H O O F D S T U K
XXV -
H A N D. 15:13-35
VRIJHEID DER HEIDENEN
DOOR DE GEMEENTE TE JERUZALEM ERKEND
JAKOBUS VERKLAART DE BESLISSING
"En
nadat dezen zwegen, antwoordde Jakobus, zeggende: Mannen broeders, hoort
mij. "Simeon heeft verhaald, hoe God eerst de heidenen heeft bezocht,
om uit hen een volk aan te nemen voor Zijn Naam. "En hiermede stemmen
overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven is: "Na dezen zal
Ik wederkeren en wederopbouwen den tabernakel Davids, die vervallen is, en
hetgeen daarvan verbroken is, wederopbouwen, en Ik zal denzelven
wederoprichten. "Opdat de over-blijvende mensen den Here zoeken, en
al de heidenen, over welke Mijn Naam aangeroepen is, spreekt de Here, Die
dit alles doet. "Gode zijn al Zijn werken van eeuwigheid bekend.
"Daarom oordeel ik, dat men degenen, die uit de heidenen zich tot God
bekeren, niet beroere, "Maar hun zal aanschrijven, dat zij zich
onthouden van de dingen die door de afgoden besmet zijn, en van hoererij,
en van het verstikte, en van bloed. "Want Mozes heeft er van oude
tijden in elke stad die hem prediken, en hij wordt op elken sabbat in de
synagogen gelezen." - (Hand.15:13-21)
Tenslotte
kwam de raad tot besluit, toen Jakobus opstond om te spreken,
klaarblijkelijk als voorzitter van de conventie. Verschillende belangrijke
details in zijn toespraak verdienen nauwkeurig te worden opgemerkt.
Ten
eerste, verwees Jakobus in zijn "antwoord" niet naar wat Paulus
en Barnabas zojuist hadden gezegd over hun werk onder de heidenen,
maar naar wat Petrus kort tevoren had gezegd, klaarblijkelijk in een
andere bespreking, over zijn bediening aan de heidenen. Ten twede,
noemde hij, bij zijn verwijzing naar Petrus, hem Simeon, daarbij
liever zijn aardse naam gebruikend dan Petrus, de naam die de Here hem
gegeven had in verband met zijn leiderschap over de elven (Matt.16:17-19).
Ten derde, legde hij de eindbeslissing neer als zijnde de zijne. De
woorden: "Daarom oordeel ik" spreken voor zich. De
positie van Jakobus was zo sterk geworden onder de gelovigen van Judea,
dat het scheen of niemand zich het feit herinnerde dat de Here Zelf, Petrus
had geleerd en opgedragen voor het werk, en hem als hun leider
aangesteld had. Maar Gods opperheerschappij was niettemin genadig.
Met
verwijzing naar Petrus' verslag van zijn bezoek aan Cornelius en zijn
huisgezin, wijst Jakobus erop, dat dit in overeenstemming was met profetie
(Het Grieks voor "instemmen" is symphoneo, van mede en
klank). Met aanhaling van Amos.9, wijst hij erop, dat "de
tabernakel van David" zou worden herbouwd "opdat de
overblijvende mensen den Here zoeken, en al de heidenen, over welke Zijn
Naam aangeroepen is, spreekt de Here" (V.17).*/[i]
Of
Jakobus bedoelde er mede in te stemmen dat redding van de heidenen onder
Paulus, een deel van het koninkrijkprogramma was, en dat deze heidenen aan
Israel onderdanig zouden zijn, zal waarschijnlijk moeilijk te bepalen
zijn. Zeker was dit niet een verdere ontwikkeling van het
koninkrijkprogramma, want van het overblijvend deel, en de geroepen
heidenen uit Amos 9, wordt gesproken in verband met de herbouw van de
tabernakel van David, die plaats zou vinden "op die dag" d.w.z.,
de dag des Heren. Zeker is, dat de tabernakel van David niet werd
herbouwd, toen Jakobus sprak. De mogelijkheid van herbouw in zijn dagen
werd steeds verder uitgesteld.
