"En
door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te
Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was."En Paulus, gelijk
hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met
hen uit de Schriften."Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat
de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de
Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondig.
"En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas
toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de
voornaamste vrouwen niet weinige. "Maar de Joden die ongehoorzaam
waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de
marktboeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad;
en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te
brengen."En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige
broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer
hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;"Welke Jason in zijn huis
genomen heeft; en al dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende dat
er een andere Koning is, namelijk ene Jezus. "En zij beroerden de
schare en de oversten der stad, die dit hoorden. "Doch als zij van
Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen
gaan."
- Hand.17:1-9.
VELE GRIEKEN GELOVEN
Vanuit
Philippi trokken Paulus en Silas langs de grote Romeinse heerbaan naar het
westen, en kwamen in Thessalonica, nu bekend als Saloniki, gelegen aan de
Aegeïsche Zee, op een afstand van ongeveer honderd mijl. Zij stopten niet
om te evangeliseren in Amfipolis en Apollonia, twee steden onderweg,
ongetwijfeld besluitend dat de ene kon worden bereikt door Philippi, en de
andere door Thessalonica, een bevolkingscentrum van waaruit het evangelie
wijd kon worden verkondigd. Inderdaad wordt ons later vermeld, dat vanuit
Thessalonica "het Woord des Heren" in feite alom "luidbaar
is geworden", in geheel "Macedonië en Achaje"
(1Thess.1:8).
Verder
was er in Thessalonica een synagoge, en het was nog steeds Paulus'
gewoonte om allereerst zulke plaatsen te bezoeken. Dit ongetwijfeld,
gedeeltelijk, omdat de Joden, die in de ware God geloven, en om zich heen
proselieten en belang-stellende heidenen verzameld hebben, hem een goed
startpunt verschaften van waaruit Christus kon worden verkondigd. Maar in
Gods programma was er nog een belangrijke reden; Israel als volk, had
Christus afgewezen en was reeds terzijde gesteld, waarmee het Messiaans
koninkrijk verschoven werd naar een later tijdstip. En tans, nu Paulus
"ver tot de heidenen" gezonden was, ging hij nog steeds
"eerst naar de Jood", niet met het oog op de vestiging van het
koninkrijk, maar opdat de Joden van Jeruzalem tot Rome toe, geen excuus
zou worden gelaten voor wat betreft hun verwerping van Christus, als hij
uitlegt: "Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en
enigen uit hen behouden mocht" (Rom.11:14). Het verslag van deze
feiten is in overeenstemming met de aard en het doel van het Boek
Handelingen. Wij dienen ons te herinneren, dat dit niet de
geschiedenis van "de geboorte en de groei" van de Kerk van deze
bedeling betreft, maar eerder een relaas is van de val van Israel, en om
te verklaren waarom redding tot de heidenen werd gezonden, los van haar
bemiddeling.
Want
"drie sabbatten lang handelde de apostel uit de Schriften" met
de Joden te Thessalonica. Dat hij dat uitgebreid voor zo'n lange tijd
mocht, wijst erop welk respect zij gehad moeten hebben voor zijn karakter,
zijn capaciteit, en zijn ernstige welsprekendheid. Moderne evangelisten,
die hun toehoorders een minimum aan licht uit het Woord en een maximum aan
entertainment geven, moeten hier eens op letten, en dienen ook de
verbazingwekkende resultaten van Paulus' korte bediening in Thessalonica
op te merken.
Wat
Paulus
predikte in Thessalonica dient hier ook te worden opgemerkt. Sommigen
veronderstellen dat Paulus, omdat hij redeneert vanuit de (Oud
Testamentische) Geschriften, dezelfde boodschap verkondigd heeft als de
twaalven: "het evangelie van het koninkrijk" en "het
evangelie van de besnijdenis". Zij hebben Paulus' verwijzingen naar
de komst van Christus in zijn brieven aan de Thessalonicensen, om deze
visie te bevestigen.
