|
H
O O F D S T U K XXXIV
- HAND.19:1-22
DE DRIE JAREN IN EPHEZE
DE DISCIPELEN VAN JOHANNES
"En
het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe
was, dat Paulus de bovenste delen des lands doorreisd hebbende te Efeze kwam;
en enige discipelen aldaar vindende,
"Zeide hij tot hen: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, als gij geloofd
hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige
Geest is. En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In
de doop van Johannes. "Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt de
doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene Die
na hem kwam, dat is in Christus Jezus. "En die hem hoorden, werden gedoopt
in de Naam des Heren Jezus. "En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam
de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen en profeteerden.
"En alle dezen waren omtrent twaalf mannen."
Hand.19:1-7.
Paulus,
zijn belofte vervullend, keerde terug naar Epheze en had vast en zeker een
gelukkige hereniging met zijn geliefde Aquila en Priscilla en de andere
"broeders", waarnaar wordt verwezen in 18:19-21,27.
Voordat
hij naar de synagoge ging ontmoette hij "enige discipelen" die in de
bedeling niet verder waren gekomen dan Apollos vóór zijn contact met Aquila en
Priscilla. Zij wisten, net als Apollos, slechts van "de doop van Johannes".
Het
is te betwijfelen of zij discipelen geworden waren door de bediening van Apollos
te Epheze, want Aquila en Priscilla spraken met Apollos toen hij
"begon" te dienen in de synagoge (18:26), en er is geen enkele
aanwijzing dat Apollos ook maar één van zijn toehoorders doopte met de doop
van Johannes.
Het
feit echter, dat Paulus deze discipelen "vond" voordat hij de synagoge
bezocht, en zijn directe vraag over de Heilige Geest, wijzen op de mogelijkheid,
of wel de waarschijnlijkheid, dat zij kennissen van Apollos waren, die
hij (en wellicht Aquila en Priscilla) niet in verdere waarheid heeft kunnen
leiden. Dan zouden Aquila en Priscilla deze zaak aan Paulus hebben meegedeeld,
in de hoop dat het hem zou gelukken dit te doen, voordat hij zijn dienst in de
synagoge begon.
Andere
officiele weergaven van zowel Paulus' vraag en hun antwoord, zijn
misleidend. Het woord "als" in de vraag is net zo onjuist als
het "nadat" in Eph.1:13. Want Paulus' vraag was of zij de
Heilige Geest hadden ontvangen "op het geloof". Evenmin wijst
hun antwoord erop, dat zij vroegen naar het bestaan van de Heilige Geest.
Zij konden dit niet gevraagd hebben, want de Oud Testamentische Geschriften
bevatten vele verwijzingen naar de Heilige Geest, en de doop zelf van Johannes,
was een voorbereiding voor de doop met de Geest (Matt.3:11).
Verder
moet de vraag van Paulus worden begrepen in het licht van de achtergrond. Het
betrof hun ontvangen van de "uitstorting" van de Heilige Geest met wonderkrachten
(Hand.2:17,18). Onze Here had duidelijk gesteld, met betrekking tot de belofte
van de Geest:"En zie,, Ik zend DE BELOFTE MIJNS VADERS OP U; maar blijft
gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met KRACHT UIT DE
HOOGTE (Luk.24:49).
"Maar
GIJ ZULT ONTVANGEN DE KRACHT DES HEILIGEN GEESTES, DIE OVER U KOMEN ZAL"
(Hand.1:8).
Dit
was eveneens een belofte volgens Oud Testamentische profetie, zodat deze
discipelen werkelijk antwoordden: "Wij hebben zelfs niet gehoord of er een
Heilige Geest (gekomen) is" (V.2). Dit woord "gekomen" had
door andere vertalers niet moeten worden ingevoegd zoals zij ook het woord
"gegeven" toegevoegd hebben in Joh.7:39.
Dit
moet niet worden verward met de werking van de Geest in wedergeboorte,
nog minder met Zijn tegenwoordig werk van verzegeling van gelovigen (Eph.1:13),
als Hij hen doopt in Christus en Zijn Lichaam (Rom.6:3; 1Cor.12:13) en inwonend
bij hen als Zijn tempel (Eph.2:22). Inderdaad was het Christus, Die op
Pinksteren mensen doopte in de Geest, terwijl het heden de Geest is, die mensen
in Christus doopt (Matt.3:11; cf.Rom.6:3; 1Cor.12:13).
Ontdekkende
dat deze discipelen de Geest niet hadden ontvangen (in wonderkracht),
vroeg de apostel: "Waarin zijt gij dan gedoopt?", waarop zij
antwoordden: "In de doop van Johannes" (V.3).
Dit
verklaarde natuurlijk waarom zij de Geest niet ontvangen hadden, want indien zij
waren gedoopt met de doop van Petrus op Pinksteren, zouden zij "de gave des
Heiligen Geestes" ontvangen hebben (Hand.2:38).
WERDEN
DEZE DISCIPELEN WEDERGEDOOPT?
Nu
zijn de teksten 4 en 5 gebruikt door hen, die spreken van "Christelijke
doop" - speciaal onze Baptistenvrienden - om het grote belang te laten zien
van waterdoop en dopen op de juiste manier.
