H O O F D S T U K
XXVIII - HAND. 16:9-24
DE BEDIENING VAN DE APOSTEL UITGEBREID
DE ROEP
NAAR MACEDONIE
"En
van Paulus werd in de nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man
staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help
ons."Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar
Macedonië
te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Here geroepen had om
denzelven het evangelie te verkondigen."Van Troas dan afgevaren
zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis,"En
vandaar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië,
een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen." -
Hand.16:9-12.
HET
MACEDONISCH VISIOEN
Er
wordt vermoed dat, omdat Lukas klaarblijkelijk hier in Troas in het beeld
verschijnt (Merk op het "wij" en "ons" in V.10), het
wel mogelijk is dat hij het was, die Paulus in zijn gezicht gezien heeft.
Er is hiervoor echter geen betrouwbare Schriftuurlijke steun. In het
gezicht zag Paulus "een Macedonisch man", en het is te
betwijfelen of Lukas een Macedoniër was. Het is genoeg te weten dat
Paulus' route nogmaals geleid werd door een bovennatuurlijke manifestatie.
De apostel werd dikwijls op deze manier geleid gedurende zijn
aanvankelijke bediening, net als anderen in de periode van Handelingen,
zoals de apostelen der besnijdenis (5:19,20), Philippus (8:26), Ananias
(9:10,11), Cornelius (10:3), Petrus (10:10,17,19; 12:7-9) etc.
Deze
ervaring van Paulus is dikwijls gebruikt als voorbeeld van wat een roeping
tot zending zou moeten zijn. Vanuit het zicht op het duidelijk karakter
van Gods handelen met mensen in deze tegenwoordige bedeling, wordt de
toepassing in het algemeen wel iets aangepast. Maar toch bestaat er nog
een gevoel, dat een "roeping" tot zendingswerk een soort
"bovennatuurlijke" manifestatie vereist; een droom, een gevoel
dat "de Here tot mij sprak", een idee van volle verzekerdheid,
of bekomen vrede, of dringende noodzaak, of persoonlijke
verantwoordelijkheid. Ook een last voor de zielen van een bepaald ras of
volk, het stuiten op een bijzonder Schriftgedeelte uit een "belofte-doos",
of door een bepaalde prediking, of de resultaten van het "leggen van
een vlies", of aan God de keuze uit twee alternatieven overlaten,
kunnen allemaal bepalend zijn.
Maar
geen enkele van deze menselijke emoties of ervaringen mogen worden verward
met de uiteindelijke visie waardoor Paulus geroepen werd om naar Macedonië
te gaan. En zij die vandaag uitzien naar een bovennatuurlijk gebeuren bij
het zoeken naar Gods leiding, dienen te beseffen, dat van vele van deze
bovennatuurlijke "roepingen" in de Schriften, deze van Paulus te
Troas de laatste is. Want met het terzijde plaatsen van Israel en haar
hoop op het koninkrijk, verdwenen zulke manifestaties (Hand.2:16-18, cf.1Cor.13:8).
Vandaag
wandelen we uitsluitend "door geloof, niet door aanschouwen" (2Cor.5:7).
Met harten, belast met de verlorenen om ons heen, dienen wij God om
wijsheid te bidden, en om voorzienige leiding voor het hoe en waar wij het
best de grootste nood kunnen lenigen. En ook om toebereiding door Zijn
genade bij het beantwoorden aan onze verantwoordelijkheid tot leniging van
deze nood. Het zou kunnen zijn, dat na ernstig gebed en bedachtzaam
overwegen, iemand zou besluiten, dat hij God het beste in Afrika kan
dienen en zich voorbereidt om te gaan. Daarbij ondervindt hij zware
hinder, en ziet dat zo, dat God hem eigenlijk thuis, of op een andere
plaats wil hebben. Maar dit betekent echt niet, dat hij verkeerd deed door
zich voor te bereiden om naar Afrika te gaan, zoals het zou zijn, als hij
door een bovennatuurlijke manifestatie zou geroepen zijn, of als
persoonlijke ervaringen uiteindelijk zulke zaken zouden bepalen.
Integendeel zal de Here de raadselachtigste omstandigheden goed kunnen
gebruiken ten gunste van Zijn dienstknecht, en tot Zijn eigen glorie.
In
het gegeven geval werd Paulus naar Macedonië geroepen door een
bovennatuurlijke manifestatie, en als hij er op inging, was er ook geen
twijfel over zijn aankomst aldaar.
NAAR MACEDONIE
"Onmiddellijk"
na het visioen zien we Paulus en zijn reisgezellen "pogend" naar
Macedonië te gaan, klaarblijkelijk informerend aan de haven naar een
schip om daarheen te varen.
