H O O F D S T U K XXVII
- HAND. 15:36-16:8
PAULUS BEGINT ZIJN TWEEDE APOSTELREIS
NOG MEER MOEILIJKHEDEN
"En
na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons wederkeren en
bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heren
verkondigd hebben, hoe zij het hebben.
"En
Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden medenemen.
"Maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zou medenemen, die
van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot
dat werk. "Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van
elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam en naar Cyprus
afscheepte. "Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade
Gods van de broederen bevolen zijnde. "En hij doorreisde Syrië en
Cilicië, versterkende de gemeenten." - Hand.15:36-41.
DE TWIST TUSSEN PAULUS
EN BARNABAS
Antiochië
had al genoeg onenigheid meegemaakt vanwege de Judaïsten. Maar vóór
het verlaten van het toneel, zijn we getuige van nog een scherpe
tegenstelling, deze keer tussen Paulus en Barnabas, de werkers die samen
zoveel voor de Here hadden gedaan. De moeilijkheid ontstond toen Paulus
voorstelde, dat hij en Barnabas hun broeders "in elke stad"
waar zij het Woord gepredikt hadden, zouden bezoeken, om te zien hoe het
hun ging. Hier krijgen we een glimp te zien van de zorg van Paulus voor
zijn kinderen in het geloof, die zo dikwijls naar voren komt in zijn
brieven, speciaal in 2Cor.11:28, waar hij spreekt van "de zorg
van al de gemeenten".
Barnabas
was het klaarblijkelijk hierin eens met Paulus, maar hij "was van
gedachten" om Johannes Markus weer mee te nemen, terwijl Paulus het
daarentegen verkeerd vond, om als medewerker mee te nemen, degene die
hen zo spoedig na vertrek op hun vorige reis had verlaten. In deze
onenigheid wilde de één voor de ander niet buigen. Barnabas wilde niet
gaan zonder Markus, en Paulus wilde niet met hem gaan,
totdat de zaak uitdraaide op een boos gesprek. Het meningsverschil
tussen deze twee oude vrienden werd zo scherp, dat zij van elkaar
scheidden. Barnabas nam Markus mee en zeilde naar Cyprus, en Paulus koos
Silas en (na door de Gemeente aan God opgedragen te zijn), reisde hij
door Syrië en Cilicië.
WIE WAS VERKEERD?
Het
zou dwaas zijn om aan een passage als deze voorbij te gaan om iedere
partij van blaam te vrijwaren. Er is, hoe ook, geen rechtvaardiging voor
deze opgelopen ruzie. Het was ontegenzeggelijk onzuiver en verkeerd.
Hiermee bewezen Paulus en Barnabas precies wat zij tot de Lystriërs
gezegd hadden: "Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als
gij" (Hand.14:15). Karakteristiek stellen de Schriften de
feiten openlijk, ons tot lering en ten goede. Wij benadrukken dit, omdat
als we het ambt van Paulus verheerlijken, zoals de Schrift dit
doet (Rom.11:13), er altijd sommigen zijn die ons verwijten Paulus
persoonlijk te verheffen.
Sommigen
hebben de twist verklaard door een mogelijke geestelijke teruggang op te
merken in het veranderen van de woorden: "de Heilige Geest zeide,"
in 13:2, naar de woorden: "Paulus zeide", in 15:36. Er
dient echter herinnerd te worden, dat
we in de vorige passage de oorspronkelijke opdracht zien aan de
gemeente te Antiochië om Paulus en Barnabas af te zonderen voor het
werk waarin zij nu betrokken werden. Daarom moeten wij niet nog zo iets
verwachten. Ook moeten we niet veronderstellen, dat de apostel in het
vlees handelde telkens als wij niet de woorden tegenkomen: "De
Heilige Geest zeide". Inderdaad dienen gelovigen nu, na het
voorbijgaan van de Pinkstertijd, zeer voorzichtig te zijn met te zeggen:
"De Geest zeide" of, "De Geest vertelde
me" of, "De Here zei tot mij", tenzij zij
verwijzen naar het geschreven Woord van God.
Het
waren volstrekt gewone omstandigheden die leidden tot de twist tussen
Paulus en Barnabas. Ten eerste had het falen van Markus, de neef van
Barnabas, zo spoedig op hun eerste reis, zijn nawerking. Ook nog begon
Paulus zijn vertrouwen in Barnabas te verliezen, sinds zijn "zich
laten meetrekken" bij de 'schijnvertoning" in Antiochië
(Gal.2:13).
