De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXXI - HAND. 17:16-34

            PAULUS TE ATHENE

                    EEN MOEILIJKE OPGAVE


"En terwijl Paulus hen te Athene verwachtte, werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zo zeer afgodisch was.

"Hij handelde dan in de synagoge met de Joden en met degenen die godsdienstig waren, en op de markt allen dag met degenen die hem voorkwamen.

"En sommigen van de Epicurëische en Stoïsche wijsgeren streden met hem; en sommigen zeiden: Wat wil toch deze klapper zeggen? Maar anderen zeiden: Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden; omdat hij hun Jezus en de opstanding verkondigde.

"En zij namen hem en brachten hem op de plaats genaamd Areopagus, zeggende: Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is, waar gij van spreekt?

"Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen dan weten wat toch dit zijn wil.

"(Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws te zeggen en te horen). - Hand.17:16-21.

ATHENE IN DE DAGEN VAN PAULUS

De apostel was nu alleen te Athene, de beroemdste stad van Griekenland (toen Achaje genoemd), en de culturele hoofdstad van de wereld.

Eeuwen tevoren had dit Athene wereldfaam verworven vanwege haar cultivering van de vrije kunsten. De meest gevierde dichters en philosofen waren er geboren of hadden daar geleefd. De uitnemendste voorbeelden van beeldhouwen en architectuur werden er aangetroffen. En wat meer was, praktisch elke godsdienst was daar vertegenwoordigd.

Hoewel de zon van Athene's glorie aan het ondergaan was, was zij toch nog te beschouwen als het intellectueel, artistiek en godsdienstig centrum van de wereld.

Daar was de Areopagus (Latijns: Heuvel van Mars), zo genoemd naar de legendarische beproeving van Mars daar. Hier bespraken rechtsgeleerden, Areopagieten*/[i] genaamd omdat zij daar zitting hielden, metterdaad doctrines met hen die ze leerden! Boven dit alles rees uit de Acropolis met het Parthenon en haar kolossale standbeeld van de godin Athene.

Terwijl de stad Athene tot op deze dag bestaat, is haar glorie, net als alle aardse glorie, voorbij. Alleen de ruïnes van haar trots zijn gebleven.

            EEN AFGODISCHE STAD

Terwijl Paulus op Silas en Timotheus wachtte "werd zijn geest in hem ontstoken, ziende dat de stad zo zeer afgodisch was (Lett. vol met afgoden)" (V.16).

De apostel was niet vervuld met verwondering over de schoonheid van Atheense kunst en architectuur, over haar spitsvondige en verfijnde philosofiën, over haar eenheid van godsdiensten. Hij zag dit alles in het licht der waarheid en realiteit. Hij was eerder geprikkeld en opgewonden op het gezicht van neerknielende mensen, niet alleen voor het werk van eigen handen, maar voor de geestelijke machten van het kwade die hen ertoe brachten om "het schepsel te aanbidden en te dienen boven de Schepper" (Rom.1:25 cf. Dan.10:21; Eph.2:2; 6:12). En hij werd verbijsterd door de zonde die deze heidengodsdiensten begeleidden (Rom.1:26-32).

Met al hun beroemde wijsheid konden de Atheners niet bouwen op een god! De één aanbad deze "godheid", een ander die. De meesten aanbaden verschillende goden bij verschillende gelegenheden. Zo groot was de verwarring, dat Pliny zegt, dat in Nero's tijd Athene meer dan 3000 publieke afgoden bevatte, plus de ontelbare afgoden in het bezit van particulieren. In ieder geval waren er standbeelden voor goden en halfgoden. Praktisch elke "godheid" was vertegenwoordigd, inclusief de "onbekende". Petronius (Sat.XVII) zegt humoristisch, dat het gemakkelijker was een god in Athene te vinden dan een mens, en onze Schrift stelt, dat de stad "zeer afgodisch" was.

Atheense philosofen hadden niets bereikt. Zij hadden slechts het hopeloze bankroute van menselijke wijsheid en uiterlijk verval van de menselijke natuur getoond. De myriaden bijgeloven van de Atheners waren slechts bewijs dat ongeloof, roemend op superieure intelligentie, altijd lichtgeloviger is dan geloof. Hun smerige standbeelden waren slechts een toonbeeld van de lage morele standaard waartoe hun religies hen hadden doen zinken.

      DE SYNAGOGE EN DE MARKT

Hoewel de stad "zeer afgodisch" was, was er toch een synagoge. God was nog niet overspoeld! Het was dan ook niet in een van de afgodstempels, waarvan er vele rondom de apostel waren, maar in de synagoge, dat hij zijn eerste entree maakte. Zij die in deze synagoge samenkwamen, waren in de eerste plaats aansprakelijk voor de toestanden die in Athene bestonden, want overal had het volk Israel vergeten dat zij, als zaad van Abraham, het instrument zouden zijn van Gods zegen voor de wereld (Gen.22:17,18). Zij erkenden de ware God, maar in plaats van Gods Woord aan de volken te brengen, beroemden zij zich erop - en dat, terwijl zij verzuimden om het te gehoorzamen. De apostel zegt dan ook, "De naam Gods wordt om uwentwil gelasterd onder de heidenen" (Rom.2:24).

