H
O O F D S T U K XXXV
- H A N D. 19:23-41
HET OPROER TE EPHESE
SATAN WOEDEND
"Maar
op dien tijd ontstond er geen kleine beroerte vanwege de weg des Heren.
"Want een, met name Demetrius, een zilversmid, die kleine zilveren tempelen
van Diana maakte, bracht dien van die kunst geen klein gewin toe;
"Welke
hij tezamen vergaderd hebbende, met de handwerkers van dergelijke dingen, zeide:
Mannen, gij weet, dat wij uit dit gewin onze welvaart hebben; "En gij ziet
en hoort, dat deze Paulus veel volk niet alleen van Ephese, maar ook bijna van
geheel
Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende, dat het geen goden zijn, die met
handen gemaakt worden.
"En
wij zijn niet alleen in gevaar, dat dit deel in verachting
komt, maar dat ook de tempel van de grote godin Diana als niets geacht zal
worden, en dat ook haar majesteit zal ten ondergaan, aan welke gans Azië en de
gehele wereld godsdienst bewijst."Als zij nu dit hoorden, werden zij vol
van toornigheid, en riepen, zeggende: Groot is de Diana der Ephesiërs!
"En
de gehele stad werd vol verwaring; en zij liepen met een gedruis eendrachtiglijk
naar de schouwplaats, met zich trekkende Gajus en Aristarchus, Macedoniërs,
metgezellen van Paulus op de reis. "En als Paulus tot het volk wilde
ingaan, lieten het hem de discipelen niet toe.
"En
sommigen ook der oversten van Azië, die hem vrienden waren, zonden tot hem en
baden, dat hij zichzelven op de schouwplaats niet zou begeven. "Zij riepen
dan de een dit, de ander wat anders; want de vergadering was verward, en het
meerderdeel wist niet om wat oorzaak zij samengekomen waren.
"En
zij deden Alexander uit de scharen voortkomen, alzo hem de Joden voortstieten.
En Alexander gewenkt hebbende met de hand, wilde hij het volk verantwoording
doen.
"Maar
als zij verstonden, dat hij een Jood was, werd er één stem van allen, roepende
omtrent twee uren lang: Groot is de Diana der Ephesiërs! "En als de
stadsschrijver de schare gestild had, zeide hij: Gij mannen van Ephese, wat mens
is er toch die niet weet, dat de stad der Ephesiërs de kerkbewaarster is van de
grote godin Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is?
"Dewijl
dan deze dingen onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk, dat gij stil zijt
en niets ombedachts doet. "Want gij hebt deze mannen hier gebracht, die
noch kerkrovers zijn, noch uw godin lasteren.
"Indien
dan nu Demetrius en die met hem van de kunst zijn, tegen iemand enige zaak
hebben, de rechtsdagen worden gehouden en er zijn stadhouders; laat hen elkander
verklagen. "En indien gij iets van anderen dingen verzoekt, dat zal in een
wettelijke vergadering beslecht worden.
"Want
gij staat in gevaar, dat wij van oproer zullen verklaagd worden om den dag van
heden, alzo er geen oorzaak is, waardoor wij reden zullen kunnen geven van deze
oploop. En dit gezegd hebbende, liet hij de vergadering gaan."
- Hand.19:23-40.
Het
negentiende hoofdstuk van Handelingen is een verslag van geweldige overwinningen
voor Christus. Het vertelt van de buitengewone wonderen door Paulus, en
van de ontmaskering van bedriegers, die probeerden de naam van Jezus tot hun
eigen voordeel te gebruiken. Het vertelt ook van de diepe inbreuk die gemaakt
werd in het hart van het heidendom, toen grote aantallen van hen die zwarte
kunst hadden beoefend, kwamen en hun boeken verbrandden, ter waarde van
vijftigduizend zilverstukken, in een openbare brandstapel. Driemaal in het
hoofdstuk worden de machtige gevolgen van Paulus' bediening in het bijzonder
vermeld (V.10,20,26).
Is
het dan niet vreemd, te lezen van een grote opstand tegen Paulus en zijn leer,
opgewekt, niet in de eerste plaats door mensen, maar door de "boze geesten
in de hemelse gewesten", waartegen speciaal trouwe gelovigen, ook
vandaag hebben te "worstelen" (Zie Eph.6:12).
