De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

            

H O O F D S T U K  XXXVIII  -  H A N D. 20:13-38

PAULUS LAATSTE TERUGKEER NAAR JERUZALEM

 VAN TROAS NAAR MILETE

"Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar wij Paulus zouden innemen; want hij had het zo bevolen, en hij zelf zou te voet gaan. "En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem in, en kwamen te Mitylene.

"En vandaar afgescheept zijnde, kwamen wij de volgende dag tegenover Chios, en des anderen daags legden wij aan te Samos, en bleven te Trogyllion, en de dag daaraan kwamen wij te Milete.

"Want Paulus had voorgenomen Ephese voorbij te varen, opdat hij niet den tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn." - Hand. 20:13-16.

De zeven metgezellen werden per schip vooruit gezonden naar Assus, terwijl hijzelf te voet ging om hen te ontmoeten. De reis over zee was ongeveer veertig mijlen, terwijl deze over land slechts twintig bedroeg.

Er wordt wel verondersteld, dat de apostel dit plan uitvoerde opdat hij nog een paar kostelijke uren van gemeenschap met de discipelen in Troas zou mogen hebben.

Het feit dat Vers 11 echter verklaart, dat hij reeds "vertrokken" was, en het feit dat hij verkoos om alleen te reizen, zelfs zonder Lukas (V.14), duidt eerder op een verlangen naar alleen zijn na de drukke tijd in Troas. Christengemeenschap is een gezegende ervaring, maar ook een apostel heeft tijd nodig voor gebed en overdenking.

Het lijkt wel alsof het schip, na Paulus in Assus opgenomen te hebben, elke avond binnen lag. De reden hiervoor lijkt duidelijk. De zomerwinden in de Aegeïsche Zee waaien vroeg in de morgen uit het noorden, en gaan laat in de middag liggen.

Er is reeds veel over gesproken of een geregelde beurtvaarder werd gebruikt, of dat Paulus en zijn metgezellen privé een klein kustvaartuig genomen hebben. Kundige uitleggers zoals Geikie zeggen dat zij hun eigen schip huurden, terwijl Howson en anderen beslissen dat dit "zeker een vergissing" moet zijn.

De schijnbare aanwijzing, dat het schip privé werd gehuurd zijn de volgende: Het schip zou, als het een directe koers genomen had, een koopvaardijschip geweest zijn. Hier echter legt het schip aan in Assus, waarschijnlijk alleen om Paulus op te pikken, en passeerde eenvoudig Ephese omdat Paulus haast had, en daar niet wenste te stoppen. Er wordt verder niets gezegd over enige andere bezigheid op deze reis.

Het schijnt voor ons hieruit aannemelijk, dat Paulus en zijn metgezellen het schip voor zichzelf gehuurd hadden.

Ongetwijfeld was dit een kleiner schip, bestemd voor vaart direct onder de kust, want het voer slechts van Troas naar Patara (Hand.21:1). Maar het is teveel om te beweren, dat omdat er geen andere bezigheden genoemd worden, het naar Assus zeilde, alleen om Paulus op te pikken. Paulus zal wel beslist hebben naar Assus te lopen, omdat hij wist dat het schip daar zou aanleggen.

Maar zelfs al zeilde het alleen naar Assus om Paulus aan boord te nemen, bewijst dit nog niet, dat het privé gehuurd was door Paulus en zijn gezelschap, want de schipper van een klein kustschip zal blij geweest zijn om een gezelschap van negen passagiers overtocht te geven. En zo, Ephese voorbij zeilend, vermeldt de tekst niet dat Paulus besloten had dat het schip dit zou doen, maar dat hij dit deed, i.c. dat hij liever aan boord bleef dan daar aan wal te gaan. De passage zal eenvoudig bedoelen, dat Paulus in de eerste plaats een schip verkoos, dat aan Ephese voorbij zou zeilen.

De apostel passeerde Ephese omdat hij zich haastte om Jeruzalem op Pinksteren te bereiken, en hij wel wist niet op het toneel te kunnen verschijnen tussen zoveel bekeerden, vrienden en medewerkers, zonder voor lange tijd te zijn opgehouden. Hij wilde daarom in Milete aan land gaan, ongeveer dertig mijlen verder, en vandaar alleen de oudsten van de gemeente oproepen voor een afscheids-boodschap ter bemoediging en vermaning. Op deze manier zouden meer blijvende resultaten kunnen worden bereikt.

WAS PAULUS BUITEN DE WIL VAN GOD DOOR NAAR JERUZALEM TE GAAN?

Misschien is dit de plaats om te overwegen of Paulus verkeerd of goed was bij het ondernemen van zijn laatste reis naar Jeruzalem. Dit is niet gemakkelijk om vast te stellen, en reken hierop: zij die dit behandelen alsof het een eenvoudige zaak is, hebben slechts aandacht geschonken aan één zijde ervan - hun zijde.

Bij ons onderzoek van dit onderwerp waren we verbaasd over twee dingen: 1). de bijzondere schaarste aan doordachte geschriften over een onderwerp wat van zo'n doorslaggevende betekenis is, en 2). het feit dat de korte opmerkingen in de meeste commentaren op Handelingen zo eenzijdig zijn, waarbij de argumenten aan de ene en de andere zijde worden ontkend, al naar de gezichtspunten van de schrijvers.

Wij wagen het daarom, de voornaamste Schriftuur-lijke argumenten te noemen aan beide zijden, en dan te zien hoe zij tot overeenstemming zouden kunnen worden gebracht.