Aan
de andere kant zal Barnabas het vervelend gevonden hebben, betrokken te
zijn geweest bij Paulus' verwijt aan Petrus. Barnabas zal inderdaad
gevoeld hebben, dat Paulus aan hem persoonlijk verschuldigd was, omdat
hij degene was, die hem bij de apostelen in Jeruzalem had gebracht, en
daarna naar Antiochië. Ook was Barnabas als eerste gerangschikt onder
de profeten te Antiochië (Zie Hand.13:1, waar Saulus als laatste
genoemd wordt), en waar over de twee dikwijls wordt gesproken als "Barnabas
en Paulus". Dit was ook nog tevoren geschied bij het convent te
Jeruzalem (Hand.15:12,25). En toch, langzamerhand was Paulus naar voren
gekomen, en Barnabas naar de achtergrond geraakt. Dit was uiteraard Gods
wil, maar het zal voor Barnabas moeilijk geweest zijn om dit als zodanig
te erkennen.
Maar
omdat de Schrift geen enkele oplossing geeft van hun verbitterde
tegenstelling, volgt daaruit niet, dat de principes van waaruit ieder
uitging zonodig verkeerd waren. Inderdaad leidt een onderzoek van de
feiten ertoe, dat zij terecht waren, en als iemand zich in beider
standpunt in het conflict plaatst, "kan hij dit overnemen".
Alleen kon elke partij zich niet voldoende in de plaats van de ander
indenken, of zoals Paulus zelf het later weergaf, "een iegelijk
zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen
is" (Phil.2:4).
Wat
betreft datgene wat de betrokkenen voor-stonden, dient aan de
zijde van Barnabas te worden opgemerkt, dat het afhaken van Markus hem
even diep zal hebben teleurgesteld als het Paulus deed, en dat Markus
het onderwerp van zijn ernstig gebed moet zijn geweest, omdat zij toch
zo nauw aan elkaar gerelateerd waren. Welke uiteen-zettingen Barnabas
nog schriftelijk met Markus heeft gehad, wellicht in Jeruzalem, of dat
Barnabas hem opnieuw naar Antiochië heeft gebracht, weten we niet. We
weten echter, dat hij daar was, en het is duidelijk dat Barnabas
aanvoelde, dat er voldoende aanleiding was om hem nog een andere
mogelijkheid te geven, vertrouwende dat Markus zijn les geleerd had en
nu betrouwbaar zou zijn. Het was volkomen normaal en terecht, dat
Barnabas een grote verantwoordelijkheid voor zijn jonge neef gevoelde in
deze zaak. Het is waar, dat Markus gefaald had, maar kunnen fouten
nimmer worden vergeven, en leren de mensen niet dikwijls van hun fouten?
Dit
is echter geen volkomen beeld. Paulus had niet dezelfde persoonlijke
aanleidingen, noch klaarblijkelijk dezelfde gronden voor hernieuwd
vertrouwen in Markus, dat Barnabas had. Hem scheen het blijkbaar een
ongerechtvaardigd risico toe, om met zo'n metgezel op reis te
gaan, van wie uit ervaring was gebleken, angstig te zijn in gevaar. Dit
kan goed worden begrepen, want boven alles "wordt van de
uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde" (1Cor.4:2)
en "het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid,
is als een gebroken tand en verstuikte voet" (Spr.25:19).
Ongetwijfeld voelde Paulus ook, dat Barnabas beïnvloed werd door zijn
familierelatie; dat hij bevooroordeeld was ten gunste van zijn neef in
die mate, dat hij de redenen tegen zijn meegaan niet voldoende in
overweging nam.
TWEE PARTIJEN
INPLAATS VAN ÉÉN.
Voortgaande
met onze studie in Handelingen zullen we steeds meer zien hoe God eerder
meer en meer voorzienend regeert, dan direct tussenbeide
komend, zoals Hij eerst deed.
Welk
een verandering had plaats gegrepen sedert de eerste hoofdstukken van
Handelingen! Daar bijvoorbeeld "was de menigte van degenen die
geloofden (meer dan 5.000), één hart en één ziel" (Hand.4:32),
en toen twee bedriegers probeerden zich bij hen te voegen, kwam God
tussenbeide en sloeg hen dood.
Maar
nu waren de gelovigen niet meer één hart en één ziel, - zelfs zij te
Jeruzalem niet. Vandaar de "weerstand en twisting" te Antiochië,
de "grote twisting" te Jeruzalem, Paulus' verwijten aan Petrus
te Antiochië, en de "verbittering" tussen Paulus en Barnabas.
Op
Pinksteren "waren zij allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4),
eenvoudig omdat "de dag van het Pinksterfeest vervuld werd"
(V.1), en de tijd gekomen was voor de uitgieting van de Geest in kracht.
Maar nu, met de opwekking van Paulus, komen we steeds meer en meer in de
bedeling waarin de vermaning aan de orde komt: "Wordt
vervuld met de Geest" (Eph.5:18). Op Pinksteren nam de
Geest bezit van de Zijnen, en was oorzaak dat zij Zijn wil
deden. Nu, wordt Hulp van de Geest voorzien door genade,
maar wij moeten deze toeëigenen door geloof. Dit brengt
vanzelf een grotere uitdaging, en mogelijkheid tot grotere
overwinningen en beloningen met zich, maar maakt ook
nederlaag mogelijk. Vandaar de melding van zo vele fouten onder de
gelovigen, na de opwekking van Paulus om een nieuwe bedeling in te
luiden.