Zeker
is de passage uit Amos 9 in onze dagen nog niet vervuld. Ook zei Jakobus
toen niet, dat zij vervuld was. Ongetwijfeld zei Jakobus in
Gods wijs bestel eenvoudig, dat de bekering van de heidenen in harmonie
(Gr. symphoneo) was, met wat de profeten hadden gezegd. Zo kunnen wij
ook spreken van de bekering van de heidenen vandaag. Want omdat dit geen
vervulling van het profetisch programma is, blijft het feit bestaan, dat
God beloofd heeft om redding tot de heidenen te zenden. En dat deed
Hij ook, en wel ondanks Israels weigering om het kanaal van zegen te
worden, deed Hij het toch. Dit verklaart passages zoals
Hand.13:46,47 en Rom.15:8-16.
Het
door Jakobus aangewezen feit, dat God "eerst" de heidenen
bezocht door Petrus, omvat een verbinding tussen Cornelius en zijn
huisgezin, en de heidenen die later onder Paulus werden gered. Omdat het
waar is dat in het geval van Cornelius we een voor-afschaduwing hebben van
de bekering van de heidenen door verzoend Israel, in de persoon van
Petrus, blijft toch het feit, dat God Petrus naar Cornelius zond, niet
onder de "grote opdracht", maar door een speciale opdracht. Niet
omdat Israel Christus had aangenomen, en nu het profetisch programma
doorgang kon vinden, maar omdat Israel Christus had afgewezen, en
een nieuw programma ingevoegd was. En Petrus, de leider van de
twaalven en van de Besnijdenis Kerk, was degene die voor deze taak was
gekozen, zodat er geen twijfel over hoefde te bestaan. De verdere
ontwikkeling van dit programma onder Paulus (die reeds was opgewekt toen
Petrus Cornelius bezocht) werd daarmee volledig bevestigd.
Het
getuigenis van Jakobus onder Gods leiding, was toen niet om aan te
tonen dat het profetisch programma vervuld was, want dit was nog niet het
geval, maar dat het niet tegengesteld was aan Gods doel, dat heidenen
gered zouden worden, maar eerder in harmonie ermee.
Het
is bedroevend om de overweldiging te zien, van de positie van Petrus en
zelfs die van Paulus door Jakobus, als hij besluit: "Daarom
oordeel ik..." (V.19). Waar het om ging was niet zijn beslissing.
Zoals de verslagen van Handelingen en Galaten getuigen, was het
voornamelijk het resultaat van Paulus' strijd en het protest van Petrus.
Maar in Gods voorzienigheid, was de "beslissing" van Jakobus
niettemin opmerkelijk. Zij voorzag hierin, dat de Joodse gelovigen de
heidenen niet zouden lastig vallen over besnijdenis en de wet, maar
stelde voor, hun te schrijven en te vermanen zich te "onthouden van
dingen door de afgoden besmet, van hoererij,**/[ii]
van het verstikte, en van bloed" (V.20). Op grond van Hand.15:29;
21:25, en Gal.2:5, gevoelen wij niet, zoals sommigen wel, dat dit reeds
een vorm van wetsoplegging is, maar dat dit gedrag werd aanbevolen ter
vereffening van de weg naar betere verhoudingen tussen Joden en
Heidengelovigen. Tevens dat de vooroordelen van ongelovige Joden niet
zouden worden bevestigd, en zij verder van Christus af zouden
drijven. Want, zoals Jakobus zei: "Mozes heeft er van oude tijden
in elke stad die hem prediken, en hij wordt elken sabbat in de synagogen
gelezen" (V.21).
Zijn
zinsbouw wijst erop, dat als de toestand voorbij is, de vermaning niet
langer van kracht is.
