H O O F D S T U K XXXVIII - H A N D. 20:13-38
PAULUS LAATSTE TERUGKEER NAAR JERUZALEM
VAN TROAS NAAR MILETE
"Maar wij vooruit naar het schip gegaan zijnde, voeren af naar Assus, waar
wij Paulus zouden innemen; want hij had het zo bevolen, en hij zelf zou te
voet gaan. "En als hij zich te Assus bij ons gevoegd had, namen wij hem
in, en kwamen te Mitylene.
"En vandaar afgescheept zijnde, kwamen wij de volgende dag tegenover
Chios, en des anderen daags legden wij aan te Samos, en bleven te
Trogyllion, en de dag daaraan kwamen wij te Milete.
"Want Paulus had voorgenomen Ephese voorbij te varen, opdat hij niet den
tijd in Azië zou verslijten; want hij spoedde zich, om (zo het hem
mogelijk ware) op den Pinksterdag te Jeruzalem te zijn."
- Hand. 20:13-16.
De zeven metgezellen werden per schip vooruit gezonden naar Assus, terwijl
hijzelf te voet ging om hen te ontmoeten. De reis over zee was ongeveer
veertig mijlen, terwijl deze over land slechts twintig bedroeg.
Er wordt wel verondersteld, dat de apostel dit plan uitvoerde opdat hij
nog een paar kostelijke uren van gemeenschap met de discipelen in Troas
zou mogen hebben.
Het feit dat Vers 11 echter verklaart, dat hij reeds "vertrokken" was, en
het feit dat hij verkoos om alleen te reizen, zelfs zonder Lukas
(V.14), duidt eerder op een verlangen naar alleen zijn na de drukke
tijd in Troas. Christengemeenschap is een gezegende ervaring, maar ook een
apostel heeft tijd nodig voor gebed en overdenking.
Het lijkt wel alsof het schip, na Paulus in Assus opgenomen te hebben,
elke avond binnen lag. De reden hiervoor lijkt duidelijk. De zomerwinden
in de Aegeïsche Zee waaien vroeg in de morgen uit het noorden, en gaan
laat in de middag liggen.
Er is reeds veel over gesproken of een geregelde beurtvaarder werd
gebruikt, of dat Paulus en zijn metgezellen privé een klein kustvaartuig
genomen hebben. Kundige uitleggers zoals Geikie zeggen dat zij hun eigen
schip huurden, terwijl Howson en anderen beslissen dat dit "zeker een
vergissing" moet zijn.
De schijnbare aanwijzing, dat het schip privé werd gehuurd zijn de
volgende: Het schip zou, als het een directe koers genomen had, een
koopvaardijschip geweest zijn. Hier echter legt het schip aan in Assus,
waarschijnlijk alleen om Paulus op te pikken, en passeerde eenvoudig
Ephese omdat Paulus haast had, en daar niet wenste te stoppen. Er wordt
verder niets gezegd over enige andere bezigheid op deze reis.
Het schijnt voor ons hieruit aannemelijk, dat Paulus en zijn metgezellen
het schip voor zichzelf gehuurd hadden.
Ongetwijfeld was dit een kleiner schip, bestemd voor vaart direct
onder de kust, want het voer slechts van Troas naar Patara (Hand.21:1).
Maar het is teveel om te beweren, dat omdat er geen andere bezigheden
genoemd worden, het naar Assus zeilde, alleen om Paulus op te
pikken. Paulus zal wel beslist hebben naar Assus te lopen, omdat hij wist
dat het schip daar zou aanleggen.
Maar zelfs al zeilde het alleen naar Assus om Paulus aan boord te nemen,
bewijst dit nog niet, dat het privé gehuurd was door Paulus en zijn
gezelschap, want de schipper van een klein kustschip zal blij geweest zijn
om een gezelschap van negen passagiers overtocht te geven. En zo, Ephese
voorbij zeilend, vermeldt de tekst niet dat Paulus besloten had dat
het schip dit zou doen, maar dat hij dit deed, i.c. dat hij
liever aan boord bleef dan daar aan wal te gaan. De passage zal eenvoudig
bedoelen, dat Paulus in de eerste plaats een schip verkoos, dat aan Ephese
voorbij zou zeilen.
De apostel passeerde Ephese omdat hij zich haastte om Jeruzalem op
Pinksteren te bereiken, en hij wel wist niet op het toneel te kunnen
verschijnen tussen zoveel bekeerden, vrienden en medewerkers, zonder voor
lange tijd te zijn opgehouden. Hij wilde daarom in Milete aan land gaan,
ongeveer dertig mijlen verder, en vandaar alleen de oudsten van de
gemeente oproepen voor een afscheids-boodschap ter bemoediging en
vermaning. Op deze manier zouden meer blijvende resultaten kunnen worden
bereikt.
WAS PAULUS BUITEN DE WIL VAN GOD DOOR NAAR JERUZALEM TE GAAN?
Misschien is dit de plaats om te overwegen of Paulus verkeerd of goed was
bij het ondernemen van zijn laatste reis naar Jeruzalem. Dit is niet
gemakkelijk om vast te stellen, en reken hierop: zij die dit behandelen
alsof het een eenvoudige zaak is, hebben slechts aandacht geschonken aan
één zijde ervan - hun zijde.
Bij ons onderzoek van dit onderwerp waren we verbaasd over twee dingen:
1). de bijzondere schaarste aan doordachte geschriften over een onderwerp
wat van zo'n doorslaggevende betekenis is, en 2). het feit dat de korte
opmerkingen in de meeste commentaren op Handelingen zo eenzijdig zijn,
waarbij de argumenten aan de ene en de andere zijde worden ontkend, al
naar de gezichtspunten van de schrijvers.
Wij wagen het daarom, de voornaamste Schriftuur-lijke argumenten te noemen
aan beide zijden, en dan te zien hoe zij tot overeenstemming zouden kunnen
worden gebracht.
