H O O F D S T U K
XXIX - HAND. 16:25-40
DE PHILIPPISCHE GEVANGENBEWAARDER BEKEERD
DE GEVANGENIS DOOR EEN WONDER GEOPEND
"En
omtrent de middernacht baden Paulus en Silas en zongen Gode lofzangen;
en de gevangenen hoorden naar hen."En er geschiedde snellijk een
grote aardbeving alzo dat
de fundamenten des kerkers bewogen werden; en terstond werden al de
deuren geopend, en de banden van allen werden los.
"En de stokbewaarder wakker geworden zijnde, en ziende de deuren
der gevangenis geopend, trok een zwaard en zou zichzelven omgebracht
hebben, menende dat de gevangenen ontvloden waren.
"Maar
Paulus riep met grote stem, zeggende: Doe uzelven geen kwaad; want wij
zijn allen hier."En als hij licht geëist had, sprong hij in en
werd zeer bevende en viel voor Paulus en Silas neder aan de
voeten;"En hen buitengebracht hebbende, zeide hij: Lieve heren,
wat moet ik doen, opdat ik zalig worde? "En zij zeiden: Geloof in
de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden, gij en uw
huis."En zij spraken tot hem het Woord des Heren, en tot allen
die in zijn huis waren."En hij nam hen tot zich in dezelve ure
des nachts, en wies hen van de striemen; en hij werd terstond gedoopt,
en al de zijnen."En hij bracht hen in zijn huis en zette hun de
tafel voor, en verheugde zich, dat hij met al zijn huis aan God
gelovig geworden was." Hand.16:25-34.
Wat
zijn dat voor geluiden midden in de nacht? Bidden! Zingen! Vreemd! Zou
het komen uit de kerker waarin de twee laatste gevangenen geworpen
werden? Zij kunnen niet eens knielen; hun voeten zitten vast in het
blok. En zingen? Waarom, pas enkele uren geleden werden zij
wreed geslagen met roeden en in het gevang geworpen, hun ruggen zonder
genade gekwetst, en bloedend door "vele slagen".
Uiteraard
kunnen zij niet slapen - hoe kunnen zij dan bidden en zingen in hun
toestand, en in zo'n plaats? Toch moeten zij het zijn die wij horen,
want zij zijn degenen die rondgegaan zijn en het volk verteld hebben
over redding door Christus. Hoe vreemd en wonderlijk klinkt dit! Tot
nu toe hebben deze muren slechts gekreun, gevloek, en boze
uitbarstingen gehoord; nu horen ze gebeden en gezang!
Wat
een getuigenis voor Christus droegen Paulus en Silas in het holst van
de nacht uit! Hoewel diep versmaad, en in lichamelijke ellende, waren
zij overvloeiend van geloof en blijdschap toen zij baden en liederen
(Gr.Humneo) tot God zongen. Zij waren in het geheel niet
verbitterd. In hun lijden, en niet wetend hoe lang zij waren gedoemd
in dit verschrikkelijke hol te zullen verblijven, of welke beproeving
zij hierna nog zouden moeten doormaken, stortten zij hun harten uit in
gebed tot God, en deden een beroep op Hem om sterkte en hulp. En op
één of andere manier scheen Hij nu eerder dichterbij dan veraf,
zodat zij uitbarstten in de ene lofzang na de andere vanuit hun
harten, overvloeiende van vrede en blijdschap. "En de
gevangenen hoorden naar hen"
Hun
gewetens waren zuiver, en hun harten recht voor God -en nog meer
verheugden zij zich, zoals de apostelen in Jeruzalem in hun vervolgingen,
"dat zij waardig waren smaad te dragen voor Zijn naam"
(Hand.5:41). Inderdaad was Paulus, meer dan zij, in de ware zin, de
apostel van de verworpen Christus, "vervullende de overblijfselen
van de verdrukkingen van Christus voor Zijn Lichaam, hetwelk is de
gemeente" (Col.1:24). Zo schreef hij later aan de heiligen in
deze zelfde stad:"Want
u is uit genade gegeven in de zaak van Christus, niet alleen in Hem te
geloven, maar ook voor Hem te lijden,"Dezelfde
strijd hebbende, hoedanigen gij in mij gezien hebt en nu in mij
hoort" (Phil.1:29,30).
