H O O F D S T U K XXXI
- HAND. 17:16-34
PAULUS TE ATHENE
EEN MOEILIJKE OPGAVE
"En
terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken,
ziende dat de stad zo zeer afgodisch was.
"Hij
handelde dan in de synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren,
en op de markt allen dag met degenen die hem voorkwamen.
"En
sommigen van de Epicurëische en Stoïsche wijsgeren streden met hem; en
sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij
schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de
opstanding verkondigde.
"En
zij namen hem en brachten hem op de plaats genaamd Areopagus, zeggende: Kunnen
wij niet weten welke deze nieuwe leer is, waar gij van spreekt?
"Want
gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten wat toch
dit zijn wil.
"(Die
van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden
hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen). -
Hand.17:16-21.
ATHENE
IN DE DAGEN VAN PAULUS
De
apostel was nu alleen te Athene, de beroemdste stad van Griekenland (toen Achaje
genoemd), en de culturele hoofdstad van de wereld.
Eeuwen
tevoren had dit Athene wereldfaam verworven vanwege haar cultivering van de
vrije kunsten. De meest gevierde dichters en philosofen waren er geboren
of hadden daar geleefd. De uitnemendste voorbeelden van beeldhouwen en
architectuur werden er aangetroffen. En wat meer was, praktisch elke godsdienst
was daar vertegenwoordigd.
Hoewel
de zon van Athene's glorie aan het ondergaan was, was zij toch nog te beschouwen
als het intellectueel, artistiek en godsdienstig centrum van de wereld.
Daar
was de Areopagus (Latijns: Heuvel van Mars), zo genoemd naar de
legendarische beproeving van Mars daar. Hier bespraken rechtsgeleerden,
Areopagieten*/[i]
genaamd omdat zij daar zitting hielden, metterdaad doctrines met hen die ze
leerden! Boven dit alles rees uit de Acropolis met het Parthenon en
haar kolossale standbeeld van de godin Athene.
Terwijl
de stad Athene tot op deze dag bestaat, is haar glorie, net als alle aardse
glorie, voorbij. Alleen de ruïnes van haar trots zijn gebleven.
EEN AFGODISCHE STAD
Terwijl
Paulus op Silas en Timotheus wachtte "werd zijn geest in hem ontstoken,
ziende dat de stad zo zeer afgodisch was (Lett. vol met afgoden)"
(V.16).
De
apostel was niet vervuld met verwondering over de schoonheid van Atheense kunst
en architectuur, over haar spitsvondige en verfijnde philosofiën, over haar
eenheid van godsdiensten. Hij zag dit alles in het licht der waarheid en realiteit.
Hij was eerder geprikkeld en opgewonden op het gezicht van neerknielende mensen,
niet alleen voor het werk van eigen handen, maar voor de geestelijke machten van
het kwade die hen ertoe brachten om "het schepsel te aanbidden en te dienen
boven de Schepper" (Rom.1:25 cf. Dan.10:21; Eph.2:2; 6:12). En hij werd
verbijsterd door de zonde die deze heidengodsdiensten begeleidden (Rom.1:26-32).
Met
al hun beroemde wijsheid konden de Atheners niet bouwen op een god! De één
aanbad deze "godheid", een ander die. De meesten aanbaden
verschillende goden bij verschillende gelegenheden. Zo groot was de verwarring,
dat Pliny zegt, dat in Nero's tijd Athene meer dan 3000 publieke afgoden
bevatte, plus de ontelbare afgoden in het bezit van particulieren. In ieder
geval waren er standbeelden voor goden en halfgoden. Praktisch elke
"godheid" was vertegenwoordigd, inclusief de "onbekende".
Petronius (Sat.XVII) zegt humoristisch, dat het gemakkelijker was een god in
Athene te vinden dan een mens, en onze Schrift stelt, dat de stad "zeer
afgodisch" was.
Atheense
philosofen hadden niets bereikt. Zij hadden slechts het hopeloze bankroute van
menselijke wijsheid en uiterlijk verval van de menselijke natuur getoond. De
myriaden bijgeloven van de Atheners waren slechts bewijs dat ongeloof, roemend
op superieure intelligentie, altijd lichtgeloviger is dan geloof. Hun smerige
standbeelden waren slechts een toonbeeld van de lage morele standaard waartoe
hun religies hen hadden doen zinken.
DE SYNAGOGE EN DE MARKT
Hoewel
de stad "zeer afgodisch" was, was er toch een synagoge. God was
nog niet overspoeld! Het was dan ook niet in een van de afgodstempels, waarvan
er vele rondom de apostel waren, maar in de synagoge, dat hij zijn eerste entree
maakte. Zij die in deze synagoge samenkwamen, waren in de eerste plaats
aansprakelijk voor de toestanden die in Athene bestonden, want overal had het
volk Israel vergeten dat zij, als zaad van Abraham, het instrument zouden zijn
van Gods zegen voor de wereld (Gen.22:17,18). Zij erkenden de ware God, maar in
plaats van Gods Woord aan de volken te brengen, beroemden zij zich erop - en
dat, terwijl zij verzuimden om het te gehoorzamen. De apostel zegt dan
ook, "De naam Gods wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen"
(Rom.2:24).
