De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 
 

H O O F D S T U K  XXVII - HAND. 15:36-16:8

PAULUS BEGINT ZIJN TWEEDE APOSTELREIS

NOG MEER MOEILIJKHEDEN

"En na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laat ons wederkeren en bezoeken onze broeders in elke stad, in welke wij het Woord des Heren verkondigd hebben, hoe zij het hebben.

"En Barnabas ried, dat zij Johannes, die genaamd is Markus, zouden medenemen. "Maar Paulus achtte billijk dat men dien niet zou medenemen, die van Pamfylië af van hen was afgeweken, en met hen niet was gegaan tot dat werk. "Er ontstond dan een verbittering, alzo dat zij van elkander gescheiden zijn, en dat Barnabas Markus medenam en naar Cyprus afscheepte. "Maar Paulus verkoos Silas, en reisde heen, der genade Gods van de broederen bevolen zijnde. "En hij doorreisde Syrië en Cilicië, versterkende de gemeenten." - Hand.15:36-41.

         DE TWIST TUSSEN PAULUS

                      EN BARNABAS

Antiochië had al genoeg onenigheid meegemaakt vanwege de Judaïsten. Maar vóór het verlaten van het toneel, zijn we getuige van nog een scherpe tegenstelling, deze keer tussen Paulus en Barnabas, de werkers die samen zoveel voor de Here hadden gedaan. De moeilijkheid ontstond toen Paulus voorstelde, dat hij en Barnabas hun broeders "in elke stad" waar zij het Woord gepredikt hadden, zouden bezoeken, om te zien hoe het hun ging. Hier krijgen we een glimp te zien van de zorg van Paulus voor zijn kinderen in het geloof, die zo dikwijls naar voren komt in zijn brieven, speciaal in 2Cor.11:28, waar hij spreekt van "de zorg van al de gemeenten".

Barnabas was het klaarblijkelijk hierin eens met Paulus, maar hij "was van gedachten" om Johannes Markus weer mee te nemen, terwijl Paulus het daarentegen verkeerd vond, om als medewerker mee te nemen, degene die hen zo spoedig na vertrek op hun vorige reis had verlaten. In deze onenigheid wilde de één voor de ander niet buigen. Barnabas wilde niet gaan zonder Markus, en Paulus wilde niet met hem gaan, totdat de zaak uitdraaide op een boos gesprek. Het meningsverschil tussen deze twee oude vrienden werd zo scherp, dat zij van elkaar scheidden. Barnabas nam Markus mee en zeilde naar Cyprus, en Paulus koos Silas en (na door de Gemeente aan God opgedragen te zijn), reisde hij door Syrië en Cilicië.

               WIE WAS VERKEERD?

Het zou dwaas zijn om aan een passage als deze voorbij te gaan om iedere partij van blaam te vrijwaren. Er is, hoe ook, geen rechtvaardiging voor deze opgelopen ruzie. Het was ontegenzeggelijk onzuiver en verkeerd. Hiermee bewezen Paulus en Barnabas precies wat zij tot de Lystriërs gezegd hadden: "Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij" (Hand.14:15). Karakteristiek stellen de Schriften de feiten openlijk, ons tot lering en ten goede. Wij benadrukken dit, omdat als we het ambt van Paulus verheerlijken, zoals de Schrift dit doet (Rom.11:13), er altijd sommigen zijn die ons verwijten Paulus persoonlijk te verheffen.

Sommigen hebben de twist verklaard door een mogelijke geestelijke teruggang op te merken in het veranderen van de woorden: "de Heilige Geest zeide," in 13:2, naar de woorden: "Paulus zeide", in 15:36. Er dient echter herinnerd te worden,  dat we in de vorige passage de oorspronkelijke opdracht zien aan de gemeente te Antiochië om Paulus en Barnabas af te zonderen voor het werk waarin zij nu betrokken werden. Daarom moeten wij niet nog zo iets verwachten. Ook moeten we niet veronderstellen, dat de apostel in het vlees handelde telkens als wij niet de woorden tegenkomen: "De Heilige Geest zeide". Inderdaad dienen gelovigen nu, na het voorbijgaan van de Pinkstertijd, zeer voorzichtig te zijn met te zeggen: "De Geest zeide" of, "De Geest vertelde me" of, "De Here zei tot mij", tenzij zij verwijzen naar het geschreven Woord van God.

Het waren volstrekt gewone omstandigheden die leidden tot de twist tussen Paulus en Barnabas. Ten eerste had het falen van Markus, de neef van Barnabas, zo spoedig op hun eerste reis, zijn nawerking. Ook nog begon Paulus zijn vertrouwen in Barnabas te verliezen, sinds zijn "zich laten meetrekken" bij de 'schijnvertoning" in Antiochië (Gal.2:13).