Ja,
de apostel gaat nog verder dan dat, als hij hun duidelijk maakt, welk
verlangen hem drijft om Christus nog inniger te leren kennen in
"de gemeenschap Zijns lijdens" (Phil.3:10). Dit was
de vreugde die de harten van Paulus en Silas deed overvloeien in dat
donkere kerkerhol.
En
plotseling, terwijl zij baden en zongen, was daar een aardbeving, zo
geweldig, dat de muren van de gevangenis schudden. "En
terstond werden al de deuren geopend, en de banden van allen werden
los" (V.26).
Zeer
zeker was dit een goddelijk tussenbeide komen. Al getuigt de
geschiedenis ervan, dat in die omgeving en in die tijd aardbevingen
dikwijls voorkwamen, blijft het toch een wonder, dat deze juist toen
plaats vond, en precies dit uitwerkte, - met inbegrip van het losmaken
van de banden van allen! Dit laatste draagt ontegenzeggelijk het
stempel van het wonder. Zij die dit ontkennen, zeggen dat een
aardbeving, behalve de deuren te openen, ook wel de ketenen gebroken
zal hebben waarmee de gevangenen aan de muren geketend waren. Maar wat
dan met het andere uiteinde? Er staat dat "ieders banden los
werden", niet alleen de bevestiging aan de muren. Temeer omdat
Paulus' en Silas' voeten in blokken waren!
En
nu ontwaakt de gevangenbewaarder en vindt alle deuren van de
gevangenis open en veronderstelt uiteraard, dat alle gevangenen
gevlucht zijn. We hebben reeds verklaard hoe deze Romeinse bewaarders
verantwoordelijk werden gehouden met hun levens voor de aan hen
toevertrouwde gevangenen (Zie 12:19). Het is dan ook niet vreemd, dat
we de Philippische bewaarder in grote angst zien, en dat hij zijn
zwaard grijpt, om zich het leven te benemen. Zelfmoord schijnt hem
beter dan ongenade en een wrede excecutie.
Maar
op de een of andere manier ontdekte of gevoelde Paulus, dat de
bewaarder zich het leven wilde benemen, en riep luidkeels vanuit het
donker: "Doe uzelven geen kwaad; want wij zijn allen hier
(V.28). Dit moet bij de bewaarder geweldig goed overgekomen zijn, na
de wrede behandeling die hij Paulus en Silas had gegeven. Toch was het
een van de natuurlijke vruchten van het evangelie dat zij verkondigd
hadden.
Maar
toch, welke macht had alle gevangenen in hun cel doen blijven?
Ons wordt duidelijk verteld, dat "al de deuren los
werden" en "de banden van allen los werden"
(V.26). Waarom vluchtte er niet één? Wij geloven dat dit kwam door
wat zij hadden gehoord toen Paulus en Silas baden en liederen zongen.
Want wat moet wel de reactie geweest zijn in de harten en gedachten
van de heidenen bij zo'n gedrag! Konden zij het helpen dat zij de
aardbeving daarmee verbonden?
Ondertussen
was de bewaarder, zo ternauwernood gered voor zelfmoord, totaal
overstelpt. Roepend om licht (waarschijnlijk toortsen), "sprong
hij in" de kerker en werd zeer "bevende" en
"viel neder" voor Paulus en Silas. Zo groot was zijn
eerbied voor hen, dat hij zelfs niet sprak totdat hij hen "buitengebracht"
had uit de kerker. Toen stelde hij de grote vraag die hem wellicht
reeds bezig hield, en nu plotseling bezit genomen had van zijn hart en
gedachten. Hen aansprekende als "heren" (Gr.Kurioi, Goden)
smeekt hij: "Wat moet ik doen, opdat ik zalig worde
(gered)?" (V.30).
Sommigen
veronderstellen dat de gevangenbewaarder eerder lichamelijke redding
bedoelde dan redding van zijn ziel, toen hij deze vraag stelde, maar
de gebeurtenis zelf bewijst, dat het niet zo is.
1.Paulus
en Silas waren in Philippi reeds "vele dagen" bekend gemaakt
als mannen die "de weg der zaligheid" verkondigden
(V.17,18).
2.De
aardbeving was voorbij. Daar zocht hij dus geen "berging"
voor.