Hij
zag de stad vol afgoden. "Daarvoor sprak hij in de synagoge met de
Joden" (V.17). De Joden kwamen nog steeds op de eerste plaats in zijn
bediening. God was reeds begonnen om Israel op te geven, en was begonnen het
Lichaam van Christus te formeren als getuige voor de volkeren, maar het vonnis
van verachting was niet over het uitverkoren volk uitgesproken, totdat de Joden,
vanaf Jeruzalem tot Rome, een gelegenheid was geschonken om tot Christus te
keren.
Als
we zien naar Paulus' procedure in andere synagoges, sprak hij met hen vanuit de
Schriften, bewijzende dat Jezus de beloofde Christus was, en bood hen redding
aan door Zijn volbracht werk - iets wat Petrus niet gedaan had op Pinksteren
(Hand.13:38,39 cf. Hand.2:38).
Vervolgens
redeneerde hij ook met de "vrome" of godvrezende heidenen, i.c.
heidenen die tot verering van de ware God waren gekomen, hoewel zij geen Joodse
proselieten geworden waren. Ten derde, sprak hij dagelijks met hen, die hij
ontmoette op de markt, waar de Atheners elke dag samenkwamen, niet alleen om te
kopen en verkopen, maar hun verschillende philosofiën te beredeneren. Hier zou
de apostel velen kunnen ontmoeten die verlangend genoeg waren om 's mensen
"einddoel" en "hoogste goed" te bespreken.
DE
EPICUREERS EN DE STOICIJNEN
Onder
hen waren de Epicureërs en de Stoicijnen, die de twee belangrijkste scholen van
Grieks denken van die tijd vertegenwoordigden. De ongewijde geschiedenis geeft
aan, dat de Epicureërs betoogden in wat werd genoemd "de Tuin",
terwijl de Stoicijnen elkander ontmoetten in "de Poort",
waarvan ook hun naam werd afgeleid.
De
Epicureërs waren de volgelingen van Epicurus, die meer dan drie eeuwen tevoren
in Athene tot aanzien gekomen was. Zij waren deugdelijke atheïsten die leerden,
dat wat voor god of goden er ook waren, deze te ver van de mens verwijderd waren
om over de mensen vanwege hun zonden of verdriet, bezorgd te zijn. Zij geloofden
noch in schepping, noch het voortgaand bestaan van de ziel na de dood, noch
opstanding, noch oordeel. Er was niets om over verstoord te zijn, of
gealarmeerd.
Het
spreekt vanzelf, dat de Epicureërs het ervoor hielden dat de verheuging in
blijdschap, 's mensen "eindoel" en "hoogste goed"
in het leven was. Aldus gaven sommigen - klaarblijkelijk de meesten - zich over
aan levens van grote sensualiteit en verdorvenheid. Hun philosofie gaf hen
vrijheid om zo te handelen. Anderen, zoals Epicurus zelf, gaven toe aan
verfijnde genietingen, toch gaven allen zich over aan bevrediging van zichzelf.
Indien sensuele uitersten werden vermeden, dan was dat slechts, omdat zij niet
onbeperkt het hoogste genotsleven konden leiden.
De
Stoïcijnen waren discipelen van Zeno, een tijdgenoot van Epicurus, wiens
philosofie echter bijna precies tegengesteld was. Zij waren pantheïsten en
fatalisten, en dachten dat deugd 's mensen "einddoel" en
"hoogste goed" was. Zij geloofden in de onderdrukking van alle
natuurlijk gevoel, en streefden naar acceptatie van het noodlot door kalme
opstelling, onverschillig of het pijn of vreugde was, zodat zij eerder meesters,
dan slaven van de omstandigheden zouden worden.
Met
eerbied voor hun moraal schijnt, oppervlakkig gezien, dat zij Christendom
benaderden, maar in feite waren zij er net zo ver vanaf als de Epicureërs. Hun
leringen berustten niet op geopenbaarde waarheid. Zij waren slechts een
natuurlijke reactie op de excessen van het Epicurisme. Wij dienen in ieder geval
te denken aan de meest schaamteloze sensualiteit, die werd vereerd in hun
publieke kunstuitingen. Inderdaad traden juist de religies in Athene voor het
grootste deel ontaard, en losbandig, naar buiten. De excessen van onzedelijkheid
en slechtheid, die het gevolg ervan waren, hadden natuurlijk hun kwalijke
konsekwenties.
De
philosofie van de Stoïcijnen, met hun nadruk op zelf-onderdrukking, was een
natuurlijke reactie op dit alles, maar het kwam niet voort uit genade en geloof.
Het was slechts een menselijk pogen om het beste van zichzelf te maken. Het
verwekte een soort farizeïsme, dat met verachting neerkeek op ieder die weende
of vreugde bedreef. Het kende niets van de liefdevolle sympathie, die geleerd
wordt in de vermaning van de Schrift: "Weest blij met de blijden, weent
met de wenenden" (Rom.12:15). Wat meer was, haar zelf-discipline was
vaak eerder voorgewend dan echt, en zoals de farizeërs, waren zij hypokrieten,
eenvoudig onwillig om hun zonden te bekennen, en hun behoefte aan een Redder te
erkennen. Zo karakteriseerden de Epicureërs genot, de Stoïcijnen trots.