DE ARGUMENTEN VOOR PAULUS' GAAN NAAR JERUZALEM DEZE  KEER

Deze zijn meestal als volgt:

1.Paulus' plannen werden gemaakt "naar het vlees" (2Cor.1:15-17).

2.Later, staande voor het Sanhedrin, en in een brief aan Timotheus verklaarde hij, dat hij van zijn jeugd af aan, God had gediend met een zuiver geweten (Hand.23:1; 2Tim.1:3).

3.Hij verklaarde zijn beslissing om de reis naar Jeruzalem te vervolgen, opdat hij zijn loop zou volbrengen, en tevens zijn bediening "met blijdschap" (Hand.20:24).

Toen zijn vrienden hem niet van zijn voornemen konden afbrengen, zeiden zij: "De wil des Heren geschiede" (Hand.21:14).

5.Nadat Paulus Jeruzalem had bereikt, bemoedigde de Here hem eerder, in plaats van te berispen, en zeide: "Heb goeden moed, Paulus; want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te Rome getuigen" (Hand.23:11).

6.Kort voor zijn dood schreef Paulus" "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden" (2Tim.4:7), hetgeen, zo wordt beweerd, hij niet gezegd zou hebben als hij buiten de wil van God was toen hij deze reis naar Jeruzalem maakte.

Maar deze argumenten zijn niet zo beslissend als zij op het eerste gezicht lijken.

Terwijl wij toegeven dat het niet het vlees was dat de apostel drong om naar Jeruzalem te gaan, dient toch te worden opgemerkt, dat in 2Cor.1:15-17 de apostel niet verwijst naar al zijn plannen, of bedoelingen, nog minder naar zijn voornemen om Jeruzalem voor de laatste keer te bezoeken. In deze passage verwijst hij naar zijn eerder plan om de Corinthiërs te bezoeken (V.15). Het is in verband met de verandering in zijn plan, dat hij protesteert: "...heb ik ook lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor? (V.17).

Wat betreft de beweringen van de apostel dat hij vanaf zijn jeugd voor God geleefd heeft "met een zuiver geweten", is het zeker duidelijk uit zijn eigen brieven, dat hij veraf was van volmaaktheid, en dat deze verklaringen niet verwijzen naar alle details van zijn leven, maar eerder naar zijn aangenomen koers, door eerst Christus tegen te staan, dan te bekeren tot Hem en Hem te dienen. Bovendien is het feit, dat hij zelfs Christus vervolgde met een zuiver geweten (Hand.26:9) bewijs, dat het mogelijk is verkeerd te doen met een zuiver, nochtans krom geweten.

Nummers 3 en 4 zullen later worden behandeld, maar we onderbreken hier om kort Numeri 5 en 6 aan te halen.

Niemand zal ontkennen, dat de motieven van Paulus om naar Jeruzalem te gaan, hooggestemd waren. Dat hij ging met een hart vol van liefde tot Christus en tot zijn afstammelingen. Dat hij zijn eigen leven daarbij riskeerde door te gaan. Is het dan vreemd, dat God hem zou bemoedigen, na zijn edele houding voor de boze menigte te Jeruzalem en voor het Sanhedrin? Zouden wij niet verwachten dat God dit deed? Dit is geen bewijs, dat Paulus in de directe wil van God was om deze keer naar Jeruzalem te gaan.

Evenmin bewijst dit zijn verklaring in 2Tim.4:7. Neem nu de verhitte tegenspraak van de apostel met Barnabas, zijn belediging van de hogepriester (waarvoor hij excuus vroeg), en voeg daar nog andere fouten bij die men in het verslag vinden kan; vergelijk deze met de rest van het verslag en zie of hij niet meer dan gerechtvaardigd was als hij verklaart: "Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop geëindigd, ik heb het geloof behouden." Wie van ons heeft ook maar half zo goed gedaan?

DE ARGUMENTEN TEGEN PAULUS'  GAAN NAAR JERUZALEM DEZE KEER

Deze zijn, op hun beurt, de volgende:

1.Paulus ging deze keer naar Jeruzalem, onder andere, om "het evangelie van Gods genade te betuigen" (Hand.20:24), maar lange tijd hiervoor had hij Paulus bevolen om Jeruzalem te verlaten, verklarende: "want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).

2.Er is geen verslag, dat hij "het evangelie van de genade van God" in Jeruzalem betuigde. Hij deed dit zeker niet, door zich te onderwerpen aan een Joodse ceremonie.

3.Er is geen verslag, dat de Here Jezus of de Heilige Geest Paulus opdroeg om Jeruzalem te bezoeken (Ctr. Gal.2:2). Als hem dat zou zijn opgedragen, zou dat zeker zijn vermeld, lettende op al de waarschuwingen en smekingen tegen zijn gaan.

4.Terwijl hij onderweg was, ontving hij vele waarschuwingen van de Geest over wat hem zou overkomen als hij naar Jeruzalem opging (Hand.20:23; 21:10,11), en er wordt duidelijk gesteld, dat de discipelen in Tyrus "zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem" (Hand.21:4).

5.Hij werd van Jeruzalem naar Rome gebracht als "de gevangene van Christus Jezus voor u, die heidenen zijt" (Eph.3:1) Hij was ook een gevangene voor Christus, maar in dit verband was hij de gevangene van Christus voor de zaak der heidenen.

PAULUS' GEEST EN DE HEILIGE GEEST

Een belangrijke vraag, die hier in beschouwing dient te worden genomen is weliswaar, hoeveel de Heilige Geest en hoeveel Paulus' eigen geest in deze zaak betrokken was.

