De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXIX - HAND. 16:25-40

             DE PHILIPPISCHE GEVANGENBEWAARDER BEKEERD

               DE GEVANGENIS DOOR EEN WONDER GEOPEND

"En omtrent de middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen; en de gevangenen hoorden naar hen."En er geschiedde snellijk een grote aardbeving  alzo dat de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los. "En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren der gevangenis geopend, trok een zwaard en zou zichzelven omgebracht hebben, menende dat de gevangenen ontvloden waren.

"Maar Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier."En als hij licht geëist had, sprong hij in en werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas neder aan de voeten;"En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren, wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? "En zij zeiden: Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw huis."En zij spraken tot hem het Woord des Heren, en tot allen die in zijn huis waren."En hij nam hen tot zich in dezelve ure des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt, en al de zijnen."En hij bracht hen in zijn huis en zette hun de tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was." Hand.16:25-34.

Wat zijn dat voor geluiden midden in de nacht? Bidden! Zingen! Vreemd! Zou het komen uit de kerker waarin de twee laatste gevangenen geworpen werden? Zij kunnen niet eens knielen; hun voeten zitten vast in het blok. En zingen? Waarom, pas enkele uren geleden werden zij wreed geslagen met roeden en in het gevang geworpen, hun ruggen zonder genade gekwetst, en bloedend door "vele slagen".

Uiteraard kunnen zij niet slapen - hoe kunnen zij dan bidden en zingen in hun toestand, en in zo'n plaats? Toch moeten zij het zijn die wij horen, want zij zijn degenen die rondgegaan zijn en het volk verteld hebben over redding door Christus. Hoe vreemd en wonderlijk klinkt dit! Tot nu toe hebben deze muren slechts gekreun, gevloek, en boze uitbarstingen gehoord; nu horen ze gebeden en gezang!

Wat een getuigenis voor Christus droegen Paulus en Silas in het holst van de nacht uit! Hoewel diep versmaad, en in lichamelijke ellende, waren zij overvloeiend van geloof en blijdschap toen zij baden en liederen (Gr.Humneo) tot God zongen. Zij waren in het geheel niet verbitterd. In hun lijden, en niet wetend hoe lang zij waren gedoemd in dit verschrikkelijke hol te zullen verblijven, of welke beproeving zij hierna nog zouden moeten doormaken, stortten zij hun harten uit in gebed tot God, en deden een beroep op Hem om sterkte en hulp. En op één of andere manier scheen Hij nu eerder dichterbij dan veraf, zodat zij uitbarstten in de ene lofzang na de andere vanuit hun harten, overvloeiende van vrede en blijdschap. "En de gevangenen hoorden naar hen"

Hun gewetens waren zuiver, en hun harten recht voor God -en nog meer verheugden zij zich, zoals de apostelen in Jeruzalem in hun vervolgingen, "dat zij waardig waren smaad te dragen voor Zijn naam" (Hand.5:41). Inderdaad was Paulus, meer dan zij, in de ware zin, de apostel van de verworpen Christus, "vervullende de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus voor Zijn Lichaam, hetwelk is de gemeente" (Col.1:24). Zo schreef hij later aan de heiligen in deze zelfde stad:"Want u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden,"Dezelfde strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij hoort" (Phil.1:29,30).

Ja, de apostel gaat nog verder dan dat, als hij hun duidelijk maakt, welk verlangen hem drijft om Christus nog inniger te leren kennen in "de gemeenschap Zijns lijdens" (Phil.3:10). Dit was de vreugde die de harten van Paulus en Silas deed overvloeien in dat donkere kerkerhol.

En plotseling, terwijl zij baden en zongen, was daar een aardbeving, zo geweldig, dat de muren van de gevangenis schudden. "En terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden los" (V.26).