Maar
er is geen aanwijzing dat Paulus het evangelie van het koninkrijk, of van
de besnijdenis ooit ook maar ergens gepredikt heeft. In Gal 2:7 bepaalt
hij met nadruk dat "het evangelie der besnijdenis" was opgelegd
aan Petrus, zoals "het evangelie van de onbesnedenheid"
aan hem was opgedragen. Ook staat er nergens, dat "het evangelie van
het koninkrijk" aan hem was opgedragen, of door hem gepredikt werd.
Door
"opening" (uitlegging) en "bewering" (Lett.
voorzetten, confrontatie, of het houden voor) dat Messias, overeenkomstig
de Schrift "moest lijden en weer opstaan", en dat de Jezus die
hij predikte de Messias was, toonde Paulus eenvoudig de identiteit
van Christus zo, dat zij ertoe zouden komen om hun vertrouwen in Hem te
stellen. Dit was het natuurlijk punt van contact, de logische plaats van
aanvang.
Dat
Paulus niet dezelfde boodschap verkondigde als de twaalven
verkondigden, is duidelijk uit de volgende feiten:
1.
Hij riep hen niet op om het aandeel van de volken in de dood van
Christus af te wijzen; een belangrijk onderdeel van de boodschap van de
twaalven (Zie Hand.2:23,36,38 en cf. Zach.12:10; 13:6).
2.
Hij boodt niet aan, hier, noch ergens anders, de
wederkomst van Christus en de vestiging van het koninkrijk, zoals de
twaalven dat gedaan hadden (Hand.3:19-21).
3.God
wist dat de mogelijkheid van Israels acceptatie van Christus en Zijn
koninkrijk reeds voorbij was. Vandaar de verwekking van Paulus om een
andere boodschap te verkondigen (Hand.8:1; 22:18; etc.).
4.De
bediening van Paulus, zowel in Handelingen als in zijn eerste brieven, is
uitgesproken verschillend van die van de twaalven (Hand.20:24;
Gal.1:11,12; 2:2,6-9, etc.).
In
dit gedeelte van Handelingen echter, zien we een overgang van het
oude programma naar het nieuwe. Het oude verdwijnt geleidelijk naarmate
het nieuwe plaats vindt. Het is dan ook volkomen natuurlijk, hier en
elders in het verslag van de Handelingen, Paulus bezig te vinden met Joden
te bewijzen aan de hand van de Schriften, dat "Jezus is de
Christus", opdat sommigen zouden mogen worden gewonnen tot geloof in
Hem, en dat zij die zich bij het volk voegen in hun weigering om dat te
doen, geheel zonder excuus zullen blijven als God doorgaat met het volk
terzijde te stellen. Dit is het waar hij moest beginnen, want als de Jezus
die gekruisigd werd, niet de Messias was, dan was Hij een
bedrieger, en zou zeker niet de Beschikker van genade zijn aan een
verloren wereld, evenmin het Hoofd van het Lichaam.
De
bediening van Paulus in Thessalonica was kort, maar als we aan het verslag
in Handelingen toelichting bijvoegen uit de brieven aan de
Thessalonicensen, kort daarna geschreven, krijgen we een beter idee ervan
hoeveel werd bereikt, en hoe zoveel kon worden bereikt in zo korte
tijd.
Lukas
informeert ons, door de Geest, dat "sommigen" van de Joden
"geloofden", of liever, werden overtuigd, en hun lot
verbonden met dat van Paulus en Silas, samen met "een grote
menigte" van "vrome", of godsdienstige Grieken, en
"niet weinige" van de voornaamste vrouwen in de stad, die,
klaarblijkelijk, tot deze categorie behoorden. Opnieuw hadden de heidenen
de Joden tot schaamte gebracht met "een grote menigte" van hen,
die zich tot de Here keerden, samen met "sommigen" van de Joden.
