De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

   H O O F D S T U K  XXX  -  HAND. 17:1-15

GEMEENTEN GEVESTIGD TE THESSALONICA EN BEREA

PAULUS IN THESSALONICA

"En door Amfipolis en Apollonia hun weg genomen hebbende, kwamen zij te Thessalonica, alwaar een synagoge der Joden was."En Paulus, gelijk hij gewoon was, ging tot hen in, en drie sabbatten lang handelde hij met hen uit de Schriften."Dezelve openende, en voor ogen stellende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze Jezus is de Christus, Dien ik, zeide hij, ulieden verkondig. "En sommigen uit hen geloofden en werden Paulus en Silas toegevoegd, en van de godsdienstige Grieken een grote menigte, en van de voornaamste vrouwen niet weinige. "Maar de Joden die ongehoorzaam waren, dit benijdende, namen tot zich enige boze mannen uit de marktboeven, en maakten dat het volk te hoop liep, en beroerden de stad; en op het huis van Jason aanvallende, zochten zij hen tot het volk te brengen."En als zij hen niet vonden, trokken zij Jason en enige broeders voor de oversten der stad, roepende: Dezen, die de wereld in roer hebben gesteld, zijn ook hier gekomen;"Welke Jason in zijn huis genomen heeft; en al dezen doen tegen de geboden des keizers, zeggende dat er een andere Koning is, namelijk ene Jezus. "En zij beroerden de schare en de oversten der stad, die dit hoorden. "Doch als zij van Jason en de anderen vergenoeging ontvangen hadden, lieten zij hen gaan." - Hand.17:1-9.

           VELE GRIEKEN GELOVEN

 Vanuit Philippi trokken Paulus en Silas langs de grote Romeinse heerbaan naar het westen, en kwamen in Thessalonica, nu bekend als Saloniki, gelegen aan de Aegeïsche Zee, op een afstand van ongeveer honderd mijl. Zij stopten niet om te evangeliseren in Amfipolis en Apollonia, twee steden onderweg, ongetwijfeld besluitend dat de ene kon worden bereikt door Philippi, en de andere door Thessalonica, een bevolkingscentrum van waaruit het evangelie wijd kon worden verkondigd. Inderdaad wordt ons later vermeld, dat vanuit Thessalonica "het Woord des Heren" in feite alom "luidbaar is geworden", in geheel "Macedonië en Achaje" (1Thess.1:8).

Verder was er in Thessalonica een synagoge, en het was nog steeds Paulus' gewoonte om allereerst zulke plaatsen te bezoeken. Dit ongetwijfeld, gedeeltelijk, omdat de Joden, die in de ware God geloven, en om zich heen proselieten en belang-stellende heidenen verzameld hebben, hem een goed startpunt verschaften van waaruit Christus kon worden verkondigd. Maar in Gods programma was er nog een belangrijke reden; Israel als volk, had Christus afgewezen en was reeds terzijde gesteld, waarmee het Messiaans koninkrijk verschoven werd naar een later tijdstip. En tans, nu Paulus "ver tot de heidenen" gezonden was, ging hij nog steeds "eerst naar de Jood", niet met het oog op de vestiging van het koninkrijk, maar opdat de Joden van Jeruzalem tot Rome toe, geen excuus zou worden gelaten voor wat betreft hun verwerping van Christus, als hij uitlegt: "Of ik enigszins mijn vlees tot jaloersheid verwekken en enigen uit hen behouden mocht" (Rom.11:14). Het verslag van deze feiten is in overeenstemming met de aard en het doel van het Boek Handelingen. Wij dienen ons te herinneren, dat dit niet de geschiedenis van "de geboorte en de groei" van de Kerk van deze bedeling betreft, maar eerder een relaas is van de val van Israel, en om te verklaren waarom redding tot de heidenen werd gezonden, los van haar bemiddeling.

