H
O O F D S T U K XXXVI - H A
N D. 20:1-5
DE
TERUGKEER NAAR
MACEDONIE
EN GRIEKENLAND
DE
ACTIVITEITEN VAN PAULUS DAAR
"Nadat
nu het oproer gestild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet
hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.
"En
als hij die delen doorgereisd en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in
Griekenland.
"En
als hij aldaar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd
werden, als hij naar Syrië zou varen, zo werd hij van zin weder te keren door
Macedonië.
"En
hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea, en van de Thessalonicenzen
Aristarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timotheus, en van die van Azië
Tychikus en Trofimus.
"Dezen
voor henen gegaan zijnde, wachtten ons te Troas."
-
Hand.20:1-5
Ons
wordt hier maar weinig verteld van een bediening, die vele maanden moet hebben
geduurd. Paulus vertrokken naar Macedonië, trok door die streken, vermaande de
gelovigen "veel", en kwam toen in Griekenland, waar hij drie maanden
bleef; dat is alle informatie die we uit Lukas' verslag hebben.
Als
we er echter over nadenken wat ons hier wordt verteld, en dan Paulus'
eerste brieven onderzoeken wat betreft zijn activiteiten in die tijd, ontvouwt
zich een meer compleet beeld.
Of
het oproer in Ephese een afsnijden van zijn verblijf aldaar betekende, wordt ons
niet duidelijk verteld. In elk geval echter, zou het wijzer voor hem zijn nu te
vertrekken. Een geweldig werk was daar verricht, en omdat hij daar persoonlijk
het hoofddoel van de woede van de vijand geworden was, zou het beter voor het
werk zijn om het nu over te laten aan de zorg van hen, met wie hij gedurende
drie jaren had samengewerkt.
Zo
nam hij dus ontroerd afscheid van de discipelen, en vertrok naar Macedonië,
waarbij hij ongetwijfeld de gelovigen in Thessalonica, Berea, en natuurlijk
Philippi, opnieuw bezocht. Wat een gelukkige hereniging, na minstens zes jaren
afwezigheid, zal dat daar geweest zijn met oude vrienden en medewerkers, zoals
Lydia en haar huis, de stokbewaarder en de zijnen, Jason, en nog vele anderen!
De apostel zal veel vreugde ervaren hebben, veel begrip en ook enige droefheid,
bij het horen van hun geestelijke overwinningen en nederlagen, en hij gaf hen
"vele vermaningen" (V.2).
Op
weg naar Macedonië zou hij ongetwijfeld stoppen (misschien wel van schip
veranderen) in Troas, en het was kennelijk met het oog op dit gebeuren, dat hij
enige tijd later aan de Corinthiërs schreef: "Voorts als ik te Troas
kwam om het evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was
in de Here, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn
broeder, niet vond.
"Maar
afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië"
(2Cor.2:12,13).
De
apostel had, zoals we zullen zien, Titus naar Corinthië gezonden om daar enkele
van hun problemen aan te horen, en hem te berichten over het resultaat van zijn
kort tevoren aan hen geschreven brieven. Klaarblijkelijk had hij gehoopt Titus
in Troas te ontmoeten, maar was teleurgesteld, met als resultaat dat hij zo
bezorgd werd, dat hij naliet om de aangeboden open deur als mogelijkheid te
benutten, en inplaats daarvan naar Macedonië verder ging.
En
dit stadium van geestelijke depressie duurde zelfs voort, nadat hij Macedonië
bereikt had. We hebben de blijde herenigingen reeds genoemd, die daar plaats
gevonden zullen hebben, speciaal in Philippi, maar zelfs daar kon hij de
bezorgdheid die hij voelde met betrekking tot de gemeente in Corinthe, niet van
zich afschudden.
Het
was hier in Macedonië echter, dat Titus eidelijk de apostel bereikte met
berichten, die over het algemeen gunstig waren. Zo schreef hij dus:"Want
ook als wij in Macedonië gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad, maar
wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees.
"Doch
God, Die de nederigen vertroost, heeft ook ons vertroost door de komst van Titus"
(2Cor.7:5,6).
TITUS
Het
is merkwaardig dat Titus, die zo'n belangrijke plaats bekleedde in de bediening
van Paulus, in het boek Handelingen zelfs niet wordt genoemd. Omgekeerd is de
aandacht die aan hem wordt gegeven in slechts één van zijn brieven
(2Corinthiërs), uitgeproken uniek in Paulus' geschriften. In deze brief alleen
wordt hij al negen keren genoemd, en altijd met genegenheid en achting.
