De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXXV  -  H A N D. 19:23-41

    HET OPROER TE EPHESE

             SATAN WOEDEND

"Maar op dien tijd ontstond er geen kleine beroerte vanwege de weg des Heren. "Want een, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;

 "Welke hij tezamen vergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide: Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; "En gij ziet en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Ephese, maar ook bijna van geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden.

"En wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting komt, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan welke gans Azië en de gehele wereld godsdienst bewijst."Als zij nu dit hoorden, werden zij vol van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Ephesiërs!

"En de gehele stad werd vol verwaring; en zij liepen met een gedruis eendrachtiglijk naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs, metgezellen van Paulus op de reis. "En als Paulus tot het volk wilde ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.

"En sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem en baden, dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zou begeven. "Zij riepen dan de een dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en het meerderdeel wist niet om wat oorzaak zij samengekomen waren.

"En zij deden Alexander uit de scharen voortkomen, alzo hem de Joden voortstieten. En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde hij het volk verantwoording doen.

"Maar als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er één stem van allen, roepende omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Ephesiërs! "En als de stadsschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Ephese, wat mens is er toch die niet weet, dat de stad der Ephesiërs de kerkbewaarster is van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is?

"Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk, dat gij stil zijt en niets ombedachts doet. "Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.

"Indien dan nu Demetrius en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak hebben, de rechtsdagen worden gehouden en er zijn stadhouders; laat hen elkander verklagen. "En indien gij iets van anderen dingen verzoekt, dat zal in een wettelijke vergadering beslecht worden.

"Want gij staat in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van heden, alzo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan." - Hand.19:23-40.          

Het negentiende hoofdstuk van Handelingen is een verslag van geweldige overwinningen voor Christus. Het vertelt van de buitengewone wonderen door Paulus, en van de ontmaskering van bedriegers, die probeerden de naam van Jezus tot hun eigen voordeel te gebruiken. Het vertelt ook van de diepe inbreuk die gemaakt werd in het hart van het heidendom, toen grote aantallen van hen die zwarte kunst hadden beoefend, kwamen en hun boeken verbrandden, ter waarde van vijftigduizend zilverstukken, in een openbare brandstapel. Driemaal in het hoofdstuk worden de machtige gevolgen van Paulus' bediening in het bijzonder vermeld (V.10,20,26).

Is het dan niet vreemd, te lezen van een grote opstand tegen Paulus en zijn leer, opgewekt, niet in de eerste plaats door mensen, maar door de "boze geesten in de hemelse gewesten", waartegen speciaal trouwe gelovigen, ook vandaag hebben te "worstelen" (Zie Eph.6:12).

                              DIANA

Het was werkelijk Diana die "geen kleine beroerte" verwekte over de "weg" die Paulus verkondigde, want de ware "Diana" achter dat gehouwen beeld, was een gevallen engel of groep van gevallen engelen. Het waren zij, de demonen, die achter deze hele afgoderij zaten. De philosofen van Athene waren duidelijk hiervan op de hoogte, want toen Paulus onder hun afgoden verscheen om Christus te prediken, zeiden ze: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden (Gr.,daimonion)" (Hand.17:18).

Of het nu de verdedigers van de onuitsprekelijke ontucht, begaan in de "bosjes" en tempels van Asteroth en Venus waren, of de beschermers van jonge mannen en meisjes, of de kampioenen in kuisheid, zoals de vroegere Artemis, alle afgoderijen betekenden pogingen van Satan om de waarheid te verdraaien en de aanbidding van God af te leiden.

Daarom is het, dat God de kinderen van Israel verbood:"Gij zult geen andere goden voor Mijn aangezicht hebben...want Ik, de Here uw God, ben een naijverig God..." (Ex.20:3,5).

Daarom is het, dat Psalm 82 God toont, "oordelende in het midden der goden", en zegt:

"Ik heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten."Nochtans zult gij sterven als een mens, en als een van de vorsten zult gij vallen" (V.6,7).

Afgoderij  was natuurlijk aan de kant der mensen, niet gebaseerd op waarheid, maar op de veranderende bijgeloven van onwedergeboren mensen. Zo was de Diana der Ephesiërs (de latere Artemis), niet zoals haar verschillende voorgangsters, de natuurlijke veelborstige personificatie van vruchtbaarheid en overvloed, en als een vrouw riep zij haar toegewijden op tot een fanatieke loyaliteit.

Het beeld van Diana wordt verondersteld vanuit de hemel te zijn gevallen, beneden naar de aarde gezonden door Jupiter, maar het is heel goed mogelijk, speciaal vanwege haar ongestileerde vorm, dat het niets meer was dan een meteoor waarvan een grof beeld was gemaakt.

