De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K   XXVIII - HAND. 16:9-24

DE BEDIENING VAN DE APOSTEL UITGEBREID

 DE ROEP NAAR MACEDONIE

 

"En van Paulus werd in de nacht een gezicht gezien: er was een Macedonisch man staande, die hem bad en zeide: Kom over in Macedonië en help ons."Als hij nu dit gezicht gezien had, zo zochten wij terstond naar Macedonië te reizen, besluitende daaruit, dat ons de Here geroepen had om denzelven het evangelie te verkondigen."Van Troas dan afgevaren zijnde, liepen wij recht naar Samothrace, en de volgende dag naar Neapolis,"En vandaar naar Filippi, welke is de eerste stad van dit deel van Macedonië, een kolonie. En wij onthielden ons in die stad ettelijke dagen." - Hand.16:9-12.

HET MACEDONISCH VISIOEN

Er wordt vermoed dat, omdat Lukas klaarblijkelijk hier in Troas in het beeld verschijnt (Merk op het "wij" en "ons" in V.10), het wel mogelijk is dat hij het was, die Paulus in zijn gezicht gezien heeft. Er is hiervoor echter geen betrouwbare Schriftuurlijke steun. In het gezicht zag Paulus "een Macedonisch man", en het is te betwijfelen of Lukas een Macedoniër was. Het is genoeg te weten dat Paulus' route nogmaals geleid werd door een bovennatuurlijke manifestatie. De apostel werd dikwijls op deze manier geleid gedurende zijn aanvankelijke bediening, net als anderen in de periode van Handelingen, zoals de apostelen der besnijdenis (5:19,20), Philippus (8:26), Ananias (9:10,11), Cornelius (10:3), Petrus (10:10,17,19; 12:7-9) etc.

Deze ervaring van Paulus is dikwijls gebruikt als voorbeeld van wat een roeping tot zending zou moeten zijn. Vanuit het zicht op het duidelijk karakter van Gods handelen met mensen in deze tegenwoordige bedeling, wordt de toepassing in het algemeen wel iets aangepast. Maar toch bestaat er nog een gevoel, dat een "roeping" tot zendingswerk een soort "bovennatuurlijke" manifestatie vereist; een droom, een gevoel dat "de Here tot mij sprak", een idee van volle verzekerdheid, of bekomen vrede, of dringende noodzaak, of persoonlijke verantwoordelijkheid. Ook een last voor de zielen van een bepaald ras of volk, het stuiten op een bijzonder Schriftgedeelte uit een "belofte-doos", of door een bepaalde prediking, of de resultaten van het "leggen van een vlies", of aan God de keuze uit twee alternatieven overlaten, kunnen allemaal bepalend zijn.

Maar geen enkele van deze menselijke emoties of ervaringen mogen worden verward met de uiteindelijke visie waardoor Paulus geroepen werd om naar Macedonië te gaan. En zij die vandaag uitzien naar een bovennatuurlijk gebeuren bij het zoeken naar Gods leiding, dienen te beseffen, dat van vele van deze bovennatuurlijke "roepingen" in de Schriften, deze van Paulus te Troas de laatste is. Want met het terzijde plaatsen van Israel en haar hoop op het koninkrijk, verdwenen zulke manifestaties (Hand.2:16-18, cf.1Cor.13:8).

Vandaag wandelen we uitsluitend "door geloof, niet door aanschouwen" (2Cor.5:7). Met harten, belast met de verlorenen om ons heen, dienen wij God om wijsheid te bidden, en om voorzienige leiding voor het hoe en waar wij het best de grootste nood kunnen lenigen. En ook om toebereiding door Zijn genade bij het beantwoorden aan onze verantwoordelijkheid tot leniging van deze nood. Het zou kunnen zijn, dat na ernstig gebed en bedachtzaam overwegen, iemand zou besluiten, dat hij God het beste in Afrika kan dienen en zich voorbereidt om te gaan. Daarbij ondervindt hij zware hinder, en ziet dat zo, dat God hem eigenlijk thuis, of op een andere plaats wil hebben. Maar dit betekent echt niet, dat hij verkeerd deed door zich voor te bereiden om naar Afrika te gaan, zoals het zou zijn, als hij door een bovennatuurlijke manifestatie zou geroepen zijn, of als persoonlijke ervaringen uiteindelijk zulke zaken zouden bepalen. Integendeel zal de Here de raadselachtigste omstandigheden goed kunnen gebruiken ten gunste van Zijn dienstknecht, en tot Zijn eigen glorie.

In het gegeven geval werd Paulus naar Macedonië geroepen door een bovennatuurlijke manifestatie, en als hij er op inging, was er ook geen twijfel over zijn aankomst aldaar.