DE ARGUMENTEN VOOR PAULUS' GAAN NAAR JERUZALEM DEZE KEER
Deze zijn meestal als volgt:
1.Paulus' plannen werden gemaakt "naar het vlees" (2Cor.1:15-17).
2.Later, staande voor het Sanhedrin, en in een brief aan Timotheus
verklaarde hij, dat hij van zijn jeugd af aan, God had gediend met een
zuiver geweten (Hand.23:1; 2Tim.1:3).
3.Hij verklaarde zijn beslissing om de reis naar Jeruzalem te vervolgen,
opdat hij zijn loop zou volbrengen, en tevens zijn bediening "met
blijdschap" (Hand.20:24).
Toen zijn vrienden hem niet van zijn voornemen konden afbrengen, zeiden
zij: "De wil des Heren geschiede" (Hand.21:14).
5.Nadat Paulus Jeruzalem had bereikt, bemoedigde de Here hem
eerder, in plaats van te berispen, en zeide: "Heb goeden moed, Paulus;
want gelijk gij te Jeruzalem van Mij betuigd hebt, alzo moet gij ook te
Rome getuigen" (Hand.23:11).
6.Kort voor zijn dood schreef Paulus" "Ik heb de goede strijd
gestreden, ik heb de loop geëindigd, ik heb het geloof behouden"
(2Tim.4:7), hetgeen, zo wordt beweerd, hij niet gezegd zou hebben als hij
buiten de wil van God was toen hij deze reis naar Jeruzalem maakte.
Maar deze argumenten zijn niet zo beslissend als zij op het eerste gezicht
lijken.
Terwijl wij toegeven dat het niet het vlees was dat de apostel
drong om naar Jeruzalem te gaan, dient toch te worden opgemerkt, dat in
2Cor.1:15-17 de apostel niet verwijst naar al zijn plannen, of
bedoelingen, nog minder naar zijn voornemen om Jeruzalem voor de laatste
keer te bezoeken. In deze passage verwijst hij naar zijn eerder plan om de
Corinthiërs te bezoeken (V.15). Het is in verband met de
verandering in zijn plan, dat hij protesteert: "...heb ik ook
lichtvaardigheid gebruikt? Of neem ik het naar het vlees voor? (V.17).
Wat betreft de beweringen van de apostel dat hij vanaf zijn jeugd voor God
geleefd heeft "met een zuiver geweten", is het zeker duidelijk uit zijn
eigen brieven, dat hij veraf was van volmaaktheid, en dat deze
verklaringen niet verwijzen naar alle details van zijn leven, maar eerder
naar zijn aangenomen koers, door eerst Christus tegen te staan, dan te
bekeren tot Hem en Hem te dienen. Bovendien is het feit, dat hij zelfs
Christus vervolgde met een zuiver geweten (Hand.26:9) bewijs, dat het
mogelijk is verkeerd te doen met een zuiver, nochtans krom geweten.
Nummers 3 en 4 zullen later worden behandeld, maar we onderbreken hier om
kort Numeri 5 en 6 aan te halen.
Niemand zal ontkennen, dat de motieven van Paulus om naar Jeruzalem
te gaan, hooggestemd waren. Dat hij ging met een hart vol van liefde tot
Christus en tot zijn afstammelingen. Dat hij zijn eigen leven daarbij
riskeerde door te gaan. Is het dan vreemd, dat God hem zou bemoedigen,
na zijn edele houding voor de boze menigte te Jeruzalem en voor het
Sanhedrin? Zouden wij niet verwachten dat God dit deed? Dit is geen
bewijs, dat Paulus in de directe wil van God was om deze keer naar
Jeruzalem te gaan.
Evenmin bewijst dit zijn verklaring in 2Tim.4:7. Neem nu de verhitte
tegenspraak van de apostel met Barnabas, zijn belediging van de
hogepriester (waarvoor hij excuus vroeg), en voeg daar nog andere fouten
bij die men in het verslag vinden kan; vergelijk deze met de rest van het
verslag en zie of hij niet meer dan gerechtvaardigd was als hij verklaart:
"Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop geëindigd,
ik heb het geloof behouden." Wie van ons heeft ook maar half zo goed
gedaan?
DE ARGUMENTEN TEGEN PAULUS' GAAN NAAR JERUZALEM DEZE KEER
Deze zijn, op hun beurt, de volgende:
1.Paulus ging deze keer naar Jeruzalem, onder andere, om "het evangelie
van Gods genade te betuigen" (Hand.20:24), maar lange tijd hiervoor
had hij Paulus bevolen om Jeruzalem te verlaten, verklarende:
"want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen" (Hand.22:18).
2.Er is geen verslag, dat hij "het evangelie van de genade van God" in
Jeruzalem betuigde. Hij deed dit zeker niet, door zich te onderwerpen aan
een Joodse ceremonie.
3.Er is geen verslag, dat de Here Jezus of de Heilige Geest Paulus opdroeg
om Jeruzalem te bezoeken (Ctr. Gal.2:2). Als hem dat zou zijn
opgedragen, zou dat zeker zijn vermeld, lettende op al de waarschuwingen
en smekingen tegen zijn gaan.
4.Terwijl hij onderweg was, ontving hij vele waarschuwingen van de
Geest over wat hem zou overkomen als hij naar Jeruzalem opging
(Hand.20:23; 21:10,11), en er wordt duidelijk gesteld, dat de discipelen
in Tyrus "zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar Jeruzalem"
(Hand.21:4).
5.Hij werd van Jeruzalem naar Rome gebracht als "de gevangene van
Christus Jezus voor u, die heidenen zijt" (Eph.3:1) Hij was ook
een gevangene voor Christus, maar in dit verband was hij de
gevangene van Christus voor de zaak der heidenen.
PAULUS' GEEST EN DE HEILIGE GEEST
Een belangrijke vraag, die hier in beschouwing dient te worden genomen is
weliswaar, hoeveel de Heilige Geest en hoeveel Paulus' eigen geest in deze
zaak betrokken was.
Vijfmaal wordt in dit verslag het woord geest (Gr. Pneuma)
gebruikt, en wij geloven dat het in elk geval duidelijk is, of sprake is
van Paulus' geest, of dat de Heilige Geest wordt bedoeld.