Want "drie sabbatten lang handelde de apostel uit de Schriften" met de Joden te Thessalonica. Dat hij dat uitgebreid voor zo'n lange tijd mocht, wijst erop welk respect zij gehad moeten hebben voor zijn karakter, zijn capaciteit, en zijn ernstige welsprekendheid. Moderne evangelisten, die hun toehoorders een minimum aan licht uit het Woord en een maximum aan entertainment geven, moeten hier eens op letten, en dienen ook de verbazingwekkende resultaten van Paulus' korte bediening in Thessalonica op te merken.

Wat Paulus predikte in Thessalonica dient hier ook te worden opgemerkt. Sommigen veronderstellen dat Paulus, omdat hij redeneert vanuit de (Oud Testamentische) Geschriften, dezelfde boodschap verkondigd heeft als de twaalven: "het evangelie van het koninkrijk" en "het evangelie van de besnijdenis". Zij hebben Paulus' verwijzingen naar de komst van Christus in zijn brieven aan de Thessalonicensen, om deze visie te bevestigen.

Maar er is geen aanwijzing dat Paulus het evangelie van het koninkrijk, of van de besnijdenis ooit ook maar ergens gepredikt heeft. In Gal 2:7 bepaalt hij met nadruk dat "het evangelie der besnijdenis" was opgelegd aan Petrus, zoals "het evangelie van de onbesnedenheid" aan hem was opgedragen. Ook staat er nergens, dat "het evangelie van het koninkrijk" aan hem was opgedragen, of door hem gepredikt werd.

Door "opening" (uitlegging) en "bewering" (Lett. voorzetten, confrontatie, of het houden voor) dat Messias, overeenkomstig de Schrift "moest lijden en weer opstaan", en dat de Jezus die hij predikte de Messias was, toonde Paulus eenvoudig de identiteit van Christus zo, dat zij ertoe zouden komen om hun vertrouwen in Hem te stellen. Dit was het natuurlijk punt van contact, de logische plaats van aanvang.

Dat Paulus niet dezelfde boodschap verkondigde als de twaalven verkondigden, is duidelijk uit de volgende feiten:

1.  Hij riep hen niet op om het aandeel van de volken in de dood van Christus af te wijzen; een belangrijk onderdeel van de boodschap van de twaalven (Zie Hand.2:23,36,38 en cf. Zach.12:10; 13:6).

2.  Hij boodt niet aan, hier, noch ergens anders, de wederkomst van Christus en de vestiging van het koninkrijk, zoals de twaalven dat gedaan hadden (Hand.3:19-21).

3.God wist dat de mogelijkheid van Israels acceptatie van Christus en Zijn koninkrijk reeds voorbij was. Vandaar de verwekking van Paulus om een andere boodschap te verkondigen (Hand.8:1; 22:18; etc.).

4.De bediening van Paulus, zowel in Handelingen als in zijn eerste brieven, is uitgesproken verschillend van die van de twaalven (Hand.20:24; Gal.1:11,12; 2:2,6-9, etc.).

In dit gedeelte van Handelingen echter, zien we een overgang van het oude programma naar het nieuwe. Het oude verdwijnt geleidelijk naarmate het nieuwe plaats vindt. Het is dan ook volkomen natuurlijk, hier en elders in het verslag van de Handelingen, Paulus bezig te vinden met Joden te bewijzen aan de hand van de Schriften, dat "Jezus is de Christus", opdat sommigen zouden mogen worden gewonnen tot geloof in Hem, en dat zij die zich bij het volk voegen in hun weigering om dat te doen, geheel zonder excuus zullen blijven als God doorgaat met het volk terzijde te stellen. Dit is het waar hij moest beginnen, want als de Jezus die gekruisigd werd, niet de Messias was, dan was Hij een bedrieger, en zou zeker niet de Beschikker van genade zijn aan een verloren wereld, evenmin het Hoofd van het Lichaam.

De bediening van Paulus in Thessalonica was kort, maar als we aan het verslag in Handelingen toelichting bijvoegen uit de brieven aan de Thessalonicensen, kort daarna geschreven, krijgen we een beter idee ervan hoeveel werd bereikt, en hoe zoveel kon worden bereikt in zo korte tijd.