ANDERE
ARGUMENTEN
Laten
wij nu het overige van het verslag in de brief aan de Galaten beschouwen,
en opmerken, dat nog andere redenen worden aangedragen, klaarblijkelijk in
de vergadering van de apostelen en ouderlingen, die ongetwijfeld een
belangrijke grond vormden voor Jakobus' "beslissing".
Ten
eerste wijst Paulus in Gal.2 op een feit, dat hij eveneens in de raad
probeerde "over te brengen". De zaak mocht niet door Jakobus
worden beslist, die niet een van de twaalven was, en ook niet door
Johannes, maar door Petrus.
Als
hij de bediening der besnijdenis vergelijkt met zijn eigen bediening, zegt
de apostel:"Want
Die in Petrus krachtiglijk wrocht tot het apostelschap der besnijdenis,
Die wrocht ook krachtiglijk in mij onder de heidenen" (Gal.2:8).
Maar
met het oog op de overheersende Jakobus, verwijst Paulus vier keer naar de
leiders, als naar hen die "geacht waren", terwijl hij ook (V.6)
van dezen met reputatie zegt, die iets zijn: "hoedanigen zij
eertijds waren, verschilt mij niet; God neemt de persoon des mensen niet
aan".
En
toch, zoals wij al zeiden, was God overheersend, want de apostel
verklaart, dat "zij zagen" dat "het evangelie der
voorhuid (onbesnedenen)" aan Paulus was toebetrouwd, zoals
"het evangelie der besnijdenis" aan Petrus (V.7). En voor dit
afgehandeld is, zien we dat de leiders van de besnedenen met Paulus en
Barnabas handendrukken, in een plechtige en belangrijke overeenstemming: "EN
ALS JAKOBUS EN CEFAS EN JOHANNES, DIE GEACHT WAREN PILAREN TE ZIJN, DE
GENADE DIE MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ EN BARNABAS DE
RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN EN ZIJ TOT DE
BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (V.9).
De
Judaisten hadden Paulus' apostelschap in het geding gebracht, maar nu werd
het volkomen bevestigd. We zien hier Jakobus, de door mensen erkende
leider van de Hebreeuwse Kerk, en Petrus, de door Christus aangewezen
leider, samen met Johannes, allen handen schuddend met Paulus en
Barnabas in een plechtige en openbare erkenning, dat God Paulus en
Barnabas geroepen had om naar de heidenen te gaan, en besluitend dat hun
bediening zich beperkt tot de besnijdenis. Hoe volledig werd Paulus
gerechtvaardigd!
Deze
afspraak is temeer merkwaardig met het oog op het feit, dat de twaalven
eerst werd opgedragen om tot alle volkeren te gaan, uiteraard, te beginnen
met Jeruzalem (Matt.28:19; Mark.16:15; Luk.24:47; Hand.1:8). Maar zoals de
apostelen zaken gebonden hadden die ook in de hemel gebonden zijn,
zo oefenen zij nu, voor de laatste maal, gezag uit, door zichzelven te ontbinden
van hun opdracht om uit te gaan in de gehele wereld. En wat zij deden op
aarde zal bevestigd zijn in de hemel (Zie Matt.18:20).
Zoals
er een vermaning was afhankelijk van de beslissing voor wat betreft de wet
in het verslag in Handelingen, zo zien we ook een verzoek, afhankelijk van
de vaststelling van Paulus' apostelschap hier in Gal.2, want de apostel
voegt toe: "Alleenlijk, dat wij de armen*/[iii]
zouden gedenken; hetwelk zelve ik ook benaarstigd heb te doen" (V.10).
Is
er een welsprekender getuigenis van de beeindiging van het
koninkrijkprogramma, en van het begin van een nieuw werk onder de
heidenen, dan dat de leiders van de Kerk in Jeruzalem het nodig achtten om
de gelovigen uit de heidenen om financiele hulp te verzoeken? Er had een
grote verandering plaats gevonden, sinds de tijd dat zij allen "een
van hart en ziel" waren, en niemand enig gebrek had (Hand.4:32,34).