In Hand.19:21 lezen we, dat "Paulus zich voor nam in de
geest...naar Jeruzalem te reizen". Nu wordt deze uitdrukking "in de
geest" gewoonlijk gebruikt voor "s mensen eigen geest, en indien er geen
aanleiding geweest zou zijn tot bewijs, zou niemand waarschijnlijk ooit in
de oorspronkelijke vertaling nagezocht hebben, of Paulus wel in zijn geest
besloot naar Jeruzalem te gaan.
In dit verband moet niet over het hoofd worden gezien, dat de passage
duidelijk stelt, dat het Paulus was, die zich voornam om
naar Jeruzalem te gaan. Als God zijn gaan bedoeld had, zou er gezegd zijn,
dat de Heilige Geest hem leidde, of instrueerde om te gaan.
Het is natuurlijk niet te ontkennen dat de term "in de geest" gebruikt is,
om aan te tonen dat het het meest verheven deel van Paulus' wezen was, dat
deel, hetwelk verbinding onderhield met God, dat hem bewoog om te gaan.
In Hand.20:22 zegt de apostel van zichzelf: "En nu zie, ik, gebonden
zijnde door de geest, reis naar Jeruzalem" i.c. gevoelde hij zich
gebonden om te gaan. Dat hier sprake is van zijn eigen geest, is duidelijk
uit het feit, dat hij dan doorgaat met te zeggen, dat "de
Heilige Geest (Gr., de Geest, de Heilige)" getuigt in
elke stad, dat banden en verdrukkingen hem te wachten staan (V.23).
Een aanzienlijke meerderheid der vertalingen geeft het woord geest met een
kleine "g", zowel in Hand.19:21 en 20:22 (Zie K.J.V., vert.) als zijnde de
eigenlijke bedoeling van het origineel. Dat dit correct is, wordt verder
bevestigd door het feit dat ontegenzeggelijk de Heilige Geest wordt
bedoeld in alle drie waarschuwingen en vermaningen om niet naar
Jeruzalem te gaan. Indien de genoemde twee passages dan ook op de
Heilige Geest sloegen, zouden we te maken hebben met de tegenstelling, dat
de Heilige Geest hem zowel dringt om te gaan als om niet te gaan.
Wij hebben zojuist gezien dat Paulus zelf verklaart, dat "de Heilige
Geest" hem had gewaarschuwd voor de gevolgen als hij deze keer naar
Jeruzalem zou gaan. De andere twee passages zijn Hand.21:4, waar de
discipelen in Tyrus "zeiden door de Geest, dat hij niet zou opgaan naar
Jeruzalem" en Hand.21:10,11, waar "Agabus...nam de gordel van
Paulus, en zijns zelfs handen en voeten gebonden hebbende, zeide: Dit zegt
de Heilige Geest: Den man , wiens deze gordel is, zullen de Joden alzo te
Jeruzalem binden, en overleveren in de handen der heidenen."
Het is geen vraag of Lukas en Paulus' andere metgezellen, zowel als "die
van die plaats waren", de profetie van Agabus zagen als een waarschuwing
van God voor wat Paulus zou overkomen als hij doorging met zijn bedoeling
om naar Jeruzalem te gaan, want zij allen smeekten hem - onder
tranen - niet op te gaan naar Jeruzalem", en het was slechts
"als hij zich niet liet afraden" dat zij zeiden: "De wil des Heren
(i.c. Zijn toelatende wil) geschiede" (V.12-14).
DE OPLOSSING
Na beschouwing van beide kanten van de kwestie in de voorgaande passages,
zijn we in een betere stand gekomen om de oplossing van het probleem te
vinden. We kunnen zeker zijn, dat lichtvaardig zeggen dat Paulus helemaal
recht stond, of dat hij helemaal verkeerd stond; of dat hij in deze zaak
in of buiten de wil van God was, betekent een oppervlakkig
standpunt innemen in een complex probleem. Menselijke natuur en menselijke
ervaring zijn niet zo eenvoudig als dat allemaal.
Er bestaat geen aanwijzing in het verslag, dat Paulus in de directieve
wil van God was bij zijn gaan naar Jeruzalem. Toch is het wel
duidelijk, dat hij niet naar geweten buiten Gods wil ging;
inderdaad voelde hij zich gebonden om te gaan, door het meest verheven
deel van zijn natuur.
De apostel had drie redenen om deze keer naar Jeruzalem te gaan: 1).
"Om de heidenen te dienen" (Rom.15:25). 2). "Om te aanbidden"
(Hand.20:16; 24:11) en 3). "Om te betuigen het evangelie der genade
Gods" (Hand.20:24). De eerste twee waren, om betere relaties aan te
kweken tussen Joodse gelovigen en de heidengemeenten, en te laten zien aan
gelovigen en ongelovigen in Jeruzalem, dat hij de wet van Mozes niet
verachtte. De derde reden was echter de belangrijkste.
We overzien het gehele beeld als volgt: Jaren tevoren, bij zijn eerste
terugkeer naar Jeruzalem na zijn bekering, had de Here tot hem gezegd:
"Spoed u en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van
Mij niet aannemen" (Hand.22:18).
In die tijd had Paulus zelfs de Here tegengesproken. Dit volk, zo
redeneerde hij, wist hoe hij hen had geleid in de vervolging tegen
Christus; hoe hij degenen die in Christus geloofden in de gevangenis had
geworpen en had geslagen in elke synagoge, en ingestemd had en geholpen
met de steniging van Stephanus. Zij zouden zeker naar hem
luisteren, en zijn getuigenis zou hen kunnen bekeren van vijandschap tot
geloof in Christus. Maar de Here wist beter en antwoordde samenvattend:
"Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (Hand.22:21).
