De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXXII - HAND. 18:1-22

PAULUS BEDIENING TE CORINTHE

BEVESTIGD WORDEND

 

"En na dezen scheidde Paulus van Athene en kwam te Corinthe;

"En vond een zekeren Jood, met name Aquila, van geboorte uit Pontus, die onlangs van Italië gekomen was, en zijn vrouw (Omdat Claudius bevolen had, dat al de Joden uit Rome vertrekken zouden), en hij ging tot hen;

"En omdat hij van hetzelfde handwerk was, bleef hij bij hen en wrocht, want zij waren tentenmakers van handwerk." - Hand.18:1-3.

CORINTHE IN DE DAGEN VAN PAULUS

Op een schiereiland, slechts enkele kilometers breed, waar de wateren van de Middellandse Zee Achaje (nu Griekenland) bijna in tweeën snijdt, lag Corinthe.

De oude stad was verbrand door de Romeinse legioenen in 146 v.Chr, maar een nieuw en groter Corinthe was opgebouwd en gegroeid tot de handels- en politieke metropolis van Griekenland, eveneens tot een van de grote wereld-sportcentra.

Corinthe beroemde zich op bijzondere handelsvoordelen. Het was een vitale zeehaven met havens aan beide zijden van het schiereiland, één aan de Golf van Corinthe, de andere aan de Golf van Saron naar het Oosten, slechts enkele mijlen er vandaan. Aldus gunstig gesitueerd, werd het een handelscentrum, want de zeehandel tussen Klein-Azië en Italië moest natuurlijker wijze dit nauwe schiereiland kruisen. Kooplieden en handelaars uit alle delen van Griekenland moesten daar komen om voordeel te trekken van haar commerciële mogelijkheden.

Het was ongetwijfeld ook door haar gunstige ligging, dat Corinthe één van de voornaamste centra voor athletisch vermaak werd. De wereldberoemde Griekse spelen geleken op onze Olympische spelen en trokken daarbij duizenden bezoekers naar Corinthe vanuit vele delen van de toen bekende wereld.

Hoewel Corinthe in karakter tamelijk verschilde van Athene, beroemde het zich op haar spitsvondige en talentvolle redenaars, knap en overgegeven in de kunst der wetenschap en aan diepzinnige en metaphysische redeneringen. Daar waren "de onderzoekers dezer eeuw", welker "wijsheid" echter, "dwaasheid bij God" was (1Cor.1:20; 3:19).

Uit hetgeen we tot dusver gezien hebben, zal het natuurlijk besluit vallen, dat Corinthe een slechte stad was. Een stad met twee havens en het amusementscentrum van een heidense bevolking, kon niet anders zijn. Haar "hoge geleerdheid" kon het getij van de zonde niet het hoofd bieden. Maar het meest verbijsterend aspect van het Corinthische leven was haar religie.

In Corinthe werd wellust niet slechts door de vingers gezien maar aangemoedigd en daadwerkelijk "heilig verklaard" als aanbidding van Aphrodite, de "godin der liefde".

Daar stond haar grote tempel samen met andere kleinere, waar, zoals de historie vertelt, duizend "gewijde" hoeren hun schatkisten vulden met offers, afkomstig van wellustige "bezoeken" met mannelijke "aanbidders".

Geen wonder dat Chrysostomus Corinthe "de meest wellustige stad die er ooit geweest is" noemde. Er bestond geen stad op aarde die losbandiger was. Alleen de naam Corinthisch was in Paulus' dagen reeds synoniem met onzedelijkheid, zodat iemand die "de Corinthiër speelde" in morele slechtheid gevallen was, en een "Corinthisch banket" was een dronkemansfuif. Geen wonder dat Paulus de Corinthische gemeente eraan moest herinneren, dat "noch hoereerders, noch afgodendienaars, noch overspelers, noch ontuchtigen, noch die bij mannen liggen...het koninkrijk Gods beërven" (1Cor.6:9,10).

Zo was Corinthe; bekend om haar rijkdom, luxe en losbandigheid; "het Parijs der oudheid". In haar drukke straten vond de apostel zich omringd door alle soorten mensen: Romeinse vrije burgers, slaven, zakenlieden erop uit om geld te verdienen, touristen, zeelieden varende op twee zeeën, sportliefhebbers, gokkers, plezierzoekers - een groot deel daarvan ver van huis.

Zij die zich verwonderen hoe Paulus de nalatige Corinthische gelovigen "heiligen" kon noemen, dienen hun achtergrond en omgeving te bedenken. De gemeente van Corinthe was, met al haar fouten, werkelijk één van de wonderen uit de Kerkgeschiedenis, en één van de triomfen van Gods genade. Inderdaad noemt Paulus hen, in de Geest, het "zegel" van zijn apostelschap (1Cor.9:2).

Maar laten we niet op onszelf vooruit lopen. Ongetwijfeld ging Paulus naar Corinthië, in de hoop hoofdkwartieren voor het evangelie in Achaje te vestigen, zoals Thessalonica voor Macedonië geweest was. Ook zeker daarvoor, omdat hij vertrouwde, dat vanuit dit handelscentrum het goede nieuws zich te sneller zou verspreiden.

Vandaag kan Corinthe eenvoudig vanuit Athene per trein worden bereikt, maar Paulus had zo'n gemak niet tot zijn beschikking. Klaarblijkelijk ging hij liever per schip over de golf van Saron, dan de vervelende en omtrekkende landroute te nemen. De reis over zee zou hem niet meer dan twee dagen kosten, terwijl de reis over land vijf of zes dagen zou duren.