                 NAAR MACEDONIE

"Onmiddellijk" na het visioen zien we Paulus en zijn reisgezellen "pogend" naar Macedonië te gaan, klaarblijkelijk informerend aan de haven naar een schip om daarheen te varen.

Zoals we hebben gezien, had te Troas een aanvulling plaats gehad van het gezelschap in de persoon van Lukas, de auteur van Handelingen. Dit blijkt niet alleen uit de grammaticale verandering van "zij" naar "wij" in vers 10, maar ook uit het feit, dat op dit punt Lukas' eenvoudige historische stijl plaats maakt voor de autoptische stijl van schrijven, i.c. die van oersoonlijke waarneming. De aankomst van Lukas op dit tijdstip zou weleens verband kunnen hebben met de ziekte van de apostel toen hij onder de Galaten verbleef. Later noemde Paulus hem "de geliefde geneesheer" (Col.4:14) met verwijzing niet alleen naar het feit dat hij een arts was, maar naar de genegenheid waarmee hij werd beschouwd als geneesheer - waarschijnlijk het allermeest door Paulus zelf - wegens ontvangen gunsten. Dit is nog een aanwijzing van de verandering van bedeling die had plaats gegrepen sinds Pinksteren (Zie Hand.5:12-16 en cf. Rom.8:22,23).

Hier begeleidt Lukas Paulus naar Macedonië en Philippi, waarna hij weer afwezig schijnt te zijn. Maar als Paulus later naar Macedonië terugkeert, ontdekken we Lukas' aanwezigheid weer door dat zelfde veranderen van voornaamwoord "zij" in "wij". Van hieruit schijnt hij bij Paulus gebleven te zijn, tot aan het slot van het Handelingen-verslag.

Lukas' aanwezigheid bleek een grote steun voor de apostel op zijn reizen, omdat de bedeling van wonderbaarlijke evenementen voorbijging. Enkele van zijn laatste woorden die we van Paulus horen vanuit de gevangenis in Rome, luiden: "Alleen Lukas is bij mij" (2Tim.4:11).

Klaarblijkelijk was de rederij in staat om zonder uitstel passage naar Macedonië te boeken, want het woord "terstond" in vers 10 wordt gevolgd in vers 11 door de woorden: "Van Troas afgevaren zijnde."

Ook de wind was gunstig, want Lukas zegt: "Wij liepen recht naar Samothrace (een eiland halverwege), en de volgende dag naar Neapolis (de haven van Philippi)" Vers 11). De gedachte hier is, dat de wind, recht van achter, hen spoedig naar hun bestemming bracht, zodat het niet nodig was "over stag" te gaan of te laveren, wat het geval zou zijn als de wind tegen geweest was. De reis moet merkwaardig snel geweest zijn, want de hele reis werd gedaan in twee dagen, terwijl dezelfde reis bij een latere gelegenheid vijf dagen in beslag nam (Hand.20:6).

Het moet voor de apostel bemoedigend geweest zijn, dat de dingen voor een tijd zo voorspoedig gingen. In Galatië had hij geleden onder ziekte, daarna verhinderde de Geest tweemaal in bepaalde streken te dienen. De uitwerking moet voor iemand met een natuur als Paulus, wel deprimerend geweest zijn. Maar bij de aankomst in Troas was alles veranderd. De geliefde geneesheer had zich nu bij het gezelschap gevoegd, een speciaal visioen had hem nu tot nieuwe mogelijkheden opgeroepen, een schip lag klaar voor de overtocht, en zelfs de wind was gunstig.

Vanuit de haven van Neapolis trokken Paulus en zijn gezelschap op naar Philippi, "de eerste stad van dit deel van Macedonië, en een kolonie" (V.12). Deze stad was niet alleen een der voornaamste steden in Macedonië, maar eveneens in Paulus' bediening, de eerste plaats in het huidige Europa.

Het was uiteraard een belangrijke stad, genoemd naar de Keizer Philippus, de vader van Alexander de Grote. Als Romeinse kolonie genoten de inwoners veel privileges die ook de bewoners van Rome zelf hadden. Vrij van het gezag van de gouverneur der provincie, hadden zij hun eigen plaatselijk bestuur. Zij waren niet onderhevig aan verhoring met geseling, en konden zich van lagere Romeinse overheden beroepen op de Keizer.

Nu, na verhinderd te zijn tot bediening op verschillende plaatsen, en beroepen door een visioen naar Macedonië, stond Paulus en zijn gezelschap voor het eerst op Europese grond, waar hij door God in grotere mate dan ooit zou worden gebruikt. Wij allen van Europese afkomst (ook in Amerika), dienen nederig God te danken voor deze manifestatie van Zijn souvereine genade.