Hij zag de stad vol afgoden. "Daarvoor sprak hij in de synagoge met de Joden" (V.17). De Joden kwamen nog steeds op de eerste plaats in zijn bediening. God was reeds begonnen om Israel op te geven, en was begonnen het Lichaam van Christus te formeren als getuige voor de volkeren, maar het vonnis van verachting was niet over het uitverkoren volk uitgesproken, totdat de Joden, vanaf Jeruzalem tot Rome, een gelegenheid was geschonken om tot Christus te keren.

Als we zien naar Paulus' procedure in andere synagoges, sprak hij met hen vanuit de Schriften, bewijzende dat Jezus de beloofde Christus was, en bood hen redding aan door Zijn volbracht werk - iets wat Petrus niet gedaan had op Pinksteren (Hand.13:38,39 cf. Hand.2:38).

Vervolgens redeneerde hij ook met de "vrome" of godvrezende heidenen, i.c. heidenen die tot verering van de ware God waren gekomen, hoewel zij geen Joodse proselieten geworden waren. Ten derde, sprak hij dagelijks met hen, die hij ontmoette op de markt, waar de Atheners elke dag samenkwamen, niet alleen om te kopen en verkopen, maar hun verschillende philosofiën te beredeneren. Hier zou de apostel velen kunnen ontmoeten die verlangend genoeg waren om 's mensen "einddoel" en "hoogste goed" te bespreken.

DE EPICUREERS EN DE STOICIJNEN

Onder hen waren de Epicureërs en de Stoicijnen, die de twee belangrijkste scholen van Grieks denken van die tijd vertegenwoordigden. De ongewijde geschiedenis geeft aan, dat de Epicureërs betoogden in wat werd genoemd "de Tuin", terwijl de Stoicijnen elkander ontmoetten in "de Poort", waarvan ook hun naam werd afgeleid.

De Epicureërs waren de volgelingen van Epicurus, die meer dan drie eeuwen tevoren in Athene tot aanzien gekomen was. Zij waren deugdelijke atheïsten die leerden, dat wat voor god of goden er ook waren, deze te ver van de mens verwijderd waren om over de mensen vanwege hun zonden of verdriet, bezorgd te zijn. Zij geloofden noch in schepping, noch het voortgaand bestaan van de ziel na de dood, noch opstanding, noch oordeel. Er was niets om over verstoord te zijn, of gealarmeerd.

Het spreekt vanzelf, dat de Epicureërs het ervoor hielden dat de verheuging in blijdschap, 's mensen "eindoel" en "hoogste goed" in het leven was. Aldus gaven sommigen - klaarblijkelijk de meesten - zich over aan levens van grote sensualiteit en verdorvenheid. Hun philosofie gaf hen vrijheid om zo te handelen. Anderen, zoals Epicurus zelf, gaven toe aan verfijnde genietingen, toch gaven allen zich over aan bevrediging van zichzelf. Indien sensuele uitersten werden vermeden, dan was dat slechts, omdat zij niet onbeperkt het hoogste genotsleven konden leiden.

De Stoïcijnen waren discipelen van Zeno, een tijdgenoot van Epicurus, wiens philosofie echter bijna precies tegengesteld was. Zij waren pantheïsten en fatalisten, en dachten dat deugd 's mensen "einddoel" en "hoogste goed" was. Zij geloofden in de onderdrukking van alle natuurlijk gevoel, en streefden naar acceptatie van het noodlot door kalme opstelling, onverschillig of het pijn of vreugde was, zodat zij eerder meesters, dan slaven van de omstandigheden zouden worden.

Met eerbied voor hun moraal schijnt, oppervlakkig gezien, dat zij Christendom benaderden, maar in feite waren zij er net zo ver vanaf als de Epicureërs. Hun leringen berustten niet op geopenbaarde waarheid. Zij waren slechts een natuurlijke reactie op de excessen van het Epicurisme. Wij dienen in ieder geval te denken aan de meest schaamteloze sensualiteit, die werd vereerd in hun publieke kunstuitingen. Inderdaad traden juist de religies in Athene voor het grootste deel ontaard, en losbandig, naar buiten. De excessen van onzedelijkheid en slechtheid, die het gevolg ervan waren, hadden natuurlijk hun kwalijke konsekwenties.

De philosofie van de Stoïcijnen, met hun nadruk op zelf-onderdrukking, was een natuurlijke reactie op dit alles, maar het kwam niet voort uit genade en geloof. Het was slechts een menselijk pogen om het beste van zichzelf te maken. Het verwekte een soort farizeïsme, dat met verachting neerkeek op ieder die weende of vreugde bedreef. Het kende niets van de liefdevolle sympathie, die geleerd wordt in de vermaning van de Schrift: "Weest blij met de blijden, weent met de wenenden" (Rom.12:15). Wat meer was, haar zelf-discipline was vaak eerder voorgewend dan echt, en zoals de farizeërs, waren zij hypokrieten, eenvoudig onwillig om hun zonden te bekennen, en hun behoefte aan een Redder te erkennen. Zo karakteriseerden de Epicureërs genot, de Stoïcijnen trots.