Zeer zeker was dit een goddelijk tussenbeide komen. Al getuigt de geschiedenis ervan, dat in die omgeving en in die tijd aardbevingen dikwijls voorkwamen, blijft het toch een wonder, dat deze juist toen plaats vond, en precies dit uitwerkte, - met inbegrip van het losmaken van de banden van allen! Dit laatste draagt ontegenzeggelijk het stempel van het wonder. Zij die dit ontkennen, zeggen dat een aardbeving, behalve de deuren te openen, ook wel de ketenen gebroken zal hebben waarmee de gevangenen aan de muren geketend waren. Maar wat dan met het andere uiteinde? Er staat dat "ieders banden los werden", niet alleen de bevestiging aan de muren. Temeer omdat Paulus' en Silas' voeten in blokken waren!

En nu ontwaakt de gevangenbewaarder en vindt alle deuren van de gevangenis open en veronderstelt uiteraard, dat alle gevangenen gevlucht zijn. We hebben reeds verklaard hoe deze Romeinse bewaarders verantwoordelijk werden gehouden met hun levens voor de aan hen toevertrouwde gevangenen (Zie 12:19). Het is dan ook niet vreemd, dat we de Philippische bewaarder in grote angst zien, en dat hij zijn zwaard grijpt, om zich het leven te benemen. Zelfmoord schijnt hem beter dan ongenade en een wrede excecutie.

Maar op de een of andere manier ontdekte of gevoelde Paulus, dat de bewaarder zich het leven wilde benemen, en riep luidkeels vanuit het donker: "Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier (V.28). Dit moet bij de bewaarder geweldig goed overgekomen zijn, na de wrede behandeling die hij Paulus en Silas had gegeven. Toch was het een van de natuurlijke vruchten van het evangelie dat zij verkondigd hadden.

Maar toch, welke macht had alle gevangenen in hun cel doen blijven? Ons wordt duidelijk verteld, dat "al de deuren los werden" en "de banden van allen los werden" (V.26). Waarom vluchtte er niet één? Wij geloven dat dit kwam door wat zij hadden gehoord toen Paulus en Silas baden en liederen zongen. Want wat moet wel de reactie geweest zijn in de harten en gedachten van de heidenen bij zo'n gedrag! Konden zij het helpen dat zij de aardbeving daarmee verbonden?

Ondertussen was de bewaarder, zo ternauwernood gered voor zelfmoord, totaal overstelpt. Roepend om licht (waarschijnlijk toortsen), "sprong hij in" de kerker en werd zeer "bevende" en "viel neder" voor Paulus en Silas. Zo groot was zijn eerbied voor hen, dat hij zelfs niet sprak totdat hij hen "buitengebracht" had uit de kerker. Toen stelde hij de grote vraag die hem wellicht reeds bezig hield, en nu plotseling bezit genomen had van zijn hart en gedachten. Hen aansprekende als "heren" (Gr.Kurioi, Goden) smeekt hij: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde (gered)?" (V.30).

Sommigen veronderstellen dat de gevangenbewaarder eerder lichamelijke redding bedoelde dan redding van zijn ziel, toen hij deze vraag stelde, maar de gebeurtenis zelf bewijst, dat het niet zo is.

1.Paulus en Silas waren in Philippi reeds "vele dagen" bekend gemaakt als mannen die "de weg der zaligheid" verkondigden (V.17,18).

2.De aardbeving was voorbij. Daar zocht hij dus geen "berging" voor.

3.Geen enkele gevangene was ontsnapt, dus zijn leven was, wat dat betreft, niet langer in gevaar. Het is waar, dat de bewaarder geen onmiddellijke stappen schijnt te hebben genomen om de gevangenen weer in te sluiten. Of zijn medewerkers (V.29) hebben dit gedaan, ofwel omdat de redding van zijn ziel nu zijn voornaamste oogmerk was. God kan ook de omstandigheden gebruikt hebben om de gevangenen te laten blijven. In elk geval, als hij het Romeinse recht nu gevreesd had, dan zou zijn eerste zorg geweest zijn de gevangenschap van de overige gevangenen zeker te stellen.