De bovennatuurlijke roeping van de apostel naar Europa was slechts een vervolg van Gods voortgaande handelingen met hem. Na zijn bekering, in Jeruzalem, was de Here aan hem verschenen met het bevel: "Ga heen; want Ik zal u ver tot de heidenen afzenden" (Hand.22:21). Later, dienend in Antiochië, had de Geest gezegd: "Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe Ik hen geroepen heb" (Hand.13:2). Hiermee begon Paulus zijn apostolische reizen. Nu, opdat hij niet teveel tijd besteedt in Klein Azië, wordt hij geroepen in Macedonië. Voordat het gereed is zal hij, als gevangene "van de Here", naar Rome gevoerd worden, om het grootste van alle werk te doen.

PAULUS TE PHILIPPI

DE EERSTE BEKERINGEN IN EUROPA

"En op de dag des Sabbats gingen wij buiten de stad aan de rivier, waar het gebed placht te geschieden; en nedergezeten zijnde, spraken wij tot de vrouwen die samengekomen waren."En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster van de stad Thyatira, die God diende, hoorde ons; welker hart de Here heeft geopend, dat zij acht nam op hetgeen van Paulus gesproken werd."En als zij gedoopt was en haar huis, bad zij ons, zeggende: Indien gij hebt geoordeeld, dat ik de Here getrouw ben, zo komt in mijn huis en blijft er. En zij dwong ons." - Hand.10:13-15.   

Het visioen van de Macedoniër, roepende om hulp, wees niet op een bestaande houding ten opzichte van het evangelie, maar op een nood en een gelegenheid. Inplaats van duizenden verlangend wachtenden op de boodschap van genade te vinden, verbleven de apostel en zijn gezelschap (Paulus, Silas, Timotheus en Lukas) meerdere dagen te Philippi (V.12) en moesten toen zelf hun contacten maken door naar de rivieroever buiten de stad te gaan, "waar het gebed placht te geschieden" (Cf. Hand.21:5).

Blijkbaar was er geen synagoge in Philippi, omdat we lezen van Thessalonica, de volgende stad waarheen zij gingen, dat er een synagoge was (17:1), waar Paulus, "gelijk hij gewoon was" (17:2), naar toe ging.

In elke stad zoals Philippi, waar niet genoeg Joden waren om een synagoge te onderhouden, kozen (of was toegestaan) de weinigen die er woonden een plaats buiten de stad, bij een rivier of stroom, voor hun godsdienstoefeningen. Buiten de stad vanwege de rust, en bij stromend water, zodat zij hun dopen, of wassingen, die zo'n belangrijk deel uitmaakten van hun godsdienst, konden houden.

Zeker werd Israel niet achtergelaten zonder overvloedig getuigenis omtrent de persoon en aanspraken van Christus, want hier, waar zelfs geen synagoge was, maakten de apostel en zijn helpers er een punt van, om "eerst de Jood" aan te spreken, die zij zochten op de sabbatdag om te bidden, bij de rivier. In dit geval bestond het gezelschap hoofdzakelijk, zo niet geheel, uit vrouwen - altijd meer geneigd tot devotie en geloof dan mannen. En onder deze vrouwen was er één, genaamd Lydia, een koopvrouw uit Thyatira, die handelde in purper, de kleding van de rijken en van de sociaal of politiek prominente figuren (Zie Luk.16:19). Uitgaande van haar naam, schijnt zij geen Jodin te zijn geweest, maar klaarblijkelijk was zij tot geloof in de God van Israel gekomen, en een proseliet van het Judaïsme.

In ieder geval lezen we, dat hier iemand was "welker hart de Here opende" om de waarheid te ontvangen (V.14). Hier ligt een belangrijke scholing voor ons, want de vermelding dat de Here Lydias hart opende sluit in, dat het gesloten is geweest, en van nature gesloten zou zijn gebleven. Zo is de stand van de mens altijd, los van de goddelijke genade. De hulpeloze pogingen van zelfs de meest goddelijke mens om het onwedergeboren hart te verlichten, zullen vergeefs en zonder resultaat zijn. God alleen kan dit bewerken (2Cor.4:6); en het werk begonnen zijnde, zal Hij het voleinden (Phil.1:6).

Toch was het niet te verwonderen, dat God in Zijn voorkennis van alle dingen, verkoos om het hart van deze vrouw te openen, want, ver van huis zijnde, en betrokken in zaken, wordt zij hier gevonden, gemeenschap zoekend met diegenen tot wie God gezegd had: "Gedenk de Sabbatdag, dat gij dien heiligt", en deze God ook zochten in gebed. En nu vindt Lydia, door de prediking van Paulus, God en de ware sabbatrust in Christus (Zie Hebr.1:3; 4:9,10).

