De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XXXVI - H A N D. 20:1-5

DE TERUGKEER NAAR

MACEDONIE EN GRIEKENLAND

DE ACTIVITEITEN VAN PAULUS DAAR

 

"Nadat nu het oproer gestild was, Paulus de discipelen tot zich geroepen en gegroet hebbende, ging uit om naar Macedonië te reizen.

"En als hij die delen doorgereisd en hen met vele redenen vermaand had, kwam hij in Griekenland.

"En als hij aldaar drie maanden overgebracht had, en hem van de Joden lagen gelegd werden, als hij naar Syrië zou varen, zo werd hij van zin weder te keren door Macedonië.

"En hem vergezelschapte tot in Azië Sopater van Berea, en van de Thessalonicenzen Aristarchus en Secundus, en Gajus van Derbe, en Timotheus, en van die van Azië Tychikus en Trofimus.

"Dezen voor henen gegaan zijnde, wachtten ons te Troas."  - Hand.20:1-5

Ons wordt hier maar weinig verteld van een bediening, die vele maanden moet hebben geduurd. Paulus vertrokken naar Macedonië, trok door die streken, vermaande de gelovigen "veel", en kwam toen in Griekenland, waar hij drie maanden bleef; dat is alle informatie die we uit Lukas' verslag hebben.

Als we er echter over nadenken wat ons hier wordt verteld, en dan Paulus' eerste brieven onderzoeken wat betreft zijn activiteiten in die tijd, ontvouwt zich een meer compleet beeld.

Of het oproer in Ephese een afsnijden van zijn verblijf aldaar betekende, wordt ons niet duidelijk verteld. In elk geval echter, zou het wijzer voor hem zijn nu te vertrekken. Een geweldig werk was daar verricht, en omdat hij daar persoonlijk het hoofddoel van de woede van de vijand geworden was, zou het beter voor het werk zijn om het nu over te laten aan de zorg van hen, met wie hij gedurende drie jaren had samengewerkt.

Zo nam hij dus ontroerd afscheid van de discipelen, en vertrok naar Macedonië, waarbij hij ongetwijfeld de gelovigen in Thessalonica, Berea, en natuurlijk Philippi, opnieuw bezocht. Wat een gelukkige hereniging, na minstens zes jaren afwezigheid, zal dat daar geweest zijn met oude vrienden en medewerkers, zoals Lydia en haar huis, de stokbewaarder en de zijnen, Jason, en nog vele anderen! De apostel zal veel vreugde ervaren hebben, veel begrip en ook enige droefheid, bij het horen van hun geestelijke overwinningen en nederlagen, en hij gaf hen "vele vermaningen" (V.2).

Op weg naar Macedonië zou hij ongetwijfeld stoppen (misschien wel van schip veranderen) in Troas, en het was kennelijk met het oog op dit gebeuren, dat hij enige tijd later aan de Corinthiërs schreef: "Voorts als ik te Troas kwam om het evangelie van Christus te prediken, en als mij een deur geopend was in de Here, zo heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond.

"Maar afscheid van hen genomen hebbende, vertrok ik naar Macedonië" (2Cor.2:12,13).

De apostel had, zoals we zullen zien, Titus naar Corinthië gezonden om daar enkele van hun problemen aan te horen, en hem te berichten over het resultaat van zijn kort tevoren aan hen geschreven brieven. Klaarblijkelijk had hij gehoopt Titus in Troas te ontmoeten, maar was teleurgesteld, met als resultaat dat hij zo bezorgd werd, dat hij naliet om de aangeboden open deur als mogelijkheid te benutten, en inplaats daarvan naar Macedonië verder ging.

En dit stadium van geestelijke depressie duurde zelfs voort, nadat hij Macedonië bereikt had. We hebben de blijde herenigingen reeds genoemd, die daar plaats gevonden zullen hebben, speciaal in Philippi, maar zelfs daar kon hij de bezorgdheid die hij voelde met betrekking tot de gemeente in Corinthe, niet van zich afschudden.

Het was hier in Macedonië echter, dat Titus eidelijk de apostel bereikte met berichten, die over het algemeen gunstig waren. Zo schreef hij dus:"Want ook als wij in Macedonië gekomen zijn, zo heeft ons vlees geen rust gehad, maar wij waren in alles verdrukt; van buiten was strijd, van binnen vrees.

"Doch God, Die de nederigen vertroost, heeft ook ons vertroost door de komst van Titus" (2Cor.7:5,6).