                  AQUILA EN PRISCILLA

Nog steeds alleen reizend bij zijn aankomst in Corinthe, had hij onderdak nodig en passend handwerk. Hij had geen sponsor of financiële commissie waar hij om fondsen kon vragen. De gemeente in Antiochië had zijn uitgaven niet op zich genomen. De gelovigen die hij in Philippi had achtergelaten hadden "eenmaal en andermaal" giften gezonden om zijn "nooddruft" te verlichten. Maar toen hij bleef reizen, "hebben zij de gelegenheid niet gehad", en werd het steeds moeilijker hem te localiseren (Phil.4:10,15,16).

De Joden hielden het ervoor, dat ouders die hun zoon geen handwerk leerden, een dief van hem maakten. Er bestaat ook genoeg aanleiding te erkennen, dat van alle mannen, Paulus de meest gewetensvolle was in financiele zaken. Zo vinden we hem in meerdere gevallen met zijn handen werkende om in zijn onderhoud te voorzien, en soms ook in de behoeften van anderen, die met hem trokken (Hand.18:3; 20:34; 1Cor.4:11,12; 1Thes.2:9; 2Thes.3:8).

In de voorziening die deze keer voor de apostel wordt gemaakt, vinden we een fraaie illustratie van Gods voorziening om door een ogenschijnlijk natuurlijke gang van zaken Zijn doeleinden te bereiken. Zelfs voordat Paulus "uit Athene vertrok" om te Corinthe te komen, "had Claudius alle Joden bevolen uit Rome te vertrekken". En zo was het, dat Aquila en Priscilla, refugees uit Italië, reeds in het beeld waren, als het ware wachtend op Paulus dat hij op bezoek zou komen, en in staat waren om hem zowel van onderdak als van werk te voorzien.

Wat betreft het decreet van Claudius, zegt de Romeinse historicus Suetonius, dat Claudius de Joden uit Rome verdreef, omdat "zij voortdurend tumult veroorzaakten onder hun leider Chrestus." Wij weten dat Christus in de hemel was, zodat deze Chrestus een andere persoon geweest moet zijn. Wij echter weten ook dat Christus inderdaad tumult verwekte, waar Hij ook gepredikt werd, zodat of Claudius dan wel Suetonius, later, verkeerd hebben weergegeven dat zo'n tumult ontstaan was onder Zijn leiderschap.

Eigenlijk vermeldt het verslag alleen, dat Aquila en Priscilla "uit Italië waren gekomen", zodat het ongegrond is te concluderen dat zij zonodig in Rome hebben geleefd. Terwijl Claudius' drastisch decreet op Rome sloeg, raakte het in tegendeel ongetwijfeld Joden in alle delen van Italië.

Niettemin schijnt het laatste gedeelte van vers 2 in onze passage, in het bijzonder te wijzen op het voorafgaande, en we weten dat niet lang hierna Aquila en Priscilla in Rome gevonden worden (Rom.16:3). Dus schijnt het waarschijnlijk dat daar hun woonplaats was.

De vraag rijst uiteraard, of Aquila en Priscilla in Christus gelovigen waren op de tijd dat Paulus hen ontmoette, of dat zij later door Paulus voor Christus werden gewonnen. Dit kunnen wij blijkbaar niet met zekerheid vast stellen, want terwijl aan de ene kant het verslag stelt dat Aquila een Jood was, en dat Paulus zich bij het paar voegde "omdat zij van hetzelfde handwerk was", dient aan de andere kant te worden opgemerkt, dat het niet waarschijnlijk is, dat Lukas  zou hebben nagelaten hun bekering te vermelden, als dit had plaats gegrepen onder Paulus' bediening. Verder had Aquila in Pontus en in Rome gewoond, en Christus was in beide plaatsen gepredikt (Hand.2:9 cf.1Petr.1:1; Rom.1:8). Inderdaad is er, zoals we hebben aangetoond, de duidelijke mogelijkheid dat zij waren verbannen uit Rome vanwege een tumult dat gerezen was over Christus.

Het is een opmerkelijk feit, dat Aquila nimmer genoemd wordt zonder zijn vrouw, en ook dat in drie van de vijf keren haar naam voorop staat. Wellicht was Priscilla van hoger geboorte, of iets meer capabel of energieker dan haar man, maar toch vinden we haar nooit onafhankelijk van hem handelend. Klaarblijkelijk waren beiden van zo'n volwassen karakter, dat zij bijvoorbeeld later in staat bleken, een populair en begaafd prediker als Apollos, "de weg Gods bescheidenlijker uit te leggen", en Paulus bij zijn werken te helpen, zoals zij deden, en in minstens twee of drie huizen samenkomsten begeleidden (Rom.16:3-5; 1Cor.16:19).

Reeds vanaf zijn aankomst in Athene, was Paulus' pad moeilijk geweest. Athene was te luchthartig geweest om zijn boodschap serieus te nemen, en Corinthe was losbandig. Zou het hier iets beter gaan? Hij had geen menselijk metgezel om hem tot hulp en ondersteuning te zijn (Hand.17:15; 1Thes.3:1). Eenzaamheid en zwaarmoedigheid konden hem zeker overvallen.

Wat een troost zal toen de nieuwgevonden vriendschap en het werk met  Aquila en Priscilla geweest zijn! Wat een ernstige samensprekingen zullen zij onderling gehad hebben, toen Paulus hen inleidde in kostbare waarheden die zij nooit eerder geweten hadden! Wat zal hun huis hem als een heilige plaats voorgekomen zijn!

In Hand.19:21 vinden we Paulus, als hij zijn bezoek aan Rome aankondigt. Was dit het resultaat van zijn contact met Aquila en Priscilla, en van hun verslagen over de nood en aangelegenheden daar?

Eén ding is zeker: Aquila en Priscilla kwamen tot begrip van de heerlijke waarheden die Paulus waren toevertrouwd en werden trouwe mede-werkers van hem. Zij zouden hem alras naar Ephese begeleiden (Hand.18:18,19) en later, in Rome, zouden zij de groeten ontvangen als "mijn medewerkers in Christus Jezus, die voor mijn leven hun hals gesteld hebben" (Rom.16:3,4).