Zoals
we hebben gezien, had te Troas een aanvulling plaats gehad van het
gezelschap in de persoon van Lukas, de auteur van Handelingen. Dit blijkt
niet alleen uit de grammaticale verandering van "zij"
naar "wij" in vers 10, maar ook uit het feit, dat op dit
punt Lukas' eenvoudige historische stijl plaats maakt voor de autoptische
stijl van schrijven, i.c. die van oersoonlijke waarneming. De
aankomst van Lukas op dit tijdstip zou weleens verband kunnen hebben met
de ziekte van de apostel toen hij onder de Galaten verbleef. Later noemde
Paulus hem "de geliefde geneesheer" (Col.4:14) met
verwijzing niet alleen naar het feit dat hij een arts was, maar
naar de genegenheid waarmee hij werd beschouwd als geneesheer -
waarschijnlijk het allermeest door Paulus zelf - wegens ontvangen gunsten.
Dit is nog een aanwijzing van de verandering van bedeling die had plaats
gegrepen sinds Pinksteren (Zie Hand.5:12-16 en cf. Rom.8:22,23).
Hier
begeleidt Lukas Paulus naar Macedonië en Philippi, waarna hij weer
afwezig schijnt te zijn. Maar als Paulus later naar Macedonië terugkeert,
ontdekken we Lukas' aanwezigheid weer door dat zelfde veranderen van
voornaamwoord "zij" in "wij". Van hieruit schijnt hij
bij Paulus gebleven te zijn, tot aan het slot van het Handelingen-verslag.
Lukas'
aanwezigheid bleek een grote steun voor de apostel op zijn reizen, omdat
de bedeling van wonderbaarlijke evenementen voorbijging. Enkele van zijn
laatste woorden die we van Paulus horen vanuit de gevangenis in Rome,
luiden: "Alleen Lukas is bij mij" (2Tim.4:11).
Klaarblijkelijk
was de rederij in staat om zonder uitstel passage naar Macedonië te
boeken, want het woord "terstond" in vers 10 wordt gevolgd in
vers 11 door de woorden: "Van Troas afgevaren zijnde."
Ook
de wind was gunstig, want Lukas zegt: "Wij liepen recht naar
Samothrace (een eiland halverwege), en de volgende dag naar Neapolis (de
haven van Philippi)" Vers 11). De gedachte hier is, dat de wind,
recht van achter, hen spoedig naar hun bestemming bracht, zodat het niet
nodig was "over stag" te gaan of te laveren, wat het geval zou
zijn als de wind tegen geweest was. De reis moet merkwaardig snel geweest
zijn, want de hele reis werd gedaan in twee dagen, terwijl dezelfde reis
bij een latere gelegenheid vijf dagen in beslag nam (Hand.20:6).
Het
moet voor de apostel bemoedigend geweest zijn, dat de dingen voor een tijd
zo voorspoedig gingen. In Galatië had hij geleden onder ziekte, daarna
verhinderde de Geest tweemaal in bepaalde streken te dienen. De uitwerking
moet voor iemand met een natuur als Paulus, wel deprimerend geweest zijn.
Maar bij de aankomst in Troas was alles veranderd. De geliefde geneesheer
had zich nu bij het gezelschap gevoegd, een speciaal visioen had hem nu
tot nieuwe mogelijkheden opgeroepen, een schip lag klaar voor de
overtocht, en zelfs de wind was gunstig.
Vanuit
de haven van Neapolis trokken Paulus en zijn gezelschap op naar Philippi,
"de eerste stad van dit deel van Macedonië, en een kolonie"
(V.12). Deze stad was niet alleen een der voornaamste steden in Macedonië,
maar eveneens in Paulus' bediening, de eerste plaats in het huidige
Europa.
Het
was uiteraard een belangrijke stad, genoemd naar de Keizer Philippus, de
vader van Alexander de Grote. Als Romeinse kolonie genoten de inwoners
veel privileges die ook de bewoners van Rome zelf hadden. Vrij van het
gezag van de gouverneur der provincie, hadden zij hun eigen plaatselijk
bestuur. Zij waren niet onderhevig aan verhoring met geseling, en konden
zich van lagere Romeinse overheden beroepen op de Keizer.
Nu,
na verhinderd te zijn tot bediening op verschillende plaatsen, en beroepen
door een visioen naar Macedonië, stond Paulus en zijn gezelschap voor het
eerst op Europese grond, waar hij door God in grotere mate dan ooit zou
worden gebruikt. Wij allen van Europese afkomst (ook in Amerika), dienen
nederig God te danken voor deze manifestatie van Zijn souvereine genade.