Paulus
begreep de situatie misschien beter dan zij, en zijn ernst door te zeggen
dat hijzelf bevorderen zal hen te helpen, is duidelijk door het feit, dat
hij hun reeds hulp had gebracht van de gemeente in Antiochië
(Hand.11:29,30), en dat we in zijn brieven vinden, dat hij geld verzamelt
van "de gemeenten in Galatië" (1Cor.16:1-3),
"de
gemeenten in Macedonië" (2Cor.8:1-4), en de gemeenten in Achaja
(2Cor.9:2), om "de arme heiligen...in Jeruzalem" te helpen (Rom.15:26).
DE
BRIEF AAN DE HEIDENEN
"Toen
heeft het den apostelen en ouderlingen met de gehele gemeente goedgedacht,
enige mannen uit zich te verkiezen en met Paulus en Barnabas te zenden
naar Antiochië; namelijk Judas, die toegenaamd wordt Barsabas, en Silas,
mannen die voorgangers waren onder de broeders.
"En
zij schreven door hen dit volgende: De apostelen en de ouderlingen en de
broedrs wensen den broederen uit de heidenen, die in Antiochië en Syrië
en Silicië zijn, zaligheid. "Nademaal wij gehoord hebben, dat
sommigen, die van ons uitgegaan zijn, u met woorden ontroerd hebben en uw
zielen wankelend gemaakt, zeggende dat gij moet besneden worden en de wet
onderhouden, welken wij dat niet bevolen hadden" "Zo heeft het
ons, eendrachtiglijk te zamen zijnde, goedgedacht, enige mannen te
verkiezen en tot u te zenden, met onze geliefden, Barnabas en Paulus,
"Memsen die hun zielen overgegeven hebben voor den Naam onzes Heren
Jezus Christus. "Wij hebben dan Judas en Silas gezonden, die ook met
den mond hetzelve zullen verkondigen. "Want het heeft den Heiligen
Geest en ons goedgedacht, ulieden geen meerderen last op te leggen dan
deze noodzakelijke dingen: "Namelijk dat gij u onthoudt van hetgeen
den afgoden geofferd is, en van bloed, en van het verstikte, en van
hoererij; van welke dingen, indien gij uzelven wacht, zo zult gij weldoen.
Vaart wel. - (Hand.15:22-29).
EEN LES IN KERKPOLITIEK
Deze
passage leert ons nog een andere belangrijke les in kerkpolitiek. Het is
waar, dat Petrus werd aangewezen als leider van de apostelen, en dat hem
in het bijzonder, en aan allen tezamen, groot gezag werd gegeven in de
koninkrijkskerk. Toch is het duidelijk uit het verslag, dat deze
autoriteit niet bedoeld was om te worden uitgeoefend op een distatoriale,
en arbitraire manier, speciaal waar het zaken van vitaal belang
voor de gehele gemeente gold. Dit is duidelijk uit de keuze van Matthias
(Hand.1:15-26), en de aanwijzing van de zeven diakenen (Hand.6:2,3). En
als dit zo was in de dagen toen "zij allen vervuld werden met de
Heilge Geest", zoveel temeer toen het Pinksterprogramma begon af
te lopen. Hoewel de kwestie hoofdzakelijk werd uitgestreden in de
conferentie van "de apostelen en ouderlingen", werd het
resultaat toch aan de gehele gemeentesamenkomst ter goedkeuring
voorgelegd. Laat Jakobus het "mijn oordeel" noemen, maar zelfs
al zou het Petrus' beslissing geweest zijn, zou deze niet, en kon ook
niet, doorgaan, tenzij "de gehele gemeente" deze had
goedgekeurd.