VAN DE JODEN WEER NAAR DE HEIDENEN

"En hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken. "En als Silas en Timotheus van Macedonië afgekomen waren, werd Paulus door den Geest gedrongen , betuigende den Joden, dat Jezus is de Christus. "Maar als zij wederstonden en lasterden, schudde hij zijn klederen af en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan zal ik tot de heidenenheengaan. "En vandaar gegaan zijnde kwam hij in het huis van een man met name Justus, die God diende, wiens huis paalde aan de synagoge. "En Crispus, de overste der synagoge, geloofde aan den Here met geheel zijn huis, en velen van de Korinthiërs hem horende, geloofden en werden gedoopt. En de Here zeide tot Paulus door een gezicht in den nacht: Zijt niet bevreesd, maar spreek, en zwijg niet; "Want Ik ben met u, en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; want Ik heb veel volk in deze stad. "En hij onthield zich aldaar een jaar en zes maanden, lerende onder hen het Woord Gods." - Hand.18:4-11.

                  REDE IN DE SYNAGOGE

Zoals Paulus de weekdagen werkte in de werkplaats van Aquila en Priscilla, gebruikte hij de sabbatdagen om daardoor voordeel te trekken van de diensten in de synagoge, waar hij "handelde...en bewoog tot het geloof Joden en Grieken".

Misschien was het op deze eerste dagen in Corinthe, dat hij, het karakter van de stad bemerkende, "voornam iets te weten onder (hen) dan Jezus Christus, en Dien gekruisigd" (1Cor.2:2). Niet dat dit geen deel was van zijn speciale boodschap, want, zoals we hebben gezien, was Paulus' "prediking van het kruis" heel verschillend van die van Petrus op Pinksteren, toen hij zijn toehoorders beschuldigde van de kruisiging van Christus en beroep op hen deed om "te bekeren, en gedoopt te worden...tot vergeving van zonden" (Hand.2:38). "De prediking van het kruis" was juist het hart van het grote "geheimenis", aan Paulus geopenbaard. Hij kon hun echter niet, met het oog op hun geestelijke toestand, het het geheimenis uitleggen, of hun de hemelse heerlijkheden aantonen (1Cor.2:1,6,7). Hier moest hij nog "Jezus Christus, en Dien gekruisigd" prediken, als Gods kracht om zondaars te redden, en het verlangen naar heilig leven.

              DE KOMST VAN SILAS

                     EN TIMOTHEUS

Terwijl de apostel werkte om in zijn behoeften te voorzien, en op de Sabbatdagen in de synagoge diende, waren er gedachten van verlangen, die hem dag en nacht bezig hielden. Hoe ging het met de kleine groep gelovigen in Thessalonica, waar zo'n bittere vervolging was geweest? Welke aanvechtingen moesten zij nu het hoofd bieden? Konden zij die wederstaan? En hoe was het met de andere groepen die hij had achtergelaten? (2Cor.11:28).

In Athene had Timotheus Paulus bezocht, maar de apostel had hem, toen hij hoorde van de moeilijke toestand van de Thessalonische gelovigen, hem teruggestuurd om hen te bevestigen en te bemoedigen, zelfs al betekende dit voor hem, dat hijzelf "alleen te Athene moest achterblijven" (1Thes.3:1-3). Sindsdien had hij geen berichten uit de eerste hand meer van hen vernomen, hoewel berichten over hun bekering wijd verspreid geworden waren (1Thes.1:8).

Stel u voor het blijde schouwspel, toen de bezwaarde apostel op een dag misschien wel opkeek van zijn werk in de werkplaats van Aquila, en zijn geliefde Silas en Timotheus zag aankomen! En stel u zijn gezicht voor, met een stralende glimlach en met vreugdetranen, toen zijn broeders hem zoveel goed nieuws brachten!

Timotheus was uit Thessalonica gekomen met de meest hartverkwikkende berichten. Zij stonden stevig! Waar is wel, dat sommigen verward waren over dat wat Paulus had gezegd met betrekking tot de opname van de gelovigen om bij Christus te zijn. Zij pleegden rouw over hun heengegane broeders, waarvan zij vreesden, dat zij nu uitgesloten waren van het glorieuze evenement. Maar hun geloof en liefde waren sterk, en zij dachten aan hem met genegenheid, ernaar verlangend hem terug te zien (1Thes.3:6).

En hij verlangde er ook naar hen te zien, teneinde te volmaken wat nog aan hun geloof ontbrak (1Thes.3:10), maar dit blijde nieuws maakte, dat zijn hart overvloeide van dankbaarheid en vreugde (1Thes.3:7-9), en hij wilde hen zonder uitstel schrijven om hen verder te bevestigen, speciaal met betrekking tot de komst van de Here tot opname van de Zijnen (1Thes.4:13-18).

Maar er was meer om het hart van de apostel te verblijden. Silas bracht ongetwijfeld goed nieuws uit Berea, waar Paulus hem het laatst had achtergelaten (Hand.17:14). En daar was nog een speciale verrassing: een gift van zijn geliefde Philippenzen! (2Cor.11:9). Hoe sprak hem hun standvastigheid en hun liefde voor hem aan! En hoe goed kon hij het nu gebruiken! Aquila en Priscilla waren pas "onlangs van Italië gekomen" (V.2), en het is te betwijfelen dat hun zaak al direct bloeide. Ook was het, zoals hij later schreef aan de Corinthiërs, zijn "regel" om met het evangelie uit te komen, alleen als in de behoeften waren voorzien, tenzij het bereik of de uitbreiding uitging boven datgene waarin God had voorzien (2Cor.10:13-16).

Geen wonder dat Paulus door de komst van Silas en Timotheus met nieuwe drang weer Christus predikt. Zware zorgen waren hem van het hart genomen. In financiele nood was voorzien. Betrouwbare medewerkers zouden hem weer ter zijde staan.