                               TITUS

Het is merkwaardig dat Titus, die zo'n belangrijke plaats bekleedde in de bediening van Paulus, in het boek Handelingen zelfs niet wordt genoemd. Omgekeerd is de aandacht die aan hem wordt gegeven in slechts één van zijn brieven (2Corinthiërs), uitgeproken uniek in Paulus' geschriften. In deze brief alleen wordt hij al negen keren genoemd, en altijd met genegenheid en achting.

Ramsay gelooft, dat als hij geen heiden geweest was, hij eerder erkend zou zijn geworden, en leest in de twede Corinthebrief een mogelijke wens van de kant van Paulus tot compensatie voor de onverschilligheid die hem vele jaren had doen bezig zijn met de ondankbare politiek van verzoening der Joden (Zie St.Paul the Traveller and Roman Citizen, Pp.285,286).

Titus was blijkbaar door de bediening van Paulus bekeerd tot Christus, toen hij in Syrisch Antiochië was. Van daar hadden Paulus en Barnabas hem meegenomen naar Jeruzalem als toonbeeld in het verschilpunt over het vrij van de wet van Mozes zijn voor de heidenen (Hand.15:2; Gal.2:3). Zoals we reeds aantoonden, zou hij de (Titus) Justus hebben kunnen zijn van Hand.18:7 (Zie Vert. N.B.G.), wiens huis was naast de synagoge in Corinthië. Indien dit zo is, zou zijn uitnodiging aan de gelovigen om in zijn huis samen te komen, wel overeenkomen met zijn aard, voor ons beschreven in de Schriften. Na vele moeilijke en waardevolle diensten voor Paulus verricht te hebben, werd Titus achtergelaten met de zorg voor de gemeenten op het eiland Creta (Tit.1:5), inderdaad een moeilijke opgave (Zie Tit.1:12,13). Tenslotte vinden we hem in Dalmatië (2Tim.4:10) terug, weer onder een ruw soort mensen.

Titus en Timotheus waren blijkbaar inniger met Paulus dan andere van zijn medewerkers. Hieruit leren we hoe wonderlijk God de apostel moreel en geestelijk ondersteunde, hetgeen hij in zijn inspannende bediening zo nodig had. Want deze twee jonge evangelisten verschilden onderling zeer, in aard en karakter, maar waren beiden niettemin zo waardevol voor Paulus.

Zoals we reeds aantoonden, is het duidelijk uit Paulus' brieven aan Timotheus, dat deze een cultureel verfijnd mens was, een studerende van zijn jeugd af aan, zwak van gezondheid met, vanuit zijn opvoeding, een bijna vrouwelijke tederheid. De apostel schrijft naar hem over zijn jeugd, zijn moeder, zijn grootmoeder, en zijn tranen; geeft hem voorschriften voor zijn "menigvuldige zwakheden", en smeekt hem niet beschaamd te zijn, of week en bevreesd, maar sterk als "een goed krijgsknecht van Jezus Christus". Deze ernstige en verfijnde jongeman, een leraar van nature, bewees een grote hulp te zijn voor Paulus en diende met hem als "een zoon met zijn vader" (Phil.2:19,22).

Titus had een geheel ander karakter. Dit wordt tamelijk helder uit Paulus' brief aan hem, waarin hij zich tot hem richt als een generaal van het leger tot zijn luitenant; hem aanwijzing gevend om dingen in orde te brengen die noodzakelijk zijn, om de tegensprekers te vermanen en te weerleggen, om de monden te stoppen van ongeregelden en ijdelheidsprekers, om scherp te berispen diegenen die verleiders van zinnen zijn, zichzelf te betonen in alles een voorbeeld van goede werken, en verkeerde leer te verwerpen.

Een interessante vergelijking tussen Timotheus en Titus wordt gevonden, in wat Paulus te zeggen heeft met betrekking tot de bezoeken, die zij maakten aan Corinthe.

Timotheus stak uit boven de Corinthische gelovigen, moreel en geestelijk, niettemin moest hij, toen Paulus hem daarheen zond, hen eerst een brief schrijven, waarin hij hen vermaande: "Zo nu Timotheus komt, ziet, dat hij buiten vrees bij u zij; want hij werkt het werk des Heren gelijk als ik. Dat hem dan niemand verachte..." (1Cor.16:10,11). Maar later, toen Titus naar Corinthe geweest was en teruggekomen was, schreef Paulus hem: "En zijn innerlijke bewegingen zijn te overvloediger jegens u, als hij uw aller gehoorzaamheid overdenkt, hoe gij hem met vreze en beven hebt ontvangen"! (2Cor.12:18).