De
bovennatuurlijke roeping van de apostel naar Europa was slechts een
vervolg van Gods voortgaande handelingen met hem. Na zijn bekering, in
Jeruzalem, was de Here aan hem verschenen met het bevel: "Ga heen;
want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (Hand.22:21). Later,
dienend in Antiochië, had de Geest gezegd: "Zondert Mij af beide
Barnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik hen geroepen heb"
(Hand.13:2). Hiermee begon Paulus zijn apostolische reizen. Nu,
opdat hij niet teveel tijd besteedt in Klein Azië, wordt hij geroepen in
Macedonië. Voordat het gereed is zal hij, als gevangene "van de Here",
naar Rome gevoerd worden, om het grootste van alle werk te doen.
PAULUS
TE PHILIPPI
DE
EERSTE BEKERINGEN IN EUROPA
"En
op de dag des Sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het
gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de
vrouwen die samengekomen waren."En een zekere vrouw, met name Lydia,
een purperverkoopster van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons;
welker hart de Here heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus
gesproken werd."En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons,
zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik de Here getrouw ben, zo komt
in mijn huis en blijft er. En zij dwong ons."
- Hand.10:13-15.
Het
visioen van de Macedoniër, roepende om hulp, wees niet op een bestaande
houding ten opzichte van het evangelie, maar op een nood en een gelegenheid.
Inplaats van duizenden verlangend wachtenden op de boodschap van genade te
vinden, verbleven de apostel en zijn gezelschap (Paulus, Silas, Timotheus
en Lukas) meerdere dagen te Philippi (V.12) en moesten toen zelf hun
contacten maken door naar de rivieroever buiten de stad te gaan,
"waar het gebed placht te geschieden" (Cf. Hand.21:5).
Blijkbaar
was er geen synagoge in Philippi, omdat we lezen van Thessalonica, de
volgende stad waarheen zij gingen, dat er een synagoge was (17:1),
waar Paulus, "gelijk hij gewoon was" (17:2), naar toe
ging.
In
elke stad zoals Philippi, waar niet genoeg Joden waren om een synagoge te
onderhouden, kozen (of was toegestaan) de weinigen die er woonden een
plaats buiten de stad, bij een rivier of stroom, voor hun
godsdienstoefeningen. Buiten de stad vanwege de rust, en bij stromend
water, zodat zij hun dopen, of wassingen, die zo'n belangrijk deel
uitmaakten van hun godsdienst, konden houden.
Zeker
werd Israel niet achtergelaten zonder overvloedig getuigenis omtrent de
persoon en aanspraken van Christus, want hier, waar zelfs geen synagoge
was, maakten de apostel en zijn helpers er een punt van, om "eerst de
Jood" aan te spreken, die zij zochten op de sabbatdag om te bidden,
bij de rivier. In dit geval bestond het gezelschap hoofdzakelijk, zo niet
geheel, uit vrouwen - altijd meer geneigd tot devotie en geloof dan
mannen. En onder deze vrouwen was er één, genaamd Lydia, een koopvrouw
uit Thyatira, die handelde in purper, de kleding van de rijken en van de
sociaal of politiek prominente figuren (Zie Luk.16:19). Uitgaande van haar
naam, schijnt zij geen Jodin te zijn geweest, maar klaarblijkelijk was zij
tot geloof in de God van Israel gekomen, en een proseliet van het Judaïsme.
In
ieder geval lezen we, dat hier iemand was "welker hart de Here
opende" om de waarheid te ontvangen (V.14). Hier ligt een belangrijke
scholing voor ons, want de vermelding dat de Here Lydias hart
opende sluit in, dat het gesloten is geweest, en van nature gesloten zou
zijn gebleven. Zo is de stand van de mens altijd, los van de goddelijke
genade. De hulpeloze pogingen van zelfs de meest goddelijke mens om het
onwedergeboren hart te verlichten, zullen vergeefs en zonder resultaat
zijn. God alleen kan dit bewerken (2Cor.4:6); en het werk begonnen zijnde,
zal Hij het voleinden (Phil.1:6).
Toch
was het niet te verwonderen, dat God in Zijn voorkennis van alle dingen,
verkoos om het hart van deze vrouw te openen, want, ver van huis zijnde,
en betrokken in zaken, wordt zij hier gevonden, gemeenschap zoekend met
diegenen tot wie God gezegd had: "Gedenk de Sabbatdag, dat gij
dien heiligt", en deze God ook zochten in gebed. En nu vindt
Lydia, door de prediking van Paulus, God en de ware sabbatrust in
Christus (Zie Hebr.1:3; 4:9,10).
DE DOOP VAN LYDIA EN
HAAR HUIS
Over
het feit dat Lydia en haar huis hier gedoopt werden, wordt veel gesproken.