Opnieuw vinden we hem volledig in beslag genomen door zijn boodschap"/[i]. Hij moest zijn stamgenoten in de synagoge bezoeken en belijden dat Jezus de Christus is.

Men moet niet veronderstellen, uit vers 5, dat de apostel aan de Joden Christus nog niet had aangeboden. Vers 4 vertelt ons, dat "hij handelde op elken sabbat in de synagoge, en bewoog tot het geloof Joden en Grieken". Zeker zal hij hen niet lastig vallen met hen te bewegen tot minder belangrijke zaken. Toch lijkt vers 5, in onze versie, de indruk te geven dat hij pas begon te betuigen dat Jezus de Christus was, na de komst van Silas en Timotheus. De verklaring hiervan is, dat het woord hier gebruikt voor "betuigen" een te sterke uitdrukking geeft, zelfs sterker dan "bewegen" in vers 4, dat "getuigen of ernstig verklaren" bedoelt. Zo probeerde Paulus de Joden sabbat na sabbat  te overtuigen, kennelijk met weinig succes. Maar nu, na de komst van Silas en Timotheus, deed hij dit met grotere ijver, ernstig betuigend tot hen, dat Jezus was de Christus.

Mochten enkele van onze lezers zich afvragen, hoe de prediking van Jezus als de Christus, kon overeenstemmen met de speciale boodschap van Paulus, dan herhalen we, dat uit zowel Handelingen als uit de eerste brieven, het klaar en duidelijk is, dat hij veel meer predikte, waar hij ook kwam. Maar hij moest hier beginnen met deze Joden, want indien zij, net als hun broeders in Judea, ontkenden dat Jezus de Messias was, hoe konden zij dan geloven, dat Hij de God der genade was? Verder dienen we ons te herinneren, dat het Boek Handelingen allereerst een verslag is van Israels verwerping van haar Messias en de verklaring van haar uitsluiting van goddelijke genade. Vandaar dat Paulus' speciale boodschap hier op de tweede plaats komt.

  DE BOODSCHAP TEGENGESTAAN

                     EN GELASTERD

Paulus' getuigenis tot de Joden te Corinthe werd niet direct afgewezen; zij werd tegengestaan en gelasterd, en dat op de meest besliste en totale wijze. Lukas gebruikt in vers 6 een militaire term. De term "zij wederstonden" betekent dat zij zich opstelden als in slagorde. En hun lastering geeft aan, dat hun tegenstand van Christus net zo bitter was als zij fel was.

Nogmaals wees het uitverkoren volk het Woord van God af en oordeelden zichzelf het eeuwig leven niet waardig (Cf.Hand.13:46). Dat is wat we lezen:"MAAR ALS ZIJ WEDERSTONDEN EN LASTERDEN, SCHUDDE HIJ ZIJN KLEDEREN AF EN ZEIDE TOT HEN: UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN HEENGAAN" (V.6).

Paulus' daad door zijn klederen tegen hen te schudden, had een diepe symbolische betekenis. Het was het verontwaardigd protest van iemand die beroepen in de Schrift had gevonden, om te redeneren en vruchteloos gewetens aan te spreken. Hij zou ophouden met hen te bewegen.

Bovendien legt hij weer (zoals in 13:46) de blaam op hen, als hij uitroept: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein." Dit is een duidelijke toespeling op Ezech.3:18,19. Indien zij omkwamen in hun zonden zouden zij nooit kunnen klagen, dat hij hen niet gewaarschuwd had.

Verder dient te worden opgemerkt, dat de verklaring van de apostel over zijn gaan naar de heidenen, hier veel sterker is dan dat wat in Hand.13:46 vermeld is. Daar was het zuiver een plaatselijke aangelegenheid (hoewel symbolisch); hier is het een aankondiging van een beleid. Daar, waar de heidenen riepen om het Woord van God te horen, en de Joden weigerden te luisteren, had Paulus gezegd: "ziende dat gij het afwijst en uzelf het eeuwige leven niet waardig oordeelt, zie, wij keren ons tot de heidenen". Hier verklaart hij: "Van nu voortaan zal ik tot de heidenen gaan". Vanaf dit punt zal hij in volstrekter zin "de apostel der heidenen" zijn.

Het is veelbetekenend dat de eerste geschreven brief van Paulus, 1Thessalonicensen, klaarblijkelijk geschreven werd in verband met de komst van Silas en Timotheus, en de tegenstand van de Corinthische Joden (Zie 1Thes.1:1; 2:14-16; 3:6,7, etc.), en dat zijn brieven dus beginnen vanuit zijn verklaring: "Van nu voortaan zal ik tot de heidenen gaan".

            DE GEMEENTE AAN HUIS

Het is merkwaardig hoe dikwijls het werk van God bevorderd werd door samenkomsten die in huizen gehouden werden. Een kern van gelovigen zijn wellicht geinteresseerd geworden om Gods Woord te bestuderen, toen een paar vrome mensen naar voren zijn gekomen om de gastvrijheid van hun huis aan te bieden voor regelmatige samenkomsten. Menig groot werk is op die manier voor God gedaan, en menige gemeente daardoor ontstaan.

Hier in Corinthe, afgewezen in de synagoge, is de apostel uitgenodigd door een man genaamd Justus, om zijn dienst in zijn huis te houden. Het was klaarblijkelijk door het benutten van dit huis als operatiebasis, dat zo'n groot werk voor God in Corinthe tot stand kwam.

Op dezelfde wijze openden later Aquila en Priscilla hun huizen voor regelmatige samenkomsten, zowel tijdens hun verblijf in Ephese als toen zij in Rome vertoefden. In verband hiermee spreekt Paulus over hen met bijzondere genegenheid. Dit is ook het geval met Philemon, die de gemeente, of een gemeente, onderhield in Kolosse (Phile.1,2). En van Nymphas in Laodicea   zou wellicht nimmer gehoord zijn, als hij niet de gemeente daar gastvrijheid had bewezen (Col.4:15).

