H O O F D S T U K XXXII
- HAND. 18:1-22
PAULUS BEDIENING TE CORINTHE
BEVESTIGD WORDEND
"En
na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Corinthe;
"En
vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van
Italië gekomen was, en zijn vrouw (Omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden
uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;
"En
omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en wrocht, want zij
waren tentenmakers van handwerk." -
Hand.18:1-3.
CORINTHE
IN DE DAGEN VAN PAULUS
Op
een schiereiland, slechts enkele kilometers breed, waar de wateren van de
Middellandse Zee Achaje (nu Griekenland) bijna in tweeën snijdt, lag Corinthe.
De
oude stad was verbrand door de Romeinse legioenen in 146 v.Chr, maar een nieuw
en groter Corinthe was opgebouwd en gegroeid tot de handels- en politieke
metropolis van Griekenland, eveneens tot een van de grote wereld-sportcentra.
Corinthe
beroemde zich op bijzondere handelsvoordelen. Het was een vitale zeehaven met
havens aan beide zijden van het schiereiland, één aan de Golf van Corinthe, de
andere aan de Golf van Saron naar het Oosten, slechts enkele mijlen er vandaan.
Aldus gunstig gesitueerd, werd het een handelscentrum, want de zeehandel tussen
Klein-Azië en Italië moest natuurlijker wijze dit nauwe schiereiland kruisen.
Kooplieden en handelaars uit alle delen van Griekenland moesten daar komen om
voordeel te trekken van haar commerciële mogelijkheden.
Het
was ongetwijfeld ook door haar gunstige ligging, dat Corinthe één van de
voornaamste centra voor athletisch vermaak werd. De wereldberoemde Griekse
spelen geleken op onze Olympische spelen en trokken daarbij duizenden bezoekers
naar Corinthe vanuit vele delen van de toen bekende wereld.
Hoewel
Corinthe in karakter tamelijk verschilde van Athene, beroemde het zich op haar
spitsvondige en talentvolle redenaars, knap en overgegeven in de kunst der
wetenschap en aan diepzinnige en metaphysische redeneringen. Daar waren "de
onderzoekers dezer eeuw", welker "wijsheid" echter,
"dwaasheid bij God" was (1Cor.1:20; 3:19).
Uit
hetgeen we tot dusver gezien hebben, zal het natuurlijk besluit vallen, dat
Corinthe een slechte stad was. Een stad met twee havens en het
amusementscentrum van een heidense bevolking, kon niet anders zijn. Haar
"hoge geleerdheid" kon het getij van de zonde niet het hoofd bieden.
Maar het meest verbijsterend aspect van het Corinthische leven was haar religie.
In
Corinthe werd wellust niet slechts door de vingers gezien maar aangemoedigd en
daadwerkelijk "heilig verklaard" als aanbidding van Aphrodite, de
"godin der liefde".
Daar
stond haar grote tempel samen met andere kleinere, waar, zoals de historie
vertelt, duizend "gewijde" hoeren hun schatkisten vulden met offers,
afkomstig van wellustige "bezoeken" met mannelijke
"aanbidders".
Geen
wonder dat Chrysostomus Corinthe "de meest wellustige stad die er ooit
geweest is" noemde. Er bestond geen stad op aarde die losbandiger was.
Alleen de naam Corinthisch was in Paulus' dagen reeds synoniem met
onzedelijkheid, zodat iemand die "de Corinthiër speelde" in morele
slechtheid gevallen was, en een "Corinthisch banket" was een
dronkemansfuif. Geen wonder dat Paulus de Corinthische gemeente eraan moest
herinneren, dat "noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch
overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen...het koninkrijk Gods
beërven" (1Cor.6:9,10).
Zo
was Corinthe; bekend om haar rijkdom, luxe en losbandigheid; "het Parijs
der oudheid". In haar drukke straten vond de apostel zich omringd door alle
soorten mensen: Romeinse vrije burgers, slaven, zakenlieden erop uit om geld te
verdienen, touristen, zeelieden varende op twee zeeën, sportliefhebbers,
gokkers, plezierzoekers - een groot deel daarvan ver van huis.
Zij
die zich verwonderen hoe Paulus de nalatige Corinthische gelovigen
"heiligen" kon noemen, dienen hun achtergrond en omgeving te bedenken.
De gemeente van Corinthe was, met al haar fouten, werkelijk één van de
wonderen uit de Kerkgeschiedenis, en één van de triomfen van Gods genade.
Inderdaad noemt Paulus hen, in de Geest, het "zegel" van zijn
apostelschap (1Cor.9:2).
Maar
laten we niet op onszelf vooruit lopen. Ongetwijfeld ging Paulus naar Corinthië,
in de hoop hoofdkwartieren voor het evangelie in Achaje te vestigen, zoals
Thessalonica voor Macedonië geweest was. Ook zeker daarvoor, omdat hij
vertrouwde, dat vanuit dit handelscentrum het goede nieuws zich te sneller zou
verspreiden.
Vandaag
kan Corinthe eenvoudig vanuit Athene per trein worden bereikt, maar Paulus had
zo'n gemak niet tot zijn beschikking. Klaarblijkelijk ging hij liever per schip
over de golf van Saron, dan de vervelende en omtrekkende landroute te nemen. De
reis over zee zou hem niet meer dan twee dagen kosten, terwijl de reis over land
vijf of zes dagen zou duren.
AQUILA EN PRISCILLA
Nog
steeds alleen reizend bij zijn aankomst in Corinthe, had hij onderdak nodig en
passend handwerk. Hij had geen sponsor of financiële commissie waar hij om
fondsen kon vragen. De gemeente in Antiochië had zijn uitgaven niet op zich
genomen. De gelovigen die hij in Philippi had achtergelaten hadden "eenmaal
en andermaal" giften gezonden om zijn "nooddruft" te verlichten.