Maar in overeenstemming met het doel van Handelingen noemt Lukas niet de
nog grotere menigte heidenen, gewonnen voor de Here tijdens het korte
bezoek van Paulus aldaar.*/[i]
Uit Paulus' brieven aan de Thessalonicensen is het duidelijk, dat de
gemeente daar van het begin af hoofdzakelijk was samengesteld uit
bekeerden van afgoderij, eerder dan van Judaïsme, want hij
schrijft aan hen als diegenen die "van de afgoden tot God
bekeerd" waren (1Thess.1:9). Zeker vormden de bekeerde Joden in de
samenkomst een onbelangrijk gedeelte, want Paulus schrijft aan de
Thessalonicensen bijna alsof er geen Joden onder hen waren (Zie
1Thess.2:14).
Hoe
was daar zoveel tot stand gekomen in zo korte tijd? Was het omdat de
dingen toevallig zo gemakkelijk gingen voor hem in die periode? Nee, zeker
niet, er was veel tegenstand, maar de apostel was tot hen gekomen in de
kracht van de Geest onder betoning van zeldzame moed en genade.
Als
hij door inspiratie schrijft, herinnert de apostel hoe: "Ons
evangelie onder u niet alleen in woorden is geweest, maar ook in kracht,
en in de Heilige Geest, en in veel verzekerdheid...Maar hoewel wij tevoren
geleden hebben, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet te
Philippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onze God, om
het evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd" (1Thess.1:5;
2:2). En ook waren de Thessalonische gelovigen van het begin af met lijden
geconfronteerd, want de apostel schrijft, dat zij "het Woord
aangenomen hebben in veel verdrukking" en, zoals gewoonlijk, "met
blijdschap des Heiligen Geestes" (1Thess.1:6, cf. 2:14).
Maar
jonge en aangevochten gelovigen konden nauwelijks grotere menselijke steun
gehad hebben, dan de Thessalonicensen ontvingen van Paulus en Silas
gedurende hun verblijf aldaar. Opnieuw brengt de apostel, door goddelijke
inspiratie en niet door geestelijke hoogmoed, hen te binnen: "gelijk
gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil" (1Thess.1:5),
de Thessalonisensen eraan herinnerend hoe hij en Silas niet met hen
gehandeld hebben uit "verleiding", noch uit
"onreinheid", noch "met bedrog", maar als mannen,
belast met een heilige opdracht (2:3,4). Ook hebben zij nimmer
"pluimstrijkende woorden" gebruikt, of "enig bedeksel van
gierigheid"; noch hebben zij "eer uit mensen" gezocht,
hoewel zij "als apostelen van Christus" de Thessalonicensen
"tot last konden zijn" (2:5,6). Eerder waren zij
"vriendelijk" onder deze babies in Christus, "zoals een
voedster haar kinderen koestert". Hen "zeer genegen zijnde"
hebben de apostelen hen "gaarne willen mededelen niet alleen het
evangelie Gods, maar ook hun eigen zielen" (2:7,8).
Het
detail wat ons wellicht het meest verbaasd is, dat bij zo'n kort bezoek
van de apostel hier, met zoveel werk belast, hij toch nog dagelijks
handwerk verricht, zodat hij hen niet behoeft aan te spreken voor
ondersteuning. "Want gij gedenkt", zegt hij, "onze
arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u
zouden lastig zijn, hebben wij het evangelie Gods onder u gepredikt" (2:9).
Tenslotte
kon de apostel hen tot getuigenis oproepen: "hoe heiliglijk en
rechtvaardiglijk en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn"
en "hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen,
vermaanden en vertroostten. En betuigden, dat gij zoudt wandelen
waardiglijk Gode" (2:10-12).
Hoe
kon zo'n bediening nalaten vruchten voort te brengen? En dat deed
zij ook. Zij bracht vruchten voort, oneindig uitgebreider en blijvender
dan alle oppervlakkige, frivole "evangelisatie" in onze tijden.