Dit
is belangrijk met het oog op het feit dat Rome, meer dan voordeel neemt
van de passages waarin aan Petrus het gezag gegeven wordt. Daarmee sluit
zij de leken geheel uit van het hebben van enig deel in haar beslissingen,
of die nu wel of niet belangrijk zijn. Zelfs de priesterschap heeft geen
stem in haar eigen parochie. Iedereen moet leren om totaal onderdanig
te zijn aan zijn superieur, zo dat geen Rooms Katholiek
(uitgezonderd de Paus) een waar lid is van de Rooms Katholieke Kerk, in
de ware zin van het woord, omdat hun geen stem wordt gegeven, noch
enig recht om te weten, wat er gedaan wordt met het geld dat hij
bijdraagt.
In
het bestuur van enige van onze grootste Protestantse denominaties, zien we
ook leiders die, zoveel zij maar kunnen, politieke macht uitoefenen,
waarbij zij de leken geheel uitsluiten van hun Synodes.
Het
is klaarblijkelijk, dat het debat over een belangrijke kwestie door een
groot gehoor, waarvan velen geestelijk onvolwassen kunnen zijn, en waarvan
slechts weinigen, in het algemeen, de kwestie voldoende aandacht gegeven
hebben, zal leiden tot verkeerde beslissingen en ongeluk. Hiertoe dienen,
of zouden moeten dienen, te worden gekozen, mannen, erkend wegens hun
geestkracht en bekwaamheid. De maatstaf echter van hun ware gezag
is die van hun geestelijkheid. Daarna zou, in zaken betrekking
hebbend op de gehele gemeente, het in privé bereikte accoord dienen te
worden voorgelegd aan de gehele gemeente tot aanneming danwel verwerping.
Dit
hebben we gezien in het geval van Paulus en Barnabas in Hoofdstuk 14, en
hier zien we het opnieuw, zelfs bij het Jeruzalem-convent. Het lekendom
had klaarblijkelijk geen recht om maatregelen in te leiden. Dit
werd overgelaten aan mensen, die door hen waren uitgekozen of beproefd.
Maar duidelijk hadden zij macht, om te stemmen over dat wat hun leiders
waren overeengekomen.
DE
UITEINDELIJKE BESLISSING
Nadat
Jakobus zijn toespraak had beeindigd, werd de beslissing definitief, toen
"de apostelen en ouderlingen, met de gehele gemeente",
toestemden om deze naar de gelovigen uit de heidenen te zenden. Dit
moest worden gedaan op een manier die geen vragen liet bestaan wat betreft
de echtheid of het besluit. Zij zouden een comité van mannen, gekozen uit
hun eigen midden, met Paulus en Barnabas meezenden, die een
geschreven notitie*/[iv]
van de beslissing bij zich hadden, die zij gezamenlijk, mondeling, zouden
kunnen toelichten. Dit comité was samengesteld uit Judas Barsabas,
misschien gerelateerd aan Josef Barsabas (Hand.1:23), die dezelfde naam
had, en Silas. Beiden waren "voorgangers onder de broeders", en
hun woord zou worden gerespecteerd.
De
zendbrief was speciaal geadresseerd aan de broeders uit de heidenen
"in Antiochië, Syrië, en Cilicië" (V.23). Dit is
ongetwijfeld, omdat de kwestie over besnijdenis en de wet verspreid was in
de omstreken van Antiochië, waar Paulus had gewerkt, waarschijnlijk vóór
en mogelijk gedurende**/[v]
zijn verblijf van een jaar te Antiochië (Hand.11:25,26 cf. Gal.1:21,22).
De
geschreven beslissing van de Raad was op zichzelf een grote overwinning,
zowel voor de gelovigen uit de heidenen, als voor Paulus. De brief opent
met een hartelijke groet van "de apostelen en ouderlingen en
broederen" te Jeruzalem en verklaart, dat zij hadden gehoord dat
sommigen uit hun midden naar Antiochië gegaan waren, die daar de zielen
van de heidengelovigen "wankelend" gemaakt hadden, en
verzekeren, dat deze mensen geen bevel van hen hadden gehad. Het woord
"dat" is niet juist toegevoegd in V.24. De bedoeling is niet,
dat de gemeente te Jeruzalem hen niet opgedragen had om te zeggen wat zij
beweerden, maar dat zij in 't geheel geen opdracht hadden om te gaan:
"welken wij niet bevolen hadden".