      VERSLAG VANUIT CORINTHE

Paulus had een vriend als Titus nodig. We hebben het gehad over de bezorgdheid en mentale depressie van de apostel in Troas en in Macedonië. Deze gemoedstoestand werd gedeeltelijk veroorzaakt door zijn vrees over de gemeente in Corinthe, maar ook door zijn teleurstelling dat hij Titus niet kon vinden, wiens vurig geloof hem zo dikwijls had bemoedigd en verkwikt.

Hij verliet Troas, zo zegt hij, niet allereerst omdat hij niets over Corinthe hoorde, maar "omdat ik Titus, mijn broeder, niet vond" (2Cor. 2:12). En wat betreft zijn "moeitevolle" toestand in Macedonië, zegt hij dat "God, die de nederigen (terneer geslagenen) vertroost", hem in de eerste plaats vertroostte, "door de komst van Titus", en daarna door het nieuws wat hij bracht uit Corinthe (Zie 2Cor.7:5-7).

Het was voor Paulus een opluchting, toen hij van zijn vriend hoorde, dat de toestand in Corinthe aanmerkelijk verbeterd was. Dat de meerderheid ernstig berouw had over hun gedrag, had doen zien, dat zij een ernstig verlangen hadden om God te behagen, en hem nog steeds toegedaan waren (2Cor.7:7). Ook dat zij nog steeds blij waren om hun aandeel te geven in verband met de collecte die gedaan werd voor de arme heiligen in Judea (2Cor.9:1,2).

Er was echter een tegenwerkende minderheid, die door de brieven van Paulus, en wellicht ook door de bezoeken van zijn medewerkers, verbitterend werden. Uit Paulus' antwoord aan hen kunnen we proeven, dat zij zijn interesse in de collecte voor de heiligen in Judea toeschreven aan persoonlijke geldelijke motieven (2Cor.12:17,18), niettemin bewerende dat hij geen ware apostel kon zijn, omdat hij geen geldelijke ondersteuning voor zichzelf aannam! (2Cor.11:7). Verder ook, dat zij, om hem te vernederen, de aanbevelingsbrieven die Apollos toonde, vergeleken met Paulus, die zulke niet had (2Cor.3:1,2); dat zij schamperden over zijn lichamelijke zwakheden (2Cor.10:10), en hem beschuldigden dat zijn aangekondigde voornemen om te komen en hen te bezoeken, alleen maar bluf was; en ook dat hij werkelijk bevreesd zou zijn hen te ontmoeten (2Cor.1:15-18; 13:1-3).

Zo was het dus dat Paulus Titus terugzond naar Corinthe met nog een brief, die wij nu kennen als zijn tweede brief aan de Corinthiërs. Deze brief had een tweeledig karakter en bevatte uitdrukkingen van liefde en blijdschap aan de gehoorzamen, en van berisping en waarschuwing aan de ongehoorzamen. Paulus zond deze brief om de weg te banen voor zijn derde bezoek aan hen. om zich te verdedigen tegen de beschuldigingen van zijn vijanden, en hen te waarschuwen, dat hun vijandschap hem niet zou weerhouden om zijn apostolisch gezag  en kracht uit te oefenen, als zij volhardden in hun tegenstand (Zie 2Cor.10:2-6; 13:1-3). En daar was nog een andere reden:

             DE INZAMELING VOOR   DE HEILIGEN IN JUDEA

Zoals we reeds eerder zagen, was de apostel reeds enige tijd een offer aan het inzamelen voor de behoeftige heiligen in Judea. Hij had verschillende redenen om aan dit project deel te nemen. Ten eerste voelde hij het als de plicht van de heidenen, die nu deelhebbers waren gemaakt aan Israels geestelijke goederen (Rom.15:25-27). Ten tweede had hij beloofd de behoeftige heiligen in Israel te ondersteunen (Gal.2:10). Ten derde hoopte hij, dat een edelmoedige gift van de heidense gelovigen zou dienen tot verbetering van de relaties tussen de gemeente in Jeruzalem en de heiden-gemeenten (Rom.15:31; 2Cor.9:12,13).

Klaarblijkelijk hadden op zijn minst de gemeenten in vier provincies zich bij deze onderneming gevoegd. In de brieven aan de Corinthiërs worden in dit verband drie provincies genoemd: Galatië (1Cor.16:1), Macedonië (2Cor.8:1-4) en Achaje (2Cor.9:2). In zoverre Hand.20:4 een opgave is van de delegaties met de opdracht tot aflevering van de gift (altans zo schijnt het), dan moet ook nog Azië worden inbegrepen.

Dit was overigens niet de eerste keer, dat de gemeenten uit de heidenen de Judese gemeenten financieel hadden geholpen. Aangaande het verzoek van de leiders te Jeruzalem, dat de heidengemeenten hun armen moesten gedenken, had Paulus aan de Galaten opgemerkt: "Hetwelk zelve ik ook benaarstigd heb te doen" (Gal.2:10).