Het waren deze vertegenwoordigers van "de Tuin" en "de Poort", die Paulus "aanvielen" met hun doctrines van zelfvoldoening en zelfonderdrukking. Sommigen vroegen inderdaad minachtend: "Wat wil toch deze klapper zeggen?" i.c. "Wat meent hij te zeggen?" Het woord vertaald met "klapper" in S.V. is letterlijk zaad-pikker, en verwees naar hen, die, zonder een onderwerp nauwlettend te onderzoeken, flarden van informatie hier en daar oppikken, zoals een vogel het zaad. Anderen zeiden: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden", omdat hij Christus en de opstanding had verkondigd. Toch moeten Paulus' argumenten met grote bekwaamheid en geestelijke kracht zijn gebracht, want zoals Kitto zegt: "Zelfs de Epicureërs en de Stoïcijnen, in aangeleerde vrijheid rondhangend, achtten het niet beneden hun waardigheid om met zo'n redetwister te wedijveren" (Daily Bible Illustrations (Vol.8, P.366).

Zo een beroering brachten de leringen van de apostel, dat "zij hem pakten" zoals het in het origineel staat, en hem naar de Areopagus brachten. Klaarblijkelijk werd hij hier niet werkelijk onderzocht op zijn leringen, want we lezen niets van een beschuldiging of van getuigen, of een verhoor of vonnis. Zij vroegen eenvoudig: "Kunnen wij niet weten welke deze nieuwe leer is, waar gij van spreekt? Want gij brengt enige vreemde dingen voor onze oren; wij willen weten wat dit toch zijn wil" (V.19,20). Maar het was kennelijk bedoeld als een voorlopige informatie, want hetgeen Paulus verkondigd had, was "vreemd" genoeg voor de Areopagieten om een verklaring te eisen. "Die van Athene nu allen, en de vreemdelingen die zich daar onthielden, besteedden hun tijd tot niets anders dan om wat nieuws (Lett. nieuwers) te zeggen en te horen" (V.21).

Zij hadden Paulus een "zaad-pikker" genoemd, maar zij waren de "zaad-pikkers", altijd zoekende naar iets nieuwers, en zo verrieden zij hun ontevredenheid met wat zij hadden. Zij toetsten werkelijk iedere leer die hen belangrijk toescheen, maar onderzochten deze niet aan de hand van het onfeilbaar en onveranderlijke Woord van God. Zij onderwierpen ze alleen aan de maatstaf van menselijke mening.

Paulus nu neemt deze karaktertrekken in aanmerking, als hij zich tot hen richt. Hij zal hun iets nieuws geven; de enige God, Die zij tot nu toe nog niet kennen, en Zijn Zoon, Jezus Christus.

     THESSALONICA, BEREA EN ATHENE,

              ONDERLING VERGELEKEN

Voordat we de prediking van de apostel op de Mars-Heuvel gaan beschouwen, laat ons het verslag wat betreft Thessalonica, Berea en Athene, de drie laatste steden door Paulus bezocht, vergelijken. De kwestie of naar Joden of heidenen wordt verwezen met rust latend, ontdekken we nadrukkelijk een bijzondere karakteristiek met betrekking tot degenen aan wie de apostel in elk van de steden zijn dienst verrichtte.

In de synagoge in Thessalonica redeneerde Paulus vanuit de Schriften gedurende drie sabbatten (of weken) met mensen, die niet wilden luisteren, met als resultaat, dat slechts een paar (Gr. "zekere") van hen geloofden, terwijl "een grote menigte" uit de heidenen geloofden. Wat Paulus predikte was voor hen nieuw, en zij weigerden het te onderzoeken, waarbij de heidenen hen, Gods volk, tot schaamte brachten.

De dweperij van de Thessalonicensische Joden hield hen niet alleen in geestelijke duisternis, maar bewoog hen tot felle tegenstand van de waarheid, zodat zij niet alleen Paulus en Silas in hun eigen stad vervolgden, maar hen volgden naar Berea, het volk daar tegen hen ophitsend.

Wij dienen vandaag deze les te leren. Dweperij onder Gods volk zal vandaag hetzelfde effekt hebben, als in Paulus' dagen. Laten we nimmer onze gedachten afsluiten door dwalingen uit te sluiten, want door dit te doen zouden we nieuw licht kunnen uitsluiten, en oude dwalingen opsluiten. Bovendien is het slechts een kleine stap, van het uitsluiten van nieuw licht uit Gods Woord, naar het in bittere tegenstand geraken.

De Atheners gingen tot het andere uiterste. Zij verloren hun interesse in dat wat oud was, en riepen om dat te horen wat nieuw was. Maar toch, als wat zij hoorden hen niet aansprak, "spotten" sommigen, terwijl anderen, meer beleefd, zeiden: Wij willen u nog wel eens over deze zaak horen", met het resultaat, dat ook daar weinig vrucht was.

Deze les geldt eveneens voor onze dagen, want overal om ons heen bemerken we de Atheense vrucht. De massa's geven voortdurend het oude op, en kijken uit naar wat nieuws. Deze neiging is opvallend voor vandaag. In bijna elke grote stad ligt het nieuws voor "morgen" reeds van tevoren in de avondstands, en in de veronderstelling dat de laatste mode, en het laatste advies, het beste zal zijn, gebruiken de mensen hun hersenen als vuilnisvaten, waar bijna van alles ingegooid wordt.

Merkwaardigerwijs komt het verslag over de Bereërs, tussen dat over de Thessalonicensen en de Athenen. De Bereërs bezaten de echte geestelijke grootheid om aan iemands woord eerbiedig aandacht te schenken, egaal of het nieuw of oud was, en dan te beschouwen in het licht van Gods Woord. Het resultaat was, dat "velen dan uit hen geloofden", in vergelijking met weinigen van de Thessalonicensen en de Athenen. Wat meer is, God erkende hen in de Schriften als de geestelijke adel van die tijd, omdat "die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren" (V.11).