Het
waren deze vertegenwoordigers van "de Tuin" en "de Poort",
die Paulus "aanvielen" met hun doctrines van zelfvoldoening en
zelfonderdrukking. Sommigen vroegen inderdaad minachtend: "Wat wil toch
deze klapper zeggen?" i.c. "Wat meent hij te zeggen?" Het
woord vertaald met "klapper" in S.V. is letterlijk zaad-pikker,
en verwees naar hen, die, zonder een onderwerp nauwlettend te onderzoeken,
flarden van informatie hier en daar oppikken, zoals een vogel het zaad. Anderen
zeiden: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden",
omdat hij Christus en de opstanding had verkondigd. Toch moeten Paulus'
argumenten met grote bekwaamheid en geestelijke kracht zijn gebracht, want zoals
Kitto zegt: "Zelfs de Epicureërs en de Stoïcijnen, in aangeleerde
vrijheid rondhangend, achtten het niet beneden hun waardigheid om met zo'n
redetwister te wedijveren" (Daily Bible Illustrations (Vol.8,
P.366).
Zo
een beroering brachten de leringen van de apostel, dat "zij hem
pakten" zoals het in het origineel staat, en hem naar de Areopagus
brachten. Klaarblijkelijk werd hij hier niet werkelijk onderzocht op zijn
leringen, want we lezen niets van een beschuldiging of van getuigen, of een
verhoor of vonnis. Zij vroegen eenvoudig: "Kunnen wij niet weten welke
deze nieuwe leer is, waar gij van spreekt? Want gij brengt enige vreemde dingen
voor onze oren; wij willen weten wat dit toch zijn wil" (V.19,20). Maar
het was kennelijk bedoeld als een voorlopige informatie, want hetgeen Paulus
verkondigd had, was "vreemd" genoeg voor de Areopagieten om een
verklaring te eisen. "Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die
zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws (Lett.
nieuwers) te zeggen en te horen" (V.21).
Zij
hadden Paulus een "zaad-pikker" genoemd, maar zij waren de
"zaad-pikkers", altijd zoekende naar iets nieuwers, en zo verrieden
zij hun ontevredenheid met wat zij hadden. Zij toetsten werkelijk iedere leer
die hen belangrijk toescheen, maar onderzochten deze niet aan de hand van het
onfeilbaar en onveranderlijke Woord van God. Zij onderwierpen ze alleen aan de
maatstaf van menselijke mening.
Paulus
nu neemt deze karaktertrekken in aanmerking, als hij zich tot hen richt. Hij zal
hun iets nieuws geven; de enige God, Die zij tot nu toe nog niet kennen, en Zijn
Zoon, Jezus Christus.
THESSALONICA, BEREA EN ATHENE,
ONDERLING VERGELEKEN
Voordat
we de prediking van de apostel op de Mars-Heuvel gaan beschouwen, laat ons het
verslag wat betreft Thessalonica, Berea en Athene, de drie laatste steden door
Paulus bezocht, vergelijken. De kwestie of naar Joden of heidenen wordt verwezen
met rust latend, ontdekken we nadrukkelijk een bijzondere karakteristiek met
betrekking tot degenen aan wie de apostel in elk van de steden zijn dienst
verrichtte.
In
de synagoge in Thessalonica redeneerde Paulus vanuit de Schriften gedurende drie
sabbatten (of weken) met mensen, die niet wilden luisteren, met als resultaat,
dat slechts een paar (Gr. "zekere") van hen geloofden, terwijl
"een grote menigte" uit de heidenen geloofden. Wat Paulus predikte was
voor hen nieuw, en zij weigerden het te onderzoeken, waarbij de heidenen hen,
Gods volk, tot schaamte brachten.
De
dweperij van de Thessalonicensische Joden hield hen niet alleen in geestelijke
duisternis, maar bewoog hen tot felle tegenstand van de waarheid, zodat zij niet
alleen Paulus en Silas in hun eigen stad vervolgden, maar hen volgden naar Berea,
het volk daar tegen hen ophitsend.
Wij
dienen vandaag deze les te leren. Dweperij onder Gods volk zal vandaag hetzelfde
effekt hebben, als in Paulus' dagen. Laten we nimmer onze gedachten afsluiten
door dwalingen uit te sluiten, want door dit te doen zouden we nieuw licht
kunnen uitsluiten, en oude dwalingen opsluiten. Bovendien is het slechts een
kleine stap, van het uitsluiten van nieuw licht uit Gods Woord, naar het in
bittere tegenstand geraken.
De
Atheners gingen tot het andere uiterste. Zij verloren hun interesse in dat wat
oud was, en riepen om dat te horen wat nieuw was. Maar toch, als wat zij hoorden
hen niet aansprak, "spotten" sommigen, terwijl anderen, meer beleefd,
zeiden: Wij willen u nog wel eens over deze zaak horen", met het resultaat,
dat ook daar weinig vrucht was.
Deze
les geldt eveneens voor onze dagen, want overal om ons heen bemerken we de
Atheense vrucht. De massa's geven voortdurend het oude op, en kijken uit naar
wat nieuws. Deze neiging is opvallend voor vandaag. In bijna elke grote stad
ligt het nieuws voor "morgen" reeds van tevoren in de avondstands, en
in de veronderstelling dat de laatste mode, en het laatste advies, het beste zal
zijn, gebruiken de mensen hun hersenen als vuilnisvaten, waar bijna van alles
ingegooid wordt.