Ramsay
gelooft, dat als hij geen heiden geweest was, hij eerder erkend zou zijn
geworden, en leest in de twede Corinthebrief een mogelijke wens van de kant van
Paulus tot compensatie voor de onverschilligheid die hem vele jaren had doen
bezig zijn met de ondankbare politiek van verzoening der Joden (Zie St.Paul
the Traveller and Roman Citizen, Pp.285,286).
Titus
was blijkbaar door de bediening van Paulus bekeerd tot Christus, toen hij in
Syrisch Antiochië was. Van daar hadden Paulus en Barnabas hem meegenomen naar
Jeruzalem als toonbeeld in het verschilpunt over het vrij van de wet van Mozes
zijn voor de heidenen (Hand.15:2; Gal.2:3). Zoals we reeds aantoonden, zou
hij de (Titus) Justus hebben kunnen zijn van Hand.18:7 (Zie Vert. N.B.G.), wiens
huis was naast de synagoge in Corinthië. Indien dit zo is, zou zijn uitnodiging
aan de gelovigen om in zijn huis samen te komen, wel overeenkomen met zijn aard,
voor ons beschreven in de Schriften. Na vele moeilijke en waardevolle diensten
voor Paulus verricht te hebben, werd Titus achtergelaten met de zorg voor de
gemeenten op het eiland Creta (Tit.1:5), inderdaad een moeilijke opgave (Zie Tit.1:12,13).
Tenslotte vinden we hem in Dalmatië (2Tim.4:10) terug, weer onder een ruw soort
mensen.
Titus
en Timotheus waren blijkbaar inniger met Paulus dan andere van zijn medewerkers.
Hieruit leren we hoe wonderlijk God de apostel moreel en geestelijk
ondersteunde, hetgeen hij in zijn inspannende bediening zo nodig had. Want deze
twee jonge evangelisten verschilden onderling zeer, in aard en karakter, maar
waren beiden niettemin zo waardevol voor Paulus.
Zoals
we reeds aantoonden, is het duidelijk uit Paulus' brieven aan Timotheus, dat
deze een cultureel verfijnd mens was, een studerende van zijn jeugd af aan, zwak
van gezondheid met, vanuit zijn opvoeding, een bijna vrouwelijke tederheid. De
apostel schrijft naar hem over zijn jeugd, zijn moeder, zijn grootmoeder, en
zijn tranen; geeft hem voorschriften voor zijn "menigvuldige
zwakheden", en smeekt hem niet beschaamd te zijn, of week en bevreesd, maar
sterk als "een goed krijgsknecht van Jezus Christus". Deze
ernstige en verfijnde jongeman, een leraar van nature, bewees een grote hulp te
zijn voor Paulus en diende met hem als "een zoon met zijn vader"
(Phil.2:19,22).
Titus
had een geheel ander karakter. Dit wordt tamelijk helder uit Paulus' brief aan
hem, waarin hij zich tot hem richt als een generaal van het leger tot zijn
luitenant; hem aanwijzing gevend om dingen in orde te brengen die
noodzakelijk zijn, om de tegensprekers te vermanen en te weerleggen,
om de monden te stoppen van ongeregelden en ijdelheidsprekers, om scherp
te berispen diegenen die verleiders van zinnen zijn, zichzelf te
betonen in alles een voorbeeld van goede werken, en verkeerde leer te
verwerpen.
Een
interessante vergelijking tussen Timotheus en Titus wordt gevonden, in wat
Paulus te zeggen heeft met betrekking tot de bezoeken, die zij maakten aan
Corinthe.
Timotheus
stak uit boven de Corinthische gelovigen, moreel en geestelijk, niettemin moest
hij, toen Paulus hem daarheen zond, hen eerst een brief schrijven, waarin hij
hen vermaande: "Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vrees bij u
zij; want hij werkt het werk des Heren gelijk als ik. Dat hem dan niemand
verachte..." (1Cor.16:10,11). Maar later, toen Titus naar Corinthe
geweest was en teruggekomen was, schreef Paulus hem: "En zijn innerlijke
bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaamheid overdenkt,
hoe gij hem met vreze en beven hebt ontvangen"! (2Cor.12:18).
VERSLAG VANUIT CORINTHE
Paulus
had een vriend als Titus nodig. We hebben het gehad over de bezorgdheid en
mentale depressie van de apostel in Troas en in Macedonië. Deze gemoedstoestand
werd gedeeltelijk veroorzaakt door zijn vrees over de gemeente in Corinthe, maar
ook door zijn teleurstelling dat hij Titus niet kon vinden, wiens vurig geloof
hem zo dikwijls had bemoedigd en verkwikt.
