aan de
linkerhand gelaten hadden, voeren wij naar Syrië, en kwamen aan te Tyrus;
want het schip zou aldaar den last ontladen.
"En de discipelen gevonden hebbende, bleven wij daar zeven dagen; dewelke
tot Paulus zeiden door den Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem.
"Toen het nu geschiedde dat wij deze dagen overgebracht hadden, gingen wij
uit en reisden voort, en zij geleidden ons allen met vrouwen en kinderen
tot buiten de stad; en aan den oever nederknielende, hebben wij gebeden.
"En als wij elkander gegroet hadden, gingen wij in het schip, maar zij
keerden weder elk naar het zijne."Wij nu de scheepvaart volbracht hebbende
van Tyrus, kwamen aan te Ptolomaïs, en de broeders gegroet hebbende,
bleven één dag bij hen."En des anderen daags Paulus en wij die met hem
waren, gingen, gingen vandaar en kwamen te Cesarea; en gegaan zijnde in
het huis van Philippus, den evangelist (die een was van de zeven), bleven
wij bij hem.
"Deze nu had vier dochters, nog maagden, die profeteerden. "En als wij
daar vele dagen gebleven waren, kwam er een zeker profeet af van Judea,
met name Agabus;
"En hij kwam tot ons, en nam de gordel van Paulus, en zijns zelfs handen
en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man,
wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en
overleveren in de handen der heidenen.
"Als wij nu dit hoorden, baden beiden wij en die van deze plaats waren,
dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem."Maar Paulus antwoordde: Wat doet
gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen
gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam des
Heren Jezus.
"En als hij zich niet liet afraden, hielden wij ons tevreden, zeggende; De
wil des Heren geschiede."
- Hand.21:1-14.
DE REIS NAAR TYRUS
Milete verlaten hebbende, zeilden de apostel en zijn gezelschap in een
rechte koers tot in de nabijheid van Coos ofwel Cos, destijds beroemd, net
als nu, om zijn wijnen, vruchten en zijde. Hier overnachtten zij
blijkbaar, om de dag daarop naar het wereldbekende Rhodes te varen.
Deze beroemde stad, genaamd naar "het eiland van rozen" waarop zij was
gelegen, was een van de drukste havens in de archipel. En daar was,
ongeveer 340 jaren tevoren, één van "de zeven wereldwonderen", een groot
standbeeld van Apollo opgericht, dat reikte tot 105 voet hoogte. Sommige
historici zeggen dat de grote Kolossus schrijlings boven de haveningang
stond, maar dit wordt door anderen betwijfeld. Ongeveer 224 jaren v.Chr.
echter wierp een aardbeving het in de zee, waar het bleef als een massa
brons tot ongeveer 656 A.D., toen de Saracenen bezit namen van het eiland
en het metaal verkochten aan een Joodse handelaar, die 900 kamelen nodig
had om het weg te halen.
Ten tijde toen Paulus de haven invoer, was de haven, als de historici het
juist hebben, nog steeds bestrooid met stukken van de Kolossus. Alleen
stukken van de twee benen stonden nog op hun plaatsen. Misschien heeft het
hem herinnerd aan het beeld van de god Dagon en heeft hij geglimlacht toen
hij de brokstukken zag.
De tekst vertelt ons niet dat de groep de nacht overbleef in Rhodes en het
is mogelijk, dat het schip dezelfde dag direct doorgegaan is naar Patara.
Ongetwijfeld zeilden zij alleen bij dag op dit gedeelte van de reis, maar
de aanwezigheid van de noordwesten wind in de Aegeïsche Zee zou hen hebben
doen verder varen. Dr.Clarke, in een verslag uit de eerste hand, zegt
hiervan: "Het is verrassend over hoe lange tijd, en hoe dikwijls, de N.W.
in de archipel waait. Zij is er bijna het grootste deel van het jaar,
zonder ophouden" (Vol.III, P.380).
Patara, een haven aan de kust van Lycia, was blijkbaar de bestemming van
het schip, maar hier waren de apostel en zijn gezelschap gelukkig genoeg
om een ander schip te vinden dat juist gereed was om over de Middellandse
Zee naar Tyrus te varen. Er wordt niets gezegd van een nacht overblijven.
