De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

                          

H O O F D S T U K  XXXIV  -  HAND.19:1-22

    DE DRIE JAREN IN EPHEZE

        DE DISCIPELEN VAN JOHANNES

"En het geschiedde, terwijl Apollos te Korinthe was, dat Paulus de bovenste delen des lands doorreisd hebbende te Efeze kwam; en enige discipelen aldaar vindende, "Zeide hij tot hen: Hebt gij de Heilige Geest ontvangen, als gij geloofd hebt? En zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest is. En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes. "Maar Paulus zeide: Johannes heeft wel gedoopt de doop der bekering, zeggende tot het volk, dat zij geloven zouden in Dengene Die na hem kwam, dat is in Christus Jezus. "En die hem hoorden, werden gedoopt in de Naam des Heren Jezus. "En als Paulus hun de handen opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen; en zij spraken met vreemde talen en profeteerden. "En alle dezen waren omtrent twaalf mannen."   Hand.19:1-7.

Paulus, zijn belofte vervullend, keerde terug naar Epheze en had vast en zeker een gelukkige hereniging met zijn geliefde Aquila en Priscilla en de andere "broeders", waarnaar wordt verwezen in 18:19-21,27.

Voordat hij naar de synagoge ging ontmoette hij "enige discipelen" die in de bedeling niet verder waren gekomen dan Apollos vóór zijn contact met Aquila en Priscilla. Zij wisten, net als Apollos, slechts van "de doop van Johannes".

Het is te betwijfelen of zij discipelen geworden waren door de bediening van Apollos te Epheze, want Aquila en Priscilla spraken met Apollos toen hij "begon" te dienen in de synagoge (18:26), en er is geen enkele aanwijzing dat Apollos ook maar één van zijn toehoorders doopte met de doop van Johannes.

Het feit echter, dat Paulus deze discipelen "vond" voordat hij de synagoge bezocht, en zijn directe vraag over de Heilige Geest, wijzen op de mogelijkheid, of wel de waarschijnlijkheid, dat zij kennissen van Apollos waren, die hij (en wellicht Aquila en Priscilla) niet in verdere waarheid heeft kunnen leiden. Dan zouden Aquila en Priscilla deze zaak aan Paulus hebben meegedeeld, in de hoop dat het hem zou gelukken dit te doen, voordat hij zijn dienst in de synagoge begon.

Andere officiele weergaven van zowel Paulus' vraag en hun antwoord, zijn misleidend. Het woord "als" in de vraag is net zo onjuist als het "nadat" in Eph.1:13. Want Paulus' vraag was of zij de Heilige Geest hadden ontvangen "op het geloof". Evenmin wijst hun antwoord erop, dat zij vroegen naar het bestaan van de Heilige Geest. Zij konden dit niet gevraagd hebben, want de Oud Testamentische Geschriften bevatten vele verwijzingen naar de Heilige Geest, en de doop zelf van Johannes, was een voorbereiding voor de doop met de Geest (Matt.3:11).

Verder moet de vraag van Paulus worden begrepen in het licht van de achtergrond. Het betrof hun ontvangen van de "uitstorting" van de Heilige Geest met wonderkrachten (Hand.2:17,18). Onze Here had duidelijk gesteld, met betrekking tot de belofte van de Geest:"En zie,, Ik zend DE BELOFTE MIJNS VADERS OP U; maar blijft gij in de stad Jeruzalem, totdat gij zult aangedaan zijn met KRACHT UIT DE HOOGTE (Luk.24:49).

"Maar GIJ ZULT ONTVANGEN DE KRACHT DES HEILIGEN GEESTES, DIE OVER U KOMEN ZAL" (Hand.1:8).

Dit was eveneens een belofte volgens Oud Testamentische profetie, zodat deze discipelen werkelijk antwoordden: "Wij hebben zelfs niet gehoord of er een Heilige Geest (gekomen) is" (V.2). Dit woord "gekomen" had door andere vertalers niet moeten worden ingevoegd zoals zij ook het woord "gegeven" toegevoegd hebben in Joh.7:39.

Dit moet niet worden verward met de werking van de Geest in wedergeboorte, nog minder met Zijn tegenwoordig werk van verzegeling van gelovigen (Eph.1:13), als Hij hen doopt in Christus en Zijn Lichaam (Rom.6:3; 1Cor.12:13) en inwonend bij hen als Zijn tempel (Eph.2:22). Inderdaad was het Christus, Die op Pinksteren mensen doopte in de Geest, terwijl het heden de Geest is, die mensen in Christus doopt (Matt.3:11; cf.Rom.6:3; 1Cor.12:13).

Ontdekkende dat deze discipelen de Geest niet hadden ontvangen (in wonderkracht), vroeg de apostel: "Waarin zijt gij dan gedoopt?", waarop zij antwoordden: "In de doop van Johannes" (V.3).

Dit verklaarde natuurlijk waarom zij de Geest niet ontvangen hadden, want indien zij waren gedoopt met de doop van Petrus op Pinksteren, zouden zij "de gave des Heiligen Geestes" ontvangen hebben (Hand.2:38).

WERDEN DEZE DISCIPELEN WEDERGEDOOPT?

Nu zijn de teksten 4 en 5 gebruikt door hen, die spreken van "Christelijke doop" - speciaal onze Baptistenvrienden - om het grote belang te laten zien van waterdoop en dopen op de juiste manier.