Toch, hoewel tot de heidenen gezonden met heerlijk groot nieuws, bleef het
hart van de apostel bloeden voor zijn geliefd volk, dat hij in opstand
tegen Christus had aangevoerd. In Rom.9:1-3 schrijft hij over zijn
"grote droefheid en een gedurige smart" vanwege hun toestand, en
zweert plechtig voor God, dat indien mogelijk, hij zou wensen zelf
verbannen te zijn voor hen, en enige regels verderop schrijft hij vurig,
dat "de toegenegenheid zijns harten en het gebed tot God voor Israel
is, dat zij gered mogen worden" (Rom.10:1).
Niet alleen dat de apostel medelijden had met zijn koppig volk; hij voelde
zich verantwoordelijk, omdat hij hen enige jaren tevoren geleid had in hun
opstand tegen Christus. Ook voelde hij zich verantwoordelijk voor de
Here, wegens zijn opruien tot haat tegen Hem.
Zo was het, dat hoewel de Heilige Geest in elke stad getuigenis gaf dat
banden en verdrukkingen hem wachtten als hij naar Jeruzalem zou gaan, hij
toch "gebonden door de geest" voelde te moeten gaan; hij voelde dat
hij moest gaan om zijn bestemde loop en zijn bediening te
besluiten.
De verklaring van de discipelen in Tyrus is uiteraard het sterkste
argument van diegenen die het erover eens zijn, dat Paulus helemaal
verkeerd was, en buiten de wil van God ging. Deze discipelen hadden
blijkbaar de gave van profetie. Zij "zeiden tot Paulus door de Geest,
dat hij niet naar Jeruzalem moest opgaan" (Hand.21:4).
Het Griekse woord voor "niet" hier is echter niet ou, maar
me. Het is eerder subjectief dan objectief, meer
betrekking hebbend op gedachten en gevoelens dan op feiten, zoals ou
doet. Omdat ou een zaak direct en absoluut ontkent, doet me
dat als oordeel, voorkeur, etc. Daarom wordt me soms gebruikt
als een samenvoeging: "tenzij", "dat...niet", etc.
Het woord van de Geest door de discipelen in Tyrus toen, was niet een
bevel, maar eerder advies en waarschuwing niet naar Jeruzalem
op te gaan, i.c. tenzij hij de voorspelde verdrukking zou lijden.
De grootste beproeving kwam blijkbaar, toen in Caesarea de profeet Agabus,
met een dramatische en indrukwekkende waarschuwing, de arrestatie en
gevangenneming in Jeruzalem voorspelde. Hiermee bewerkte hij, dat zowel
zijn reisgezellen als de vrienden in Caesarea, hem wenend smeekten, niet
door te gaan met zijn voornemen (Hand.21:10-12).
Opnieuw geeft zijn antwoord duidelijk aan, dat hij dit niet zag als een
oordeel over zijn handelen, maar eerder als een beproeving van zijn trouw
(V.13).
Zo zien we dat Paulus in dit geval niet werd geleid om naar
Jeruzalem te gaan (zoals bij een andere gelegenheid wel, Gal.2:2), en
inderdaad werd gewaarschuwd voor banden en verdrukkingen als hij ging,
maar dat hij toch ging uit een zin van trouw aan zijn Here. En God
gebruikte dit om Israel nogmaals een nog bewogener smeking te doen door de
lippen van iemand, die gewaarschuwd was om niet naar hen toe te gaan; aan
wie was gezegd dat zij niet zouden luisteren; die voor hen zou staan,
geboeid in ketenen, de geschiedenis van zijn bekering vertellend,
opdat dit misschien zou kunnen leiden tot hun bekering.
Hierna werd hij naar Rome gebracht om "de gevangene van Jezus Christus
voor de heidenen" te worden (Eph.3:1). Wij zijn verbaasd, dat moeten wij
bekennen, dat zo weinig commentators de betekenis van deze uitdrukking
hebben begrepen. Het wil niet zeggen dat Paulus een gevangene voor
Christus was (hoewel dit ook waar is). Zij zegt niet dat hij een gevangene
was van de Joden of van de Romeinen. Zij zegt dat hij de gevangene "VAN
Jezus Christus, VOOR de heidenen" was, i.c., Jezus Christus hield hem
in gevangenschap voor de zaak der heidenen, natuurlijk niet als straf,
maar omdat zijn hart terug wilde naar zijn broeders naar het vlees; tot
hen voor wier afvalligheid hij zich zo zeer verantwoordelijk hield.
De oplossing is, zo geloven wij, in overeenstemming met het gehele
verslag, en zij die ons zouden willen beschuldigen van verheffing van
Paulus boven Christus dienen op te merken, dat wij aldus "zijn bediening
verheerlijken", zonder hem te verhogen.
PAULUS' AFSCHEID VAN DE
OUDSTEN VAN EPHESE
"Maar
hij zond van Milete naar Ephese, en hij ontbood de ouderlingen der
gemeente. "En als zij tot hem gekomen waren, zeide hij tot hen: Gijlieden
weet, van den eersten dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik bij u
de ganse tijd geweest ben.
"Dienende den Here met alle ootmoedigheid, en vele tranen, en
verzoekingen, die mij overkomen zijn door de lagen der Joden; "Hoe ik
niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou
verkondigd en u geleerd hebben, in het openbaar en bij de
huizen."Betuigende beide Joden en Grieken de bekering tot God en het
geloof in onze Here Jezus Christus.
"En nu
zie, ik, gebonden zijnde door den Geest, reis naar Jeruzalem, niet wetende
wat mij daar ontmoeten
zal."Dan dat de Heilige Geest van stad tot stad betuigt, zeggende dat
mij banden en verdrukkingen aanstaande zijn. "Maar ik acht op geen ding,
noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijn loop met
blijdschap mag volbrengen, en den dienst, welken ik van de Here Jezus
ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods.
"En nu
zie, ik weet, dat gij allen, waar ik doorgegaan ben, predikende het
Koninkrijk Gods, mijn aangezicht niet meer zien zult. "Daarom betuig ik
ulieden op deze huidige dag, dat ik rein ben van het bloed van u allen.