Bewijst dit niet, zo wordt ons gevraagd, dat de waterdoop bij de bediening
van Paulus tot de goede orde behoorde? Nee, dat niet, want hoewel Paulus
reeds "het evangelie van Gods genade" predikte, was Israel nog
niet definitief terzijde gesteld (Zie Joh.1:31 en cf. Hand.28:28) en bleef
dus veel van het oude programma nog bestaan. Paulus had nog kort tevoren
Timotheus besneden. Hij was kortelings door een visioen naar Macedonië
geroepen. Daar gearriveerd, was zijn zorg om "eerst de Jood" te
zoeken. Hij zou kort daarna een demon uitwerpen uit een meisje, en
daarvoor in de gevangenis terecht gekomen. Door een wonder zouden
de deuren van de gevangenis worden geopend en hij van zijn boeien worden
bevrijd. Dit was de besturing, waaronder hij gered was geworden, en
waaruit hij geleidelijk werd uitgeleid. Er bestaat echter geen logisch
bewijs om te kunnen volhouden, dat besnijdenis en wondertekenen voorbij
zijn, en dan toch te willen vasthouden aan toepassing van de waterdoop.
Maar
nog minder ondersteunt dit de leer waarop men zich zo dikwijls beroept:
het dopen van haar huis. Eén prominente schrijver beweert dat de
passage zegt: 1.) zij geloofde, maar 2.) zegt niet, dat zij
allen geloofden, 3.) hetgeen insluit dat zij allen gedoopt
werden, omdat zij geloofde. Dan zegt deze schrijver: "Er wordt
niet vermeld dat zij allen geloofd hebben, en verschaft hiermede
juist een sterk bewijs, dat dit een geval was van huis- of
kinderdoop."
Maar
dit is meer dan "tussen de regels door lezen", en zo'n
"bewijs" is te aanmatigend om de toets van Berea te doorstaan.
Waterdoop is immers blijvend verbonden met bekering en geloof in de
Schriften (Matt.3:5,6; Mark.1:4; 16:16; Hand.2:38, etc.). De Gereformeerde
theoloog, Dr. Albertus Pieters maakte het duidelijk dat de leer van
kinderdoop op niets anders berust dan vooropgesteld
"bewijs", toen hij in Why We Baptize Infants (Waarom wij
kinderen dopen) schreef: "Als een intelligent wezen afkomstig van
Mars ons hier op aarde zou bezoeken, en wij zouden hem een Bijbel
overhandigen...zou hij geen kinderdoop in de Bijbel vinden, omdat deze er
niet in staat, en er dus ook niet uitgehaald kan worden", en
herhaalt: "De Bijbel spreekt niet over kinderdoop, niet pro, noch
contra. Wij geven dit toe. Wij belijden niet, de kinderdoop ook maar uit
één bladzijde te halen. Wij belijden wel kinderdoop, te rechtvaardigen
uit haar inhoud. Dat is iets geheel anders."
Wanneer
een uitnemend vertolker van de Gereformeerde theologie toegeeft, dat
kinderdoop niet in de Bijbel gevonden wordt, - dat het niet uit de Bijbel
kan worden gehaald, dan is het zeker, dat onze tegenstander oorzaak
geweest is, dat deze leer haar plaats heeft gekregen tussen de kardinale
leerstukken van enige van onze grootste kerkelijke denominaties. Hij is
het, die mensen aanzet om religieuse praktijken te rechtvaardigen,
die niet in de Schriften geleerd worden; om "inzettingen van mensen
te leren" (Mark.7:7).
De
beschouwde passage geeft geen aanwijzing, dat Lydia zelfs getrouwd zou
zijn, laat staan dat zij kinderen heeft gehad. Het huishouden waarnaar
wordt verwezen kan ook wel bestaan hebben uit knechten of helpers, met
inbegrip van Euodia, Syntiche en andere van "die vrouwen"
waarvan in Phil.4:2,3 sprake is. In Vers 40 wordt van "de
broeders" gesproken, hoewel dit kan hebben geslagen op Timotheus en
Lukas, die beiden klaarblijkelijk in Philippi waren gebleven toen Paulus
en Silas naar Thessalonica doorgegaan waren. Zeker bestond het huishouden
van Lydia, net als dat van Cornelius, uit personen welks harten konden
worden gezuiverd "door geloof" (Hand.15:9).