Maar
omdat directe Goddelijke ingrepen in de latere Handelingen afnemen, is
het duidelijk, dat God in voorziening regeert. We hebben dit gezien in
de resultaten van het Jeruzalem convent, zo beladen met narigheid. We
hebben het ook gezien in het hele probleem met de Judaïsten. Waren de
Judaïsten niet naar Antiochië gekomen, dan zou de Raad in Jeruzalem
met haar belangrijke beslissingen, nooit zijn gehouden. Als Petrus zich
niet van de heidenen te Antiochië had "teruggetrokken", zou
het argument in Gal.2 veel van zijn kracht verloren hebben. Dit
verontschuldigt Petrus en de Judaïsten natuurlijk niet, maar het toont
ons dat, omdat God niet langer direct en wonderbaarlijk in
de zaken van de mens tussenbeide komt, Hij niettemin zit op de troon,
en "alle dingen werkt naar de raad van Zijn (eigen)
wil", en "ten goede van hen, die naar Zijn
voornemen geroepen zijn" (Eph.1:11; Rom.8:28).
Zo
was het ook in het geval van Paulus en Barnabas. Midden in het falen
zien we Gods over-heersing, want nu zijn er twee partijen inplaats van
één, die uitgaan om het evangelie te verkondigen; Barnabas neemt
Markus mee, en Paulus, Silas.
Er
werd reeds opgemerkt, dat Paulus en Silas door de gemeente opgedragen
werden aan Gods genade (V.40), zoals ook eerst Paulus en Barnabas
(Hand.13:3; 14:26), maar dat Barnabas en Markus zo'n opdracht deze keer
niet ontvingen. Dit zou echter hebben kunnen zijn, omdat Barnabas
plotseling of heimelijk, uit boosheid of teleur-stelling vertrok, of in
het algemeen het werk daar helemaal aan Paulus overliet.
Zelfs
als dat het geval is geweest, blijkt dat in hoofdzaak de gemeente achter
Paulus stond, hoewel aan de andere kant weer gezegd kan worden, dat het
latere verslag aantoont, dat Barnabas' vertrouwen in Markus
gerechtvaardigd was, en dat hij er goed aan deed de jonge man nog een
kans te geven.
In
ieder geval reisden nu Barnabas en Markus naar Cyprus, terwijl Paulus en
Silas door Syrië en Cilicië reizen (naar wij hopen niet met dezelfde
bestemming!). Dit is de eerste aanwijzing dat in Syrië en Cilicië gemeenten
gevestigd waren (klaarblijkelijk na Paulus' terugkeer naar Tarsen,
dan wel gedurende zijn bediening in Antiochië. Zie Gal.1:21 en cf.
Hand.9:30; 11:25,26; 15:23).
Het
is hartverwarmend te zien, dat alle vier deze mensen waarover we
gesproken hebben, werkelijk hetzelfde grote doel in het hart hadden, en
dat na een zekere tijd hun wonden weer geheeld waren. In 1Cor.9:6
spreekt Paulus hoog van Barnabas als medewerker voor Christus. Wat
Markus betreft instrueert Paulus de gelovigen in Colosse om "hem
te ontvangen"; in File.24 noemt hij hem een "mede-arbeider",
en in 2Tim. 4:11 doet hij een bewogen verzoek: "Neem Markus mede
en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.~ Zo
kwam Markus door, met vliegende vaandel, en Paulus ontving hem
goedgunstig terug. Het is inderdaad ontroerend om te zien, dat God deze
dienstknecht gebruikte (Hand.13:5), die zo akelig had gefaald, om het
verslag te schrijven van de volmaakte dienaar, Het Evangelie
naar de beschrijving van Markus.
Dit
is het laatste wat we van Barnabas en Markus in het Boek Handelingen
horen. De reden vanuit de bedeling voor het verdwijnen van de twaalf
apostelen, en ook van Barnabas en Markus, blijkens het verslag is, dat
de boodschap en de bediening, toevertrouwd aan Paulus, de nodige
aandacht krijgt. Het wil
niet zeggen dat Barnabas een geestelijk "uitgestotene" zou
zijn geworden. Hierover zijn de commentaren van Alexander Whyte over
Barnabas zeer pertinent:
"Zeer
spoedig zal de hoogste eer van elk huis op aarde, de erkenning van
Apostel Paulus zijn. Maar geen enkele trotse huisbeheerder kan ooit deze
eer van Barnabas wegnemen, dat hij de eerste mens van invloed en
verantwoordelijkheid was, die zijn hart en huis voor Saulus van Tarsen
opende, toen heel Jeruzalem nog stenen naar hem wierp" (Bible
Characters, Vol.V.P.23O).
