H O O F D S T U K
XXVI
MEER ONRUST IN ANTIOCHIE
DE FOUT VAN PETRUS
Men
moet echter niet veronderstellen, dat de gemeenschap met de Kerk te
Jeruzalem, hoe ook bevestigd door betrouwbare getuigen, volledige en
blijvende vrede gebracht had te Antiochië vanuit de moeilijkheden, die
de Judaisten daar hadden verwekt. De invloed van de Judaisten was nog
lange tijd te bemerken. Wij bemerken dat vandaag nog.
Het
is ongetwijfeld op dit punt in de historie van Handelingen, dat we
Petrus' bezoek aan Antiochië moeten plaatsen, en zijn scherpe berisping
door Paulus. Deze vond immers plaats na de Raadsvergadering te
Jeruzalem, maar vóór de scheiding tussen Paulus en Barnabas.
Het verslag van dit incident wordt ons gegeven in de brief van Paulus
aan de Galaten: "En
toen Petrus te Antiochië gekomen was, wederstond ik hem in het
aangezicht, omdat hij te bestraffen was.
"Want
eer sommigen van Jakobus gekomen waren, at hij mede met de heidenen;
maar toen zij gekomen waren, onttrok hij zich en scheidde zichzelven af,
vrezende degenen die uit de besnijdenis waren. "En ook de andere
Joden veinsden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door
hun veinzing. "Maar als ik zag, dat zij niet recht wandelden naar
de waarheid des Evangelies, zeide ik tot Petrus in aller
tegenwoordigheid: Indien gij, die een Jood zijt, naar heidense wijze
leeft, en niet naar Joodse wijze, waarom noodzaakt gij de heidenen naar
Joodse wijze te leven?" (Gal.2:11-14).
Dit
was de twede keer dat Petrus in moeilijkheden kwam over de kwestie van
de heidenen. Er is een belangrijk verband tussen dit incident te
Antiochië, en het voorafgaande te Jeruzalem.
Jeruzalem
was het hoofdkwartier van de Joodse Kerk. Antiochië was dat (op
aarde) van de Heidense Kerk. Toen Petrus naar Jeruzalem
terugkeerde, na de dienst bij Cornelius, "twistten tegen hem
degenen die uit de besnijdenis waren" (Hand.11:2). Toen hij later
naar Antiochië kwam, "wederstond hem Paulus in het
aangezicht" (Gal.2:11). In Jeruzalem werd hem rekenschap gevraagd
wegens eten met de heidenen (Hand.11:3). In Antiochië werd hij berispt,
omdat hij ophield met de heidenen te eten (Gal.2:12). In
Jeruzalem verdedigde hij terecht zijn daad (Hand.11:4). In
Antiochië kon hij zich niet verdedigen (Gal.2:11-18).
Er
was in Jeruzalem vanzelfsprekend een hevige interesse in de
ontwikkelingen onder de heidenen. Het was kort na het convent in
Jeruzalem, dat Petrus naar Antiochië reisde om daar zelf de gemeente te
bezoeken. Het moet een verdere vervulling van het
"laken"-visioen hebben geschenen, om daar te zitten en te eten
met deze heidenen, en ten volle zich in hun gemeenschap te verblijden.
Maar toen gebeurde er iets. Er werd gemeld, dat "sommigen van
Jakobus" waren aangekomen.
Nauwelijks
was deze aankondiging gedaan, of de scheiding begon onder hen, die zich
zo juist in elkanders gemeenschap hadden verheugd. Allereerst "onttrok
Petrus zich en scheidde zichzelven af, vrezende degenen die uit de
besnijdenis waren" (Gal.2:12).*/[i]
Dit was vanzelf niet alleen lafhartig, maar hypocriet, want als Petrus'
gemeenschap met de heidenen daarvoor in orde was, waarom was het dan nu
verkeerd? Als resultaat van Petrus' daad "veinsden de andere
Joden met hem; alzo dat ook Barnabas mede afgetrokken werd door hun
veinzing" (Gal.2:13).