Dit
is, zoals zij redeneren, de laatste keer dat in Handelingen wordt gesproken van
waterdoop. En deze discipelen moesten deze werkelijk weer ondergaan, omdat zij
niet waren gedoopt met de "Christelijke doop" - de doop van de
"grote opdracht" en/of Pinksteren.
Er
is voor "Christelijke doop" geen zwakker argument, en wij stellen ons
hier voor te bewijzen, dat deze discipelen in het geheel niet werden herdoopt.
Het
is spijtig dat de verzen 4 en 5 al zo lang op het Baptistentoneel worden
voorgelezen, zodat het haast voor sommigen onmogelijk is om deze correct te
lezen. Ook de algemene reeks van commentaren zijn aangedaan met de voortdurende
herhaling van het Doperse zicht op deze passage, zelfs al veroorzaakt het ook
onoverbrugbare moeilijkheden.
Het
misverstaan van deze passage ontstaat door het verkeerde begrip, dat vers 5 de wederdoop
weergeeft van deze discipelen, terwijl het in werkelijkheid het vervolg is
van Paulus' verklaring in vers 4. In vers 5 herinnert Paulus aan de reactie van
Johannes' toehoorders op zijn boodschap.
Onder
de vele argumenten die dit zicht ondersteunen, noemen wij de volgende:
1.Er
was geen grondig verschil tussen de doop van Johannes en die van Petrus op
Pinksteren. Beiden waren dopen op "bekering", en beiden waren "tot
vergeving van zonden" (Mark. 1:4; Hand.2:38). Er was echter een
verschil in resultaat, want op Pinksteren ontvingen de gedoopten "de
gave van de Heilige Geest" in aanvulling op de vergeving van zonden.
Dit verklaarde waarom deze discipelen deze gave niet ontvangen hadden, en
waarom, toen Paulus hun de handen oplegde, zij nu "spraken in vreemde talen
en profeteerden".
2.Paulus
hoofdvraag betrof niet waterdoop, maar de gave van de Heilige Geest. Deze
discipelen hadden deze gave niet ontvangen, omdat zij gedoopt waren vóór de
komst (uitstorting) van de Geest. Daarvoor legde Paulus hun de handen op,
onder mededeling van de Geest aan hen.
3.Waarom
zouden alleen deze enkele discipelen wedergedoopt zijn? Waarom niet de twaalf
apostelen, Apollos en allen die reeds gedoopt waren vóór Pinksteren?
4.Hoe
kon de wederdoop van slechts deze weinigen de belangrijkheid bewijzen van
"Christelijke doop" boven de doop van Johannes? Zou niet het ontbreken
van bewijs, dat al de anderen werden herdoopt, juist niet het tegendeel
bewijzen?
5.Waarom
zou het verslag van Lukas zijn onderbroken om de wederdoop van deze twaalf
mannen te vermelden, zonder uit te leggen waarom alleen deze moesten
worden herdoopt?
6.Het
verslag zegt niet dat deze mannen weer gedoopt werden.
7.Als
de bekende vertaling van vers 5 correct zou zijn, zou zij mogelijk luiden:
"Toen zij dit hoorden doopte Paulus hen..." of "zij
werden
weer gedoopt...". Zoals het is, vermeldt vers 5 de reaktie van
Johannes' toehoorders op zijn boodschap (V.4), en dan begint Paulus in vers 6
("En toen Paulus..."etc.) zijn handen op hen te leggen, opdat zij de
Heilige Geest zouden mogen ontvangen.
8.
In Hand.8:12-17 waren er gelovigen die reeds gedoopt waren met de
zogenaamde "Christelijke doop", maar toch om een of andere reden de
gave van de Heilige Geest niet ontvangen hadden. Deze, net als de discipelen
waar het hier om gaat, ontvingen de Geest door de oplegging van handen.
9.
Als deze "laatste vermelding" van waterdoop in Handelingen de
belangrijkheid van "Christelijke doop" bewijst, bewijst dit dan ook
niet dat tongen en profeteren samengaan met Christelijke doop? Toen deze
discipelen "wedergedoopt" werden, kwam de Heilige Geest op hen, en "zij
spraken met vreemde talen en profeteerden" (V.6).
Het
is buitengewoon vreemd, dat maar zo weinigen van hen die deze passage gebruiken
om de belangrijkheid van Christelijk dopen te bewijzen, deze klaarblijkelijke
tegenstelling van hun standpunt schijnen op te merken. Wij weten van slechts
één iemand die de wederdooptheorie vasthoudt, die openlijk de bijna
onmogelijkheid van handhaving van dit standpunt toegeeft. Dat is Dr.W.M.Ramsay
uit Aberdeen, Schotland. In zijn boek, "St. Paul the Traveller and Roman
Citizen", zegt hij: "Ik moet bekennen deze episode niet te
begrijpen... Als er enige grond zou zijn in de gewijde geschriften, of oude
Vertalingen, om deze episode weg te laten, zou men zeker geneigd zijn dat te
doen" (P.270).
Enige
nadruk wordt wel gelegd in de zogenaamde "formule" in vers 5, als
bewijs dat dit niet slaat op de doop van Johannes.