Hij
verliet Troas, zo zegt hij, niet allereerst omdat hij niets over Corinthe
hoorde, maar "omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond" (2Cor.
2:12). En wat betreft zijn "moeitevolle" toestand in Macedonië, zegt
hij dat "God, die de nederigen (terneer geslagenen) vertroost", hem in
de eerste plaats vertroostte, "door de komst van Titus", en
daarna door het nieuws wat hij bracht uit Corinthe (Zie 2Cor.7:5-7).
Het
was voor Paulus een opluchting, toen hij van zijn vriend hoorde, dat de toestand
in Corinthe aanmerkelijk verbeterd was. Dat de meerderheid ernstig berouw had
over hun gedrag, had doen zien, dat zij een ernstig verlangen hadden om God te
behagen, en hem nog steeds toegedaan waren (2Cor.7:7). Ook dat zij nog steeds
blij waren om hun aandeel te geven in verband met de collecte die gedaan werd
voor de arme heiligen in Judea (2Cor.9:1,2).
Er
was echter een tegenwerkende minderheid, die door de brieven van Paulus, en
wellicht ook door de bezoeken van zijn medewerkers, verbitterend werden. Uit
Paulus' antwoord aan hen kunnen we proeven, dat zij zijn interesse in de
collecte voor de heiligen in Judea toeschreven aan persoonlijke geldelijke
motieven (2Cor.12:17,18), niettemin bewerende dat hij geen ware apostel kon
zijn, omdat hij geen geldelijke ondersteuning voor zichzelf aannam! (2Cor.11:7).
Verder ook, dat zij, om hem te vernederen, de aanbevelingsbrieven die Apollos
toonde, vergeleken met Paulus, die zulke niet had (2Cor.3:1,2); dat zij
schamperden over zijn lichamelijke zwakheden (2Cor.10:10), en hem beschuldigden
dat zijn aangekondigde voornemen om te komen en hen te bezoeken, alleen maar
bluf was; en ook dat hij werkelijk bevreesd zou zijn hen te ontmoeten
(2Cor.1:15-18; 13:1-3).
Zo
was het dus dat Paulus Titus terugzond naar Corinthe met nog een brief, die wij
nu kennen als zijn tweede brief aan de Corinthiërs. Deze brief had een
tweeledig karakter en bevatte uitdrukkingen van liefde en blijdschap aan de
gehoorzamen, en van berisping en waarschuwing aan de ongehoorzamen. Paulus zond
deze brief om de weg te banen voor zijn derde bezoek aan hen. om zich te
verdedigen tegen de beschuldigingen van zijn vijanden, en hen te waarschuwen,
dat hun vijandschap hem niet zou weerhouden om zijn apostolisch gezag
en kracht uit te oefenen, als zij volhardden in hun tegenstand (Zie
2Cor.10:2-6; 13:1-3). En daar was nog een andere reden:
DE INZAMELING VOOR DE
HEILIGEN IN JUDEA
Zoals
we reeds eerder zagen, was de apostel reeds enige tijd een offer aan het
inzamelen voor de behoeftige heiligen in Judea. Hij had verschillende redenen om
aan dit project deel te nemen. Ten eerste voelde hij het als de plicht van
de heidenen, die nu deelhebbers waren gemaakt aan Israels geestelijke goederen (Rom.15:25-27).
Ten tweede had hij beloofd de behoeftige heiligen in Israel te
ondersteunen (Gal.2:10). Ten derde hoopte hij, dat een edelmoedige gift van de
heidense gelovigen zou dienen tot verbetering van de relaties tussen de
gemeente in Jeruzalem en de heiden-gemeenten (Rom.15:31; 2Cor.9:12,13).
Klaarblijkelijk
hadden op zijn minst de gemeenten in vier provincies zich bij deze onderneming
gevoegd. In de brieven aan de Corinthiërs worden in dit verband drie provincies
genoemd: Galatië (1Cor.16:1), Macedonië (2Cor.8:1-4) en Achaje
(2Cor.9:2). In zoverre Hand.20:4 een opgave is van de delegaties met de opdracht
tot aflevering van de gift (altans zo schijnt het), dan moet ook nog Azië worden
inbegrepen.
Dit
was overigens niet de eerste keer, dat de gemeenten uit de heidenen de Judese
gemeenten financieel hadden geholpen. Aangaande het verzoek van de leiders te
Jeruzalem, dat de heidengemeenten hun armen moesten gedenken, had Paulus aan de
Galaten opgemerkt: "Hetwelk zelve ik ook benaarstigd heb te doen" (Gal.2:10).