4.De aardbeving, de open deuren van de gevangenis, het nalaten om datgene met de gevangenen te doen dat zijn ondergang kon bewerkstelligen, Paulus' smeken voor zijn leven toen hij zelfmoord wilde plegen; dit alles zou meewerken hem ertoe te brengen, meer dan lijfelijke redding te zoeken.

5.Paulus en Silas brachten klaarblijkelijk de bewaarder ertoe, dat hij bevrijding van zonde zocht. Zij zullen geen lichamelijke bevrijding beloofd hebben als antwoord op geloof in Christus.

6.De tere smeking (lieve heren) van de bekeerde bewaarder tot de mannen die hij zo mishandeld had, en zijn vreugde toen hij "met zijn hele huis" werkelijk geloofde, schijnt erop te wijzen, dat hij overtuigd was van zonde.

7.De verwijzingen naar het "huis" van de bewaarder, samen met Paulus' antwoord en de bekering van de bewaarder (V.31,32,33,34),stemmen overeen met de gevallen van Cornelius (11:14) en Lydia (16:15). Hoe duidelijk stonden de apostelen klaar met het juiste antwoord dat de bewaarder nodig had! "Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden" (V.31). Dit is de kern van de boodschap der genade.

Toen "het volk" aan Johannes vroeg: "Wat moeten we dan doen?" stond hij op vruchten der bekering en van het koninkrijk (Luk.3:9-11). Toen een wetgeleerde onze Here vroeg: "Wat moet ik doen om het eeuwige leven te bëerven", had de Here hem gevraagd: "Wat staat geschreven in de wet?" en hem geleerd: "Doe dit, en gij zult leven" (Luk.10:25-28). Toen de overtuigde toehoorders aan Petrus vroegen: "Wat moeten wij doen?", had Petrus hen gewezen: "Bekeert u en laat u dopen...tot vergeving van zonden" (Hand.2:37,38). Maar nu, onder Paulus, luidt de helder aangewezen boodschap: "Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden..." Het doet er niet toe wat voor zonde, wat voor onwetendheid, wat voor angst om "vol te houden" - "Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden". Of het tot een kind is, met nog een heel leven van mogelijkheid vóór zich, of de stervende mens met slechts een paar minuten nog te leven, de boodschap blijft: "Geloof in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden".

De toegevoegde woorden: "en uw huis" worden vaak genomen als een belofte dat het geloof van één lid van een familie de redding verzekert van de gehele familie. Als dit zo was, zou natuurlijk de hele wereld gered worden, want wij zijn allen gerelateerd. Maar dit bedoelden de apostelen niet, noch wordt deze leer ergens in de brieven van Paulus gevonden. De bedoeling is eenvoudig: "Dit geldt ook voor uw huis. Zij, net als gij, mogen geloven en behouden worden." Maar hoewel de apostelen direct tot de kern kwamen met het antwoord op de vraag van de bewaarder, bleef het daarbij niet, zoals sommige evangelisten en zielewinnaars vandaag doen. Nog ziek en geslagen predikten zij "het Woord van de Here" tot de gevangenbewaarder en zijn huis, nu om hen heen samen gekomen (V.32).

Reeds spoedig gaf de bewaarder blijk, dat hij oprecht in Christus als zijn Redder vertrouwd had, want "in dezelve ure des nachts" bracht hij hen naar een andere plaats waar water beschikbaar was. En daar waste de eens zo wrede gevangenbewaarder  teder hun wonden. Ons wordt niet verteld wat hij zei toen hij dit deed, maar we kunnen verwachten, dat daar menig woord van berouw en verontschuldiging gesproken werd. En hier werden ook de gevangenbewaarder "en zijn huis" gewassen met een doop die reiniging van zonde betekende.