Merkwaardigerwijs
komt het verslag over de Bereërs, tussen dat over de Thessalonicensen en de
Athenen. De Bereërs bezaten de echte geestelijke grootheid om aan iemands woord
eerbiedig aandacht te schenken, egaal of het nieuw of oud was, en dan te
beschouwen in het licht van Gods Woord. Het resultaat was, dat "velen
dan uit hen geloofden", in vergelijking met weinigen van de
Thessalonicensen en de Athenen. Wat meer is, God erkende hen in de Schriften als
de geestelijke adel van die tijd, omdat "die het Woord ontvingen met
alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo
waren" (V.11).
Wat
heeft de belijdende Kerk deze les vandaag nodig, zowel de predikers als de
toehoorders! Moderne mensen gooien kostbare schatten uit de Bijbel weg, onder de
uitleg, dat zij oud en uit de tijd zijn, terwijl Fundamentalisten, vasthoudend
aan oude waarheid (en dwaling), nieuw licht afwijzen, eenvoudig omdat het nieuw
is! De modernen wedijveren met elkaar, om intellectueel "up to date"
te blijven, terwijl Fundamentalisten met elkander wedijveren om orthodox te
zijn, waar beiden het verlangen dienen te hebben om Schriftuurlijk te
zijn, en te buigen in geloof voor Gods Woord.
Godsmannen
van vandaag doen er goed aan zich wel de woorden van onze Here te herinneren bij
het verkondigen van de geheimenissen van het hemels koninkrijk. "Daarom
een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is
gelijk een heer des huizes, die uit zijn schat NIEUWE EN OUDE DINGEN
voortbrengt" (Matt.14:52).
PAULUS'
TOESPRAAK OP DE HEUVEL VAN MARS
"En
Paulus staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen
van Athene, ik bemerk, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.
"Want
de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar
gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Dien gij
niet kennende dient, verkondig ik ulieden.
"De
God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, Deze zijnde een Here
des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;
"En
wordt ook van mensenhanden niet gediend als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen
het leven en de adem en alle dingen geeft;
"En
heeft uit énen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op de gehele
aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden tevoren geordineerd, en de
bepalingen van hun woning;
"Opdat
zij de Here zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel
Hij niet ver is van een iegelijk van ons.
"Want
in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten
gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.
"Wij
dan zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud of zilver of
steen gelijk is, welke door menselijke kunst en bedenking gesneden zijn.
"God
dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen mensen
alom dat zij zich bekeren.
"Daarom
dat Hij een dag gesteld heeft op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal
oordelen door een Man. Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan
doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.
"Als
zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en
sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.
"En
alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan.
"Doch
sommige mannen hingen hem aan en geloofden; onder welke was ook Dionysius de
Areopagiet, en een vrouw met name Damaris, en anderen met dezelve."
- Hand. 17:22-34).
Het
is meer dan twijfelachtig of het uitgelezen oratorium van Griekse geleerden ook
maar iets kon beginnen te weerleggen, tegen de waardigheid, majesteit, en
grootheid van Paulus' toespraak voor de Areopagieten.
De
apostel had het heidendom ontmoet; nu werd hij geconfronteerd met de
philosofische argumenten waarmee het werd verdedigd. Van begin tot eind toonde
hij een volmaakte zelfbeheersing, terwijl tegelijkertijd zijn betoog het
uitvloeisel was van dat wat zijn hart vervulde, omringd zoals hij was door
afgoderij. Zijn intense ernst steekt scherp af tegen de spotternij van de
Athenen (V. 18,21,32) als hij zijn antwoord geeft vanuit "het
midden" van de Araeopagus.
EEN TACTVOLLE OPENING
Met
uiterst respect richt de apostel zich tot zijn toehoorders met "Gij
mannen van Athene", het feit erkennende dat zij "alleszins
gelijk als godsdienstiger" zijn (V.22).
De
vertaling in de Authorised Version "te bijgelovig" is zonder meer een
ongelukkige weergave. Paulus was niet zo tactloos om zijn toehoorders aan te
vallen bij zijn openingswoorden. De Athenen waren bijgelovig, maar als
Paulus hen hiervan bij het begin beschuldigd had, zou hij hun gedachten hebben
dichtgeslagen voor zijn hele toespraak. Let op Paulus' andere toespraken en ge
zult zien, dat hij opent met zulke opmerkingen, die ertoe leiden om hun
interesse, en de sympathieke aandacht van zijn toehoorders te winnen.
Het
onderwerpelijk geval is geen schitterende uitzondering van deze regel maar
eerder een toonbeeld ervan. In een vreemde combinatie van complimenten en
voorzichtigheid, erkent de apostel de ijver die de Athenen bewijzen aan hun
religie, zonder een enkele mening over de religie zelf te uiten.
Zeker
zou Paulus de Atheners te bijgelovig genoemd hebben, als hij overtuigd
geweest was dat bijgeloof, welk ook, verkeerd was. Bovendien wordt
dezelfde term gebruikt in Hand.25:19 waar het heel stellig gebruikt wordt in de
zin van religie, want zeker Festus zou Judaïsme, voor Agrippa, niet
bijgeloof noemen, hij die zelf een Jood was.