De
apostel zegt zelf: "Want gij weet zelven, broeders, onze ingang
tot u, dat die niet ijdel is geweest...Want...als gij het woord der
prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij het aangenomen hebt niet als
der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook
werkt in u, die gelooft" (1Thess.2:1,13). En de Thessalonische
gelovigen, op hun beurt, waren gewoon de boodschap wijd en zijd te
verbreiden, want, "van u is het Woord des Heren luidbaar geworden
niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw
geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan" (1Thess.1:8).
Geen
wonder, dat de apostel "God altijd over (hen) allen dankt"!
(1Thess.1:2). Geen wonder, dat hij uitroept: "Wat
dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven...voor u!" (3:9).
Geen wonder, dat hij hen noemt zijn "heerlijkheid en
blijdschap!" (2:20).
DE JODEN RUIEN OP TOT VERVOLGING
Aansluitend
op de tegenstand die zij hadden verwekt vanaf het begin, werd nu een
vervolging opgeroepen, die Paulus en Silas zou dwingen Thessalonica onder
bescherming van het duister te verlaten.
De
Joden, jaloers op Paulus' succes in het winnen van zovelen voor de
Christus die zij hadden verworpen, nemen weer hun toevlucht tot valse
methoden om zijn bediening te dwarsbomen. Bevreesd om onder de heidenen
hun vijandschap een Joods stempel te geven, jagen zij de heidenen tegen de
apostelen op, net als de Joden uit Antiochië en Ikonium gadaan hadden in
Lystra (Hand.14:19). Hier echter gaan ze nog gemener te werk dan de Joden
in Lystra, want zij nemen enkele mannen van minder allooi, maakten een
oploop en veroorzaakten oproer, en vielen het huis van Jason aan, waar
Paulus en Silas kennelijk verblijf hadden, en trachtten hen voor het volk
te brengen (17:5). Toen zij daar echter niet in slaagden, sleepten zij
Jason en enige van de andere broeders mee naar de stadsbestuurders,
roepend: "Dezen, die de wereld in roer(op zijn kop) hebben
gesteld, zijn ook hier gekomen!" (V.6). Dit was een waar
compliment. We zouden wel willen dat het van ons gezegd kon worden, want
de wereld is waarlijk onderste boven!
Toch
was de aanklacht zoals zij die bedoelden niet waar, en ook was het
niet waar, dat Paulus en zijn helpers de decreten van de Keizer hadden
overtreden of probeerden oproer te maken (V.7). Maar de Joden hadden die
aanklacht naar voren gebracht, die in het wereldwijde Romeinse Keizerrijk
altijd direct de aandacht had van de magistraten, - die van verraad tegen
de Keizer. Dit was dezelfde valse aanklacht die tegen onze Here Zelf werd
uitgebracht voor Pilatus (Luk.23:2).
Tot
welke uitersten van onverdraagzaamheid en onrechtvaardigheid, kan
religieuse afgoderij mensen leiden! De Joden hadden oproer gemaakt,
en toch beschuldigden zij de Christenen ervan dit te hebben gedaan. Zij
zelf geloofden vanuit de Schriften dat Messias het koninkrijk van deze
wereld zou omverwerpen om over hen te regeren, en zij zouden de
eersten zijn om een koning te accepteren die Rome zou vernietigen, als hij
hun maar in hun zonden liet.
Toch bekennen zij hier trouw aan Caesar! Hun boosheid was veel bitterder
dan die van Paulus' heidense vervolgers in Philippi. Daar werd de blunder
spoedig hersteld, en wel in het openbaar. Maar hier ging de haat veel
dieper. Voordat het over was, achtervolgden de Joden van Thessalonica
inderdaad Paulus naar Berea om hem verder te vervolgen, net als de Joden
in Antiochië en Ikonium hem achtervolgd hadden tot Lystra.