Dit is, zoals zij redeneren, de laatste keer dat in Handelingen wordt gesproken van waterdoop. En deze discipelen moesten deze werkelijk weer ondergaan, omdat zij niet waren gedoopt met de "Christelijke doop" - de doop van de "grote opdracht" en/of Pinksteren.

Er is voor "Christelijke doop" geen zwakker argument, en wij stellen ons hier voor te bewijzen, dat deze discipelen in het geheel niet werden herdoopt.

Het is spijtig dat de verzen 4 en 5 al zo lang op het Baptistentoneel worden voorgelezen, zodat het haast voor sommigen onmogelijk is om deze correct te lezen. Ook de algemene reeks van commentaren zijn aangedaan met de voortdurende herhaling van het Doperse zicht op deze passage, zelfs al veroorzaakt het ook onoverbrugbare moeilijkheden.

Het misverstaan van deze passage ontstaat door het verkeerde begrip, dat vers 5 de wederdoop weergeeft van deze discipelen, terwijl het in werkelijkheid het vervolg is van Paulus' verklaring in vers 4. In vers 5 herinnert Paulus aan de reactie van Johannes' toehoorders op zijn boodschap.

Onder de vele argumenten die dit zicht ondersteunen, noemen wij de volgende:

1.Er was geen grondig verschil tussen de doop van Johannes en die van Petrus op Pinksteren. Beiden waren dopen op "bekering", en beiden waren "tot vergeving van zonden" (Mark. 1:4; Hand.2:38). Er was echter een verschil in resultaat, want op Pinksteren ontvingen de gedoopten "de gave van de Heilige Geest" in aanvulling op de vergeving van zonden. Dit verklaarde waarom deze discipelen deze gave niet ontvangen hadden, en waarom, toen Paulus hun de handen oplegde, zij nu "spraken in vreemde talen en profeteerden".

2.Paulus hoofdvraag betrof niet waterdoop, maar de gave van de Heilige Geest. Deze discipelen hadden deze gave niet ontvangen, omdat zij gedoopt waren vóór de komst (uitstorting) van de Geest. Daarvoor legde Paulus hun de handen op, onder mededeling van de Geest aan hen.

3.Waarom zouden alleen deze enkele discipelen wedergedoopt zijn? Waarom niet de twaalf apostelen, Apollos en allen die reeds gedoopt waren vóór Pinksteren?

4.Hoe kon de wederdoop van slechts deze weinigen de belangrijkheid bewijzen van "Christelijke doop" boven de doop van Johannes? Zou niet het ontbreken van bewijs, dat al de anderen werden herdoopt, juist niet het tegendeel bewijzen?

5.Waarom zou het verslag van Lukas zijn onderbroken om de wederdoop van deze twaalf mannen te vermelden, zonder uit te leggen waarom alleen deze moesten worden herdoopt?

6.Het verslag zegt niet dat deze mannen weer gedoopt werden.

7.Als de bekende vertaling van vers 5 correct zou zijn, zou zij mogelijk luiden: "Toen zij dit hoorden doopte Paulus hen..." of "zij

werden weer gedoopt...". Zoals het is, vermeldt vers 5 de reaktie van Johannes' toehoorders op zijn boodschap (V.4), en dan begint Paulus in vers 6 ("En toen Paulus..."etc.) zijn handen op hen te leggen, opdat zij de Heilige Geest zouden mogen ontvangen.

8.       In Hand.8:12-17 waren er gelovigen die reeds gedoopt waren met de zogenaamde "Christelijke doop", maar toch om een of andere reden de gave van de Heilige Geest niet ontvangen hadden. Deze, net als de discipelen waar het hier om gaat, ontvingen de Geest door de oplegging van handen.

9.       Als deze "laatste vermelding" van waterdoop in Handelingen de belangrijkheid van "Christelijke doop" bewijst, bewijst dit dan ook niet dat tongen en profeteren samengaan met Christelijke doop? Toen deze discipelen "wedergedoopt" werden, kwam de Heilige Geest op hen, en "zij spraken met vreemde talen en profeteerden" (V.6).

Het is buitengewoon vreemd, dat maar zo weinigen van hen die deze passage gebruiken om de belangrijkheid van Christelijk dopen te bewijzen, deze klaarblijkelijke tegenstelling van hun standpunt schijnen op te merken. Wij weten van slechts één iemand die de wederdooptheorie vasthoudt, die openlijk de bijna onmogelijkheid van handhaving van dit standpunt toegeeft. Dat is Dr.W.M.Ramsay uit Aberdeen, Schotland. In zijn boek, "St. Paul the Traveller and Roman Citizen", zegt hij: "Ik moet bekennen deze episode niet te begrijpen... Als er enige grond zou zijn in de gewijde geschriften, of oude Vertalingen, om deze episode weg te laten, zou men zeker geneigd zijn dat te doen" (P.270).

Enige nadruk wordt wel gelegd in de zogenaamde "formule" in vers 5, als bewijs dat dit niet slaat op de doop van Johannes.