Lukas informeert ons, door de Geest, dat "sommigen" van de Joden "geloofden", of liever, werden overtuigd, en hun lot verbonden met dat van Paulus en Silas, samen met "een grote menigte" van "vrome", of godsdienstige Grieken, en "niet weinige" van de voornaamste vrouwen in de stad, die, klaarblijkelijk, tot deze categorie behoorden. Opnieuw hadden de heidenen de Joden tot schaamte gebracht met "een grote menigte" van hen, die zich tot de Here keerden, samen met "sommigen" van de Joden. Maar in overeenstemming met het doel van Handelingen noemt Lukas niet de nog grotere menigte heidenen, gewonnen voor de Here tijdens het korte bezoek van Paulus aldaar.*/[i] Uit Paulus' brieven aan de Thessalonicensen is het duidelijk, dat de gemeente daar van het begin af hoofdzakelijk was samengesteld uit bekeerden van afgoderij, eerder dan van Judaïsme, want hij schrijft aan hen als diegenen die "van de afgoden tot God bekeerd" waren (1Thess.1:9). Zeker vormden de bekeerde Joden in de samenkomst een onbelangrijk gedeelte, want Paulus schrijft aan de Thessalonicensen bijna alsof er geen Joden onder hen waren (Zie 1Thess.2:14).

Hoe was daar zoveel tot stand gekomen in zo korte tijd? Was het omdat de dingen toevallig zo gemakkelijk gingen voor hem in die periode? Nee, zeker niet, er was veel tegenstand, maar de apostel was tot hen gekomen in de kracht van de Geest onder betoning van zeldzame moed en genade.

Als hij door inspiratie schrijft, herinnert de apostel hoe: "Ons evangelie onder u niet alleen in woorden is geweest, maar ook in kracht, en in de Heilige Geest, en in veel verzekerdheid...Maar hoewel wij tevoren geleden hebben, en ook ons smaadheid aangedaan was, gelijk gij weet te Philippi, zo hebben wij nochtans vrijmoedigheid gebruikt in onze God, om het evangelie Gods tot u te spreken in veel strijd" (1Thess.1:5; 2:2). En ook waren de Thessalonische gelovigen van het begin af met lijden geconfronteerd, want de apostel schrijft, dat zij "het Woord aangenomen hebben in veel verdrukking" en, zoals gewoonlijk, "met blijdschap des Heiligen Geestes" (1Thess.1:6, cf. 2:14).

Maar jonge en aangevochten gelovigen konden nauwelijks grotere menselijke steun gehad hebben, dan de Thessalonicensen ontvingen van Paulus en Silas gedurende hun verblijf aldaar. Opnieuw brengt de apostel, door goddelijke inspiratie en niet door geestelijke hoogmoed, hen te binnen: "gelijk gij weet, hoedanigen wij onder u geweest zijn om uwentwil" (1Thess.1:5), de Thessalonisensen eraan herinnerend hoe hij en Silas niet met hen gehandeld hebben uit "verleiding", noch uit "onreinheid", noch "met bedrog", maar als mannen, belast met een heilige opdracht (2:3,4). Ook hebben zij nimmer "pluimstrijkende woorden" gebruikt, of "enig bedeksel van gierigheid"; noch hebben zij "eer uit mensen" gezocht, hoewel zij "als apostelen van Christus" de Thessalonicensen "tot last konden zijn" (2:5,6). Eerder waren zij "vriendelijk" onder deze babies in Christus, "zoals een voedster haar kinderen koestert". Hen "zeer genegen zijnde" hebben de apostelen hen "gaarne willen mededelen niet alleen het evangelie Gods, maar ook hun eigen zielen" (2:7,8).

Het detail wat ons wellicht het meest verbaasd is, dat bij zo'n kort bezoek van de apostel hier, met zoveel werk belast, hij toch nog dagelijks handwerk verricht, zodat hij hen niet behoeft aan te spreken voor ondersteuning. "Want gij gedenkt", zegt hij, "onze arbeid en moeite; want nacht en dag werkende, opdat wij niemand onder u zouden lastig zijn, hebben wij het evangelie Gods onder u gepredikt" (2:9).