Vijfmaal wordt in dit verslag het woord geest (Gr. Pneuma) gebruikt, en wij geloven dat het in elk geval duidelijk is, of sprake is van Paulus' geest, of dat de Heilige Geest wordt bedoeld.

In Hand.19:21 lezen we, dat "Paulus zich voor nam in de geest...naar Jeruzalem te reizen". Nu wordt deze uitdrukking "in de geest" gewoonlijk gebruikt voor "s mensen eigen geest, en indien er geen aanleiding geweest zou zijn tot bewijs, zou niemand waarschijnlijk ooit in de oorspronkelijke vertaling nagezocht hebben, of Paulus wel in zijn geest besloot naar Jeruzalem te gaan.

In dit verband moet niet over het hoofd worden gezien, dat de passage duidelijk stelt, dat het Paulus was, die zich voornam om naar Jeruzalem te gaan. Als God zijn gaan bedoeld had, zou er gezegd zijn, dat de Heilige Geest hem leidde, of instrueerde om te gaan.

Het is natuurlijk niet te ontkennen dat de term "in de geest" gebruikt is, om aan te tonen dat het het meest verheven deel van Paulus' wezen was, dat deel, hetwelk verbinding onderhield met God, dat hem bewoog om te gaan.

In Hand.20:22 zegt de apostel van zichzelf: "En nu zie, ik, gebonden zijnde door de geest, reis naar Jeruzalem" i.c. gevoelde hij zich gebonden om te gaan. Dat hier sprake is van zijn eigen geest, is duidelijk uit het feit, dat hij dan doorgaat met te zeggen, dat "de Heilige Geest (Gr., de Geest, de Heilige)" getuigt in elke stad, dat banden en verdrukkingen hem te wachten staan (V.23).

Een aanzienlijke meerderheid der vertalingen geeft het woord geest met een kleine "g", zowel in Hand.19:21 en 20:22 (Zie K.J.V., vert.) als zijnde de eigenlijke bedoeling van het origineel. Dat dit correct is, wordt verder bevestigd door het feit dat ontegenzeggelijk de Heilige Geest wordt bedoeld in alle drie waarschuwingen en vermaningen om niet naar Jeruzalem te gaan. Indien de genoemde twee passages dan ook op de Heilige Geest sloegen, zouden we te maken hebben met de tegenstelling, dat de Heilige Geest hem zowel dringt om te gaan als om niet te gaan.

Wij hebben zojuist gezien dat Paulus zelf verklaart, dat "de Heilige Geest" hem had gewaarschuwd voor de gevolgen als hij deze keer naar Jeruzalem zou gaan. De andere twee passages zijn Hand.21:4, waar de discipelen in Tyrus "zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem" en Hand.21:10,11, waar "Agabus...nam de gordel van Paulus, en zijns zelfs handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt de Heilige Geest: Den man , wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen."

Het is geen vraag of Lukas en Paulus' andere metgezellen, zowel als "die van die plaats waren", de profetie van Agabus zagen als een waarschuwing van God voor wat Paulus zou overkomen als hij doorging met zijn bedoeling om naar Jeruzalem te gaan, want zij allen smeekten hem - onder tranen - niet op te gaan naar Jeruzalem", en het was slechts "als hij zich niet liet afraden" dat zij zeiden: "De wil des Heren (i.c. Zijn toelatende wil) geschiede" (V.12-14).

                       DE OPLOSSING

Na beschouwing van beide kanten van de kwestie in de voorgaande passages, zijn we in een betere stand gekomen om de oplossing van het probleem te vinden. We kunnen zeker zijn, dat lichtvaardig zeggen dat Paulus helemaal recht stond, of dat hij helemaal verkeerd stond; of dat hij in deze zaak in of buiten de wil van God was, betekent een oppervlakkig standpunt innemen in een complex probleem. Menselijke natuur en menselijke ervaring zijn niet zo eenvoudig als dat allemaal.

Er bestaat geen aanwijzing in het verslag, dat Paulus in de directieve wil van God was bij zijn gaan naar Jeruzalem. Toch is het wel duidelijk, dat hij niet naar geweten buiten Gods wil ging; inderdaad voelde hij zich gebonden om te gaan, door het meest verheven deel van zijn natuur.

De apostel had drie redenen om deze keer naar Jeruzalem te gaan: 1). "Om de heidenen te dienen" (Rom.15:25). 2). "Om te aanbidden" (Hand.20:16; 24:11) en 3). "Om te betuigen het evangelie der genade Gods" (Hand.20:24). De eerste twee waren, om betere relaties aan te kweken tussen Joodse gelovigen en de heidengemeenten, en te laten zien aan gelovigen en ongelovigen in Jeruzalem, dat hij de wet van Mozes niet verachtte. De derde reden was echter de belangrijkste.

We overzien het gehele beeld als volgt: Jaren tevoren, bij zijn eerste terugkeer naar Jeruzalem na zijn bekering, had de Here tot hem gezegd: "Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).

In die tijd had Paulus zelfs de Here tegengesproken. Dit volk, zo redeneerde hij, wist hoe hij hen had geleid in de vervolging tegen Christus; hoe hij degenen die in Christus geloofden in de gevangenis had geworpen en had geslagen in elke synagoge, en ingestemd had en geholpen met de steniging van Stephanus. Zij zouden zeker naar hem luisteren, en zijn getuigenis zou hen kunnen bekeren van vijandschap tot geloof in Christus. Maar de Here wist beter en antwoordde samenvattend: "Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (Hand.22:21).