Maar toen hij bleef reizen, "hebben zij de gelegenheid niet gehad", en
werd het steeds moeilijker hem te localiseren (Phil.4:10,15,16).
De
Joden hielden het ervoor, dat ouders die hun zoon geen handwerk leerden, een
dief van hem maakten. Er bestaat ook genoeg aanleiding te erkennen, dat van alle
mannen, Paulus de meest gewetensvolle was in financiele zaken. Zo vinden we hem
in meerdere gevallen met zijn handen werkende om in zijn onderhoud te voorzien,
en soms ook in de behoeften van anderen, die met hem trokken (Hand.18:3; 20:34;
1Cor.4:11,12; 1Thes.2:9; 2Thes.3:8).
In
de voorziening die deze keer voor de apostel wordt gemaakt, vinden we een fraaie
illustratie van Gods voorziening om door een ogenschijnlijk
natuurlijke gang van zaken Zijn doeleinden te bereiken. Zelfs voordat Paulus "uit
Athene vertrok" om te Corinthe te komen, "had Claudius alle Joden
bevolen uit Rome te vertrekken". En zo was het, dat Aquila en
Priscilla, refugees uit Italië, reeds in het beeld waren, als het ware wachtend
op Paulus dat hij op bezoek zou komen, en in staat waren om hem zowel van
onderdak als van werk te voorzien.
Wat
betreft het decreet van Claudius, zegt de Romeinse historicus Suetonius, dat
Claudius de Joden uit Rome verdreef, omdat "zij voortdurend tumult
veroorzaakten onder hun leider Chrestus." Wij weten dat Christus in
de hemel was, zodat deze Chrestus een andere persoon geweest moet zijn.
Wij echter weten ook dat Christus inderdaad tumult verwekte, waar Hij ook
gepredikt werd, zodat of Claudius dan wel Suetonius, later, verkeerd hebben
weergegeven dat zo'n tumult ontstaan was onder Zijn leiderschap.
Eigenlijk
vermeldt het verslag alleen, dat Aquila en Priscilla "uit Italië
waren gekomen", zodat het ongegrond is te concluderen dat zij zonodig in Rome
hebben geleefd. Terwijl Claudius' drastisch decreet op Rome sloeg, raakte het in
tegendeel ongetwijfeld Joden in alle delen van Italië.
Niettemin
schijnt het laatste gedeelte van vers 2 in onze passage, in het bijzonder te
wijzen op het voorafgaande, en we weten dat niet lang hierna Aquila en Priscilla
in Rome gevonden worden (Rom.16:3). Dus schijnt het waarschijnlijk dat daar hun
woonplaats was.
De
vraag rijst uiteraard, of Aquila en Priscilla in Christus gelovigen waren op de
tijd dat Paulus hen ontmoette, of dat zij later door Paulus voor Christus werden
gewonnen. Dit kunnen wij blijkbaar niet met zekerheid vast stellen, want terwijl
aan de ene kant het verslag stelt dat Aquila een Jood was, en dat Paulus
zich bij het paar voegde "omdat zij van hetzelfde handwerk was",
dient aan de andere kant te worden opgemerkt, dat het niet waarschijnlijk is,
dat Lukas zou hebben nagelaten hun
bekering te vermelden, als dit had plaats gegrepen onder Paulus' bediening.
Verder had Aquila in Pontus en in Rome gewoond, en Christus was in beide
plaatsen gepredikt (Hand.2:9 cf.1Petr.1:1; Rom.1:8). Inderdaad is er, zoals we
hebben aangetoond, de duidelijke mogelijkheid dat zij waren verbannen uit Rome
vanwege een tumult dat gerezen was over Christus.
Het
is een opmerkelijk feit, dat Aquila nimmer genoemd wordt zonder zijn vrouw, en
ook dat in drie van de vijf keren haar naam voorop staat. Wellicht was Priscilla
van hoger geboorte, of iets meer capabel of energieker dan haar man, maar toch
vinden we haar nooit onafhankelijk van hem handelend. Klaarblijkelijk waren beiden
van zo'n volwassen karakter, dat zij bijvoorbeeld later in staat bleken, een
populair en begaafd prediker als Apollos, "de weg Gods bescheidenlijker uit
te leggen", en Paulus bij zijn werken te helpen, zoals zij deden, en in
minstens twee of drie huizen samenkomsten begeleidden (Rom.16:3-5; 1Cor.16:19).
Reeds
vanaf zijn aankomst in Athene, was Paulus' pad moeilijk geweest. Athene was te
luchthartig geweest om zijn boodschap serieus te nemen, en Corinthe was
losbandig. Zou het hier iets beter gaan? Hij had geen menselijk metgezel om hem
tot hulp en ondersteuning te zijn (Hand.17:15; 1Thes.3:1). Eenzaamheid en
zwaarmoedigheid konden hem zeker overvallen.
Wat
een troost zal toen de nieuwgevonden vriendschap en het werk met
Aquila en Priscilla geweest zijn! Wat een ernstige samensprekingen zullen
zij onderling gehad hebben, toen Paulus hen inleidde in kostbare waarheden die
zij nooit eerder geweten hadden! Wat zal hun huis hem als een heilige plaats
voorgekomen zijn!
In
Hand.19:21 vinden we Paulus, als hij zijn bezoek aan Rome aankondigt. Was dit
het resultaat van zijn contact met Aquila en Priscilla, en van hun verslagen
over de nood en aangelegenheden daar?
Eén
ding is zeker: Aquila en Priscilla kwamen tot begrip van de heerlijke waarheden
die Paulus waren toevertrouwd en werden trouwe mede-werkers van hem. Zij zouden
hem alras naar Ephese begeleiden (Hand.18:18,19) en later, in Rome, zouden zij
de groeten ontvangen als "mijn medewerkers in Christus Jezus, die voor
mijn leven hun hals gesteld hebben" (Rom.16:3,4).