Tenslotte kon de apostel hen tot getuigenis oproepen: "hoe heiliglijk en rechtvaardiglijk en onberispelijk wij u, die gelooft, geweest zijn" en "hoe wij een iegelijk van u, als een vader zijn kinderen, vermaanden en vertroostten. En betuigden, dat gij zoudt wandelen waardiglijk Gode" (2:10-12).

Hoe kon zo'n bediening nalaten vruchten voort te brengen? En dat deed zij ook. Zij bracht vruchten voort, oneindig uitgebreider en blijvender dan alle oppervlakkige, frivole "evangelisatie" in onze tijden.

De apostel zegt zelf: "Want gij weet zelven, broeders, onze ingang tot u, dat die niet ijdel is geweest...Want...als gij het woord der prediking Gods van ons ontvangen hebt, gij het aangenomen hebt niet als der mensen woord, maar (gelijk het waarlijk is) als Gods Woord, dat ook werkt in u, die gelooft" (1Thess.2:1,13). En de Thessalonische gelovigen, op hun beurt, waren gewoon de boodschap wijd en zijd te verbreiden, want, "van u is het Woord des Heren luidbaar geworden niet alleen in Macedonië en Achaje, maar ook in alle plaatsen is uw geloof, dat gij op God hebt, uitgegaan" (1Thess.1:8).

Geen wonder, dat de apostel "God altijd over (hen) allen dankt"! (1Thess.1:2). Geen wonder, dat hij uitroept: "Wat dankzegging kunnen wij Gode tot vergelding wedergeven...voor u!" (3:9). Geen wonder, dat hij hen noemt zijn "heerlijkheid en blijdschap!" (2:20).

                DE JODEN RUIEN OP TOT VERVOLGING

Aansluitend op de tegenstand die zij hadden verwekt vanaf het begin, werd nu een vervolging opgeroepen, die Paulus en Silas zou dwingen Thessalonica onder bescherming van het duister te verlaten.

De Joden, jaloers op Paulus' succes in het winnen van zovelen voor de Christus die zij hadden verworpen, nemen weer hun toevlucht tot valse methoden om zijn bediening te dwarsbomen. Bevreesd om onder de heidenen hun vijandschap een Joods stempel te geven, jagen zij de heidenen tegen de apostelen op, net als de Joden uit Antiochië en Ikonium gadaan hadden in Lystra (Hand.14:19). Hier echter gaan ze nog gemener te werk dan de Joden in Lystra, want zij nemen enkele mannen van minder allooi, maakten een oploop en veroorzaakten oproer, en vielen het huis van Jason aan, waar Paulus en Silas kennelijk verblijf hadden, en trachtten hen voor het volk te brengen (17:5). Toen zij daar echter niet in slaagden, sleepten zij Jason en enige van de andere broeders mee naar de stadsbestuurders, roepend: "Dezen, die de wereld in roer(op zijn kop) hebben gesteld, zijn ook hier gekomen!" (V.6). Dit was een waar compliment. We zouden wel willen dat het van ons gezegd kon worden, want de wereld is waarlijk onderste boven!

Toch was de aanklacht zoals zij die bedoelden niet waar, en ook was het niet waar, dat Paulus en zijn helpers de decreten van de Keizer hadden overtreden of probeerden oproer te maken (V.7). Maar de Joden hadden die aanklacht naar voren gebracht, die in het wereldwijde Romeinse Keizerrijk altijd direct de aandacht had van de magistraten, - die van verraad tegen de Keizer. Dit was dezelfde valse aanklacht die tegen onze Here Zelf werd uitgebracht voor Pilatus (Luk.23:2).

Tot welke uitersten van onverdraagzaamheid en onrechtvaardigheid, kan religieuse afgoderij mensen leiden! De Joden hadden oproer gemaakt, en toch beschuldigden zij de Christenen ervan dit te hebben gedaan. Zij zelf geloofden vanuit de Schriften dat Messias het koninkrijk van deze wereld zou omverwerpen om over hen te regeren, en zij zouden de eersten zijn om een koning te accepteren die Rome zou vernietigen, als hij hun  maar in hun zonden liet. Toch bekennen zij hier trouw aan Caesar! Hun boosheid was veel bitterder dan die van Paulus' heidense vervolgers in Philippi. Daar werd de blunder spoedig hersteld, en wel in het openbaar. Maar hier ging de haat veel dieper. Voordat het over was, achtervolgden de Joden van Thessalonica inderdaad Paulus naar Berea om hem verder te vervolgen, net als de Joden in Antiochië en Ikonium hem achtervolgd hadden tot Lystra.