"Want ik
heb niet achtergehouden, dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad
Gods. "Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u
de Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft, om de gemeente Gods te
weiden, welke Hij verkregen heeft door Zijn eigen bloed. "Want dit weet
ik, dat na mijn vertrek zware wolven tot u inkomen zullen, die de kudde
niet sparen. "En uit uzelven zullen mannen opstaan, sprekende verkeerde
dingen, om de discipelen af te trekken achter zich.
"Daarom
waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet opgehouden heb
een iegelijk met tranen te vermanen."En nu, broeders, ik beveel u Gode en
het woord Zijner genade. Die machtig is u op te bouwen en u een erfdeel te
geven onder al de geheiligden. "Ik heb niemands zilver of goud of kleding
begeerd. "En gijzelven weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en
dengenen die met mij waren, gediend hebben. "Ik heb u in alles getoond,
dat men alzo arbeidende, de zwakken moet opnemen, en gedenken aan de
woorden des Heren Jezus, dat Hij gezegd heeft: Het is zaliger te geven dan
te ontvangen. "En als hij dit gezegd had, heeft hij nederknielende met hen
allen gebeden.
"En er
werd een groot geween van hen allen; en zij vallende om de hals van
Paulus, kusten hem."Zeer bedroefd zijnde, allermeest over het woord dat
hij gezegd had, dat zij zijn aangezicht niet meer zien zouden. En zij
geleidden hem naar het schip."
Hand.20:17-38.
Als, bij geval,
de lezer de bovenstaande passage zonder lezen als bekend heeft
overgeslagen om ons commentaar hierop te zien, stellen wij voor om terug
te gaan, en elk woord ervan te herlezen, want hier hebben we het
geinspireerde verslag van een van de meest bewogen gebeurtenissen in het
leven van de apostel: zijn afscheid van de ouderlingen van Efese. Geen
gesprek in het boek Handelingen is zo vol van hartelijke bezorgdheid voor
zijn helpers in het werk, en met zoveel naijver voor de zuiverheid van
zijn door God gegeven boodschap, als deze vermaning bij het afscheid van
hen, waaronder hij langer gewerkt had dan in enig andere stad. Dit is ook
de eerste keer, dat we lezen van een hartelijke manifestatie van liefde
voor Paulus. Tot hier toe heeft Lukas ons, door de Geest, veel verteld
over de haat en tegenstand van zijn vijanden, maar niets over de
genegenheid en toewijding van de Galaten, (Gal.4:14,15), de
Thessalonicenzen (1Thess.3:6), de Philippiërs (Phil.1:25,26; 4:15,16) en
anderen.
Nu pas kunnen
we God danken voor het complot om zijn leven, toen hij zou uitzeilen naar
Syrië (20:3), want als hij niet gedwongen was om zijn plannen te
veranderen, zou hij nimmer deze afscheidstoespraak tot de ouderlingen van
Ephese hebben kunnen houden, en dit kostbare juweel zou nimmer zijn
geplaatst in de kroon van geinspireerde waarheid.
Het is
belangrijk op te merken, dat de apostel naar Ephese alleen zond om de
oudsten van de gemeente. Hij wenste speciaal tot hen te spreken
over het werk in Azië. De toespraak heeft danook speciale betekenis voor
herders en leraars in Christelijk werk. Als de apostel op zijn bediening
onder hen terugziet, doen wij er goed aan ons af te vragen of wij wel
voldoen. Als hij waarschuwt en vermaant, doen wij er goed aan, ernstig op
te letten.
PAULUS
KIJKT TERUG OP ZIJN BEDIENING IN EPHESE
Er moet wel veel opwinding en vreugde geweest
zijn onder de leiders van de gemeente te Ephese, toen zij bericht
ontvingen, dat hun geliefde Paulus, die zij sinds het grote oproer om
Diana niet meer gezien hadden, te Milete was en op hen wachtte voor een
gesprek. Ongetwijfeld schaarden zij zich zo snel mogelijk rondom hem, om
te horen wat hij wilde mededelen. "Gijlieden weet", zo begon
hij, "van de eerste dag af dat ik in Azië ben aangekomen, hoe ik
bij u de ganse tijd geweest ben" (V.18).
Hij had zijn
God nederig gediend, als Zijn verbondsslaaf, met veel tranen en
beproevingen, die hem hoofdzakelijk overkwamen door de lagen die de Joden
hem legden. Zo was het complot in Hand.20:3 slechts een van de vele van
zulke samenzweringen. Overal waar hij ging, was zijn leven in gevaar. Soms
werd de druk hem te zwaar, zodat hij uitbarstte in tranen van verbittering
en bezorgdheid.
Ondertussen had
hij getrouw hun geestelijke behoeften gediend, daarbij niets teruggehouden
"van hetgeen nuttig was" voor hen. Daarbij rekening houdend met het
vermogen van zijn toehoorders, maar nimmer met eigen voordeel. Hij
leerde hen alles wat goed was voor hen, en onthield hen "al de raad Gods"
niet (cf.2Cor.4:2; 1Thes.2:4).
Helaas, hoeveel
mannen Gods zijn er vandaag die waarheden "achterhouden", die voor hun
toehoorders zeer nuttig zouden zijn; die nalaten de gehele raad Gods te
verklaren, daar zij anders enige mogelijkheden om te prediken zouden
verliezen, hun goede positie of een weinig menselijke bijval. Zulken
kunnen niet tot hun toehoorders zeggen, zoals de apostel dit
deed:
"Daarom betuig
ik ulieden op dezen huidigen dag, dat ik rein ben van het bloed van allen
(V.26).
Maar de apostel
was niet alleen bestendig in zijn houding, en trouw in zijn bediening; hij
had al zijn energie erin gestopt, zich bovenmate gegeven, zoals een man
rent die een race wil winnen.
Hij had hen
niet alleen "in het openbaar" geleerd, maar ook "bij de huizen" (van huis
tot huis) (V.20). Hij verwaarloosde niet, zoals zoveel pastors,
huisbezoek. Hij kende de waarde van persoonlijk contact, en we kunnen
verzekerd zijn, dat de gelovigen in Ephese sommige van hun kostbaarste
lessen leerden, en dat velen gered werden, als Paulus in hun eigen huizen
met hen sprak.