Maar
deze verklaring bij het begin van Paulus' toespraak is temeer merkwaardig, omdat
zij, uitnemend tactisch, ook de eerste slag was in zijn redenering tegen de
philosofiën van de Atheners.
De
Epicureërs waren, zoals we reeds zagen, deugdzame atheïsten. Geen god of goden
- indien die al bestonden - hadden iets met mensen te maken. Aan de andere kant
waren de Stoïcijnen pantheïsten. Voor hen was het universum god. Beide
partijen, indien zij logisch en vast geweest waren, zouden afgoderij veracht
hebben, hoewel zij de ware god niet zouden hebben ontdekt. Toch was het hier,
dat de afgoderij, in haar vele vormen, ontegenzeggelijk overheerste. De zwakte
van hun eigen positie verradend, hadden de Epicureërs goden toegelaten binnen
hun systeem, als spoken van de populaire voorstelling, terwijl de Stoïcijnen
hen hadden toegelaten als lagere ontwikkelingen van de grote god, het universum.
Beiden hadden de menselijke neiging tot een soort godsdienst, en waren praktisch
afgodendienaars.
HET ALTAAR VOOR
DE ONBEKENDE GOD
Feitelijk
staat in het origineel niet, dat Paulus hun godsdienstigheid gezien of
opgemerkt had, maar dat hij de voorwerpen van hun godsdienstigheid had
opgemerkt, en dat hij daaronder "een altaar met deze inscriptie, AAN DE
ONBEKENDE GOD" had ontdekt (V.23). "Dezen dan, Dien gij niet kennende
dient" zei de apostel, "Verkondig ik ulieden". Er bestaat een
duidelijke toespeling hier in hun nadeel in V.18, want het woord
"verkondigen" in V.23 is hetzelfde als "verkondigen" in
V.18. Zij zeiden: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden
(Lett. demonen of godheden)". Nu antwoordt hij:
"Ik verkondig ulieden de ware God (Gr. Theos, God), Dien gij
niet kennende dient". Aldus pleit hij zich "niet schuldig" op hun
beschuldiging van het introduceren van "vreemde goden".
Hoe
delicaat en toch hoe vrijmoedig, verwijst de apostel naar de afgoderij waarmee
hij wordt omringd. Hij gebruikt zelfs een inscriptie op hun altaar als
tekst! Dit altaar - waarvan oude schrijvers zeggen dat er meerdere waren -
bracht duidelijk het gevoel van onzekerheid naar voren, dat de gedachten van de
heidenen noodzakelijkerwijze beheerste. Instinctief de beperktheid van hun
ijdele godsdienst kennende (Zie Rom.1:19-21), en proberend de toorn van enig
god, of van onbekende en niet erkende goden te ontgaan, richtten zij dit
altaar op, opdat geen god hen zou straffen wegens het nalaten van hem te
aanbidden. Dit erkennend en voordeel trekkend uit het feit dat zij dit altaar
aan de onbekende Theos gewijd hadden, verklaarde Paulus: "Hem verkondig
ik ulieden."
Voortgaande
op deze stelling verkondigt de apostel zijn toehoorders de God, Die de
wereld (het geordende universum) gemaakt heeft en alles wat daarin is. Paulus
besteedde geen moment om de philosofen te bewijzen dat God bestaat, of dat Hij
het universum schiep, of zelfs dat Hij daarvan God is. Hij stelt dit
alles: "De
God, Die het universum gemaakt heeft...zijnde een Here des hemels en der
aarde..."
Hij
kon zeer goed deze positie innemen. Zij hadden erkend dat zij Hem niet
kenden; Paulus kon met gezag zeggen dat hij dit wel deed.
Bovendien besefte de apostel goed, dat hun afgoderij een uiting was hun
verwerping van het licht, dat God hun had gegeven. Zij waren, net als de
heidenen elders, schuldig aan "ten onder houden", of onderdrukken
van "de waarheid in ongerechtigheid" (Rom.1:18).
"Overmits
hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun
geopenbaard.
"Want
Zijn onzienlijke dingen**/[ii]
worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien,
beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, OPDAT ZIJ NIET TE VERONTSCHULDIGEN
ZOUDEN ZIJN" (Rom.1:19,20).
Zo
handelde de apostel in één korte zin af met de Stoïcijnen, die beweerden dat
het universum God was, en met de Epicureërs, die veronderstelden, dat
welke goden er ook mochten bestaan, zij te ver weg waren om zich bezig te houden
met deze planeet. En terwijl hij tactvol de afgoderij bestraft waarmee beiden
zich inlaten, gaat hij door met aan te wijzen, dat God het universum geschapen
heeft en daarvan de Here is, en "dat Hij niet woont in tempelen met
handen gemaakt; en wordt ook van mensenhanden niet gediend als iets behoevende,
alzo Hij Zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft"
(V.24,25; cf. Ps.50:7-15).
Hier
gebruikt Paulus enige argumenten en enkele juiste woorden, die Stefanus had
gebezigd ter verdediging in het Sanhedrin, die Paulus zelf, toen nog Saulus,
ongetwijfeld had gehoord (Hand.7:48-50). Het is opvallend, dat het nodig was om
de leiders van Israel dezelfde dingen te zeggen als deze heidense philosofen.