Zowel het volk in Thessalonica als hun bestuurders, hadden het moeilijk toen zij deze dingen hoorden, net als "Herodus... geraakten zij van streek...en heel Jeruzalem met hem", toen zij hoorden van een andere "Koning der Joden" (Matt.2:2,3), want zowel het volk en de bestuurders wisten, welk conflict er kon voortkomen uit een enkele uitdaging van het gezag van Rome. De bestuurders hier echter toonden meer terughoudendheid dan de militaire overheid in Philippi gedaan had, want om "zekerheid", of borgtocht van Jason en de anderen, lieten zij hen gaan.

Onder de gegeven omstandigheden scheen het roekeloos voor de apostelen om in Thessalonica te blijven, omdat juist hun aanwezigheid daar, de zaken alleen maar meer zou opwinden. Verder was daar reeds een samenkomst van enige afmeting ontstaan. Daarom zonden de broeders hen in de nacht weg naar Berea, een kleine stad ongeveer veertig kilometer westelijker. Maar het was niet gemakkelijk voor de apostelen om zo'n grote menigte gelovigen te verlaten, die kortgeleden en zo volstrekt, tot Christus bekeerd waren. Korte tijd later schreef hij over "van u beroofd geweest zijnde voor een kleine wijle tijds, naar het aangezicht, niet naar het hart", en over "te overvloediger benaarstigd om uw aangezicht te zien, met grote begeerte" (1Thess.2:17). En met betrekking tot het goede nieuws van hun geloof en liefde, hem toegebracht door Timotheus, schrijft de apostel:"Zo zijn wij daarom, broeders, over u in al onze verdrukking en nood vertroost geworden door uw geloof;

"Want nu leven wij, indien gij vast staat in de Here" (1Thess.3:7,8).   En dat deden zij!

      PAULUS' BEDIENING IN BEREA

"En de broeders zonden terstond des nachts Paulus en Silas weg naar Berea; welke daar gekomen zijnde, gingen heen naar de synagoge der Joden. "En dezen waren edeler dan die te Thessalonica waren, als die het Woord ontvingen met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften, of deze dingen alzo waren. "Velen dan uit hen geloofden, en van de Griekse eerlijke vrouwen en van de mannen niet weinige."Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea van Paulus verkondigd werd, kwamen zij ook daar en bewogen de scharen. "Doch de broeders zonden toen van stonden aan Paulus weg, dat hij ging als naar de zee; maar Silas en Timotheus bleven aldaar."En die Paulus geleidden, brachten hem tot Athene toe; en als zij bevel gekregen hadden aan Silas en Timotheus, dat zij op het spoedigste tot hem zouden komen, vertrokken zij.  Hand.17:10-15. 

 DE EDELE BROEDERS IN BEREA

Het reizen in de nacht was in de dagen van Paulus niet zo'n eenvoudige zaak als nu, maar de apostel en zijn metgezel werden ertoe genoodzaakt, niet zo zeer door de noodzaak om afstand te nemen tussen hen en hun vervolgers, maar door hun behoefte om steeds verder het heidense gebied in te gaan met het evangelie van Gods genade.

Niet afgeschrokken door hun behandeling door de Joden te Thessalonica, gingen de beide mannen weer naar de Joodse synagoge. Maar hier was de samenkomst van Joden van een geheel ander karakter dan zij tot nu toe hadden ontdekt of zouden ontdekken. Zij worden "edeler", dan wel "toegenegen" genoemd (cf. 1Cor.1:26), maar het woord hier toont die karakterkwaliteiten  die men verwachten mag bij mensen van hoge komaf: hoffelijkheid, edelmoedigheid, vrij van dweepzucht, etc. Inderdaad verklaart deze passage, dat zij die kwaliteiten bezaten van ware geestelijke voornaamheid die hen deed behoren tot de geestelijke aristocratie van hun dagen.