Toch, hoewel tot de heidenen gezonden met heerlijk groot nieuws, bleef het hart van de apostel bloeden voor zijn geliefd volk, dat hij in opstand tegen Christus had aangevoerd. In Rom.9:1-3 schrijft hij over zijn "grote droefheid en een gedurige smart" vanwege hun toestand, en zweert plechtig voor God, dat indien mogelijk, hij zou wensen zelf verbannen te zijn voor hen, en enige regels verderop schrijft hij vurig, dat "de toegenegenheid zijns harten en het gebed tot God voor Israel is, dat zij gered mogen worden" (Rom.10:1).

Niet alleen dat de apostel medelijden had met zijn koppig volk; hij voelde zich verantwoordelijk, omdat hij hen enige jaren tevoren geleid had in hun opstand tegen Christus. Ook voelde hij zich verantwoordelijk voor de Here, wegens zijn opruien tot haat tegen Hem.

Zo was het, dat hoewel de Heilige Geest in elke stad getuigenis gaf dat banden en verdrukkingen hem wachtten als hij naar Jeruzalem zou gaan, hij toch "gebonden door de geest" voelde te moeten gaan; hij voelde dat hij moest gaan om zijn bestemde loop en zijn bediening te besluiten.

De verklaring van de discipelen in Tyrus is uiteraard het sterkste argument van diegenen die het erover eens zijn, dat Paulus helemaal verkeerd was, en buiten de wil van God ging. Deze discipelen hadden blijkbaar de gave van profetie. Zij "zeiden tot Paulus door de Geest, dat hij niet naar Jeruzalem moest opgaan" (Hand.21:4).

Het Griekse woord voor "niet" hier is echter niet ou, maar me. Het is eerder subjectief dan objectief, meer betrekking hebbend op gedachten en gevoelens dan op feiten, zoals ou doet. Omdat ou een zaak direct en absoluut ontkent, doet me dat als oordeel, voorkeur, etc. Daarom wordt me soms gebruikt als een samenvoeging: "tenzij", "dat...niet", etc.

Het woord van de Geest door de discipelen in Tyrus toen, was niet een bevel, maar eerder advies en waarschuwing niet naar Jeruzalem op te gaan, i.c. tenzij hij de voorspelde verdrukking zou lijden.

De grootste beproeving kwam blijkbaar, toen in Caesarea de profeet Agabus, met een dramatische en indrukwekkende waarschuwing, de arrestatie en gevangenneming in Jeruzalem voorspelde. Hiermee bewerkte hij, dat zowel zijn reisgezellen als de vrienden in Caesarea, hem wenend smeekten, niet door te gaan met zijn voornemen (Hand.21:10-12).

Opnieuw geeft zijn antwoord duidelijk aan, dat hij dit niet zag als een oordeel over zijn handelen, maar eerder als een beproeving van zijn trouw (V.13).

Zo zien we dat Paulus in dit geval niet werd geleid om naar Jeruzalem te gaan (zoals bij een andere gelegenheid wel, Gal.2:2), en inderdaad werd gewaarschuwd voor banden en verdrukkingen als hij ging, maar dat hij toch ging uit een zin van trouw aan zijn Here. En God gebruikte dit om Israel nogmaals een nog bewogener smeking te doen door de lippen van iemand, die gewaarschuwd was om niet naar hen toe te gaan; aan wie was gezegd dat zij niet zouden luisteren; die voor hen zou staan, geboeid in ketenen, de geschiedenis van zijn bekering vertellend, opdat dit misschien zou kunnen leiden tot hun bekering.

Hierna werd hij naar Rome gebracht om "de gevangene van Jezus Christus voor de heidenen" te worden (Eph.3:1). Wij zijn verbaasd, dat moeten wij bekennen, dat zo weinig commentators de betekenis van deze uitdrukking hebben begrepen. Het wil niet zeggen dat Paulus een gevangene voor Christus was (hoewel dit ook waar is). Zij zegt niet dat hij een gevangene was van de Joden of van de Romeinen. Zij zegt dat hij de gevangene "VAN Jezus Christus, VOOR de heidenen" was, i.c., Jezus Christus hield hem in gevangenschap voor de zaak der heidenen, natuurlijk niet als straf, maar omdat zijn hart terug wilde naar zijn broeders naar het vlees; tot hen voor wier afvalligheid hij zich zo zeer verantwoordelijk hield.

De oplossing is, zo geloven wij, in overeenstemming met het gehele verslag, en zij die ons zouden willen beschuldigen van verheffing van Paulus boven Christus dienen op te merken, dat wij aldus "zijn bediening verheerlijken", zonder hem te verhogen.

          PAULUS' AFSCHEID VAN DE

              OUDSTEN VAN EPHESE

"Maar hij zond van Milete naar Ephese, en hij ontbood de ouderlingen der gemeente. "En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u de ganse tijd geweest ben.

"Dienende den Here met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; "Hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen."Betuigende beide Joden en Grieken de bekering tot God en het geloof in onze Here Jezus Christus.

"En nu zie, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar ontmoeten zal."Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende dat mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. "Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.

"En nu zie, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. "Daarom betuig ik ulieden op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.

"Want ik heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad Gods. "Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. "Want dit weet ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde niet sparen. "En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.

"Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen."En nu, broeders, ik beveel u Gode en het woord Zijner genade. Die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te geven onder al de geheiligden. "Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd. "En gijzelven weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben. "Ik heb u in alles getoond, dat men alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de woorden des Heren Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan te ontvangen. "En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen allen gebeden.

"En er werd een groot geween van hen allen; en zij vallende om de hals van Paulus, kusten hem."Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij geleidden hem naar het schip." Hand.20:17-38.

Als, bij geval, de lezer de bovenstaande passage zonder lezen als bekend heeft overgeslagen om ons commentaar hierop te zien, stellen wij voor om terug te gaan, en elk woord ervan te herlezen, want hier hebben we het geinspireerde verslag van een van de meest bewogen gebeurtenissen in het leven van de apostel: zijn afscheid van de ouderlingen van Efese. Geen gesprek in het boek Handelingen is zo vol van hartelijke bezorgdheid voor zijn helpers in het werk, en met zoveel naijver voor de zuiverheid van zijn door God gegeven boodschap, als deze vermaning bij het afscheid van hen, waaronder hij langer gewerkt had dan in enig andere stad. Dit is ook de eerste keer, dat we lezen van een hartelijke manifestatie van liefde voor Paulus. Tot hier toe heeft Lukas ons, door de Geest, veel verteld over de haat en tegenstand van zijn vijanden, maar niets over de genegenheid en toewijding van de Galaten, (Gal.4:14,15), de Thessalonicenzen (1Thess.3:6), de Philippiërs (Phil.1:25,26; 4:15,16) en anderen.

Nu pas kunnen we God danken voor het complot om zijn leven, toen hij zou uitzeilen naar Syrië (20:3), want als hij niet gedwongen was om zijn plannen te veranderen, zou hij nimmer deze afscheidstoespraak tot de ouderlingen van Ephese hebben kunnen houden, en dit kostbare juweel zou nimmer zijn geplaatst in de kroon van geinspireerde waarheid.

Het is belangrijk op te merken, dat de apostel naar Ephese alleen zond om de oudsten van de gemeente. Hij wenste speciaal tot hen te spreken over het werk in Azië. De toespraak heeft danook speciale betekenis voor herders en leraars in Christelijk werk. Als de apostel op zijn bediening onder hen terugziet, doen wij er goed aan ons af te vragen of wij wel voldoen. Als hij waarschuwt en vermaant, doen wij er goed aan, ernstig op te letten.

PAULUS KIJKT TERUG OP ZIJN BEDIENING IN EPHESE

Er moet wel veel opwinding en vreugde geweest zijn onder de leiders van de gemeente te Ephese, toen zij bericht ontvingen, dat hun geliefde Paulus, die zij sinds het grote oproer om Diana niet meer gezien hadden, te Milete was en op hen wachtte voor een gesprek. Ongetwijfeld schaarden zij zich zo snel mogelijk rondom hem, om te horen wat hij wilde mededelen. "Gijlieden weet", zo begon hij, "van de eerste dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u de ganse tijd geweest ben" (V.18).

Hij had zijn God nederig gediend, als Zijn verbondsslaaf, met veel tranen en beproevingen, die hem hoofdzakelijk overkwamen door de lagen die de Joden hem legden. Zo was het complot in Hand.20:3 slechts een van de vele van zulke samenzweringen. Overal waar hij ging, was zijn leven in gevaar. Soms werd de druk hem te zwaar, zodat hij uitbarstte in tranen van verbittering en bezorgdheid.

Ondertussen had hij getrouw hun geestelijke behoeften gediend, daarbij niets teruggehouden "van hetgeen nuttig was" voor hen. Daarbij rekening houdend met het vermogen van zijn toehoorders, maar nimmer met eigen voordeel. Hij leerde hen alles wat goed was voor hen, en onthield hen "al de raad Gods" niet (cf.2Cor.4:2; 1Thes.2:4).

Helaas, hoeveel mannen Gods zijn er vandaag die waarheden "achterhouden", die voor hun toehoorders zeer nuttig zouden zijn; die nalaten de gehele raad Gods te verklaren, daar zij anders enige mogelijkheden om te prediken zouden verliezen, hun goede positie of een weinig menselijke bijval. Zulken kunnen niet tot hun toehoorders zeggen, zoals de apostel dit deed:

"Daarom betuig ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van allen (V.26).

Maar de apostel was niet alleen bestendig in zijn houding, en trouw in zijn bediening; hij had al zijn energie erin gestopt, zich bovenmate gegeven, zoals een man rent die een race wil winnen.

Hij had hen niet alleen "in het openbaar" geleerd, maar ook "bij de huizen" (van huis tot huis) (V.20). Hij verwaarloosde niet, zoals zoveel pastors, huisbezoek. Hij kende de waarde van persoonlijk contact, en we kunnen verzekerd zijn, dat de gelovigen in Ephese sommige van hun kostbaarste lessen leerden, en dat velen gered werden, als Paulus in hun eigen huizen met hen sprak.

Natuurlijk hield de apostel geen spreekuur. Drie jaren lang" zo zegt hij, "heb ik nacht en dag niet opgehouden", en dat "met tranen", zo bezorgd was hij, dat zijn vermanen tevergeefs zou zijn (V.31). Laten wij, die in de positie van geestelijk leiderschap staan, in het licht hiervan onszelf afvragen hoeveel tranen van bezorgdheid of bewogenheid wij hebben geschreid voor hen wier geestelijk welvaren God aan ons heeft toevertrouwd.