Maar al was het beeld van Diana grof, haar tempel was wereldberoemd om haar schoonheid. Gesitueerd op enige afstand van de stad, was zij magnifiek om te zien, met haar honderd en twintig marmeren pilaren, elk een gift van een vorst, en werd beschouwd als een van de zeven wereldwonderen. Zo groot was de nationale trots in dit heiligdom, dat beweerd wordt, dat toen Alexander de Grote van de buit van zijn overwinningen in het Oosten zou offeren, op voorwaarde dat het hem geoorloofd was zijn naam op het gebouw te schrijven, de eer werd afgewezen.

Ironisch genoeg echter wordt Diana, waarvan wordt gezegd dat "geheel Azië en de wereld" haar eens aanbeden heeft, door geen enkel mens vandaag meer aanbeden, en dat haar schitterende tempel reeds eeuwen onder het stof begraven was, totdat fragmenten ervan ontdekt werden door Mr.J.T.Wood voor het British Museum aan het einde van de achttiende eeuw.

                         DEMETRIUS

Demetrius, de zilversmid, was natuurlijk het menselijk instrument dat Satan gebruikte om het oproer in Ephese aan te stichten. Het schijnt, dat hij het hoofd was van het gilde van zilversmeden en anderen "die met hem van de kunst" waren, en zelf het middel was dat hen "geen klein gewin" bracht door de verkoop van zilveren miniaturen "voor" Diana. De toegewijden van Diana pleegden deze miniaturen op het lichaam te dragen, uit te stallen in hun woningen, of in de tempel achter te laten als daad van aanbidding, zoals veelal Roomskatholieken hun rozenkransen en beeldjes in Lourdes en St. Anne de Beaupre. Bovendien trok Ephese, als een van de grootste zeehavens aan de Aegeïsche Zee, reizigers van ver en dichtbij, die ook deze tempeltjes kochten als herinnering aan de wereldberoemde Diana en haar tempel.

Bezorgd over de teruggang in de zaken sinds Paulus' verschijnen in Ephese, riep Demetrius de gildeleden bijeen, om de toestand te bespreken. Met bijna naïeve eenvoud stelde hij het doel van de vergadering vast, en de ware reden van zijn zorg voor Diana en haar tempel: "Uit dit gewin hebben wij onze welvaart" (V.25). Paulus, door te beweren, dat "het geen goden zijn, die met handen gemaakt zijn", "raakte hun business". Dit was de menselijke oorzaak achter het oproer. Het deed er niet toe of Paulus' bewering waar of niet waar was; hij bewerkte hun persoonlijke verliezen.

Deze passage leert ons verder, dat degenen die er op uit waren winst te maken door afgoderij, eigenlijk wilden, dat de onnozele massa bovennatuurlijke betekenis zou hechten aan deze "met de hand gemaakte" koopwaar. Waarom zouden zij anders Paulus' bewering tegenstaan, dat deze voorwerpen geen goden waren?

Zoals we reeds hebben aangegeven, was Satan, "de god van deze eeuw" (2Cor.4:4), de stuwende kracht achter dit alles, die de aanbidding van mensen van God trachtte te scheiden. En zijn pogingen duren voort tot vandaag.

Zelfs de Kerk van Rome, terwijl zij strijdt voert over plaatsvervanging en symbolisme tegnover het Protestantisme, leidt eigenlijk haar volgelingen tot het hechten van bovennatuurlijke betekenis aan dingen "die met handen gemaakt zijn".

De schrijver heeft een brief voor zich, die hij ontving van de Franciscaner Broeders der Verzoening te Graymoor, New York. Zij bevat, als "Paasgift", een medaille van St.Pius X, waarvan wordt beweerd, dat deze zijn lichaam heeft beroerd en gezegend is door Paus Pius XII. De Graymoor Broeders zenden de medaille natuurlijk om devotie op te wekken voor St.Pius X, maar ook - uiteraard - met het gebed en de suggestie, dat St.Pius X de ontvanger zal inspireren om een offer te schenken voor de opleiding van jonge mannen voor het priesterschap!

"Laat St.Jozef Uw Probleem Oplossen", zo staat in een advertentie van een betaalde krant, en per geval, zal een rozenkrans van St.Jozef per post worden toegezonden aan een ieder die een contributie van één dollar, of meer, zendt aan het Katholieke instituut, genoemd in de advertentie. In een andere periodiek staan doorlopend advertenties, die haar lezers dringt om "een Gelofte Kaars te Branden" ter ere van "Onze Vrouwe van de Wonderbare Medaille", of "St.Christoffer", voor een "veilige reis", of "St.Anthonius, vinder van verloren zaken", of "Het Kind van Praag" voor "financiering", of "St.Anne", voor een "gelukkig huwelijk", of "St.Joseph", voor "werk en een goed sterven". Hoe aan deze "gelofte kaarsen" te komen? Dat staat op blz.32, waar ook de prijzen zijn vermeld.