Velen die deze passage telkens overgelezen hebben, blijven beweren dat de Bereërs "edel" genoemd werden omdat zij "de Schriften onderzochten of deze dingen alzo waren". Dit laatste is ook waar, maar het is niet de hele waarheid. De Schrift geeft ons een tweevoudige reden:

1.  "Zij ontvingen het woord (dat Paulus predikte) met alle toegenegenheid."

2.  Zij "onderzochten de Schriften dagelijks, of deze dingen alzo waren."

De Bereërs waren open van gedachten. Dit is de eerste les die wij van hen moeten leren. Om deze eigenschap in hen te waarderen, dienen we ons te herinneren dat zij Joden waren, die elkander iedere Sabbatdag in de synagoge ontmoetten. Sommige van de zaken die Paulus hen verkondigde moeten hen vreemd hebben geschenen, zo niet ongelofelijk en onmogelijk. Toch, toen zij met opengevallen mond luisterden, stonden ook hun gedachten open. Zij schudden hun hoofden niet afkeurend, of achtten Paulus' boodschap geen onderzoek waard omdat deze niet strookte met wat zij hun hele leven lang gehoord hadden. Zij waren voldoende geestelijk om hem ernstig en geinterresseerd aandacht te schenken.

Hier staken de Joden van Thessalonica ongunstig bij af. "Deze waren edeler dan die in Thessalonica", waar Paulus gedurende drie sabbatdagen met mannen gesproken had, die niet wilden luisteren, totdat zij tot vervolging tegen hem opriepen, en hij genoodzaakt werd weg te gaan.

Hoe pijnlijk nodig heeft de belijdende Kerk vandaag deze les! Zovelen onder Gods kinderen, ja, zelfs onder hun leiders, ontbreekt deze kwaliteit van ware geestelijke grootheid. Hun eerste gedachte is eerder confirmatie met aangenomen geloofspunten, dan confirmatie met het geschreven Woord van God. Hun verlangen op goede voet te staan met de populaire leiders is groter dan hun verlangen om de waarheid te kennen en bekend te maken. Zij zijn liever orthodox dan Schriftuurlijk. 

Wij moeten niet denken dat de Joden in Berea zich gemakkelijk lieten bedotten, of hun grootmoedigheid verkeerd uitleggen als onnozelheid. Als zij grootmoedig waren, waren zij ook nauwgezet. Zij waren niet willig om wat Paulus zei aan te nemen omdat hij het zei. Zij luisterden wel en overwogen, maar wilden niet toegeven zonder werkelijke ervaring vanuit de Schriften, dat de waarheid gesproken werd. Paulus' woorden moesten ondergeschikt zijn aan Gods Woord. Dit was nogeens een teken van hun ware geestelijke grootheid.

Stel eens voor: Een echtgenoot komt thuis en zegt, dat hij vreemde dingen gehoord heeft in de synagoge uit de mond van een bezoekende rabbi. Hij pakt de heilige geschriften en begint intens te onderzoeken. De rest van de sabbatdag vinden we hem begraven onder en peinzende over de geschriften van de profeten. En niet alleen die dag, maar hij gaat dag aan dag door met het onderzoeken. Staat 's morgens vroeg op en haast zich in de avond naar huis vanuit zijn werk, legt alle minder belangrijke zaken opzij, en zoekt onvermoeibaar tot hij er zeker van is dat hij de Waarheid van God ziet. En hij is nog maar één van zijnsgelijken in die Berease synagoge.

Wat zal God verblijd zijn over deze Schrift-lievende, Bijbel-respecterende groep! Zij, en niet de populaire leiders, waren de waarlijk groten in Israel. Oh, mochten er meer van zulke samenkomsten heden ten dage gevonden worden!