Maar boven dit alles uit, was de apostel zo ver van materiele winst te zoeken door zijn werk, dat hij zijn handen tot hen kon uitstrekken en hun eraan herinneren, dat zij zelf wisten hoe deze handen niet alleen in zijn eigen behoeften hadden voorzien, maar ook in de behoeften van hen die bij hem waren (V.34).

Paulus had naar de Corinthiërs geschreven, hun herinnerend dat het nu eenmaal recht is, dat de gemeente zorgt voor de financiele ondersteuning van haar pastor (1Cor.9:7-14), omdat de ware pastor veel meer geeft dan hij ontvangt. Inderdaad had hij met nadruk het punt naar voren gebracht, dat "zo de Here had verordineerd, dat wie het evangelie predikt, van het evangelie zou leven" (V.14).

Maar nu sprak hij de herders aan, hun uitleggend hoe zij soms met blijdschap van deze voorrechten afstand moeten doen, hun zijn eigen voorbeeld van financiele zekerheid voorhoudend (V.34,35).

In verband hiermee herinnert de apostel hen aan enkele woorden van de Here Jezus, die hun bekend waren, maar in geen van de evangeliën worden vermeld:"Het is zaliger te geven dan te ontvangen" (V.35).

Hoe waar is deze uitspraak van onze Here, maar hoe weinig wordt zij geloofd! Indien pastors het werkelijk zouden geloven zouden zij meer "besteden aan hun gemeente en zou er door de gemeente meer aan hen besteed worden". Als hun toehoorders het zouden geloven, zouden zij de werker en zijn werk edelmoediger bedenken.

De apostel zei dit alles niet in een geest van trots, maar in diepe nederigheid. Toch tonen zijn woorden een besef van volmaakte en onbekrompen trouw aan zijn door God gegeven bediening. Driemaal zegt hij, "Gijlieden weet...daarom betuig ik...gijzelven weet" (V.18,26,34). En zijn verzekeringen moeten oprecht geweest zijn, anders had hij niet in staat geweest om zo'n beroep te doen op hen met wie hij had geleefd, en zo intiem gedurende drie jaren had gewerkt. De toegenegen en ontroerende reaktie van zijn toehoorders bewijzen de waarheid ervan.

WAT DE APOSTEL GEPREDIKT HAD

Sommigen die tot uitersten van bedeling gegaan zijn, en lezen dat Paulus bekering en het koninkrijk van God gepredikt heeft, besluiten onmiddellijk, dat de apostel een zekere tijdelijke bediening moet hebben gehad, verbonden met Israel en het Messiaanse koninkrijk, tot aan de afsluiting van Handelingen, toen het geheimenis aan hem werd geopenbaard.

Dit is onjuist, want de apostel had vóór die tijd reeds aan meerdere gemeenten brieven geschreven over verschillende fasen van het geheimenis, hoewel nog niet alle heerlijkheden ervan geopenbaard waren (Rom.11:25; 16:25; 1Cor.2:7; 15:51-53; 1Thes.4:15-18, etc.).

In vers 24 van onze passage maakt de apostel duidelijk dat de bijzondere bediening die hij van de Here Jezus had ontvangen, was om "te betuigen het evangelie van Gods genade". Dit was zijn speciale bediening. Maar dit betekent niet, dat hij niet wilde bevestigen wat Petrus en de twaalven geleerd hadden omtrent het Messiasschap van Christus. Zou iemand zich kunnen voorstellen, dat zij die volharden in het ontkennen dat de gekruisigde Jezus de ware Messias is, Hem mogelijk wel als hun persoonlijke Redder zouden vertrouwen? Zeker niet! En zo was het, dat Paulus eerst trachtte overal de Joden te overtuigen dat "Jezus is de Christus"

Daarom ook verklaart hij in de passage die voor ons ligt dat hij getuigde tot beiden, Joden en Grieken, "bekering tot God, en het geloof in onze Here Jezus Christus" (V.21).

Nu is het helemaal waar dat, zoals bekering de boodschap van Johannes de Doper, zowel als van Christus en de twaalven was, zo is genade voor vandaag de boodschap. Maar dit betekent niet, dat voor bekering vandaag geen plaats is. Bekering is geen boete; nog minder is het boetedoening. Het is eerder een verandering van gemoed en gedrag. Genade was Paulus' speciale boodschap tot op deze tijd, en toch was bekering een deel van die boodschap, evenals geloof aan de Here Jezus Christus.

Wat betreft zijn prediking van "het koninkrijk van God" (V.25), spreekt hij nog steeds van het koninkrijk van God "beërven" in Eph.5:5 en van zijn "medearbeiders in het Koninkrijk Gods" in Col.4:11, welke twee passages lange tijd na de beëindiging van Handelingen geschreven zijn.

We dienen te beseffen dat deze term, niet zoals "het koninkrijk der hemelen" een ruim begrip heeft. Wij vinden het zowel in het eerste deel als in de laatste verzen van het boek Handelingen, en bij elk geval afzonderlijk dient de contekst in het oog gehouden worden.

Toen onze Here, vóór Zijn hemelvaart, de elven leerde "de dingen die het koninkrijk Gods aangaan" (Hand.1:3), ging het over de aardse vestiging van dat koninkrijk, waarop de apostelen hoopten, en dat Petrus Israel zou aanbieden (Hand.3:19-21). Maar toen Paulus, in gevangenschap in Rome, het koninkrijk Gods predikte (Hand.28:31), wilde hij hun natuurlijk vertellen, wat was geworden van het aanbod van de vestiging ervan op aarde, en uitleggen hoe dit nu in afwachting werd bewaard (Cf. Rom.11:25-27).