3.Geen
enkele gevangene was ontsnapt, dus zijn leven was, wat dat betreft,
niet langer in gevaar. Het is waar, dat de bewaarder geen
onmiddellijke stappen schijnt te hebben genomen om de gevangenen weer
in te sluiten. Of zijn medewerkers (V.29) hebben dit gedaan, ofwel
omdat de redding van zijn ziel nu zijn voornaamste oogmerk was. God
kan ook de omstandigheden gebruikt hebben om de gevangenen te laten
blijven. In elk geval, als hij het Romeinse recht nu gevreesd
had, dan zou zijn eerste zorg geweest zijn de gevangenschap van de
overige gevangenen zeker te stellen.
4.De
aardbeving, de open deuren van de gevangenis, het nalaten om datgene
met de gevangenen te doen dat zijn ondergang kon bewerkstelligen,
Paulus' smeken voor zijn leven toen hij zelfmoord wilde plegen; dit
alles zou meewerken hem ertoe te brengen, meer dan lijfelijke redding
te zoeken.
5.Paulus
en Silas brachten klaarblijkelijk de bewaarder ertoe, dat hij
bevrijding van zonde zocht. Zij zullen geen lichamelijke bevrijding
beloofd hebben als antwoord op geloof in Christus.
6.De
tere smeking (lieve heren) van de bekeerde bewaarder tot de mannen die
hij zo mishandeld had, en zijn vreugde toen hij "met zijn hele
huis" werkelijk geloofde, schijnt erop te wijzen, dat hij
overtuigd was van zonde.
7.De
verwijzingen naar het "huis" van de bewaarder, samen met
Paulus' antwoord en de bekering van de bewaarder
(V.31,32,33,34),stemmen overeen met de gevallen van Cornelius (11:14)
en Lydia (16:15). Hoe duidelijk stonden de apostelen klaar met het
juiste antwoord dat de bewaarder nodig had! "Geloof in de Here
Jezus Christus, en gij zult zalig worden" (V.31). Dit is de
kern van de boodschap der genade.
Toen
"het volk" aan Johannes vroeg: "Wat moeten we dan
doen?" stond hij op vruchten der bekering en van het
koninkrijk (Luk.3:9-11). Toen een wetgeleerde onze Here vroeg: "Wat
moet ik doen om het eeuwige leven te bëerven", had de Here
hem gevraagd: "Wat staat geschreven in de wet?" en
hem geleerd: "Doe dit, en gij zult leven" (Luk.10:25-28).
Toen de overtuigde toehoorders aan Petrus vroegen: "Wat moeten
wij doen?", had Petrus hen gewezen: "Bekeert u
en laat u dopen...tot vergeving van zonden" (Hand.2:37,38).
Maar nu, onder Paulus, luidt de helder aangewezen boodschap: "Geloof
in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden..." Het
doet er niet toe wat voor zonde, wat voor onwetendheid, wat voor angst
om "vol te houden" - "Geloof in de Here Jezus
Christus, en gij zult zalig worden". Of het tot een kind is,
met nog een heel leven van mogelijkheid vóór zich, of de stervende
mens met slechts een paar minuten nog te leven, de boodschap blijft: "Geloof
in de Here Jezus Christus, en gij zult zalig worden".
De
toegevoegde woorden: "en uw huis" worden vaak genomen
als een belofte dat het geloof van één lid van een familie de
redding verzekert van de gehele familie. Als dit zo was, zou
natuurlijk de hele wereld gered worden, want wij zijn allen
gerelateerd. Maar dit bedoelden de apostelen niet, noch wordt deze
leer ergens in de brieven van Paulus gevonden. De bedoeling is
eenvoudig: "Dit geldt ook voor uw huis. Zij, net als gij, mogen
geloven en behouden worden."
Maar hoewel de apostelen direct tot de kern kwamen met het antwoord op
de vraag van de bewaarder, bleef het daarbij niet, zoals sommige
evangelisten en zielewinnaars vandaag doen. Nog ziek en geslagen
predikten zij "het Woord van de Here" tot de
gevangenbewaarder en zijn huis, nu om hen heen samen gekomen (V.32).
Reeds
spoedig gaf de bewaarder blijk, dat hij oprecht in Christus als zijn
Redder vertrouwd had, want "in dezelve ure des
nachts" bracht hij hen naar een andere plaats waar water
beschikbaar was. En daar waste de eens zo wrede gevangenbewaarder
teder hun wonden. Ons wordt niet verteld wat hij zei toen hij
dit deed, maar we kunnen verwachten, dat daar menig woord van berouw
en verontschuldiging gesproken werd. En hier werden ook de
gevangenbewaarder "en zijn huis" gewassen met een doop die
reiniging van zonde betekende.