In vergelijking hiermee vertonen zich de Joden in Thessalonica armelijk. Zij zijn er zelfs nooit toe gekomen Paulus' boodschap in het licht van de Schriften te onderzoeken, want zij gunden hem in de eerste plaats niet eens een rechtmatig verweer.

En hier is nog een vreemde tegenstelling. Zij die licht afwijzen en zelfs weigeren de Schriften te onderzoeken om te zien of deze dingen zo zijn, staan echter wel direct klaar om zonder navraag, te accepteren wat hun "orthodoxe" leiders hun geleerd hebben. Zij staan argwanend tegenover andere leraars, en toch zo lichtgelovig ten opzichte van de eigene.

Wat een verwijt aan Rome is deze passage met haar bemoediging tot individueel, persoonlijk Bijbelonderzoek. De Bereanen waren geen slaven van hun eigen religieuse vooroordelen, noch zouden zij, aan de andere kant, het woord van zelfs de grootste Godsmannen accepteren, zonder het aan een persoonlijk onderzoek te onderwerpen in het licht van de Schriften - en hierdoor werden zij aanbevolen.

Indien er iets is dat deze passage ons leert, dan is het dat iedere gelovige verantwoordelijk is om zelfs de beste lering in het licht der Schriften te onderzoeken. Ook dat elke leraar zal dienen te verwachten, dat zijn leringen getoetst worden en God danken voor hen die dit doen. Inderdaad is het een teken van gebrek aan geestelijke grootheid, wanneer Godsmannen onderzoek van hun leer aan de hand van de Schrift door hun toehoorders, afwijzen.

De zuiverheid van de Kerk, gezien naar de leer, hangt niet af van de acceptatie van de dogmas van de Kerk, maar van de handhaving van de geest van Berea onder Gods volk. De Bereërs waren niet tevreden met af en toe een beetje vroom lezen. Zij onderzochten dagelijks de Schriften, net als de "welzalige man" van Psalm 1:2. Laat ons niet nalaten ook zo te zijn! Laat ons niet nalaten onze kinderen te trainen om eveneens zo te doen, opdat wij, en ook zij, terecht een plaats verdienen onder de geestelijke aristocratie van onze dagen.

Nog een woord moet hier worden toegevoegd over het gehalte van Paulus' prediking in Berea. Het feit, dat zij "de Schriften onderzochten" om na te gaan, toont niet aan, zoals sommigen veronderstellen, dat hij niet "het evangelie van Gods genade" gepredikt heeft, of Christus verkondigd heeft "overeenkomstig de openbaring van het geheimenis" zover als hij dit wist. Want omdat de Oud Testamentische Geschriften deze waarheden inderdaad niet leren, bevestigen zij deze wel. Het "gat" in de profetie is zeer zeker een bevestiging van het later geopenbaarde geheimenis. Het bewijst, dat God steeds het "eeuwig doel" voor ogen had. Zo is er ook geen enkel woord in het Oude Testament te vinden dat er op wijst, dat de tabernakel en haar inrichting, de priesterschap, de feesten van Jehovah, etc. typen zijn van Christus en het voldoende zijn van Zijn volbrachte werk. Maar in het licht van de openbaring aan Paulus vandaag, blijkt het zo te zijn. Verder benadrukt Handelingen weer de Joodse kant van de bediening van Paulus te Berea. Wanneer we het verslag in Handelingen vergelijken met de brieven van Paulus, ontdekken we, dat hij werkelijk aanhoudend zijn speciale boodschap verkondigde naarmate zij steeds voller aan hem werd geopenbaard (Cf.Hand.15 met Gal.2; Hand.16:6 met de hele Galatenbrief; Hand.17:2,3 met 1Thess.1:5, etc). Hij werd van het begin af geroepen om "het evangelie van Gods genade" te verkondigen (Hand.20:24). Deze heerlijke boodschap, niet verkondigd in het Oude Testament, wordt uitvoerig door hem bevestigd.