Zoals
we telkens weer geschreven hebben, is er geen enkele Schriftuurlijke
rechtvaardiging voor het begrip dat de uitspraken, "de naam van de Vader,
en van de Zoon, en van de Heilige Geest" (Matt.28:19) en "de naam van
de Here Jezus" (Hand.19:5) formules zouden zijn, die bij dopen
dienen te worden gebruikt. Dit ongefundeerd begrip leidde er toe, dat wijlen Dr.
Haldeman kerklidmaatschap weigerde aan iemand die gedoopt was door Dr.
Pettingill, omdat hij niet gedoopt was in de naam van de Drieëenheid
(overeenkomstig Matt.28:19), maar in de naam van de Here Jezus (overeenkomstig
Hand.2:38 en 8:16). Ditzelfde Schriftuurlijk begrip heeft sommigen tot de
conclusie geleid, dat de twaalf apostelen niet werkten onder de opdracht,
vastgelegd in Matt.28.
Wanneer
onze ambassadeurs in andere landen ons vertegenwoordigen bij diplomatieke
conferenties, spreken zij vanzelfsprekend, in de naam van het Koninkrijk der
Nederlanden. Zij blijven echter deze woorden niet herhalen als een formule.
En wie zal ontkennen dat Johannes, de voorloper van Christus, uitging en doopte
in Zijn naam en op Zijn gezag, zoals ook de apostelen deden?
Het
verslag eindigt met aan te geven, dat het aantal der discipelen te Ephese
"omtrent twaalf" was. Als hieraan enige betekenis verbonden zou mogen
worden, zou het kunnen schijnen, dat hun ervaring strookt met Israel en
de goddelijke regering, en dit zou overeenstemmen met het doel van het
boek Handelingen.
VAN DE SYNAGOGE NAAR DE
SCHOOL VAN TYRANNUS
"En
hij ging in de synagoge en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang, met hen
handelende en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.
"Maar
als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg des
Heren voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks
handelende in de school van zekere Tyrannus.
"En
dit geschiedde twee jaar lang, alzo dat allen die in Azië woonden, het Woord
des Heren Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken."
- Hand.19:8-10.
Het
vorige bezoek van Paulus aan Ephese, samen met de getuigenissen van Apollos en
ongetwijfeld Aquila en Priscilla, had op zijn minst er toe gediend om in de
synagoge van Ephese een hevige interesse op te wekken, zodat Paulus bij zijn
terugkomst in de gelegenheid werd gesteld om daar gedurende drie maanden te
dienen. Wij moeten echter niet tot de conclusie komen, dat hij kans zag om zijn
positie onder hen te behouden gedurende deze tijdsduur, door een "discrete
stilte" te betrachten bij de meest vitale van alle onderwerpen, zoals
sommige "diplomatieke" predikers vandaag. Ons wordt immers duidelijk
verteld, dat hij al die tijd zonder reserve, "vrijmoedig sprak".
Nog
meer dan dat; al die tijd "disputeerde" of "debatteerde"
hij met deze Joden en probeerde hen te "overreden" met de
waarheden betreffende "het koninkrijk van God" (V.8).
Het
is een triest verhaal over de toestand van de Kerk vandaag, dat men voor
ander zicht op het Woord van God, de wenkbrauwen fronst. Christelijke
leidslieden beschouwen het dikwijls als een persoonlijke aanval wanneer hun
leerstukken worden bekritiseerd. Debatten over belangrijke Bijbelse leerstukken
worden als "ongeestelijk" beschouwd, en waarom, zo vragen zij, zouden
wij proberen anderen te overreden om te geloven zoals wij? Waarom laten
we het niet aan de Heilige Geest over om het hun duidelijk te maken? Zo weinig
betekent het Woord van God voor hen; zo volledig is de geest van de edele
Bereërs uit hun harten verdwenen.
Laten
zulke mensen in dit geval toch acht geven op de houding van Paulus, want men
vindt hem constant temidden van voor- en tegenspraak Niemand kan ooit zeggen dat
hij onverschillig was over wat mensen geloofden. En laten zij eens horen
naar de woorden van iemand die schreef in een tijd, toen grote aantallen van
onze uitnemendste Bijbelcommentaren en theologische werken werden geschreven:
"Wij
leven in een tijd van veel religieus debat...en debat heeft de strekking om de
waarheid helderder aan het licht te brengen (Companions of St.Paul,
P.14). "Ik beweer dat het een gelukkige omstandigheid is, dat deze
onderwerpen gaarne worden besproken. Want debat leidt tot verbetering, en
verschil van mening is veel beter dan onverschilligheid"(Ibid,P.51).
Maar
nogmaals, "diversen verhardden zich" en "geloofden
niet", lett., "Waren ongelovend", i.c. zij wilden
niet geloven, en hun hardnekkig ongeloof dreef hen, om Paulus in het
openbaar tegen te staan, door "kwaad te spreken" over zijn leringen,
zoals de Joden hadden gedaan in Paphos, Pisidisch Antiochië, Iconium, Lystra,
Thessalonica, Berea en Corinthe.