Natuurlijk hield de apostel geen spreekuur. Drie jaren lang" zo
zegt hij, "heb ik nacht en dag niet opgehouden", en dat "met
tranen", zo bezorgd was hij, dat zijn vermanen tevergeefs zou zijn
(V.31). Laten wij, die in de positie van geestelijk leiderschap staan, in
het licht hiervan onszelf afvragen hoeveel tranen van bezorgdheid of
bewogenheid wij hebben geschreid voor hen wier geestelijk welvaren
God aan ons heeft toevertrouwd.
Maar boven dit alles uit, was de apostel zo ver van materiele winst te
zoeken door zijn werk, dat hij zijn handen tot hen kon uitstrekken en hun
eraan herinneren, dat zij zelf wisten hoe deze handen niet alleen
in zijn eigen behoeften hadden voorzien, maar ook in de behoeften van hen
die bij hem waren (V.34).
Paulus had naar de Corinthiërs geschreven, hun herinnerend dat het nu
eenmaal recht is, dat de gemeente zorgt voor de financiele
ondersteuning van haar pastor (1Cor.9:7-14), omdat de ware pastor veel
meer geeft dan hij ontvangt. Inderdaad had hij met nadruk het punt naar
voren gebracht, dat "zo de Here had verordineerd, dat wie het
evangelie predikt, van het evangelie zou leven" (V.14).
Maar nu sprak hij de herders aan, hun uitleggend hoe zij soms met
blijdschap van deze voorrechten afstand moeten doen, hun zijn eigen
voorbeeld van financiele zekerheid voorhoudend (V.34,35).
In verband hiermee herinnert de apostel hen aan enkele woorden van de Here
Jezus, die hun bekend waren, maar in geen van de evangeliën worden
vermeld:"Het is zaliger te geven dan te ontvangen" (V.35).
Hoe waar is deze uitspraak van onze Here, maar hoe weinig wordt zij
geloofd! Indien pastors het werkelijk zouden geloven zouden zij meer
"besteden aan hun gemeente en zou er door de gemeente meer aan hen besteed
worden". Als hun toehoorders het zouden geloven, zouden zij de werker en
zijn werk edelmoediger bedenken.
De apostel zei dit alles niet in een geest van trots, maar in diepe
nederigheid. Toch tonen zijn woorden een besef van volmaakte en
onbekrompen trouw aan zijn door God gegeven bediening. Driemaal zegt hij,
"Gijlieden weet...daarom betuig ik...gijzelven weet" (V.18,26,34).
En zijn verzekeringen moeten oprecht geweest zijn, anders had hij
niet in staat geweest om zo'n beroep te doen op hen met wie hij had
geleefd, en zo intiem gedurende drie jaren had gewerkt. De toegenegen en
ontroerende reaktie van zijn toehoorders bewijzen de waarheid ervan.
WAT DE APOSTEL GEPREDIKT HAD
Sommigen die tot uitersten van bedeling gegaan zijn, en lezen dat Paulus
bekering en het koninkrijk van God gepredikt heeft, besluiten
onmiddellijk, dat de apostel een zekere tijdelijke bediening moet hebben
gehad, verbonden met Israel en het Messiaanse koninkrijk, tot aan de
afsluiting van Handelingen, toen het geheimenis aan hem werd geopenbaard.
Dit is onjuist, want de apostel had vóór die tijd reeds aan meerdere
gemeenten brieven geschreven over verschillende fasen van het geheimenis,
hoewel nog niet alle heerlijkheden ervan geopenbaard waren
(Rom.11:25; 16:25; 1Cor.2:7; 15:51-53; 1Thes.4:15-18, etc.).
In vers 24 van onze passage maakt de apostel duidelijk dat de bijzondere
bediening die hij van de Here Jezus had ontvangen, was om "te betuigen
het evangelie van Gods genade". Dit was zijn speciale bediening.
Maar dit betekent niet, dat hij niet wilde bevestigen wat Petrus en
de twaalven geleerd hadden omtrent het Messiasschap van Christus. Zou
iemand zich kunnen voorstellen, dat zij die volharden in het ontkennen
dat de gekruisigde Jezus de ware Messias is, Hem mogelijk wel als hun
persoonlijke Redder zouden vertrouwen? Zeker niet! En zo was het,
dat Paulus eerst trachtte overal de Joden te overtuigen dat "Jezus is
de Christus"
Daarom ook verklaart hij in de passage die voor ons ligt dat hij getuigde
tot beiden, Joden en Grieken, "bekering tot God, en het geloof in onze
Here Jezus Christus" (V.21).
Nu is het helemaal waar dat, zoals bekering de boodschap van
Johannes de Doper, zowel als van Christus en de twaalven was, zo is
genade voor vandaag de boodschap. Maar dit betekent niet, dat
voor bekering vandaag geen plaats is. Bekering is geen boete; nog
minder is het boetedoening. Het is eerder een verandering van
gemoed en gedrag. Genade was Paulus' speciale boodschap tot op deze
tijd, en toch was bekering een deel van die boodschap, evenals
geloof aan de Here Jezus Christus.
Wat betreft zijn prediking van "het koninkrijk van God" (V.25), spreekt
hij nog steeds van het koninkrijk van God "beërven" in Eph.5:5 en van zijn
"medearbeiders in het Koninkrijk Gods" in Col.4:11, welke twee passages
lange tijd na de beëindiging van Handelingen geschreven zijn.
We dienen te beseffen dat deze term, niet zoals "het koninkrijk der
hemelen" een ruim begrip heeft. Wij vinden het zowel in het eerste deel
als in de laatste verzen van het boek Handelingen, en bij elk geval
afzonderlijk dient de contekst in het oog gehouden worden.