Wat heeft de belijdende Kerk deze les vandaag nodig, zowel de predikers als de toehoorders! Moderne mensen gooien kostbare schatten uit de Bijbel weg, onder de uitleg, dat zij oud en uit de tijd zijn, terwijl Fundamentalisten, vasthoudend aan oude waarheid (en dwaling), nieuw licht afwijzen, eenvoudig omdat het nieuw is! De modernen wedijveren met elkaar, om intellectueel "up to date" te blijven, terwijl Fundamentalisten met elkander wedijveren om orthodox te zijn, waar beiden het verlangen dienen te hebben om Schriftuurlijk te zijn, en te buigen in geloof voor Gods Woord.

Godsmannen van vandaag doen er goed aan zich wel de woorden van onze Here te herinneren bij het verkondigen van de geheimenissen van het hemels koninkrijk. "Daarom een iegelijk Schriftgeleerde, in het Koninkrijk der hemelen onderwezen, is gelijk een heer des huizes, die uit zijn schat NIEUWE EN OUDE DINGEN voortbrengt" (Matt.14:52).

PAULUS' TOESPRAAK OP DE HEUVEL VAN MARS

"En Paulus staande in het midden van de plaats, genaamd Areopagus, zeide: Gij mannen van Athene, ik bemerk, dat gij alleszins gelijk als godsdienstiger zijt.

"Want de stad doorgaande, en aanschouwende uw heiligdommen, heb ik ook een altaar gevonden, op hetwelk een opschrift stond: DEN ONBEKENDEN GOD. Deze dan, Dien gij niet kennende dient, verkondig ik ulieden.

"De God, Die de wereld gemaakt heeft en alles wat daarin is, Deze zijnde een Here des hemels en der aarde, woont niet in tempelen met handen gemaakt;

"En wordt ook van mensenhanden niet gediend als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en de adem en alle dingen geeft;

"En heeft uit énen bloede het ganse geslacht der mensen gemaakt, om op de gehele aardbodem te wonen, bescheiden hebbende de tijden tevoren geordineerd, en de bepalingen van hun woning;

"Opdat zij de Here zouden zoeken, of zij Hem immers tasten en vinden mochten, hoewel Hij niet ver is van een iegelijk van ons.

"Want in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij; gelijk ook enigen van uw poëten gezegd hebben: Want wij zijn ook Zijn geslacht.

"Wij dan zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk is, welke door menselijke kunst en bedenking gesneden zijn.

"God dan de tijden der onwetendheid overgezien hebbende, verkondigt nu allen mensen alom dat zij zich bekeren.

"Daarom dat Hij een dag gesteld heeft op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen door een Man. Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft.

"Als zij nu van de opstanding der doden hoorden, spotten sommigen daarmede; en sommigen zeiden: Wij zullen u wederom hiervan horen.

"En alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan.

"Doch sommige mannen hingen hem aan en geloofden; onder welke was ook Dionysius de Areopagiet, en een vrouw met name Damaris, en anderen met dezelve." - Hand. 17:22-34).

Het is meer dan twijfelachtig of het uitgelezen oratorium van Griekse geleerden ook maar iets kon beginnen te weerleggen, tegen de waardigheid, majesteit, en grootheid van Paulus' toespraak voor de Areopagieten.

De apostel had het heidendom ontmoet; nu werd hij geconfronteerd met de philosofische argumenten waarmee het werd verdedigd. Van begin tot eind toonde hij een volmaakte zelfbeheersing, terwijl tegelijkertijd zijn betoog het uitvloeisel was van dat wat zijn hart vervulde, omringd zoals hij was door afgoderij. Zijn intense ernst steekt scherp af tegen de spotternij van de Athenen (V. 18,21,32) als hij zijn antwoord geeft vanuit "het midden" van de Araeopagus.

         EEN TACTVOLLE OPENING

Met uiterst respect richt de apostel zich tot zijn toehoorders met "Gij mannen van Athene", het feit erkennende dat zij "alleszins gelijk als godsdienstiger" zijn (V.22).

De vertaling in de Authorised Version "te bijgelovig" is zonder meer een ongelukkige weergave. Paulus was niet zo tactloos om zijn toehoorders aan te vallen bij zijn openingswoorden. De Athenen waren bijgelovig, maar als Paulus hen hiervan bij het begin beschuldigd had, zou hij hun gedachten hebben dichtgeslagen voor zijn hele toespraak. Let op Paulus' andere toespraken en ge zult zien, dat hij opent met zulke opmerkingen, die ertoe leiden om hun interesse, en de sympathieke aandacht van zijn toehoorders te winnen.

Het onderwerpelijk geval is geen schitterende uitzondering van deze regel maar eerder een toonbeeld ervan. In een vreemde combinatie van complimenten en voorzichtigheid, erkent de apostel de ijver die de Athenen bewijzen aan hun religie, zonder een enkele mening over de religie zelf te uiten.