En inderdaad was de apostel jaren tevoren gebruikt om gave van de heidenen aan Jeruzalem over te dragen, toen de gelovigen in Syrisch Antiochië besloten "iets te zenden ten dienste der broederen die in Judea woonden" (Hand.11:29,30).

Dit alleen is reeds voldoende aanwijzing dat het Pinksterprogramma, met zijn "alle dingen gemeenschappelijk" was ingestort. Toen verheugde de Kerk te Jeruzalem zich in grote voorspoed, "en er was ook niemand onder hen die gebrek had" (Hand.4:32-35). Maar sindsdien moest de heidengemeente in Antiochië, en nu de gemeenten in de provincies Galatië, Azië, Macedonië en Achaje, allen komen om "de behoeftige heiligen...in Jeruzalem" te ondersteunen. Niet zoals profetisch voorspeld, is het beeld nu dus van behoeftige Joden die "aalmoezen" ontvangen van de heidenen (Hand.24:17).

            PAULUS DE PROMOTOR

Blijkbaar heeft de meerderheid van de gelovigen Paulus gezien als iemand die zich bijna uitsluitend aan gebed wijdde, aan Bijbelstudie, en zo weinig mogelijk te doen had met organisatie en financiën.

Wat hebben zij het mis! Het is zelfs te betwijfelen of er ooit een groter promotor geweest is dan Paulus. Waar hij ook ging organiseerde hij gemeenten en grote evangelische ondernemingen, en gedurende de periode van Handelingen die wij nu beschouwen, was hij actief betrokken in een georganiseerde campagne om fondsen te verzamelen - grote fondsen - voor de behoeftige heiligen in Judea.

                  ZIJN INTEGRITEIT

Eén reden waarom hij dit zo goed kon was omdat, anders dan sommige moderne moneymakers in de Kerk, hij een fijn eergevoel had met betrekking tot transacties met geld, en zijn houding in financiele zaken was zonder blaam.

Hij kon oprecht tegen Felix zeggen:"En hierin oefen ik mijzelven, om altijd een onergerlijke consciëntie te hebben bij God en de mensen" (Hand.24:16).

Blijkbaar beschouwde Felix dit eerst als een echte gemeenplaats, maar tenslotte begreep hij, dat hij tevergeefs "gehoopt" had op steekpenningen van de apostel (Hand.24:26).

Toen Paulus Philemon vroeg om zijn weggelopen slaaf te vergeven en hem nu als "een geliefde broeder" (Phile.15,16) te accepteren, was hij wel zo nauwkeurig om aan te bieden persoonlijk enige geldschuld, die Onesimus nog zou hebben te vereffenen, te betalen - en het was geen loze kreet, want hij verklaarde: "Ik, Paulus, heb het geschreven met deze mijn hand, ik zal het betalen" (V. 18,19).

Hij kon degenen die hem goed kenden, uitdagen: "Wij hebben niemand verongelijkt" (2Cor.7:2) "Heb ik van u mijn voordeel gezocht?...heeft ook Titus van u zijn voordeel gezocht? Hebben wij niet in dezelfde Geest gewandeld...in dezelfde voetstappen?" (2Cor.12:17,18). "Ik heb niemands zilver of goud of kleding begeerd" (Hand.20:33) en, als bewijs, kon hij toevoegen: "En gijzelven weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben" (V.34).

En zo organiseerde hij ook de kampanje tot verwerving van fondsen voor de heiligen uit de besnijdenis in Judea.

      

De mannen, opgesomd in Hand.20:4 waren ongetwijfeld vertrouwensmannen, gekozen door de gemeenten zelf om hun gaven aan Jeruzalem te begeleiden. Aan de Corinthiërs had hij nauwkeurig omschreven instructies gezonden, dat degenen die zij zouden goed achten, door een schrijven zouden worden gedelegeerd om hun bijdragen naar Jeruzalem te brengen, en dat, als het in orde bleek, hij het hoofd zou zijn van de delegatie (1Cor.16:3,4). En dan introduceert hij nu aan hen "de afgezanten van de gemeenten" van Macedonië (2Cor.8:23), twee mannen van God, "verkoren van de gemeenten om met ons te reizen met deze gave" (V.19).

Al deze voorzorgsmaatregelen werden genomen, zoals hij uitlegt:

"...dat ons niemand moge lasteren in deze overvloed, die van ons wordt bediend.