    DE GEMEENTE NAAST DE DEUR

De apostel neemt nu vrijmoedig een uitdagende stap, door te verhuizen naar een huis waarvoor de Joden huiveren om binnen te gaan: het huis van een heidense "aanbidder" genaamd Justus, die bovendien naast de synagoge woonde.

Sommigen hebben zich afgevraagd zijn ethiek om nu diensten te gaan houden in een huis dat "zo na aan de synagoge lag". Stel je voor de gespannen gevoelens, als bezoekers van twee verschillende samenkomsten elkander daarbuiten ontmoeten! Stel je voor hoe woedend de Joden zijn geweest op Paulus omdat hij zijn samenkomsten direct naast de deur houdt!

Zeer zeker is het een inbreuk in de ethiek en erger, wanneer de pastor of een lid van een samenkomst van Bijbelgelovigen, persoonlijke overwegingen laat gelden om een scheiding te bevorderen of te veroorzaken in de gemeente, teneinde enkelen van haar leden weg te trekken en een nieuwe samenkomst naast de deur te beleggen. Dit is een ontkennen van de stelling door de Geest, dat "er slechts één lichaam is", een schande voor de wereld en een opstaan tegen God.

Maar dit was in de zaak van de Corinthische synagoge in geen enkel deel het geval. Paulus ondernam deze actie niet wegens spijt of persoonlijke overwegingen. Deze Joden stonden het Woord van God en hun eigen Messias tegen, en Paulus begon, terwille van enkelen die niet zo hardnekkig waren als de rest, samenkomsten te houden naast de deur, als een open protest en getuigenis tegenover de ongelovige meerderheid. Het was zijn oogmerk dat leden van de twee samenkomsten elkander zouden ontmoeten, opdat de kwestie levendig zou blijven. Het was zuiver een zaak van lering. Zijn keuze voor het huis van een heiden als ontmoetingsplaats zou veel meer geschikt zijn om meer heidenen te trekken, en de nieuwe samenkomst zou een zichtbaar symbool zijn van Gods bedoelingen om redding aan de heidenen te zenden, ondanks, ja, door Israels ongeloof. Zo staat er geschreven: "...Door hun val is de zaligheid den heidenen geworden, om hen tot jaloersheid te verwekken" (Rom.11:11).                  

Israel had zeker geen reden om te klagen. Eerst was Messias tot de Zijnen gekomen, alleen om verworpen en gekruisigd te worden. Maar God had hem uit de doden opgewekt en, in eindeloze barmhartigheid, "Israel bekering en vergeving van zonden aangeboden" (Hand.5:31). Zelfs toen zij hardnekkig bleef in het kwaad, bleef God zich met haar bemoeien door haar tot jaloersheid te verwekken door een gelovig overschot, de "kleine kudde", het "dwaze volk" (Luk.12:32; Rom.10:19). En God deed zelfs nog meer, want nu verwekte hij Israel tot jaloersheid door de bekering van de heidenen. Jesaja's profetie werd zeer zeker meer dan vervuld.

"En Jesaja verstout zich en zegt: Ik ben gevonden van degenen die Mij niet zochten; Ik ben openbaar geworden dengenen die naar mij niet vraagden.""...DEN GEHELEN DAG HEB IK MIJN HANDEN UITGESTREKT TOT EEN ONGEHOORZAAM EN TEGENSPREKEND VOLK" (Rom.10:20,21).

      DE OVERSTE DER SYNAGOGE

                WORDT BEHOUDEN

De bekering van de "overste" der synagoge en zijn huis moet een diepe indruk gemaakt hebben op de gemeente, en hun een sterke impuls gegeven hebben voor de zaak van Christus in Corinthië. Het is dan ook in dit verband, dat we lezen dat "velen van de Corinthiërs hem horende, geloofden en werden gedoopt" (V.8). Zo drukte God reeds Zijn stempel van goedkeuring op de vrijmoedige stap die Paulus genomen had.

Het is belangrijk dat we hier opmerken, dat terwijl velen van de Corinthiërs gedoopt werden, Paulus slechts weinigen van hen doopte. Een van dezen was Crispus, ongetwijfeld door Paulus zelf gedoopt omdat hij een voorname bekeerling was. Een andere was Gajus, die later van zijn huis een ontmoetingsplaats maakte, en Paulus' gastheer was bij zijn tweede bezoek aan Corinthië (Rom.16:23). Toen doopte hij ook "het huisgezin van Stephanus", misschien omdat zij "eerstelingen van Achaje" waren (1Cor.16:15). Terugkijkend kon hij zich niet herinneren behalve dezen nog anderen te hebben gedoopt.

Dit was niet, zoals sommigen veronderstellen, dat Paulus anderen voor zich liet dopen om tijd en energie te sparen. Er was een diepere reden. Waterdoop is in Joh.1:31 duidelijk verbonden aan de verschijning van Christus aan Israel. Gedurende de tijd, dat Hij aan Israel werd openbaar gemaakt, was waterdoop niet buiten de orde. Toch was deze rite niet opgenomen in de speciale opdracht aan Paulus; het kon ook niet. Hij werd niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te prediken, en wel eenvoudig, "opdat het kruis van Christus niet verijdeld worde, want," zegt hij, "de prediking van het kruis...is de kracht van God (1Cor.1:17,18). Zo was het ook, dat Paulus nimmer iemand doopte "tot vergeving van zonden", zoals Johannes de Doper en de twaalven vóór hem deden (Mark.1:4; Hand.2:38).