Aan de andere kant zal Barnabas het vervelend gevonden hebben, betrokken te zijn geweest bij Paulus' verwijt aan Petrus. Barnabas zal inderdaad gevoeld hebben, dat Paulus aan hem persoonlijk verschuldigd was, omdat hij degene was, die hem bij de apostelen in Jeruzalem had gebracht, en daarna naar Antiochië. Ook was Barnabas als eerste gerangschikt onder de profeten te Antiochië (Zie Hand.13:1, waar Saulus als laatste genoemd wordt), en waar over de twee dikwijls wordt gesproken als "Barnabas en Paulus". Dit was ook nog tevoren geschied bij het convent te Jeruzalem (Hand.15:12,25). En toch, langzamerhand was Paulus naar voren gekomen, en Barnabas naar de achtergrond geraakt. Dit was uiteraard Gods wil, maar het zal voor Barnabas moeilijk geweest zijn om dit als zodanig te erkennen.

Maar omdat de Schrift geen enkele oplossing geeft van hun verbitterde tegenstelling, volgt daaruit niet, dat de principes van waaruit ieder uitging zonodig verkeerd waren. Inderdaad leidt een onderzoek van de feiten ertoe, dat zij terecht waren, en als iemand zich in beider standpunt in het conflict plaatst, "kan hij dit overnemen". Alleen kon elke partij zich niet voldoende in de plaats van de ander indenken, of zoals Paulus zelf het later weergaf, "een iegelijk zie niet op het zijne, maar een iegelijk zie ook op hetgeen der anderen is" (Phil.2:4).

Wat betreft datgene wat de betrokkenen voor-stonden, dient aan de zijde van Barnabas te worden opgemerkt, dat het afhaken van Markus hem even diep zal hebben teleurgesteld als het Paulus deed, en dat Markus het onderwerp van zijn ernstig gebed moet zijn geweest, omdat zij toch zo nauw aan elkaar gerelateerd waren. Welke uiteen-zettingen Barnabas nog schriftelijk met Markus heeft gehad, wellicht in Jeruzalem, of dat Barnabas hem opnieuw naar Antiochië heeft gebracht, weten we niet. We weten echter, dat hij daar was, en het is duidelijk dat Barnabas aanvoelde, dat er voldoende aanleiding was om hem nog een andere mogelijkheid te geven, vertrouwende dat Markus zijn les geleerd had en nu betrouwbaar zou zijn. Het was volkomen normaal en terecht, dat Barnabas een grote verantwoordelijkheid voor zijn jonge neef gevoelde in deze zaak. Het is waar, dat Markus gefaald had, maar kunnen fouten nimmer worden vergeven, en leren de mensen niet dikwijls van hun fouten?

Dit is echter geen volkomen beeld. Paulus had niet dezelfde persoonlijke aanleidingen, noch klaarblijkelijk dezelfde gronden voor hernieuwd vertrouwen in Markus, dat Barnabas had. Hem scheen het blijkbaar een ongerechtvaardigd risico toe, om met zo'n metgezel op reis te gaan, van wie uit ervaring was gebleken, angstig te zijn in gevaar. Dit kan goed worden begrepen, want boven alles "wordt van de uitdelers vereist, dat elk getrouw bevonden worde" (1Cor.4:2) en "het vertrouwen op een trouweloze ten dage der benauwdheid, is als een gebroken tand en verstuikte voet" (Spr.25:19). Ongetwijfeld voelde Paulus ook, dat Barnabas beïnvloed werd door zijn familierelatie; dat hij bevooroordeeld was ten gunste van zijn neef in die mate, dat hij de redenen tegen zijn meegaan niet voldoende in overweging nam.

                     TWEE PARTIJEN

                INPLAATS VAN ÉÉN.

Voortgaande met onze studie in Handelingen zullen we steeds meer zien hoe God eerder meer en meer voorzienend regeert, dan direct tussenbeide komend, zoals Hij eerst deed.

Welk een verandering had plaats gegrepen sedert de eerste hoofdstukken van Handelingen! Daar bijvoorbeeld "was de menigte van degenen die geloofden (meer dan 5.000), één hart en één ziel" (Hand.4:32), en toen twee bedriegers probeerden zich bij hen te voegen, kwam God tussenbeide en sloeg hen dood.

Maar nu waren de gelovigen niet meer één hart en één ziel, - zelfs zij te Jeruzalem niet. Vandaar de "weerstand en twisting" te Antiochië, de "grote twisting" te Jeruzalem, Paulus' verwijten aan Petrus te Antiochië, en de "verbittering" tussen Paulus en Barnabas.