VAN
DE JODEN WEER NAAR DE HEIDENEN
"En
hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en
Grieken. "En als Silas en Timotheus van Macedonië afgekomen waren, werd
Paulus door den Geest gedrongen , betuigende den Joden, dat Jezus is de
Christus. "Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn
klederen af en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu
voortaan zal ik tot de heidenenheengaan. "En vandaar gegaan zijnde kwam hij
in het huis van een man met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan
de synagoge. "En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Here
met geheel zijn huis, en velen van de Korinthiërs hem horende, geloofden en
werden gedoopt. En de Here zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt
niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet; "Want Ik ben met u, en niemand
zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volk in deze stad.
"En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het
Woord Gods."
- Hand.18:4-11.
REDE IN DE SYNAGOGE
Zoals
Paulus de weekdagen werkte in de werkplaats van Aquila en Priscilla, gebruikte
hij de sabbatdagen om daardoor voordeel te trekken van de diensten in de
synagoge, waar hij "handelde...en bewoog tot het geloof Joden en
Grieken".
Misschien
was het op deze eerste dagen in Corinthe, dat hij, het karakter van de stad
bemerkende, "voornam iets te weten onder (hen) dan Jezus Christus, en Dien
gekruisigd" (1Cor.2:2). Niet dat dit geen deel was van zijn speciale
boodschap, want, zoals we hebben gezien, was Paulus' "prediking van het
kruis" heel verschillend van die van Petrus op Pinksteren, toen hij
zijn toehoorders beschuldigde van de kruisiging van Christus en beroep op
hen deed om "te bekeren, en gedoopt te worden...tot vergeving van
zonden" (Hand.2:38). "De prediking van het kruis" was juist
het hart van het grote "geheimenis", aan Paulus geopenbaard.
Hij kon hun echter niet, met het oog op hun geestelijke toestand, het het
geheimenis uitleggen, of hun de hemelse heerlijkheden aantonen
(1Cor.2:1,6,7). Hier moest hij nog "Jezus Christus, en Dien
gekruisigd" prediken, als Gods kracht om zondaars te redden, en het
verlangen naar heilig leven.
DE KOMST VAN SILAS
EN TIMOTHEUS
Terwijl
de apostel werkte om in zijn behoeften te voorzien, en op de Sabbatdagen in de
synagoge diende, waren er gedachten van verlangen, die hem dag en nacht bezig
hielden. Hoe ging het met de kleine groep gelovigen in Thessalonica, waar zo'n
bittere vervolging was geweest? Welke aanvechtingen moesten zij nu het hoofd
bieden? Konden zij die wederstaan? En hoe was het met de andere groepen die hij
had achtergelaten? (2Cor.11:28).
In
Athene had Timotheus Paulus bezocht, maar de apostel had hem, toen hij hoorde
van de moeilijke toestand van de Thessalonische gelovigen, hem teruggestuurd om
hen te bevestigen en te bemoedigen, zelfs al betekende dit voor hem, dat hijzelf
"alleen te Athene moest achterblijven" (1Thes.3:1-3). Sindsdien had
hij geen berichten uit de eerste hand meer van hen vernomen, hoewel berichten
over hun bekering wijd verspreid geworden waren (1Thes.1:8).
Stel
u voor het blijde schouwspel, toen de bezwaarde apostel op een dag misschien wel
opkeek van zijn werk in de werkplaats van Aquila, en zijn geliefde Silas en
Timotheus zag aankomen! En stel u zijn gezicht voor, met een stralende glimlach
en met vreugdetranen, toen zijn broeders hem zoveel goed nieuws brachten!
Timotheus
was uit Thessalonica gekomen met de meest hartverkwikkende berichten. Zij
stonden stevig! Waar is wel, dat sommigen verward waren over dat wat Paulus had
gezegd met betrekking tot de opname van de gelovigen om bij Christus te zijn.
Zij pleegden rouw over hun heengegane broeders, waarvan zij vreesden, dat zij nu
uitgesloten waren van het glorieuze evenement. Maar hun geloof en liefde waren
sterk, en zij dachten aan hem met genegenheid, ernaar verlangend hem terug te
zien (1Thes.3:6).
En
hij verlangde er ook naar hen te zien, teneinde te volmaken wat nog aan hun
geloof ontbrak (1Thes.3:10), maar dit blijde nieuws maakte, dat zijn hart
overvloeide van dankbaarheid en vreugde (1Thes.3:7-9), en hij wilde hen zonder
uitstel schrijven om hen verder te bevestigen, speciaal met betrekking tot de
komst van de Here tot opname van de Zijnen (1Thes.4:13-18).
Maar
er was meer om het hart van de apostel te verblijden. Silas bracht ongetwijfeld
goed nieuws uit Berea, waar Paulus hem het laatst had achtergelaten
(Hand.17:14). En daar was nog een speciale verrassing: een gift van zijn
geliefde Philippenzen! (2Cor.11:9). Hoe sprak hem hun standvastigheid en hun
liefde voor hem aan! En hoe goed kon hij het nu gebruiken! Aquila en Priscilla
waren pas "onlangs van Italië gekomen" (V.2), en het is te
betwijfelen dat hun zaak al direct bloeide. Ook was het, zoals hij later schreef
aan de Corinthiërs, zijn "regel" om met het evangelie uit te komen,
alleen als in de behoeften waren voorzien, tenzij het bereik of de uitbreiding
uitging boven datgene waarin God had voorzien (2Cor.10:13-16).
Geen
wonder dat Paulus door de komst van Silas en Timotheus met nieuwe drang weer
Christus predikt. Zware zorgen waren hem van het hart genomen. In financiele
nood was voorzien. Betrouwbare medewerkers zouden hem weer ter zijde staan.