Dit verklaart het schijnbare gebrek aan inspiratie in de voorgaande teksten (1Kor.1:14-16). Ten eerste stelt de apostel categorisch, dat hij God dankt dat hij niemand van hen gedoopt heeft, dan Crispus en Gajus; alleen deze twee. Dan herinnert hij zich dat hij ook het huisgezin van Stephanus doopte. En daarna, terwijl hij voorzichtiger wordt, stelt hij dat hij zich niet herinnert iemand anders gedoopt te hebben.

Dit geeft niet enig gebrek aan goddelijke inspiratie weer. Eerder juist goddelijke inspiratie door het feit aan te tonen dat waterdoop meer en meer onbelangrijk was geworden in de bediening van Paulus, en dat het niet was opgenomen in zijn speciale opdracht.

           BEMOEDIGING VAN EEN

              VERMOEIDE STRIJDER

Maar de spanning van de strijd had uitwerking op de apostel. Hij bekende door vrees en depressie bevangen te zijn. Later schreef hij erover:

"Ik was bij ulieden in zwakheid en in vreze en in veel beving" (1Cor.2:3).

Men moet niet veronderstellen dat onbevreesdheid karakteristiek was voor een zo gevoelige natuur als die van Paulus. Integendeel was hij dikwijls bevreesd. Door de genade van God, was bij hem eerder de moed, die ondanks zijn vrezen, hem aanzette gevaren te trotseren.

De spanning, week na week, door de situering naast de deur van de synagoge, met al de verrassende, moeilijke ontmoetingen daaraan verbonden, zouden wel oorzaak hebben kunnen zijn voor sommigen van zijn volgelingen, en mogelijk ook voor hemzelf, zich af te vragen of de stap die genomen was, wel wijs en juist geweest was, en zijn mentale depressie deed toenemen. Maar de Here was er om de zaak weer op een onmiskenbare wijze te bemoedigen.

Het zou uit verschillende passages in de tweede brief aan de Thessalonicenzen (speciaal 3:1,2) kunnen schijnen, dat deze brief geschreven werd, toen Paulus bevreesd begon te worden over het werk in Corinthe, en dat het daarna was, dat de Here hem in een visioen*/[ii] verscheen, om hem te bemoedigen.

Laten we proberen om ons in Paulus' positie in te denken, terwijl we de verzen 9 en 10 lezen, om zo de kracht ervan volediger te proeven:

"En de Here zeide tot Paulus...: "Zijt niet bevreesd, "maar spreek, "en zwijg niet; "want Ik ben met u, "en niemand zal de hand aan u leggen om u kwaad te doen; "want Ik heb veel volk in deze stad."

Wat zal deze genadige tussenkomst het hart van de trouwe krijgsman bemoedigd hebben! Wat zal het zijn ijver voor zijn geliefde Here hebben bevorderd, Zijn stem te horen, die hem bemoedigt om vrijmoedig te spreken, hem verzekerend niet alleen van de gemeenschap van Zijn aanwezigheid, maar ook van lichamelijke bescherming, en - vele zielen! Morgen zal hij het werk nieuw beginnen, van tevoren verzekerd van de uitkomst.

zijn bediening daar uitermate vruchtbaar was. In Athene en daarna Corinthe werd aangetoond, dat "de wereld God niet heeft gekend door de wijsheid", en dat "God het dwaze dezer wereld heeft uitverkoren, opdat Hij de wijzen beschamen zou...opdat geen vlees zou roemen voor Hem."

          VERVOLGING TEN NUTTE

"Maar als Gallio stadhouder van Achaje was, stonden de Joden eendrachtiglijk tegen Paulus op, en brachten hem voor de rechterstoel. "Zeggende: Deze raadt den mensen aan, dat zij God zouden dienen tegen de wet. "En als Paulus zijn mond zou opendoen, zeide Gallio tot de Joden: Zo er enig ongelijk of kwaad stuk begaan was, o Joden, zo zou ik met reden ulieden verdragen; "Maar indien er geschil is over een woord en namen en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn. "En hij dreef hen weg van de rechterstoel. "Maar al de Grieken namen Sosthenes, de overste der synagoge, en sloegen hem voor de rechterstoel; en Gallio trok zich geen van deze dingen aan." - Hand.18:12-17.

DE APOSTEL VOOR GALLIO GEBRACHT

Zoals God Paulus gebruikt had om de gemeente te Philippi in een gunstige positie te stellen tegenover de burgerlijke overheid, voordat hij Philippi verliet, zo gebruikte Hij nu Gallio, een Romeinse proconsul, hetzelfde te doen voor de gemeente te Corinthe.

Hoewel de Here aan Paulus was verschenen om hem te bemoedigen en te verzekeren voor wat betreft zijn bediening in Corinthe, betekende dit niet dat hij verder geen tegenstand meer zou ervaren. Het betekende echter dat al die tegenstand zou medewerken tot bevordering van het werk daar. Een treffend voorbeeld daarvan wordt ons gegeven in Paulus' verschijning voor Gallio.

Toen Gallio proconsul werd gemaakt van Achaje, waren de Joden er vlug bij, om voordeel te trekken uit de verandering in het bestuur door een oproer te maken, en Paulus voor de "rechterstoel" te brengen.

Gallio was de broer van Seneca, de beroemde staatsman, philosoof en raadsman van Nero in zijn eerste tijd. Seneca schreef over Gallio met grote genegenheid en beschreef hem als een vriendelijk en minzaam karakter, gemakkelijk om mee om te gaan. Ongetwijfeld kenden de Joden zijn reputatie, en hoopten dat hij zou ingaan op hun verzoek om Paulus te straffen.

Hun aanklacht was, dat Paulus mensen probeerde over te halen om God te aanbidden "tegen de wet". Zij konden natuurlijk hebben verwezen naar hun wet (Cf. V.15), want de Hebreeuwse religie werd toen beschermd door de Romeinse regering. Het schijnt echter waarschijnlijker, dat zij meenden dat Paulus een onwettige religie opzette - één die niet was opgenomen onder die welke onder de Romeinse wet werden toegelaten. Wanneer we de slechte en ontaarde religies beschouwen die de Romeinse wet wel toeliet, juist hier in Corinthe, dan was deze beschuldiging tegen Paulus werkelijk minderwaardig.