Zeker zou Paulus de Atheners te bijgelovig genoemd hebben, als hij overtuigd geweest was dat bijgeloof, welk ook, verkeerd was. Bovendien wordt dezelfde term gebruikt in Hand.25:19 waar het heel stellig gebruikt wordt in de zin van religie, want zeker Festus zou Judaïsme, voor Agrippa, niet bijgeloof noemen, hij die zelf een Jood was.

Maar deze verklaring bij het begin van Paulus' toespraak is temeer merkwaardig, omdat zij, uitnemend tactisch, ook de eerste slag was in zijn redenering tegen de philosofiën van de Atheners.

De Epicureërs waren, zoals we reeds zagen, deugdzame atheïsten. Geen god of goden - indien die al bestonden - hadden iets met mensen te maken. Aan de andere kant waren de Stoïcijnen pantheïsten. Voor hen was het universum god. Beide partijen, indien zij logisch en vast geweest waren, zouden afgoderij veracht hebben, hoewel zij de ware god niet zouden hebben ontdekt. Toch was het hier, dat de afgoderij, in haar vele vormen, ontegenzeggelijk overheerste. De zwakte van hun eigen positie verradend, hadden de Epicureërs goden toegelaten binnen hun systeem, als spoken van de populaire voorstelling, terwijl de Stoïcijnen hen hadden toegelaten als lagere ontwikkelingen van de grote god, het universum. Beiden hadden de menselijke neiging tot een soort godsdienst, en waren praktisch afgodendienaars.

                 HET ALTAAR VOOR

               DE ONBEKENDE GOD

Feitelijk staat in het origineel niet, dat Paulus hun godsdienstigheid gezien of opgemerkt had, maar dat hij de voorwerpen van hun godsdienstigheid had opgemerkt, en dat hij daaronder "een altaar met deze inscriptie, AAN DE ONBEKENDE GOD" had ontdekt (V.23). "Dezen dan, Dien gij niet kennende dient" zei de apostel, "Verkondig ik ulieden". Er bestaat een duidelijke toespeling hier in hun nadeel in V.18, want het woord "verkondigen" in V.23 is hetzelfde als "verkondigen" in V.18. Zij zeiden: "Hij schijnt een verkondiger te zijn van vreemde goden (Lett. demonen of godheden)". Nu antwoordt hij: "Ik verkondig ulieden de ware God (Gr. Theos, God), Dien gij niet kennende dient". Aldus pleit hij zich "niet schuldig" op hun beschuldiging van het introduceren van "vreemde goden".

Hoe delicaat en toch hoe vrijmoedig, verwijst de apostel naar de afgoderij waarmee hij wordt omringd. Hij gebruikt zelfs een inscriptie op hun altaar als tekst! Dit altaar - waarvan oude schrijvers zeggen dat er meerdere waren - bracht duidelijk het gevoel van onzekerheid naar voren, dat de gedachten van de heidenen noodzakelijkerwijze beheerste. Instinctief de beperktheid van hun ijdele godsdienst kennende (Zie Rom.1:19-21), en proberend de toorn van enig god, of van onbekende en niet erkende goden te ontgaan, richtten zij dit altaar op, opdat geen god hen zou straffen wegens het nalaten van hem te aanbidden. Dit erkennend en voordeel trekkend uit het feit dat zij dit altaar aan de onbekende Theos gewijd hadden, verklaarde Paulus: "Hem verkondig ik ulieden."

Voortgaande op deze stelling verkondigt de apostel zijn toehoorders de God, Die de wereld (het geordende universum) gemaakt heeft en alles wat daarin is. Paulus besteedde geen moment om de philosofen te bewijzen dat God bestaat, of dat Hij het universum schiep, of zelfs dat Hij daarvan God is. Hij stelt dit alles: "De God, Die het universum gemaakt heeft...zijnde een Here des hemels en der aarde..."

Hij kon zeer goed deze positie innemen. Zij hadden erkend dat zij Hem niet kenden; Paulus kon met gezag zeggen dat hij dit wel deed. Bovendien besefte de apostel goed, dat hun afgoderij een uiting was hun verwerping van het licht, dat God hun had gegeven. Zij waren, net als de heidenen elders, schuldig aan "ten onder houden", of onderdrukken van "de waarheid in ongerechtigheid" (Rom.1:18).

"Overmits hetgeen van God kennelijk is, in hen openbaar is; want God heeft het hun geopenbaard.

"Want Zijn onzienlijke dingen**/[ii] worden van de schepping der wereld aan uit de schepselen verstaan en doorzien, beide Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid, OPDAT ZIJ NIET TE VERONTSCHULDIGEN ZOUDEN ZIJN" (Rom.1:19,20).

Zo handelde de apostel in één korte zin af met de Stoïcijnen, die beweerden dat het universum God was, en met de Epicureërs, die veronderstelden, dat welke goden er ook mochten bestaan, zij te ver weg waren om zich bezig te houden met deze planeet. En terwijl hij tactvol de afgoderij bestraft waarmee beiden zich inlaten, gaat hij door met aan te wijzen, dat God het universum geschapen heeft en daarvan de Here is, en "dat Hij niet woont in tempelen met handen gemaakt; en wordt ook van mensenhanden niet gediend als iets behoevende, alzo Hij Zelf allen het leven en den adem en alle dingen geeft" (V.24,25; cf. Ps.50:7-15).