Zij
die vasthouden aan onderdompeling als zijnde de Schriftuurlijke
wijze van dopen, vinden eveneens een "vooropgesteld bewijs"
voor hun inzichten hierin, dat Paulus Lydia vond bij de rivier waar,
vooropgesteld, genoeg water aanwezig was om haar te dopen. Maar er wordt
geen melding gemaakt dat Lydia gedoopt werd toen Paulus haar daar de
eerste keer ontmoette. Inderdaad schijnt het ontbreken van enige
aanwijzing van de aanwezigheid van haar huisgenoten bij de rivieroever, en
de verklaring dat haar huis werd gedoopt, er op te wijzen dat er enige
tijd tussenin gelegen heeft. Maar ook al zouden zij allen bij de eerste
ontmoeting aanwezig zijn geweest, en om een af andere reden daarbij niet
genoemd zijn, dat nog geen bewijs behoeft te zijn dat zij werden gedoopt,
nog minder dat zij in de rivier werden gedompeld.
Laten
we alle "vooropgestelde bewijzen" afwijzen, en regelrecht op het
geschreven Woord blijven staan. Daar vinden we ontegenzeggelijk
duidelijkheid, dat waterdoop betekent reiniging, geen
begrafenis (Hand.22:16; Hebr.9:10, etc.).
Nadat
zij gedoopt was, nodigde Lydia Paulus en zijn gezelschap om hun verblijf
in haar huis te kiezen, dat van ruime afmetingen moet zijn geweest om vier
personen extra te herbergen. De ernst van haar uitnodiging was duidelijk,
want proberend hun natuurlijke aarzeling te overwinnen, drong zij aan: "Indien
gij hebt geoordeeld, dat ik den Here getrouw ben, zo komt in mijn huis en
blijft er. En", zegt Lukas, "zij dwong ons" (V.15).
Nauwelijks was Lydia gered, of zij begon de dienaars van het evangelie te helpen,
voorzag hen van onderkomen en verschafte hoofdkwartier voor hun werk. Ook
was zij vasthoudend en getrouw bij deze hulp. (Zie Vers 40).
Hoe
onopvallend was de evangelisatie van Europa begonnen! Er was geen
organisatie voor de opzet, geen campagne om de beweging te financieren,
geen advertenties van openbare samenkomsten; er was helemaal
geen openbare samenkomst, waarbij indruk zou zijn gemaakt op de hele
bevolking. Paulus en zijn gezelschap spraken eenvoudig tot een paar
vrouwen die samengekomen waren tot gebed. En de Here opende het hart van
één van hen, en een werk waarvan de grootheid nooit kan worden gemeten,
was begonnen. Wijzelf zijn enigen van de vruchten van die eenvoudige
samenkomst aan de rivieroever, meer dan negentienhonderd jaren geleden.
BESCHAMENDE
BEHANDELING
IN PHILIPPI
"En
het geschiedde als wij tot het gebed heen-gingen, dat een zekere
dienstmaagd, hebbende een waarzeggende geest, ons ontmoette, welke haar
heren groot gewin toebracht met waarzeggen."Dezelve volgde Paulus en
ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des
Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen."En dit deed
zij vele dagen lang. Maar Paulus daarover ontevreden zijnde, keerde zich
om en zeide tot de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat
gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelver ure."Als nu de heren
van hetzelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en
Silas en trokken hen naar de markt voor de oversten."En als zij hen
tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze
stad, daar zij Joden zijn;"En zij verkondigen zeden, die ons niet
geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn."En
de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen hun de
klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen."En als zij hun
vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis en geboden de
stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.
"Dewelke
zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnenste kerker en
verzekerde hun voeten in de stok" Hand.16:16-24.
DE PYTHONESSE
Of
de apostel en zijn gezelschap doorgingen met naar de plaats van gebed te
gaan, waar zij hun bediening te Philippi begonnen waren, of dat Lukas nu
verslag doet van een incident dat begon bij die eerste ontmoeting, is
moeilijk vast te stellen. In elk geval was het toen de broeders "tot
het gebed" gingen, of beter "naar de gebedsplaats", dat zij
voor het eerst een arm, door de duivel bezeten, slavenmeisje ontmoetten.
De
term "een waarzeggende geest" zou juister weergegeven
zijn, met "een geest van Python (Gr. Puthonos)".
Python was de naam van de God Apollo in zijn orakel-betekenis, en zijn
priesteressen werden Pythonessen genoemd. Zijn hoofdzetel was, zoals we
weten, in Delphi, het beroemdste orakel in de wereld, en het laatste om in
diskrediet te worden gebracht. Dat meer dan gewoon bijgeloof hier in het
geding was, is duidelijk uit het feit, dat de Schrift hier helder stelt,
dat dit meisje bezeten was door een geest van Python, en dat zij
haar meesters grote winst bracht door "waarzeggen", of
"voorspellen", niet alleen door pretenderen te
voorspellen.