In
vergelijking met deze onruststokers, spreekt de brief verder van
"verkozen mannen", meegezonden met "onze geliefden,
Barnabas en Paulus, mensen die hun zielen overgegeven hebben voor de Naam
onzes Heren Jezus Christus" - deze "verkozen mannen",
meegezonden om hun verklaringen te ondersteunen.
In
dit mooie getuigenis van het karakter van Barnabas en Paulus komt
duidelijk uit, dat hun woorden door de heidenen dienen te worden
aangenomen, en hun gezag gerespecteerd.
Wat
betreft de werkelijke beslissing door de Raad, samengevat in deze brief,
dienen belangrijke details te worden opgemerkt.
1.De
Kerk te Jeruzalem legde niet de wet op aan de gelovigen uit de heidenen.
2.Dit
konden ze helemaal ook niet, omdat zij geen rechtsmacht hadden over hen,
maar het punt is, dat als het koninkrijkprogramma was doorgegaan, de
heidenen aan Israel onderdanig zouden zijn geweest. Nu maakt de Kerk van
Jeruzalem hier duidelijk, dat dit niet het geval is.
3.De
"noodzakelijke dingen" waarin de Jeruzalemkerk hen vermaande,
waren geen werken der wet, die zij alsnog trachtten de heidenen op
te leggen, maar dingen waarvan zij voelden dat de heidenen zich van
moesten "onthouden", opdat de vooroordelen van de Joden met wie
zij in contact kwamen, niet zouden worden geshockeerd (V.21).
4.Zelfs
deze details waren niet gesteld in de vorm van bevelen. Eenvoudig
werd gesuggereerd, dat zij "goeddeden" om zich in deze tijd
(V.21) van deze dingen te onthouden, zelfs wanneer dit bewees enigszins
een "last" te zijn. Wij geloven niet, zoals sommigen doen, dat
Paulus er in toestemde de heidenen te onderwerpen aan zekere wettelijke
eisen, en dan later de toestemming introk (Zie Gal.2:5; 5:1,3,9).
Vanwege
de overgang van het koninkrijkprogramma naar dat van de huidige bedeling,
was de beslissing van de Raad nodig, om zowel de vrijheid voor de heidenen
te waarborgen, als om het apostolisch gezag van Paulus onder de heidenen
te bevestigen. Het overheerste echter niet het aan Paulus' eigen, door God
gegeven gezag, en de opdracht. Hij had geen Jeruzalem Raad nodig om zijn
apostelschap te bevestigen. Omdat hij dus haar beslissing als een
voldoende regeling van de zaak in kwestie aannam, verwijst hij niet één
keer naar deze brief in zijn epistels. Ook niet als over de principiele
zaak waar het om gaat, wordt gediscussieerd (Gal.2). In ieder geval vond
Paulus zwaardere redenen waarom de heidenen - en zelfs de Joden - niet
onder de wet zouden moeten zijn (Rom.7:2; Gal.3:13; Col.2:14), en hogere
motieven voor onthouding van wat ook, dat anderen zou kunnen schaden, of
zij ook al dan niet behouden zijn.(Rom.14:13-15; 1Cor.8:1,4,7,9; 10:28-33;
Gal.5:13). Waar het inderdaad zelfs onreinheid, en zedeloosheid betrof,
vond hij zwaardere motieven voor heiliging in de waarheden, dat zij waren
"gekocht voor een prijs", en dat zij de leden waren van
Christus, en tempels van de Heilige Geest (1Cor.6:15,19,20).