Hier gebruikt Paulus enige argumenten en enkele juiste woorden, die Stefanus had gebezigd ter verdediging in het Sanhedrin, die Paulus zelf, toen nog Saulus, ongetwijfeld had gehoord (Hand.7:48-50). Het is opvallend, dat het nodig was om de leiders van Israel dezelfde dingen te zeggen als deze heidense philosofen. Zij hadden de les die David geleerd had gemist (Ps.51:16,17), ziende op de tempel en altaars en offers als zijnde heilig. Toch was juist de bedoeling van de bedeling van Mozes geweest om hun te laten zien, dat niet alleen de morele wet, maar de ceremoniële wet niet in staat was de zondaar te redden (Hebr.10:4). Maar indien goddelijk verordineerde offers in zichzelf geen kracht hadden om te redden, hoeveel minder die offers, die de heidenen offerden voor hun eigen gekozen goden!

Zo toonde de apostel, met een door God gegeven combinatie van tact en vrijmoedigheid, de dwaasheid en zonde aan van hun afgoderij. Zijn argumenten moeten wel temeer indringend geweest zijn vanwege de plaats van de Areopagus. Want toen hij sprak vanaf de heuvel, met een open hemel boven hen, het schouwspel naar beneden, en de zee in de verte, moet alles gesproken hebben van de God die hij uitriep te zijn, de Schepper en Onderhouder van alles.

Het woord "bloed" in v.26, zoals in de Staten Vertaling, moet blijkbaar weggelaten worden, het staat ook niet in de N.B.G. De bedoeling is ongetwijfeld, dat van één mens God "het ganse geslacht der mensen" gemaakt heeft om te wonen "op den gehelen aardbodem", en het is een weerlegging van het Atheense begrip, dat verschillende volkeren zouden worden vertegenwoordigd door verschillende goden.

Hier is nog een van de stoptekens van de koninkrijks-boodschap en het koninkrijksprogramma die we gevonden hebben in Handelingen sinds de opwekking van Paulus. Onze Here ging in Zijn uitroepen van het koninkrijk nooit verder terug in de menselijke geschiedenis, dan tot David en Abraham. Dit was omdat de heidenen waren verworpen, en de vestiging van het Messiaanse koninkrijk gebaseerd was op beloften, gedaan aan deze twee aartsvaders. Vandaar dat de Nieuw Testamentische Geschriften openen met de woorden: "Het boek des geslachts van Jezus Christus, den Zoon van David, den zoon van Abraham."

"de laatste Adam" (1Cor.15:45-47). Hij toont aan, hoe "door één mens de zonde in de wereld ingekomen is" (Rom.5:12). Zelfs de kinderen van Abraham moeten erkennen dat zij ook kinderen van Adam zijn, zodat zij kunnen worden gered door Christus, niet als "de Koning van de Joden", maar als Degene die stierf voor allen.

"Want gelijk door de ongehoorzaamheid van dien énen mens velen tot zondaars gesteld zijn geworden, alzo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén velen tot rechtvaardigen gesteld worden (Rom.5:19).

Het feit dat alle "mensenvolken" afstammen van één, is echter niet bedoeld om het moderne idee van "één wereld" aan te moedigen, want de apostel gaat voort te zeggen, dat God niet slechts "de tijden tevoren geordineerd", i.c. de perioden van hun regering, maar ook "de bepalingen van hun woning" vaststelde (V.26 cf. Deut.32:8). Wat een bloedvergieten en chaos is het resultaat van het falen van de volken om dit feit vast te stellen!

Maar dit geschiedde op haar beurt, opdat "zij de Here zouden zoeken". Het was de volkeren niet toegestaan om zo lang als zij wensten te regeren, noch over zoveel land als zij maar wensten. God heeft van tevoren de duur en de grenzen van hun gouvernement vastgesteld, opdat zij hun afhankelijkheid van Hem zouden erkennen, Hem zouden "zoeken" en "tasten" om Hem te "vinden". Het is natuurlijk waar, dat "God heeft uit den hemel nedergezien op de mensenkinderen, om te zien of iemand verstandig ware, die God zocht", en dat de uitspraak was: "er is niemand die goed doet, ook niet één (Ps.53:2,3; Rom.3:11). Maar dit verandert niets aan het feit, dat zij zo zouden doen, en schuldig zijn wegens het niet zo doen.

Dit was natuurlijk een weerlegging van de Stoïcijnse philosofie dat het universum, met inbegrip van de mens, God was. Maar weer komen de Epicureërs aan met hun aandeel, als de apostel zich haast om toe te voegen: "hoewel Hij niet ver is van een iegelijk van ons, want in Hem leven wij en bewegen ons en zijn wij" (V.27,28). En om dit feit aan hen te bewijzen citeert hij één van hun eigen dichters, die gezegd heeft: "Want wij zijn ook Zijn geslacht"  Paulus ondersteunt natuurlijk niet de valse leer van "het Vaderschap van God en broederschap van mensen" hier, want hij spreekt niet over regeneratie, maar over creatie (Gen.1:26,27; Luk.3:38), en gaat voort te concluderen:

"Wij dan zijnde Gods geslacht, moeten niet menen, dat de Godheid goud of zilver of steen gelijk is, welke door menselijke kunst en bedenking gesneden zijn" (V.29).