Overtuigd
dat zijn bediening in deze streek nu tot een eind gekomen was, en verlangend om
degenen die geloofden naar een meer passende omgeving te brengen,
"vertrok" de apostel uit de synagoge en "scheidde de discipelen
af" van de ongelovige Joden, en begon een dagelijkse bediening in "de
school van zekere Tyrannus" (V.9). De school van Tyrannus werd voor de
synagoge van Ephese, wat het huis van Justus geweest was voor de synagoge in
Corinthe: een openlijk veroordeling van Israels afwijzing van Christus.
Wij
weten niet of de nieuwe plaats van bediening een van de godsdienstige scholen
was die dikwijls verbonden waren met synagoges, ofwel een openbaar
leerinstituut. Ook niet of Tyrannus deze school gratis ter beschikking stelde,
omdat hij tot Christus bekeerd was, of geinteresseerd was, of dat Paulus en zijn
medewerkers deze van hem huurden. Evenmin of Tyrannus toen de lector van
deze school was, of dat zij alleen maar naar een zekere Tyrannus genoemd was.
Wij weten ook niet de uren waarop Paulus daar college hield. Wij weten alleen,
dat we hem daar vinden, ernstig en ijverig, zoals altijd,
"dagelijks
handelende in de school van zekere Tyrannus. "En dit geschiedde twee jaar
lang, alzo dat allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden,
beide Joden en Grieken"
(V.9,10).
Zo
kreeg de gemeente in Ephese duidelijk gestalte, en Ephese werd het centrum van
het apostolisch werk van Paulus, en de hoofdzetel van het Christendom in Azië.
Enige
jaren tevoren werd hem "verhinderd door de Heilige Geest om het Woord in
Azië te spreken" (Hand.16:6), maar nu werd hij gebruikt door God om de
hele provincie zorgvuldig te bewerken. Het is mogelijk, dat de provincie
spontaan werd geevangeliseerd, toen het evangelie van de genade van God van de
een naar de ander gedragen werd. Maar ook in onze dorre dagen heeft de
voortdurende aanwezigheid van een prominent evangelist
dikwijls effect op een groot gedeelte rond de stad waar hij dient.
Waarschijnlijker echter, werd de provincie bewerkt door middel van een
georganiseerde campagne, omdat de apostel zijn helpers vooruit zendt met de
boodschap. Het valt echter te betwijfelen of Paulus zelf Ephese verliet om
hieraan deel te nemen, want ook hier is geen mededeling van. Maar onze tekst
stelt zeer speciaal, dat "deze' dagelijkse dienst in de school van Tyrannus
"twee jaar lang" duurde, met als resultaat, "dat
allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden". Verder
verklaart Paulus in een later geschreven brief duidelijk, dat de gelovigen in
Colosse en Laodicea, twee van de voornaamste steden in Azië, zijn gezicht niet
gezien hadden (Col.2:1).
Vanuit
het verslag lijkt het waarschijnlijk, dat het werk boven de school uitgroeide,
en dat in aansluiting aan de drie maanden in de synagoge, en de twee jaren in de
school van Tyrannus, hij nog ongeveer negen maanden in Ephese doorbracht (Zie
Hand.20:31). Het kan zijn, dat de rest van Hoofdstuk 19 verslag geeft van
gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende deze tijd. Zeker is, dat er in V.22
staat "een tijdlang".
PAULUS' VOORTDURENDE INSPANNING
Voordat
we de twee voorbeelden van de kracht van Paulus' dienst, die ons in Hoofdstuk 19
gegeven worden beschouwen, zouden we eerst aandacht dienen te schenken aan wat
aanvullende informatie over zijn verblijf in Ephese, die ons buiten dit
hoofdstuk wordt verstrekt.
Eerst
dient te worden opgelet, dat gedurende de meeste tijd van zijn verblijf in
Ephese, hij met zijn handen werkte - waarschijnlijk weer met Aquila en Priscilla
- om niet alleen in zijn eigen onderhoud, maar ook in dat van zijn medewerkers
te voorzien. In Hand.20:34 brengt hij de oudsten van Ephese tebinnen: "En
gijzelven weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dengenen die met mij
waren, gediend hebben". En als hij aan de Corinthiërs schrijft tegen
het einde van zijn verblijf te Ephese (zoals we later zullen zien), zegt hij: "Tot
op deze tegenwoordige ure...werkende met onze eigen handen" (1Cor.4:11,12).
En
behalve dit, debatteerde hij dagelijks in de school van Tyrannus gedurende twee
van deze jaren, en maakte ook nog tijd voor veel persoonlijk bezoek, "lerende
in het openbaar en bij de huizen" (Hand.20:20). Dominees die een
minimum aan energie in hun dienst voor de Here besteden, en zich dan verwonderen
waarom er geen voortgang is, doen er goed aan deze feiten, onder gebed, te
beschouwen en ernaar te handelen.
ZIJN VERVOLGINGEN EN LIJDEN
De
apostel droeg in Ephese vele zware lasten.
Als
hij aan de Corinthiërs over de zaak schrijft, zegt hij, dat er "vele
tegenstanders" waren (1Cor.16:9). Het is te betwijfelen, dat de "beesten"
waarmee hij "vocht...te Ephese" (1Cor.15:32) werkelijk
wilde beesten waren, maar zijn wijze van uitdrukking in deze passage geeft ons
enig idee van de hevigheid van de tegenstand welke hij ontmoette.
