De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXIV  -  H A N D. 15:1-12

DE RAAD TE JERUZALEM

HET DISPUUT TE ANTIOCHIE

"En sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende. Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden. "Als er dan geen kleine weerstand en twisting geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd, dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem over deze vraag. "Zij dan van de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samaria, verhalende de bekering der heidenen, en deden al den broederen grote blijdschap aan."- (Hand.15:1-3)

Wij komen nu tot het verslag van de eerste grote tegenstelling tussen volgelingen van Christus, de onvermijdelijke botsing  tussen de gelovigen in Jeruzalem en Antiochië, en hoe dit door God werd gebruikt om eens en voor altijd, de kwestie van Paulus' gezag als apostel van de nieuwe bedeling op te lossen.

Het verslag van Petrus aan de broeders te Jeruzalem omtrent Cornelius en zijn huisgezin had de zaak niet afgesloten. Ten tijde van Petrus' verklaring scheen het alsof zij bevredigd waren, en zij ten slotte "God verheerlijkten, zeggende: zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven!" (Hand.11:18). Maar dat was nu reeds enige tijd geleden (Hand.15:7), en sommigen begonnen te twijfelen over deze status van zulke heidenen. Hadden Cornelius en zijn huisgezin er goed aan gedaan om onbesneden te blijven? Was hun geval een aanvaardbare zaak? Wie had enig recht om de wet, die God Zelf had verordineerd, af te schaffen of in te trekken? Deze wet, aan Israel geschonken, had het principe verklaard, en dwong praktisch tot nationale isolatie. Was het nu goed, dat Joden onbesnedenen als volk van God beschouwden, ook al hadden zij de afgoderij verlaten, en aanbaden zij Christus, en dit bewezen in hun gedrag?

Deze en andere kwesties maakten het sommigen moeilijk. Want Petrus was wel tot een heidens huisgezin gezonden, en had wel getuigd van hun

redding, maar hij kon slechts verklaren dat hem bevolen was om te gaan "niet twijfelende", daar aan toevoegende: "Wie was ik toch, die God konde weren?" Ook was er geen enkele openbaring aan hun gegeven, dat de wet, "de middelmuur des afscheidsels", zou zijn weggedaan door het kruis.

De bange voorgevoelens van deze Joodse gelovigen werden ongetwijfeld verergerd door het feit, dat grote aantallen heidenen nu werden gewonnen voor Christus onder de bediening van Paulus en Barnabas, die gemeenten stichtten, waarin besnijdenis, noch Mosaische wet, een plaats had.

Tenslotte waren er sommigen die zich niet langer konden inhouden, en op zich namen om naar Antiochië te reizen en daar de bekeerden terecht te brengen. Merk op dat het bij hun niet alleen een zaak was van gemeenschap: klaarblijkelijk waren zij werkelijk begaan*/[i] met de redding van deze heidenen, want zij begonnen hen te leren: "Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig worden." Zij zagen niet alleen op de besnijdenis als teken van het Abrahamitisch verbond, maar als datgene wat Mozes had verordineerd, de principieële heilige handeling van het Judaisme, los van de rechten en privileges van het lidmaatschap van het uitverkoren volk, en als zodanig, nodig tot redding en zaligheid.**/[ii]

------------

*/voetnoot: De "valse broeders" uit Gal.2:4 kwamen later op het toneel in Jeruzalem. 

**/voetnoot: En het was ook werkelijk de vereiste basisceremonie van de wet, en datgene wat hen scheidde van de heidenen, als volk van God (Joh.7:22; Lev.12:2,3; Gal.5:3).

Maar met al hun duidelijke ernst in deze zaak, waren zij toch verkeerd, want zij hadden deze reis ondernomen zonder ambtelijk gezag, en tevens, zoals bleek in Antiochië, met onklare zaken, inplaats van met klare zaken. Nadat de zaak uiteindelijk in Jeruzalem geklaard was, schreef de gemeente daar aan alle heidenen met betrekking tot deze broeders: "...sommigen, die van ons uitgegaan zijn, U MET WOORDEN  ONTROERD HEBBEN en UW ZIELEN WANKELEND GEMAAKT, zeggende dat gij moet besneden worden, en de wet onderhouden, WELKEN WIJ DAT NIET BEVOLEN HADDEN" (Hand.15:24).

Jaren later, toen Judaisten probeerden besnijdenis en de wet op de Galaten te leggen, schreef Paulus bijna hetzelfde over hen: "...er zijn sommigen, die U ONTROEREN en het EVANGELIE VAN CHRISTUS WILLEN VERKEREN" (Gal.1:7).

Omdat sommige Bijbelleraars, die wij zeer respecteren, er aan vasthouden, dat deze Judaisten een vals evangelie predikten, kunnen wij niet in dit idee met hen meegaan, want dan zou de apostel ongetwijfeld, in Gal.1:6,7 gezegd hebben: "Ik verwonder mij, dat gij zo haast... overgebracht wordt tot een ander evangelie; Wat geen evangelie is"; of "dat helemaal geen evangelie is" of "wat zelfs geen evangelie is". Wat hij eigenlijk zei, was: "Wat niet een ander evangelie is."