Ook vinden we niet de woorden "de volgende dag" of "de daarop volgende
dag". Eerder geeft het verslag, speciaal in het origineel, de indruk dat
geen tijd werd verloren. Blijkbaar stapten zij onmiddellijk over
en zetten die nacht zeil voor de reis naar Tyrus, ongeveer 400
mijlen overzee.
Nu met alle zeilen bij en met de hulp van een Noordwesten wind, behoefden
zij niet te vrezen voor de vaart bij nacht. "Ook de voorzichtigheid van de
vroegere navigatie" zo zegt Clarke, "stond niet tegen om met goede wind
snachts dit veilige en ongehinderde stuk water te varen."
De uitdrukking, "En als wij Cyprus in zicht kregen" is in het origineel
nadrukkelijk. Het geeft aan dat zij snel zeilden; dat Cyprus plotseling
opdoemde in zicht en toen ook weer snel uit zicht was. Zonder twijfel
dacht de apostel met blijdschap terug aan de naam toen hij het eiland
passeerde.
Dra landden zij in Tyrus, waar het schip haar "last zou ontladen" (V.3).
In die tijd was Tyrus in een staat van neergang van haar glorie uit de
tijd toen zulke gruwelijke profetiën tegen haar waren uitgesproken over
haar verlatenheid ten tijde van de vervulling.
Lukas' verslag van de hele reis, van Troas tot Tyrus, geeft de indruk dat
het weer, de hele reis zeer gunstig was. Temeer had het voordeel van het
vinden van een schip in Patara, klaar om uit te zeilen, niet alleen Paulus
bevrijd van zijn bezorgdheid om Jeruzalem tijdig met Pinksteren te
bereiken, maar had hem ook aanzienlijk tijdsbesparing verschaft.
"De discipelen gevonden hebbend" bleef het gezel-schap daar zeven dagen
(V.4) blijkbaar de tijd die het kostte voor het schip, een grote
zeevaarder, om haar lading te lossen en te herladen.
DE WAARSCHUWING VAN DE GEEST OM NIET NAAR JERUZALEM TE GAAN
Hier zeiden de discipelen, zoals we gezien hebben, tot Paulus door den
Geest, "dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem" (V.4).
Zoals we reeds aangaven, was het niet zomaar een zorg voor Paulus' welzijn
wat deze discipelen aanzette om hem te dringen zijn reis niet te
vervolgen. Zij spraken "door de Geest". Wij hebben ook aangetoond,
dat de uitdrukking in het Grieks niet wijst naar een verbod, maar eerder
naar een waarschuwing en een verzoek. Het is verder
waarschijnlijk, dat Paulus begreep dat dit een waarschuwing was van de
Geest, want hij had reeds gezegd: "De Heilige Geest betuigt van stad
tot stad, zeggende dat mij banden en vverdrukkingen aanstaande zijn"
(20:23).
Zijn reacties op zulke verzoeken en waarschuwingen wijzen er sterk op, dat
hij deze niet zag als een goddelijk verbod op zijn gaan naar Jeruzalem,
maar beschouwde als een uitdaging en een beproeving van zijn trouw (Zie
20:24; 21:13).
Omdat dus de motieven en bedoelingen van de apostel inderdaad edel waren,
kan niet gezegd worden dat hij in de aanwijsbare wil van God was door naar
Jeruzalem te gaan. Zeker waren de herhaalde waarschuwingen van de Geest
tegen zijn gaan naar Jeruzalem niet uit te leggen als Zijn leiding om
daarheen te gaan.
HET AFSCHEID IN TYRUS
Het verslag van het afscheid in Tyrus is bijzonder treffend. Kennelijk
hebben de discipelen daar hem niet persoonlijk gekend, zodat de
afscheidscène niet zo zou zijn als die in Milete bijvoorbeeld. Maar het
opmerkelijk feit is, dat in deze weinige dagen, Paulus reeds zo'n plaats
in hun toegenegenheid had, dat zij hem en zijn reisgenoten naar het schip
vergezelden om afscheid te nemen. De toevoeging hier van "de vrouwen en
kinderen" maken het beeld bijzonder schiderachtig en ontroerend.