Er
was in Ephese een grote arena of amphitheater waar hardloop, boks en
worstelwedstrijden plaats vonden. Aan het eind van zo'n vermakelijkheid zond men
dikwijls mensen in de arena om met wilde beesten te vechten. Zij werden "laatste
slachtoffers" genoemd. Soms waren zij getrainde gewapende mannen, maar
meestal waren het veroordeelde misdadigers, totaal ongewapend. Deze
"eindshows" werden beschouwd als de climax van de dag van
vermakelijkheid voor de bloeddorstige massa die er samenkwam.
Vrijwel
zeker zinspeelde de apostel hierop, toen hij aan de Corinthiërs schreef:"Want
ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, tentoongesteld heeft als
tot de dood verwezen; want we zijn een schouwspel geworden der wereld en den
engelen en den mensen" (1Cor.4:9).
Eén
aspect van zijn lijden wordt niet genoemd in Hand.19. Toch is dit iets wat we
zouden mogen verwachten, en wordt wel genoemd bij zijn vaarwel aan de oudsten
van Ephese: de venijnige en onophoudelijke tegenstand van de ongelovige Joden.
Als hij zijn vrienden vaarwel toebidt, herinnert hij de vele tranen en
verzoekingen "die mij overkomen zijn door de lagen der Joden"
(Hand.20:19). Degenen waarvan hij gedwongen werd zich te scheiden in de synagoge, en wellicht van anderen in overige steden
waar hij gediend had, wilden hem niet met rust laten, maar zochten telkens weer
gelegenheid om hem te doden. Zijn leven was constant in gevaar. Als hij
belangstellende toehoorders bezocht, was hij zich bewust, dat gevaar en dood hem
bedreigden. Het was altijd gevaarlijk alleen te zijn. Deze voortdurende last
drukte op hem, en maakte dikwijls dat hij in tranen uitbarstte.
Dan
was daar bovendien "de zorg van al de gemeenten" (2Cor.11:28).
Behalve de nieuwe gemeenten van Azië (1Cor.16:19), die steeds meer aandacht
vroegen, waren er de andere gemeenten, ver weg, die hij had gegrondvest, en van
welke hij bericht ontving.
Het
schijnt vóór of gedurende zijn verblijf in Ephese te zijn geweest, toen hij
verontrustend nieuws hoorde over de gemeenten in Galatië, dat hij onmiddellijk
eigenhandig naar hen schreef om te waarschuwen voor de gevaren van de koers die
zij namen. Er waren ook berichten van andere gemeenten, die aandacht vroegen, en
het is zonder twijfel dat hij onder zijn tentenmakerswerk voortdurend aan deze
geloofsgemeenschappen dacht.
Waar
Corinthe gelegen was aan de Aegïsche Zee tegenover Ephese, en er een geregelde
verbinding tussen beide steden was, bleef Paulus ongetwijfeld beter geinformeerd
over de Corinthische gemeente, dan over andere, buiten Klein Azië. De berichten
uit Corinthe waren inderdaad zo verontrustend, dat de apostel gedreven werd,
gedurende deze tijd, hun een kort bezoek te brengen. Hoe snel berichten over hun
scheidingen, strijden over de wet, wanordelijke samenkomsten etc. hem bereikten,
weten we niet, maar het is duidelijk, dat hij reeds begon te begrijpen welke
grove onzedelijkheid onder hen plaats vond - onzedelijkheid die zelfs onder
heidenen als schande werd beschouwd.
Dit
tweede bezoek aan Corinthe wordt niet werkelijk weergegeven, maar er is een
duidelijke interne aanwijzing, dat het plaats vond. Want één ding is zeker,
het tweede vermelde bezoek aan Corinthe (Hand.20:1-3) wordt tweemaal zijn
"derde" bezoek genoemd (2Cor.12:14; 13:1), zodat er een bezoek
tussen de twee, die vermeld zijn, moet zijn geweest. De apostel beschrijft dit
bezoek als een, waarin hij "in droefheid" gekomen was (2Cor.2:1), en
een dat hem tot grote persoonlijke vernedering gebracht had (2Cor.12;21).
Daarom schrijft hij in 2Cor.13:2: "zo
ik wederom kom, zal ik hen niet sparen".
Behalve
Paulus' niet vermelde bezoek aan Corinthe, is er ook nog een brief, hoewel deze
niet in de Heilige Schrift is opgenomen, die hij blijkbaar in die tijd aan hen
schreef. Deze is "de brief" waarnaar wordt verwezen in 1Cor.5:9.
Blijkbaar had hij, na zijn korte bezoek aan hen, verder verontrustende berichten
ontvangen over hun moreel gedrag, zodat het nodig werd hun een brief te
schrijven waarin, met apostolisch gezag, hij hen verbood enige omgang met
hoereerders te hebben. Kennelijk was dit dringend verzoek verkeerd begrepen
(misschien bij sommigen van hen wel opzettelijk), zodat zij hem toen een brief
zonden, waarop de Eerste Corinthebrief (eigenlijk zijn tweede brief aan
hen) gedeeltelijk het antwoord was (Zie 1Cor.7:1). In deze brief verklaart hij
verder, dat zijn voorgaande brief had gewezen naar gemeenschap hebben met belijdende
gelovigen die hoererij bedreven (1Cor.5:9-11).