Hier dient opgemerkt te worden, dat Paulus deze doop niet vereiste tot vergeving van zonde overeenkomstig de "grote opdracht" gegeven aan de elven (Mark.16:16; Hand.2:38). Zij werd nadien toegevoegd, net als in de gevallen van Cornelius en Lydia, en alleen omdat Israel, en het programma van het koninkrijk, nog niet officieel terzijde gesteld was. Ook betekent dit niet, dat Paulus dopen predikte of leerde. Hij besneed Timotheus wel, maar toch predikte hij de besnijdenis niet (Gal.5:11). Desgelijks zegt hij: Christus heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te verkondigen" (1Cor.1:17), en het zou niet lang meer duren totdat de "ene doop" door de Geest in Christus, zou overblijven (Eph.4:5).

Dus ver van gezins- of kinderdoop stelt het verslag, dat de gevangenbewaarder "zich verheugde, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was" (V.34). En toch zeggen bekame Godsmannen, waaronder Albert Barnes: "Dat het gehele verhaal er ons toe leidt, dat zodra de bewaarder geloofde, hij en zijn hele familie gedoopt werden....De doop schijnt te zijn toegepast vanwege het geloof van het hoofd van de familie"! (Commentaar van Barnes over het Nieuwe Testament, bij Hand.16:34, vette letters door ons). Op zulke grondslagen werd de leer van gezinsdoop gestaafd.

Maar deze passage geeft evenmin grond aan de onderdompelaars voor zover het betreft de gewoonte van dopen. Er is geen indicatie dat er voldoende water in de gevangenis aanwezig was om de mensen onder te dompelen. Het is niet waarschijnlijk dat dit aanwezig was. Ook is er geen enkele aanwijzing dat zij ondergedompeld werden. Waarschijnlijk werd water op hen gesprenkeld, of werden zij begoten op dezelfde plaats waar Paulus' en Silas' verwondingen werden gereinigd. Zeker is, dat het geschiedde "in dezelve ure des nachts" (V.23). Er was een aardbeving geweest met veel opgewondenheid, en het is te betwijfelen of zij deel hadden aan een langdurige ceremonie. We lezen wel, dat zij "terstond" gedoopt werden (V.33).

En nu neemt de bewaarder Paulus en Silas mee in zijn huis en zet een tafel voor hen (V.34). Ongetwijfeld waren zij hongerig geworden, want het was op de tijd van het gebed, v.m. 9.00 uur (V.16, cf.3:1), dat de moeilijkheden begonnen, en het was nu zeker voorbij middernacht. Maar een grotere honger was nu genadig bij de apostelen bevredigd, want het moet wel al het lijden en vernederen waard geweest zijn om de bewaarder te zien, "zich verheugend, dat hij met al zijn huis aan God gelovig geworden was". Hier was inderdaad feest en ware gemeenschap! En de vreugde van de stokbewaarder en zijn huishouden was typisch voor de vreugde die altijd het gevolg is van waar geloof (Zie 2:46,47; 8:8; Rom.15:13; 1Petr.1:8).

PAULUS LAAT ZIJN ROMEINS BURGERSCHAP GELDEN

"En als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars, zeggende: Laat die mensen los. "En de stokbewaarder boodschapte deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit en reist in vrede. "Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn, onveroordeeld in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen, en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zijzelven komen en ons uitleiden. "En de stadsdienaars boodschapten deze woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat zij Romeinen waren. "En zij komende baden hen, en als zij hen uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden. "En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij naar Lydia; en de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit de stad." Hand.16:35-40.

Toen het morgenlicht doorbrak verschenen de stadsdienaars, niet met bevelen om Paulus en Silas op te brengen voor verhoor, maar met een boodschap van de magistraten om "deze mannen los te laten" (V.35). Dit kan moeilijk geschied zijn, omdat zij gevoelden dat het lijden door Paulus en Silas doorstaan, genoeg straf was voor hun "misdaad". De term "als het dag geworden was" wijst er eerder op, dat zij om een of andere reden haast hadden om hen te bevrijden.