Het
moet voor Paulus hartverscheurend geweest zijn, te zien dat zelfs
Barnabas hem verliet. Het was Barnabas die hem voor het eerst tot de
apostelen gebracht had, toen zij bang voor hem geweest waren
(Hand.9:26,27).
_________
*/voetnoot:
Wat een invloed moeten Jakobus en zijn partij hebben uitgeoefend, om in
staat te zijn om zelfs het hoofd van de apostelen op deze manier te
intimideren!
Het
waren hij en Barnabas samen, die onder Gods leiding, zoveel onder de
heidenen tot stand gebracht hadden (Hand.14:27; 15:3). En hoe Barnabas
met hem gestaan had tegen de indringende Judaisten! In Hand.15:2 lezen
we, dat tegen Paulus en Barnabas "geen kleine weerstand
en twisting" geschiedde", en dat als resultaat, de
gemeente in Antiochië besloten had, dat Paulus en Barnabas, en
zekere anderen, met deze zaak naar Jeruzalem zouden gaan. In de Raad te
Jeruzalem had Barnabas klaarblijkelijk zonder wankelen naast Paulus
gestaan, want Paulus' "wij hebben ook niet een uur
geweken" volgt op de verklaring: "Ik ben naar Jeruzalem
opgegaan met Barnabas (Gal.2:1,5). En wat de resultaten van de
Raad betreft, zegt de apostel: "Zij gaven mij en Barnabas de
rechterhand der gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de
besnijdenis zouden gaan" (Gal.2:9).
Maar
nu was zelfs Barnabas, Petrus in zijn lafhartige en hypocritische
afscheiding van de heidenen gevolgd, en als resultaat "wederstond"
Paulus nu Petrus "in het aangezicht", en berispte
hem "in aller tegenwoordigheid" (Gal.2:11,14).
WIE
WAS DE ONRUSTSTOKER?
Hier
mag wel de vraag worden gesteld: Was Paulus niet meer onrust aan het
stoken in de vergadering, dan Petrus en de anderen zullen hebben gedaan
met hun terugtrekking? Zeker zullen de emoties hoog zijn opgelaaid, en
relaties onder spanning gebracht, toen Paulus openlijk de grote apostel
van Jeruzalem berispte. Had Paulus de waardigheid van Petrus' positie
uit het oog verloren; dat Petrus door de Here Zelf was aangewezen als
hoofd van de twaalf apostelen; dat hij was gebruikt om duizenden tot
Christus te leiden, zelfs vóór dat hij gered was? Bracht hij in
praktijk wat hij predikte en later schreef, dat gelovigen
zouden wandelen "Met
alle ootmoedigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, verdragende
elkander in liefde; "U benaarstigende te behouden de enigheid des
Geestes door den band des vredes" (Eph.4:2,3).
Was
hij de onruststoker in Antiochië? Nee, want de oorzaak van de
onrust lag veel dieper dan aan de oppervlakte scheen.
God
had de "middelmuur des afscheidsels" tussen Jood en heiden
afgebroken, en van de apostelen te Jeruzalem wist niemand dit beter dan
Petrus. Hem werd, in een visioen van God, getoond dat hij kon en zou eten
met hen, en had geholpen in Paulus' zaak in het dispuut in het
Jeruzalem-convent, door de Judaisten hieraan te herinneren en te
verklaren:
"En
God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den
Heiligen Geest gelijk ook aan ons; "EN HEEFT GEEN ONDERSCHEID
GEMAAKT TUSSEN ONS EN HEN, GEREINIGD HEBBENDE HUN HARTEN DOOR HET GELOOF
(Hand.15:8,9).