En
inderdaad was de apostel jaren tevoren gebruikt om gave van de heidenen aan
Jeruzalem over te dragen, toen de gelovigen in Syrisch Antiochië besloten
"iets te zenden ten dienste der broederen die in Judea woonden"
(Hand.11:29,30).
Dit
alleen is reeds voldoende aanwijzing dat het Pinksterprogramma, met zijn
"alle dingen gemeenschappelijk" was ingestort. Toen verheugde
de Kerk te Jeruzalem zich in grote voorspoed, "en er was ook niemand
onder hen die gebrek had" (Hand.4:32-35). Maar sindsdien moest de
heidengemeente in Antiochië, en nu de gemeenten in de provincies Galatië, Azië,
Macedonië en Achaje, allen komen om "de behoeftige heiligen...in
Jeruzalem" te ondersteunen. Niet zoals profetisch voorspeld, is het
beeld nu dus van behoeftige Joden die "aalmoezen" ontvangen van de
heidenen (Hand.24:17).
PAULUS DE PROMOTOR
Blijkbaar
heeft de meerderheid van de gelovigen Paulus gezien als iemand die zich bijna
uitsluitend aan gebed wijdde, aan Bijbelstudie, en zo weinig mogelijk te doen
had met organisatie en financiën.
Wat
hebben zij het mis! Het is zelfs te betwijfelen of er ooit een groter promotor
geweest is dan Paulus. Waar hij ook ging organiseerde hij gemeenten
en grote evangelische ondernemingen, en gedurende de periode van Handelingen die
wij nu beschouwen, was hij actief betrokken in een georganiseerde campagne om
fondsen te verzamelen - grote fondsen - voor de behoeftige heiligen in Judea.
ZIJN INTEGRITEIT
Eén
reden waarom hij dit zo goed kon was omdat, anders dan sommige moderne
moneymakers in de Kerk, hij een fijn eergevoel had met betrekking tot
transacties met geld, en zijn houding in financiele zaken was zonder blaam.
Hij
kon oprecht tegen Felix zeggen:"En hierin oefen ik mijzelven, om altijd
een onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de mensen" (Hand.24:16).
Blijkbaar
beschouwde Felix dit eerst als een echte gemeenplaats, maar tenslotte begreep
hij, dat hij tevergeefs "gehoopt" had op steekpenningen van de apostel
(Hand.24:26).
Toen
Paulus Philemon vroeg om zijn weggelopen slaaf te vergeven en hem nu als
"een geliefde broeder" (Phile.15,16) te accepteren, was hij wel zo
nauwkeurig om aan te bieden persoonlijk enige geldschuld, die Onesimus nog zou
hebben te vereffenen, te betalen - en het was geen loze kreet, want hij
verklaarde: "Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal
het betalen" (V. 18,19).
Hij
kon degenen die hem goed kenden, uitdagen: "Wij hebben niemand
verongelijkt" (2Cor.7:2) "Heb ik van u mijn voordeel
gezocht?...heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in
dezelfde Geest gewandeld...in dezelfde voetstappen?" (2Cor.12:17,18). "Ik
heb niemands zilver of goud of kleding begeerd" (Hand.20:33) en, als
bewijs, kon hij toevoegen: "En gijzelven weet, dat deze handen tot mijn
nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben" (V.34).
En
zo organiseerde hij ook de kampanje tot verwerving van fondsen voor de heiligen
uit de besnijdenis in Judea.
De
mannen, opgesomd in Hand.20:4 waren ongetwijfeld vertrouwensmannen, gekozen door
de gemeenten zelf om hun gaven aan Jeruzalem te begeleiden. Aan de Corinthiërs
had hij nauwkeurig omschreven instructies gezonden, dat degenen die zij zouden
goed achten, door een schrijven zouden worden gedelegeerd om hun bijdragen
naar Jeruzalem te brengen, en dat, als het in orde bleek, hij het hoofd
zou zijn van de delegatie (1Cor.16:3,4). En dan introduceert hij nu aan hen "de
afgezanten van de gemeenten" van Macedonië (2Cor.8:23), twee mannen
van God, "verkoren van de gemeenten om met ons te reizen met deze
gave" (V.19).
Al
deze voorzorgsmaatregelen werden genomen, zoals hij uitlegt:
"...dat
ons niemand moge lasteren in deze overvloed, die van ons wordt bediend.
"Als
die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen vor de Here, maar ook voor de
mensen"
(2Cor.8:20,21).
Leiders
in Christelijk werk zouden er goed aan doen deze lessen van de grote apostel der
genade te leren, daar zij anders schande brengen op Christus en Zijn zaak, door
onzorgvuldig of ongeoorloofd handelen met fondsen die aan hen werden
toevertrouwd.