Op Pinksteren "waren zij allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4), eenvoudig omdat "de dag van het Pinksterfeest vervuld werd" (V.1), en de tijd gekomen was voor de uitgieting van de Geest in kracht. Maar nu, met de opwekking van Paulus, komen we steeds meer en meer in de bedeling waarin de vermaning aan de orde komt: "Wordt vervuld met de Geest" (Eph.5:18). Op Pinksteren nam de Geest bezit van de Zijnen, en was oorzaak dat zij Zijn wil deden. Nu, wordt Hulp van de Geest voorzien door genade, maar wij moeten deze toeëigenen door geloof. Dit brengt vanzelf een grotere uitdaging, en mogelijkheid tot grotere overwinningen en beloningen met zich, maar maakt ook nederlaag mogelijk. Vandaar de melding van zo vele fouten onder de gelovigen, na de opwekking van Paulus om een nieuwe bedeling in te luiden.

Maar omdat directe Goddelijke ingrepen in de latere Handelingen afnemen, is het duidelijk, dat God in voorziening regeert. We hebben dit gezien in de resultaten van het Jeruzalem convent, zo beladen met narigheid. We hebben het ook gezien in het hele probleem met de Judaïsten. Waren de Judaïsten niet naar Antiochië gekomen, dan zou de Raad in Jeruzalem met haar belangrijke beslissingen, nooit zijn gehouden. Als Petrus zich niet van de heidenen te Antiochië had "teruggetrokken", zou het argument in Gal.2 veel van zijn kracht verloren hebben. Dit verontschuldigt Petrus en de Judaïsten natuurlijk niet, maar het toont ons dat, omdat God niet langer direct en wonderbaarlijk in de zaken van de mens tussenbeide komt, Hij niettemin zit op de troon, en "alle dingen werkt naar de raad van Zijn (eigen) wil", en "ten goede van hen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn" (Eph.1:11; Rom.8:28).

Zo was het ook in het geval van Paulus en Barnabas. Midden in het falen zien we Gods over-heersing, want nu zijn er twee partijen inplaats van één, die uitgaan om het evangelie te verkondigen; Barnabas neemt Markus mee, en Paulus, Silas.

Er werd reeds opgemerkt, dat Paulus en Silas door de gemeente opgedragen werden aan Gods genade (V.40), zoals ook eerst Paulus en Barnabas (Hand.13:3; 14:26), maar dat Barnabas en Markus zo'n opdracht deze keer niet ontvingen. Dit zou echter hebben kunnen zijn, omdat Barnabas plotseling of heimelijk, uit boosheid of teleur-stelling vertrok, of in het algemeen het werk daar helemaal aan Paulus overliet.

Zelfs als dat het geval is geweest, blijkt dat in hoofdzaak de gemeente achter Paulus stond, hoewel aan de andere kant weer gezegd kan worden, dat het latere verslag aantoont, dat Barnabas' vertrouwen in Markus gerechtvaardigd was, en dat hij er goed aan deed de jonge man nog een kans te geven.

In ieder geval reisden nu Barnabas en Markus naar Cyprus, terwijl Paulus en Silas door Syrië en Cilicië reizen (naar wij hopen niet met dezelfde bestemming!). Dit is de eerste aanwijzing dat in Syrië en Cilicië gemeenten gevestigd waren (klaarblijkelijk na Paulus' terugkeer naar Tarsen, dan wel gedurende zijn bediening in Antiochië. Zie Gal.1:21 en cf. Hand.9:30; 11:25,26; 15:23).

Het is hartverwarmend te zien, dat alle vier deze mensen waarover we gesproken hebben, werkelijk hetzelfde grote doel in het hart hadden, en dat na een zekere tijd hun wonden weer geheeld waren. In 1Cor.9:6 spreekt Paulus hoog van Barnabas als medewerker voor Christus. Wat Markus betreft instrueert Paulus de gelovigen in Colosse om "hem te ontvangen"; in File.24 noemt hij hem een "mede-arbeider", en in 2Tim. 4:11 doet hij een bewogen verzoek: "Neem Markus mede en breng hem met u; want hij is mij zeer nut tot den dienst.~ Zo kwam Markus door, met vliegende vaandel, en Paulus ontving hem goedgunstig terug. Het is inderdaad ontroerend om te zien, dat God deze dienstknecht gebruikte (Hand.13:5), die zo akelig had gefaald, om het verslag te schrijven van de volmaakte dienaar, Het Evangelie naar de beschrijving van Markus.

Dit is het laatste wat we van Barnabas en Markus in het Boek Handelingen horen. De reden vanuit de bedeling voor het verdwijnen van de twaalf apostelen, en ook van Barnabas en Markus, blijkens het verslag is, dat de boodschap en de bediening, toevertrouwd aan Paulus, de nodige aandacht krijgt.  Het wil niet zeggen dat Barnabas een geestelijk "uitgestotene" zou zijn geworden. Hierover zijn de commentaren van Alexander Whyte over Barnabas zeer pertinent:

"Zeer spoedig zal de hoogste eer van elk huis op aarde, de erkenning van Apostel Paulus zijn. Maar geen enkele trotse huisbeheerder kan ooit deze eer van Barnabas wegnemen, dat hij de eerste mens van invloed en verantwoordelijkheid was, die zijn hart en huis voor Saulus van Tarsen opende, toen heel Jeruzalem nog stenen naar hem wierp" (Bible Characters, Vol.V.P.23O).