            DE DOOP VAN LYDIA EN  HAAR HUIS

Over het feit dat Lydia en haar huis hier gedoopt werden, wordt veel gesproken. Bewijst dit niet, zo wordt ons gevraagd, dat de waterdoop bij de bediening van Paulus tot de goede orde behoorde? Nee, dat niet, want hoewel Paulus reeds "het evangelie van Gods genade" predikte, was Israel nog niet definitief terzijde gesteld (Zie Joh.1:31 en cf. Hand.28:28) en bleef dus veel van het oude programma nog bestaan. Paulus had nog kort tevoren Timotheus besneden. Hij was kortelings door een visioen naar Macedonië geroepen. Daar gearriveerd, was zijn zorg om "eerst de Jood" te zoeken. Hij zou kort daarna een demon uitwerpen uit een meisje, en daarvoor in de gevangenis terecht gekomen. Door een wonder zouden de deuren van de gevangenis worden geopend en hij van zijn boeien worden bevrijd. Dit was de besturing, waaronder hij gered was geworden, en waaruit hij geleidelijk werd uitgeleid. Er bestaat echter geen logisch bewijs om te kunnen volhouden, dat besnijdenis en wondertekenen voorbij zijn, en dan toch te willen vasthouden aan toepassing van de waterdoop.

Maar nog minder ondersteunt dit de leer waarop men zich zo dikwijls beroept: het dopen van haar huis. Eén prominente schrijver beweert dat de passage zegt: 1.) zij geloofde, maar 2.) zegt niet, dat zij allen geloofden, 3.) hetgeen insluit dat zij allen gedoopt werden, omdat zij geloofde. Dan zegt deze schrijver: "Er wordt niet vermeld dat zij allen geloofd hebben, en verschaft hiermede juist een sterk bewijs, dat dit een geval was van huis- of kinderdoop."

Maar dit is meer dan "tussen de regels door lezen", en zo'n "bewijs" is te aanmatigend om de toets van Berea te doorstaan. Waterdoop is immers blijvend verbonden met bekering en geloof in de Schriften (Matt.3:5,6; Mark.1:4; 16:16; Hand.2:38, etc.). De Gereformeerde theoloog, Dr. Albertus Pieters maakte het duidelijk dat de leer van kinderdoop op niets anders berust dan vooropgesteld "bewijs", toen hij in Why We Baptize Infants (Waarom wij kinderen dopen) schreef: "Als een intelligent wezen afkomstig van Mars ons hier op aarde zou bezoeken, en wij zouden hem een Bijbel overhandigen...zou hij geen kinderdoop in de Bijbel vinden, omdat deze er niet in staat, en er dus ook niet uitgehaald kan worden", en herhaalt: "De Bijbel spreekt niet over kinderdoop, niet pro, noch contra. Wij geven dit toe. Wij belijden niet, de kinderdoop ook maar uit één bladzijde te halen. Wij belijden wel kinderdoop, te rechtvaardigen uit haar inhoud. Dat is iets geheel anders."

Wanneer een uitnemend vertolker van de Gereformeerde theologie toegeeft, dat kinderdoop niet in de Bijbel gevonden wordt, - dat het niet uit de Bijbel kan worden gehaald, dan is het zeker, dat onze tegenstander oorzaak geweest is, dat deze leer haar plaats heeft gekregen tussen de kardinale leerstukken van enige van onze grootste kerkelijke denominaties. Hij is het, die mensen aanzet om religieuse praktijken te rechtvaardigen, die niet in de Schriften geleerd worden; om "inzettingen van mensen te leren" (Mark.7:7).

De beschouwde passage geeft geen aanwijzing, dat Lydia zelfs getrouwd zou zijn, laat staan dat zij kinderen heeft gehad. Het huishouden waarnaar wordt verwezen kan ook wel bestaan hebben uit knechten of helpers, met inbegrip van Euodia, Syntiche en andere van "die vrouwen" waarvan in Phil.4:2,3 sprake is. In Vers 40 wordt van "de broeders" gesproken, hoewel dit kan hebben geslagen op Timotheus en Lukas, die beiden klaarblijkelijk in Philippi waren gebleven toen Paulus en Silas naar Thessalonica doorgegaan waren. Zeker bestond het huishouden van Lydia, net als dat van Cornelius, uit personen welks harten konden worden gezuiverd "door geloof" (Hand.15:9).