Paulus
zou ongetwijfeld nu Barnabas missen, niet alleen omdat hij samen met hem
zoveel belevenissen had doorgemaakt in hun dienst voor Christus, maar
ook omdat de gemeenten die hij nu opnieuw ging bezoeken, Barnabas
kenden, en dat Barnabas' naam verbonden was met de zijne in de
rondzendbrief van Jeruzalem. Hoe zou de breuk nu moeten worden
uitgelegd, en zou Barnabas' afwezigheid geen verdenking oproepen voor
wat betreft de betrouwbaarheid van de brief? Zeer zeker was Silas de man
om in zo'n geval bij zich te hebben, want als een van de
"hoofdlieden" van de gemeente in Jeruzalem, speciaal gezonden
om "met de mond hetzelfde te verkondigen" (Hand.15:27), kon
hij nu, beter dan enig ander, van grote steun zijn.
TIMOTHEUS VERKOZEN OM
PAULUS
EN SILAS TE VERGEZELLEN
"En
hij kwam te Derbe en Lystre. En zie, aldaar was een zeker discipel, met
name Timotheus, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse
vader; "Welken goede getuigenis gegeven werd van de broederen te
Lystre en Ikonium. "Deze wilde Paulus dat met hem zou reizen; en
hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die in die plaatsen waren;
want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was." - Hand.
16:1-3.
EEN
VEELBELOVENDE JONGEMAN
Zij
die de Here aanvaardbaar willen dienen, zullen van Paulus'
vasthoudendheid en moed leren. De bovenvermelde passage verslaat zijn derde
bezoek aan Derbe en Lystra, waar hij was gestenigd en voor dood
achtergelaten.
Het
was in deze omstreken, dat de apostel door Gods merkwaardige
voorzienigheid een jongeman vond, als helper en mede-arbeider, bestemd
om één van Paulus' trouwste en effectieve medewerkers te worden. Dat
de voorzienigheid merkwaardig was, bewijst het feit dat het verslag van
de gebeurtenis begint met de uitroep: "Zie!"
Timotheus
was de ongelukkige afkomeling uit een onwijs en onschriftuurlijk
huwelijk. Zijn moeder was een Jodin, Eunice genaamd, en zijn vader was
een Griek. In Judea kwamen zulke huwelijken zelden voor. Maar hier,
onder de Joden in de verstrooiing, kwam dit natuurlijk meer voor.
Wellicht had de jonge Griekse minnaar Eunice en haar moeder Loïs te
kennen gegeven, dat als hij eenmaal getrouwd zou zijn, hij een trouwe
aanbidder van de God van Israel zou worden. Maar het is duidelijk, dat
hij dat niet gedaan heeft, want Timotheus was nimmer besneden, en de
passage die we beschouwen geeft aan, dat hij, de vader, "een
Griek" gebleven was. Toch werden deze onwezenlijke omstandigheden
gunstig bestuurd.
Wat
ook de beproevingen waren die Eunice er toe dreven om dit ongelijke juk
aan te gaan, en wat voor redenen ook haar moeder Loïs ertoe hadden
gebracht om met het huwelijk in te stemmen, het is duidelijk, dat zij
beiden zichzelf de schuld gaven voor wat had plaats gevonden, en ernstig
zochten het verkeerde weg te doen. De apostel vermeldt immers hun
"ongeveinsd geloof" (2Tim.1:5), en het feit dat "van
kinds af" Timotheus "de Schriften heeft geweten"
(2Tim.3:15).
Met
betrekking hierop merkt Dean Howson op:
"Het
is opmerkelijk dat een karakter, dat onder de meest foutloze en
innemendste in de Bijbel behoort, het karakter zou zijn van die ene
persoon, wiens huiselijke relaties en vroegere opvoeding zó worden
beschreven" (Companions of St.Paul, P.269).
Hoewel
niettemin moeder, en grootmoeder, Timotheus vlijtig de Schriften hadden
onderwezen, die hem "wijs maakten tot redding" (2Tim.3:15),
was het niet direct door hun bemiddeling, maar door die van Paulus, dat
hij gered werd, want Paulus noemt hem "mijn zoon in het
geloof" (1Tim.1:2, cf.V.18 en 2Tim. 1:2; 2:1). Klaarblijkelijk
werd Timotheus gered bij, of door, Paulus' eerste bezoek aan Lystre. Wij
weten uit 2Tim.3:10,11, dat hij vertrouwelijk
kennis had van Paulus' "wijze van leven", en van zijn
vervolgingen te Antiochië en Lystre.