Zoals we telkens weer geschreven hebben, is er geen enkele Schriftuurlijke rechtvaardiging voor het begrip dat de uitspraken, "de naam van de Vader, en van de Zoon, en van de Heilige Geest" (Matt.28:19) en "de naam van de Here Jezus" (Hand.19:5) formules zouden zijn, die bij dopen dienen te worden gebruikt. Dit ongefundeerd begrip leidde er toe, dat wijlen Dr. Haldeman kerklidmaatschap weigerde aan iemand die gedoopt was door Dr. Pettingill, omdat hij niet gedoopt was in de naam van de Drieëenheid (overeenkomstig Matt.28:19), maar in de naam van de Here Jezus (overeenkomstig Hand.2:38 en 8:16). Ditzelfde Schriftuurlijk begrip heeft sommigen tot de conclusie geleid, dat de twaalf apostelen niet werkten onder de opdracht, vastgelegd in Matt.28.

Wanneer onze ambassadeurs in andere landen ons vertegenwoordigen bij diplomatieke conferenties, spreken zij vanzelfsprekend, in de naam van het Koninkrijk der Nederlanden. Zij blijven echter deze woorden niet herhalen als een formule. En wie zal ontkennen dat Johannes, de voorloper van Christus, uitging en doopte in Zijn naam en op Zijn gezag, zoals ook de apostelen deden?

Het verslag eindigt met aan te geven, dat het aantal der discipelen te Ephese "omtrent twaalf" was. Als hieraan enige betekenis verbonden zou mogen worden, zou het kunnen schijnen, dat hun ervaring strookt met Israel en de goddelijke regering, en dit zou overeenstemmen met het doel van het boek Handelingen.

      VAN DE SYNAGOGE NAAR DE

          SCHOOL VAN TYRANNUS

"En hij ging in de synagoge en sprak vrijmoediglijk, drie maanden lang, met hen handelende en hun aanradende de zaken van het Koninkrijk Gods.

"Maar als sommigen verhard werden en ongehoorzaam waren, kwaadsprekende van de weg des Heren voor de menigte, week hij van hen en scheidde de discipelen af, dagelijks handelende in de school van zekere Tyrannus.

"En dit geschiedde twee jaar lang, alzo dat allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken." - Hand.19:8-10.

Het vorige bezoek van Paulus aan Ephese, samen met de getuigenissen van Apollos en ongetwijfeld Aquila en Priscilla, had op zijn minst er toe gediend om in de synagoge van Ephese een hevige interesse op te wekken, zodat Paulus bij zijn terugkomst in de gelegenheid werd gesteld om daar gedurende drie maanden te dienen. Wij moeten echter niet tot de conclusie komen, dat hij kans zag om zijn positie onder hen te behouden gedurende deze tijdsduur, door een "discrete stilte" te betrachten bij de meest vitale van alle onderwerpen, zoals sommige "diplomatieke" predikers vandaag. Ons wordt immers duidelijk verteld, dat hij al die tijd zonder reserve, "vrijmoedig sprak".

Nog meer dan dat; al die tijd "disputeerde" of "debatteerde" hij met deze Joden en probeerde hen te "overreden" met de waarheden betreffende "het koninkrijk van God" (V.8).        

Het is een triest verhaal over de toestand van de Kerk vandaag, dat men voor ander zicht op het Woord van God, de wenkbrauwen fronst. Christelijke leidslieden beschouwen het dikwijls als een persoonlijke aanval wanneer hun leerstukken worden bekritiseerd. Debatten over belangrijke Bijbelse leerstukken worden als "ongeestelijk" beschouwd, en waarom, zo vragen zij, zouden wij proberen anderen te overreden om te geloven zoals wij? Waarom laten we het niet aan de Heilige Geest over om het hun duidelijk te maken? Zo weinig betekent het Woord van God voor hen; zo volledig is de geest van de edele Bereërs uit hun harten verdwenen.

Laten zulke mensen in dit geval toch acht geven op de houding van Paulus, want men vindt hem constant temidden van voor- en tegenspraak Niemand kan ooit zeggen dat hij onverschillig was over wat mensen geloofden. En laten zij eens horen naar de woorden van iemand die schreef in een tijd, toen grote aantallen van onze uitnemendste Bijbelcommentaren en theologische werken werden geschreven:

"Wij leven in een tijd van veel religieus debat...en debat heeft de strekking om de waarheid helderder aan het licht te brengen (Companions of St.Paul, P.14). "Ik beweer dat het een gelukkige omstandigheid is, dat deze onderwerpen gaarne worden besproken. Want debat leidt tot verbetering, en verschil van mening is veel beter dan onverschilligheid"(Ibid,P.51).

Maar nogmaals, "diversen verhardden zich" en "geloofden niet", lett., "Waren ongelovend", i.c. zij wilden niet geloven, en hun hardnekkig ongeloof dreef hen, om Paulus in het openbaar tegen te staan, door "kwaad te spreken" over zijn leringen, zoals de Joden hadden gedaan in Paphos, Pisidisch Antiochië, Iconium, Lystra, Thessalonica, Berea en Corinthe.

Overtuigd dat zijn bediening in deze streek nu tot een eind gekomen was, en verlangend om degenen die geloofden naar een meer passende omgeving te brengen, "vertrok" de apostel uit de synagoge en "scheidde de discipelen af" van de ongelovige Joden, en begon een dagelijkse bediening in "de school van zekere Tyrannus" (V.9). De school van Tyrannus werd voor de synagoge van Ephese, wat het huis van Justus geweest was voor de synagoge in Corinthe: een openlijk veroordeling van Israels afwijzing van Christus.