Paulus zou ongetwijfeld nu Barnabas missen, niet alleen omdat hij samen met hem zoveel belevenissen had doorgemaakt in hun dienst voor Christus, maar ook omdat de gemeenten die hij nu opnieuw ging bezoeken, Barnabas kenden, en dat Barnabas' naam verbonden was met de zijne in de rondzendbrief van Jeruzalem. Hoe zou de breuk nu moeten worden uitgelegd, en zou Barnabas' afwezigheid geen verdenking oproepen voor wat betreft de betrouwbaarheid van de brief? Zeer zeker was Silas de man om in zo'n geval bij zich te hebben, want als een van de "hoofdlieden" van de gemeente in Jeruzalem, speciaal gezonden om "met de mond hetzelfde te verkondigen" (Hand.15:27), kon hij nu, beter dan enig ander, van grote steun zijn.

        TIMOTHEUS VERKOZEN OM

PAULUS EN SILAS TE VERGEZELLEN

"En hij kwam te Derbe en Lystre. En zie, aldaar was een zeker discipel, met name Timotheus, zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader; "Welken goede getuigenis gegeven werd van de broederen te Lystre en Ikonium. "Deze wilde Paulus dat met hem zou reizen; en hij nam en besneed hem, om der Joden wil, die in die plaatsen waren; want zij kenden allen zijn vader, dat hij een Griek was." - Hand. 16:1-3.                 

EEN VEELBELOVENDE JONGEMAN

Zij die de Here aanvaardbaar willen dienen, zullen van Paulus' vasthoudendheid en moed leren. De bovenvermelde passage verslaat zijn derde bezoek aan Derbe en Lystra, waar hij was gestenigd en voor dood achtergelaten.

Het was in deze omstreken, dat de apostel door Gods merkwaardige voorzienigheid een jongeman vond, als helper en mede-arbeider, bestemd om één van Paulus' trouwste en effectieve medewerkers te worden. Dat de voorzienigheid merkwaardig was, bewijst het feit dat het verslag van de gebeurtenis begint met de uitroep: "Zie!"

Timotheus was de ongelukkige afkomeling uit een onwijs en onschriftuurlijk huwelijk. Zijn moeder was een Jodin, Eunice genaamd, en zijn vader was een Griek. In Judea kwamen zulke huwelijken zelden voor. Maar hier, onder de Joden in de verstrooiing, kwam dit natuurlijk meer voor. Wellicht had de jonge Griekse minnaar Eunice en haar moeder Loïs te kennen gegeven, dat als hij eenmaal getrouwd zou zijn, hij een trouwe aanbidder van de God van Israel zou worden. Maar het is duidelijk, dat hij dat niet gedaan heeft, want Timotheus was nimmer besneden, en de passage die we beschouwen geeft aan, dat hij, de vader, "een Griek" gebleven was. Toch werden deze onwezenlijke omstandigheden gunstig bestuurd.

Wat ook de beproevingen waren die Eunice er toe dreven om dit ongelijke juk aan te gaan, en wat voor redenen ook haar moeder Loïs ertoe hadden gebracht om met het huwelijk in te stemmen, het is duidelijk, dat zij beiden zichzelf de schuld gaven voor wat had plaats gevonden, en ernstig zochten het verkeerde weg te doen. De apostel vermeldt immers hun "ongeveinsd geloof" (2Tim.1:5), en het feit dat "van kinds af" Timotheus "de Schriften heeft geweten" (2Tim.3:15).

Met betrekking hierop merkt Dean Howson op:

"Het is opmerkelijk dat een karakter, dat onder de meest foutloze en innemendste in de Bijbel behoort, het karakter zou zijn van die ene persoon, wiens huiselijke relaties en vroegere opvoeding zó worden beschreven" (Companions of St.Paul, P.269).

Hoewel niettemin moeder, en grootmoeder, Timotheus vlijtig de Schriften hadden onderwezen, die hem "wijs maakten tot redding" (2Tim.3:15), was het niet direct door hun bemiddeling, maar door die van Paulus, dat hij gered werd, want Paulus noemt hem "mijn zoon in het geloof" (1Tim.1:2, cf.V.18 en 2Tim. 1:2; 2:1). Klaarblijkelijk werd Timotheus gered bij, of door, Paulus' eerste bezoek aan Lystre. Wij weten uit 2Tim.3:10,11, dat hij  vertrouwelijk kennis had van Paulus' "wijze van leven", en van zijn vervolgingen te Antiochië en Lystre.