"Als die bezorgen hetgeen eerlijk is, niet alleen vor de Here, maar ook voor de mensen" (2Cor.8:20,21).

Leiders in Christelijk werk zouden er goed aan doen deze lessen van de grote apostel der genade te leren, daar zij anders schande brengen op Christus en Zijn zaak, door onzorgvuldig of ongeoorloofd handelen met fondsen die aan hen werden toevertrouwd.

              ZIJN METHODEN VAN         FONDSWERVING

Het is een interessant feit, dat velen die de prediker zouden willen aanbevelen wegens het vermanen van de gelovigen voor wat betreft hun getuigenis of gedrag, hem spoedig zouden veroordelen als hij opwekt tot geven.

Sommige Godsmannen hebben inderdaad werkelijk geroemd, dat zij niemand over de behoeften van Zijn werk vertellen dan alleen de Here. Dit is een duidelijk uitgangspunt, niet alleen vanuit de Schrift, maar vanuit de Paulinische Geschriften over dit onderwerp, want geven is evenzeer deel van het Christenleven als getuigenis en gedrag. De Godsman die nalaat zijn toehoorders op te wekken om te geven, op grond dat "de Here alles daarvan weet", zou op dezelfde basis ook kunnen nalaten om hen op te wekken wat betreft hun getuigenis en wandel.

Het is niet te ontkennen, zoals we gezegd hebben, dat soms fondswerving in de gevestigde Kerk blijk geeft van een gebrek aan geloof, geestelijkheid en zelfs eerlijkheid. Zij die voor God verantwoordelijk zijn voor de financiering van Zijn werk, zouden hun geweten dienen te onderzoeken, en God vragen om de ernst, integriteit en geestelijkheid van Paulus in deze zaak.

De brief die Paulus in die tijd aan de Corinthiërs schreef, bevat meer onderricht wat betreft schenken en fondsenwerving dan enig andere.

In de werving van fondsen voor de arme heiligen in Jeruzalem, hield de apostel geen dramatische, emotionele oproepen, of noemde termijnen waardoor de gevers meer zouden geven dan zij werkelijk konden. Integendeel vertelt hij hen vrijmoedig de behoeften, en herinnert hen aan hun privilege en verantwoordelijkheid in de zaak. Noch is er enige aanwijzing van hysterie, dat zo dikwijls dringende oproepen om geld om met het werk van de Here te kunnen doorgaan, karakteriseert.

Hij vermeed inderdaad zorgvuldig het doen van          

dramatische en dringende oproepen, want hij had hen enige tijd tevoren geschreven, hen dringende om systematisch te sparen voor deze bijdrage (1Cor.16:1,2). En liever dan hoge-druk methodes te gebruiken, maakte hij hun heel duidelijk, dat ieder zou geven slechts "gelijk hij in zijn hart voorneemt...niet uit droefheid of uit nooddwang" (2Cor.9:7).

Hij gaf blijk van een geest van zuiverheid, ook in zijn oproep om ondersteuning. "Op elke eerste dag der week", had hij gezegd, "legge een iegelijk van u iets bij zichzelven weg, naar dat hij welvaren verkregen heeft" (1Cor.16:2), en in de brief die voor ons ligt benadrukt hij dit:"Want indien tevoren de volvaardigheid des gemoeds daar is, zo is iemand aangenaam naar hetgeen hij heeft, niet naar hetgeen hij niet heeft.

"Want dit zeg ik niet, opdat anderen zouden verlichting hebben, en gij verdrukking" (2Cor.8:12,13).

Er dient echter te worden herinnerd, dat de vleselijke Korinthiërs ver van vrijgevig geweest waren in hun ondersteuning van het werk van de Here of van Paulus, Zijn dienaar. Zonder twijfel hadden de grootste van de samenkomsten, gemakkelijk in Paulus' magere behoeften hebben kunnen voorzien. Toch, ondanks zijn zwoegen onder hen, had hij met zijn eigen handen in zijn eigen onderhoud voorzien, en dat, terwijl andere gemeenten, speciaal die van Philippi, hem hadden gezocht, en geprobeerd hem te helpen ( Phil.4:15,16 cf. 2Cor.11:7-9).

Wat betreft de bijdragen voor de heiligen in Judea hadden de Corinthiërs hetzelfde karakter. Zij hadden een jaar tevoren grote ijver getoond in de zaak, en waren blijkbaar begonnen met de wekelijkse collecte, maar dit was nu verwaarloosd (2Cor.8:10). En omdat het laatste bezoek van Titus alleen maar had geresulteerd in nog meer beloften, zond de apostel hem terug met verdere instructies en vermaningen daarover.