Laten we, vooral hierbij, nauwkeurig opmerken, dat "de bediening" die Paulus had "ontvangen van de Here Jezus" de proclamatie was van "het evangelie van Gods genade" (V.24). Het was door het prediken van deze boodschap, dat hij hoopte zijn loop te volbrengen, die hij zo lang geleden begonnen was.

     WAT DE TOEKOMST VOOR HEM

                  NOG IN PETTO HAD

Er was voor de apostel geen terugkeer mogelijk. Hij moest doorgaan, "gebonden in de geest" naar Jeruzalem, zelfs ondanks dat de Heilige Geest langs de hele route betuigd had, dat "banden en verdrukkingen" hem daar wachtten.

Ieder van ons die geroepen is op plaatsen van dienst voor de Here, zou veel vaker moeten nadenken over de volgende tekst, waarin Paulus zijn houding uitdrukt met betrekking tot zijn lijden, dat hem onherroepelijk overkomen zou, als hij doorging op zijn reis naar die heksenketel van haat, waar de Here was verworpen en gekruisigd.

Om dit te beschrijven gebruikt hij de bekendste van alle beeldspraken: de wedloop. Hij kan zijn gedachten veroorloven om uitsluitend bezig te zijn met de race en het einde van zijn loop. Geen enkele van de alarmerende voorspellingen brengt hem van zijn doel af. Hij rekent zelfs niet met zijn eigen leven, als hij zijn loop slechts met succes zal mogen beëindigen.

De apostel schijnt ervan overtuigd te zijn, dat hij de Ephesische ouderlingen nooit meer zal terugzien. Of zijn kennis wel of niet absoluut was, vast staat, dat hij geen verdere bediening onder hen overwoog. Of hij wel of niet Azië ten laatste heeft herbezocht onder de omstandigheden die genoemd worden in 2Tim.1:15, en of het hem nog toegelaten geweest is om zijn voornemen naar Spanje te reizen uit te voeren (Rom.15:24), zal worden behandeld in een later hoofdstuk. Eén ding is duidelijk, dat hij niet verwachtte dat zijn broeders in Ephese zijn aangezicht ooit weer zouden zien.

Wat de toekomst tenlaatste voor de trouwe apostel nog verborg, was de prijs waar hij op zinspeelt in V.24. Hij had inderdaad gelopen om te "verkrijgen" (1Cor.9:24), en had niet "vergeefs" gelopen (Phil.2:16). Toen hij jaren later zijn "loop" volbracht had, stond hij klaar om "een kroon" te ontvangen (2Tim.4:7,8).

           DE ROEPING TOT TROUW

Wij keren nu van wat de toekomst in petto had voor Paulus,  naar wat de toekomst bracht voor de gemeente te Ephese.

"Zware wolven" zouden van buiten binnen komen, "die de kudde niet sparen" (V.29). En wat nog erger is, er zouden van binnenuit afvalligen opstaan, die verkeerde dingen spreken, om de discipelen af te trekken achter zich" (V.30). Hoe toch onstandvastige gelovigen klaar staan om zulken te volgen, kunnen we zien uit dat wat plaats gevonden had in Corinthe, waar zovelen trachtten Apollos te volgen - die zelf navolging afwees! In het geval van de gemeente in Ephese, tot welks oudsten Paulus zich nu richtte, wordt ons een zuiver voorbeeld gegeven van de waarheid van zijn waarschuwing. Het was niet lang voordat Hymenaeus en Alexander in het geloof "schip-breuk" geleden hadden en lasteraars geworden waren (1Tim.1:19,20). En deze Hymenaeus, samen met zekere Philetes, slaagden erin "het geloof van sommigen te verkeren" (2Tim.17,18). Inderdaad moest de apostel in zijn brief aan Timotheus schrijven: "Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben (2Tim.1:15).

Paulus wist heel goed dat zulke dingen zouden plaats grijpen. Hij wist dat de wereld, het vlees, en de duivel, zouden samenspannen om hetgeen hij zo onvermoeibaar had opgebouwd, omver te werpen. Daarom is het, dat hij hen vermaant:"Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen" (V.31).

Christenleiders doen er goed aan deze vermaningen ernstig ter harte te nemen. Kerken, hoe trouw ook aan het Woord en aan Christus, blijven niet vanzelf op deze weg; zij verlaten zomaar het geloof en de Auteur. Dit is inderdaad waar voor ieder van ons persoonlijk. Niet één van ons wage het om zichzelf te vertrouwen. Ieder dient voortdurend naar God op te zien om genade tot trouwblijven, want de afbrekende invloeden, van binnen zowel als van buiten, zijn sterk. Daarom is het, dat de apostel hier stelt dat hij "niet opgehouden heeft iedereen te waarschuwen". En zo ook vermaande hij de oudsten van de gemeente: "Daarom waakt" (V.31), en "Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft" (V.28).

Met het oog op zijn vertrek, en met het zicht op de geestelijke gevaren die dreigden, besluit nu de apostel zijn vermaning door hen Gode en Zijn Woord te bevelen, maar meer in het bijzonder aan "het woord Zijner genade, dat, zo zegt hij, "machtig is u op te bouwen en u een deel te geven onder al de geheiligden" (V.32).