ZIJN METHODEN VAN
FONDSWERVING
Het
is een interessant feit, dat velen die de prediker zouden willen aanbevelen
wegens het vermanen van de gelovigen voor wat betreft hun getuigenis of gedrag,
hem spoedig zouden veroordelen als hij opwekt tot geven.
Sommige
Godsmannen hebben inderdaad werkelijk geroemd, dat zij niemand over de behoeften
van Zijn werk vertellen dan alleen de Here. Dit is een duidelijk uitgangspunt,
niet alleen vanuit de Schrift, maar vanuit de Paulinische Geschriften over dit
onderwerp, want geven is evenzeer deel van het Christenleven als
getuigenis en gedrag. De Godsman die nalaat zijn toehoorders op te wekken om te
geven, op grond dat "de Here alles daarvan weet", zou op dezelfde
basis ook kunnen nalaten om hen op te wekken wat betreft hun getuigenis en
wandel.
Het
is niet te ontkennen, zoals we gezegd hebben, dat soms fondswerving in de
gevestigde Kerk blijk geeft van een gebrek aan geloof, geestelijkheid en zelfs
eerlijkheid. Zij die voor God verantwoordelijk zijn voor de financiering van
Zijn werk, zouden hun geweten dienen te onderzoeken, en God vragen om de ernst,
integriteit en geestelijkheid van Paulus in deze zaak.
De
brief die Paulus in die tijd aan de Corinthiërs schreef, bevat meer onderricht
wat betreft schenken en fondsenwerving dan enig andere.
In
de werving van fondsen voor de arme heiligen in Jeruzalem, hield de apostel geen
dramatische, emotionele oproepen, of noemde termijnen waardoor de gevers meer
zouden geven dan zij werkelijk konden. Integendeel vertelt hij hen vrijmoedig de
behoeften, en herinnert hen aan hun privilege en verantwoordelijkheid in de
zaak. Noch is er enige aanwijzing van hysterie, dat zo dikwijls dringende
oproepen om geld om met het werk van de Here te kunnen doorgaan, karakteriseert.
Hij
vermeed inderdaad zorgvuldig het doen van
dramatische
en dringende oproepen, want hij had hen enige tijd tevoren geschreven, hen
dringende om systematisch te sparen voor deze bijdrage (1Cor.16:1,2). En
liever dan hoge-druk methodes te gebruiken, maakte hij hun heel duidelijk, dat
ieder zou geven slechts "gelijk hij in zijn hart voorneemt...niet uit
droefheid of uit nooddwang" (2Cor.9:7).
Hij
gaf blijk van een geest van zuiverheid, ook in zijn oproep om
ondersteuning. "Op elke eerste dag der week", had hij gezegd, "legge
een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, naar dat hij welvaren verkregen
heeft" (1Cor.16:2), en in de brief die voor ons ligt benadrukt hij dit:"Want
indien tevoren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam
naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.
"Want
dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij
verdrukking"
(2Cor.8:12,13).
Er
dient echter te worden herinnerd, dat de vleselijke Korinthiërs ver van
vrijgevig geweest waren in hun ondersteuning van het werk van de Here of van
Paulus, Zijn dienaar. Zonder twijfel hadden de grootste van de samenkomsten,
gemakkelijk in Paulus' magere behoeften hebben kunnen voorzien. Toch, ondanks
zijn zwoegen onder hen, had hij met zijn eigen handen in zijn eigen onderhoud
voorzien, en dat, terwijl andere gemeenten, speciaal die van Philippi, hem
hadden gezocht, en geprobeerd hem te helpen ( Phil.4:15,16 cf. 2Cor.11:7-9).
Wat
betreft de bijdragen voor de heiligen in Judea hadden de Corinthiërs hetzelfde
karakter. Zij hadden een jaar tevoren grote ijver getoond in de zaak, en waren
blijkbaar begonnen met de wekelijkse collecte, maar dit was nu verwaarloosd
(2Cor.8:10). En omdat het laatste bezoek van Titus alleen maar had geresulteerd
in nog meer beloften, zond de apostel hem terug met verdere instructies en
vermaningen daarover.
Met
tact van God ontvangen, vertelt hun de apostel, dat het in zekere zin
"overbodig" is hen over zijn bediening voor de heiligen te schrijven,
want hij kent het streven van hun gemoed, en heeft bij hen in Macedonië
geroemd, "dat Achaje een jaar geleden al bereid was" (2Cor.9:1,2). Hij
bericht hen ook, dat hun ijver (niet hun volbrengen), "er velen
heeft verwekt" (2Cor.9:2).