Wij weten niet of de nieuwe plaats van bediening een van de godsdienstige scholen was die dikwijls verbonden waren met synagoges, ofwel een openbaar leerinstituut. Ook niet of Tyrannus deze school gratis ter beschikking stelde, omdat hij tot Christus bekeerd was, of geinteresseerd was, of dat Paulus en zijn medewerkers deze van hem huurden. Evenmin of Tyrannus toen de lector van deze school was, of dat zij alleen maar naar een zekere Tyrannus genoemd was. Wij weten ook niet de uren waarop Paulus daar college hield. Wij weten alleen, dat we hem daar vinden, ernstig en ijverig, zoals altijd,

"dagelijks handelende in de school van zekere Tyrannus. "En dit geschiedde twee jaar lang, alzo dat allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken" (V.9,10).

Zo kreeg de gemeente in Ephese duidelijk gestalte, en Ephese werd het centrum van het apostolisch werk van Paulus, en de hoofdzetel van het Christendom in Azië.

Enige jaren tevoren werd hem "verhinderd door de Heilige Geest om het Woord in Azië te spreken" (Hand.16:6), maar nu werd hij gebruikt door God om de hele provincie zorgvuldig te bewerken. Het is mogelijk, dat de provincie spontaan werd geevangeliseerd, toen het evangelie van de genade van God van de een naar de ander gedragen werd. Maar ook in onze dorre dagen heeft de voortdurende aanwezigheid van een prominent evangelist  dikwijls effect op een groot gedeelte rond de stad waar hij dient. Waarschijnlijker echter, werd de provincie bewerkt door middel van een georganiseerde campagne, omdat de apostel zijn helpers vooruit zendt met de boodschap. Het valt echter te betwijfelen of Paulus zelf Ephese verliet om hieraan deel te nemen, want ook hier is geen mededeling van. Maar onze tekst stelt zeer speciaal, dat "deze' dagelijkse dienst in de school van Tyrannus "twee jaar lang" duurde, met als resultaat, "dat allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden". Verder verklaart Paulus in een later geschreven brief duidelijk, dat de gelovigen in Colosse en Laodicea, twee van de voornaamste steden in Azië, zijn gezicht niet gezien hadden (Col.2:1).

Vanuit het verslag lijkt het waarschijnlijk, dat het werk boven de school uitgroeide, en dat in aansluiting aan de drie maanden in de synagoge, en de twee jaren in de school van Tyrannus, hij nog ongeveer negen maanden in Ephese doorbracht (Zie Hand.20:31). Het kan zijn, dat de rest van Hoofdstuk 19 verslag geeft van gebeurtenissen, die plaats vonden gedurende deze tijd. Zeker is, dat er in V.22 staat "een tijdlang".

         PAULUS' VOORTDURENDE INSPANNING

Voordat we de twee voorbeelden van de kracht van Paulus' dienst, die ons in Hoofdstuk 19 gegeven worden beschouwen, zouden we eerst aandacht dienen te schenken aan wat aanvullende informatie over zijn verblijf in Ephese, die ons buiten dit hoofdstuk wordt verstrekt.

Eerst dient te worden opgelet, dat gedurende de meeste tijd van zijn verblijf in Ephese, hij met zijn handen werkte - waarschijnlijk weer met Aquila en Priscilla - om niet alleen in zijn eigen onderhoud, maar ook in dat van zijn medewerkers te voorzien. In Hand.20:34 brengt hij de oudsten van Ephese tebinnen: "En gijzelven weet, dat deze handen tot mijn nooddruft, en dengenen die met mij waren, gediend hebben". En als hij aan de Corinthiërs schrijft tegen het einde van zijn verblijf te Ephese (zoals we later zullen zien), zegt hij: "Tot op deze tegenwoordige ure...werkende met onze eigen handen" (1Cor.4:11,12).

En behalve dit, debatteerde hij dagelijks in de school van Tyrannus gedurende twee van deze jaren, en maakte ook nog tijd voor veel persoonlijk bezoek, "lerende in het openbaar en bij de huizen" (Hand.20:20). Dominees die een minimum aan energie in hun dienst voor de Here besteden, en zich dan verwonderen waarom er geen voortgang is, doen er goed aan deze feiten, onder gebed, te beschouwen en ernaar te handelen.

   ZIJN VERVOLGINGEN EN LIJDEN

De apostel droeg in Ephese vele zware lasten.

Als hij aan de Corinthiërs over de zaak schrijft, zegt hij, dat er "vele tegenstanders" waren (1Cor.16:9). Het is te betwijfelen, dat de "beesten" waarmee hij "vocht...te Ephese" (1Cor.15:32) werkelijk wilde beesten waren, maar zijn wijze van uitdrukking in deze passage geeft ons enig idee van de hevigheid van de tegenstand welke hij ontmoette.

Er was in Ephese een grote arena of amphitheater waar hardloop, boks en worstelwedstrijden plaats vonden. Aan het eind van zo'n vermakelijkheid zond men dikwijls mensen in de arena om met wilde beesten te vechten. Zij werden "laatste slachtoffers" genoemd. Soms waren zij getrainde gewapende mannen, maar meestal waren het veroordeelde misdadigers, totaal ongewapend. Deze "eindshows" werden beschouwd als de climax van de dag van vermakelijkheid voor de bloeddorstige massa die er samenkwam.

Vrijwel zeker zinspeelde de apostel hierop, toen hij aan de Corinthiërs schreef:"Want ik acht, dat God ons, die de laatste apostelen zijn, tentoongesteld heeft als tot de dood verwezen; want we zijn een schouwspel geworden der wereld en den engelen en den mensen" (1Cor.4:9).