Klaarblijkelijk realiseerden zich de magistraten, toen zij de zaak overdachten, dat zij nagelaten hadden om het beroemde recht van het Romeinse Rijk te handhaven, door Paulus en Silas te laten geselen en gevangen zetten, zonder verhoor of onderzoek. Misschien vermoedden zij zelfs dat één van hen, of wellicht beiden, Romeinse burgers waren, en de hevige aardschok die volgde op hun voorbarige veroordeling van de apostelen, zal hun gewetens wel verder wakker gemaakt hebben. Onder zulke omstandigheden zouden zij natuurlijk trachten de zaak zo spoedig mogelijk af te doen.

De bewaarder, kennelijk verheugd bij deze plotselinge keer van de zaak, brengt nu het goede nieuws aan Paulus en Silas, en verzoekt hen "in vrede te gaan", maar tot zijn verbazing weigeren zij te gaan. Paulus antwoordt met een meesterstuk van nadrukkelijke kortbondigheid, dat in moderne stijl ongeveer zo zou kunnen worden vertaald:

"Zij hebben ons geslagen - "in het openbaar,- "onveroordeeld,- "mannen, die Romeinen zijn,- "en hebben ons in de gevangenis geworpen;-"en nu ons heimelijk er uitwerpen? - "Dat nooit;- "Laat hen zelf komen en ons uitleiden! (V.37).

Er was ironie in de uitdrukking "mannen, die Romeinen zijn", want de magistraten hadden bevolen hen te slaan en gevangen te zetten onder de beschuldiging dat zij, "Joden zijnde", de stad beroerden. Op dezelfde manier wijst de apostel erop, dat zij "in het openbaar" in de gevangenis werden "geworpen", en nu willen de magistraten hen "heimelijk" "uitwerpen" (Gr. in beide gevallen ballo), alsof zij geen rechten hadden? Dat in geen geval! Hij wil hen verantwoordelijk houden voor hun onwettige handeling. Zij  moeten zelf komen en de apostelen buiten de stad geleiden in het openbaar, zoals zij hen ook hadden opgesloten. Een geheime verontschuldiging zal niet baten; de apostel eist volledige formele genoegdoening.

Nu zijn de borden omgedraaid. De beschuldigden worden beschuldigers en de rechters komen in gevaar van te worden verhoord. De bestuurders zijn nu zowel in gevaar van Rome, wegens aantasting van de beroemde onaantastbaarheid van Romeins burgerschap, en ook van Philippi zelf, want haar inwoners, zelf Romeinse staatsburgers zullen zeker, als zij bemerken dat Paulus en Silas ook Romeinen zijn, boos zijn wegens het voorbijzien van hun rechten. Dit wetende, "vreesden" (V.38) de magistraten. Er bleef niets anders over dan toe te geven.

Er kunnen hier veel lessen geleerd worden uit Paulus' optreden. We kunnen er zeker van zijn, dat de apostel deze Romeinse bestuurders niet alleen uitdaagde tot persoonlijke bevrediging. Het was niet uit trots, maar vanuit een zuiver besef van waardigheid van zijn ambt, dat hij deze actie ondernam. Ook dacht hij aan de Philippische gelovigen. Hij was altijd de voorste geweest om geduldig het lijden te dragen door de hand van zijn vervolgers, maar, zoals Barnes zegt op dit punt: "waar onderwerping zonder enige poging tot verkrijging van recht, onrecht tot gevolg kan hebben...zal een hogere verplichting eisen dat iemand rechtvaardiging van zijn karakter zoekt, en aanspraak maakt op bescherming door de wetten."

En dit was niet het enige geval waar Paulus zijn rechten als Romeins burger doet gelden. Wij zien hem dit weer doen in Hand.21:39; 22:25 en 25:10,11. Maar niettemin zien we hem nooit zijn rechten als Hebreeuws burger opeisen. Zo wil God nadruk leggen op het feit, dat Paulus voornamelijk de apostel der heidenen was, zoals hij ook zegt in zijn brief aan de gelovigen te Rome:

"Want ik spreek tot u, heidenen; voor zover ik der heidenen apostel ben, ik maak mijn bediening heerlijk" (Rom.11:13).