Dat
bezoek aan Lystre had ongeveer zes jaren tevoren plaats gevonden, en het
was waarschijnlijk omstreeks twaalf jaren na dit huidige bezoek,
dat Paulus nog steeds aan Timotheus kon schrijven: "Niemand
verachte uw jonkheid" (1Tim.4:12), dus Timotheus moet nog een
jongen geweest zijn ten tijde van zijn bekering. Maar zijn grondige
onderwijzing in de Schriften, het "ongeveinsd" geloof van zijn
moeder en grootmoeder, de inspiratie van Paulus' prediking, en zijn
vertrouwelijke kennis van Paulus' wijze van leven en lijden voor
Christus, moet alles een grote uitwerking op hem gehad hebben*/[i], want nu "Ziet!",
hier is deze jonge man, reeds een toegewijde en veelbelovende
gelovige! Inderdaad moet zijn Christelijke invloed reeds buiten de
grenzen van zijn geboorteplaats bekend geweest zijn, want we lezen dat
van hem "goed getuigenis" gegeven werd door de broeders van twee
gemeenten; te Lystre en te Ikonium (V.2).
Uit
de twee brieven aan Timotheus is duidelijk, dat hij gecultiveerd en
verfijnd was, een onderzoeker van zijn jeugd aan, kwetsbaar van
gezondheid en in goede doen, natuurlijk gevolg van zijn opvoeding, met
een bijna vrouwelijke teerhartigheid. Paulus schrijft hem voor, met
verwijzing naar zijn moeder, zijn grootmoeder en zijn tranen, in verband
met zijn "gedurige zwakheden", en dringt hem niet beschaamd,
of bang, of week te zijn, maar sterk, als "een goed soldaat van
Jezus Christus".
Omdat
Timotheus geen robuust karakter had, schijnt het dat Paulus soms bang
was, dat hij bij geval zou kunnen terugschrikken voor de strijd.
Timotheus echter trok zich niet terug, maar bewees moed en trouw tot het
einde. Hij werd tot Paulus' meest intieme medewerker op de lange duur.
Behalve
dat hij Paulus diende en meestentijds met hem werkte, werd Timotheus
achtergelaten, of naar vele kerken gezonden, waar zijn hulp bijzonder
nodig was (Zie Hand.17:14; 19:22; 1Cor.4:17; 1Thess.3:2; 1Tim.1:3), en
Paulus noemt hem als mede-schrijver van zes van zijn brieven (2Cor.1:1;
Phil.1:1; Col.1:1; 1Thess.1:1; 2Thess.1:1; File.1).
De
achting en genegenheid van de apostel voor Timotheus is direct te zien
in passages als die, waarin hij hem beschrijft als zijn
"broeder", een "dienaar van God", zijn
"medewerker in het evangelie van Christus", zijn
"geliefde zoon, en trouw in de Here", etc.
In
één van zijn laatste brieven schrijft de apostel van hem:"En
ik hoop in den Here Jezus, Timotheus haast tot u te zenden, opdat ik ook
welgemoed moge zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. "Want ik
heb niemand, die even alzo gemoed is, de welke oprechtelijk uw zaken zal
bezorgen. "Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van
Christus Jezus is. "En gij weet zijn beproeving, dat hij als een
kind zijn vader, met mij gediend heeft in het evangelie" (Phil.2:19-22).
Zelfs
in zijn vroege bediening voor Christus moet Timotheus met Paulus gediend
hebben in veel meer plaatsen dan die zijn vermeld. Want Paulus, als hij
tot de Corinthiers schrijft, legt uit, dat Timotheus hen zal herinneren
aan zijn wegen: "gelijkerwijs ik alom in alle gemeenten leer"
(1Cor.4:17).
Nog
een stap in de overgang van de oude bedeling naar de nieuwe is te zien
in het feit, dat tot daar toe, al Paulus' reisgenoten op zijn
apostolische reizen gekozen werden uit de Besnijdenis, terwijl hier,
voor het eerst iemand was, die slechts gedeeltelijk Joods was. Om
redenen die we later zullen bespreken, had echter de apostel hem formeel
in het Joodse ras ingebracht, door de ritus van besnijdenis.
Bovendien
was er klaarblijkelijk voor de jongeman een openbare dienst gehouden, vóór
hij zich inscheepte op zijn reis met Paulus en Silas. In deze dienst
hadden mannen met de gave van profetie verklaard, dat God Timotheus voor
deze bediening had uitverkoren en hem een speciale "gave" was
toebedeeld door de Geest, toen de oudsten van de Gemeente, samen met
Paulus, en waarschijnlijk Silas, zichzelven met hem hadden
geidentificeerd, door oplegging van handen (1Tim.1:18; 4:14; 2Tim.1:6).
Hoewel de nieuwe bedeling helderder begon te verschijnen, was de oude,
met haar wondergaven, nog niet "vervaagd".
Toen
werd Timotheus, ondanks zijn jeugd, door zijn opvoeding, door zijn
persoonlijk karakter, en nu door bovennatuurlijke mededeling, bijzonder
gekwalificeerd voor het werk dat hij zou gaan ondernemen met het
begeleiden van Paulus op zijn reizen, en het assisteren van hem bij zijn
werk.