Dit was een terechtwijzing aan beiden, Stoïcijnen en Epicureërs. Zijn argument was, dat indien wij, levende, rationele, zedelijke wezens, Zijn nazaten zijn, we niet moeten veronderstellen, dat Hij Zelf gelijk is aan gewone afgoden, gemaakt van goud of zilver of steen. Dit alles moet geweldig indrukwekkend geweest zijn, omringd zoals zij waren door de valse en vergankelijke glorie van hun afgoden, en de grotere heerlijkheid van de schepping boven en rondom hen.

Wat was het een blijk van de geestelijke blindheid van de Atheners, en wat een verwijt aan hun opgeblazen rijkdom, dat Paulus hun zelfs het ABC van de theologie moest leren; dat er één ware God was, dat Hij de Schepper en Onderhouder van alles was, etc. Met al hun hoogdravende philosofen en hun beroemde leerscholen waren zij toch nog bijgelovige afgodendienaars, ver van het begrip aangaande welke God te aanbidden, en dat hun stad een waar Babel van religeuse verwarring was. Zij waren geestelijk niet verder gekomen dan de heidenen in Lystra (Hand.14:11-18).

NADRUK OP HUN VERANTWOORDELIJKHEID

Maar Paulus' bedoeling was niet slechts om zijn toehoorders te waarschuwen. Hij wilde hen overtuigen van hun verantwoording tegenover de ene ware God, dien zij "aanbaden" als één tussen velen, en dan "onbekend". Hij wilde hen tonen, dat zij aan Hem rekenschap moesten afleggen voor hun afgoderij en zonde, en wilde hun dan Christus prediken.

De verklaring "God, de tijden der onwetendheid overgezien hebbende" (V.30) betekent niet, dat tot die tijd de heidenen voor God niet verantwoordelijk waren. De eigen woorden van de apostel in Rom.1:18-32 maken het te duidelijk, dat hij hen werkelijk verantwoordelijk stelde. De Oud Testamentische Geschriften geven eveneens overvloedig getuigenis, dat God afgoderij nimmer als onschuldig beschouwde, noch de zonden die daar het gevolg van waren. Wat Paulus bedoelde was eenvoudig, dat tot hiertoe God aan de afgoderij van de heidenwereld voorbij was gegaan, zonder te straffen, alsof Hij dit niet zag.

Maar nu zegt de apostel, Hij verkondigt nu allen mensen alom dat zij zich bekeren. Daarom dat Hij een dag gesteld heeft, op welken Hij den aardbodem rechtvaardiglijk zal oordelen door een Man, Dien Hij daartoe geordineerd heeft, verzekering daarvan doende aan allen, dewijl Hij Hem uit de doden opgewekt heeft" (V.30,31).

Sommigen hebben uit deze passage geconcludeerd, dat Paulus, net als eerder Petrus, in de eerste plaats gezonden was om bekering te verkondigen. Dit is een vergissing.

Het woord bekering (Gr. metanoeo) wordt niet minder dan een en dertig maal in de Evangeliën en eerdere Handelingen gevonden. Bovendien wordt ons duidelijk verteld, dat bekering met het oog op de nabije komst van het koninkrijk, het thema was van de boodschap, verkondigd door Johannes de Doper, Christus, en de twaalven (Matt.3:1,2; 4:17; Mark.6:7,12; Luk.24:47). In vergelijking vinden we het woord slechts vijf maal gebruikt door Paulus in Handelingen, en in twee van deze gevallen verwijst hij naar wat Johannes de Doper gepredikt had aan Israel (Hand.13:24; 19:4). Dan vinden we in alle brieven van Paulus het woord slechts zeven maal (met inbegrip van de Hebreënbrief, waar het driemaal wordt gebruikt) en weer hebben verschillende van deze gevallen geen connectie met de boodschap die Paulus predikte.

Omdat het woord metanoeo een volstrekte verandering van denken betekent, is het duidelijk dat elke ongelovige die een gelovige wordt, procesmatig wordt bekeerd. Toch is het ook duidelijk uit het bovenstaande, dat de nadruk in de boodschap van Johannes de Doper, Christus, en de twaalven, lag op bekering, terwijl dit niet het geval was bij Paulus. Een onderzoek van het latere deel van Handelingen en van zijn brieven, zal openbaren dat de nadruk in zijn boodschap lag op genade, toegeëigend door geloof.

Dit is toeëigening, want volgens "het evangelie van het koninkrijk" moest Israel zich bekeren van haar afvalligheid en Christus accepteren als Koning, en de heidenen moesten zich bekeren van hun afgoderij en Hem als Koning aanvaarden. Maar onder de bedeling die Paulus tussenvoegde, zijn beiden, Jood en heiden, besloten onder zonde, en Christus wordt aangediend als de Ene die stierf, opdat zij zouden worden "gerechtvaardigd door Zijn genade". Zo ligt de nadruk dus op de genade, toegeëigend door geloof.

Wij herhalen echter, dat het een kwestie van benadrukken is, voor iedere, uiteraard bekeerde zondaar, die gelooft. En ook hier, waar Paulus omringd door de voormannen der afgoderij, en hun verkondigd had de ene ware God, is het niet vreemd, dat hij oproept tot verandering van hart en gedachten. Evenmin wijst dit alles erop dat hij dezelfde boodschap verkondigde die Petrus en de twaalven hadden. Juist dienen meerdere verschillen te worden opgemerkt:

1.Zij waren speciaal geinstrueerd om bekering te prediken, "eerst aan de Jood" (Luk.24:47), terwijl Paulus hier haar relatie aantoont met "alle mensen overal".