Zowel
het volk in Thessalonica als hun bestuurders, hadden het moeilijk toen zij
deze dingen hoorden, net als "Herodus... geraakten zij van
streek...en heel Jeruzalem met hem", toen zij hoorden van een andere
"Koning der Joden" (Matt.2:2,3), want zowel het volk en de
bestuurders wisten, welk conflict er kon voortkomen uit een enkele
uitdaging van het gezag van Rome. De bestuurders hier echter toonden meer
terughoudendheid dan de militaire overheid in Philippi gedaan had, want om
"zekerheid", of borgtocht van Jason en de anderen, lieten zij
hen gaan.
Onder
de gegeven omstandigheden scheen het roekeloos voor de apostelen om in
Thessalonica te blijven, omdat juist hun aanwezigheid daar, de zaken
alleen maar meer zou opwinden. Verder was daar reeds een samenkomst van
enige afmeting ontstaan. Daarom zonden de broeders hen in de nacht weg
naar Berea, een kleine stad ongeveer veertig kilometer westelijker. Maar
het was niet gemakkelijk voor de apostelen om zo'n grote menigte gelovigen
te verlaten, die kortgeleden en zo volstrekt, tot Christus bekeerd waren.
Korte tijd later schreef hij over "van u beroofd geweest zijnde
voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart",
en over "te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht te zien,
met grote begeerte" (1Thess.2:17). En met betrekking tot het
goede nieuws van hun geloof en liefde, hem toegebracht door Timotheus,
schrijft de apostel:"Zo
zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost
geworden door uw geloof;
"Want
nu leven wij, indien gij vast staat in de Here" (1Thess.3:7,8).
En dat deden zij!
PAULUS' BEDIENING IN BEREA
"En
de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea;
welke daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden.
"En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het
Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de
Schriften, of deze dingen alzo waren. "Velen
dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen
niet weinige."Maar
als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea
van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen.
"Doch de broeders zonden toen van stonden aan Paulus weg, dat hij
ging als naar de zee; maar Silas en Timotheus bleven aldaar."En die
Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen
hadden aan Silas en Timotheus, dat zij op het spoedigste tot hem zouden
komen, vertrokken zij. Hand.17:10-15.
DE
EDELE BROEDERS IN BEREA
Het
reizen in de nacht was in de dagen van Paulus niet zo'n eenvoudige zaak
als nu, maar de apostel en zijn metgezel werden ertoe genoodzaakt, niet zo
zeer door de noodzaak om afstand te nemen tussen hen en hun vervolgers,
maar door hun behoefte om steeds verder het heidense gebied in te gaan met
het evangelie van Gods genade.
Niet
afgeschrokken door hun behandeling door de Joden te Thessalonica, gingen
de beide mannen weer naar de Joodse synagoge. Maar hier was de samenkomst
van Joden van een geheel ander karakter dan zij tot nu toe hadden ontdekt
of zouden ontdekken. Zij worden "edeler", dan wel
"toegenegen" genoemd (cf. 1Cor.1:26), maar het woord hier toont
die karakterkwaliteiten die
men verwachten mag bij mensen van hoge komaf: hoffelijkheid,
edelmoedigheid, vrij van dweepzucht, etc. Inderdaad verklaart deze
passage, dat zij die kwaliteiten bezaten van ware geestelijke voornaamheid
die hen deed behoren tot de geestelijke aristocratie van hun dagen.
Velen
die deze passage telkens overgelezen hebben, blijven beweren dat de Bereërs
"edel" genoemd werden omdat zij "de Schriften onderzochten
of deze dingen alzo waren". Dit laatste is ook waar, maar het is niet
de hele waarheid. De Schrift geeft ons een tweevoudige reden:
1.
"Zij ontvingen het woord (dat Paulus predikte) met alle
toegenegenheid."
2.
Zij "onderzochten de Schriften dagelijks, of deze dingen alzo
waren."