Nu is het waar, dat "een ander" in vers 6 (heteros), door Thayer en anderen, wordt gezien als te betekenen: "een ander van een verschillend soort", terwijl het "een ander" van vers 7 (allos) zou betekenen "een ander van dezelfde soort", het eerste zou betekenen verschil, en het andere toevoeging.

Toch blijken enkele van onze beste kenners van het Grieks, hier te twijfelen, en sommigen geven zelfs aanleiding te denken, dat hun vertaling sterk is beinvloed geworden door hun theologische achtergrond. Zo zegt b.v. W.E.Vine, in zijn Expository Dictionary of New Testament Words", dat dit onderscheid "is waar te nemen in meerdere passages", terwijl Vincent, in zijn Word Studies, zegt: "Een verschillend evangelie is nog geen ander evangelie. Er is maar één evangelie."

Maar hier is Vincent abuis, want het is niet waar, dat de Bijbel maar één evangelie brengt. Ons wordt uitgebreid verteld, dat het blijde boodschap was, die God verkondigde aan Abraham, toen Hij zei: "In u zullen alle volkeren gezegend worden" (Zie Gal.3:8). En dit was zeer zeker anders dan het evangelie dat ons nu wordt opgedragen te prediken. En het "evangelie aan de besnedenen" was zeer zeker verschillend van het "evangelie aan de onbesnedenen" (Gal.2:7). Maar de mensen zijn zo tekort geschoten in het recht snijden van het Woord der waarheid, en zijn zolang de traditie nagegaan dat de Bijbel slechts één evangelie brengt, dat Vincent ongetwijfeld dacht, dat een ander evangelie helemaal geen evangelie kon zijn. Maar als het dit is wat Paulus bedoelde, waarom zegt hij dan niet "een ander evangelie wat geen evangelie is"? Waarom voegde hij dan het woord allos, een ander toe?

Dit wat betreft de beweerde onderscheiding die in "meerdere" passages te vinden zijn, maar hoe staat het met de rest? Wij hebben sommige daarvan opgezocht, en merken het volgende op:

Soms wordt heteros en allos onderling verschillend gebruikt, zoals b.v. in Matt.19:9 en Luk.16:18, waar wordt gesproken van zijn vrouw wegzenden en "een andere" huwen.

Soms betekent heteros eerder toegevoegd, dan verschillend, zoals in Hand.2:40, "vele andere woorden"; Matt.8:21, "een ander uit Zijn discipelen"; Gal.1:19, "geen ander van de apostelen"; Hand.20:15, "des anderen daags" (lett."volgende").

Aan de andere kant drukt allos soms eerder verschillend uit dan toevoeging, zoals in Matt.2:12, "vertrokken zij door een andere weg"; Mark.12:9, "den wijngaard aan anderen geven"; Joh.4:38, "hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid"; Hand.4:12, "En de zaligheid is in geen ander"; Hand.19:31, "...de een dit, de ander wat anders"; Gal.5:10, "dat gij niet anders zult gevoelen."

In dit verband dienen zij, die redeneren dat ons woord heterodox afgeleid is van het Griekse heteros,  op te merken, dat het Engelse woord else, op gelijke wijze is afgeleid van het Griekse allos, en dat beide betekenen "verschil", hoewel het eerste het wat sterker uitdrukt.

Thayer zegt: "Iedere heteros is een allos, maar niet iedere allos is een heteros." Maar hier is hij net zo mis als Vincent, want juist deze passage is het bewijs ervan, dat niet iedere heteros een allos is, want de apostel zegt: "Gij zijt zo haast wijkende...overgebracht tot een ander (heteros) evangelie"; daar er GEEN ander (allos) is".

Wij zien daarom geen grond voor de theorie, dat de Judaisten in Antiochië en Galatië een vals evengelie verkondigden, of dat het helemaal geen evangelie was, anders zou Paulus dit wel gezegd hebben.

Omdat misschien de nadruk op verschillend, gewoonlijk groter is in het geval van heteros dan in het geval van allos, zijn het innige synonymen die Paulus gebruikt, klaarblijkelijk om aan te tonen, dat het evangelie dat de Judaisten brachten aan de heidenen, een ander was, en toch ook weer niet in de zin van een ander. Dat wil zeggen, dat het eerder een verschil van ontwikkeling dan van tegenspraak was, juist zo als elders Paulus duidelijk maakt, dat de genade niet in tegenspraak was met de wet (Rom.3:31).

Deze Judaisten waren niet onschriftuurlijk; zij waren buiten de bedeling. Wat zij leerden kon worden gevonden in de Schrift, maar het erkende niet, de verdere openbaring die door, en aan Paulus gegeven was. Zij trachtten de heidenen die uit enkel genade gered waren, terug te brengen onder het programma van het koninkrijk met zijn besnijdenis en wet - en besmeurden op die manier, het evangelie van Christus.

Dit zou voor ons een les moeten zijn, want als wij prediken of praktiseren, dat wat niet tot de tegenwoordige bedeling behoort, hoe toepasselijk het ook, Schriftuurlijk gezien, eens mag zijn geweest, doen wij het evangelie van Christus geweld aan, en komen onder de vloek van Gal.1:8,9. Deze vloek heeft het grootste gedeelte van de belijdende kerk reeds verward en verdeeld.

Zo noemden dus de apostelen te Jeruzalem, en de Apostel Paulus, de Judaisten onruststokers.