Zij hadden de les die David geleerd had gemist (Ps.51:16,17), ziende op de
tempel en altaars en offers als zijnde heilig. Toch was juist de bedoeling van
de bedeling van Mozes geweest om hun te laten zien, dat niet alleen de morele
wet, maar de ceremoniële wet niet in staat was de zondaar te redden (Hebr.10:4).
Maar indien goddelijk verordineerde offers in zichzelf geen kracht hadden om te
redden, hoeveel minder die offers, die de heidenen offerden voor hun eigen
gekozen goden!
Zo
toonde de apostel, met een door God gegeven combinatie van tact en
vrijmoedigheid, de dwaasheid en zonde aan van hun afgoderij. Zijn argumenten
moeten wel temeer indringend geweest zijn vanwege de plaats van de Areopagus.
Want toen hij sprak vanaf de heuvel, met een open hemel boven hen, het
schouwspel naar beneden, en de zee in de verte, moet alles gesproken hebben van
de God die hij uitriep te zijn, de Schepper en Onderhouder van alles.
Het
woord "bloed" in v.26, zoals in de Staten Vertaling, moet blijkbaar
weggelaten worden, het staat ook niet in de N.B.G. De bedoeling is ongetwijfeld,
dat van één mens God "het ganse geslacht der mensen" gemaakt heeft
om te wonen "op den gehelen aardbodem", en het is een weerlegging van
het Atheense begrip, dat verschillende volkeren zouden worden vertegenwoordigd
door verschillende goden.
Hier
is nog een van de stoptekens van de koninkrijks-boodschap en het
koninkrijksprogramma die we gevonden hebben in Handelingen sinds de opwekking
van Paulus. Onze Here ging in Zijn uitroepen van het koninkrijk nooit verder
terug in de menselijke geschiedenis, dan tot David en Abraham. Dit was omdat de
heidenen waren verworpen, en de vestiging van het Messiaanse koninkrijk
gebaseerd was op beloften, gedaan aan deze twee aartsvaders. Vandaar dat de
Nieuw Testamentische Geschriften openen met de woorden: "Het
boek des geslachts van Jezus Christus, den Zoon van David, den zoon van
Abraham."
"de
laatste Adam" (1Cor.15:45-47). Hij toont aan, hoe "door één mens
de zonde in de wereld ingekomen is" (Rom.5:12). Zelfs de kinderen van
Abraham moeten erkennen dat zij ook kinderen van Adam zijn, zodat zij kunnen
worden gered door Christus, niet als "de Koning van de Joden", maar
als Degene die stierf voor allen.
"Want
gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen tot zondaars gesteld
zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot
rechtvaardigen gesteld worden (Rom.5:19).
Het
feit dat alle "mensenvolken" afstammen van één, is echter niet
bedoeld om het moderne idee van "één wereld" aan te moedigen, want
de apostel gaat voort te zeggen, dat God niet slechts "de tijden tevoren
geordineerd", i.c. de perioden van hun regering, maar ook "de
bepalingen van hun woning" vaststelde (V.26 cf. Deut.32:8). Wat een
bloedvergieten en chaos is het resultaat van het falen van de volken om dit feit
vast te stellen!
Maar
dit geschiedde op haar beurt, opdat "zij de Here zouden zoeken". Het
was de volkeren niet toegestaan om zo lang als zij wensten te regeren, noch over
zoveel land als zij maar wensten. God heeft van tevoren de duur en de
grenzen van hun gouvernement vastgesteld, opdat zij hun afhankelijkheid van Hem
zouden erkennen, Hem zouden "zoeken" en "tasten" om Hem
te "vinden". Het is natuurlijk waar, dat "God heeft uit den
hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig
ware, die God zocht", en dat de uitspraak was: "er is
niemand die goed doet, ook niet één (Ps.53:2,3; Rom.3:11). Maar dit
verandert niets aan het feit, dat zij zo zouden doen, en schuldig zijn
wegens het niet zo doen.
Dit
was natuurlijk een weerlegging van de Stoïcijnse philosofie dat het universum,
met inbegrip van de mens, God was. Maar weer komen de Epicureërs aan met
hun aandeel, als de apostel zich haast om toe te voegen: "hoewel Hij
niet ver is van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij en bewegen ons en
zijn wij" (V.27,28). En om dit feit aan hen te bewijzen citeert
hij één van hun eigen dichters, die gezegd heeft: "Want wij zijn ook
Zijn geslacht" Paulus
ondersteunt natuurlijk niet de valse leer van "het Vaderschap van God en
broederschap van mensen" hier, want hij spreekt niet over regeneratie, maar
over creatie (Gen.1:26,27; Luk.3:38), en gaat voort te concluderen:
"Wij
dan zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud of zilver of
steen gelijk is, welke door menselijke kunst en bedenking gesneden zijn" (V.29).
Dit
was een terechtwijzing aan beiden, Stoïcijnen en Epicureërs. Zijn argument
was, dat indien wij, levende, rationele, zedelijke wezens, Zijn nazaten zijn, we
niet moeten veronderstellen, dat Hij Zelf gelijk is aan gewone afgoden, gemaakt
van goud of zilver of steen. Dit alles moet geweldig indrukwekkend geweest zijn,
omringd zoals zij waren door de valse en vergankelijke glorie van hun afgoden,
en de grotere heerlijkheid van de schepping boven en rondom hen.