Dat bezoek aan Lystre had ongeveer zes jaren tevoren plaats gevonden, en het was waarschijnlijk omstreeks twaalf jaren na dit huidige bezoek, dat Paulus nog steeds aan Timotheus kon schrijven: "Niemand verachte uw jonkheid" (1Tim.4:12), dus Timotheus moet nog een jongen geweest zijn ten tijde van zijn bekering. Maar zijn grondige onderwijzing in de Schriften, het "ongeveinsd" geloof van zijn moeder en grootmoeder, de inspiratie van Paulus' prediking, en zijn vertrouwelijke kennis van Paulus' wijze van leven en lijden voor Christus, moet alles een grote uitwerking op hem gehad hebben*/[i], want nu "Ziet!", hier is deze jonge man, reeds een toegewijde en veelbelovende gelovige! Inderdaad moet zijn Christelijke invloed reeds buiten de grenzen van zijn geboorteplaats bekend geweest zijn, want we lezen dat van hem "goed getuigenis" gegeven werd door de broeders van twee gemeenten; te Lystre en te Ikonium (V.2).

Uit de twee brieven aan Timotheus is duidelijk, dat hij gecultiveerd en verfijnd was, een onderzoeker van zijn jeugd aan, kwetsbaar van gezondheid en in goede doen, natuurlijk gevolg van zijn opvoeding, met een bijna vrouwelijke teerhartigheid. Paulus schrijft hem voor, met verwijzing naar zijn moeder, zijn grootmoeder en zijn tranen, in verband met zijn "gedurige zwakheden", en dringt hem niet beschaamd, of bang, of week te zijn, maar sterk, als "een goed soldaat van Jezus Christus".

Omdat Timotheus geen robuust karakter had, schijnt het dat Paulus soms bang was, dat hij bij geval zou kunnen terugschrikken voor de strijd. Timotheus echter trok zich niet terug, maar bewees moed en trouw tot het einde. Hij werd tot Paulus' meest intieme medewerker op de lange duur.

Behalve dat hij Paulus diende en meestentijds met hem werkte, werd Timotheus achtergelaten, of naar vele kerken gezonden, waar zijn hulp bijzonder nodig was (Zie Hand.17:14; 19:22; 1Cor.4:17; 1Thess.3:2; 1Tim.1:3), en Paulus noemt hem als mede-schrijver van zes van zijn brieven (2Cor.1:1; Phil.1:1; Col.1:1; 1Thess.1:1; 2Thess.1:1; File.1).

De achting en genegenheid van de apostel voor Timotheus is direct te zien in passages als die, waarin hij hem beschrijft als zijn "broeder", een "dienaar van God", zijn "medewerker in het evangelie van Christus", zijn "geliefde zoon, en trouw in de Here", etc.

In één van zijn laatste brieven schrijft de apostel van hem:"En ik hoop in den Here Jezus, Timotheus haast tot u te zenden, opdat ik ook welgemoed moge zijn, als ik uw zaken zal verstaan hebben. "Want ik heb niemand, die even alzo gemoed is, de welke oprechtelijk uw zaken zal bezorgen. "Want zij zoeken allen het hunne, niet hetgeen van Christus Jezus is. "En gij weet zijn beproeving, dat hij als een kind zijn vader, met mij gediend heeft in het evangelie" (Phil.2:19-22).        

Zelfs in zijn vroege bediening voor Christus moet Timotheus met Paulus gediend hebben in veel meer plaatsen dan die zijn vermeld. Want Paulus, als hij tot de Corinthiers schrijft, legt uit, dat Timotheus hen zal herinneren aan zijn wegen: "gelijkerwijs ik alom in alle gemeenten leer" (1Cor.4:17).

Nog een stap in de overgang van de oude bedeling naar de nieuwe is te zien in het feit, dat tot daar toe, al Paulus' reisgenoten op zijn apostolische reizen gekozen werden uit de Besnijdenis, terwijl hier, voor het eerst iemand was, die slechts gedeeltelijk Joods was. Om redenen die we later zullen bespreken, had echter de apostel hem formeel in het Joodse ras ingebracht, door de ritus van besnijdenis.

Bovendien was er klaarblijkelijk voor de jongeman een openbare dienst gehouden, vóór hij zich inscheepte op zijn reis met Paulus en Silas. In deze dienst hadden mannen met de gave van profetie verklaard, dat God Timotheus voor deze bediening had uitverkoren en hem een speciale "gave" was toebedeeld door de Geest, toen de oudsten van de Gemeente, samen met Paulus, en waarschijnlijk Silas, zichzelven met hem hadden geidentificeerd, door oplegging van handen (1Tim.1:18; 4:14; 2Tim.1:6). Hoewel de nieuwe bedeling helderder begon te verschijnen, was de oude, met haar wondergaven, nog niet "vervaagd".

Toen werd Timotheus, ondanks zijn jeugd, door zijn opvoeding, door zijn persoonlijk karakter, en nu door bovennatuurlijke mededeling, bijzonder gekwalificeerd voor het werk dat hij zou gaan ondernemen met het begeleiden van Paulus op zijn reizen, en het assisteren van hem bij zijn werk.