Hij die "in Petrus krachtiglijk wrocht tot het

apostelschap der besnijdenis, wrocht ook krachtiglijk in Paulus onder de heidenen" (Gal.2:8), en de eensgezindheid van deze Judaisten, dat de heidenen niet zonder besnijdenis en wet konden zalig worden, bracht met zich, dat Paulus en Barnabas een zielen-verdervende dwaalleer leerden. Zo werd de heilige roeping en het apostelschap van Paulus in twijfel getrokken, en zijn verkondiging van genade bedreigd. Het verwondert dan ook niet, dat "tegen Paulus en Barnabas geen kleine wederstand en twisting geschiedde" (V.2).

Als resultaat van de tegenstelling die verrezen was, werd besloten "dat Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen zouden opgaan tot de apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem over deze vraag" (V.2).

Men is het in het algemeen ermee eens, dat dit bezoek van Paulus aan Jeruzalem identiek is aan dat wat in Gal.2 wordt geschreven, maar omdat de overeenkomst niet geheel klopt, geven we hier enkele redenen waarom wij geloven wat daarvan de oorzaak is.

De enige andere vermelde bezoeken van Paulus aan Jeruzalem, waarnaar in Gal.2 wordt verwezen, zouden die uit Hand.11:30 en 18:22 kunnen zijn.

De beweegredenen tegen het bezoek van Hand.11:30, dat identiek is met dat uit Gal.2, zijn de volgende:

1.Het blijkt onmogelijk om de veertien jaren uit Gal.2:1 te plaatsen in de periode van Hand.9:27 (zijn eerste bezoek na zijn bekering) tot Hand.11:30.

2.Het doel van zijn bezoek in Hand.11:30 wordt verklaard te zijn, het brengen van geldelijke steun aan de arme heiligen in Judea.

3.Er wordt niet gesproken over de kwestie van besnijdenis, dat deze toen zou zijn ontstaan, en het is te betwijfelen of dit al zo kort na de verklaring  in Hand.11:18, zo zal zijn geweest.

4.Als de overeenkomst uit Gal.2:9 gemaakt zou zijn gedurende het bezoek in Hand.11:18, voorafgaand aan het convent in Hand.15, dan zou daar zeker gewag van zijn gemaakt. In feite zou dan het convent van Hand.15 niet nodig zijn geweest.

De beweegredenen tegen het bezoek van Hand.18:22, dat identiek is met dat uit Gal.2, zijn de volgende:

1.De tussentijd tussen de bezoeken van Hand.9:27 en Hand.18:22 is ongetwijfeld beduidend meer dan veertien jaren.

2.Het is niet aanneemlijk, dat de kwestie van besnijding van heidenen, weer zou zijn gerezen na de geschreven beslissing van de raad uit Hand.15.

3.Als het zo geweest zou zijn, zou zeker naar de voorafgaande beslissing in Hand.15 zijn verwezen.

Vanwege deze beweegredenen, en ook vanwege de overeenkomst van de verslagen in Hand.15 en Gal.2, geloven wij, dat zij op hetzelfde bezoek betrekking hebben. Het voornaamste bezwaar tegen dit inzicht ontstond, doordat in Gal.1:18-2:1 Paulus zelf plechtig verklaart, dat na zijn bezoek met Petrus, drie jaren na zijn bekering, hij niet eerder opging naar Jeruzalem om opniew de apostelen te ontmoeten, dan "veertien jaren later". Maar deze moeilijkheid is niet onoverkoombaar, want het argument van de apostel in de Galatenbrief is niet, dat hij zo zelden in Jeruzalem geweest is, maar dat hij zelden met de apostelen in contact geweest is,*/[iii]en dat hij daarom zijn onderwijs niet van hen ontvangen had. Het weglaten van zijn bezoek van Hand.11:30 in de passage in Galaten, is klaarblijkelijk omdat hij toen niemand van de apostelen zag, en wordt niet ingegeven door een behoefte naar openheid (Zie onze aantekeningen op pagina.... bij het bezoek in Hand.11:30).

Maar wijst dit zenden van Paulus naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem om deze zaak te regelen, er niet op dat hij onder hen gesteld was? In het geheel niet. Het waren niet alleen de gelovigen in Antiochië die "beslisten" om Paulus deze keer naar Jeruzalem te zenden; de Here zond hem ook, en voor een speciaal doel, zoals hij zegt in Gal.2:2: "EN IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik predik onder de heidenen..."

Dit was niet voor het eerst het geval, want bij zijn eerste bezoek aan Jeruzalem, na zijn bekering, was zijn leven zo in gevaar, dat de "broeders" hem begeleidden, en "hem afzonden naar Tarsen". Maar in Hand.22:17,18 legt de apostel uit, hoe hij bij dit zelfde bezoek, terwijl hij bad in de tempel, in verrukking was: "EN DAT IK HEM (CHRISTUS) ZAG, EN HIJ TOT MIJ ZEIDE: SPOED U EN GA INDERHAAST UIT JERUZALEM; WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN."