Eén aspect van zijn lijden wordt niet genoemd in Hand.19. Toch is dit iets wat we zouden mogen verwachten, en wordt wel genoemd bij zijn vaarwel aan de oudsten van Ephese: de venijnige en onophoudelijke tegenstand van de ongelovige Joden. Als hij zijn vrienden vaarwel toebidt, herinnert hij de vele tranen en verzoekingen "die mij overkomen zijn door de lagen der Joden" (Hand.20:19). Degenen waarvan hij gedwongen werd zich te scheiden  in de synagoge, en wellicht van anderen in overige steden waar hij gediend had, wilden hem niet met rust laten, maar zochten telkens weer gelegenheid om hem te doden. Zijn leven was constant in gevaar. Als hij belangstellende toehoorders bezocht, was hij zich bewust, dat gevaar en dood hem bedreigden. Het was altijd gevaarlijk alleen te zijn. Deze voortdurende last drukte op hem, en maakte dikwijls dat hij in tranen uitbarstte.

Dan was daar bovendien "de zorg van al de gemeenten" (2Cor.11:28). Behalve de nieuwe gemeenten van Azië (1Cor.16:19), die steeds meer aandacht vroegen, waren er de andere gemeenten, ver weg, die hij had gegrondvest, en van welke hij bericht ontving.

Het schijnt vóór of gedurende zijn verblijf in Ephese te zijn geweest, toen hij verontrustend nieuws hoorde over de gemeenten in Galatië, dat hij onmiddellijk eigenhandig naar hen schreef om te waarschuwen voor de gevaren van de koers die zij namen. Er waren ook berichten van andere gemeenten, die aandacht vroegen, en het is zonder twijfel dat hij onder zijn tentenmakerswerk voortdurend aan deze geloofsgemeenschappen dacht.

Waar Corinthe gelegen was aan de Aegïsche Zee tegenover Ephese, en er een geregelde verbinding tussen beide steden was, bleef Paulus ongetwijfeld beter geinformeerd over de Corinthische gemeente, dan over andere, buiten Klein Azië. De berichten uit Corinthe waren inderdaad zo verontrustend, dat de apostel gedreven werd, gedurende deze tijd, hun een kort bezoek te brengen. Hoe snel berichten over hun scheidingen, strijden over de wet, wanordelijke samenkomsten etc. hem bereikten, weten we niet, maar het is duidelijk, dat hij reeds begon te begrijpen welke grove onzedelijkheid onder hen plaats vond - onzedelijkheid die zelfs onder heidenen als schande werd beschouwd.

Dit tweede bezoek aan Corinthe wordt niet werkelijk weergegeven, maar er is een duidelijke interne aanwijzing, dat het plaats vond. Want één ding is zeker, het tweede vermelde bezoek aan Corinthe (Hand.20:1-3) wordt tweemaal zijn "derde" bezoek genoemd (2Cor.12:14; 13:1), zodat er een bezoek tussen de twee, die vermeld zijn, moet zijn geweest. De apostel beschrijft dit bezoek als een, waarin hij "in droefheid" gekomen was (2Cor.2:1), en een dat hem tot grote persoonlijke vernedering gebracht had (2Cor.12;21). Daarom schrijft hij in 2Cor.13:2: "zo ik wederom kom, zal ik hen niet sparen".

Behalve Paulus' niet vermelde bezoek aan Corinthe, is er ook nog een brief, hoewel deze niet in de Heilige Schrift is opgenomen, die hij blijkbaar in die tijd aan hen schreef. Deze is "de brief" waarnaar wordt verwezen in 1Cor.5:9. Blijkbaar had hij, na zijn korte bezoek aan hen, verder verontrustende berichten ontvangen over hun moreel gedrag, zodat het nodig werd hun een brief te schrijven waarin, met apostolisch gezag, hij hen verbood enige omgang met hoereerders te hebben. Kennelijk was dit dringend verzoek verkeerd begrepen (misschien bij sommigen van hen wel opzettelijk), zodat zij hem toen een brief zonden, waarop de Eerste Corinthebrief (eigenlijk zijn tweede brief aan hen) gedeeltelijk het antwoord was (Zie 1Cor.7:1). In deze brief verklaart hij verder, dat zijn voorgaande brief had gewezen naar gemeenschap hebben met belijdende gelovigen die hoererij bedreven (1Cor.5:9-11).

Al deze bezorgdheid en hartsverdriet had de apostel te dragen, onderwijl lichamelijk hardwerkend om zichzelf en zijn medewerkers te onderhouden, terzelfder tijd een uitgebreide publieke en persoonlijke geestelijke bediening verzorgend. Ja, dit en nog meer, want terwijl hij nog in Ephese was schreef hij aan deze vleselijke gelovigen: "Wij zijn dwazen om Christus' wil, maar gij zijt wijzen in Christus; wij zijn zwakken, maar gij sterken; gij zijt heerlijken, maar wij verachten.

"Tot op deze tegenwoordige ure lijden wij honger en lijden wij dorst, en zijn naakt en worden met vuisten geslagen, en hebben geen vaste woonplaats; "En arbeiden, werkende met onze eigen handen; wij worden gescholden en wij zegenen; wij worden vervolgd en wij verdragen; "Wij worden gelasterd en wij bidden; wij zijn geworden als uitvaagsels der wereld en aller afschrapsel tot nu toe" (1Cor.4:10-13).