En
toch, hoeveel was op deze reis naar Jeruzalem tot stand gekomen, en wat
een moeilijkheden waren overwonnen! Dit convent droeg duidelijk getuigenis
van het feit dat de Pinkstertijd, onder volledige controle van de Heilige
Geest, snel voorbij ging, evenals vele Christelijke conventies vandaag,
want zij was beladen met mogelijke rampspoed. In conferentie-ontmoetingen
waren mensen, die kennelijk ernstig geloofden, dat de heidenen moesten
worden besneden, en de wet onderhouden. Dan waren er de "valse
broeders" om mee af te rekenen, zowel als Petrus' zwakheid, en
Jakobus' zelfopgeworpenheid. Er was inderdaad veel om bang voor te zijn.
En toch had de Heilige Geest, lieflijk en krachtig overheerst,
totdat beiden, zowel Jakobus als Petrus, met Johannes, in
het openbaar, en officieel, Paulus erkenden als de apostel voor de
heidenen, en de "gehele gemeente..., eendrachtiglijk tezamen zijnde,
goedgedacht" aan de heidenen schreef, als broeders in Christus. In
dit schrijven werden de Judaisten veroordeeld, Paulus bevestigd, en
verklaard, dat zij hadden ingestemd, dat de heidenen niet onder
de wet zouden zijn.
De
gemeente te Jeruzalem moet wel scherp bewust zijn geweest dat de Heilige
Geest overheerste, want in deze brief vinden we de sterke aanspraak: "Het
heeft den Heiligen Geest en ons goedgedacht...". Zo definitief
was de zaak geregeld, dat jaren later de leiders in Jeruzalem tot Paulus
zeiden: "Gij ziet, broeder, hoevele duizenden van Joden er zijn
die geloven, en zij zijn allen ijveraars van de wet (Hand.21:20).
Maar
in scherpe tegenstelling: "DOCH
VAN DE HEIDENEN DIE GELOVEN, HEBBEN WIJ GESCHREVEN EN GOEDGEVONDEN, DAT
ZIJ NIETS DERGELIJKS ZOUDEN ONDERHOUDEN" (V.25).
De
passage die we hebben beschouwd, bevat de laatste maal dat Petrus genoemd
wordt - of enige van de twaalven - in het verslag van Handelingen. Nadat
hij Paulus' bediening en apostelschap heeft bevestigd, verdwijnt hij van
het toneel, om geheel door Paulus te worden vervangen.
DE
BESLISSING TANS VERWORPEN
Ondanks
alle fouten die bij het Jeruzalem Convent naar voren kwamen, moet worden
gezegd, dat nooit sinds die tijd, zoveel gezag binnen een kerkelijke
vergadering gevestigd is geweest. Daar waren de leiders van de twaalven,
die onze Here Zelf had gekozen en aangesteld als Zijn vertegenwoordigers.
Daar was Paulus, geroepen en aangesteld door de opgestane Here, en
Barnabas, die met Paulus uitgezonden was geweest door de Heilige Geest, om
te dienen onder de heidenen. Daar waren ook anderen, met grote of minder
grote graad van gezag als vertegenwoordigers van Christus. Dan verklaren
ook nog de Schriften nadrukkelijk, dat de beslissingen van de raad werden
geleid door de Heilige Geest.
En
toch heeft bijna elke Kerkeraad sindsdien de beslissing van deze Raad
verworpen. Hoewel deze Raad zo nadrukkelijk de verdere openbaring
aan Paulus, gegeven voor de heidenen, met een boodschap die verschilde van
de hunne, erkende (Hand.15:9-11; Gal.2:2,7). En hoewel zij tenslotte
volledig instemde, dat de heidenen onder de genade moesten blijven,
niettemin, bijna zonder
uitzondering, is de Kerk teruggegaan van de Paulinische boodschap, naar de
zogenaamde "grote opdracht". Deze werd gegeven aan de elven, en
bespreking na bespreking heeft te maken gehad met vragen over de wet,
waterdoop, wonderen, en honderd andere details, die nooit zouden zijn
opgekomen, als de Kerk zich aan de beslissingen had gehouden van deze Raad,
en geluisterd had naar Paulus. Zelfs Fundamentalisten hebben eerder
gewankeld tussen de Paulinische boodschap en de "grote
opdracht", dan vast te staan op Paulinische grond. Hier ligt de
grondoorzaak van hun huidige verdeeldheid en verwarring.