De
Bereërs waren open van gedachten. Dit is de eerste les die wij van hen
moeten leren. Om deze eigenschap in hen te waarderen, dienen we ons te
herinneren dat zij Joden waren, die elkander iedere Sabbatdag in de
synagoge ontmoetten. Sommige van de zaken die Paulus hen verkondigde
moeten hen vreemd hebben geschenen, zo niet ongelofelijk en onmogelijk.
Toch, toen zij met opengevallen mond luisterden, stonden ook hun gedachten
open. Zij schudden hun hoofden niet afkeurend, of achtten Paulus'
boodschap geen onderzoek waard omdat deze niet strookte met wat zij hun
hele leven lang gehoord hadden. Zij waren voldoende geestelijk om hem
ernstig en geinterresseerd aandacht te schenken.
Hier
staken de Joden van Thessalonica ongunstig bij af. "Deze waren edeler
dan die in Thessalonica", waar Paulus gedurende drie sabbatdagen met
mannen gesproken had, die niet wilden luisteren, totdat zij tot vervolging
tegen hem opriepen, en hij genoodzaakt werd weg te gaan.
Hoe
pijnlijk nodig heeft de belijdende Kerk vandaag deze les! Zovelen onder
Gods kinderen, ja, zelfs onder hun leiders, ontbreekt deze kwaliteit van
ware geestelijke grootheid. Hun eerste gedachte is eerder confirmatie met
aangenomen geloofspunten, dan confirmatie met het geschreven Woord van
God. Hun verlangen op goede voet te staan met de populaire leiders is
groter dan hun verlangen om de waarheid te kennen en bekend te maken. Zij
zijn liever orthodox dan Schriftuurlijk.
Wij
moeten niet denken dat de Joden in Berea zich gemakkelijk lieten bedotten,
of hun grootmoedigheid verkeerd uitleggen als onnozelheid. Als zij
grootmoedig waren, waren zij ook nauwgezet. Zij waren niet willig om wat
Paulus zei aan te nemen omdat hij het zei. Zij luisterden wel en
overwogen, maar wilden niet toegeven zonder werkelijke ervaring vanuit de
Schriften, dat de waarheid gesproken werd. Paulus' woorden moesten
ondergeschikt zijn aan Gods Woord. Dit was nogeens een teken van hun ware
geestelijke grootheid.
Stel
eens voor: Een echtgenoot komt thuis en zegt, dat hij vreemde dingen
gehoord heeft in de synagoge uit de mond van een bezoekende rabbi. Hij
pakt de heilige geschriften en begint intens te onderzoeken. De rest van
de sabbatdag vinden we hem begraven onder en peinzende over de geschriften
van de profeten. En niet alleen die dag, maar hij gaat dag aan dag door
met het onderzoeken. Staat 's morgens vroeg op en haast zich in de avond
naar huis vanuit zijn werk, legt alle minder belangrijke zaken opzij, en
zoekt onvermoeibaar tot hij er zeker van is dat hij de Waarheid van God
ziet. En hij is nog maar één van zijnsgelijken in die Berease synagoge.
Wat
zal God verblijd zijn over deze Schrift-lievende, Bijbel-respecterende
groep! Zij, en niet de populaire leiders, waren de waarlijk groten in
Israel. Oh, mochten er meer van zulke samenkomsten heden ten dage gevonden
worden!
In
vergelijking hiermee vertonen zich de Joden in Thessalonica armelijk. Zij
zijn er zelfs nooit toe gekomen Paulus' boodschap in het licht van de
Schriften te onderzoeken, want zij gunden hem in de eerste plaats niet
eens een rechtmatig verweer.
En
hier is nog een vreemde tegenstelling. Zij die licht afwijzen en zelfs
weigeren de Schriften te onderzoeken om te zien of deze dingen zo zijn,
staan echter wel direct klaar om zonder navraag, te accepteren wat hun
"orthodoxe" leiders hun geleerd hebben. Zij staan argwanend
tegenover andere leraars, en toch zo lichtgelovig ten opzichte van de
eigene.