Al
deze bezorgdheid en hartsverdriet had de apostel te dragen, onderwijl
lichamelijk hardwerkend om zichzelf en zijn medewerkers te onderhouden,
terzelfder tijd een uitgebreide publieke en persoonlijke geestelijke bediening
verzorgend. Ja, dit en nog meer, want terwijl hij nog in Ephese was schreef hij
aan deze vleselijke gelovigen: "Wij
zijn dwazen om Christus' wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn
zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.
"Tot
op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt
en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; "En
arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden en wij zegenen;
wij worden vervolgd en wij verdragen; "Wij worden gelasterd en wij bidden;
wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu
toe" (1Cor.4:10-13).
GODS
ZEGEN OP ZIJN BEDIENING
Men
moet uit dit alles niet veronderstellen, dat Paulus in de geest in elkaar gezakt
was, en zijn inspannende dienst slechts volhield uit een zin voor strenge
plicht. Ver van dat! In vertrouwen op God, en ongetwijfeld met de inspiratie en
bemoediging van trouwe helpers in het werk, handhaafde hij een opmerkelijk
geestelijk evenwicht. Zoals hij schreef aan de Corinthiërs, niet lang daarna:
"Als
die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet
mismoedig; "Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet
verdorven;" (2Cor.4:8,9).
Zo
was zijn bediening in Ephese bovenmate gezegend. In vers 10 van Hand.19 leren
we, dat door zijn bediening daar, geheel Azië "het Woord van de Here
Jezus" hoorde; in het overige van het hoofdstuk wat wij nog zullen
beschouwen, vinden we een groot gedeelte van de bevolking van Ephese, vrijwillig
hun heidense boeken in het openbaar verbrandend. "Alzo wies het Woord
des Heren met macht en nam de overhand" (V.20). En deze geestelijke
overwinningen worden bevestigd door Demetrius de zilversmid, die klaagde dat hij
"veel volk niet alleen van Ephese, maar ook bijna geheel Azië overreed
en afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt
worden" (V.26). Geen wonder dat Paulus aan de Corinthiërs schreef: "Want
mij is een grote en krachtige deur geopend" (1Cor.16:9). In al zijn
vervolgingen en lijden was God aan het werk.
Voordat
we dit onderzoek van Paulus' bediening te Ephese afsluiten, hebben we nog twee
specifieke gevallen van Gods zegeningen hierop te beschouwen: één met
betrekking tot Israel, en de andere tot de heidenen.
OORDEEL OVER ISRAEL
ZEGEN VOOR DE HEIDENEN
"En
God deed ongewone
krachten door de handen van Paulus;
"Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of
gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de boze geesten van hen
uitvoeren. "En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivelbezweerders,
hebben zich onderwonden den Naam des Heren Jezus te noemen over degenen die boze
geesten hadden, zeggende: wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt.
"Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die
dit deden. "Maar de boze geest antwoordende zeide: Jezus ken ik, en Paulus
weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? "En de mens in welken de boze geest
was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen,
alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis vloden. "En dit werd allen
bekend, beiden Joden en Grieken, die te Ephese woonden; en er viel een vrees
over hen allen, en de Naam des Heren Jezus werd grootgemaakt. "En velen
dergenen die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden.
"Velen ook dergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken
bijeen en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde
derzelve en bevonden vijftig duizend zilveren penningen."
- Hand.19:11-20.
In
de passage die voor ons ligt, hebben we nog een van deze betekenisvolle verhalen
uit Handelingen, die symbolisch de zegen der heidenen en de val van Israel naar
voren brengen. Het begint met de "ongewone" krachten die God wrocht
door Paulus. Eigenlijk zou het woord "ongewoon" moeten zijn
weergegeven in negatieve vorm zoals in het Grieks: "niet gewoon" of
"niet gebruikelijk". Het punt is dat, hoewel Ephese meer
orientaals van karakter zijnde dan Athene of Corinthe, veel tovenaars en
wonder-doeners in haar straten had, God Paulus gebruikte om wonderen te werken,
die zij niet konden nadoen, net als Mozes en Aaron, meer dan vijftien eeuwen
eerder, wonderen gewerkt hadden, die Pharao's tovenaars niet konden imiteren.
Hieronder
behoorden het genezen van ziekten en uitwerpen van demonen door middel van
doeken en kledingstukken, die Paulus lichamelijk had gedragen. De tijd van
demonstratieve wonderen was nog niet voorbij.
Maar
onder degenen die getuige waren van deze wonderen was een gezelschap Joden, die
een symbool vormden van wat hun volk spoedig zou overkomen, en dat sindsdien
gekomen is.
Zij
waren "omzwervende Joden", ver van hun land verwijderd, zeker niet
het verloste Israel van de toekomst typerend, dat "zal wonen in hun
eigen land" (Jer.23:8) maar eerder van het tegenwoordige gevallen Israel,
dat niet in eigen land, maar nog in andere landen rondzwerft.
Bovendien
waren deze Joden "exorcisten", mannen die boze geesten uitwierpen, of
beweerden uit te werpen, natuurlijk niet door de kracht van God, maar door
tovergebaren, spreuken en andere middelen, hetgeen met zich bracht, dat zij van
plaats naar plaats trokken met het aanbod, voor geld demonen uit te werpen.