Opnieuw
vinden we hem volledig in beslag genomen door zijn boodschap"/[i].
Hij moest zijn stamgenoten in de synagoge bezoeken en belijden dat Jezus
de Christus is.
Men
moet niet veronderstellen, uit vers 5, dat de apostel aan de Joden Christus nog
niet had aangeboden. Vers 4 vertelt ons, dat "hij handelde op elken sabbat
in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken". Zeker
zal hij hen niet lastig vallen met hen te bewegen tot minder belangrijke
zaken. Toch lijkt vers 5, in onze versie, de indruk te geven dat hij pas begon
te betuigen dat Jezus de Christus was, na de komst van Silas en Timotheus. De
verklaring hiervan is, dat het woord hier gebruikt voor "betuigen" een
te sterke uitdrukking geeft, zelfs sterker dan "bewegen" in vers 4,
dat "getuigen of ernstig verklaren" bedoelt. Zo
probeerde Paulus de Joden sabbat na sabbat
te overtuigen, kennelijk met weinig succes. Maar nu, na de komst van
Silas en Timotheus, deed hij dit met grotere ijver, ernstig betuigend tot hen,
dat Jezus was de Christus.
Mochten
enkele van onze lezers zich afvragen, hoe de prediking van Jezus als de
Christus, kon overeenstemmen met de speciale boodschap van Paulus, dan herhalen
we, dat uit zowel Handelingen als uit de eerste brieven, het klaar en duidelijk
is, dat hij veel meer predikte, waar hij ook kwam. Maar hij moest hier beginnen
met deze Joden, want indien zij, net als hun broeders in Judea, ontkenden
dat Jezus de Messias was, hoe konden zij dan geloven, dat Hij de God der
genade was? Verder dienen we ons te herinneren, dat het Boek Handelingen
allereerst een verslag is van Israels verwerping van haar Messias en de
verklaring van haar uitsluiting van goddelijke genade. Vandaar dat Paulus'
speciale boodschap hier op de tweede plaats komt.
DE BOODSCHAP TEGENGESTAAN
EN GELASTERD
Paulus'
getuigenis tot de Joden te Corinthe werd niet direct afgewezen; zij werd tegengestaan
en gelasterd, en dat op de meest besliste en totale wijze. Lukas gebruikt
in vers 6 een militaire term. De term "zij wederstonden" betekent
dat zij zich opstelden als in slagorde. En hun lastering geeft aan, dat hun
tegenstand van Christus net zo bitter was als zij fel was.
Nogmaals
wees het uitverkoren volk het Woord van God af en oordeelden zichzelf het
eeuwig leven niet waardig (Cf.Hand.13:46). Dat is wat we lezen:"MAAR ALS
ZIJ WEDERSTONDEN EN LASTERDEN, SCHUDDE HIJ ZIJN KLEDEREN AF EN ZEIDE TOT HEN: UW
BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN
HEENGAAN" (V.6).
Paulus'
daad door zijn klederen tegen hen te schudden, had een diepe symbolische
betekenis. Het was het verontwaardigd protest van iemand die beroepen in de
Schrift had gevonden, om te redeneren en vruchteloos gewetens aan te spreken.
Hij zou ophouden met hen te bewegen.
Bovendien
legt hij weer (zoals in 13:46) de blaam op hen, als hij uitroept: Uw
bloed zij op uw hoofd; ik ben rein." Dit is een duidelijke toespeling
op Ezech.3:18,19. Indien zij omkwamen in hun zonden zouden zij nooit kunnen
klagen, dat hij hen niet gewaarschuwd had.
Verder
dient te worden opgemerkt, dat de verklaring van de apostel over zijn gaan naar
de heidenen, hier veel sterker is dan dat wat in Hand.13:46 vermeld is. Daar was
het zuiver een plaatselijke aangelegenheid (hoewel symbolisch); hier is het een
aankondiging van een beleid. Daar, waar de heidenen riepen om het Woord van God
te horen, en de Joden weigerden te luisteren, had Paulus gezegd: "ziende
dat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, zie,
wij keren ons tot de heidenen". Hier verklaart hij: "Van nu
voortaan zal ik tot de heidenen gaan". Vanaf dit punt zal hij in
volstrekter zin "de apostel der heidenen" zijn.
Het
is veelbetekenend dat de eerste geschreven brief van Paulus, 1Thessalonicensen,
klaarblijkelijk geschreven werd in verband met de komst van Silas en Timotheus,
en de tegenstand van de Corinthische Joden (Zie 1Thes.1:1; 2:14-16; 3:6,7,
etc.), en dat zijn brieven dus beginnen vanuit zijn verklaring: "Van nu
voortaan zal ik tot de heidenen gaan".
DE GEMEENTE AAN HUIS
Het
is merkwaardig hoe dikwijls het werk van God bevorderd werd door samenkomsten
die in huizen gehouden werden. Een kern van gelovigen zijn wellicht
geinteresseerd geworden om Gods Woord te bestuderen, toen een paar vrome mensen
naar voren zijn gekomen om de gastvrijheid van hun huis aan te bieden voor
regelmatige samenkomsten. Menig groot werk is op die manier voor God gedaan, en
menige gemeente daardoor ontstaan.
Hier
in Corinthe, afgewezen in de synagoge, is de apostel uitgenodigd door een man
genaamd Justus, om zijn dienst in zijn huis te houden. Het was klaarblijkelijk
door het benutten van dit huis als operatiebasis, dat zo'n groot werk voor God
in Corinthe tot stand kwam.