Met tact van God ontvangen, vertelt hun de apostel, dat het in zekere zin "overbodig" is hen over zijn bediening voor de heiligen te schrijven, want hij kent het streven van hun gemoed, en heeft bij hen in Macedonië geroemd, "dat Achaje een jaar geleden al bereid was" (2Cor.9:1,2). Hij bericht hen ook, dat hun ijver (niet hun volbrengen), "er velen heeft verwekt" (2Cor.9:2).

Maar hun voornemens moeten zonder verder uitstel worden uitgevoerd. Dus stelt de apostel hen in kennis van de grote bijdragen die reeds door de gemeenten van Macedonië werden bijeengebracht. En dit niet uit een overvloed, maar vanuit hun "diepe armoede" (8:1-3). Inderdaad vermeldde hij van de Macedoniërs, dat zij hem ernstig hadden gedrongen een grotere bijdrage te accepteren, dan zij in redelijkheid zich konden veroorloven (2Cor.8:3,4).

Aan deze aansporing voegt de apostel nog meerdere toe. Zij zijn overvloedig in andere gaven, waarom niet in deze? (2Cor.8:7); zouden zij de ernst van hun beleden liefde voor Christus en Zijn volk niet bewijzen? (2Cor.8:8); zij waren een jaar tevoren bereid en verlangend; nu moesten zij "het doen voleindigen" (2Cor.8:11); zij hebben nu een "overvloed" waarmee zij in de "behoeften" van anderen voorzien; op een dag kunnen de rollen wel omgedraaid zijn, zodat zij hulp nodig hebben (2Cor.8:14). En natuurlijk komt hij met wat altijd het meest sterke argument van alle is:

"WANT GIJ WEET DE GENADE VAN ONZE HERE JEZUS CHRISTUS, DAT HIJ OM UWENTWIL IS ARM GEWORDEN, DAAR HIJ RIJK WAS, OPDAT GIJ DOOR ZIJN ARMOEDE ZOUDT RIJK WORDEN" (2Cor.8:9).

Paulus had bij anderen de Corinthiërs geroemd, maar nu vond hij het noodzakelijk "de broeders" te zenden, opdat dit "roemen... niet tevergeefs zou zijn", en opdat wanneer de delegatie uit Macedonië, die met hem mee kwam, hen onvoorbereid zou vinden, hij zowel als zij, beschaamd zouden staan (2Cor.9:3,4). De leider van deze "broederen" was natuurlijk Titus, gezonden om "af te maken" wat hij een hele tijd geleden was "begonnen" (2Cor.8:6). Samen zouden deze broeders "van tevoren de bijdrage voorbereiden", waarvan de Corinthiërs nu uitvoerig "bericht" gekregen hadden, opdat zij gereed zou zijn als een zegen, blij geschonken, liever dan een onafgemaakt offer, dat wordt overgedragen uit noodzaak, voordat het gereed was (2Cor.9:5). Daarom spoort de apostel hen aan:"Bewijst dan aan hen de bewijzing van uw liefde en van onze roem van u, ook voor het aangezicht der gemeenten" (2Cor.8:24).

"DIE SPAARZAMELIJK ZAAIT, ZAL OOK SPAARZAMELIJK MAAIEN; EN DIE IN ZEGENINGEN ZAAIT, ZAL OOK IN ZEGENINGEN MAAIEN.

"EEN IEGELIJK DOE GELIJK HIJ IN ZIJN HART VOORNEEMT; NIET UIT DROEFHEID OF UIT NOODDWANG; WANT GOD HEEFT EEN BLIJMOEDIGE GEVER LIEF.

"EN GOD IS MACHTIG ALLE GENADE TE DOEN OVERVLOEDIG ZIJN IN U, OPDAT GIJ IN ALLES ALLEN TIJD ALLE GENOEGZAAMHEID HEBBENDE, TOT ALLE GOED WERK OVERVLOEDIG MOOGT ZIJN" (2Cor.9:6-8).

Hoeveel kinderen Gods hebben deze bemoedigingen vandaag nodig! Zelfs degenen in gewone omstandigheden hier (in Amerika, maar ook in Europa, Vert.) hebben veel van deze aardse goederen - dikwijls zo veel dat zij al te dikwijls alleen maar meer wensen voor zichzelf, en hun verantwoordelijkheid tegenover God en anderen vergeten. De rijken beginnen over het algemeen met "zekerheid" nodig te hebben. Als zij dat hebben, maken zij zichzelf wijs, dat zij dan hun deel aan het werk van de Here zullen geven. Alsof er een plaats zou kunnen zijn van meer zekerheid, dan in de wil des Heren te zijn! Het resultaat is bijna altijd eender. Zij zijn nimmer zeker dat zij voldoende zekerheid hebben, en hun fondsen worden altijd "belegd" in zaken, zodat hun de prikkel en de blijdschap ontbreekt van het voorrecht om een wezenlijk aandeel in het werk van de Here te hebben. Dank God voor de uitzonderingen, want zij zijn er maar weinigen. Elke leider in de zaak van Christus is telkens weer getuige van het contrast tussen de Macedoniërs en de Corinthiërs, als sommigen die zo weinig bezitten zo'n groot deel dragen van de financiele last, terwijl anderen, die zo veel bezitten, zo weinig delen.