Deze
bijzondere priesteres van Python stond onder contrôle, niet alleen van
een demon, maar ook van mannen die haar tot groot financieel voordeel
gebruikten, vanwege haar duivelse bezetenheid. Klaarblijkelijk was zij een
te waardevolle slavin voor alleen één eigenaar, omdat grote aantallen
heidenen zich altijd hier aan overgaven, gereed om een grote prijs te
betalen voor advies in politiek, zaken, trouwen, of wat hen ook belastten
of bemoeilijkten.
Deze
slavin-priesteres van Apollo begon nu te roepen, dat Paulus en zijn
gezellen waren "dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de
weg der zaligheid verkondigen" (V.17). "En dit deed zij
vele dagen lang" (V.18). Wat zij zei was natuurlijk waar, maar
waarom zij het zei, is iets anders. Misschien was het, om een beloning van
hen te krijgen voor het reclame maken, of om meer invloed te krijgen op
haar toehoorders, omdat zij de waarheid onderscheidde en verklaard had, of
misschien drong de boze geest haar om te roepen, omdat hij anders
zou worden uitgedreven (Cf. Luk.4:33,34). Er is nog een mogelijke
verklaring, die wel eens de juiste zou kunnen zijn; dat dit de akelige
roep was van iemand die door de duivel bezeten was, dat wist, en in Degene
die Paulus verkondigde, haar enige hoop op bevrijding erkende. In ieder
geval kwam deze kennis van een duivelse geest, en haar voortdurend
geroep hinderde het werk dat gedaan werd voor Christus.
Tenslotte
beval Paulus, ontevreden, in de Naam van Jezus Christus, uit haar te
varen. Er waren ongetwijfeld meerdere faktoren in dit gebeuren, die Paulus
hinderden. Ten eerste waren de gevolgtrekkingen van haar verklaring
verkeerd. Stond hij in verbinding met heidense goden? Zo'n compliment uit
die bron was op zijn minst verdacht. Dit hele systeem was Satanisch en
moest in discrediet gebracht worden. Verder het feit, dat mensen hun
vertrouwen op deze priesteres van Apollo stelden, de lage motieven van
haar meesters, en meelijden met het meisje zelf, -dit alles bracht de
apostel ertoe de demon te bestraffen, en te bevelen uit te varen. Onze
Here had evenzo het getuigenis van de duivel-bezetene afgewezen, want Hij
wilde niets te doen hebben met Satan (Zie Mark.1:34).
Op
dit punt dient te worden opgemerkt, dat waar we zoveel lezen over demon-
en geestbezetenen en het uitwerpen van demonen in de evangeliën en in
Handelingen, deze in de brieven van Paulus niet genoemd worden; ook niet
door vermelding in zijn latere brieven. Het ziet ernaar, dat
duivelbezetenheid, op z'n minst in de vorm waarin we deze vinden in de
evangeliën en in Handelingen, karakteristiek was voor die dagen, toen het
koninkrijk van Satan werd uitgedaagd door het koninkrijk van Christus (Zie
Matt.12:24-29).
Zij
die trachten "terug naar Pinksteren" te gaan, in plaats van
"op naar volmaaktheid" met Paulus, maken soms aanspraak op
duiveluitdrijving, maar echt gebeuren daarvan is er niet, zoals het ook is
met hun andere aanspraken op wonderlijke kracht.
Eén
van de populairste Bijbelleraren van de vorige generatie, schreef over
deze zelfde passage die wij hier bezien:
"Vandaag
vinden we dezelfde karakters. Zelfs in ons land, met al zijn verlicht
denken, zijn er letterlijk duizenden van mensen, die nauwelijks iets doen
zonder een helderziende of spiritistisch medium te consulteren..."
Maar
wanneer hij spreekt over tegenwoordige kracht om demonen uit te drijven,
verhuist hij naar heidense landen:
"Wij
hebben in onze dagen vele instanties van zendelingen die in heidenlanden
werken, waar zij in contact komen met mensen, die waarlijk net zo bezeten
zijn als deze jonge vrouw was. In veel gevallen hebben deze knechten van
God deze demonen uitgeworpen onder het gebruik van deze zelfde
woorden." En dan gaat de schrijver door met het relaas van zo een
geval waarvan hij gehoord heeft.
Maar
als andere "knechten van God" dit konden in heidense landen,
waarom kon deze knecht van God het niet 'in ons land", waar
hij zegt dat dezelfde conditie aanwezig is?
Onder
de "grote opdracht" aan de elven, werd kracht gegeven om
"duivels uit te werpen", evenals het doen van wonderwerken
(Mark.16:17,18), maar in harmonie met de verdwijning van andere
wonderkrachten onder de bediening van Paulus, verdween ook het uitwerpen
van demonen. Nergens wordt tegenwoordig aan gelovigen zo'n kracht
verleend.