Op
dezelfde wijze openden later Aquila en Priscilla hun huizen voor regelmatige
samenkomsten, zowel tijdens hun verblijf in Ephese als toen zij in Rome
vertoefden. In verband hiermee spreekt Paulus over hen met bijzondere
genegenheid. Dit is ook het geval met Philemon, die de gemeente, of een
gemeente, onderhield in Kolosse (Phile.1,2). En van Nymphas in Laodicea
zou wellicht nimmer gehoord zijn, als hij niet de gemeente daar
gastvrijheid had bewezen (Col.4:15).
DE GEMEENTE NAAST DE DEUR
De
apostel neemt nu vrijmoedig een uitdagende stap, door te verhuizen naar een huis
waarvoor de Joden huiveren om binnen te gaan: het huis van een heidense
"aanbidder" genaamd Justus, die bovendien naast de synagoge woonde.
Sommigen
hebben zich afgevraagd zijn ethiek om nu diensten te gaan houden in een huis dat
"zo na aan de synagoge lag". Stel je voor de gespannen gevoelens, als
bezoekers van twee verschillende samenkomsten elkander daarbuiten ontmoeten!
Stel je voor hoe woedend de Joden zijn geweest op Paulus omdat hij zijn
samenkomsten direct naast de deur houdt!
Zeer
zeker is het een inbreuk in de ethiek en erger, wanneer de pastor of een
lid van een samenkomst van Bijbelgelovigen, persoonlijke overwegingen laat
gelden om een scheiding te bevorderen of te veroorzaken in de gemeente, teneinde
enkelen van haar leden weg te trekken en een nieuwe samenkomst naast de deur te
beleggen. Dit is een ontkennen van de stelling door de Geest, dat "er
slechts één lichaam is", een schande voor de wereld en een opstaan
tegen God.
Maar
dit was in de zaak van de Corinthische synagoge in geen enkel deel het geval.
Paulus ondernam deze actie niet wegens spijt of persoonlijke overwegingen. Deze
Joden stonden het Woord van God en hun eigen Messias tegen, en Paulus begon,
terwille van enkelen die niet zo hardnekkig waren als de rest, samenkomsten te
houden naast de deur, als een open protest en getuigenis tegenover de ongelovige
meerderheid. Het was zijn oogmerk dat leden van de twee samenkomsten elkander
zouden ontmoeten, opdat de kwestie levendig zou blijven. Het was zuiver een zaak
van lering. Zijn keuze voor het huis van een heiden als ontmoetingsplaats zou
veel meer geschikt zijn om meer heidenen te trekken, en de nieuwe samenkomst zou
een zichtbaar symbool zijn van Gods bedoelingen om redding aan de heidenen te
zenden, ondanks, ja, door Israels ongeloof. Zo staat er geschreven: "...Door
hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te
verwekken" (Rom.11:11).
Israel
had zeker geen reden om te klagen. Eerst was Messias tot de Zijnen gekomen,
alleen om verworpen en gekruisigd te worden. Maar God had hem uit de doden
opgewekt en, in eindeloze barmhartigheid, "Israel bekering en vergeving van
zonden aangeboden" (Hand.5:31). Zelfs toen zij hardnekkig bleef in het
kwaad, bleef God zich met haar bemoeien door haar tot jaloersheid te verwekken
door een gelovig overschot, de "kleine kudde", het "dwaze
volk" (Luk.12:32; Rom.10:19). En God deed zelfs nog meer, want nu verwekte
hij Israel tot jaloersheid door de bekering van de heidenen. Jesaja's profetie
werd zeer zeker meer dan vervuld.
"En
Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten;
Ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden.""...DEN
GEHELEN DAG HEB IK MIJN HANDEN UITGESTREKT TOT EEN ONGEHOORZAAM EN TEGENSPREKEND
VOLK" (Rom.10:20,21).
DE OVERSTE DER SYNAGOGE
WORDT BEHOUDEN
De
bekering van de "overste" der synagoge en zijn huis moet een diepe
indruk gemaakt hebben op de gemeente, en hun een sterke impuls gegeven hebben
voor de zaak van Christus in Corinthië. Het is dan ook in dit verband, dat we
lezen dat "velen van de Corinthiërs hem horende, geloofden en werden
gedoopt" (V.8). Zo drukte God reeds Zijn stempel van goedkeuring op de
vrijmoedige stap die Paulus genomen had.
Het
is belangrijk dat we hier opmerken, dat terwijl velen van de Corinthiërs
gedoopt werden, Paulus slechts weinigen van hen doopte. Een van
dezen was Crispus, ongetwijfeld door Paulus zelf gedoopt omdat hij een
voorname bekeerling was. Een andere was Gajus, die later van zijn huis
een ontmoetingsplaats maakte, en Paulus' gastheer was bij zijn tweede bezoek aan
Corinthië (Rom.16:23). Toen doopte hij ook "het huisgezin van Stephanus",
misschien omdat zij "eerstelingen van Achaje" waren (1Cor.16:15).
Terugkijkend kon hij zich niet herinneren behalve dezen nog anderen te hebben
gedoopt.
Dit
was niet, zoals sommigen veronderstellen, dat Paulus anderen voor zich liet
dopen om tijd en energie te sparen. Er was een diepere reden. Waterdoop is in
Joh.1:31 duidelijk verbonden aan de verschijning van Christus aan Israel.
Gedurende de tijd, dat Hij aan Israel werd openbaar gemaakt, was waterdoop niet
buiten de orde. Toch was deze rite niet opgenomen in de speciale opdracht aan
Paulus; het kon ook niet. Hij werd niet gezonden om te dopen, maar om het
evangelie te prediken, en wel eenvoudig, "opdat het kruis van Christus
niet verijdeld worde, want," zegt hij, "de prediking van het kruis...is
de kracht van God (1Cor.1:17,18). Zo was het ook, dat Paulus nimmer iemand
doopte "tot vergeving van zonden", zoals Johannes de Doper en
de twaalven vóór hem deden (Mark.1:4; Hand.2:38).