DE
BESNIJDENIS VAN TIMOTHEUS
Paulus'
besnijdenis van Timotheus, zo kort na de raadsvergadering te Jeruzalem,
heeft menig ernstig en ijverig Bijbelstudent zich het volgende doen
afvragen.
Als
hij de jongeman had besneden omdat bekend was dat zijn moeder een
Jodin was, zou de vraag gemakkelijker op te lossen zijn, maar de
passage, die wij nu beschouwen, verklaart duidelijk, dat hij dit deed
omdat "zij allen wisten dat zijn vader een Griek was"
(V.3). Toch had hij slechts kort tevoren erop gestaan, bij het convent
te Jeruzalem, dat de heidenen niet onder de besnijdenis en de wet
zouden worden gebracht. Inderdaad had hij Titus, een Griek, meegenomen
als toets, en was later in staat om te zeggen: "En Titus werd niet
genoodzaakt zich te laten besnijden...noch hebben wij ook niet een uur
geweken met onderwerping" (Gal.2:3,5).
Waarom
besneed Paulus Timotheus dan? Was dit konsekwent? Gaf hij toe terwille
van de voortgang?
Het
is natuurlijk dikwijls moeilijk de lijn te trekken tussen recht en krom
in die gevallen waar voortgang geboden is. Maar toch schijnt het ons
toe, dat een algemene beschouwing en een bijzonder onderzoek van de
gebeurtenis, zal openbaren dat de apostel het in dit geval niet op een
accoord gooide, of zijn principes geweld aan deed.
Ten
eerste zou een compromis in deze zaken, op dat ogenblik te duidelijk
tegenstrijdig zijn, want Paulus had niet alleen kort tevoren in
Jeruzalem voor het vrij zijn van de besnijdenis der heidenen gestreden,
maar ons wordt uitvoerig verteld, dat zowel in Antiochië, en "alzo
zij de steden doorreisden", zij juist op deze reis aan alle
gemeenten, de geschreven brief van de Raad te Jeruzalem overgaven
(15:30; 16:4).
Ten
tweede valt op te merken, dat de kwestie Timotheus veel verschilde van
die van Titus, niet alleen omdat Timotheus deels Joods was, maar omdat
in zijn geval van zo'n principe als in het geval van Titus, geen sprake
was. In het geval waarbij Titus betrokken werd, hadden gelovigen
in Jeruzalem geprobeerd om het als principe te stellen, dat de heidenen
moesten worden besneden en de wet onderhouden om behouden te worden. In
dat geval is Paulus "niet één uur geweken met onderwerping"
(Gal.2:5). De heidenen, tot wie hij was gezonden met het goede nieuws
van genade, werden niet onder de wet gesteld.
In
het geval van Timotheus echter, was van zo'n principe geen sprake.
Niemand probeerde hier besnijdenis aan Timotheus op te leggen. Het was
terwille van de ongelovige Joden (V.3) dat Paulus Timotheus
besneed, en dit geschiedde vrijwillig, om elke mogelijke verhindering in
hun bediening onder het volk van Israel weg te nemen.
Ten
derde is het element tijd een belangrijke factor bij het
uitleggen van het Boek Handelingen. Er wordt aan herinnerd dat Paulus
zelf, de grote waarheden van genade geleidelijk ontving, in een
reeks openbaringen, en dat de besnijdenis van Timotheus plaats vond,
voordat hij zelfs zijn eerste brief had geschreven. Enkele jaren later
zou hij aan de gelovigen in Galatië, zowel Joden als heidenen,
schrijven:
"Zie,
ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet van nut
zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens die zich laat
besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen" (Gal.5:2,3).
Deze
gelovige Galatiërs waren ertoe gekomen om de wet te zien als vervuld in
Christus, en waren toen, onder invloed van de Judaïsten vanuit
Jeruzalem, begonnen zichzelf weer onder de wet te stellen.
Zo
zou het voor iedereen vandaag verkeerd zijn, zich te onderwerpen
aan besnijding ter nakoming van de wet, en zelfs toentertijd, zou
het voor voor elke heiden verkeerd geweest zijn dit te doen. Maar
er dient aan herinnerd te worden, dat de Raad te Jeruzalem niet tegen de
besnijdenis van Joodse gelovigen geageerd had. Paulus' bediening
was nog steeds "eerst de Jood", en natuurlijk begon hij zijn
getuigenis tot hen, met te bewijzen dat "Jezus de Christus is",
de Messias van Israel.
En
nu zou Timotheus hem begeleiden, een jongeman die opgevoed was als vrome
Jood, en physiek half Joods was, maar nooit werd besneden. Had hij
onbesneden gebleven, dan zou hun bediening onder de Joden gehinderd zijn
vanaf het begin. Zij immers "wisten allen dat zijn vader een Griek
was", en in de veronderstelling dat hij niet besneden was, hem
beschouwd hebben als een "vervreemde van de gemeenschap van Israel."