Voordat zij vertrekken, knielde het gehele gezelschap neer aan de oever om
te bidden; Paulus, zijn acht metgezellen en de gelovigen uit Tyrus,
waarbij wellicht allen voor elkander in voorbede smekingen uitstortten. De
kinderen zouden het nooit vergeten!
Maar op het laatst werd het tijd om uit te zeilen, en Paulus en zijn
gezelschap moesten vaarwel zeggen, aan boord gaan en vertrekken, terwijl
hun nieuwgevonden vrienden ontroerd terugkeerden naar hun huizen.
DE PROFETIE VAN AGABUS
Hun reis vervolgend, stopten de apostel en zijn metgezellen in Ptolomaïs
om "de broeders" daar te begroeten en bleven daar voor één dag bij hen, en
vervolgden toen hun reis tot Cesarea, waar Paulus zijn laatste dagen van
vrijheid besteedde. Hun gastheer daar was de bekende Philippus, evenals
Paulus een Hellenist, en daarom waarschijnlijk meer symphatiek staande
tegenover Paulus' zaak, dan de andere Hebreeuwse gelovigen.
Philippus was oorspronkelijk één van de zeven diakenen geweest, die
opzicht hadden over de "dagelijkse bediening" in de Pinksterdagen, toen de
gelovigen in Jeruzalem "alle dingen gemeenschappelijk" hadden
(Hand.6:1-5). Sinds die tijd echter was de gemeente te Jeruzalem door een
"grote vervolging" verstrooid en Philippus was in plaats daarvan gebruikt
als evangelist (Zie Hand.8:4-40). Maar omdat Philippus waarschijnlijk niet
langer actief was als diaken van de Gemeente in Jeruzalem, zal het feit
dat hij hier "Philippus de evangelist" genoemd wordt, met toevoeging "één
van de zeven", betekenen dat hij nog genoeg associatie met, of kennis van,
de zaken van de Gemeente in Jeruzalem had, om Paulus te verlichten van de
noodzaak tot persoonlijke aflevering van de "collecte", die hij had
ingezameld voor de armen daar.
Deze Philippus had ook vier dochters die zich hadden gegeven in Gods
dienst als profetessen (12:9). Daar was natuurlijk niets verkeerds aan,
dat vrouwen profeteerden in die dagen, want Joël had speciaal geprofeteerd
met betrekking op Pinksteren: "Uw dochters zullen profeteren"
(Hand.2:17). In het licht van het getuigenis van de Geest "in iedere stad"
langs de route van Paulus' reis, dat "banden en verdrukkingen" hem te
wachten stonden in Jeruzalem, is het niet twijfelachtig, dat deze jonge
vrouwen hun Geestvervuld getuigenis voegden bij die, welke reeds gegeven
waren.
Maar de meest indrukwekkende en ernstige waarschuwing van allen was toch
wel die Agabus overbracht, een bekende en vertrouwde profeet, die jaren
tevoren, de grote hongersnood had voorspeld die de heiligen in Judea had
verarmd. In die tijd was hij een instrument geweest in het voorzien van de
eerste bijdrage van de gelovigen uit de heidenen voor de arme heiligen in
Judea. Deze keer echter kwam hij om een dramatische waarschuwing door te
geven over wat de apostel zou overkomen als hij bleef bij zijn voornemen
om naar Jeruzalem te gaan.
De gevoelens die leidden tot het moordplan tegen Paulus' leven weergegeven
in Hand.23:12, kon nauwelijks een geheim zijn geweest voor een profeet die
in Judea woonde. En nu, bovennatuurlijk of door bericht*/[i]
vernomen hebbend over de nadering van de apostel, gaat Agabus af naar
Cesarea om hem te waarschuwen, en treft hem in gezelschap van metgezellen
en vrienden. Terwijl hij de symbolische manier van vele Oud Testamentische
profeten aanneemt, nadert hij de apostel en neemt hem zijn gordel waarmee
hij zijn mantel dichtsluit af, en gebruikt die om zijn eigen handen en
voeten te binden, en zegt:
"Den man wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden,
en overleveren in de handen der heidenen"
(V.11).