Toen onze Here, vóór Zijn hemelvaart, de elven leerde "de dingen die het
koninkrijk Gods aangaan" (Hand.1:3), ging het over de aardse vestiging
van dat koninkrijk, waarop de apostelen hoopten, en dat Petrus Israel
zou aanbieden (Hand.3:19-21). Maar toen Paulus, in gevangenschap in Rome,
het koninkrijk Gods predikte (Hand.28:31), wilde hij hun natuurlijk
vertellen, wat was geworden van het aanbod van de vestiging ervan op
aarde, en uitleggen hoe dit nu in afwachting werd bewaard (Cf.
Rom.11:25-27).
Laten we, vooral hierbij, nauwkeurig opmerken, dat "de bediening" die
Paulus had "ontvangen van de Here Jezus" de proclamatie was van "het
evangelie van Gods genade" (V.24). Het was door het prediken van
deze boodschap, dat hij hoopte zijn loop te volbrengen, die hij zo
lang geleden begonnen was.
WAT DE TOEKOMST VOOR HEM
NOG IN PETTO HAD
Er was voor de apostel geen terugkeer mogelijk. Hij moest doorgaan,
"gebonden in de geest" naar Jeruzalem, zelfs ondanks dat de Heilige Geest
langs de hele route betuigd had, dat "banden en verdrukkingen" hem daar
wachtten.
Ieder van ons die geroepen is op plaatsen van dienst voor de Here, zou
veel vaker moeten nadenken over de volgende tekst, waarin Paulus zijn
houding uitdrukt met betrekking tot zijn lijden, dat hem onherroepelijk
overkomen zou, als hij doorging op zijn reis naar die heksenketel van
haat, waar de Here was verworpen en gekruisigd.
Om dit te beschrijven gebruikt hij de bekendste van alle beeldspraken: de
wedloop. Hij kan zijn gedachten veroorloven om uitsluitend bezig te zijn
met de race en het einde van zijn loop. Geen enkele van de
alarmerende voorspellingen brengt hem van zijn doel af. Hij rekent zelfs
niet met zijn eigen leven, als hij zijn loop slechts met succes zal mogen
beëindigen.
De apostel schijnt ervan overtuigd te zijn, dat hij de Ephesische
ouderlingen nooit meer zal terugzien. Of zijn kennis wel of niet absoluut
was, vast staat, dat hij geen verdere bediening onder hen overwoog. Of hij
wel of niet Azië ten laatste heeft herbezocht onder de omstandigheden die
genoemd worden in 2Tim.1:15, en of het hem nog toegelaten geweest is om
zijn voornemen naar Spanje te reizen uit te voeren (Rom.15:24), zal worden
behandeld in een later hoofdstuk. Eén ding is duidelijk, dat hij niet
verwachtte dat zijn broeders in Ephese zijn aangezicht ooit weer zouden
zien.
Wat de toekomst tenlaatste voor de trouwe apostel nog verborg, was de
prijs waar hij op zinspeelt in V.24. Hij had inderdaad gelopen om te
"verkrijgen" (1Cor.9:24), en had niet "vergeefs" gelopen (Phil.2:16). Toen
hij jaren later zijn "loop" volbracht had, stond hij klaar om "een kroon"
te ontvangen (2Tim.4:7,8).
DE ROEPING TOT TROUW
Wij keren nu van wat de toekomst in petto had voor Paulus, naar wat de
toekomst bracht voor de gemeente te Ephese.
"Zware wolven" zouden van buiten binnen komen, "die de kudde niet sparen"
(V.29). En wat nog erger is, er zouden van binnenuit afvalligen
opstaan, die verkeerde dingen spreken, om de discipelen af te trekken
achter zich" (V.30). Hoe toch onstandvastige gelovigen klaar staan om
zulken te volgen, kunnen we zien uit dat wat plaats gevonden had in
Corinthe, waar zovelen trachtten Apollos te volgen - die zelf navolging
afwees! In het geval van de gemeente in Ephese, tot welks oudsten
Paulus zich nu richtte, wordt ons een zuiver voorbeeld gegeven van de
waarheid van zijn waarschuwing. Het was niet lang voordat Hymenaeus en
Alexander in het geloof "schip-breuk" geleden hadden en lasteraars
geworden waren (1Tim.1:19,20). En deze Hymenaeus, samen met zekere
Philetes, slaagden erin "het geloof van sommigen te verkeren"
(2Tim.17,18). Inderdaad moest de apostel in zijn brief aan Timotheus
schrijven: "Gij weet dit, dat allen die in Azië zijn, zich van mij
afgewend hebben (2Tim.1:15).
Paulus wist heel goed dat zulke dingen zouden plaats grijpen. Hij wist dat
de wereld, het vlees, en de duivel, zouden samenspannen om hetgeen hij zo
onvermoeibaar had opgebouwd, omver te werpen. Daarom is het, dat hij hen
vermaant:"Daarom waakt, en gedenkt, dat ik drie jaren lang nacht en dag
niet opgehouden heb een iegelijk met tranen te vermanen" (V.31).
Christenleiders doen er goed aan deze vermaningen ernstig ter harte te
nemen. Kerken, hoe trouw ook aan het Woord en aan Christus, blijven niet
vanzelf op deze weg; zij verlaten zomaar het geloof en de Auteur. Dit is
inderdaad waar voor ieder van ons persoonlijk. Niet één van ons wage het
om zichzelf te vertrouwen. Ieder dient voortdurend naar God op te zien om
genade tot trouwblijven, want de afbrekende invloeden, van binnen zowel
als van buiten, zijn sterk. Daarom is het, dat de apostel hier stelt dat
hij "niet opgehouden heeft iedereen te waarschuwen". En zo ook
vermaande hij de oudsten van de gemeente: "Daarom waakt" (V.31), en
"Zo hebt dan acht op uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de
Heilige Geest tot opzieners gesteld heeft" (V.28).
Met het oog op zijn vertrek, en met het zicht op de geestelijke gevaren
die dreigden, besluit nu de apostel zijn vermaning door hen Gode en Zijn
Woord te bevelen, maar meer in het bijzonder aan "het woord Zijner
genade, dat, zo zegt hij, "machtig is u op te bouwen en u een deel
te geven onder al de geheiligden" (V.32).