Hier
dient opgemerkt te worden, dat Paulus deze doop niet vereiste tot
vergeving van zonde overeenkomstig de "grote opdracht"
gegeven aan de elven (Mark.16:16; Hand.2:38). Zij werd nadien
toegevoegd, net als in de gevallen van Cornelius en Lydia, en alleen
omdat Israel, en het programma van het koninkrijk, nog niet officieel
terzijde gesteld was. Ook betekent dit niet, dat Paulus dopen predikte
of leerde. Hij besneed Timotheus wel, maar toch predikte
hij de besnijdenis niet (Gal.5:11). Desgelijks zegt hij: Christus
heeft mij niet gezonden om te dopen, maar om het evangelie te
verkondigen" (1Cor.1:17), en het zou niet lang meer duren
totdat de "ene doop" door de Geest in Christus, zou
overblijven (Eph.4:5).
Dus
ver van gezins- of kinderdoop stelt het verslag, dat de
gevangenbewaarder "zich verheugde, dat hij met al zijn huis
aan God gelovig geworden was" (V.34). En toch zeggen bekame
Godsmannen, waaronder Albert Barnes: "Dat het gehele verhaal er
ons toe leidt, dat zodra de bewaarder geloofde, hij en zijn
hele familie gedoopt werden....De doop schijnt te zijn toegepast
vanwege het geloof van het hoofd van de familie"! (Commentaar
van Barnes over het Nieuwe Testament, bij Hand.16:34, vette
letters door ons). Op zulke grondslagen werd de leer van gezinsdoop
gestaafd.
Maar
deze passage geeft evenmin grond aan de onderdompelaars voor zover het
betreft de gewoonte van dopen. Er is geen indicatie dat er
voldoende water in de gevangenis aanwezig was om de mensen onder te
dompelen. Het is niet waarschijnlijk dat dit aanwezig was. Ook is
er geen enkele aanwijzing dat zij ondergedompeld werden.
Waarschijnlijk werd water op hen gesprenkeld, of werden zij begoten op
dezelfde plaats waar Paulus' en Silas' verwondingen werden gereinigd.
Zeker is, dat het geschiedde "in dezelve ure des nachts"
(V.23). Er was een aardbeving geweest met veel opgewondenheid, en het
is te betwijfelen of zij deel hadden aan een langdurige ceremonie. We
lezen wel, dat zij "terstond" gedoopt werden (V.33).
En
nu neemt de bewaarder Paulus en Silas mee in zijn huis en zet een
tafel voor hen (V.34). Ongetwijfeld waren zij hongerig geworden, want
het was op de tijd van het gebed, v.m. 9.00 uur (V.16, cf.3:1), dat de
moeilijkheden begonnen, en het was nu zeker voorbij middernacht. Maar
een grotere honger was nu genadig bij de apostelen bevredigd, want het
moet wel al het lijden en vernederen waard geweest zijn om de
bewaarder te zien, "zich verheugend, dat hij met al zijn huis
aan God gelovig geworden was". Hier was inderdaad feest en
ware gemeenschap! En de vreugde van de stokbewaarder en zijn
huishouden was typisch voor de vreugde die altijd het gevolg is van
waar geloof (Zie 2:46,47; 8:8; Rom.15:13; 1Petr.1:8).
PAULUS
LAAT ZIJN ROMEINS BURGERSCHAP GELDEN
"En
als het dag geworden was, zonden de hoofdmannen de stadsdienaars,
zeggende: Laat die mensen los. "En de stokbewaarder boodschapte
deze woorden aan Paulus, zeggende: De hoofdmannen hebben gezonden, dat
gij zoudt losgelaten worden; gaat dan nu uit en reist in vrede.
"Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, die Romeinen zijn,
onveroordeeld in het openbaar gegeseld en in de gevangenis geworpen,
en werpen zij ons nu heimelijk daaruit? Niet alzo; maar dat zijzelven
komen en ons uitleiden. "En de stadsdienaars boodschapten deze
woorden wederom den hoofdmannen; en zij werden bevreesd, horende, dat
zij Romeinen waren. "En zij komende baden hen, en als zij hen
uitgeleid hadden, begeerden zij, dat zij uit de stad gaan zouden.
"En uitgegaan zijnde uit de gevangenis, gingen zij naar Lydia; en
de broeders gezien hebbende, vertroostten zij dezelve, en gingen uit
de stad." Hand.16:35-40.