"Het woord van Zijn genade" was natuurlijk de bijzondere boodschap die aan Paulus was opgedragen te verkondigen. Het was de boodschap voor de bedeling die nu begon te lichten, en het was deze boodschap die God wilde gebruiken om hen in het geloof te bevestigen, speciaal toen de heerlijkheid daarvan verder werd geopenbaard aan Paulus, en door hem in zijn brieven.

Hoe komt deze zegen overeen met die welke gevonden wordt in de brief die de apostel kort tevoren geschreven had: "Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest" (Rom.16:25).

Het is doordat de Kerk gefaald heeft in de navolging van deze richtlijnen voor haar eigen geestelijk welzijn en groei, dat zij vandaag zo slap en ziek is. Moge God Zijn volk opwekken voor deze waarheden, en hen noodzaken om in het geloof terug te keren tot die ene grote kernwaarheid die hen kan bevestigen en geestelijk opbouwen: "het woord Zijner genade"; "de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis".

                       HET AFSCHEID

Het afscheidstoneel is bijna te heilig om op in te gaan.

Nadat de apostel zijn toespraak had beëindigd, knielde hij neer op het strand, samen met zijn geliefde medewerkers, voor een afscheidsgebed. Lukas heeft voor ons van het gebed geen verslag gegeven. Dit zal wellicht ook onmogelijk geweest zijn, want op dat moment was er een uitbarsting van verdriet bij alle aanwezigen, "groot geween" en "vallen om de hals van Paulus, en hem kussen, het allermeest bedroefd om de woorden die hij had gesproken, dat zij zijn gelaat niet meer zouden zien" (V.36-38).

Eigenlijk hadden zij het allermeest bedroefd moeten zijn bij zijn voorspelling, dat er afvalligen onder hen zouden opstaan, maar dit moet voor hen onder deze omstandigheden moeilijk aan te nemen zijn geweest. Hun liefde voor Paulus en hun verdriet bij de gedachte zijn gelaat nooit meer te zullen zien, toonde aan hoeveel zijn bediening en boodschap voor hen betekend had.

Het is treffend om de met droefheid geslagen groep te zien, als zij de apostel naar het wachtende schip begeleidden; hun aan hem hangen, totdat het nodig werd voor hem zich van hen los te maken.

                    PAULUS' TRANEN

Andere schrijvers, waaronder Dean Howson, hebben opgemerkt, dat de tranen die Paulus gelaten heeft gedurende zijn bediening voor Christus, net als die van Zijn Heiland, drie aspecten van zijn karakter laten zien, en dat we deze alle drie in deze ene passage van Handelingen vinden. Onze Here had, terwijl hij op aarde was, tranen gelaten van lijden en smart aan het kruis (Hebr.5:7), tranen van herderlijke bezorgdheid, toen hij weende over Jeruzalem (Luk.19:41), en tranen van natuurlijke bewogenheid, toen hij weende met de bedroefden bij het graf van Lazarus (Joh.11:35).

In respect hiermee, reflecteerde Paulus de aard van zijn Meester en Here, zoals aangegeven in de passage die we hebben beschouwd.

In de eerste plaats spreekt zij over zijn "vele tranen", veroorzaakt door "de lagen der Joden" (V.19). Dit waren tranen van lijden en smart, uit zijn ogen gedrongen door de bittere, voortdurende, niet loslatende weerstand van de Joden tegen zijn bediening. Zijn leven was, zoals we hebben gezien, in voortdurend gevaar door hun complotten tegen hem, hun opruien van de menigten tegen hem, of hun trachten hem in een hinderlaag te lokken. Hij moest zijn plaats blijven innemen, vluchten voor zijn leven, of zich verbergen voor zijn vervolgers, als omstandigheden (en soms de Here) dit vereisten. Hij moest snelle beslissingen nemen, zijn plannen wijzigen, jonge bekeerlingen en toegewijde vrienden  telkens weer verlaten, vanwege de woedende tegenstand van zijn volksgenoten. Dit alles had invloed op zijn zenuwtoestand, zodat hij dikwijls in tranen uitbarstte omdat de druk gewoonweg te groot werd.

Maar ook net als zijn Here, plengde hij tranen van herderlijke bezorgdheid. "Ik hield niet op nacht en dag, met tranen, een iegelijk te vermanen" (Hand.20:31). Geen wonder dat zijn bediening zo effektief was! Het was zijn liefde voor hen die hun harten gewonnen had. En nu weent hij tranen met hen uit natuurlijke menselijke genegenheid.

Paulus' laatste reis naar Jeruzalem heeft zowel overeenkomsten als tegenstellingen met de reis van onze Here om te lijden en te sterven.

Onze Here ging uiteindelijk naar Jeruzalem om te sterven voor de zonden van anderen, terwijl Paulus ging omdat hij, die  het volk geleid had in hun opstand tegen Christus, zich nu verantwoordelijk voelde om tot hen van Christus te getuigen. Ook Christus ging naar Jeruzalem in de directieve wil van God, terwijl Paulus dit niet deed. Maar zijn lijden in Jeruzalem, net als dat van Christus, was tevoren voorspeld. Ook was Paulus evenals zijn Here, omringd door bedroefde vrienden op zijn weg naar Jeruzalem. Hij was zelf, net zoals Christus, bewogen bij het vooruitzicht van zijn lijden (Hand.21:13; Rom.15:30,31; Cf. Joh.12:27). Evenals onze Here bevond de apostel zich het mikpunt van Joodse vijandschap en, evenals zijn Here, hoorde hij hen uitroepen: "Weg van de aarde met zulk een, want het is niet behoorlijk dat hij leeft" (Hand.22:22).     

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011