Het resultaat van de Schriftuurlijke, geestelijke opstelling van de Bereëse Joden ten opzichte van Paulus' prediking was, dat "daardoor velen van hen geloofden", als aanvulling van "niet weinige" Griekse mannen en voorname vrouwen. Dit in vergelijking met de "sommige" (Gr. zekere, weinige) Joden in Thessalonica (V.4,12). En wij mogen er zeker van zijn, dat deze Bereëse gelovigen te sterker in het geloof werden, omdat zij gestaan hebben op een verstandig, Schriftuurlijk verstaan van het onderwerp. Zij bezaten niet alleen de "volle verzekerdheid des geloofs" (Hebr.10:22), maar de "volle verzekerdheid van het verstand" eveneens (Col.2:2). Aan de andere kant is ongeloof gebaseerd op onwetendheid, dikwijls opzettelijke onwetendheid, van het Woord. Thomas Paine's inleiding tot de Eeuw van de Reden bevat de volgende woorden: "Ik had Bijbel noch Testament om naar te verwijzen, hoewel ik schrijvend tegen beiden in ging, kon ik niets opbrengen."

Hoelang gingen Paulus en Silas door met te leren in Berea? Het feit dat de Bereërs de predikingen van Paulus dagelijks onderzochten naar de Schriften schijnt erop te wijzen, dat hij meer dan enkele dagen gebleven is. Uit 1 Thess.2:17,18 schijnt het, dat hij zich in de omstreken van Thessalonica enige tijd heeft opgehouden, proberend "eenmaal en andermaal" hen opnieuw te bezoeken, maar zonder succes. Logisch kan de plaats van verblijf voor deze tijd ongetwijfeld Berea geweest zijn.              

"Maar als de Joden van Thessalonica verstonden, dat het Woord Gods ook te Berea door Paulus verkondigd werd", werd zijn bediening daar afgesneden, want "zij kwamen ook daar en bewogen de scharen" (V.13). Hoe bitter was wel hun vijandigheid in de vervolging van hem, en wat een slechtheid bedreven zij door opnieuw anderen op te stoken tegen Paulus en zijn boodschap, in plaats van zelf hem aan te spreken. Thessalonische afgoderij hield niet alleen hen in geestelijke duisternis gevangen; het had hen aangezet om alles te doen wat in hun macht was om anderen te verhinderen heil te ontvangen.

Wat een schande! Hadden zij soms geen Schriften?

Klaarblijkelijk werd het gevaar voor Paulus' leven weer zo groot, dat het de broeders nodig leek om hem onmiddellijk weg te zenden. Hijzelf was er meestal tegen om te vluchten, zelfs in de grootste gevaren, maar zijn veiligheid was van het hoogste belang terwille van het werk. Het is daarom, dat we vanaf het begin, meerdere situaties aantreffen waarin "de broeders" hem wegzenden (Zie Hand.9:25; 9:30; 17:10; 17:14).

De term "dat hij ging als naar de zee" geeft waarschijnlijk geen strategie aan, gebruikt om de achtervolgers te misleiden, maar eerder de behoefte aan een onmiddelijk plan. De grote noodzaak nu was, Paulus weg te krijgen uit Berea, en de verdere besluiten te nemen naar de gegeven omstandigheden.

In elk geval werden Silas en Timotheus in Berea achter gelaten om de gelovigen daar te bemoedigen en te grondvesten. Enkele van de broeders begeleidden Paulus tot Athene, een reis van bijna vierhonderd kilometers. Hier schijnt de apostel, voor de eerste keer, geheel alleen te zijn geweest.

Opgemerkt dient te worden dat we geen brief van Paulus aan de Bereërs bezitten. Ook geen vermelding van enige gemeente daar. Dit hoeft echter niet te betekenen, dat de gemeente daar niet bloeide. In de loop van Paulus' grote apostolische reizen werden vele kerken gevestigd waarvan we taal noch teken vernemen.


[i].*/Voetnoot: Tenzij vers 4 zou luiden "vrome personen en Grieken", zoals sommige andere vertalers hebben. Deze vertalers echter worden klaarblijkelijk beinvloed door de moeilijkheid, veroorzaakt door Lukas' nalaten de bekeerde heidenen te noemen, waaruit de gemeente in hoofdzaak was samengesteld, want deze weergave vindt weinig steun bij de andere vertalers.

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011