2.Zij waren gezonden om bekering en doop tot vergeving van zonden te prediken (Mark.16:16; Hand.2:38), terwijl Paulus hier geen waterdoop noemt, en inderdaad in 1Cor.1:17 stelt, dat hij niet gezonden was om te dopen.

3.Paulus bracht hier duidelijk bekering en oordeel als achtergrond voor de genade, die hij verkondigd zou hebben, als het hem toegestaan was om door te gaan. Dit was weer een

onderbroken toespraak uit het boek Handelingen.

Er dan aan vast te houden dat bekering geen plaats heeft in de Paulinische boodschap is onbegrip voor de aard van bekering. Maar aan de andere kant, bekering prediken, eerder dan genade, is onbekendheid tonen met de boodschap, die de opgestane, opgevaren Here, aan Paulus en aan ons heeft opgedragen.

Zoals we reeds gezegd hebben, beantwoordde Paulus de voormannen van de afgoderij. Heel natuurlijk zou hij in zo'n geval een beroep op hen doen tot bekering om zich tot de ware God te keren (Cf. 1Thess.1:9). En vanzelfsprekend zou hij instemmen met wat Petrus had gezegd met betrekking tot de opstanding van onze Here om "de wereld te oordelen in gerechtigheid."

Maar dit was niet alles wat hij wenste te zeggen. Nu probeerde hij te onderzoeken, en hun gewetens aan te spreken. "God beveelt alle mensen overal, te bekeren." Het was geen zaak van menselijke opinie, zoals de Atheners geneigd waren te beweren, maar van morele verantwoordelijkheid. En het was in hun belang om zonder uitstel tot God te keren, omdat Hij een dag had vastgesteld waarop de wereld zal worden geoordeeld in gerechtigheid, door Christus, die Hij had opgewekt uit de doden ter "verzekering" van dit feit.

PAULUS' TOESPRAAK ONDERBROKEN

Bij Paulus' noemen van de opstanding, werd zijn toespraak onderbroken. Sommigen begonnen te spotten, terwijl anderen, meer politiek, zeiden: "Wij zullen u wederom hiervan horen" (V.32). Dit sluit opnieuw in, dat Paulus niet zichzelf verdedigde in een formeel verhoor en toont verder aan, dat zijn toehoorders klaarblijkelijk tot de conclusie gekomen waren, dat er niet voldoende oorzaak bestond om zo'n verhoor af te nemen. Tevreden met hun eigen heidense geloven, hadden zij geen aandacht om hem verder aan te horen.

"En alzo is Paulus uit het midden van hen weggegaan." Zijn pogingen waren niet helemaal tevergeefs geweest, want er waren "sommigen" die geloofden; onder hen was een vrouw (klaarblijkelijk een voorname), genaamd Damaris, en één van de Areopagieten zelf, genaamd Dionysius. Over het algemeen echter hadden de Atheners bewezen dat zij niet de waarlijk groten van die tijd waren. Zij glorieërden, maar in hun schande. De nederige Bereërs staken met hoofd en schouders boven hen uit.

Hoe lang Paulus hierna in Athene bleef is niet bekend, maar het was waarschijnlijk hierna, dat Timotheus arriveerde met nieuws uit Thessalonica, en weer terug gezonden werd om hen te bemoedigen en te bevestigen.

FAALDE PAULUS TE ATHENE?

Zekere theologen hebben Paulus bekritizeerd wegens falen om de weg van redding aan te tonen in zijn toespraak op de Areopagus. Er dient echter herinnerd te worden, dat hij naar de Areopagus gebracht werd vanwege zijn prediking van "Jezus, en de opstanding" (V.18), en het is ondenkbaar, dat hij niet redding door Christus verkondigd zou hebben, als het hem veroorloofd geweest was zijn toespraak te beëindigen.

Zijn toespraak voor de philosofen in Athene was in feite een meesterstuk van God-geschonken wijsheid en geestelijke kracht. De waardigheid en ernst van zijn manieren, zijn verstandig gebruik van plaatselijke omstandigheden, zijn bijzondere combinatie van voorzichtigheid en vrijmoedigheid, de krachtige manier waarop hij menselijke philosofie ontmoette met goddelijke openbaring, de tactvolle, ook onderhoudende wijze waarop hij zijn hoorders als onwetende afgodendienaars tentoonstelde, hun gewetens onderzoekend, hen waarschuwend voor oordeel en hen oproepend tot bekering en omkeer naar God.

De uitstekende manier waarop hij wees op het getuigenis van de schepping door hun dichters aan te halen, die enkele van de waarheden die hij verkondigde erkenden, en zelfs de inscriptie gebruikend op hun altaar als zijn tekst, daarmee antwoord gevend op atheïsme, polytheïsme, pantheïsme, agnosticisme, materialisme en fatalisme, alles in de loop van enige ogenblikken - dit alles kenmerkt zijn onderbroken toespraak op de heuvel van Mars. Werkelijk "een speech passend bij zo'n plaats, zo'n spreker en zo'n auditorium." 


[i].*/Voetnoot: Een van hen schijnt gedurende Paulus' verblijf te Athene gered te zijn (V.34).

[ii].**/Voetnoot: "onzienlijke dingen" is in het Grieks poyeema, waarvan ons woord poëzie is afgeleid, en betekent de harmonie van de schepping

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011