DIANA
Het
was werkelijk Diana die "geen kleine beroerte" verwekte over de
"weg" die Paulus verkondigde, want de ware "Diana" achter
dat gehouwen beeld, was een gevallen engel of groep van gevallen engelen. Het
waren zij, de demonen, die achter deze hele afgoderij zaten. De philosofen van
Athene waren duidelijk hiervan op de hoogte, want toen Paulus onder hun afgoden
verscheen om Christus te prediken, zeiden ze: "Hij schijnt een verkondiger
te zijn van vreemde goden (Gr.,daimonion)" (Hand.17:18).
Of
het nu de verdedigers van de onuitsprekelijke ontucht, begaan in de
"bosjes" en tempels van Asteroth en Venus waren, of de beschermers van
jonge mannen en meisjes, of de kampioenen in kuisheid, zoals de vroegere Artemis,
alle afgoderijen betekenden pogingen van Satan om de waarheid te verdraaien en
de aanbidding van God af te leiden.
Daarom
is het, dat God de kinderen van Israel verbood:"Gij zult geen andere
goden voor Mijn aangezicht hebben...want Ik, de Here uw God, ben een naijverig
God..." (Ex.20:3,5).
Daarom
is het, dat Psalm 82 God toont, "oordelende in het midden der goden",
en zegt:
"Ik
heb wel gezegd: Gij zijt goden, en gij zijt allen kinderen des Allerhoogsten."Nochtans
zult gij sterven als een mens, en als een van de vorsten zult gij vallen" (V.6,7).
Afgoderij
was natuurlijk aan de kant der mensen, niet gebaseerd op waarheid, maar
op de veranderende bijgeloven van onwedergeboren mensen. Zo was de Diana der
Ephesiërs (de latere Artemis), niet zoals haar verschillende voorgangsters, de
natuurlijke veelborstige personificatie van vruchtbaarheid en overvloed, en als
een vrouw riep zij haar toegewijden op tot een fanatieke loyaliteit.
Het
beeld van Diana wordt verondersteld vanuit de hemel te zijn gevallen, beneden
naar de aarde gezonden door Jupiter, maar het is heel goed mogelijk, speciaal
vanwege haar ongestileerde vorm, dat het niets meer was dan een meteoor waarvan
een grof beeld was gemaakt.
Maar
al was het beeld van Diana grof, haar tempel was wereldberoemd om
haar schoonheid. Gesitueerd op enige afstand van de stad, was zij magnifiek om
te zien, met haar honderd en twintig marmeren pilaren, elk een gift van een
vorst, en werd beschouwd als een van de zeven wereldwonderen. Zo groot was de
nationale trots in dit heiligdom, dat beweerd wordt, dat toen Alexander de Grote
van de buit van zijn overwinningen in het Oosten zou offeren, op voorwaarde dat
het hem geoorloofd was zijn naam op het gebouw te schrijven, de eer werd
afgewezen.
Ironisch
genoeg echter wordt Diana, waarvan wordt gezegd dat "geheel Azië en de
wereld" haar eens aanbeden heeft, door geen enkel mens vandaag meer
aanbeden, en dat haar schitterende tempel reeds eeuwen onder het stof begraven
was, totdat fragmenten ervan ontdekt werden door Mr.J.T.Wood voor het British
Museum aan het einde van de achttiende eeuw.
DEMETRIUS
Demetrius,
de zilversmid, was natuurlijk het menselijk instrument dat Satan gebruikte om
het oproer in Ephese aan te stichten. Het schijnt, dat hij het hoofd was van het
gilde van zilversmeden en anderen "die met hem van de kunst" waren, en
zelf het middel was dat hen "geen klein gewin" bracht door de verkoop
van zilveren miniaturen "voor" Diana. De toegewijden van Diana
pleegden deze miniaturen op het lichaam te dragen, uit te stallen in hun
woningen, of in de tempel achter te laten als daad van aanbidding, zoals veelal
Roomskatholieken hun rozenkransen en beeldjes in Lourdes en St. Anne de Beaupre.
Bovendien trok Ephese, als een van de grootste zeehavens aan de Aegeïsche Zee,
reizigers van ver en dichtbij, die ook deze tempeltjes kochten als herinnering
aan de wereldberoemde Diana en haar tempel.