Zij die vasthouden aan onderdompeling als zijnde de Schriftuurlijke wijze van dopen, vinden eveneens een "vooropgesteld bewijs" voor hun inzichten hierin, dat Paulus Lydia vond bij de rivier waar, vooropgesteld, genoeg water aanwezig was om haar te dopen. Maar er wordt geen melding gemaakt dat Lydia gedoopt werd toen Paulus haar daar de eerste keer ontmoette. Inderdaad schijnt het ontbreken van enige aanwijzing van de aanwezigheid van haar huisgenoten bij de rivieroever, en de verklaring dat haar huis werd gedoopt, er op te wijzen dat er enige tijd tussenin gelegen heeft. Maar ook al zouden zij allen bij de eerste ontmoeting aanwezig zijn geweest, en om een af andere reden daarbij niet genoemd zijn, dat nog geen bewijs behoeft te zijn dat zij werden gedoopt, nog minder dat zij in de rivier werden gedompeld.

Laten we alle "vooropgestelde bewijzen" afwijzen, en regelrecht op het geschreven Woord blijven staan. Daar vinden we ontegenzeggelijk duidelijkheid, dat waterdoop betekent reiniging, geen begrafenis (Hand.22:16; Hebr.9:10, etc.).

Nadat zij gedoopt was, nodigde Lydia Paulus en zijn gezelschap om hun verblijf in haar huis te kiezen, dat van ruime afmetingen moet zijn geweest om vier personen extra te herbergen. De ernst van haar uitnodiging was duidelijk, want proberend hun natuurlijke aarzeling te overwinnen, drong zij aan: "Indien gij hebt geoordeeld, dat ik den Here getrouw ben, zo komt in mijn huis en blijft er. En", zegt Lukas, "zij dwong ons" (V.15). Nauwelijks was Lydia gered, of zij begon de dienaars van het evangelie te helpen, voorzag hen van onderkomen en verschafte hoofdkwartier voor hun werk. Ook was zij vasthoudend en getrouw bij deze hulp. (Zie Vers 40).

Hoe onopvallend was de evangelisatie van Europa begonnen! Er was geen organisatie voor de opzet, geen campagne om de beweging te financieren, geen advertenties van openbare samenkomsten; er was helemaal geen openbare samenkomst, waarbij indruk zou zijn gemaakt op de hele bevolking. Paulus en zijn gezelschap spraken eenvoudig tot een paar vrouwen die samengekomen waren tot gebed. En de Here opende het hart van één van hen, en een werk waarvan de grootheid nooit kan worden gemeten, was begonnen. Wijzelf zijn enigen van de vruchten van die eenvoudige samenkomst aan de rivieroever, meer dan negentienhonderd jaren geleden.

BESCHAMENDE BEHANDELING IN PHILIPPI

"En het geschiedde als wij tot het gebed heen-gingen, dat een zekere dienstmaagd, hebbende een waarzeggende geest, ons ontmoette, welke haar heren groot gewin toebracht met waarzeggen."Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen."En dit deed zij vele dagen lang. Maar Paulus daarover ontevreden zijnde, keerde zich om en zeide tot de geest: Ik gebied u in de Naam van Jezus Christus, dat gij van haar uitgaat. En hij ging uit ter zelver ure."Als nu de heren van hetzelve zagen, dat de hoop huns gewins weg was, grepen zij Paulus en Silas en trokken hen naar de markt voor de oversten."En als zij hen tot de hoofdmannen gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn;"En zij verkondigen zeden, die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn."En de schare stond gezamenlijk tegen hen op; en de hoofdmannen hun de klederen afgescheurd hebbende, bevalen hen te geselen."En als zij hun vele slagen gegeven hadden, wierpen zij hen in de gevangenis en geboden de stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou.

"Dewelke zulk een gebod ontvangen hebbende, wierp hen in de binnenste kerker en verzekerde hun voeten in de stok" Hand.16:16-24.

                    DE PYTHONESSE

Of de apostel en zijn gezelschap doorgingen met naar de plaats van gebed te gaan, waar zij hun bediening te Philippi begonnen waren, of dat Lukas nu verslag doet van een incident dat begon bij die eerste ontmoeting, is moeilijk vast te stellen. In elk geval was het toen de broeders "tot het gebed" gingen, of beter "naar de gebedsplaats", dat zij voor het eerst een arm, door de duivel bezeten, slavenmeisje ontmoetten.

De term "een waarzeggende geest" zou juister weergegeven zijn, met "een geest van Python (Gr. Puthonos)". Python was de naam van de God Apollo in zijn orakel-betekenis, en zijn priesteressen werden Pythonessen genoemd. Zijn hoofdzetel was, zoals we weten, in Delphi, het beroemdste orakel in de wereld, en het laatste om in diskrediet te worden gebracht. Dat meer dan gewoon bijgeloof hier in het geding was, is duidelijk uit het feit, dat de Schrift hier helder stelt, dat dit meisje bezeten was door een geest van Python, en dat zij haar meesters grote winst bracht door "waarzeggen", of "voorspellen", niet alleen door pretenderen te voorspellen.