Toen
het morgenlicht doorbrak verschenen de stadsdienaars, niet met bevelen
om Paulus en Silas op te brengen voor verhoor, maar met een boodschap
van de magistraten om "deze mannen los te laten" (V.35). Dit
kan moeilijk geschied zijn, omdat zij gevoelden dat het lijden door
Paulus en Silas doorstaan, genoeg straf was voor hun
"misdaad". De term "als het dag geworden was"
wijst er eerder op, dat zij om een of andere reden haast hadden om hen
te bevrijden.
Klaarblijkelijk
realiseerden zich de magistraten, toen zij de zaak overdachten, dat
zij nagelaten hadden om het beroemde recht van het Romeinse Rijk te
handhaven, door Paulus en Silas te laten geselen en gevangen zetten,
zonder verhoor of onderzoek. Misschien vermoedden zij zelfs dat één
van hen, of wellicht beiden, Romeinse burgers waren, en de hevige
aardschok die volgde op hun voorbarige veroordeling van de apostelen,
zal hun gewetens wel verder wakker gemaakt hebben. Onder zulke
omstandigheden zouden zij natuurlijk trachten de zaak zo spoedig
mogelijk af te doen.
De
bewaarder, kennelijk verheugd bij deze plotselinge keer van de zaak,
brengt nu het goede nieuws aan Paulus en Silas, en verzoekt hen
"in vrede te gaan", maar tot zijn verbazing weigeren zij
te gaan. Paulus antwoordt met een meesterstuk van nadrukkelijke
kortbondigheid, dat in moderne stijl ongeveer zo zou kunnen worden
vertaald:
"Zij
hebben ons geslagen - "in het openbaar,- "onveroordeeld,-
"mannen, die Romeinen zijn,- "en hebben ons in de gevangenis
geworpen;-"en nu ons heimelijk er uitwerpen? - "Dat nooit;-
"Laat hen zelf komen en ons uitleiden! (V.37).
Er
was ironie in de uitdrukking "mannen, die Romeinen zijn",
want de magistraten hadden bevolen hen te slaan en gevangen te zetten
onder de beschuldiging dat zij, "Joden zijnde", de
stad beroerden. Op dezelfde manier wijst de apostel erop, dat zij
"in het openbaar" in de gevangenis werden "geworpen",
en nu willen de magistraten hen "heimelijk" "uitwerpen"
(Gr. in beide gevallen ballo), alsof zij geen rechten
hadden? Dat in geen geval! Hij wil hen verantwoordelijk houden voor
hun onwettige handeling. Zij moeten
zelf komen en de apostelen buiten de stad geleiden in het openbaar,
zoals zij hen ook hadden opgesloten. Een geheime verontschuldiging zal
niet baten; de apostel eist volledige formele genoegdoening.
Nu
zijn de borden omgedraaid. De beschuldigden worden beschuldigers en de
rechters komen in gevaar van te worden verhoord. De bestuurders zijn
nu zowel in gevaar van Rome, wegens aantasting van de beroemde
onaantastbaarheid van Romeins burgerschap, en ook van Philippi zelf,
want haar inwoners, zelf Romeinse staatsburgers zullen zeker, als zij
bemerken dat Paulus en Silas ook Romeinen zijn, boos zijn wegens het
voorbijzien van hun rechten. Dit wetende, "vreesden" (V.38)
de magistraten. Er bleef niets anders over dan toe te geven.
Er
kunnen hier veel lessen geleerd worden uit Paulus' optreden. We kunnen
er zeker van zijn, dat de apostel deze Romeinse bestuurders niet
alleen uitdaagde tot persoonlijke bevrediging. Het was niet uit trots,
maar vanuit een zuiver besef van waardigheid van zijn ambt, dat hij
deze actie ondernam. Ook dacht hij aan de Philippische gelovigen. Hij
was altijd de voorste geweest om geduldig het lijden te dragen door de
hand van zijn vervolgers, maar, zoals Barnes zegt op dit punt:
"waar onderwerping zonder enige poging tot verkrijging van recht,
onrecht tot gevolg kan hebben...zal een hogere verplichting eisen dat
iemand rechtvaardiging van zijn karakter zoekt, en aanspraak maakt op
bescherming door de wetten."