Zo werd hij dus in beide gevallen gezonden, eerst vanuit Jeruzalem, en daarna naar Jeruzalem, beiden door de broeders en de Here. En de relatie van deze twee bezoeken is ook nog belangrijk. In het eerste geval werd hij uit Jeruzalem weggezonden door de broeders met het oog op lichamelijke veiligheid, maar door de Here, omdat Israel werd besloten in ongeloof (Hand.22:18). In het twede geval werd hij naar Jeruzalem gezonden door de broeders, om een moeilijke tegenstelling met betrekking tot de besnijdenis op te lossen. Maar door de Here opdat hij met de leiders te Jeruzalem dat evangelie zou voorleggen wat hij onder de heidenen predikte, en dat zij hem officieel en openlijk zouden erkennen als de apostel der heidenen, gezonden om "het evangelie van de onbesnedenheid" te verkondigen (Gal.2:2,7,9).

Paulus had volledig autoriteit van de Here, volstrekt apart van de twaalven. Hij was gered geworden, en tot apostel verordineerd, op de weg naar Damaskus, ver van Jeruzalem en de twaalven. Hij werd op zijn eerste grote apostelreis gezonden vanuit Syrisch Antiochië, ook geheel apart van de twaalven. Reeds werd hij gebruikt om grote aantallen heidenen tot de Here te bekeren, zonder ook maar eenmaal van node te hebben tot de apostelen in Jeruzalem te gaan voor aanwijzingen of directies. De reden waarom hij naar Jeruzalem werd gezonden, was niet voor zijn zaak, maar voor hun zaken, en voor de zaak van het programma dat nu werd gestart.

Er moet aan herinnerd worden, dat de apostelen te Jeruzalem eerst tot "de gehele wereld" en "alle volkeren" gezonden werden (Matt.28:19; Mark.16:15). Het was hun hoop en verwachting dat Israel, Christus, de opgestane Koning, zou ontvangen, en dat de redding en zegening van de heidenen, door Israel, tot de heidenen zou vloeien. Maar Israel had haar Koning, en de lang-beloofde "tijden van verkwikking" afgewezen.

De steniging van Stefanus was, naar de woorden van Sir Robert Anderson, "de geheime crisis" in Israels historie, en bereidde het tijdelijk opzijzetten van Israel voor. Ook werd de vestiging van het koninkrijk in reserve gehouden. God wekte nu nog een apostel op, en zond hem heen, om genade te verkondigen aan de heidenen, volledig gescheiden van het instrument Israel; niet vanwege haar acceptatie van Christus, maar vanwege haar verwerping en opstand.

Natuurlijk raakte dit de "grote opdracht" aan de elven. Onder dit nieuwe programma zou Paulus, niet de apostelen te Jeruzalem, de apostel zijn voor "alle volkeren" en "de gehele wereld", en de apostelen te Jeruzalem zouden voortaan hun bediening beperken tot diegenen van de besnijdenis. Paulus begreep dit ten volle, maar zij moesten dit ook begrijpen en eveneens volledig erkennen, zodat zij niet met tegengestelde bedoelingen zouden werken.

Verder zou, onder de nieuwe bedeling, de scheidsmuur tussen Jood en heiden geleidelijk worden afgebroken, en daarvoor was het nodig dat de Joodse gelovigen, de gelovigen uit de heidenen als hun broeders in Christus erkenden. Dit was uiteraard pas het begin. Zij konden nog niet hun volkomen eenheid in Christus begrijpen, maar langzamerhand zouden zij elkander erkennen als degenen die zij werkelijk waren: "één lichaam in Christus, en een ieder leden van elkander" (Rom.12:5; cf.1Cor.1:2; 12:13).

Dit alles ter aanvulling van het feit, dat het eens en voor altijd vast staat, dat de heidenen ook niet in het minst, onder de wet van Mozes worden gesteld. Nogmaals, dit was slechts een begin, want het convent te Jeruzalem overwoog zelfs de kwestie niet, of Joodse gelovigen al of niet onder de wet dienden te blijven. Zij namen aan, dat zij dit waren, want er was nimmer een openbaring door God gegeven, betekenend dat zij ervan zouden zijn bevrijd. Op het laatst, in Hand.21:20, waren zij nog steeds "allen ijveraars voor de wet".

Zo hebben we dus met de opwekking van Paulus en zijn eerste bediening onder de heidenen, de geleidelijke overgang van de oude bedeling naar de nieuwe. God openbaart alles niet ineens, noch begint gemeenten onder de heidenen, die geen relatie met de gelovigen in Jeruzalem hebben. Van de heiligen in Jeruzalem wordt verwacht, de verandering van programma te erkennen, ervan uit te gaan, en zich te verheugen in hun eenheid met de heiligen uit de heidenen.

Van degenen die Paulus op deze reis naar Jeruzalem vergezellen worden slechts twee namen genoemd in het door de Geest ingegeven verslag: Barnabas (Hand.15:2), en Titus (Gal.2:1). De keus van deze twee kon niet meer passend zijn geweest, want Barnabas had oorspronkelijk behoord tot de groep in Jeruzalem, en was een Leviet van geboorte, terwijl Titus een onbesneden Griek was. Met deze twee, en nog enige anderen, vertrok Paulus naar Jeruzalem.