DE BRIEF AFGELEVERD
"Dezen
dan hun afscheid ontvangen hebbende, kwamen te Antiochië; en de menigte
vergaderd hebbende, gaven zij de brief over. "En zij, dien gelezen
hebbende, verblijdden zich over de vertroosting. "Judas nu en Silas,
die ook zelven profeten waren, vermaanden de broeders met vele woorden, en
versterkten hen. "En als zij daar een tijdlang vertoefd hadden,
lieten hen de broeders wederom gaan met vrede, tot de apostelen.
"Maar het dacht Silas goed aldaar te blijven. "En Paulus en
Barnabas onthielden zich te Antiochië, lerende en verkondigende met nog
vele anderen het Woord des Heren" - (Hand.15:30-35).
Plotseling
vinden we de apostelen weer terug in Antiochië. Vast en zeker hebben zij
veel haast gemaakt om het goede nieuws over te brengen!
Hoe
wonderbaar moet het geweest zijn voor de heidenen om deze brief te horen
voorlezen! En dan de hele geschiedenis te horen, of een groot gedeelte
ervan, uit de monden van Paulus en Barnabas aan de ene kant, en Judas en
Silas aan de andere.
Wat
Judas en Silas betreft, zij staan in direct contrast tegenover de
Judaisten die hen waren voorgegaan. De Judaisten waren niet uitgezonden,
maar waren gekomen om twijfel te zaaien over de werkelijkheid van de
bekering van de heidenen, om hen te "ontmantelen" en te beroven.
Judas en Silas daarentegen, waren officieel door de Kerk te Jeruzalem
opgedragen, en waren gekomen om de gelovigen uit de heidenen te
bemoedigen, en ze te bevestigen.
Hier
dient opgemerkt te worden, dat "Judas en Silas" "zelf ook
profeten" waren, en als zodanig de gelovigen uit de
heidenen te Antiochië bevestigden. Zoals dus de nodige uitwisseling van
redenen om een zaak te regelen, aangaven dat de Pinkster controle door de
Geest had plaats gemaakt voor een nieuwe bedeling, toonde deze bediening
van deze profeten, dat de overgang nog niet compleet was. De heidense
gelovigen hadden deze profetische bevestiging nodig, omdat zij zich midden
in de overgang bevonden. Dit is wat Mr. A.E.Bishop in zijn Tongues,
Signs and Visions noemt "een overlapping van de vorige en
tegenwoordige bedelingen, zoals enige jaren voorbij gingen voordat de
bedeling van genade zijn gewone loop nam."
Toen
hun missie gedaan was, keerde Judas terug naar Jeruzalem, maar Silas bleef
te Antiochië. We krijgen enig idee van haar grootheid, wanneer we lezen,
dat Paulus en Barnabas doorgingen met hun boodschap, en het Woord van de
Here predikten "met nog vele anderen".
[ii].**/voetnoot: Wellicht niet in de
uiterste betekenis, maar in die gevallen waarin zij begrepen dat de
heidense gelovigen slap waren.
[iii].*/ voetnoot: Hun armen. Het zou geen punt
zijn, hulp te vragen voor de armen onder Paulus' bedieningen.
[v].**/voetnoot: Hoewel we in
Hand.11:26 lezen, dat hij en Barnabas "een heel jaar" met de
gelovigen in Antiochië "vergaderden", waarbij dan veel
reizen zou zijn ingesloten.
|