Bezorgd
over de teruggang in de zaken sinds Paulus' verschijnen in Ephese, riep
Demetrius de gildeleden bijeen, om de toestand te bespreken. Met bijna naïeve
eenvoud stelde hij het doel van de vergadering vast, en de ware reden van zijn
zorg voor Diana en haar tempel: "Uit dit gewin hebben wij onze
welvaart" (V.25). Paulus, door te beweren, dat "het geen goden
zijn, die met handen gemaakt zijn", "raakte hun business".
Dit was de menselijke oorzaak achter het oproer. Het deed er niet toe of
Paulus' bewering waar of niet waar was; hij bewerkte hun persoonlijke verliezen.
Deze
passage leert ons verder, dat degenen die er op uit waren winst te maken door
afgoderij, eigenlijk wilden, dat de onnozele massa bovennatuurlijke betekenis
zou hechten aan deze "met de hand gemaakte" koopwaar. Waarom zouden
zij anders Paulus' bewering tegenstaan, dat deze voorwerpen geen goden
waren?
Zoals
we reeds hebben aangegeven, was Satan, "de god van deze eeuw"
(2Cor.4:4), de stuwende kracht achter dit alles, die de aanbidding van mensen
van God trachtte te scheiden. En zijn pogingen duren voort tot vandaag.
Zelfs
de Kerk van Rome, terwijl zij strijdt voert over plaatsvervanging en symbolisme
tegnover het Protestantisme, leidt eigenlijk haar volgelingen tot het hechten
van bovennatuurlijke betekenis aan dingen "die met handen gemaakt
zijn".
De
schrijver heeft een brief voor zich, die hij ontving van de Franciscaner
Broeders der Verzoening te Graymoor, New York. Zij bevat, als "Paasgift",
een medaille van St.Pius X, waarvan wordt beweerd, dat deze zijn lichaam heeft
beroerd en gezegend is door Paus Pius XII. De Graymoor Broeders zenden de
medaille natuurlijk om devotie op te wekken voor St.Pius X, maar ook - uiteraard
- met het gebed en de suggestie, dat St.Pius X de ontvanger zal
inspireren om een offer te schenken voor de opleiding van jonge mannen voor het
priesterschap!
"Laat
St.Jozef Uw Probleem Oplossen",
zo staat in een advertentie van een betaalde krant, en per geval, zal een
rozenkrans van St.Jozef per post worden toegezonden aan een ieder die een
contributie van één dollar, of meer, zendt aan het Katholieke instituut,
genoemd in de advertentie. In een andere periodiek staan doorlopend
advertenties, die haar lezers dringt om "een Gelofte Kaars te Branden"
ter ere van "Onze Vrouwe van de Wonderbare Medaille", of "St.Christoffer",
voor een "veilige reis", of "St.Anthonius, vinder van
verloren zaken", of "Het Kind van Praag" voor
"financiering", of "St.Anne", voor een "gelukkig
huwelijk", of "St.Joseph", voor "werk en een goed
sterven". Hoe aan deze "gelofte kaarsen" te komen? Dat staat op
blz.32, waar ook de prijzen zijn vermeld.
Dit
zijn slechts enkele van de blijken die aan alle kanten laten zien, dat Rome
bijgeloof en afgoderij voor financieel gewin ondersteunt. Wel herinneren we
onze verbazing bij het zien van de bijna ongelooflijke prijzen, die worden
gevraagd voor de goedkoopste heilige kleinoden, bij St.Anne de Beaupre in Quebec.
Zo
zien we dat de geest die Demetrius drong tot een vergadering van zijn gilde,
vandaag nog steeds werkt. Zelfs Protestantse, ja, zelfs Fundamentalistische gevestigde
belangen, spelen een eerste rol in de hardnekkige weerstand tegen
geestelijke vooruitgang en vernieuwing.
Hoe
doorzichtig is het hele argument van Demetrius! "Paulus' leer brengt onze
business in gevaar - en natuurlijk, de glorie van onze godin Diana"! Waarom
moest hij zijn grief bedekken met een kleed van religie? Het was het gevaar voor
hun "winst", hun "rijkdom", hun "macht", dat
Demetrius en zijn mede gildegenoten had opgewonden, anders had de glorie van
Diana hun weinig zorg geweest, en of de massa van het gewone volk haar wel of
niet aanbad. In elk geval kwam bij de leiders "onze rijkdom" als
eerste; daarna de glorie van Diana, maar de eer van Diana moest bij de massa wel
op de eerste plaats komen, en moest worden gebruikt om de rijkdom van de leiders
te herstellen.