Deze bijzondere priesteres van Python stond onder contrôle, niet alleen van een demon, maar ook van mannen die haar tot groot financieel voordeel gebruikten, vanwege haar duivelse bezetenheid. Klaarblijkelijk was zij een te waardevolle slavin voor alleen één eigenaar, omdat grote aantallen heidenen zich altijd hier aan overgaven, gereed om een grote prijs te betalen voor advies in politiek, zaken, trouwen, of wat hen ook belastten of bemoeilijkten.

Deze slavin-priesteres van Apollo begon nu te roepen, dat Paulus en zijn gezellen waren "dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons de weg der zaligheid verkondigen" (V.17). "En dit deed zij vele dagen lang" (V.18). Wat zij zei was natuurlijk waar, maar waarom zij het zei, is iets anders. Misschien was het, om een beloning van hen te krijgen voor het reclame maken, of om meer invloed te krijgen op haar toehoorders, omdat zij de waarheid onderscheidde en verklaard had, of misschien drong de boze geest haar om te roepen, omdat hij anders zou worden uitgedreven (Cf. Luk.4:33,34). Er is nog een mogelijke verklaring, die wel eens de juiste zou kunnen zijn; dat dit de akelige roep was van iemand die door de duivel bezeten was, dat wist, en in Degene die Paulus verkondigde, haar enige hoop op bevrijding erkende. In ieder geval kwam deze kennis van een duivelse geest, en haar voortdurend geroep hinderde het werk dat gedaan werd voor Christus.

Tenslotte beval Paulus, ontevreden, in de Naam van Jezus Christus, uit haar te varen. Er waren ongetwijfeld meerdere faktoren in dit gebeuren, die Paulus hinderden. Ten eerste waren de gevolgtrekkingen van haar verklaring verkeerd. Stond hij in verbinding met heidense goden? Zo'n compliment uit die bron was op zijn minst verdacht. Dit hele systeem was Satanisch en moest in discrediet gebracht worden. Verder het feit, dat mensen hun vertrouwen op deze priesteres van Apollo stelden, de lage motieven van haar meesters, en meelijden met het meisje zelf, -dit alles bracht de apostel ertoe de demon te bestraffen, en te bevelen uit te varen. Onze Here had evenzo het getuigenis van de duivel-bezetene afgewezen, want Hij wilde niets te doen hebben met Satan (Zie Mark.1:34).

Op dit punt dient te worden opgemerkt, dat waar we zoveel lezen over demon- en geestbezetenen en het uitwerpen van demonen in de evangeliën en in Handelingen, deze in de brieven van Paulus niet genoemd worden; ook niet door vermelding in zijn latere brieven. Het ziet ernaar, dat duivelbezetenheid, op z'n minst in de vorm waarin we deze vinden in de evangeliën en in Handelingen, karakteristiek was voor die dagen, toen het koninkrijk van Satan werd uitgedaagd door het koninkrijk van Christus (Zie Matt.12:24-29).

Zij die trachten "terug naar Pinksteren" te gaan, in plaats van "op naar volmaaktheid" met Paulus, maken soms aanspraak op duiveluitdrijving, maar echt gebeuren daarvan is er niet, zoals het ook is met hun andere aanspraken op wonderlijke kracht.

Eén van de populairste Bijbelleraren van de vorige generatie, schreef over deze zelfde passage die wij hier bezien:

"Vandaag vinden we dezelfde karakters. Zelfs in ons land, met al zijn verlicht denken, zijn er letterlijk duizenden van mensen, die nauwelijks iets doen zonder een helderziende of spiritistisch medium te consulteren..."

Maar wanneer hij spreekt over tegenwoordige kracht om demonen uit te drijven, verhuist hij naar heidense landen:

"Wij hebben in onze dagen vele instanties van zendelingen die in heidenlanden werken, waar zij in contact komen met mensen, die waarlijk net zo bezeten zijn als deze jonge vrouw was. In veel gevallen hebben deze knechten van God deze demonen uitgeworpen onder het gebruik van deze zelfde woorden." En dan gaat de schrijver door met het relaas van zo een geval waarvan hij gehoord heeft.

Maar als andere "knechten van God" dit konden in heidense landen, waarom kon deze knecht van God het niet 'in ons land", waar hij zegt dat dezelfde conditie aanwezig is?

Onder de "grote opdracht" aan de elven, werd kracht gegeven om "duivels uit te werpen", evenals het doen van wonderwerken (Mark.16:17,18), maar in harmonie met de verdwijning van andere wonderkrachten onder de bediening van Paulus, verdween ook het uitwerpen van demonen. Nergens wordt tegenwoordig aan gelovigen zo'n kracht verleend.