Maar
hun voornemens moeten zonder verder uitstel worden uitgevoerd. Dus stelt de
apostel hen in kennis van de grote bijdragen die reeds door de gemeenten van
Macedonië werden bijeengebracht. En dit niet uit een overvloed, maar vanuit hun
"diepe armoede" (8:1-3). Inderdaad vermeldde hij van de
Macedoniërs, dat zij hem ernstig hadden gedrongen een grotere bijdrage te
accepteren, dan zij in redelijkheid zich konden veroorloven (2Cor.8:3,4).
Aan
deze aansporing voegt de apostel nog meerdere toe. Zij zijn overvloedig in andere
gaven, waarom niet in deze? (2Cor.8:7); zouden zij de ernst
van hun beleden liefde voor Christus en Zijn volk niet bewijzen?
(2Cor.8:8); zij waren een jaar tevoren bereid en verlangend; nu moesten zij "het
doen voleindigen" (2Cor.8:11); zij hebben nu een
"overvloed" waarmee zij in de "behoeften" van anderen
voorzien; op een dag kunnen de rollen wel omgedraaid zijn, zodat zij hulp
nodig hebben (2Cor.8:14). En natuurlijk komt hij met wat altijd het meest sterke
argument van alle is:
"WANT
GIJ WEET DE GENADE VAN ONZE HERE JEZUS CHRISTUS, DAT HIJ OM UWENTWIL IS ARM
GEWORDEN, DAAR HIJ RIJK WAS, OPDAT GIJ DOOR ZIJN ARMOEDE ZOUDT RIJK WORDEN"
(2Cor.8:9).
Paulus
had bij anderen de Corinthiërs geroemd, maar nu vond hij het noodzakelijk
"de broeders" te zenden, opdat dit "roemen... niet tevergeefs zou
zijn", en opdat wanneer de delegatie uit Macedonië, die met hem mee kwam,
hen onvoorbereid zou vinden, hij zowel als zij, beschaamd zouden staan
(2Cor.9:3,4). De leider van deze "broederen" was natuurlijk Titus,
gezonden om "af te maken" wat hij een hele tijd geleden was
"begonnen" (2Cor.8:6). Samen zouden deze broeders "van tevoren de
bijdrage voorbereiden", waarvan de Corinthiërs nu uitvoerig
"bericht" gekregen hadden, opdat zij gereed zou zijn als een zegen,
blij geschonken, liever dan een onafgemaakt offer, dat wordt overgedragen uit
noodzaak, voordat het gereed was (2Cor.9:5). Daarom spoort de apostel hen aan:"Bewijst
dan aan hen de bewijzing van uw liefde en van onze roem van u, ook voor het
aangezicht der gemeenten" (2Cor.8:24).
"DIE
SPAARZAMELIJK ZAAIT, ZAL OOK SPAARZAMELIJK MAAIEN; EN DIE IN ZEGENINGEN ZAAIT,
ZAL OOK IN ZEGENINGEN MAAIEN.
"EEN
IEGELIJK DOE GELIJK HIJ IN ZIJN HART VOORNEEMT; NIET UIT DROEFHEID OF UIT
NOODDWANG; WANT GOD HEEFT EEN BLIJMOEDIGE GEVER LIEF.
"EN
GOD IS MACHTIG ALLE GENADE TE DOEN OVERVLOEDIG ZIJN IN U, OPDAT GIJ IN ALLES
ALLEN TIJD ALLE GENOEGZAAMHEID HEBBENDE, TOT ALLE GOED WERK OVERVLOEDIG MOOGT
ZIJN"
(2Cor.9:6-8).
Hoeveel
kinderen Gods hebben deze bemoedigingen vandaag nodig! Zelfs degenen in gewone
omstandigheden hier (in Amerika, maar ook in Europa, Vert.) hebben veel van deze
aardse goederen - dikwijls zo veel dat zij al te dikwijls alleen maar meer
wensen voor zichzelf, en hun verantwoordelijkheid tegenover God en anderen
vergeten. De rijken beginnen over het algemeen met "zekerheid" nodig
te hebben. Als zij dat hebben, maken zij zichzelf wijs, dat zij dan hun
deel aan het werk van de Here zullen geven. Alsof er een plaats zou kunnen zijn
van meer zekerheid, dan in de wil des Heren te zijn! Het resultaat is bijna
altijd eender. Zij zijn nimmer zeker dat zij voldoende zekerheid hebben,
en hun fondsen worden altijd "belegd" in zaken, zodat hun de prikkel
en de blijdschap ontbreekt van het voorrecht om een wezenlijk aandeel in het
werk van de Here te hebben. Dank God voor de uitzonderingen, want zij zijn er
maar weinigen. Elke leider in de zaak van Christus is telkens weer getuige van
het contrast tussen de Macedoniërs en de Corinthiërs, als sommigen die zo
weinig bezitten zo'n groot deel dragen van de financiele last, terwijl anderen,
die zo veel bezitten, zo weinig delen.