Toch weten we, dat hij net zo goed een Hebreeuws burger was; een geboren Hebreeër (Phil.3:5), en tegelijkertijd een geboren Romein (Hand.22:28). Hierin vertegenwoordigt hij het Lichaam van Christus, een samengesteld lichaam van gelovige Joden en heidenen (1Cor.12:13). Hierop wordt inderdaad een verdere nadruk gelegd door het feit, dat Paulus, een vroegere vijand van God en Zijn Christus, nu echter glorierijk verzoend was. We lezen immers met betrekking tot Joden en heidenen, dat Christus stierf:"...opdat Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende (Eph.2:16).

Daarom, zoals de twaalven gezonden werden tot Israel, zo werd Paulus tot de heidenen gezonden, en zoals de twaalven de aangewezen vertegenwoordigers van de twaalf stammen van het verloste Israel (Matt.19:28) waren, zo was Paulus de aangewezen vertegenwoordiger van het "ene lichaam" (Col.1:24,25).

Terugkerend naar de plaatselijke gebeurtenis in Philippi, zien we de magistraten zich verontschuldigen tegenover Paulus en Silas, toch echter hen verzoeken de stad te verlaten, klaarblijkelijk beangst, dat hun blijven hun blunder onder de aandacht zou kunnen brengen, en de zaken voor hen nog ingewikkelder zouden maken.

Maar de apostelen, genadig ingaand op hun verzoek, vluchtten niet inderhaast de stad uit. Met waardigheid en zelfverzekering, getuigende van het recht van hun zaak, gingen zij eerst naar Lydia's huis om "de broeders" te vertroosten. Zeker "de goddelozen vlieden, daar waar geen vervolger is, maar elke rechtvaardige is moedig als een jonge leeuw" (Spr.28:1).

Wij kunnen er zeker van zijn, dat onder Gods leiding, Paulus' moed, geduld, tegenwoordigheid van geest, en klaarheid van oordeel, door dit gebeuren, en de trouw van Silas als zijn metgezel, de kleine gemeente te Philippi in een veel gunstiger positie plaatste, en ongetwijfeld een grote hulp werd tot haar bevestiging.

Niettemin zouden deze gelovigen niet vrij zijn van vervolging, want de duivel zou binnen zijn macht alles inzetten, om het evangelie van Gods genade, dat een vaste voet in Europa had gekregen, tegen te staan. Inderdaad zou het lijden dat zij te doorstaan kregen, hun een diepere waardering schenken voor degene die zelf zoveel geleden had om Christus tot hen te brengen, zodat zij keer op keer Paulus zochten "om gemeenschap met hem te hebben in zijn verdrukkingen", en te voorzien in zijn noden. Hoe konden zulken als Lydia en haar huis, en de bevrijde Pythonesse, en de gevangenbewaarder en zijn huis, hem ooit vergeten?

Voor dit moment schijnt het dat beiden, Timotheus en Lukas, bij de jonge gemeente bleven, want Lukas zegt van Paulus en Silas, dat "zij...vertrokken" (16:40). Inderdaad is het mogelijk dat Lukas in Philippi bleef tot Paulus' volgende apostolische reis, want het verhaal gaat nu verder in de derde persoon, en keert weer terug naar de twede persoon, bij 20:6. Timotheus echter voegde zich spoedig daarna weer bij Paulus. Hiernaar verwijst 17:14.

Zo werd "het evangelie van Gods genade" voor het eerst in Europa geplant, en het gaat nog steeds door vrucht voort te brengen, ondanks dat de heerlijke boodschap, steeds meerder geopenbaard aan de apostel der genade, en steeds meer verkondigd door hem, sindsdien weliswaar is veranderd door de leiders van de Kerk, en verward met het "evangelie van het koninkrijk".

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011