Wat
was het een blijk van de geestelijke blindheid van de Atheners, en wat een
verwijt aan hun opgeblazen rijkdom, dat Paulus hun zelfs het ABC van de
theologie moest leren; dat er één ware God was, dat Hij de Schepper en
Onderhouder van alles was, etc. Met al hun hoogdravende philosofen en hun
beroemde leerscholen waren zij toch nog bijgelovige afgodendienaars, ver van het
begrip aangaande welke God te aanbidden, en dat hun stad een waar Babel van
religeuse verwarring was. Zij waren geestelijk niet verder gekomen dan de
heidenen in Lystra (Hand.14:11-18).
NADRUK
OP HUN VERANTWOORDELIJKHEID
Maar
Paulus' bedoeling was niet slechts om zijn toehoorders te waarschuwen.
Hij wilde hen overtuigen van hun verantwoording tegenover de ene ware
God, dien zij "aanbaden" als één tussen velen, en dan
"onbekend". Hij wilde hen tonen, dat zij aan Hem rekenschap moesten
afleggen voor hun afgoderij en zonde, en wilde hun dan Christus prediken.
De
verklaring "God, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende" (V.30)
betekent niet, dat tot die tijd de heidenen voor God niet verantwoordelijk
waren. De eigen woorden van de apostel in Rom.1:18-32 maken het te duidelijk,
dat hij hen werkelijk verantwoordelijk stelde. De Oud Testamentische
Geschriften geven eveneens overvloedig getuigenis, dat God afgoderij nimmer als
onschuldig beschouwde, noch de zonden die daar het gevolg van waren. Wat Paulus
bedoelde was eenvoudig, dat tot hiertoe God aan de afgoderij van de heidenwereld
voorbij was gegaan, zonder te straffen, alsof Hij dit niet zag.
Maar
nu zegt de apostel, Hij verkondigt nu allen mensen alom dat zij zich bekeren.
Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem
rechtvaardiglijk zal oordelen door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft,
verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt
heeft" (V.30,31).
Sommigen
hebben uit deze passage geconcludeerd, dat Paulus, net als eerder Petrus, in de
eerste plaats gezonden was om bekering te verkondigen. Dit is een vergissing.
Het
woord bekering (Gr. metanoeo) wordt niet minder dan een en dertig
maal in de Evangeliën en eerdere Handelingen gevonden. Bovendien wordt ons
duidelijk verteld, dat bekering met het oog op de nabije komst van het
koninkrijk, het thema was van de boodschap, verkondigd door Johannes de
Doper, Christus, en de twaalven (Matt.3:1,2; 4:17; Mark.6:7,12; Luk.24:47). In
vergelijking vinden we het woord slechts vijf maal gebruikt door Paulus in
Handelingen, en in twee van deze gevallen verwijst hij naar wat Johannes de
Doper gepredikt had aan Israel (Hand.13:24; 19:4). Dan vinden we in alle
brieven van Paulus het woord slechts zeven maal (met inbegrip van de Hebreënbrief,
waar het driemaal wordt gebruikt) en weer hebben verschillende van deze gevallen
geen connectie met de boodschap die Paulus predikte.
Omdat
het woord metanoeo een volstrekte verandering van denken betekent, is het
duidelijk dat elke ongelovige die een gelovige wordt, procesmatig wordt bekeerd.
Toch is het ook duidelijk uit het bovenstaande, dat de nadruk in de
boodschap van Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, lag op bekering,
terwijl dit niet het geval was bij Paulus. Een onderzoek van het latere deel van
Handelingen en van zijn brieven, zal openbaren dat de nadruk in zijn boodschap
lag op genade, toegeëigend door geloof.
Dit
is toeëigening, want volgens "het evangelie van het koninkrijk" moest
Israel zich bekeren van haar afvalligheid en Christus accepteren als Koning, en
de heidenen moesten zich bekeren van hun afgoderij en Hem als Koning aanvaarden.
Maar onder de bedeling die Paulus tussenvoegde, zijn beiden, Jood en heiden,
besloten onder zonde, en Christus wordt aangediend als de Ene die stierf, opdat
zij zouden worden "gerechtvaardigd door Zijn genade". Zo ligt de
nadruk dus op de genade, toegeëigend door geloof.
Wij
herhalen echter, dat het een kwestie van benadrukken is, voor
iedere, uiteraard bekeerde zondaar, die gelooft. En ook hier, waar Paulus
omringd door de voormannen der afgoderij, en hun verkondigd had de ene ware God,
is het niet vreemd, dat hij oproept tot verandering van hart en gedachten.
Evenmin wijst dit alles erop dat hij dezelfde boodschap verkondigde die Petrus
en de twaalven hadden. Juist dienen meerdere verschillen te worden opgemerkt:
1.Zij
waren speciaal geinstrueerd om bekering te prediken, "eerst aan de
Jood" (Luk.24:47), terwijl Paulus hier haar relatie aantoont met "alle
mensen overal".
2.Zij
waren gezonden om bekering en doop tot vergeving van zonden te
prediken (Mark.16:16; Hand.2:38), terwijl Paulus hier geen waterdoop noemt, en
inderdaad in 1Cor.1:17 stelt, dat hij niet gezonden was om te dopen.