Zelfs sociale omgang met de Joden zou zijn verhinderd, want zij
beschouwden het als verfoeilijk om met onbesnedenen te eten.
De
stelling, dat Paulus Timotheus besneed omdat "zij allen wisten dat
zijn vader een Griek was", mag ons er niet toe verleiden om te
besluiten dat Paulus een concessie deed aan de Joodse gelovigen,
die meenden dat heiden-gelovigen besneden moesten worden. Het was
duidelijk terwille van de ongelovige Joden, dat Paulus Timotheus
besneed.
Het
is ook waar, dat Timotheus onbesneden had kunnen blijven, en dat niemand
recht had om hem de rite op te leggen.
Zouden inderdaad broeders Timotheus' besnijdenis gewenst
hebben op grond van Hand.15:1, zo zou Paulus hun poging om hem opnieuw
in gebondenheid te brengen, tegengestaan hebben. Maar omdat Timotheus
physiek half Joods was, en grotendeels Joods was opgevoed, en omdat
besnijdenis nog steeds het merkteken van Gods uitverkoren volk was,
besneed Paulus hem, zodat voortaan Timotheus' bediening aan het volk
Israel net zo vrij en ongehinderd zou mogen zijn, als de zijne.
Bij
deze handeling, uitgevoerd in dat stadium van de overgang van Judaïsme
naar genade, leerde Paulus eenvoudig de les, dat, omdat we geen recht
hebben om onze vrijheid op te geven (Gal.5:1), we de vrijheid hebben om
onze rechten op te geven. Dit is het wat hij bedoelde, toen hij namelijk
de heidense gelovigen vermaande hun vrijheid niet te gebruiken als een
toelating voor het vlees, maar elkander te dienen door de liefde
(Gal.5:13). Dit is wat hij bedoelde toen hij hen vermaande in zaken als
"dagen" en "maaltijden", hun vrijheid te oefenen in
liefde, persoonlijk voordeel en voorrecht zonodig op te geven, voor het
geestelijk welzijn van anderen (Rom.14:1-15:2; 1Cor.8:1-10:33). Dit is
wat hij bedoelde toen hij schreef:
"Want
daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt,
opdat ik er meer zou winnen. "En ik ben de Joden geworden als een
Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet zijn, ben
ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet
zijn, winnen zou" (1Cor.9:19,20).
Maar
hier moeten we voorzichtig zijn. Sommige goede Bijbelleraren, die
redeneren dat een tweevoudig programma in het latere deel van
Handelingen wordt gehandhaafd, hebben het toepassen van het belangrijke
woord "als" in 1Cor.9:20-22 over het hoofd gezien, en leggen
de passage zo uit, dat Paulus zichzelf onder de wet stelde als
hij onder Joden was om hen te winnen, maar vrij van de wet leefde als
hij onder heidenen was.
Maar
deze broeders moeten dan uitleggen hoe de Joodse gelovigen, bijvoorbeeld
in Corinthe (tot welke gemeente hij hier schrijft), Paulus konden hebben
gerespecteerd als, na hen het gevoel te hebben gegeven dat hij een
wet-eerbiedigende Jood was, om hen voor Christus te winnen, probeerde de
heidenen te winnen, door hen te tonen, dat hij niet onder
de wet was!
Er
dient te worden onderkend, dat het tweevoudig programma van het laatste
gedeelte van Handelingen, niet met dezelfde aandrijfkracht
moest worden voortgezet. Het andere moest geleidelijk overgezet
worden (hoewel vele Judaïsten probeerden dit te verhinderen), en
het is duidelijk uit het verslag, dat Paulus de waarheden van genade
begon te onderwijzen, juist aan die Joden, die hij probeerde te winnen,
door zichzelf sympathiek in hun positie te stellen. Hij was niet
schuldig aan tweeslachtig handelen toen hij, onder Joden zijnde,
probeerde zo veel als kon, praktijken en politiek die hun normen zouden
aantasten,
te
verdragen, zodat hij destebeter aan hen van Christus kon getuigen.
Zou
iemand geneigd zijn om Paulus' besnijdenis van Timotheus te nemen als
rechtvaardiging tot het waterdopen van vandaag, dan dienen wij hem
alleen eraan te herinneren, dat de overgang
van de vorige bedeling naar de tegenwoordige, compleet gemaakt
werd bij Paulus' gevangenneming in Rome, waarna beide, lichamelijke
besnijdenis en lichamelijke doop, geëlimineerd werden uit Gods
programma voor de Gemeente (Zie Col.2:10-12).