Sedert
de vestiging van Christus' koninkrijk op aarde inderdaad werd uitgesteld,
is Satan in deze tijd niet bezig dit te wederstaan. Vandaag smart hem wat
plaats vond op Golgotha, en houdt hij zich bezig om de waarheid over het
werk van Christus daar, te verduisteren.
In
Hebr.2:14 lezen we, dat onze Here deel had aan ons vlees en bloed: "opdat
Hij door de dood teniet doen zou dengene die het geweld des doods had, dat
is de duivel". In Col.2:15 lezen we betreffende Christus en Zijn
dood:"En
de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het
openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen
getriomfeerd."
Aldus
leren we in de brieven van Paulus, dat het kruis nederlaag betekende voor
Satan, maar verwerving van redding en alle geestelijke zegening in de
hemelse gewesten, voor allen die zullen geloven. Dit is de gezegende
waarheid, die Satan nu verdraait, en tegenstaat. Hij, "de God
dezer eeuw, heeft de zinnen
verblind, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting
van het Evangelie der heerlijkheid van Christus" (2Cor.4:4). Hij,
"die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid" (Eph.2:2).
Maar zijn weerstand is sluw. Ogenschijnlijk
eert hij Christus, bemoedigt "geestelijk zijn", en een hoge
zedelijke standaard. "Veranderd in een engel des lichts",
verschijnen zij ook aan zijn knechten als "dienaars der
gerechtigheid" (2Cor.11:14,15). Daarom wordt de gelovige vandaag
gemaand de gehele wapenrusting van God aan te doen, dat hij in staat mag
zijn om "de listige omleidingen des duivels te kunnen
tegenstaan.""Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en
bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers
der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de
lucht (Eph.6:12).
Maar
terwijl Paulus naar Philippi gekomen was met de boodschap van genade, had
God het vorige programma nog niet beeindigd, noch zijn aanbieding van het
vestigen van het koninkrijk. Vandaar de bijzondere manifestatie van
Satanische oppositie, en het antwoord daarop, dat wij hier vinden.
Zoals
we reeds zeiden, zijn d e z e manifestaties sindsdien voorbij, maar hij
die ze veroorzaakt is nog steeds aanwezig. Hij is het, die de gedachten
van de verlorenen in beslag houdt, en worstelt met de geredden, om hen af
te houden van de vreugde in hun gerechte positie in Christus in de hemelse
gewesten. Laten we niet "onbekend zijn met zijn listen", goed
lettend op zijn pogingen om ons te ruïneren. Laten we altijd klaar staan,
bekleed met "de hele wapenrusting Gods", en sterk "in de
sterkte Zijner macht".
PAULUS EN SILAS GESLAGEN
EN
IN DE GEVANGENIS GEWORPEN
De
eigenaren van de Pythonesse waren woedend omdat, tegelijk met de demon,
ook "de hoop huns gewins" was verdwenen. Dit is altijd zo
geweest. De Gadarenen vroegen de Here te vertrekken omdat de door Hem
uitgedreven demonen hun zwijnen hadden vernietigd, die zij in geen geval
hadden mogen fokken (Mark.5:16,17). Demetrius verwekte een groot oproer in
Epheze, omdat de inkomsten van zijn zilveren tempeltjes verdwenen waren
(Hand.19:24-41). En ook vandaag nog is één van de hoofdoorzaken van de
tegenstand tegen de waarheid "vuil gewin". Hoeveel dienaren in
het evangelie zelfs, zouden hun plaats willen innemen achter de zuivere
Paulinische boodschap van genade, als het hun financieel maar geen nadeel
zou brengen! Paulus moest Timotheus waarschuwen voor het verlangen rijk te
willen worden (1Tim.6:7-11). Ook Petrus voorspelt, door de Geest, de komst
van "valse leraars" die "door gierigheid", van mensen
"een koopmansschap" maken (2Petr.2:3).
Als
het evangelie het inkomen van deze eigenaren van het slavinnetje zou
hebben doen toenemen, dan zouden zij het zeker hebben aanvaard, maar nu,
ziende hun verlies, was alles verkeerd, zelfs ondanks dat hun bezit,
waarvan zij zo laaghartig gebruik maakten, nu gezond en in waardigheid
erdoor hersteld was. Daarom "grepen zij Paulus en Silas"
(klaarblijkelijk waren Timotheus en Lukas ontsnapt), en "trokken
(Lett. sleurden) hen naar de markt voor de oversten" (V.19).
Toen
zij voor de oversten verschenen, beschuldigden deze mannen Paulus en Silas
van een heel andere misdaad dan men zou verwachten. Zij zeiden: "Deze
mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn; en zij verkondigen zeden
die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen
zijn" (V.20,21).