HET OPROER
Geld
en religie! Waar kunnen twee ontvlambaarder elementen worden gevonden om een
dwaze opwinding te doen rijzen!
Toen
de gildelieden, "vol toornigheid", naar buiten gingen, luid roepende
tot Diana, "werd de gehele stad vol verwarring" (V.28,29).
Het
schijnt dat op dit punt de gildelieden probeerden Paulus, die Demetrius met name
had genoemd, te grijpen. Maar toen zij hem niet konden vinden, grepen zij Gajus
en Aristarchus (twee van Paulus' medewerkers) en brachten hen naar het theater,
om hen aan hun eigen vorm van "recht" te onderwerpen. Als het huis van
Aquila en Priscilla de verblijfplaats van Paulus in Ephese is geweest, zou dit
wel de gelegenheid kunnen zijn geweest, waarbij zij "hun hals gesteld
hebben" voor hem (Rom.16:4); we kennen tenminste geen andere specifieke
gebeurtenis waarnaar deze opmerking van Paulus meer passend zou kunnen
verwijzen.
Ziende
dat Gajus en Aristarchus met geweld werden opgepakt, en besluitend dat in het
theater, waar anders, zij konden horen waar het tumult om ging, "liep de
bevolking eendrachtiglijk naar de schouwplaats" (V.29)
Waar
de apostel in die tussentijd was, weten we niet, maar horende van het tumult,
wilde hij nu tussen het volk mee naar binnen gaan, als de discipelen hem daar
niet van hadden weerhouden. Het is een getuigenis van Paulus' karakter, dat op
dat ogenblik "sommigen ook der oversten van Azië (Lett. Asiarchen),
die hem vrienden waren" hem bericht zonden, niet in het theater te
gaan (V.31). Blijkbaar had Paulus respect en bewondering, en zelfs de
genegenheid van deze prominente mannen gewonnen, zodat zij nu, hoewel zelf geen
gelovigen, bewezen zijn ware vrienden te zijn.
In
de tussentijd was het theater als een gekkenhuis. "Zij riepen dan de een
dit de ander wat anders; want de vergadering was verward; en het
meerderdeel wist niet om wat oorzaak zij samengekomen waren" (V.32)
In
de opwinding werd een man, genaamd Alexander, uit de menigte opgehaald,
"door de Joden voortgestoten" (V.33). Sommigen hebben verondersteld
dat dit de Christen Alexander was van 1Tim.1:20, vóór zijn afval, en dat de
Joden hem naar voren trokken om hem over te leveren aan de wraak van de massa.
Maar er zijn onoverkomelijke bezwaren tegen dit gezichtspunt, speciaal omdat de
Joden zelf de aanbidding van Diana tegenstonden, en zichzelf nauwelijks in zo'n
comprimerende positie zouden stellen.
Het
is veel meer begrijpelijk dat deze Alexander de "kopersmid" is,
genoemd in 2Tim.4:14, die Paulus "veel kwaad" berokkende,
waarschijnlijk bij deze keer. Het is duidelijk dat deze man, naar voren gebracht
door de Joden, bezig was "een verdediging" (niet "zijn verdediging)
te maken naar het volk. Blijkbaar vreesden de Joden, zelf tegen afgodische
aanbidding, dat zij de toorn
van de zilversmids zouden ondergaan, en daarom een man kozen als één van hen
van "hetzelfde handwerk", een kopersmid, om uit te leggen, dat zij
de afval van Diana niet veroorzaakten - dit in het geval dat zij, als aanbidders
van de ene ware God, Paulus zouden hebben kunnen ondersteunen in dit conflict.
Alexander
kreeg echter geen gehoor. De menigte wist goed, dat de Jood een erfvijand van
afgoderij was, en toen zij zagen dat Alexander van dat zelfde ras was, werd hun
verwarring onmiddellijk opgeheven, en riepen zij als één man: "Groot
is de Diana der Epheziërs" (V.34) ongeveer twee uur lang.