Voordat
we het onderwerp van deze brief aan de Corinthiërs afsluiten, dient te worden
opgemerkt, dat deze veel aanvullende informatie bevat omtrent het lijden van
Paulus dat niet wordt gevonden in het boek Handelingen.
Hier
spreekt hij over de "moeite" die hem overkwam in Azië, hoe hij
"uitnemend zeer bezwaard is geweest, bovenmachtig, alzo dat wij zeer in
twijfel waren ook van het leven" (1:8). Hier vertelt hij van zijn physieke
zwakheid en de pijn die hij verduurde, overal waar hij ging (2Cor.4:7-5:10;
12:7-9). Hier vertelt hij van zijn hartevrees in Troas (2:12,13), zijn
worstelingen, angsten en ontmoediging in Macedonië (7:5) en geeft een lange
lijst van vervolgingen en lijden tot zover te verduren gehad, waaronder
striemen, gevangenis, slaag, schipbreuken, een nacht en een dag in de diepte
(vermoedelijk een put), vermoeiende reizen, alle soorten gevaren, honger, dorst,
koude, naaktheid en - die last waar hij nimmer van werd bevrijd: "de
zorg van al de gemeenten" (2Cor.11:23-28).
Zeker
moet de bede van iemand, zo door en door toegewijd aan de zaak van Christus,
effect gehad hebben op de Corinthische gelovigen - en op ons. Terwijl
"de broeders" naar Corinthe gingen met deze nieuwe brief, bleef Paulus
achter in Macedonië om hun dienst en zijn brief uit te laten werken.
"Die
gedeelten" welke de apostel deze keer "doorreisde" moeten een
groter gebied van Macedonië hebben beslagen, dan die hij eerst had bezocht,
want het is blijkbaar op deze reis dat hij schreef, dat hij had "gepredikt
het evangelie van Christus" "en rondom tot Illyrikum toe" en
"nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten" (Rom.15:19,23).
De
apostel was zijn gelofte nagekomen om, door de wil van God, Corinthe te
bezoeken, en we twijfelen niet dat de "drie maanden" in Griekenland
voornamelijk werden besteed in Corinthe, in het huis van één van de eerste
bekeerlingen daar - Gajus (Zie 1Cor.1:14 cf. Rom.16:23).
BRIEVEN
NAAR GALATIE EN ROME
Omdat
we blijkbaar niet geheel zeker kunnen zijn van de datum van de brief aan de
Galaten, of de plaats waar vandaan zij werd geschreven, schijnen er enkele
aanwijzingen te zijn, dat het omstreeks deze tijd moet zijn geweest, dat Paulus
bericht kreeg van de gemeenten van Galatië, die hem met verbazing en
verontwaardiging vervulden. De Judaïsten waren weer bezig geweest, en waren er
grotelijks in geslaagd, niet alleen de heidengelovigen daar onder de ban der wet
te brengen, maar net als het geval was met de Corinthiërs, Paulus' apostelschap
en zijn boodschap te kleineren. Als resultaat van deze "ongehoorzaamheid
aan de waarheid" (Gal.3:1; 5:7) hadden zij "de gelukachting", die
zij eenmaal hadden gekend (4:15) verloren, zodat zij elkander "beten en
verslonden" (5:15).
De
situatie in Galatië had zich zo snel verslechterd, dat Paulus onmiddellijk hun
eigenhandig een brief schreef, waarin hij zijn door God gegeven apostelschap
verdedigt, en opnieuw de belangrijkheid van de speciale boodschap der genade,
die de verheerlijkte Here hem had toevertrouwd, benadrukt. Er is meer een toon
van dringende noodzaak in deze brief, dan in één van zijn andere brieven.
Eén
van de aanwijzingen dat de Brief aan de Galaten in deze tijd geschreven werd, is
haar inwendige overeenkomst met de Romeinenbrief, zowel in doctrine als in
nadrukkelijkheid.
Dat
de brief aan de Romeinen in deze tijd geschreven werd is welhaast zeker.
Zij werd blijkbaar gezonden vanuit Corinthe, waar Erastus de stadsrentmeester
was (Rom.16:23 cf. 2Tim.4:20), en Gajus Paulus' gastheer (Rom.16:23 cf.