GODS ZEGEN OP ZIJN BEDIENING

Men moet uit dit alles niet veronderstellen, dat Paulus in de geest in elkaar gezakt was, en zijn inspannende dienst slechts volhield uit een zin voor strenge plicht. Ver van dat! In vertrouwen op God, en ongetwijfeld met de inspiratie en bemoediging van trouwe helpers in het werk, handhaafde hij een opmerkelijk geestelijk evenwicht. Zoals hij schreef aan de Corinthiërs, niet lang daarna:

"Als die in alles verdrukt worden, doch niet benauwd; twijfelmoedig, doch niet mismoedig; "Vervolgd, doch niet daarin verlaten; nedergeworpen, doch niet verdorven;" (2Cor.4:8,9).

Zo was zijn bediening in Ephese bovenmate gezegend. In vers 10 van Hand.19 leren we, dat door zijn bediening daar, geheel Azië "het Woord van de Here Jezus" hoorde; in het overige van het hoofdstuk wat wij nog zullen beschouwen, vinden we een groot gedeelte van de bevolking van Ephese, vrijwillig hun heidense boeken in het openbaar verbrandend. "Alzo wies het Woord des Heren met macht en nam de overhand" (V.20). En deze geestelijke overwinningen worden bevestigd door Demetrius de zilversmid, die klaagde dat hij "veel volk niet alleen van Ephese, maar ook bijna geheel Azië overreed en afgekeerd heeft, zeggende dat het geen goden zijn, die met handen gemaakt worden" (V.26). Geen wonder dat Paulus aan de Corinthiërs schreef: "Want mij is een grote en krachtige deur geopend" (1Cor.16:9). In al zijn vervolgingen en lijden was God aan het werk.

Voordat we dit onderzoek van Paulus' bediening te Ephese afsluiten, hebben we nog twee specifieke gevallen van Gods zegeningen hierop te beschouwen: één met betrekking tot Israel, en de andere tot de heidenen.

             OORDEEL OVER ISRAEL

        ZEGEN VOOR DE HEIDENEN

"En God deed ongewone krachten door de handen van Paulus; "Alzo dat ook van zijn lijf op de kranken gedragen werden de zweetdoeken of gordeldoeken, en dat de ziekten van hen weken en de boze geesten van hen uitvoeren. "En sommigen van de omzwervende Joden, zijnde duivelbezweerders, hebben zich onderwonden den Naam des Heren Jezus te noemen over degenen die boze geesten hadden, zeggende: wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt. "Deze nu waren zekere zeven zonen van Sceva, een Joodse overpriester, die dit deden. "Maar de boze geest antwoordende zeide: Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij? "En de mens in welken de boze geest was, sprong op hen, en hen meester geworden zijnde, kreeg de overhand tegen hen, alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis vloden. "En dit werd allen bekend, beiden Joden en Grieken, die te Ephese woonden; en er viel een vrees over hen allen, en de Naam des Heren Jezus werd grootgemaakt. "En velen dergenen die geloofden, kwamen, belijdende en verkondigende hun daden. "Velen ook dergenen die ijdele kunsten gepleegd hadden, brachten de boeken bijeen en verbrandden ze in aller tegenwoordigheid; en berekenden de waarde derzelve en bevonden vijftig duizend zilveren penningen." - Hand.19:11-20. 

In de passage die voor ons ligt, hebben we nog een van deze betekenisvolle verhalen uit Handelingen, die symbolisch de zegen der heidenen en de val van Israel naar voren brengen. Het begint met de "ongewone" krachten die God wrocht door Paulus. Eigenlijk zou het woord "ongewoon" moeten zijn weergegeven in negatieve vorm zoals in het Grieks: "niet gewoon" of "niet gebruikelijk". Het punt is dat, hoewel Ephese meer orientaals van karakter zijnde dan Athene of Corinthe, veel tovenaars en wonder-doeners in haar straten had, God Paulus gebruikte om wonderen te werken, die zij niet konden nadoen, net als Mozes en Aaron, meer dan vijftien eeuwen eerder, wonderen gewerkt hadden, die Pharao's tovenaars niet konden imiteren.

Hieronder behoorden het genezen van ziekten en uitwerpen van demonen door middel van doeken en kledingstukken, die Paulus lichamelijk had gedragen. De tijd van demonstratieve wonderen was nog niet voorbij.

Maar onder degenen die getuige waren van deze wonderen was een gezelschap Joden, die een symbool vormden van wat hun volk spoedig zou overkomen, en dat sindsdien gekomen is.

Zij waren "omzwervende Joden", ver van hun land verwijderd, zeker niet het verloste Israel van de toekomst typerend, dat "zal wonen in hun eigen land" (Jer.23:8) maar eerder van het tegenwoordige gevallen Israel, dat niet in eigen land, maar nog in andere landen rondzwerft.

Bovendien waren deze Joden "exorcisten", mannen die boze geesten uitwierpen, of beweerden uit te werpen, natuurlijk niet door de kracht van God, maar door tovergebaren, spreuken en andere middelen, hetgeen met zich bracht, dat zij van plaats naar plaats trokken met het aanbod, voor geld demonen uit te werpen.