Jaren later schreef Paulus vanuit de gevangenis aan de Philippenzen, als een soldaat die een zeer kostbare schat moet bewaken: "Ik ben tot verantwoording des Evangelies gezet" (Phil.1:17). Altijd was hij getrouw geweest in het verdedigen van de zuiverheid van dat goede nieuws, dat hem was toevertrouwd: "het evangelie van Gods genade". Laat ons God daarvoor danken. Reeds leidde zijn "afscheiding en dispuut" met de Judaisten in Antiochië tot resultaten, want hoewel "in moeiten", was daar de gemeente, staande achter Paulus en Barnabas, zoals blijkt uit het feit dat de gemeente hen uitgeleide deed, toen zij op weg gingen voor hun reis. Het zal Paulus en zijn gezelschap ook bemoedigd hebben, dat het nieuws van de bekering der heidenen "den broederen grote blijdschap aandeed" op hun reis door Fenicië en Samaria (Hand.15:3). Zij zouden ook hebben kunnen varen van Antiochië naar Joppe, en zodoende de streken van de Kanaanieten en de gehate Samaritanen hebben ontweken, maar de keuze van deze route, zal wel een bevestiging zijn geweest van de beginselen waar zij voor stonden.

____________

*/voetnoot: "En ben niet wederom naar Jeruzalem gegaan TOT DEGENEN DIE VOOR MIJ APOSTELEN WAREN" (Gal.1:17).

PAULUS EN ZIJN GEZELSCHAP KOMEN AAN TE JERUZALEM

"En te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de apostelen en de ouderlingen; en zij verkondigden wat grote dingen God met hen gedaan had. Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van de sekte der Farizeeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen moet besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden" - (Hand.15:4,5).

EEN WARME ONTVANGST

Zoals Paulus en zijn gezelschap waren "uitgeleid van de gemeente" te Antiochië, zo werden zij nu "ontvangen (Lett. "verwelkomt") door de gemeente" te Jeruzalem. Paulus' twee vorige bezoeken aan Jeruzalem, waren kort, en gepaard geweest met aanzienlijk gevaar. Bij zijn eerste bezoek na zijn bekering, hadden de discipelen hem gewantrouwd, en de Grieksen hadden zijn dood beraamd, zodat het voor hem nodig was geweest, de stad te verlaten (Hand.9:26-30). Zijn twede bezoek werd gemaakt in de tijd dat "Herodus, de koning, zijn handen sloeg aan sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen," door Jakobus, de broeder van Johannes, te doden, en Petrus gevangen te nemen, met het doel hem, na Pasen, ter dood te brengen (Hand.11:30; 12:2-4,25). In die tijd zag Paulus klaarblijkelijk niemand van de twaalf apostelen.

Maar nu zijn de zaken veranderd te Jeruzalem. De volgelingen van Messias in de stad vermenigvuldigden zich weer (velen zijn ook teruggekeerd van de plaatsen waarheen zij verstrooid waren bij de "grote verdrukking" van 8:1), en schenen de ongelovige leiders van het volk niet langer te vrezen. Zij belegden zelfs hun eigen Raadsvergadering, nota bene, in de stad. Ook werd de echtheid van Paulus' bekering tot Christus, niet meer in twijfel getrokken. Wat voor tegenwerpingen sommigen mogen gehad hebben tegen zijn bediening, hij werd erkend en hartelijk verwelkomd door de volledige gemeente, met het aanzien van een geslaagde dienstknecht van Christus.

Het moet wel een opwindende ervaring geweest zijn om Paulus en zijn vrienden, strijders-veteranen in de strijd van Christus, verslag te horen uitbrengen van "wat grote dingen God met hen gedaan had".

HET AANTAL GEHOUDEN SESSIES

Men moet niet denken, dat de apostel en zijn gezelschap gewoon ten tonele verschenen, dat de raad werd bijeengeroepen, en de kwestie met betrekking tot de heidenen besproken, en geregeld werd. Zo'n belangrijke zaak kon niet zo eenvoudig worden afgedaan. Er waren op z'n minst twee, waarschijnlijk drie,  en misschien wel vier aparte ontmoetingen aan vooraf gegaan.

In de brief aan de Galaten legt Paulus uit, dat een besloten voorbespreking eerst werd gehouden met "dengenen die in achting waren" (2:2). Het is mogelijk, dat Hand.15:4,5 niet slaat op een vergadering van de gemeente, maar de wijze van uitdrukking van de passage, samen met het feit, dat het niet veel van een welkom door de gemeente had, als het niet openbaar geweest zou zijn, leidt ons ertoe te geloven, dat het een openbare vergadering was, en dat daarna de Farizeërs opstonden om bezwaar te maken, en "de apostelen en ouderlingen" toen samenkwamen om de zaak te bespreken (V.6). De ontmoeting van de apostelen en ouderlingen zou dan de derde ontmoeting zijn, gevolgd door een vierde, waarbij "al de menigte...met de apostelen en ouderlingen met de gehele gemeente" (V.12,22) aanwezig waren.

DE VOORBEREIDENDE ONTMOETING

De Apostel Paulus, zich ernstig bewust van zijn heilige roeping en opdracht, en besloten in niets toe te geven dat essentieel was, handelde niettemin met de hem eigen voorzichtigheid en overleg. Zo vinden we in zijn brief aan de Galaten, dat hij eerst apart, diegenen die "in achting waren" ontmoette, om met hen persoonlijk dat evangelie te bespreken, dat hij onder de heidenen verkondigde, opdat zijn reis niet tevergeefs zou zijn (Gal.2:2).