DE BESNIJDENIS VAN TIMOTHEUS

Paulus' besnijdenis van Timotheus, zo kort na de raadsvergadering te Jeruzalem, heeft menig ernstig en ijverig Bijbelstudent zich het volgende doen afvragen.

Als hij de jongeman had besneden omdat bekend was dat zijn moeder een Jodin was, zou de vraag gemakkelijker op te lossen zijn, maar de passage, die wij nu beschouwen, verklaart duidelijk, dat hij dit deed omdat "zij allen wisten dat zijn vader een Griek was" (V.3). Toch had hij slechts kort tevoren erop gestaan, bij het convent te Jeruzalem, dat de heidenen niet onder de besnijdenis en de wet zouden worden gebracht. Inderdaad had hij Titus, een Griek, meegenomen als toets, en was later in staat om te zeggen: "En Titus werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden...noch hebben wij ook niet een uur geweken met onderwerping" (Gal.2:3,5).

Waarom besneed Paulus Timotheus dan? Was dit konsekwent? Gaf hij toe terwille van de voortgang?

Het is natuurlijk dikwijls moeilijk de lijn te trekken tussen recht en krom in die gevallen waar voortgang geboden is. Maar toch schijnt het ons toe, dat een algemene beschouwing en een bijzonder onderzoek van de gebeurtenis, zal openbaren dat de apostel het in dit geval niet op een accoord gooide, of zijn principes geweld aan deed.

Ten eerste zou een compromis in deze zaken, op dat ogenblik te duidelijk tegenstrijdig zijn, want Paulus had niet alleen kort tevoren in Jeruzalem voor het vrij zijn van de besnijdenis der heidenen gestreden, maar ons wordt uitvoerig verteld, dat zowel in Antiochië, en "alzo zij de steden doorreisden", zij juist op deze reis aan alle gemeenten, de geschreven brief van de Raad te Jeruzalem overgaven (15:30; 16:4).

Ten tweede valt op te merken, dat de kwestie Timotheus veel verschilde van die van Titus, niet alleen omdat Timotheus deels Joods was, maar omdat in zijn geval van zo'n principe als in het geval van Titus, geen sprake was. In het geval waarbij Titus betrokken werd, hadden gelovigen in Jeruzalem geprobeerd om het als principe te stellen, dat de heidenen moesten worden besneden en de wet onderhouden om behouden te worden. In dat geval is Paulus "niet één uur geweken met onderwerping" (Gal.2:5). De heidenen, tot wie hij was gezonden met het goede nieuws van genade, werden niet onder de wet gesteld.

In het geval van Timotheus echter, was van zo'n principe geen sprake. Niemand probeerde hier besnijdenis aan Timotheus op te leggen. Het was terwille van de ongelovige Joden (V.3) dat Paulus Timotheus besneed, en dit geschiedde vrijwillig, om elke mogelijke verhindering in hun bediening onder het volk van Israel weg te nemen.

Ten derde is het element tijd een belangrijke factor bij het uitleggen van het Boek Handelingen. Er wordt aan herinnerd dat Paulus zelf, de grote waarheden van genade geleidelijk ontving, in een reeks openbaringen, en dat de besnijdenis van Timotheus plaats vond, voordat hij zelfs zijn eerste brief had geschreven. Enkele jaren later zou hij aan de gelovigen in Galatië, zowel Joden als heidenen, schrijven:

"Zie, ik Paulus zeg u, zo gij u laat besnijden, dat Christus u niet van nut zal zijn. En ik betuig wederom een iegelijk mens die zich laat besnijden, dat hij een schuldenaar is de gehele wet te doen" (Gal.5:2,3).

Deze gelovige Galatiërs waren ertoe gekomen om de wet te zien als vervuld in Christus, en waren toen, onder invloed van de Judaïsten vanuit Jeruzalem, begonnen zichzelf weer onder de wet te stellen.

Zo zou het voor iedereen vandaag verkeerd zijn, zich te onderwerpen aan besnijding ter nakoming van de wet, en zelfs toentertijd, zou het voor voor elke heiden verkeerd geweest zijn dit te doen. Maar er dient aan herinnerd te worden, dat de Raad te Jeruzalem niet tegen de besnijdenis van Joodse gelovigen geageerd had. Paulus' bediening was nog steeds "eerst de Jood", en natuurlijk begon hij zijn getuigenis tot hen, met te bewijzen dat "Jezus de Christus is", de Messias van Israel.