1Cor.1:14). Zij werd geschreven nadat Aquila en Priscilla naar Rome teruggekeerd
waren (Rom.16:3), en nadat Paulus had "voorgenomen in de geest"
werkelijk naar Jeruzalem en Rome te gaan (Hand.19:21), en hij op het punt stond
naar Jeruzalem te reizen met de "bijdrage voor de arme heiligen" daar
(Rom.15:25,26).
Schrijfgereedschap
zou in het huis van Gajus beschikbaar zijn, en Tertius, een amanuensis, stond
klaar om zijn gedicteerde brief op te schrijven (Rom.16:22,23). Het gebeurde dat
ook Phebe, een bekende diakones, of helpster, van de gemeente in Kenchreeën (de
oostelijke zeehaven van Corinthe) in die tijd op het punt stond, voor zaken naar
Rome te reizen. Zij was het waarschijnlijk die de brief meenam, of minstens hen
die dit deden, begeleidde. Blijkbaar was Phebe een vrouw van rang, en getrouw
als Christin, want de apostel beveelt haar aan als te zijn geweest "een
voorstandster (Lett. iemand die voor iemand staat, een beschermer) van
velen", ook van hem zelf, en verzoekt de gelovigen te Rome om haar te
ontvangen en bij te staan in haar zaken, waar het maar kan (Rom.16:1,2).
Godvruchtige
vrouwen hadden een groot, zij het ondergeschikt deel aan Paulus' bediening,
haast overal waar hij ging. De eerste bekeerling in Europa, in Philippi, was een
vrouw (Hand.16:14), en de vrouwen van de gemeente in Philippi hadden meegewerkt
met Paulus in het evangelie (Phil.4:3), en blijkbaar deden zij dat nog steeds
ten tijde dat hij aan de Philippenzen schreef vanuit de gevangenis in Rome (Phil.1:3-5).
In Thessalonica waren onder de gelovigen "van de voornaamste vrouwen niet
weinigen" (Hand.17:4). In Berea waren er ook onder de gelovigen "van
de Griekse eerlijke vrouwen...niet weinige" (Hand.17:12). In Athene was
één van de slechts twee genoemde bekeerlingen een vrouw (Hand.17:34). In
Corinthe en Kenchreeën waren daar Priscilla (Hand.18:2,26) en Phebe (Rom.16:1)
en in zijn brief aan de Romeinen noemt Paulus verschillende andere (Rom.16).
Het
is een opmerkelijk feit, dat lang voordat Paulus Rome bereikte, daar reeds een
gemeente was gevestigd over welks geloof "over de hele wereld werd
gesproken" (Rom.1:8). Zij die veronderstellen, dat deze gelovigen
discipelen uit de besnijdenis waren, die daarheen gereisd waren vanuit Judea,
dienen op te merken dat het het evangelie van Paulus, en niet "het
evangelie van het koninkrijk" of "het evangelie van de onbesnedenen"
was dat reeds in verre landen begon door te dringen, en dat spoedig over de hele
wereld bekend zou worden (Zie Rom.16:25,26; Col.1:6,23: 2Tim.4:16,17; Tit.2:11).
Ongetwijfeld
verkreeg de apostel op zijn uitgebreide reizen vele helpers die, voor zakelijke
of andere redenen naar de wereldstad reisden, en gebruikt werden om het
evangelie van Gods genade daar te planten. Inderdaad wijzen de slotteksten van
de Brief aan de Romeinen erop, dat hij daar reeds een flink aantal gelovigen
kende.
TERUG
DOOR MACEDONIE NAAR TROAS
Na
een verblijf van drie maanden in Achaje, of Griekenland, vertrok de apostel,
blijkbaar naar Kenchreeën, om over de Middellandse Zee naar Syrië te varen.
Maar juist toen hij de scheepsreis voorbereidde, hoorde hij van een complot van
Joden om hem te grijpen of hem te vermoorden, waarop hij zijn plannen
veranderde en in plaats daarvan door Macedonië terugkeerde (V.3). Of deze tocht
hem over land of per ander schip leidde, weten we niet, hoewel het laatste het
meest waarschijnlijk lijkt.
Azië",
zoals afgesproken, aan boord kwamen van het schip naar Troas, alsof er geen
verandering in de plannen geweest was, terwijl Paulus en zijn "geliefde
geneesheer" noordelijk naar Macedonië gingen, en vanuit Philippi (of
Neapolis, de naaste haven) voeren, om de anderen in Troas te ontmoeten.
En
hier treffen we nog een van die symbolische verhalen aan, die ons bekend zijn
geworden in het Boek der Handelingen.
|