Voordat we het onderwerp van deze brief aan de Corinthiërs afsluiten, dient te worden opgemerkt, dat deze veel aanvullende informatie bevat omtrent het lijden van Paulus dat niet wordt gevonden in het boek Handelingen.

Hier spreekt hij over de "moeite" die hem overkwam in Azië, hoe hij "uitnemend zeer bezwaard is geweest, bovenmachtig, alzo dat wij zeer in twijfel waren ook van het leven" (1:8). Hier vertelt hij van zijn physieke zwakheid en de pijn die hij verduurde, overal waar hij ging (2Cor.4:7-5:10; 12:7-9). Hier vertelt hij van zijn hartevrees in Troas (2:12,13), zijn worstelingen, angsten en ontmoediging in Macedonië (7:5) en geeft een lange lijst van vervolgingen en lijden tot zover te verduren gehad, waaronder striemen, gevangenis, slaag, schipbreuken, een nacht en een dag in de diepte (vermoedelijk een put), vermoeiende reizen, alle soorten gevaren, honger, dorst, koude, naaktheid en - die last waar hij nimmer van werd bevrijd: "de zorg van al de gemeenten" (2Cor.11:23-28).

Zeker moet de bede van iemand, zo door en door toegewijd aan de zaak van Christus, effect gehad hebben op de Corinthische gelovigen - en op ons. Terwijl "de broeders" naar Corinthe gingen met deze nieuwe brief, bleef Paulus achter in Macedonië om hun dienst en zijn brief uit te laten werken.

"Die gedeelten" welke de apostel deze keer "doorreisde" moeten een groter gebied van Macedonië hebben beslagen, dan die hij eerst had bezocht, want het is blijkbaar op deze reis dat hij schreef, dat hij had "gepredikt het evangelie van Christus" "en rondom tot Illyrikum toe" en "nu geen plaats meer hebbende in deze gewesten" (Rom.15:19,23).

De apostel was zijn gelofte nagekomen om, door de wil van God, Corinthe te bezoeken, en we twijfelen niet dat de "drie maanden" in Griekenland voornamelijk werden besteed in Corinthe, in het huis van één van de eerste bekeerlingen daar - Gajus (Zie 1Cor.1:14 cf. Rom.16:23).

BRIEVEN NAAR GALATIE EN ROME

Omdat we blijkbaar niet geheel zeker kunnen zijn van de datum van de brief aan de Galaten, of de plaats waar vandaan zij werd geschreven, schijnen er enkele aanwijzingen te zijn, dat het omstreeks deze tijd moet zijn geweest, dat Paulus bericht kreeg van de gemeenten van Galatië, die hem met verbazing en verontwaardiging vervulden. De Judaïsten waren weer bezig geweest, en waren er grotelijks in geslaagd, niet alleen de heidengelovigen daar onder de ban der wet te brengen, maar net als het geval was met de Corinthiërs, Paulus' apostelschap en zijn boodschap te kleineren. Als resultaat van deze "ongehoorzaamheid aan de waarheid" (Gal.3:1; 5:7) hadden zij "de gelukachting", die zij eenmaal hadden gekend (4:15) verloren, zodat zij elkander "beten en verslonden" (5:15).

De situatie in Galatië had zich zo snel verslechterd, dat Paulus onmiddellijk hun eigenhandig een brief schreef, waarin hij zijn door God gegeven apostelschap verdedigt, en opnieuw de belangrijkheid van de speciale boodschap der genade, die de verheerlijkte Here hem had toevertrouwd, benadrukt. Er is meer een toon van dringende noodzaak in deze brief, dan in één van zijn andere brieven.

Eén van de aanwijzingen dat de Brief aan de Galaten in deze tijd geschreven werd, is haar inwendige overeenkomst met de Romeinenbrief, zowel in doctrine als in nadrukkelijkheid.