En nu zou Timotheus hem begeleiden, een jongeman die opgevoed was als vrome Jood, en physiek half Joods was, maar nooit werd besneden. Had hij onbesneden gebleven, dan zou hun bediening onder de Joden gehinderd zijn vanaf het begin. Zij immers "wisten allen dat zijn vader een Griek was", en in de veronderstelling dat hij niet besneden was, hem beschouwd hebben als een "vervreemde van de gemeenschap van Israel." Zelfs sociale omgang met de Joden zou zijn verhinderd, want zij beschouwden het als verfoeilijk om met onbesnedenen te eten.

De stelling, dat Paulus Timotheus besneed omdat "zij allen wisten dat zijn vader een Griek was", mag ons er niet toe verleiden om te besluiten dat Paulus een concessie deed aan de Joodse gelovigen, die meenden dat heiden-gelovigen besneden moesten worden. Het was duidelijk terwille van de ongelovige Joden, dat Paulus Timotheus besneed.

Het is ook waar, dat Timotheus onbesneden had kunnen blijven, en dat niemand recht had om hem de rite op te leggen.  Zouden inderdaad broeders Timotheus' besnijdenis gewenst hebben op grond van Hand.15:1, zo zou Paulus hun poging om hem opnieuw in gebondenheid te brengen, tegengestaan hebben. Maar omdat Timotheus physiek half Joods was, en grotendeels Joods was opgevoed, en omdat besnijdenis nog steeds het merkteken van Gods uitverkoren volk was, besneed Paulus hem, zodat voortaan Timotheus' bediening aan het volk Israel net zo vrij en ongehinderd zou mogen zijn, als de zijne.

Bij deze handeling, uitgevoerd in dat stadium van de overgang van Judaïsme naar genade, leerde Paulus eenvoudig de les, dat, omdat we geen recht hebben om onze vrijheid op te geven (Gal.5:1), we de vrijheid hebben om onze rechten op te geven. Dit is het wat hij bedoelde, toen hij namelijk de heidense gelovigen vermaande hun vrijheid niet te gebruiken als een toelating voor het vlees, maar elkander te dienen door de liefde (Gal.5:13). Dit is wat hij bedoelde toen hij hen vermaande in zaken als "dagen" en "maaltijden", hun vrijheid te oefenen in liefde, persoonlijk voordeel en voorrecht zonodig op te geven, voor het geestelijk welzijn van anderen (Rom.14:1-15:2; 1Cor.8:1-10:33). Dit is wat hij bedoelde toen hij schreef:

"Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelf allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. "En ik ben de Joden geworden als een Jood, opdat ik de Joden winnen zou; dengenen die onder de wet zijn, ben ik geworden als onder de wet zijnde, opdat ik degenen, die onder de wet zijn, winnen zou" (1Cor.9:19,20).

Maar hier moeten we voorzichtig zijn. Sommige goede Bijbelleraren, die redeneren dat een tweevoudig programma in het latere deel van Handelingen wordt gehandhaafd, hebben het toepassen van het belangrijke woord "als" in 1Cor.9:20-22 over het hoofd gezien, en leggen de passage zo uit, dat Paulus zichzelf onder de wet stelde als hij onder Joden was om hen te winnen, maar vrij van de wet leefde als hij onder heidenen was.

Maar deze broeders moeten dan uitleggen hoe de Joodse gelovigen, bijvoorbeeld in Corinthe (tot welke gemeente hij hier schrijft), Paulus konden hebben gerespecteerd als, na hen het gevoel te hebben gegeven dat hij een wet-eerbiedigende Jood was, om hen voor Christus te winnen, probeerde de heidenen te winnen, door hen te tonen, dat hij niet onder de wet was!

Er dient te worden onderkend, dat het tweevoudig programma van het laatste gedeelte van Handelingen, niet met dezelfde aandrijfkracht moest worden voortgezet. Het andere moest geleidelijk overgezet worden (hoewel vele Judaïsten probeerden dit te verhinderen), en het is duidelijk uit het verslag, dat Paulus de waarheden van genade begon te onderwijzen, juist aan die Joden, die hij probeerde te winnen, door zichzelf sympathiek in hun positie te stellen. Hij was niet schuldig aan tweeslachtig handelen toen hij, onder Joden zijnde, probeerde zo veel als kon, praktijken en politiek die hun normen zouden aantasten,

te verdragen, zodat hij destebeter aan hen van Christus kon getuigen.

Zou iemand geneigd zijn om Paulus' besnijdenis van Timotheus te nemen als rechtvaardiging tot het waterdopen van vandaag, dan dienen wij hem alleen eraan te herinneren, dat de overgang  van de vorige bedeling naar de tegenwoordige, compleet gemaakt werd bij Paulus' gevangenneming in Rome, waarna beide, lichamelijke besnijdenis en lichamelijke doop, geëlimineerd werden uit Gods programma voor de Gemeente (Zie Col.2:10-12).