Sedert de vestiging van Christus' koninkrijk op aarde inderdaad werd uitgesteld, is Satan in deze tijd niet bezig dit te wederstaan. Vandaag smart hem wat plaats vond op Golgotha, en houdt hij zich bezig om de waarheid over het werk van Christus daar, te verduisteren.

In Hebr.2:14 lezen we, dat onze Here deel had aan ons vlees en bloed: "opdat Hij door de dood teniet doen zou dengene die het geweld des doods had, dat is de duivel". In Col.2:15 lezen we betreffende Christus en Zijn dood:"En de overheden en de machten uitgetogen hebbende, heeft Hij die in het openbaar tentoongesteld, en heeft door hetzelve over hen getriomfeerd."

Aldus leren we in de brieven van Paulus, dat het kruis nederlaag betekende voor Satan, maar verwerving van redding en alle geestelijke zegening in de hemelse gewesten, voor allen die zullen geloven. Dit is de gezegende waarheid, die Satan nu verdraait, en tegenstaat. Hij, "de God dezer eeuw,  heeft de zinnen verblind, namelijk der ongelovigen, opdat hen niet bestrale de verlichting van het Evangelie der heerlijkheid van Christus" (2Cor.4:4). Hij, "die nu werkt in de kinderen der ongehoorzaamheid" (Eph.2:2). Maar zijn weerstand is sluw.  Ogenschijnlijk eert hij Christus, bemoedigt "geestelijk zijn", en een hoge zedelijke standaard. "Veranderd in een engel des lichts", verschijnen zij ook aan zijn knechten als "dienaars der gerechtigheid" (2Cor.11:14,15). Daarom wordt de gelovige vandaag gemaand de gehele wapenrusting van God aan te doen, dat hij in staat mag zijn om "de listige omleidingen des duivels te kunnen tegenstaan.""Want wij hebben de strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (Eph.6:12).

Maar terwijl Paulus naar Philippi gekomen was met de boodschap van genade, had God het vorige programma nog niet beeindigd, noch zijn aanbieding van het vestigen van het koninkrijk. Vandaar de bijzondere manifestatie van Satanische oppositie, en het antwoord daarop, dat wij hier vinden.

Zoals we reeds zeiden, zijn d e z e manifestaties sindsdien voorbij, maar hij die ze veroorzaakt is nog steeds aanwezig. Hij is het, die de gedachten van de verlorenen in beslag houdt, en worstelt met de geredden, om hen af te houden van de vreugde in hun gerechte positie in Christus in de hemelse gewesten. Laten we niet "onbekend zijn met zijn listen", goed lettend op zijn pogingen om ons te ruïneren. Laten we altijd klaar staan, bekleed met "de hele wapenrusting Gods", en sterk "in de sterkte Zijner macht".

       PAULUS EN SILAS GESLAGEN

EN IN DE GEVANGENIS GEWORPEN

De eigenaren van de Pythonesse waren woedend omdat, tegelijk met de demon, ook "de hoop huns gewins" was verdwenen. Dit is altijd zo geweest. De Gadarenen vroegen de Here te vertrekken omdat de door Hem uitgedreven demonen hun zwijnen hadden vernietigd, die zij in geen geval hadden mogen fokken (Mark.5:16,17). Demetrius verwekte een groot oproer in Epheze, omdat de inkomsten van zijn zilveren tempeltjes verdwenen waren (Hand.19:24-41). En ook vandaag nog is één van de hoofdoorzaken van de tegenstand tegen de waarheid "vuil gewin". Hoeveel dienaren in het evangelie zelfs, zouden hun plaats willen innemen achter de zuivere Paulinische boodschap van genade, als het hun financieel maar geen nadeel zou brengen! Paulus moest Timotheus waarschuwen voor het verlangen rijk te willen worden (1Tim.6:7-11). Ook Petrus voorspelt, door de Geest, de komst van "valse leraars" die "door gierigheid", van mensen "een koopmansschap" maken (2Petr.2:3).

Als het evangelie het inkomen van deze eigenaren van het slavinnetje zou hebben doen toenemen, dan zouden zij het zeker hebben aanvaard, maar nu, ziende hun verlies, was alles verkeerd, zelfs ondanks dat hun bezit, waarvan zij zo laaghartig gebruik maakten, nu gezond en in waardigheid erdoor hersteld was. Daarom "grepen zij Paulus en Silas" (klaarblijkelijk waren Timotheus en Lukas ontsnapt), en "trokken (Lett. sleurden) hen naar de markt voor de oversten" (V.19).

Toen zij voor de oversten verschenen, beschuldigden deze mannen Paulus en Silas van een heel andere misdaad dan men zou verwachten. Zij zeiden: "Deze mensen beroeren onze stad, daar zij Joden zijn; en zij verkondigen zeden die ons niet geoorloofd zijn aan te nemen noch te doen, alzo wij Romeinen zijn" (V.20,21).