Zij die niet zien, of die ontkennen, dat een verdere openbaring aan Paulus werd gegeven, dienen de opsomming in deze brief nauwlettend te bestuderen. Deze leert namelijk nadrukkelijk, dat zijn boodschap iets nieuws was, en gescheiden van die welke de twaalven hadden verkondigd.

Ten eerste verklaart de apostel duidelijk, dat gedurende het onderhoud, zij "hem niets hebben toegebracht", terwijl hij toch nieuwe waarheden aan hen "mededeelde" (V.2,6). Ten twede noemt hij deze waarheden: "dat evangelie, dat ik predik onder de heidenen", te kennen gevende, dat het niet dezelfde boodschap was, die zij hadden gepredikt onder de Joden. Ten derde, het feit dat hij dit evangelie eerst mededeelde aan de leiders, opdat hij niet tevergeefs zou hebben gelopen, wijst er duidelijk op, dat hij poogde om hun dit te doen inzien.

Hoe onschriftuurlijk om, in het licht van dit alles, vol te houden, zoals sommigen doen, dat Paulus eenvoudig "controleerde" met de leiders te Jeruzalem, om zeker te wezen dat hij dezelfde boodschap verkondigde als zij!

Klaarblijkelijk waren de resultaten van deze voorbereidende ontmoeting bemoedigend, want Hand.15:4 beschrijft, wat blijkbaar algemeen welkom was aan de gehele gemeente tot wie Paulus en Barnabas verhaalden, "wat grote dingen God met hen gedaan had". Wat een samenkomst moet dat geweest zijn! Wie zou dan niet bewogen geweest zijn bij het horen van deze waardevolle Godsmannen, die hun ervaringen vertelden bij het brengen van het goede nieuws van Gods genade naar de heidenen! En dat dit het thema was van hun toespraak, is duidelijk uit Vers 5.

Terwijl de menigte zeer zeker geboeid werd bij het horen van wat God gedaan had onder de heidenen, waren er zekere gelovige Farizeërs aanwezig, die verre van tevreden waren. Zij waren van gevoelen, dat de heidenen door Israel tot God moesten komen om gered te worden. Dat zij moesten worden besneden en de wet van Mozes onderhouden, anders was hun geloof tevergeefs. Leerden Jes.56:6,7; 60:1-3; Zach.8:13,23 en vele andere Oud- Testamentische passages dit niet? Het was doordat sommigen van de gelovige Farizeërs opstonden om deze bezwaren kenbaar te maken, dat er een speciale vergadering van de apostelen en  ouderlingen nodig was.

DE VERGADERING VAN DE APOSTELEN EN OUDERLINGEN

"En de apostelen en de ouderlingen vergaderden tezamen om op deze zaak te letten. "En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op en zeide tot hen; Mannen broeders, gij weet, dat God van overlangen tijd onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des Evangelies zouden horen, en geloven. "En God, de Kenner der harten, heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als ook ons; "En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen, gereinigd hebbende hun harten door het geloof. "Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?  "Maar wij geloven door de genade des Heren Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij" - (Hand.15:6-11).

De verzen 6 en 7 van deze passage worden dikwijls gebruikt door Protestanten, om te bewijzen dat het bestuur van "de eerste Kerk" niet berustte op de autocratie van de wil van een enkeling, maar bij de weloverwogen beslissing, keuze, en beproeving van  leken. In feite echter veroorzaakte dit eerder een neergang in de Pinksterorde, waarin aan Petrus en de  twaalven gezag werd verleend om Christus officieel te vertegenwoordigen bij Zijn afwezigheid, en waarbij alle gelovigen werden vervuld met de Geest (Matt.16:19; 18:18,19; Hand.2:4). Het feit dat zij samengekomen waren om "deze zaak te bespreken", waarbij uitwisseling van standpunten en gevoelens met "grote twisting"  geschiedden, en het resultaat aan de menigte bekend werd gemaakt, wijst erop dat de Pinksterperiode en haar koninkrijkprogramma, aan het voorbijgaan waren. Wij zullen echter zien, hoe de Geest overheerste, en Paulus' apostelschap en boodschap bevestigde.

          ZIJ DIE AANWEZIG WAREN

Een beschouwing van de lijst van aanwezigen bij de bijzondere vergadering van de "apostelen en ouderlingen", geeft ons een flauw vermoeden van de moeilijkheden die Paulus te wachten stond bij het brengen van zijn boodschap, de verdediging van zijn apostelschap, en de vrijheid van de heidenen.

Ten eerste waren daar blijkbaar alle twaalf apostelen, met uitzondering van Jakobus, de broeder van Johannes, die door Herodes was gedood. Dan was daar ook Jakobus, de broeder van Christus, die apostel was in de twede graad, maar niet een van de twaalven. Hij was een strikte wetsbetrachter en een voorstander van de letter der wet. Het is zonder twijfel om deze reden, dat hij de bijnaam kreeg "Jakobus de Rechtvaardige".