Nu
poogden sommigen van hen, ziende de kracht die Paulus uitoefende in de naam van
de Here Jezus Christus, Christus' naam te gebruiken bij hun toverijen, door te
zeggen: "Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt".
Hoe
zeer deze zwervende Joden geestelijk gevallen waren, is duidelijk uit het feit,
dat zij, om persoonlijke winst, de naam van de Here Jezus, hun Messias, die zij
verworpen hadden, wilden gebruiken, in een treffen met boze geesten, hetgeen
strikt verboden was bij de Schrift, en strafbaar met de dood (Zie Ex.22:18; Lev.20:27;
Deut.18:10,11; 1Sam.28:3,9).
Ook
hierin waren zij type van hun volk, want in plaats van nu God te
vertegenwoordigen voor de volkeren, is Israel een valse profeet
geworden, door de Messias af te wijzen. Maar toch, omdat Christus wordt
afgewezen als een bedrieger, staat niemand meer klaar om financieel voordeel van
Hem te trekken dan de Jood, op "Goede Vrijdag", in de Paastijd, met
Kerstmis en het hele jaar door.
Onder
deze omzwervende bezweerders waren zeven zonen van een overpriester, genaamd
Sceva, die op een keer de naam van Christus gebruikten met rampzalige gevolgen.
De boze geest antwoordde verachtelijk: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik;
maar gijlieden, wie zijt gij?", waarop de, van de duivel bezeten mens,
met de kracht van de bezetene in Gadara, op hen sprong en alle zeven versloeg,
"alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden" (V.16). Dat was
de konsekwentie van het ongemachtigd gebruik van die heilige naam.
Hierin
waren deze omzwervende Joden eveneens symbolisch voor het volk in het geheel,
want in hun vals gebruikmaken van Christus, had Satan hen verslagen en
geestelijk naakt en verwond achter gelaten.
Maar
er is nog meer in dit verhaal dat symbolisch is, want als gevolg van deze
gebeurtenis, "werd de Naam van de Here Jezus grootgemaakt", en er
waren "velen", blijkbaar met inbegrip van enige Joden, die nu
"geloofden...belijdende en verkondigende hun daden" (V.17,18).
Nogmaals
zien we hier, dat redding tot de heidenen komt door Israels val (Zie Rom.11:11-15)
en nog meer: door hun val is de genade voor allen, beiden Joden
persoonlijk en heidenen persoonlijk, zoals geschreven staat: "Want er is
geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want Eenzelfde is Here van
allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen. "Want
een iegelijk, die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig worden" (Rom.10:12,13).
"Want
God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou
barmhartig zijn. "O
diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk
zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen!
(Rom.11:32,33).
Als
resultaat van het gericht over deze bezweerders, brachten gelovigen die
"tover"kunsten gebruikt hadden, hun instructieboeken, geheime
formules, toverspreuken, etc., en maakten een grote brandstapel. Daar
verbrandden zij boeken tot een totaal bedrag van ongeveer vijftig duizend
zilverstukken, ofwel bijna tienduizend dollars. "Alzo wies het Woord des
Heren met macht en nam de overhand" (V.20).
Zo
waren de "ongewone" krachten die God wrocht door Paulus, het tegendeel
van een bemoediging voor afgodische praktijken en bijgeloof, maar eerder een
bovennatuurlijk getuigenis, in het bijzonder voor Israel, dat de bediening van
Paulus het werk van God was.
PLANNEN OM JERUZALEM EN
ROME TE BEZOEKEN
"En
als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de geest, Macedonië en
Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar
zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien.
"En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden,
namelijk Timotheus en Erastus, bleef hij zelf een tijdlang in Azië."
- Hand. 19:21,22.
Wij
kunnen niet beweren, dat Paulus enige openbaring ontvangen had, die hem
instrueerde naar Jeruzalem en Rome te gaan, want er staat duidelijk, dat hij "zich
voornam", dat is "in de geest" i.c. zijn geest. De Companion
Bible verklaart het zo: "Dit betekent, dat hij vastbesloten was".
Het
hart van de apostel verlangde voortdurend naar Jeruzalem en naar zijn
stamgenoten (Rom.9:1-3; 10:1)en ook had hij reeds lang een verlangen om naar
Rome te gaan (Rom.1:13; 15:23) maar hij kon zich nauwelijks voorstellen, dat hij
al zo gauw van de ene naar de andere zou worden genomen, als "de
gevangene van Christus voor (de) heidenen" (Eph.3:1).
Van
plan om door Macedonië en Achaje te gaan, voordat hij naar Jeruzalem zou
reizen, zond hij Timotheus en Erastus vooruit, blijkbaar om de Corinthiërs
speciaal voor te bereiden op zijn komst, zodat hij hen, en ook zichzelf, bij
zijn komst niet weer in verlegenheid zou brengen (1Cor.4:17).
Het was ongetwijfeld bij deze keer, dat de Eerste brief aan de Corinthiërs (eigenlijk
zijn tweede brief aan hen) geschreven werd.