De
opmerking dat Paulus en Silas Joden waren, was bedoeld om de magistraten
een vooroordeel te geven, omdat Joden, die toch al gehaat waren, uit Rome
waren uitgewezen door Claudius Caesar (18:2). Maar waarom, dit plotseling
erin betrekken van de heiligheid van hun religie? Zou de hele waarheid
zijn verteld, dan zou het ten gunste van de apostelen zijn geweest, dus
gauw slepen zij er een ijveren voor de publieke religie bij! Hoe kunnen
mensen hypokritisch nauwgezet worden, wanneer hun misdaden worden ontdekt
en naar buiten komen! Hoewel de Romeinen religieuse vernieuwingen tegenstonden,
waren zij tolerant ten opzichte van bestaande religies, en verklaarden
zichzelf tot beschermers van de goden van de volken die zij hadden
overwonnen.
Maar
dit alles was nu van weinig betekenis, want een volkstumult begon reeds te
rijzen. Toen "de schare gezamenlijk tegen hen opstond" scheurden
de oversten, die hun toch een verhoor hadden moeten afnemen, hun kleren af
en bevalen de beulen hen te "geselen", i.c. met roedem te slaan.
Na hun te hebben geslagen met "vele slagen", "wierpen"
zij hen in de gevangenis, "en geboden de stokbewaarder, dat hij hen
zekerlijk bewaren zou", alsof zij gevaarlijke misdadigers waren. De
gevangenbewaarder, "zulk een gebod ontvangen hebbend, wierp hen
in de binnenste kerker, en verzekerde hun voeten in de stok"
(V.22-24).
Dit
blote verslag van de gebeurtenis geeft maar een glimp van het schandelijk
gedrag dat Paulus en Silas moesten doorstaan. Om te beginnen was de hele
zaak erg onzuiver. De voornaamste ruziemakers hadden een valse aanklacht
gedaan, en de magistraten hadden hen veracht en gestraft zonder verhoor,
zonder zelfs te informeren of zij Romeinse burgers waren. Zij die zo'n
ijver vertoonden voor Romeins recht, waren nu in flagrante tegenstelling
daarmee.
Dit
was klaarblijkelijk één van de drie keren dat Paulus "met roeden
geslagen" werd (2Cor.11:25). Stokslaan was onder de Joden beperkt tot
39 slagen (Deut.25:3 cf. 2Cor.11:24), maar de "vele slagen" hier
op de blote ruggen van de apostelen, zullen dit getal wel hebben
overschreden, want in 2Cor.11:23 verwijst Paulus naar "in slagen uitnemender
(al te zeer N.B.G.)".
Daarna,
na in in de gevangenis te zijn "geworpen", werden zij opgesloten
in de binnenste kerkers. Als de ongewijde lectuur het juist weergeeft,
waren deze binnenste kerkers afgrijselijke holen, onder de grond, vochtig,
en stinkend van vuil. Wij weten dat deze hier ondergronds waren, want wij
lezen later, dat de gevangenbewaarder "insprong" (V.29). En hier
werden zij onderworpen aan nog een vorm van marteling - in de stok ,waarin
hun voeten werden vastgemaakt. Dit maakte het moeilijk rechtop te zitten,
en dwong hen praktisch met hun gekwetste ruggen en bloedend, op de
vochtige, vuile grond te liggen.
Later
herinnert Paulus de Thessalonisenzen eraan, hoe hem en Silas
"smaadheid aangedaan was...te Philippi" (1Thess.2:2).
Geen wonder dat hij kon zeggen: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak
ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" (2Cor.11:29).
Maar
Paulus en Silas waren beiden Romeinen (V.37,38). Waarom lieten zij dit de
magistraten niet van het begin af weten? Het enige antwoord schijnt te
zijn, dat door de magistraten toe te laten verkeerd te doen, zij de
discipelen in Philippi in de toekomst, een betere behandeling zouden
bezorgen. Zoals het was, had God genadig toegezien.
Indien
de magistraten naar hun burgerschap hadden geinformeerd en hun een formeel
verhoor hadden afgenomen, zouden zij tot een lange gevangenisstraf zijn
veroordeeld, en hun werk verhinderd geworden zijn. Nu echter hadden
de bestuurders zichzelf in het defensief gebracht!
Ongetwijfeld
lagen de beide heldhaftige kameraden daar voor een tijd ziek en zwak,
misschien wel snikkend in hun pijn en vernedering. Maar zij die de geest
van Python hadden onderworpen, hoewel wreed gemarteld, werden ondersteund
door de Geest van Christus, en waren nog steeds glorierijk triomferend!
|