Dit zijn slechts enkele van de blijken die aan alle kanten laten zien, dat Rome bijgeloof en afgoderij voor financieel gewin ondersteunt. Wel herinneren we onze verbazing bij het zien van de bijna ongelooflijke prijzen, die worden gevraagd voor de goedkoopste heilige kleinoden, bij St.Anne de Beaupre in Quebec.

Zo zien we dat de geest die Demetrius drong tot een vergadering van zijn gilde, vandaag nog steeds werkt. Zelfs Protestantse, ja, zelfs Fundamentalistische gevestigde belangen, spelen een eerste rol in de hardnekkige weerstand tegen geestelijke vooruitgang en vernieuwing.

Hoe doorzichtig is het hele argument van Demetrius! "Paulus' leer brengt onze business in gevaar - en natuurlijk, de glorie van onze godin Diana"! Waarom moest hij zijn grief bedekken met een kleed van religie? Het was het gevaar voor hun "winst", hun "rijkdom", hun "macht", dat Demetrius en zijn mede gildegenoten had opgewonden, anders had de glorie van Diana hun weinig zorg geweest, en of de massa van het gewone volk haar wel of niet aanbad. In elk geval kwam bij de leiders "onze rijkdom" als eerste; daarna de glorie van Diana, maar de eer van Diana moest bij de massa wel op de eerste plaats komen, en moest worden gebruikt om de rijkdom van de leiders te herstellen.

                        HET OPROER

Geld en religie! Waar kunnen twee ontvlambaarder elementen worden gevonden om een dwaze opwinding te doen rijzen!

Toen de gildelieden, "vol toornigheid", naar buiten gingen, luid roepende tot Diana, "werd de gehele stad vol verwarring" (V.28,29).

Het schijnt dat op dit punt de gildelieden probeerden Paulus, die Demetrius met name had genoemd, te grijpen. Maar toen zij hem niet konden vinden, grepen zij Gajus en Aristarchus (twee van Paulus' medewerkers) en brachten hen naar het theater, om hen aan hun eigen vorm van "recht" te onderwerpen. Als het huis van Aquila en Priscilla de verblijfplaats van Paulus in Ephese is geweest, zou dit wel de gelegenheid kunnen zijn geweest, waarbij zij "hun hals gesteld hebben" voor hem (Rom.16:4); we kennen tenminste geen andere specifieke gebeurtenis waarnaar deze opmerking van Paulus meer passend zou kunnen verwijzen.

Ziende dat Gajus en Aristarchus met geweld werden opgepakt, en besluitend dat in het theater, waar anders, zij konden horen waar het tumult om ging, "liep de bevolking eendrachtiglijk naar de schouwplaats" (V.29)

Waar de apostel in die tussentijd was, weten we niet, maar horende van het tumult, wilde hij nu tussen het volk mee naar binnen gaan, als de discipelen hem daar niet van hadden weerhouden. Het is een getuigenis van Paulus' karakter, dat op dat ogenblik "sommigen ook der oversten van Azië (Lett. Asiarchen), die hem vrienden waren" hem bericht zonden, niet in het theater te gaan (V.31). Blijkbaar had Paulus respect en bewondering, en zelfs de genegenheid van deze prominente mannen gewonnen, zodat zij nu, hoewel zelf geen gelovigen, bewezen zijn ware vrienden te zijn.

In de tussentijd was het theater als een gekkenhuis. "Zij riepen dan de een dit de ander wat anders; want de vergadering was verward; en het meerderdeel wist niet om wat oorzaak zij samengekomen waren" (V.32)

In de opwinding werd een man, genaamd Alexander, uit de menigte opgehaald, "door de Joden voortgestoten" (V.33). Sommigen hebben verondersteld dat dit de Christen Alexander was van 1Tim.1:20, vóór zijn afval, en dat de Joden hem naar voren trokken om hem over te leveren aan de wraak van de massa. Maar er zijn onoverkomelijke bezwaren tegen dit gezichtspunt, speciaal omdat de Joden zelf de aanbidding van Diana tegenstonden, en zichzelf nauwelijks in zo'n comprimerende positie zouden stellen.

Het is veel meer begrijpelijk dat deze Alexander de "kopersmid" is, genoemd in 2Tim.4:14, die Paulus "veel kwaad" berokkende, waarschijnlijk bij deze keer. Het is duidelijk dat deze man, naar voren gebracht door de Joden, bezig was "een verdediging" (niet "zijn verdediging) te maken naar het volk. Blijkbaar vreesden de Joden, zelf tegen afgodische aanbidding,  dat zij de toorn van de zilversmids zouden ondergaan, en daarom een man kozen als één van hen van "hetzelfde handwerk", een kopersmid, om uit te leggen, dat zij de afval van Diana niet veroorzaakten - dit in het geval dat zij, als aanbidders van de ene ware God, Paulus zouden hebben kunnen ondersteunen in dit conflict.