Dat de brief aan de Romeinen in deze tijd geschreven werd is welhaast zeker. Zij werd blijkbaar gezonden vanuit Corinthe, waar Erastus de stadsrentmeester was (Rom.16:23 cf. 2Tim.4:20), en Gajus Paulus' gastheer (Rom.16:23 cf. 1Cor.1:14). Zij werd geschreven nadat Aquila en Priscilla naar Rome teruggekeerd waren (Rom.16:3), en nadat Paulus had "voorgenomen in de geest" werkelijk naar Jeruzalem en Rome te gaan (Hand.19:21), en hij op het punt stond naar Jeruzalem te reizen met de "bijdrage voor de arme heiligen" daar (Rom.15:25,26).

Schrijfgereedschap zou in het huis van Gajus beschikbaar zijn, en Tertius, een amanuensis, stond klaar om zijn gedicteerde brief op te schrijven (Rom.16:22,23). Het gebeurde dat ook Phebe, een bekende diakones, of helpster, van de gemeente in Kenchreeën (de oostelijke zeehaven van Corinthe) in die tijd op het punt stond, voor zaken naar Rome te reizen. Zij was het waarschijnlijk die de brief meenam, of minstens hen die dit deden, begeleidde. Blijkbaar was Phebe een vrouw van rang, en getrouw als Christin, want de apostel beveelt haar aan als te zijn geweest "een voorstandster (Lett. iemand die voor iemand staat, een beschermer) van velen", ook van hem zelf, en verzoekt de gelovigen te Rome om haar te ontvangen en bij te staan in haar zaken, waar het maar kan (Rom.16:1,2).

Godvruchtige vrouwen hadden een groot, zij het ondergeschikt deel aan Paulus' bediening, haast overal waar hij ging. De eerste bekeerling in Europa, in Philippi, was een vrouw (Hand.16:14), en de vrouwen van de gemeente in Philippi hadden meegewerkt met Paulus in het evangelie (Phil.4:3), en blijkbaar deden zij dat nog steeds ten tijde dat hij aan de Philippenzen schreef vanuit de gevangenis in Rome (Phil.1:3-5). In Thessalonica waren onder de gelovigen "van de voornaamste vrouwen niet weinigen" (Hand.17:4). In Berea waren er ook onder de gelovigen "van de Griekse eerlijke vrouwen...niet weinige" (Hand.17:12). In Athene was één van de slechts twee genoemde bekeerlingen een vrouw (Hand.17:34). In Corinthe en Kenchreeën waren daar Priscilla (Hand.18:2,26) en Phebe (Rom.16:1) en in zijn brief aan de Romeinen noemt Paulus verschillende andere (Rom.16).

Het is een opmerkelijk feit, dat lang voordat Paulus Rome bereikte, daar reeds een gemeente was gevestigd over welks geloof "over de hele wereld werd gesproken" (Rom.1:8). Zij die veronderstellen, dat deze gelovigen discipelen uit de besnijdenis waren, die daarheen gereisd waren vanuit Judea, dienen op te merken dat het het evangelie van Paulus, en niet "het evangelie van het koninkrijk" of "het evangelie van de onbesnedenen" was dat reeds in verre landen begon door te dringen, en dat spoedig over de hele wereld bekend zou worden (Zie Rom.16:25,26; Col.1:6,23: 2Tim.4:16,17; Tit.2:11).

Ongetwijfeld verkreeg de apostel op zijn uitgebreide reizen vele helpers die, voor zakelijke of andere redenen naar de wereldstad reisden, en gebruikt werden om het evangelie van Gods genade daar te planten. Inderdaad wijzen de slotteksten van de Brief aan de Romeinen erop, dat hij daar reeds een flink aantal gelovigen kende.

TERUG DOOR MACEDONIE NAAR TROAS

Na een verblijf van drie maanden in Achaje, of Griekenland, vertrok de apostel, blijkbaar naar Kenchreeën, om over de Middellandse Zee naar Syrië te varen. Maar juist toen hij de scheepsreis voorbereidde, hoorde hij van een complot van  Joden om hem te grijpen of hem te vermoorden, waarop hij zijn plannen veranderde en in plaats daarvan door Macedonië terugkeerde (V.3). Of deze tocht hem over land of per ander schip leidde, weten we niet, hoewel het laatste het meest waarschijnlijk lijkt.

Azië", zoals afgesproken, aan boord kwamen van het schip naar Troas, alsof er geen verandering in de plannen geweest was, terwijl Paulus en zijn "geliefde geneesheer" noordelijk naar Macedonië gingen, en vanuit Philippi (of Neapolis, de naaste haven) voeren, om de anderen in Troas te ontmoeten.

En hier treffen we nog een van die symbolische verhalen aan, die ons bekend zijn geworden in het Boek der Handelingen.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011