         VAN LYSTRE NAAR TROAS

"En alzo zij de steden doorreisden, gaven zij hun ordinantiën over, die van de apostelen en de ouderlingen te Jeruzalem goedgevonden waren, om die te onderhouden. De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof, en werden dagelijks overvloediger in getal. "En als zij Frygië en het land van Galatië doorgereisd hadden, werden zij van de Heilige Geest verhinderd het Woord in Azië te spreken. "En aan Mysië gekomen zijnde, poogden zij naar Bythinië te reizen; en de Geest liet het hun niet toe. "En zij, Mysië voorbij gereisd zijnde, kwamen af tot Troas" - Hand. 16:4-8.   

Wij vinden nu Paulus, Silas en Timotheus de steden bezoekende waar Paulus en Barnabas tevoren hadden gediend, aan de gelovigen de decreten (Gr. dogmata) overgevende ter nakoming, die door de apostelen en oudsten te Jeruzalem "waren besloten" (Gr. krino, niet "verordend").

Het gebruik van het woord dogmata, vertaald in de Statenvertaling "ordinantiënen", impliceert niet dat de heidenen ten laatste gedeeltelijk onder de wet gesteld werden. Zoals we in een voetnoot aanwezen, was de grondbeslissing van de Raad in Jeruzalem, dat besnijdenis en wet niet op de heidense gelovigen moest worden gelegd, maar de leiders daar hoopten, dat terwille van de Joden in iedere stad, de Heiden-broeders zouden samenwerken in het afleggen van die praktijken, die hun dienen onder hen, van begin af aan, zou kunnen tegenstaan. (Zie Hand.15:19-21, 24-29; Hand.21:25).

Zou de intentie van de Raad geweest zijn om de heidenen gedeeltelijk onder de wet te stellen, dan zou het geen overwinning voor Paulus en zijn boodschap geweest zijn. Zoals het echter was, bracht de gemeenschap met Jeruzalem "blijdschap" en "vertroosting" tot de heiden-broeders (15:30,31), "de gemeenten bevestigend" (15:41), en hen in hun geloof bemoedigend (16:5).

In dagen dat zo'n nadruk wordt gelegd op "het krijgen van beslissingen voor Christus", en zo weinig op leer en bestudering van het Woord, is het belangrijk op te merken, dat de gemeenten "dagelijks overvloediger werden in aantal", als gelovigen werden "bevestigd in het geloof" (V.5).

Het bijzondere grondbeginsel in de goddelijke inspiratie van de Schriften, is duidelijk te zien in de verzen 5 en 7. Paulus' hele bediening in Galatië is te overzien met enkele woorden, klaarblijkelijk omdat een opsomming ervan niet in de lijn zou zijn van het speciale doel van Handelingen. In zijn brief aan de Galaten leren we, dat hij "door (Gr.dia) zwakheid des vleses" het evangelie het eerst aan hun gepredikt had (Gal.4:13). De ware aard van de ziekte die hem ophield onder de Galaten wordt niet genoemd, hoewel het schijnt dat het een ernstige moeilijkheid met de ogen geweest is (Gal.4:15; 6:11 marginaal). Hoe ook, we weten, dat hij zelfs in zijn ziekte, eenvoudig Christus als de Gekruisigde onder hen voorstelde (Gal.3:1), en dat zijn energie en trouw rijkelijk werden beloond door de achting en genegenheid, hem bewezen door hen die hij had gewonnen voor Christus (Gal.4:14,15). 

"Klein Azië", een provincie van Groot Azië, was de plaats voor Paulus en zijn metgezellen om natuurlijkerwijze aansluitend heen te gaan, maar om zekere reden verbood de Heilige Geest hen om daar het Woord op die tijd te prediken. Of dit gedaan werd door een visioen, of door iemand met de gave van profetie, of door directe openbaring, wordt ons niet verteld. Maar we weten, dat Paulus later toestemming verkreeg om een groot werk in deze regio te doen, "zodat allen die in Azië woonden, het Woord des Heren Jezus hoorden, beide Joden en Grieken" (Hand.19:10; cf.19:26; 20:4).

Toen zij tegenover Mysia kwamen, "poogden" of "probeerden" zij in Bithynia binnen te komen, maar weer liet "de Geest" het hun niet toe en reisden zij aan Mysia "voorbij", niet geografisch, maar voor zover het hun werk daar betrof, en "kwamen af tot Troas" (V.8).

Er wordt in deze passage niets gezegd over Paulus' herbezoeken van de gelovigen in Pisidisch Antiochië, maar deze stad lag wel in de route van zijn reis, en zou kunnen behoren bij de "steden", vermeld in vers 4. Het oorspronkelijk plan om de steden opnieuw te bezoeken waar gemeenten gevestigd waren, was echter reeds zeer uitgebreid. 


[i].*/Voetnoot: Zijn getuige zijn van Paulus' wrede en onrechtvaardige behandeling te Lystre, moeten een diepe indruk op zijn jonge leven gemaakt hebben, en het fundament gelegd hebben voor een warme en duurzame vriendschap.

 

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011