Alexander kreeg echter geen gehoor. De menigte wist goed, dat de Jood een erfvijand van afgoderij was, en toen zij zagen dat Alexander van dat zelfde ras was, werd hun verwarring onmiddellijk opgeheven, en riepen zij als één man: "Groot is de Diana der Epheziërs" (V.34) ongeveer twee uur lang.

Hier hebben we een voorbeeld van hoe verkeerd de meerderheid kan zijn, en hoe weinig zicht en gevoelen te vertrouwen zijn. Hier was een massademonstratie van diep emotionele gevoelens, maar het was volstrekt onzuiver, en het resultaat totaal onvoorspelbaar. Zo'n demonstratie was beladen met groot gevaar, want een fanatieke massa als deze, met tot een hoogtepunt opgewonden emoties, zou bijna alles kunnen doen.

Na twee uren echter slaagde de stadsschrijver (de pensionaris van de stad) erin het volk te kalmeren. Zichzelf bewijzende als zowel tactvol als overredend, een man van de wereld, kalmeerde hij de gevoelens van de menigte met betrekking tot Diana."Wat mens is er toch", vroeg hij, "die niet weet, dat de stad der Ephesiërs de kerkbewaarster is van de grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is? Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk, dat gij stil zijt en niets onbedachts doet" (V.35,36).

Dit was wel goed berekend om de storm van emoties te kalmeren, maar de conclusie van de pensionaris was, zoals wij dit zien, net zo zwak als zijn stelling. "Wat mens is er toch die niet weet?" "Dewijl dan deze dingen onwedersprekelijk zijn"! De menigte staat natuurlijk klaar om als waarheid te accepteren, dat wat hun verteld wordt met: "iedereen weet". Inderdaad is er wellicht niets wat zelfs de grote meerderheid van gelovigen geestelijk tegen houdt, als de gedachte dat zij niet moeten afwijzen, datgene wat algemeen wordt geloofd, noch accepteren, dat wat algemeen niet is geaccepteerd. Zo zetten zij in werkelijkheid de menselijke mening boven goddelijke inspiratie. Laten wij God danken, dat waarheid op een hechtere fundering rust dan de verwarde en veranderlijke meningen van gevallen mensen! De pensionaris sprak zo vertrouwend over Diana en haar glorie, maar Diana en haar tempel zijn herinneringen uit het verleden, en hun glorie voorbij en vergaan.

Daarna had de pensionaris iets te zeggen ter verdediging van Paulus en zijn medewerkers. Zij waren geen "kerkrovers" geweest, noch "lasteraars" over Diana (V.37). Hun zorg deze heidense godheid niet te bespotten, toont aan wat een terughoudendheid Paulus' medewerkers hadden beoefend onder zijn leiderschap en door zijn voorbeeld. In het verslag van zijn bediening onder zowel Joden als heidenen, vinden we hem dikwijls  redenerend, debatterend en overtuigend, maar nimmer kwetsend of belachelijk makend. Dit was alles in zijn voordeel.

In het licht van dit alles, zo redeneerde de stadsschrijver, moesten Demetrius en zijn vakmensen elke klacht tegen Paulus en zijn medewerkers naar voren brengen, op de manier zoals voorgeschreven in de wet. En zo eindigde hij met een ernstige vermaning dat het Romeinense gouvernement met groot misnoegen keek naar elke inbreuk van wetteloosheid.

Nadat zo de gemoederen van de menigte bedaard waren en de orde hersteld, verklaarde de pensionaris de vergadering als gesloten.

   DE POSITIE VAN DE GELOVIGEN

              OPNIEUW VERSTERKT

Opnieuw had God de tegenstand van Satan overwonnen om de positie van een jonge en worstelende gemeente te versterken.

In Philippi had Hij het Romeins burgerschap van Paulus gebruikt, in Corinthe de wijsheid van een heidense rechter, en hier het beroep van de stadsschrijver. De gemeente in Ephese zou nu in een veel voordeliger positie zijn, in deze tijdsperiode, wanneer haar groei en vestiging zo belangrijk waren.

Zo vangt God de wijzen in hun eigen kracht en is oorzaak, dat zelfs de toorn van de man - ja, die van de duivel - Hem prijzen.

Tenslotte dient te worden opgemerkt, dat Israel steeds meer op de achtergrond komt in deze episode, als zowel de vervolging en de daarbij behorende bescherming, van de heidenen uitgaat. 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011