Petrus
had toen geweten, en getuigd tot de eenheid van Joodse en heidense
gelovigen in Christus, maar nu trok hij zich terug van de heidenen - en
deed het hypocritisch, uit vrees voor de partij van Jakobus. Hij zou zo
hebben kunnen doen op de vriendelijkste wijze, met veel
verontschuldigingen, en verklaringen aan de heidenen, maar het feit
bleef bestaan, dat hij scheiding bracht onder gelovigen. Ook was
dit niet zomaar een plaatselijk geval. Het was een verwerping van het
besluit van de Raad en van Gods geopenbaarde wil. Wat, als Paulus niet
gesproken had. Zie wat reeds plaats vond! Als Paulus zich niet
vrijmoedig, luid, uitgesproken had, zou daar een verdeeldheid zijn
begonnen, die tot een onherstelbare breuk tussen Joden en heidense
gelovigen zou leiden, en de waarheid van het "één lichaam"*/[ii]
tot niets gebracht zou hebben.
In
zo'n geval zou zwijgen niet geholpen hebben om de eenheid van de Geest
te bewaren, maar om deze te verbreken. Hoewel Petrus zichzelf zou
kunnen hebben verontschuldigd, en ofschoon Paulus' openlijke berisping
onvriendelijk scheen, was het Petrus die de scheiding veroorzaakte, en
Paulus die trachtte de eenheid des Geestes te bewaren.
*/voetnoot:
Omdat de analogie van het "lichaam" nog niet door Paulus werd
gebruikt, en, veelbetekenend, niet is gebruikt in de Handelingen, waren
Joodse en heidense gelovigen feitelijk één lichaam in Christus. In
Handelingen is nadruk gelegd op het terzijde stellen van Israel, en het
afbreken van de middelmuur der afscheiding.
Er
is hier voor ons een les voor vandaag. De belijdende Kerk, omdat zij
groot is in aantallen, valt voor onze ogen in elkaar. Omdat God zegt: "Er
is één lichaam", zijn er honderden denominaties,
alleen al in de U.S.A. In het ene geval na het andere, "trekken
gelovigen zich terug en scheiden zich af" van andere gelovigen. In
het ene geval na het andere, zijn grote, geestelijke mannen, als
Barnabas, meegetrokken. Niettemin is het verkeerd geweest.
Wat
moet dan onze houding zijn? Als wij vrijuit spreken, zullen sommigen ons
eraan herinneren, dat we moeten trachten de eenheid van de Geest te
bewaren. Maar laat ons wel in gedachten houden, dat zwijgen, ziende op
de tegenwoordige scheidingen, net zo verkeerd zou zijn, als de
scheidingen zelf, als we waarlijk geloven dat we één moeten zijn. Dit
geldt temeer, als we de remedie voor de scheiding kennen, de
zevenvoudige basis voor onze eenheid in Christus (Eph.4:4-6).
Bij
het incident in Antiochië was Petrus, niet Paulus, "te
bestraffen" (Gal.2:11). Hij was schuldig geweest aan "veinzing",
en had "niet oprecht gewandeld" (V.13,14). Hij had
"zichzelf tot overtreder gesteld" in zijn poging om de barrière
weer op te bouwen, die hijzelf had helpen afbreken (V.18).
hebben,
realiseerde hij zich aldoor dat, als Paulus niet was toegesprongen om
hem, toen hij struikelde, te ondersteunen, hij velen in zijn val zou
hebben meegetrokken.
Zo
verwerkte Petrus niet alleen de berisping, maar de laatste persoon, die
hij noemt in zijn brieven over de verwachting van de Here Jezus, is onze
geliefde broeder Paulus (2Petr.3:15).
Dat
de bedeling van genade steeds helderder werd, wordt getoond in Paulus'
positie t.o.v. Petrus in hun drie beschreven ontmoetingen tot zover. Bij
de eerste leerde Paulus Petrus kennen bij zijn roeping en opdracht
(Gal.1:18). Bij de twede ontving hij zijn openbare erkenning (Gal.2:19).
Bij de derde berispte hij hem als zijn superieur (Gal.2:14).
|