Hier
hebben we een voorbeeld van hoe verkeerd de meerderheid kan zijn, en hoe weinig
zicht en gevoelen te vertrouwen zijn. Hier was een massademonstratie van diep
emotionele gevoelens, maar het was volstrekt onzuiver, en het resultaat totaal
onvoorspelbaar. Zo'n demonstratie was beladen met groot gevaar, want een
fanatieke massa als deze, met tot een hoogtepunt opgewonden emoties, zou bijna
alles kunnen doen.
Na
twee uren echter slaagde de stadsschrijver (de pensionaris van de stad) erin het
volk te kalmeren. Zichzelf bewijzende als zowel tactvol als overredend, een man
van de wereld, kalmeerde hij de gevoelens van de menigte met betrekking tot
Diana."Wat mens is er toch", vroeg hij, "die
niet weet, dat de stad der Ephesiërs de kerkbewaarster is van de grote godin
Diana, en van het beeld, dat uit de hemel gevallen is? Dewijl dan deze dingen
onwedersprekelijk zijn, zo is het behoorlijk, dat gij stil zijt en niets
onbedachts doet" (V.35,36).
Dit
was wel goed berekend om de storm van emoties te kalmeren, maar de conclusie van
de pensionaris was, zoals wij dit zien, net zo zwak als zijn stelling. "Wat
mens is er toch die niet weet?" "Dewijl dan deze dingen
onwedersprekelijk zijn"! De menigte staat natuurlijk klaar om als
waarheid te accepteren, dat wat hun verteld wordt met: "iedereen
weet". Inderdaad is er wellicht niets wat zelfs de grote meerderheid
van gelovigen geestelijk tegen houdt, als de gedachte dat zij niet moeten
afwijzen, datgene wat algemeen wordt geloofd, noch accepteren, dat wat
algemeen niet is geaccepteerd. Zo zetten zij in werkelijkheid de
menselijke mening boven goddelijke inspiratie. Laten wij God danken, dat waarheid
op een hechtere fundering rust dan de verwarde en veranderlijke meningen van
gevallen mensen! De pensionaris sprak zo vertrouwend over Diana en haar glorie,
maar Diana en haar tempel zijn herinneringen uit het verleden, en hun glorie
voorbij en vergaan.
Daarna
had de pensionaris iets te zeggen ter verdediging van Paulus en zijn
medewerkers. Zij waren geen "kerkrovers" geweest, noch
"lasteraars" over Diana (V.37). Hun zorg deze heidense godheid niet te
bespotten, toont aan wat een terughoudendheid Paulus' medewerkers hadden
beoefend onder zijn leiderschap en door zijn voorbeeld. In het verslag van zijn
bediening onder zowel Joden als heidenen, vinden we hem dikwijls
redenerend, debatterend en overtuigend, maar nimmer kwetsend
of belachelijk makend. Dit was alles in zijn voordeel.
In
het licht van dit alles, zo redeneerde de stadsschrijver, moesten Demetrius en
zijn vakmensen elke klacht tegen Paulus en zijn medewerkers naar voren brengen,
op de manier zoals voorgeschreven in de wet. En zo eindigde hij met een ernstige
vermaning dat het Romeinense gouvernement met groot misnoegen keek naar elke
inbreuk van wetteloosheid.
Nadat
zo de gemoederen van de menigte bedaard waren en de orde hersteld, verklaarde de
pensionaris de vergadering als gesloten.
DE POSITIE VAN DE GELOVIGEN
OPNIEUW VERSTERKT
Opnieuw
had God de tegenstand van Satan overwonnen om de positie van een jonge en
worstelende gemeente te versterken.
In
Philippi had Hij het Romeins burgerschap van Paulus gebruikt, in Corinthe de
wijsheid van een heidense rechter, en hier het beroep van de stadsschrijver. De
gemeente in Ephese zou nu in een veel voordeliger positie zijn, in deze
tijdsperiode, wanneer haar groei en vestiging zo belangrijk waren.
Zo
vangt God de wijzen in hun eigen kracht en is oorzaak, dat zelfs de toorn van de
man - ja, die van de duivel - Hem prijzen.
Tenslotte
dient te worden opgemerkt, dat Israel steeds meer op de achtergrond komt in deze
episode, als zowel de vervolging en de daarbij behorende bescherming, van de
heidenen uitgaat.
|