Dit
verklaart het schijnbare gebrek aan inspiratie in de voorgaande teksten
(1Kor.1:14-16). Ten eerste stelt de apostel categorisch, dat hij God dankt dat
hij niemand van hen gedoopt heeft, dan Crispus en Gajus; alleen deze
twee. Dan herinnert hij zich dat hij ook het huisgezin van
Stephanus doopte. En daarna, terwijl hij voorzichtiger wordt, stelt hij dat hij
zich niet herinnert iemand anders gedoopt te hebben.
Dit
geeft niet enig gebrek aan goddelijke inspiratie weer. Eerder juist goddelijke
inspiratie door het feit aan te tonen dat waterdoop meer en meer onbelangrijk
was geworden in de bediening van Paulus, en dat het niet was opgenomen in
zijn speciale opdracht.
BEMOEDIGING VAN EEN
VERMOEIDE STRIJDER
Maar
de spanning van de strijd had uitwerking op de apostel. Hij bekende door vrees
en depressie bevangen te zijn. Later schreef hij erover:
"Ik
was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in veel beving"
(1Cor.2:3).
Men
moet niet veronderstellen dat onbevreesdheid karakteristiek was voor een zo
gevoelige natuur als die van Paulus. Integendeel was hij dikwijls bevreesd. Door
de genade van God, was bij hem eerder de moed, die ondanks zijn vrezen,
hem aanzette gevaren te trotseren.
De
spanning, week na week, door de situering naast de deur van de synagoge, met al
de verrassende, moeilijke ontmoetingen daaraan verbonden, zouden wel oorzaak
hebben kunnen zijn voor sommigen van zijn volgelingen, en mogelijk ook voor
hemzelf, zich af te vragen of de stap die genomen was, wel wijs en juist geweest
was, en zijn mentale depressie deed toenemen. Maar de Here was er om de zaak
weer op een onmiskenbare wijze te bemoedigen.
Het
zou uit verschillende passages in de tweede brief aan de Thessalonicenzen
(speciaal 3:1,2) kunnen schijnen, dat deze brief geschreven werd, toen Paulus
bevreesd begon te worden over het werk in Corinthe, en dat het daarna was, dat
de Here hem in een visioen*/[ii]
verscheen, om hem te bemoedigen.
Laten
we proberen om ons in Paulus' positie in te denken, terwijl we de verzen 9 en 10
lezen, om zo de kracht ervan volediger te proeven:
"En
de Here zeide tot Paulus...: "Zijt niet bevreesd, "maar spreek,
"en zwijg niet; "want Ik ben met u, "en niemand zal de hand aan u
leggen om u kwaad te doen; "want Ik heb veel volk in deze stad."
Wat
zal deze genadige tussenkomst het hart van de trouwe krijgsman bemoedigd hebben!
Wat zal het zijn ijver voor zijn geliefde Here hebben bevorderd, Zijn stem te
horen, die hem bemoedigt om vrijmoedig te spreken, hem verzekerend niet alleen
van de gemeenschap van Zijn aanwezigheid, maar ook van lichamelijke bescherming,
en - vele zielen! Morgen zal hij het werk nieuw beginnen, van tevoren
verzekerd van de uitkomst.
zijn
bediening daar uitermate vruchtbaar was. In Athene en daarna Corinthe werd
aangetoond, dat "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid",
en dat "God
het dwaze dezer wereld heeft uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen
zou...opdat geen vlees zou roemen voor Hem."
VERVOLGING TEN NUTTE
"Maar
als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen
Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel. "Zeggende: Deze raadt den
mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet. "En als Paulus zijn
mond zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk of kwaad stuk
begaan was, o Joden, zo zou ik met reden ulieden verdragen; "Maar indien er
geschil is over een woord en namen en over de wet, die onder u is, zo zult gij
zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn. "En hij
dreef hen weg van de rechterstoel. "Maar al de Grieken namen Sosthenes, de
overste der synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich
geen van deze dingen aan."
- Hand.18:12-17.
DE
APOSTEL VOOR GALLIO GEBRACHT
Zoals
God Paulus gebruikt had om de gemeente te Philippi in een gunstige positie te
stellen tegenover de burgerlijke overheid, voordat hij Philippi verliet, zo
gebruikte Hij nu Gallio, een Romeinse proconsul, hetzelfde te doen voor de
gemeente te Corinthe.
Hoewel
de Here aan Paulus was verschenen om hem te bemoedigen en te verzekeren voor wat
betreft zijn bediening in Corinthe, betekende dit niet dat hij verder geen
tegenstand meer zou ervaren. Het betekende echter dat al die tegenstand zou
medewerken tot bevordering van het werk daar. Een treffend voorbeeld daarvan
wordt ons gegeven in Paulus' verschijning voor Gallio.
Toen
Gallio proconsul werd gemaakt van Achaje, waren de Joden er vlug bij, om
voordeel te trekken uit de verandering in het bestuur door een oproer te maken,
en Paulus voor de "rechterstoel" te brengen.
Gallio
was de broer van Seneca, de beroemde staatsman, philosoof en raadsman van Nero
in zijn eerste tijd. Seneca schreef over Gallio met grote genegenheid en
beschreef hem als een vriendelijk en minzaam karakter, gemakkelijk om mee om te
gaan. Ongetwijfeld kenden de Joden zijn reputatie, en hoopten dat hij zou ingaan
op hun verzoek om Paulus te straffen.
Hun
aanklacht was, dat Paulus mensen probeerde over te halen om God te aanbidden
"tegen de wet". Zij konden natuurlijk hebben verwezen naar hun
wet (Cf. V.15), want de Hebreeuwse religie werd toen beschermd door de
Romeinse regering. Het schijnt echter waarschijnlijker, dat zij meenden dat
Paulus een onwettige religie opzette - één die niet was opgenomen onder
die welke onder de Romeinse wet werden toegelaten. Wanneer we de slechte en
ontaarde religies beschouwen die de Romeinse wet wel toeliet, juist hier
in Corinthe, dan was deze beschuldiging tegen Paulus werkelijk minderwaardig.