De verschijning van deze man onder de twaalf apostelen, is een van de tekenen van hun neergang, en van het voorbijgaan van het Pinksterprogramma. Hij was niet benoemd tot een van de twaalven, nog minder de leider van de twaalven. Hij was niet eens gekwalificeerd om een van hen te zijn, want toen zij Christus' volgelingen waren, was hij nog een ongelovige (Zie Joh.7:5 en cf. Matt.1:21,22). Toch oefende deze man een groeiende invloed uit op de twaalven, en zelfs op Petrus, hun door Christus- aangewezen leider, klaarblijkelijk vanwege het feit, dat hij een eigen broer in het vlees, van de Here was.

Paulus betuigt, dat reeds bij zijn eerste bezoek aan Jeruzalem na zijn bekering, toen hij vijftien dagen bij Petrus verbleef, hij niemand van de andere apostelen zag, maar dat "Jakobus, de broeder des Heren" bij Petrus was. Later bij zijn ontsnapping uit de gevangenis, vroeg Petrus aan enige vrienden om de zaak te rapporteren, niet aan de andere apostelen, maar aan Jakobus en de broeders (Hand.12:17). Hier in Hand.15 is deze Jakobus, eerder dan Petrus, kennelijk de voorzitter van de Raad (Hand.15:19,20). Inderdaad liet Petrus zelf zich later, in Antiochië, overheersen door "sommigen van Jakobus", door terug te gaan vanuit het licht dat God hem had geschonken in zijn relatie tot de heidenen (Gal.2:11-14). En bij Paulus' laatste bezoek aan Jeruzalem, worden noch Petrus, noch een enkele van de apostelen genoemd. We lezen eenvoudig dat "Paulus inging tot Jakobus; en al de ouderlingen waren daar gekomen" (Hand.21:18). Deze Jakobus en zijn partij, waren een macht waarmee gerekend diende te worden. Deze omstandigheden verklaren Paulus' karakteriseren van deze mannen als "die geacht waren wat te zijn", en 'die geacht waren pilaren te zijn", en zijn verklaring: "hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij niet" (Gal.2:6,9).

Een vergelijking van Hand.15:7 en Gal.2:4,5 openbaart, dat onder hen die aanwezig waren bij deze ontmoeting, "ook valse broeders ingekropen waren", ondergronds werkende om "te verspieden" de vrijheid waarin zich de heidenen in Christus verheugden, om hen opnieuw in gebondenheid te brengen; mannen die in het verborgen binnengebracht waren, om het gehoor te infiltreren, politieke druk of overtuiging te gebruiken, of andere onwettige manieren, om de beslissing onzeker te maken.

En dan waren er ook de ondergeschikte ouderlingen van de gemeenten in Judea (V.6).

Vertegenwoordigers van de heidengemeenten waren Paulus, Barnabas, Titus, en verschillende anderen (Hand.15:2; Gal.2:1). De keuze van Barnabas en Titus om Paulus te vergezellen in dit geval was, zoals we reeds zeiden, bijzonder wijs. Barnabas was een Jood, een Leviet, die vroeger behoord had tot de gemeente van Jeruzalem, en zijn eigendommen verkocht had en de opbrengst aan de voeten van de apostelen neergelegd (Hand.4:36,37). Hij zou hun standpunt zeker goed begrijpen. Titus, aan de andere kant, was een Griek, blijkbaar meegegaan als een voorbeeld van de werkelijkheid van bekering der heidenen. Tevens was hij ook een praktisch proefgeval in eventuele strijd met de wetsgetrouwen over besnijdenis, zodat besnijdenis en wet niet zou worden opgedrongen. Wat een waardevolle ervaring moet dit geweest zijn voor Titus, toen hij later tegenover de wetsbetrachters op het eiland Creta stond! (Tit.1:10,11).

                        PAULUS' STRIJD

In de aanvang van de vergadering was er "grote twisting" (V.7). Zij, die trachtten de gelovigen uit de heidenen te judaiseren, en besnijdenis en de wet wilden opleggen, samen met hen "die ingekropen waren" om hun zaak door ondergrondse strategie te helpen, bleken echter geen partij voor de Apostel Paulus, die de waarheid had, en zelfs het geweten van de meeste van zijn tegenstanders aan zijn kant.

Hoe zeer dankbaar zouden we moeten zijn bij het lezen van zijn woorden: "VOOR DEWELKE WIJ OOK NIET EEN UUR HEBBEN GEWEKEN MET ONDERWERPING, OPDAT DE WAARHEID VAN HET EVANGELIE BIJ U ZOU VERBLIJVEN" (Gal.2:5).

En wat Titus betreft: "Hij werd niet genoodzaakt zich te laten besnijden" De Judaisten wonnen de strijd niet.

HET PROTEST VAN PETRUS

We komen nu tot de laatste vermelding van Petrus in Handelingen. Hij verschijnt als een "apostel der besnijdenis", en niettemin om Paulus' apostelschap te onderschrijven, en zijn vraag te ondersteunen, dat de Joodse gelovigen afzien van het opleggen van de wet aan de heidenen.  