Wij
weten dat deze brief geschreven werd, terwijl hij in Ephese was (1Cor.16:8). We
weten ook dat hij geschreven werd, toen zijn bediening daar voorspoedig was
(1Cor.16:9), hetgeen dit kennelijk plaatst in, of na Hand.19:20. We zijn verder
ook geinformeerd, dat zij werd geschreven toen hij van plan was om hen te
bezoeken, na een kort verblijf in Ephese (1Cor.16:8). Dit zou de tijd weer
plaatsen in Hand.19:22b. Tenslotte was zij zeker geschreven vóór het grote
tumult over de godin Diana (Hand.19:23-41) want onmiddellijk hierna vertrok hij
naar Macedonië en Griekenland (Hand.20:1,2).
De
brief die wij kennen als Eerste Corinthiërs, moet dan bijna zeker
geschreven zijn tussen het openbaar verbranden in Hand.19:19 en het oproer over
Diana, of gedurende de "tijdlang" waarnaar wordt verwezen in V.22.
Blijkbaar kwam de gemeente in Ephese, of een gedeelte ervan, in die tijd samen
in het huis van Aquila en Priscilla (1Cor.16:19).
Het
plan om Macedonië en Achaje weer te bezoeken, was ongetwijfeld voor het
grootste deel het gevolg van de voortdurende berichten uit de gemeente te
Corinthe. Leden van "het huisgezin van Chloë" hadden gerapporteerd
dat er een geest van twist de overhand had onder de gelovigen daar. Het
voortdurende onderlinge contact tussen Ephese en Corinthe moet vele gelovigen
van de ene naar de andere stad gebracht hebben, want de apostel had ook gehoord
van hun naar het gerechtshof gaan van de een tegen de ander, hun wanordelijk
gedrag tijdens hun diensten, en vele andere ernstige fouten. Inderdaad werd het
ernstigste misdrijf van alle "gewoon doorgegeven":
onzedelijkheid zo smerig, dat zelfs de heidenen het onbetamelijk vonden erover
te spreken (1Cor.5:1).
Dan
was er ook de brief die hij van hen had ontvangen aangaande het huwelijk.
Dit moest ook behandeld worden. Zo zijn wij vandaag dus in bezit gekomen van de
"Eerste Corinther Brief". Uit deze lange brief leren we, dat de
apostel veel had gepredikt wat in het boek Handelingen, vanwege haar doel en
strekking, niet vermeld is. Daar toont hij, dat "de prediking van het
kruis" zijn thema is geweest (1Cor.1:17-25). Daarin berispt hij de Corinthiërs
omdat, als gevolg van hun vleselijkheid, hij aan hen "de diepten Gods"
en de grote waarheden van "het geheimenis", die hij onderwezen had aan
meer volwassen gelovigen (1Cor.2:1,2,6,7; 3:1-4), niet kon verklaren. Aan hen
die zich beroemden op hun partij-connecties of die met elkaar voor het gerecht
in het geding gingen, verklaarde hij, dat zij "door één Geest" waren
"gedoopt in één lichaam", en dat zij met al hun fouten
"het Lichaam van Christus" waren, dus leden van Hem, en
daardoor ook van elkaar (1Cor.12:13,14,27). Aan degenen die trots waren op hun
wonderkrachten, speciaal het spreken in tongen, toonde hij de hemelse glorie der
liefde (1Cor.13:8-13). Aan de genen die leefden alsof zij met niemand rekening
hoefden te houden, verklaarde hij dat Christus inderdaad leefde, en openbaarde
het daarop volgende "geheim", dat Hij op elk "moment" zou
komen om hen tot Zich te roepen (1Cor.15:12,20,51-53).
DE WONDEREN IN CORINTHE
Zij
die veronderstellen dat de wonderkrachten van de apostolische tijd een teken
waren van geestelijkheid, en die stellen, dat als wij maar geestelijker waren,
wij deze ook zouden bezitten, dienen hier stil te staan en het geval van de
gelovige Corinthiërs te beschouwen.
Uit
de brieven van Paulus aan de Corinthiërs is duidelijk, dat zij van alle
gemeenten de ongeestelijkste waren. Toch erkent hij: "...dat het
(hun) aan geen gave ontbreekt" (1Cor.1:7). Dat "gaven der
gezondmakingen... werkingen der krachten... profetie... menigerlei talen,"
etc. waren inbegrepen bij deze "gaven" is duidelijk uit 1Cor.12:9,10.
Uit
het feit, dat de Corinthische gemeente bovenaan stond bij de anderen in
het bezit van zulke gaven, was geen bewijs van hun geestelijkheid. Wat
gaven zij dan wel aan? Eenvoudig dit, dat God werkte. Het waren tekenen
voor de ongelovigen, en speciaal voor de ongelovige Joden (1Cor.1:22).
Zo
wordt het dus bijzonder betekenend, dat het deze ongeestelijke gemeente
was, die het meest de gaven als teken bezat. Of de gelovigen in Corinthe
toentertijd ook al of niet samenkwamen in het huis dat "naast de
synagoge" stond, zij waren niettemin vast en zeker onder voortdurend
toezicht van de Joden van de synagoge daar. Deze Joden zouden zeker niet onder
de indruk komen door het leven wat deze vleselijke gelovigen leidden,
maar, lettend op de tekenen, hebben moeten erkennen, dat de nieuwe beweging het
werk van God moest zijn (Zie Joh.3:2).
|