Nu is het zeker dat deze passage, eenvoudig en gewoon gelezen, op geen
andere manier zou kunnen worden uitgelegd als alleen een waarschuwing
tegen Paulus' voornemen naar Jeruzalem te gaan. Dat Agabus inderdaad sprak
als profeet is bewezen, niet alleen door de tetterlijke vervulling van
zijn profetie in Hand.11, maar ook door de letterlijke vervulling van
deze profetie hier.
De vanzelfsprekende vraag is, of de Geest hem waarschuwde om hem te af
te schrikken, of om hem voor te bereiden voor het
oordeel. Wij geloven dat het eerste het geval is. Is het ooit Gods wijze
van doen geweest om zijn dienaren voor te bereiden op beproevingen door
hen daarvoor te waarschuwen? Heeft Hij dat niet veel eerder gedaan
door hen te bemoedigen wat betreft Zijn trouw? Zeer zeker is dit zo
in het geval van Paulus zelf (Zie 18:9; 23:11; 27:23-25).
Zeker begrepen allen die erbij tegenwoordig waren de profetie van Agabus
als een waarschuwing voor Paulus dat hij niet noest doorgaan, want zowel
zijn medewerkers, met inbegrip van Lukas, en de gelovigen in Cesarea,
begonnen hem te smeken, onder tranen, zijn doel los te laten (V.12,13).
Zoals Paulus werd gehaat door de Joden, en de onlust, of op zijn minst de
verdachtmaking van vele gelovigen in Jeruzalem had, zo zeker had hij ook
de stralende liefde van een menigte heiligen, die zijn bediening als de
apostel der genade waardeerden, want waar hij ook pauseerde om afscheid te
nemen, waren er ontroerende demonstraties van verbondenheid met hem.
Het antwoord van Paulus op de smeekbeden van zijn vrienden openbaarde iets
van de grootheid van de man en zijn motieven. Met een hart dat bloedde
voor zijn volksgenoten en met een diep gevoel van verplichting aan de
Christus had hij hen geleerd te haten, hij was niet in staat om Agabus'
waarschuwing te zien op dezelfde wijze als zijn vrienden. Hij was geen
fanatieke of namaak martelaar, hij was een veteraan in vervolging, met
lidtekens die hij kon laten zien, toch was hij in geen enkele zin een
stoicijn. Eerder had hij een gevoelige, liefhebbende natuur, en de
smekingen onder tranen van zijn medewerkers en vrienden maakten hem kapot
en waren de oorzaak dat hij uitriep:"Wat doet gij, dat gij weent en
mijn hart week maakt? Want ik ben bereid niet alleen gebonden te worden,
maar ook te sterven te Jeruzalem voor den Naam des Heren Jezus"
(V.13).
Wanneer er een fout gevonden kan worden in de grote apostel dooor vast te
houden aan zijn bedoeling om deze keer naar Jeruzalem te gaan, kan zeker
niemand de verhevenheid van zijn motieven betwijfelen, noch de diepte van
zijn toewijding aan Christus. Diegenen die hem beschuldigen van
gewetensvol, gewillig God ongehoorzaam zijn in deze zaak, dienen hun eigen
harten te onderzoeken
[i].*/Voetnoot:
Er zal tijd genoeg geweest zijn dat hem zo'n bericht kon bereiken.
om te zien of hun eigen motieven van zo'n hoog gehalte zijn of hun
toewijding net zo diep.
Tenslotte hielden allen die tegenwoordig waren op met de apostel te
smeken, en zeiden: "De wil van God geschiede". In het licht van de
contekst is het natuurlijk foutief om hieruit te concluderen dat de
vrienden van Paulus nu inzagen dat Paulus' doel in overeenstemming was met
de besturende wil van God. Zij spraken eerder van Gods toelatende
wil, zich neerleggend bij wat zij zagen als onafwendbaar.
|