Uit
wat volgde schijnt het, dat Gallio de aanklagers verder ondervraagd moet hebben
over hun beschuldiging, als we opmerken, dat het zuiver een dispuut was tussen
Joden. Daarom kwam Gallio tussenbeide, toen Paulus zou gaan spreken tot zijn
eigen verdediging, met te verklaren, dat de zaak geheel buiten zijn rechtspraak
lag. Als het een geval van duidelijke verkeerdheid of "boos opzet" zou
zijn, zo verklaarde hij, dan zou hij een verhoor hebben bepaald, maar
"indien er geschil is over een woord en namen en over de wet, die onder u
is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter
zijn."
Omdat
het Romeins bestuur bijna alle religies toestond en beschermde, waren de
overheden geïnstrueerd, om zo mogelijk buiten religieuse tegenstellingen te
blijven. Zodoende hadden de Joden reeds veel moeilijkheden veroorzaakt, en als
gevolg daarvan waren zij kortgeleden Rome uitgewezen. Gallio handelde toen
verstandig door Paulus niet toe te laten te spreken, en de zaak zelfs niet te
willen aanhoren. Wat wist hij van hun wet of de woorden en namen waar zij
over ruziëden*/[iii]
Let
wel, Gallio gaf Paulus niet in hun handen, zoals Pilatus met Christus wel
gedaan had (Luk.23:23,24) want, niet als Pilatus, weigerde hij zelfs naar de
zaak te luisteren, nog minder een oordeel te vellen. Ook zijn "ziet
gijzelven toe" hield aan hen geen toestemming in, om Paulus
burgerlijk te vervolgen. Anders zou Paulus zich op de Keizer beroepen hebben,
zoals hij later wel deed, toen Festus een verhoor voorstelde in Jeruzalem
(Hand.25:9-12,20,21).
Gallio
wees de aanklacht af - nadrukkelijk, want hij "dreef hen
weg van de rechterstoel", ongetwijfeld door de ordebewaarders te
bevelen het gerechtshof te ontruimen.
Voor
de Grieken die erbij stonden, die de Joden reeds haatten, was dit een
gelegenheid om de ordebewaarders terzijde te staan en Sosthenes, de overste van
de synagoge**/[iv]
(en waarschijnlijk Paulus' hoofdaanklager) een flink pak slaag te geven.
"En
Gallio trok zich geen van deze dingen aan".
Zijn houding kwam overeen met de beschrijving van Seneca van zijn soepele
aard. Hij zorgde ervoor de zaak Paulus niet te horen, en liet na om een
uitbreking van geweld voor de rechterstoel, te doen stoppen. Toch kan dit
gedeeltelijk met bedoeling geweest zijn. Sommigen hebben verondersteld dat een
zitting en uitspraak door Gallio ten gunste van Paulus, hem meer geholpen
zou hebben. Feitelijk echter moet Gallio's houding een grotere afwijzing
hebben betekend voor Paulus' beschuldigers, en hem en de Corinthische gemeente
een betere plaats in de maatschappij gegeven hebben, dan zij anders gekregen
zouden hebben.
In
Philippi had Paulus' intelligentie geholpen, om de jonge gemeente daar erkenning
te doen verkrijgen, door zijn tegenstanders blaam te bezorgen, en door hen in
de verdediging te dwingen. Hier had Gallio's antwoord aan Paulus' beschuldigers
hetzelfde uitgericht. De Here vervulde Zijn belofte aan Zijn trouwe apostel. "En
Paulus onthield zich aldaar een jaar en zes maanden".
"Niet
vele" voorname Corinthiërs werden bereikt gedurende het verblijf van
Paulus in Corinthe (1Cor.1:26) maar een groot aantal van het gewone volk keerde
zich tot Christus, en daar waren zulke uitnemende bekeringen als die van
Crispus, de overste van de synagoge, en waarschijnlijk Sosthenes, zijn opvolger;
ook Gajus en het huisgezin van Stephanus. Deze meer prominenten zouden zich
later voegen bij Erastus, de stadsrentmeester (Rom.16:23). Zo mogen ook deze
hogeren in rang op de levensschaal, God danken dat 1Cor.1:26 spreekt van
"niet vele" liever dan "geen enkele".
Het
was enige tijd vóór Paulus' vertrek uit Corinthe, dat hij nog een brief
schreef aan de Thessalonicensen. Hun vragen met betrekking tot de wederkomst van
de Here waren nog niet opgelost. Sommige oneerlijke personen hadden profijt
getrokken van Paulus' afwezigheid, klaarblijkelijk in het namaken van een of
meerdere brieven in zijn naam (2Thess.2:2), die hen verder verontrustten en
verwarden, zodat Paulus bij hen moest aandringen, dat het zijn gewoonte was zijn
brieven persoonlijk te ondertekenen (2Thes.3:17).
Sommigen
schenen er zeker van te zijn, dat de geprofeteerde "dag des Heren" met
zijn verschrikkelijke oordelen, op komst was. Inderdaad gaven sommigen,
blijkbaar hun vervolgingen verwarrend met de komende "grote
verdrukking", hun dagelijks werk op en werden "bemoeials", op die
wijze hun Here onterend. "De vorst van de machten in de lucht" viel
opnieuw aan. Paulus moest zonder uitstel schrijven om zijn invloed tegen te
gaan, en de kleine groep gelovigen te versterken.
PAULUS
KEERT WEER TERUG NAAR JERUZALEM
"En
als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en
scheepte vandaar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te
Kenchreeën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan. "En hij
kwam te Efeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge en handelde
met de Joden.