Uit wat volgde schijnt het, dat Gallio de aanklagers verder ondervraagd moet hebben over hun beschuldiging, als we opmerken, dat het zuiver een dispuut was tussen Joden. Daarom kwam Gallio tussenbeide, toen Paulus zou gaan spreken tot zijn eigen verdediging, met te verklaren, dat de zaak geheel buiten zijn rechtspraak lag. Als het een geval van duidelijke verkeerdheid of "boos opzet" zou zijn, zo verklaarde hij, dan zou hij een verhoor hebben bepaald, maar "indien er geschil is over een woord en namen en over de wet, die onder u is, zo zult gij zelven toezien; want ik wil over deze dingen geen rechter zijn."

Omdat het Romeins bestuur bijna alle religies toestond en beschermde, waren de overheden geïnstrueerd, om zo mogelijk buiten religieuse tegenstellingen te blijven. Zodoende hadden de Joden reeds veel moeilijkheden veroorzaakt, en als gevolg daarvan waren zij kortgeleden Rome uitgewezen. Gallio handelde toen verstandig door Paulus niet toe te laten te spreken, en de zaak zelfs niet te willen aanhoren. Wat wist hij van hun wet of de woorden en namen waar zij over ruziëden*/[iii]

Let wel, Gallio gaf Paulus niet in hun handen, zoals Pilatus met Christus wel gedaan had (Luk.23:23,24) want, niet als Pilatus, weigerde hij zelfs naar de zaak te luisteren, nog minder een oordeel te vellen. Ook zijn "ziet gijzelven toe" hield aan hen geen toestemming in, om Paulus burgerlijk te vervolgen. Anders zou Paulus zich op de Keizer beroepen hebben, zoals hij later wel deed, toen Festus een verhoor voorstelde in Jeruzalem (Hand.25:9-12,20,21).

Gallio wees de aanklacht af - nadrukkelijk, want hij "dreef hen weg van de rechterstoel", ongetwijfeld door de ordebewaarders te bevelen het gerechtshof te ontruimen.

Voor de Grieken die erbij stonden, die de Joden reeds haatten, was dit een gelegenheid om de ordebewaarders terzijde te staan en Sosthenes, de overste van de synagoge**/[iv] (en waarschijnlijk Paulus' hoofdaanklager) een flink pak slaag te geven.

"En Gallio trok zich geen van deze dingen aan". Zijn houding kwam overeen met de beschrijving van Seneca van zijn soepele aard. Hij zorgde ervoor de zaak Paulus niet te horen, en liet na om een uitbreking van geweld voor de rechterstoel, te doen stoppen. Toch kan dit gedeeltelijk met bedoeling geweest zijn. Sommigen hebben verondersteld dat een zitting en uitspraak door Gallio ten gunste van Paulus, hem meer geholpen zou hebben.  Feitelijk echter moet Gallio's houding een grotere afwijzing hebben betekend voor Paulus' beschuldigers, en hem en de Corinthische gemeente een betere plaats in de maatschappij gegeven hebben, dan zij anders gekregen zouden hebben.

In Philippi had Paulus' intelligentie geholpen, om de jonge gemeente daar erkenning te doen verkrijgen, door zijn tegenstanders blaam te bezorgen, en door hen in de verdediging te dwingen. Hier had Gallio's antwoord aan Paulus' beschuldigers hetzelfde uitgericht. De Here vervulde Zijn belofte aan Zijn trouwe apostel. "En Paulus onthield zich aldaar een jaar en zes maanden".

"Niet vele" voorname Corinthiërs werden bereikt gedurende het verblijf van Paulus in Corinthe (1Cor.1:26) maar een groot aantal van het gewone volk keerde zich tot Christus, en daar waren zulke uitnemende bekeringen als die van Crispus, de overste van de synagoge, en waarschijnlijk Sosthenes, zijn opvolger; ook Gajus en het huisgezin van Stephanus. Deze meer prominenten zouden zich later voegen bij Erastus, de stadsrentmeester (Rom.16:23). Zo mogen ook deze hogeren in rang op de levensschaal, God danken dat 1Cor.1:26 spreekt van "niet vele" liever dan "geen enkele".

Het was enige tijd vóór Paulus' vertrek uit Corinthe, dat hij nog een brief schreef aan de Thessalonicensen. Hun vragen met betrekking tot de wederkomst van de Here waren nog niet opgelost. Sommige oneerlijke personen hadden profijt getrokken van Paulus' afwezigheid, klaarblijkelijk in het namaken van een of meerdere brieven in zijn naam (2Thess.2:2), die hen verder verontrustten en verwarden, zodat Paulus bij hen moest aandringen, dat het zijn gewoonte was zijn brieven persoonlijk te ondertekenen (2Thes.3:17).

Sommigen schenen er zeker van te zijn, dat de geprofeteerde "dag des Heren" met zijn verschrikkelijke oordelen, op komst was. Inderdaad gaven sommigen, blijkbaar hun vervolgingen verwarrend met de komende "grote verdrukking", hun dagelijks werk op en werden "bemoeials", op die wijze hun Here onterend. "De vorst van de machten in de lucht" viel opnieuw aan. Paulus moest zonder uitstel schrijven om zijn invloed tegen te gaan, en de kleine groep gelovigen te versterken.