De opmerking dat Paulus en Silas Joden waren, was bedoeld om de magistraten een vooroordeel te geven, omdat Joden, die toch al gehaat waren, uit Rome waren uitgewezen door Claudius Caesar (18:2). Maar waarom, dit plotseling erin betrekken van de heiligheid van hun religie? Zou de hele waarheid zijn verteld, dan zou het ten gunste van de apostelen zijn geweest, dus gauw slepen zij er een ijveren voor de publieke religie bij! Hoe kunnen mensen hypokritisch nauwgezet worden, wanneer hun misdaden worden ontdekt en naar buiten komen! Hoewel de Romeinen religieuse vernieuwingen tegenstonden, waren zij tolerant ten opzichte van bestaande religies, en verklaarden zichzelf tot beschermers van de goden van de volken die zij hadden overwonnen.

Maar dit alles was nu van weinig betekenis, want een volkstumult begon reeds te rijzen. Toen "de schare gezamenlijk tegen hen opstond" scheurden de oversten, die hun toch een verhoor hadden moeten afnemen, hun kleren af en bevalen de beulen hen te "geselen", i.c. met roedem te slaan. Na hun te hebben geslagen met "vele slagen", "wierpen" zij hen in de gevangenis, "en geboden de stokbewaarder, dat hij hen zekerlijk bewaren zou", alsof zij gevaarlijke misdadigers waren. De gevangenbewaarder, "zulk een gebod ontvangen hebbend, wierp hen in de binnenste kerker, en verzekerde hun voeten in de stok" (V.22-24).

Dit blote verslag van de gebeurtenis geeft maar een glimp van het schandelijk gedrag dat Paulus en Silas moesten doorstaan. Om te beginnen was de hele zaak erg onzuiver. De voornaamste ruziemakers hadden een valse aanklacht gedaan, en de magistraten hadden hen veracht en gestraft zonder verhoor, zonder zelfs te informeren of zij Romeinse burgers waren. Zij die zo'n ijver vertoonden voor Romeins recht, waren nu in flagrante tegenstelling daarmee.

Dit was klaarblijkelijk één van de drie keren dat Paulus "met roeden geslagen" werd (2Cor.11:25). Stokslaan was onder de Joden beperkt tot 39 slagen (Deut.25:3 cf. 2Cor.11:24), maar de "vele slagen" hier op de blote ruggen van de apostelen, zullen dit getal wel hebben overschreden, want in 2Cor.11:23 verwijst Paulus naar "in slagen uitnemender (al te zeer N.B.G.)".

Daarna, na in in de gevangenis te zijn "geworpen", werden zij opgesloten in de binnenste kerkers. Als de ongewijde lectuur het juist weergeeft, waren deze binnenste kerkers afgrijselijke holen, onder de grond, vochtig, en stinkend van vuil. Wij weten dat deze hier ondergronds waren, want wij lezen later, dat de gevangenbewaarder "insprong" (V.29). En hier werden zij onderworpen aan nog een vorm van marteling - in de stok ,waarin hun voeten werden vastgemaakt. Dit maakte het moeilijk rechtop te zitten, en dwong hen praktisch met hun gekwetste ruggen en bloedend, op de vochtige, vuile grond te liggen.

Later herinnert Paulus de Thessalonisenzen eraan, hoe hem en Silas  "smaadheid aangedaan was...te Philippi" (1Thess.2:2). Geen wonder dat hij kon zeggen: "Wie is er zwak, dat ik niet zwak ben? Wie wordt er geërgerd, dat ik niet brande?" (2Cor.11:29).

Maar Paulus en Silas waren beiden Romeinen (V.37,38). Waarom lieten zij dit de magistraten niet van het begin af weten? Het enige antwoord schijnt te zijn, dat door de magistraten toe te laten verkeerd te doen, zij de discipelen in Philippi in de toekomst, een betere behandeling zouden bezorgen. Zoals het was, had God genadig toegezien.

Indien de magistraten naar hun burgerschap hadden geinformeerd en hun een formeel verhoor hadden afgenomen, zouden zij tot een lange gevangenisstraf zijn veroordeeld, en hun werk verhinderd geworden zijn. Nu echter hadden de bestuurders zichzelf in het defensief gebracht!

Ongetwijfeld lagen de beide heldhaftige kameraden daar voor een tijd ziek en zwak, misschien wel snikkend in hun pijn en vernedering. Maar zij die de geest van Python hadden onderworpen, hoewel wreed gemarteld, werden ondersteund door de Geest van Christus, en waren nog steeds glorierijk triomferend!

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011