"Het woord van Zijn genade"
was natuurlijk de bijzondere boodschap die aan Paulus was opgedragen te
verkondigen. Het was de boodschap voor de bedeling die nu begon te
lichten, en het was deze boodschap die God wilde gebruiken om hen
in het geloof te bevestigen, speciaal toen de heerlijkheid daarvan verder
werd geopenbaard aan Paulus, en door hem in zijn brieven.
Hoe komt deze zegen overeen met die welke gevonden wordt in de brief die
de apostel kort tevoren geschreven had: "Hem nu, Die machtig is u te
bevestigen, naar mijn evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar
de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is
geweest" (Rom.16:25).
Het is doordat de Kerk gefaald heeft in de navolging van deze richtlijnen
voor haar eigen geestelijk welzijn en groei, dat zij vandaag zo slap en
ziek is. Moge God Zijn volk opwekken voor deze waarheden, en hen noodzaken
om in het geloof terug te keren tot die ene grote kernwaarheid die
hen kan bevestigen en geestelijk opbouwen: "het woord Zijner genade";
"de prediking van Jezus Christus naar de openbaring van het geheimenis".
HET AFSCHEID
Het afscheidstoneel is bijna te heilig om op in te gaan.
Nadat de apostel zijn toespraak had beëindigd, knielde hij neer op het
strand, samen met zijn geliefde medewerkers, voor een afscheidsgebed.
Lukas heeft voor ons van het gebed geen verslag gegeven. Dit zal wellicht
ook onmogelijk geweest zijn, want op dat moment was er een uitbarsting van
verdriet bij alle aanwezigen, "groot geween" en "vallen om de hals van
Paulus, en hem kussen, het allermeest bedroefd om de woorden die hij had
gesproken, dat zij zijn gelaat niet meer zouden zien" (V.36-38).
Eigenlijk hadden zij het allermeest bedroefd moeten zijn bij zijn
voorspelling, dat er afvalligen onder hen zouden opstaan, maar dit moet
voor hen onder deze omstandigheden moeilijk aan te nemen zijn geweest. Hun
liefde voor Paulus en hun verdriet bij de gedachte zijn gelaat nooit meer
te zullen zien, toonde aan hoeveel zijn bediening en boodschap voor hen
betekend had.
Het is treffend om de met droefheid geslagen groep te zien, als zij de
apostel naar het wachtende schip begeleidden; hun aan hem hangen, totdat
het nodig werd voor hem zich van hen los te maken.
PAULUS' TRANEN
Andere schrijvers, waaronder Dean Howson, hebben opgemerkt, dat de tranen
die Paulus gelaten heeft gedurende zijn bediening voor Christus, net als
die van Zijn Heiland, drie aspecten van zijn karakter laten zien, en dat
we deze alle drie in deze ene passage van Handelingen vinden. Onze Here
had, terwijl hij op aarde was, tranen gelaten van lijden en smart
aan het kruis (Hebr.5:7), tranen van herderlijke bezorgdheid, toen
hij weende over Jeruzalem (Luk.19:41), en tranen van natuurlijke
bewogenheid, toen hij weende met de bedroefden bij het graf van
Lazarus (Joh.11:35).
In respect hiermee, reflecteerde Paulus de aard van zijn Meester en Here,
zoals aangegeven in de passage die we hebben beschouwd.
In de eerste plaats spreekt zij over zijn "vele tranen",
veroorzaakt door "de lagen der Joden" (V.19). Dit waren tranen van
lijden en smart, uit zijn ogen gedrongen door de bittere,
voortdurende, niet loslatende weerstand van de Joden tegen zijn bediening.
Zijn leven was, zoals we hebben gezien, in voortdurend gevaar door hun
complotten tegen hem, hun opruien van de menigten tegen hem, of hun
trachten hem in een hinderlaag te lokken. Hij moest zijn plaats blijven
innemen, vluchten voor zijn leven, of zich verbergen voor zijn vervolgers,
als omstandigheden (en soms de Here) dit vereisten. Hij moest snelle
beslissingen nemen, zijn plannen wijzigen, jonge bekeerlingen en
toegewijde vrienden telkens weer verlaten, vanwege de woedende tegenstand
van zijn volksgenoten. Dit alles had invloed op zijn zenuwtoestand, zodat
hij dikwijls in tranen uitbarstte omdat de druk gewoonweg te groot werd.
Maar ook net als zijn Here, plengde hij tranen van herderlijke
bezorgdheid. "Ik hield niet op nacht en dag, met tranen, een
iegelijk te vermanen" (Hand.20:31). Geen wonder dat zijn bediening zo
effektief was! Het was zijn liefde voor hen die hun harten gewonnen
had. En nu weent hij tranen met hen uit natuurlijke menselijke
genegenheid.
Paulus' laatste reis naar Jeruzalem heeft zowel overeenkomsten als
tegenstellingen met de reis van onze Here om te lijden en te sterven.
Onze Here ging uiteindelijk naar Jeruzalem om te sterven voor de zonden
van anderen, terwijl Paulus ging omdat hij, die het volk geleid had in
hun opstand tegen Christus, zich nu verantwoordelijk voelde om tot hen van
Christus te getuigen. Ook Christus ging naar Jeruzalem in de directieve
wil van God, terwijl Paulus dit niet deed. Maar zijn lijden in Jeruzalem,
net als dat van Christus, was tevoren voorspeld. Ook was Paulus evenals
zijn Here, omringd door bedroefde vrienden op zijn weg naar Jeruzalem. Hij
was zelf, net zoals Christus, bewogen bij het vooruitzicht van zijn lijden
(Hand.21:13; Rom.15:30,31; Cf. Joh.12:27). Evenals onze Here bevond de
apostel zich het mikpunt van Joodse vijandschap en, evenals zijn Here,
hoorde hij hen uitroepen: "Weg van de aarde met zulk een, want het is
niet behoorlijk dat hij leeft" (Hand.22:22). |