3.Paulus
bracht hier duidelijk bekering en oordeel als achtergrond voor de genade, die
hij verkondigd zou hebben, als het hem toegestaan was om door te gaan. Dit was
weer een
onderbroken
toespraak uit het boek Handelingen.
Er
dan aan vast te houden dat bekering geen plaats heeft in de Paulinische
boodschap is onbegrip voor de aard van bekering. Maar aan de andere kant,
bekering prediken, eerder dan genade, is onbekendheid tonen met de
boodschap, die de opgestane, opgevaren Here, aan Paulus en aan ons heeft
opgedragen.
Zoals
we reeds gezegd hebben, beantwoordde Paulus de voormannen van de afgoderij. Heel
natuurlijk zou hij in zo'n geval een beroep op hen doen tot bekering om zich tot
de ware God te keren (Cf. 1Thess.1:9). En vanzelfsprekend zou hij instemmen met
wat Petrus had gezegd met betrekking tot de opstanding van onze Here om "de
wereld te oordelen in gerechtigheid."
Maar
dit was niet alles wat hij wenste te zeggen. Nu probeerde hij te
onderzoeken, en hun gewetens aan te spreken. "God beveelt alle
mensen overal, te bekeren." Het was geen zaak van menselijke opinie, zoals
de Atheners geneigd waren te beweren, maar van morele verantwoordelijkheid.
En het was in hun belang om zonder uitstel tot God te keren, omdat Hij een dag
had vastgesteld waarop de wereld zal worden geoordeeld in gerechtigheid, door
Christus, die Hij had opgewekt uit de doden ter "verzekering" van dit
feit.
PAULUS'
TOESPRAAK ONDERBROKEN
Bij
Paulus' noemen van de opstanding, werd zijn toespraak onderbroken. Sommigen
begonnen te spotten, terwijl anderen, meer politiek, zeiden: "Wij zullen u
wederom hiervan horen" (V.32). Dit sluit opnieuw in, dat Paulus niet
zichzelf verdedigde in een formeel verhoor en toont verder aan, dat zijn
toehoorders klaarblijkelijk tot de conclusie gekomen waren, dat er niet
voldoende oorzaak bestond om zo'n verhoor af te nemen. Tevreden met hun eigen
heidense geloven, hadden zij geen aandacht om hem verder aan te horen.
"En
alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan." Zijn pogingen waren niet
helemaal tevergeefs geweest, want er waren "sommigen" die geloofden;
onder hen was een vrouw (klaarblijkelijk een voorname), genaamd Damaris, en één
van de Areopagieten zelf, genaamd Dionysius. Over het algemeen echter hadden de
Atheners bewezen dat zij niet de waarlijk groten van die tijd waren. Zij glorieërden,
maar in hun schande. De nederige Bereërs staken met hoofd en schouders boven
hen uit.
Hoe
lang Paulus hierna in Athene bleef is niet bekend, maar het was waarschijnlijk
hierna, dat Timotheus arriveerde met nieuws uit Thessalonica, en weer terug
gezonden werd om hen te bemoedigen en te bevestigen.
FAALDE
PAULUS TE ATHENE?
Zekere
theologen hebben Paulus bekritizeerd wegens falen om de weg van redding aan te
tonen in zijn toespraak op de Areopagus. Er dient echter herinnerd te worden,
dat hij naar de Areopagus gebracht werd vanwege zijn prediking van "Jezus,
en de opstanding" (V.18), en het is ondenkbaar, dat hij niet redding
door Christus verkondigd zou hebben, als het hem veroorloofd geweest was zijn
toespraak te beëindigen.
Zijn
toespraak voor de philosofen in Athene was in feite een meesterstuk van
God-geschonken wijsheid en geestelijke kracht. De waardigheid en ernst van zijn
manieren, zijn verstandig gebruik van plaatselijke omstandigheden, zijn
bijzondere combinatie van voorzichtigheid en vrijmoedigheid, de krachtige manier
waarop hij menselijke philosofie ontmoette met goddelijke openbaring, de
tactvolle, ook onderhoudende wijze waarop hij zijn hoorders als onwetende
afgodendienaars tentoonstelde, hun gewetens onderzoekend, hen waarschuwend voor
oordeel en hen oproepend tot bekering en omkeer naar God.
De
uitstekende manier waarop hij wees op het getuigenis van de schepping door hun
dichters aan te halen, die enkele van de waarheden die hij verkondigde erkenden,
en zelfs de inscriptie gebruikend op hun altaar als zijn tekst, daarmee
antwoord gevend op atheïsme, polytheïsme, pantheïsme, agnosticisme,
materialisme en fatalisme, alles in de loop van enige ogenblikken - dit alles
kenmerkt zijn onderbroken toespraak op de heuvel van Mars. Werkelijk "een
speech passend bij zo'n plaats, zo'n spreker en zo'n auditorium."
[i].*/Voetnoot: Een van hen schijnt
gedurende Paulus' verblijf te Athene gered te zijn (V.34).
[ii].**/Voetnoot: "onzienlijke
dingen" is in het Grieks poyeema, waarvan ons woord poëzie
is afgeleid, en betekent de harmonie van de schepping
|