Nu poogden sommigen van hen, ziende de kracht die Paulus uitoefende in de naam van de Here Jezus Christus, Christus' naam te gebruiken bij hun toverijen, door te zeggen: "Wij bezweren u bij Jezus, Dien Paulus predikt".

Hoe zeer deze zwervende Joden geestelijk gevallen waren, is duidelijk uit het feit, dat zij, om persoonlijke winst, de naam van de Here Jezus, hun Messias, die zij verworpen hadden, wilden gebruiken, in een treffen met boze geesten, hetgeen strikt verboden was bij de Schrift, en strafbaar met de dood (Zie Ex.22:18; Lev.20:27; Deut.18:10,11; 1Sam.28:3,9).

Ook hierin waren zij type van hun volk, want in plaats van nu God te vertegenwoordigen voor de volkeren, is Israel een valse profeet geworden, door de Messias af te wijzen. Maar toch, omdat Christus wordt afgewezen als een bedrieger, staat niemand meer klaar om financieel voordeel van Hem te trekken dan de Jood, op "Goede Vrijdag", in de Paastijd, met Kerstmis en het hele jaar door.

Onder deze omzwervende bezweerders waren zeven zonen van een overpriester, genaamd Sceva, die op een keer de naam van Christus gebruikten met rampzalige gevolgen. De boze geest antwoordde verachtelijk: "Jezus ken ik, en Paulus weet ik; maar gijlieden, wie zijt gij?", waarop de, van de duivel bezeten mens, met de kracht van de bezetene in Gadara, op hen sprong en alle zeven versloeg, "alzo dat zij naakt en gewond uit dat huis ontvloden" (V.16). Dat was de konsekwentie van het ongemachtigd gebruik van die heilige naam.

Hierin waren deze omzwervende Joden eveneens symbolisch voor het volk in het geheel, want in hun vals gebruikmaken van Christus, had Satan hen verslagen en geestelijk naakt en verwond achter gelaten.

Maar er is nog meer in dit verhaal dat symbolisch is, want als gevolg van deze gebeurtenis, "werd de Naam van de Here Jezus grootgemaakt", en er waren "velen", blijkbaar met inbegrip van enige Joden, die nu "geloofden...belijdende en verkondigende hun daden" (V.17,18).

Nogmaals zien we hier, dat redding tot de heidenen komt door Israels val (Zie Rom.11:11-15) en nog meer: door hun val is de genade voor allen, beiden Joden persoonlijk en heidenen persoonlijk, zoals geschreven staat: "Want er is geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek; want Eenzelfde is Here van allen, rijk zijnde over allen die Hem aanroepen. "Want een iegelijk, die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig worden" (Rom.10:12,13).    "Want God heeft hen allen onder de ongehoorzaamheid besloten, opdat Hij hun allen zou barmhartig zijn. "O diepte des rijkdoms, beide der wijsheid en der kennis Gods! Hoe ondoorzoekelijk zijn Zijn oordelen, en onnaspeurlijk Zijn wegen! (Rom.11:32,33).

Als resultaat van het gericht over deze bezweerders, brachten gelovigen die "tover"kunsten gebruikt hadden, hun instructieboeken, geheime formules, toverspreuken, etc., en maakten een grote brandstapel. Daar verbrandden zij boeken tot een totaal bedrag van ongeveer vijftig duizend zilverstukken, ofwel bijna tienduizend dollars. "Alzo wies het Woord des Heren met macht en nam de overhand" (V.20).

Zo waren de "ongewone" krachten die God wrocht door Paulus, het tegendeel van een bemoediging voor afgodische praktijken en bijgeloof, maar eerder een bovennatuurlijk getuigenis, in het bijzonder voor Israel, dat de bediening van Paulus het werk van God was.

      PLANNEN OM JERUZALEM EN

                ROME TE BEZOEKEN

"En als deze dingen volbracht waren, nam Paulus voor in de geest, Macedonië en Achaje doorgegaan hebbende, naar Jeruzalem te reizen, zeggende: Nadat ik aldaar zal geweest zijn, moet ik ook Rome zien. "En als hij naar Macedonië gezonden had twee van degenen die hem dienden, namelijk Timotheus en Erastus, bleef hij zelf een tijdlang in Azië." - Hand. 19:21,22. 

Wij kunnen niet beweren, dat Paulus enige openbaring ontvangen had, die hem instrueerde naar Jeruzalem en Rome te gaan, want er staat duidelijk, dat hij "zich voornam", dat is "in de geest" i.c. zijn geest. De Companion Bible verklaart het zo: "Dit betekent, dat hij vastbesloten was".

Het hart van de apostel verlangde voortdurend naar Jeruzalem en naar zijn stamgenoten (Rom.9:1-3; 10:1)en ook had hij reeds lang een verlangen om naar Rome te gaan (Rom.1:13; 15:23) maar hij kon zich nauwelijks voorstellen, dat hij al zo gauw van de ene naar de andere zou worden genomen, als "de gevangene van Christus voor (de) heidenen" (Eph.3:1).

Van plan om door Macedonië en Achaje te gaan, voordat hij naar Jeruzalem zou reizen, zond hij Timotheus en Erastus vooruit, blijkbaar om de Corinthiërs speciaal voor te bereiden op zijn komst, zodat hij hen, en ook zichzelf, bij zijn komst niet weer in verlegenheid zou brengen (1Cor.4:17). Het was ongetwijfeld bij deze keer, dat de Eerste brief aan de Corinthiërs (eigenlijk zijn tweede brief aan hen) geschreven werd.