Wat
een verwijt aan Rome is deze passage met haar bemoediging tot individueel,
persoonlijk Bijbelonderzoek. De Bereanen waren geen slaven van hun eigen
religieuse vooroordelen, noch zouden zij, aan de andere kant, het woord
van zelfs de grootste Godsmannen accepteren, zonder het aan een
persoonlijk onderzoek te onderwerpen in het licht van de Schriften - en
hierdoor werden zij aanbevolen.
Indien
er iets is dat deze passage ons leert, dan is het dat iedere gelovige
verantwoordelijk is om zelfs de beste lering in het licht der Schriften te
onderzoeken. Ook dat elke leraar zal dienen te verwachten, dat zijn
leringen getoetst worden en God danken voor hen die dit doen. Inderdaad is
het een teken van gebrek aan geestelijke grootheid, wanneer Godsmannen
onderzoek van hun leer aan de hand van de Schrift door hun toehoorders,
afwijzen.
De
zuiverheid van de Kerk, gezien naar de leer, hangt niet af van de
acceptatie van de dogmas van de Kerk, maar van de handhaving van de geest
van Berea onder Gods volk. De Bereërs waren niet tevreden met af en toe
een beetje vroom lezen. Zij onderzochten dagelijks de Schriften, net als
de "welzalige man" van Psalm 1:2. Laat ons niet nalaten ook zo
te zijn! Laat ons niet nalaten onze kinderen te trainen om eveneens zo te
doen, opdat wij, en ook zij, terecht een plaats verdienen onder de
geestelijke aristocratie van onze dagen.
Nog
een woord moet hier worden toegevoegd over het gehalte van Paulus'
prediking in Berea. Het feit, dat zij "de Schriften
onderzochten" om na te gaan, toont niet aan, zoals sommigen
veronderstellen, dat hij niet "het evangelie van Gods genade"
gepredikt heeft, of Christus verkondigd heeft "overeenkomstig de
openbaring van het geheimenis" zover als hij dit wist. Want omdat de
Oud Testamentische Geschriften deze waarheden inderdaad niet leren,
bevestigen zij deze wel. Het "gat" in de profetie is zeer zeker
een bevestiging van het later geopenbaarde geheimenis. Het bewijst, dat
God steeds het "eeuwig doel" voor ogen had. Zo is er ook geen
enkel woord in het Oude Testament te vinden dat er op wijst, dat de
tabernakel en haar inrichting, de priesterschap, de feesten van Jehovah,
etc. typen zijn van Christus en het voldoende zijn van Zijn volbrachte
werk. Maar in het licht van de openbaring aan Paulus vandaag, blijkt het
zo te zijn. Verder benadrukt Handelingen weer de Joodse kant van de
bediening van Paulus te Berea. Wanneer we het verslag in Handelingen
vergelijken met de brieven van Paulus, ontdekken we, dat hij werkelijk
aanhoudend zijn speciale boodschap verkondigde naarmate zij steeds voller
aan hem werd geopenbaard (Cf.Hand.15 met Gal.2; Hand.16:6 met de hele
Galatenbrief; Hand.17:2,3 met 1Thess.1:5, etc). Hij werd van het begin af
geroepen om "het evangelie van Gods genade" te verkondigen
(Hand.20:24). Deze heerlijke boodschap, niet verkondigd in het Oude
Testament, wordt uitvoerig door hem bevestigd.