PAULUS KEERT WEER TERUG NAAR JERUZALEM

"En als Paulus er nog vele dagen gebleven was, nam hij afscheid van de broederen, en scheepte vandaar naar Syrië, en Priscilla en Aquila met hem, zijn hoofd te Kenchreeën geschoren hebbende; want hij had een gelofte gedaan. "En hij kwam te Efeze aan, en liet hen aldaar; maar hij ging in de synagoge en handelde met de Joden. "En als zij baden, dat hij langer bij hen blijven zou, bewilligde hij het niet. "Maar hij nam afscheid van hen, zeggende: Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil. En hij voer weg van Efeze.  "En als hij te Cesarea was gekomen, ging hij op naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië."  - Hand.18:18-22.

                   PAULUS' GELOFTE

Nadat Paulus een vol jaar en zes maanden in Korinthe was geweest "nam hij afscheid van de broederen", dat is, hij bad hen vaarwel, en "zeilde" (Lett. "zeilde weg") naar Syrië. Voor een gedeelte van de reis gingen Priscilla en Aquila met hem mee. Wat ook redenen zij hadden om Corinthe te verlaten en Paulus tot Epheze te vergezellen, het was met God, want zij werden daarna gebruikt om geestelijk licht mede te delen aan een man Gods, niemand minder dan de grote Apollos (V.26).

Wat Paulus in Kenchreeën deed, vóór vertrek naar Syrië, geeft een ingewikkeld probleem.      

Er bestonden verschillende geloften die men mocht doen voor God onder de Mosaïsche wet (Deut.23:21,22), maar die waarbij behoorde om het haar te laten groeien gedurende de tijd van de gelofte en het weer af te scheren bij de afloop, was de Nazireër gelofte. Bij deze wijdde de persoon zich aan de Here gedurende een week, een maand, een jaar of elke bepaalde tijdsperiode (Num.6:1-21). Dit schijnt de gelofte te zijn die Paulus had genomen, en die te Kenchreeën afliep.

Deze gelofte echter, werd verondersteld te worden gedaan aan "de deur van de tabernakel" te Jeruzalem, waar bloedoffers werden geofferd, en het haar, dat gedurende de gewijde periode niet was geknipt, werd weggeschoren en ook als heilig offer gebracht.

In het verslag in Handelingen wordt ons verteld, dat Paulus "zijn hoofd geschoren had in Kenchreeën; want hij stond onder een gelofte", en ook, dat hij zich haastte om "het toekomende feest te Jeruzalem" te houden.

John Kitto is daarover blijkbaar correct in zijn verklaring, dat "als deze (offers) niet buiten Jeruzalem gebracht konden worden, zij die deze gelofte in het buitenland deden, hun offers brachten bij hun volgende bezoek aan de heilige stad" (The Apostles and The Early Church, P.382).

De belangrijke vraag of Paulus in de directe wil van God was door een gelofte te doen met inbegrip van bloedoffers, of in het onderhouden van een Joods feest in Jeruzalem, of inderdaad het hele gaan naar Jeruzalem, zal uitgebreid worden besproken in een later hoofdstuk. Maar hier mogen we zeggen, dat omdat het waar is, zoals sommigen het gesteld hebben, dat het doen van een Nazireeërgelofte een geheel vrijwillige en niet een door de wet bevolen zaak was, de bloedoffers die daarbij behoorden beslissend waren, en nauwkeurig volgens naar de wet (Num.6:1-21).

Sommigen hebben gesteld dat de taal, vanuit het origineel, zou kunnen worden geinterpreteerd als te betekenen, dat het Aquila was die de gelofte gedaan had. Maar dit lijkt meer op een poging om een moeilijkheid te omzeilen.

Uit vers 19 zou men kunnen opmaken, dat bij aankomst in Epheze het gezelschap uit elkaar ging en Paulus alleen de synagoge binnenging. Hiervoor wordt geen reden gegeven, maar het is mogelijk dat drukke zakelijke aangelegenheden Aquila en Priscilla bezig hielden gedurende deze eerste dagen in Epheze.

Meer bijzonder is het feit, dat de apostel niet voortging om tot de Joden in deze synagoge te spreken, zelfs ondanks dat zij hem dringend uitnodigden om te blijven. Het was inderdaad zeldzaam dat hij deuren zo wijd open vond. Maar hij was toen met haast op weg naar Jeruzalem. Bedankend voor hun uitnodiging "nam hij afscheid van hen en zei: "Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil" (V.20,21).

Vreemd echter dat over zijn bezoek aan Jeruzalem een waas ligt, en de gevolgtrekking wordt gemaakt, dat zijn verblijf daar erg kort was. Het verslag geeft aan, dat "toen hij te Cesarea was gekomen, hij opging naar Jeruzalem, en de gemeente gegroet hebbende, ging hij af naar Antiochië" (V.22). Ons wordt niet verteld of hij Jeruzalem tijdig voor het feest bereikte. Uit het relaas zou men wel het tegendeel mogen opmaken.

Het is ook vreemd, dat niets wordt gezegd over enig welkom of verslag over zijn activiteiten in Antiochië, van waaruit hij voor ongeveer drie jaren was vertrokken met Silas, om "de broeders te bezoeken".



[i].*/Voetnoot: In de meeste vertalingen lezen we dat hij werd "in beslag genomen" of "gedrongen" door het Woord.

[ii].*/Voetnoot: Horama, een objectief visioen; niet hetzelfde als in Hand.2:17. Dit was één van de vele gelegenheden waarbij de Here aan Paulus verscheen.

[iii].*/Voetnoot: Zo kwam het hem tenminste voor, hoewel de kwestie tussen Paulus en de Joden eigenlijk was, of Jezus de Messias was.

[iv].**/Voetnoot: Klaarblijkelijk de opvolger van Crispus (V.8). Dat Sosthenes ook mogelijk gered werd, lijkt waarschijnlijk uit het feit, dat Paulus later een Sosthenes noemt als medewerker in een brief aan de Corinthische gemeente (1Cor.1:1). Dit zou dan betekenen, dat twee vroegere vervolgers, nu Christus predikten.

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011