Wij weten dat deze brief geschreven werd, terwijl hij in Ephese was (1Cor.16:8). We weten ook dat hij geschreven werd, toen zijn bediening daar voorspoedig was (1Cor.16:9), hetgeen dit kennelijk plaatst in, of na Hand.19:20. We zijn verder ook geinformeerd, dat zij werd geschreven toen hij van plan was om hen te bezoeken, na een kort verblijf in Ephese (1Cor.16:8). Dit zou de tijd weer plaatsen in Hand.19:22b. Tenslotte was zij zeker geschreven vóór het grote tumult over de godin Diana (Hand.19:23-41) want onmiddellijk hierna vertrok hij naar Macedonië en Griekenland (Hand.20:1,2).                                  

De brief die wij kennen als Eerste Corinthiërs, moet dan bijna zeker geschreven zijn tussen het openbaar verbranden in Hand.19:19 en het oproer over Diana, of gedurende de "tijdlang" waarnaar wordt verwezen in V.22. Blijkbaar kwam de gemeente in Ephese, of een gedeelte ervan, in die tijd samen in het huis van Aquila en Priscilla (1Cor.16:19).

Het plan om Macedonië en Achaje weer te bezoeken, was ongetwijfeld voor het grootste deel het gevolg van de voortdurende berichten uit de gemeente te Corinthe. Leden van "het huisgezin van Chloë" hadden gerapporteerd dat er een geest van twist de overhand had onder de gelovigen daar. Het voortdurende onderlinge contact tussen Ephese en Corinthe moet vele gelovigen van de ene naar de andere stad gebracht hebben, want de apostel had ook gehoord van hun naar het gerechtshof gaan van de een tegen de ander, hun wanordelijk gedrag tijdens hun diensten, en vele andere ernstige fouten. Inderdaad werd het ernstigste misdrijf van alle "gewoon doorgegeven": onzedelijkheid zo smerig, dat zelfs de heidenen het onbetamelijk vonden erover te spreken (1Cor.5:1).

Dan was er ook de brief die hij van hen had ontvangen aangaande het huwelijk. Dit moest ook behandeld worden. Zo zijn wij vandaag dus in bezit gekomen van de "Eerste Corinther Brief". Uit deze lange brief leren we, dat de apostel veel had gepredikt wat in het boek Handelingen, vanwege haar doel en strekking, niet vermeld is. Daar toont hij, dat "de prediking van het kruis" zijn thema is geweest (1Cor.1:17-25). Daarin berispt hij de Corinthiërs omdat, als gevolg van hun vleselijkheid, hij aan hen "de diepten Gods" en de grote waarheden van "het geheimenis", die hij onderwezen had aan meer volwassen gelovigen (1Cor.2:1,2,6,7; 3:1-4), niet kon verklaren. Aan hen die zich beroemden op hun partij-connecties of die met elkaar voor het gerecht in het geding gingen, verklaarde hij, dat zij "door één Geest" waren "gedoopt in één lichaam", en dat zij met al hun fouten "het Lichaam van Christus" waren, dus leden van Hem, en daardoor ook van elkaar (1Cor.12:13,14,27). Aan degenen die trots waren op hun wonderkrachten, speciaal het spreken in tongen, toonde hij de hemelse glorie der liefde (1Cor.13:8-13). Aan de genen die leefden alsof zij met niemand rekening hoefden te houden, verklaarde hij dat Christus inderdaad leefde, en openbaarde het daarop volgende "geheim", dat Hij op elk "moment" zou komen om hen tot Zich te roepen (1Cor.15:12,20,51-53).

      DE WONDEREN IN CORINTHE

Zij die veronderstellen dat de wonderkrachten van de apostolische tijd een teken waren van geestelijkheid, en die stellen, dat als wij maar geestelijker waren, wij deze ook zouden bezitten, dienen hier stil te staan en het geval van de gelovige Corinthiërs te beschouwen.

Uit de brieven van Paulus aan de Corinthiërs is duidelijk, dat zij van alle gemeenten de ongeestelijkste waren. Toch erkent hij: "...dat het (hun) aan geen gave ontbreekt" (1Cor.1:7). Dat "gaven der gezondmakingen... werkingen der krachten... profetie... menigerlei talen," etc. waren inbegrepen bij deze "gaven" is duidelijk uit 1Cor.12:9,10.

Uit het feit, dat de Corinthische gemeente bovenaan stond bij de anderen in het bezit van zulke gaven, was geen bewijs van hun geestelijkheid. Wat gaven zij dan wel aan? Eenvoudig dit, dat God werkte. Het waren tekenen voor de ongelovigen, en speciaal voor de ongelovige Joden (1Cor.1:22).

Zo wordt het dus bijzonder betekenend, dat het deze ongeestelijke gemeente was, die het meest de gaven als teken bezat. Of de gelovigen in Corinthe toentertijd ook al of niet samenkwamen in het huis dat "naast de synagoge" stond, zij waren niettemin vast en zeker onder voortdurend toezicht van de Joden van de synagoge daar. Deze Joden zouden zeker niet onder de indruk komen door het leven wat deze vleselijke gelovigen leidden, maar, lettend op de tekenen, hebben moeten erkennen, dat de nieuwe beweging het werk van God moest zijn (Zie Joh.3:2). 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011