VAN LYSTRE NAAR TROAS
"En
alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun ordinantiën over, die van
de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goedgevonden waren, om die
te onderhouden. De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en
werden dagelijks overvloediger in getal. "En als zij Frygië en het
land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest
verhinderd het Woord in Azië te spreken. "En aan Mysië gekomen
zijnde, poogden zij naar Bythinië te reizen; en de Geest liet het hun
niet toe. "En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot
Troas" - Hand. 16:4-8.
Wij
vinden nu Paulus, Silas en Timotheus de steden bezoekende waar Paulus en
Barnabas tevoren hadden gediend, aan de gelovigen de decreten (Gr.
dogmata) overgevende ter nakoming, die door de apostelen en oudsten te
Jeruzalem "waren besloten" (Gr. krino, niet
"verordend").
Het
gebruik van het woord dogmata, vertaald in de Statenvertaling "ordinantiënen",
impliceert niet dat de heidenen ten laatste gedeeltelijk onder de wet
gesteld werden. Zoals we in een voetnoot aanwezen, was de
grondbeslissing van de Raad in Jeruzalem, dat besnijdenis en wet niet op
de heidense gelovigen moest worden gelegd, maar de leiders daar hoopten,
dat terwille van de Joden in iedere stad, de Heiden-broeders zouden
samenwerken in het afleggen van die praktijken, die hun dienen onder
hen, van begin af aan, zou kunnen tegenstaan. (Zie Hand.15:19-21, 24-29;
Hand.21:25).
Zou
de intentie van de Raad geweest zijn om de heidenen gedeeltelijk onder
de wet te stellen, dan zou het geen overwinning voor Paulus en zijn
boodschap geweest zijn. Zoals het echter was, bracht de gemeenschap met
Jeruzalem "blijdschap" en "vertroosting" tot de
heiden-broeders (15:30,31), "de gemeenten bevestigend"
(15:41), en hen in hun geloof bemoedigend (16:5).
In
dagen dat zo'n nadruk wordt gelegd op "het krijgen van beslissingen
voor Christus", en zo weinig op leer en bestudering van het Woord,
is het belangrijk op te merken, dat de gemeenten "dagelijks
overvloediger werden in aantal", als gelovigen werden
"bevestigd in het geloof" (V.5).
Het
bijzondere grondbeginsel in de goddelijke inspiratie van de Schriften,
is duidelijk te zien in de verzen 5 en 7. Paulus' hele bediening in
Galatië is te overzien met enkele woorden, klaarblijkelijk omdat een
opsomming ervan niet in de lijn zou zijn van het speciale doel van
Handelingen. In zijn brief aan de Galaten leren we, dat hij "door
(Gr.dia) zwakheid des vleses" het evangelie het eerst aan hun
gepredikt had (Gal.4:13). De ware aard van de ziekte die hem ophield
onder de Galaten wordt niet genoemd, hoewel het schijnt dat het een
ernstige moeilijkheid met de ogen geweest is (Gal.4:15; 6:11 marginaal).
Hoe ook, we weten, dat hij zelfs in zijn ziekte, eenvoudig Christus als
de Gekruisigde onder hen voorstelde (Gal.3:1), en dat zijn energie en
trouw rijkelijk werden beloond door de achting en genegenheid, hem
bewezen door hen die hij had gewonnen voor Christus (Gal.4:14,15).
"Klein
Azië", een provincie van Groot Azië, was de plaats voor Paulus en
zijn metgezellen om natuurlijkerwijze aansluitend heen te gaan, maar om
zekere reden verbood de Heilige Geest hen om daar het Woord op die tijd
te prediken. Of dit gedaan werd door een visioen, of door iemand met de
gave van profetie, of door directe openbaring, wordt ons niet verteld.
Maar we weten, dat Paulus later toestemming verkreeg om een groot werk
in deze regio te doen, "zodat allen die in Azië woonden, het Woord
des Heren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken" (Hand.19:10; cf.19:26;
20:4).
Toen
zij tegenover Mysia kwamen, "poogden" of
"probeerden" zij in Bithynia binnen te komen, maar weer liet
"de Geest" het hun niet toe en reisden zij aan Mysia
"voorbij", niet geografisch, maar voor zover het hun werk daar
betrof, en "kwamen af tot Troas" (V.8).
Er
wordt in deze passage niets gezegd over Paulus' herbezoeken van de
gelovigen in Pisidisch Antiochië, maar deze stad lag wel in de route
van zijn reis, en zou kunnen behoren bij de "steden", vermeld
in vers 4. Het oorspronkelijk plan om de steden opnieuw te bezoeken waar
gemeenten gevestigd waren, was echter reeds zeer uitgebreid.
[i].*/Voetnoot: Zijn getuige zijn van
Paulus' wrede en onrechtvaardige behandeling te Lystre, moeten een
diepe indruk op zijn jonge leven gemaakt hebben, en het fundament
gelegd hebben voor een warme en duurzame vriendschap.
|