"En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het
niet. "Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het
toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil.
En hij voer weg van Efeze. "En als hij te Cesarea was gekomen, ging
hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar
Antiochië."
- Hand.18:18-22.
PAULUS' GELOFTE
Nadat
Paulus een vol jaar en zes maanden in Korinthe was geweest "nam hij
afscheid van de broederen", dat is, hij bad hen vaarwel, en
"zeilde" (Lett. "zeilde weg") naar Syrië. Voor een
gedeelte van de reis gingen Priscilla en Aquila met hem mee. Wat ook redenen zij
hadden om Corinthe te verlaten en Paulus tot Epheze te vergezellen, het was met
God, want zij werden daarna gebruikt om geestelijk licht mede te delen aan een
man Gods, niemand minder dan de grote Apollos (V.26).
Wat
Paulus in Kenchreeën deed, vóór vertrek naar Syrië, geeft een ingewikkeld
probleem.
Er
bestonden verschillende geloften die men mocht doen voor God onder de Mosaïsche
wet (Deut.23:21,22), maar die waarbij behoorde om het haar te laten groeien
gedurende de tijd van de gelofte en het weer af te scheren bij de afloop, was de
Nazireër gelofte. Bij deze wijdde de persoon zich aan de Here gedurende
een week, een maand, een jaar of elke bepaalde tijdsperiode (Num.6:1-21). Dit
schijnt de gelofte te zijn die Paulus had genomen, en die te Kenchreeën afliep.
Deze
gelofte echter, werd verondersteld te worden gedaan aan "de deur van de
tabernakel" te Jeruzalem, waar bloedoffers werden geofferd, en het haar,
dat gedurende de gewijde periode niet was geknipt, werd weggeschoren en ook als
heilig offer gebracht.
In
het verslag in Handelingen wordt ons verteld, dat Paulus "zijn hoofd
geschoren had in Kenchreeën; want hij stond onder een gelofte", en ook,
dat hij zich haastte om "het toekomende feest te Jeruzalem" te houden.
John
Kitto is daarover blijkbaar correct in zijn verklaring, dat "als deze
(offers) niet buiten Jeruzalem gebracht konden worden, zij die deze gelofte in
het buitenland deden, hun offers brachten bij hun volgende bezoek aan de heilige
stad" (The Apostles and The Early Church, P.382).
De
belangrijke vraag of Paulus in de directe wil van God was door een gelofte te
doen met inbegrip van bloedoffers, of in het onderhouden van een Joods feest in
Jeruzalem, of inderdaad het hele gaan naar Jeruzalem, zal uitgebreid worden
besproken in een later hoofdstuk. Maar hier mogen we zeggen, dat omdat het waar
is, zoals sommigen het gesteld hebben, dat het doen van een Nazireeërgelofte
een geheel vrijwillige en niet een door de wet bevolen zaak was, de bloedoffers
die daarbij behoorden beslissend waren, en nauwkeurig volgens naar
de wet (Num.6:1-21).
Sommigen
hebben gesteld dat de taal, vanuit het origineel, zou kunnen worden
geinterpreteerd als te betekenen, dat het Aquila was die de gelofte gedaan had.
Maar dit lijkt meer op een poging om een moeilijkheid te omzeilen.
Uit
vers 19 zou men kunnen opmaken, dat bij aankomst in Epheze het gezelschap uit
elkaar ging en Paulus alleen de synagoge binnenging. Hiervoor wordt geen reden
gegeven, maar het is mogelijk dat drukke zakelijke aangelegenheden Aquila en
Priscilla bezig hielden gedurende deze eerste dagen in Epheze.
Meer
bijzonder is het feit, dat de apostel niet voortging om tot de Joden in deze
synagoge te spreken, zelfs ondanks dat zij hem dringend uitnodigden om te
blijven. Het was inderdaad zeldzaam dat hij deuren zo wijd open vond. Maar
hij was toen met haast op weg naar Jeruzalem. Bedankend voor hun uitnodiging
"nam hij afscheid van hen en zei: "Ik moet ganselijk het toekomende
feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil"
(V.20,21).
Vreemd
echter dat over zijn bezoek aan Jeruzalem een waas ligt, en de gevolgtrekking
wordt gemaakt, dat zijn verblijf daar erg kort was. Het verslag geeft aan, dat "toen
hij te Cesarea was gekomen, hij opging naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet
hebbende, ging hij af naar Antiochië" (V.22). Ons wordt niet verteld
of hij Jeruzalem tijdig voor het feest bereikte. Uit het relaas zou men wel het
tegendeel mogen opmaken.
Het
is ook vreemd, dat niets wordt gezegd over enig welkom of verslag over zijn
activiteiten in Antiochië, van waaruit hij voor ongeveer drie jaren was
vertrokken met Silas, om "de broeders te bezoeken".
[i].*/Voetnoot: In de meeste
vertalingen lezen we dat hij werd "in beslag genomen" of
"gedrongen" door het Woord.
[ii].*/Voetnoot: Horama, een objectief
visioen; niet hetzelfde als in Hand.2:17. Dit was één van de vele
gelegenheden waarbij de Here aan Paulus verscheen.
[iii].*/Voetnoot: Zo kwam het hem
tenminste voor, hoewel de kwestie tussen Paulus en de Joden eigenlijk was,
of Jezus de Messias was.
[iv].**/Voetnoot: Klaarblijkelijk de
opvolger van Crispus (V.8). Dat Sosthenes ook mogelijk gered werd, lijkt
waarschijnlijk uit het feit, dat Paulus later een Sosthenes noemt als
medewerker in een brief aan de Corinthische gemeente (1Cor.1:1). Dit
zou dan betekenen, dat twee vroegere vervolgers, nu Christus
predikten.
|