En
dit was niet het enige geval waar Paulus zijn rechten als Romeins
burger doet gelden. Wij zien hem dit weer doen in Hand.21:39; 22:25 en
25:10,11. Maar niettemin zien we hem nooit zijn rechten als Hebreeuws
burger opeisen. Zo wil God nadruk leggen op het feit, dat Paulus
voornamelijk de apostel der heidenen was, zoals hij ook zegt in zijn
brief aan de gelovigen te Rome:
"Want
ik spreek tot u, heidenen; voor zover ik der heidenen apostel ben, ik
maak mijn bediening heerlijk"
(Rom.11:13).
Toch
weten we, dat hij net zo goed een Hebreeuws burger was; een geboren
Hebreeër (Phil.3:5), en tegelijkertijd een geboren Romein
(Hand.22:28). Hierin vertegenwoordigt hij het Lichaam van Christus, een
samengesteld lichaam van gelovige Joden en heidenen (1Cor.12:13).
Hierop wordt inderdaad een verdere nadruk gelegd door het feit, dat
Paulus, een vroegere vijand van God en Zijn Christus, nu echter
glorierijk verzoend was. We lezen immers met betrekking tot
Joden en heidenen, dat Christus stierf:"...opdat Hij die
beiden met God in één lichaam zou verzoenen door het kruis, de
vijandschap aan hetzelve gedood hebbende (Eph.2:16).
Daarom,
zoals de twaalven gezonden werden tot Israel, zo werd Paulus tot de
heidenen gezonden, en zoals de twaalven de aangewezen
vertegenwoordigers van de twaalf stammen van het verloste Israel (Matt.19:28)
waren, zo was Paulus de aangewezen vertegenwoordiger van het "ene
lichaam" (Col.1:24,25).
Terugkerend
naar de plaatselijke gebeurtenis in Philippi, zien we de magistraten
zich verontschuldigen tegenover Paulus en Silas, toch echter hen
verzoeken de stad te verlaten, klaarblijkelijk beangst, dat hun
blijven hun blunder onder de aandacht zou kunnen brengen, en de zaken
voor hen nog ingewikkelder zouden maken.
Maar
de apostelen, genadig ingaand op hun verzoek, vluchtten niet
inderhaast de stad uit. Met waardigheid en zelfverzekering, getuigende
van het recht van hun zaak, gingen zij eerst naar Lydia's huis om
"de broeders" te vertroosten. Zeker "de goddelozen
vlieden, daar waar geen vervolger is, maar elke rechtvaardige is
moedig als een jonge leeuw" (Spr.28:1).
Wij
kunnen er zeker van zijn, dat onder Gods leiding, Paulus' moed,
geduld, tegenwoordigheid van geest, en klaarheid van oordeel, door dit
gebeuren, en de trouw van Silas als zijn metgezel, de kleine gemeente
te Philippi in een veel gunstiger positie plaatste, en ongetwijfeld
een grote hulp werd tot haar bevestiging.
Niettemin
zouden deze gelovigen niet vrij zijn van vervolging, want de duivel
zou binnen zijn macht alles inzetten, om het evangelie van Gods
genade, dat een vaste voet in Europa had gekregen, tegen te staan.
Inderdaad zou het lijden dat zij te doorstaan kregen, hun een diepere
waardering schenken voor degene die zelf zoveel geleden had om
Christus tot hen te brengen, zodat zij keer op keer Paulus zochten
"om gemeenschap met hem te hebben in zijn verdrukkingen", en
te voorzien in zijn noden. Hoe konden zulken als Lydia en haar huis,
en de bevrijde Pythonesse, en de gevangenbewaarder en zijn huis, hem
ooit vergeten?
Voor
dit moment schijnt het dat beiden, Timotheus en Lukas, bij de jonge
gemeente bleven, want Lukas zegt van Paulus en Silas, dat
"zij...vertrokken" (16:40). Inderdaad is het mogelijk dat
Lukas in Philippi bleef tot Paulus' volgende apostolische reis, want
het verhaal gaat nu verder in de derde persoon, en keert weer terug
naar de twede persoon, bij 20:6. Timotheus echter voegde zich spoedig
daarna weer bij Paulus. Hiernaar verwijst 17:14.
Zo
werd "het evangelie van Gods genade" voor het eerst in
Europa geplant, en het gaat nog steeds door vrucht voort te brengen,
ondanks dat de heerlijke boodschap, steeds meerder geopenbaard aan de
apostel der genade, en steeds meer verkondigd door hem, sindsdien
weliswaar is veranderd door de leiders van de Kerk, en verward met het
"evangelie van het koninkrijk".
|