Het
resultaat van de Schriftuurlijke, geestelijke opstelling van de Bereëse
Joden ten opzichte van Paulus' prediking was, dat "daardoor velen van
hen geloofden", als aanvulling van "niet weinige" Griekse
mannen en voorname vrouwen. Dit in vergelijking met de "sommige"
(Gr. zekere, weinige) Joden in Thessalonica (V.4,12). En wij mogen er
zeker van zijn, dat deze Bereëse gelovigen te sterker in het geloof
werden, omdat zij gestaan hebben op een verstandig, Schriftuurlijk
verstaan van het onderwerp. Zij bezaten niet alleen de "volle
verzekerdheid des geloofs" (Hebr.10:22), maar de "volle
verzekerdheid van het verstand" eveneens (Col.2:2). Aan de andere
kant is ongeloof gebaseerd op onwetendheid, dikwijls opzettelijke
onwetendheid, van het Woord. Thomas Paine's inleiding tot de Eeuw van de
Reden bevat de volgende woorden: "Ik had Bijbel noch Testament om
naar te verwijzen, hoewel ik schrijvend tegen beiden in ging, kon ik niets
opbrengen."
Hoelang
gingen Paulus en Silas door met te leren in Berea? Het feit dat de Bereërs
de predikingen van Paulus dagelijks onderzochten naar de Schriften schijnt
erop te wijzen, dat hij meer dan enkele dagen gebleven is. Uit 1 Thess.2:17,18
schijnt het, dat hij zich in de omstreken van Thessalonica enige tijd
heeft opgehouden, proberend "eenmaal en andermaal" hen opnieuw
te bezoeken, maar zonder succes. Logisch kan de plaats van verblijf voor
deze tijd ongetwijfeld Berea geweest zijn.
"Maar
als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea
door Paulus verkondigd werd", werd zijn bediening daar afgesneden,
want "zij kwamen ook daar en bewogen de scharen" (V.13). Hoe
bitter was wel hun vijandigheid in de vervolging van hem, en wat een
slechtheid bedreven zij door opnieuw anderen op te stoken tegen Paulus en
zijn boodschap, in plaats van zelf hem aan te spreken. Thessalonische
afgoderij hield niet alleen hen in geestelijke duisternis gevangen; het
had hen aangezet om alles te doen wat in hun macht was om anderen te
verhinderen heil te ontvangen.
Wat
een schande! Hadden zij soms geen Schriften?
Klaarblijkelijk
werd het gevaar voor Paulus' leven weer zo groot, dat het de broeders
nodig leek om hem onmiddellijk weg te zenden. Hijzelf was er meestal tegen
om te vluchten, zelfs in de grootste gevaren, maar zijn veiligheid was van
het hoogste belang terwille van het werk. Het is daarom, dat we vanaf het
begin, meerdere situaties aantreffen waarin "de broeders" hem
wegzenden (Zie Hand.9:25; 9:30; 17:10; 17:14).
De
term "dat hij ging als naar de zee" geeft waarschijnlijk geen
strategie aan, gebruikt om de achtervolgers te misleiden, maar eerder de
behoefte aan een onmiddelijk plan. De grote noodzaak nu was, Paulus weg te
krijgen uit Berea, en de verdere besluiten te nemen naar de gegeven
omstandigheden.
In
elk geval werden Silas en Timotheus in Berea achter gelaten om de
gelovigen daar te bemoedigen en te grondvesten. Enkele van de broeders
begeleidden Paulus tot Athene, een reis van bijna vierhonderd kilometers.
Hier schijnt de apostel, voor de eerste keer, geheel alleen te zijn
geweest.
Opgemerkt
dient te worden dat we geen brief van Paulus aan de Bereërs bezitten. Ook
geen vermelding van enige gemeente daar. Dit hoeft echter niet te
betekenen, dat de gemeente daar niet bloeide. In de loop van Paulus' grote
apostolische reizen werden vele kerken gevestigd waarvan we taal noch
teken vernemen.
[i].*/Voetnoot: Tenzij vers 4 zou
luiden "vrome personen en Grieken", zoals sommige
andere vertalers hebben. Deze vertalers echter worden klaarblijkelijk
beinvloed door de moeilijkheid, veroorzaakt door Lukas' nalaten de
bekeerde heidenen te noemen, waaruit de gemeente in hoofdzaak was
samengesteld, want deze weergave vindt weinig steun bij de andere
vertalers.