Bij het beschouwen van het verslag tot zover, zou men willen vragen: "Waar is Petrus?" Heeft de Here niet onmiskenbaar aan hem duidelijk gemaakt, dat de onbesnedenen die geloven, als zodanig dienen te worden geaccepteerd? Had hij niet zijn broederen medegedeeld hoe hij, tegen zijn eigen geneigdheid in, gezonden was naar Cornelius en zijn huisgezin, en hoe zij glorieus gered werden? Gaven niet zes broeders getuigenis van de bovennatuurlijke gebeurtenissen bij de bekering van deze heidenen? Waren zijn medebroeders niet tevreden, en hadden zij niet God verheerlijkt, toen hij afsloot met de erkenning: "Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven? (Hand.11:18). Waarom houdt hij zich nu zo stil? Is hij niet degene die de Here heeft aangewezen als leider van de twaalven? Waarom spreekt hij niet om een eind te maken aan al het disputeren? Sommigen redeneren tegen de Roomse leer, door aan te tonen dat Petrus niet presideerde, noch zelfs voorstellen deed, maar hij had dienen te presideren en voorstellen te doen. Betekenden de woorden van onze Here dan niets? Hij had de leiding, en voorstellen gedaan in de eerste Handelingen (1:15; 2:14). Maar zijn macht, en die van de andere apostelen, was aan het afnemen.

Petrus had toegelaten om meer en meer uit zijn aangewezen plaats naar de achtergrond te worden gedrukt, maar in een geval als dit, kon hij zich nooit stil houden. Tenslotte, nadat er veel was gedisputeerd, stond hij op om te protesteren tegen de beweging om besnijdenis en wet dwingend op te leggen aan de heidense gelovigen.

Allereerst verwijst hij naar de simpele feiten van Gods werken in het geval van Cornelius en zijn huisgezin. Het was nu enige tijd geleden, dat God Petrus had uitverkoren uit de twaalven opdat, zoals hij zegt: "De heidenen door mijn mond het woord des evangelies zouden horen, en geloven" (V.7).

Let wel op de woorden "mijn mond", want deze zijn hoogst belangrijk in verband met deze Raad. God had niet alle twaalven bevolen om nu bij de heidenen te beginnen, want Israel had Christus nog niet ontvangen. Onder het profetisch programma zou redding tot de heidenen gaan, door verlost Israel. Alleen Petrus werd gezonden, en wel alleen tot dit ene huisgezin. Hij ging niet door met de bediening aan de heidenen. Als resultaat van deze vergadering te Jeruzalem stemden hij en de andere apostelen er mee in, dat zij hun bediening zouden beperken tot Israel, onder erkenning dat Paulus, Gods apostel was tot de heidenen (Gal.2:9).

Dit alles benadrukt het feit, dat God een uniek doel had met het zenden van Petrus naar Cornelius en zijn gezin. Het was geen vervulling van het profetisch programma, of van de "grote opdracht", want alle twaalf waren in dat programma en die boodschap besloten. Als dus de tijd daarvoor rijp geweest zou zijn, waren allen tot de heidenen gegaan, en blijven gaan. Evenmin zond God de twaalven tot de heidenen, ongeacht Israels weerstand, want Paulus, niet de twaalven, werd met deze taak belast.

Wat was dan Gods speciaal doel met het zenden van alleen Petrus (van de twaalven) naar dit ene heidense huisgezin? Het was, 1.) opdat Paulus' opvolgende bediening onder de heidenen volle erkenning zou worden gegeven, 2.) dat zou worden erkend dat de heidenen zouden worden gered, los van besnijdenis en wet en, 3.) dat de gelovigen te Jeruzalem deze gelovigen uit de heidenen, zouden erkennen als hun broeders in Christus.

Het is waar, dat Petrus het geheimenis of het evangelie van Gods genade niet verkondigd had aan Cornelius en zijn huisgezin, maar hij had Christus gepredikt, en toen hij de noodzaak verkondigde van geloof in Christus tot vergeving van zonden, hadden zijn toehoorders geloofd, en werden gered. Op dat ogenblik had de Geest Petrus' toespraak onderbroken, en deze heidenen die gave gegeven, waardoor Petrus en zijn vrienden konden weten, dat hun redding echt was.

De heiligen in Jeruzalem konden toen niet ontkennen, dat God nu onder de heidenen werkte, want hun eigen leider was uitgezonden om hen te dienen, en moest nu getuigenis afleggen, dat "God, de Kenner der harten, hun getuigenis heeft gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als ook ons" (V.8).

In dit verband merkte Petrus op (V.9), dat God "geen verschil" had gemaakt tussen Jood en heiden, de harten van deze heidenen reinigende "door geloof". Deze verklaring door Petrus toont een volledige acceptatie aan van datgene wat Paulus had besproken in de besloten voorvergadering met de leiders.

God had Petrus juist deze ervaring met Cornelius en zijn huisgezin (let wel, na de opwekking van Paulus) geschonken, met het oog op deze Raadsvergadering, opdat hij eenvoudig getuigenis zou geven van de feiten die hij had waargenomen, en zo Paulus' bediening bevestigen. En waarom zouden de Joodse gelovigen klagen? Was het dan niet tenslotte besnijdenis van het hart, en reiniging door geloof, wat ook Israel moet ervaren, voordat zij gered kan worden? (Zie Jer.4:1,4; 9:26; cf.Hand.7:51; Rom.2:25-29).

Hoe nodig was Petrus' ervaring met name voor deze zaak! Niet dat de apostelen der besnijdenis enige rechtspraak hadden over Paulus en de heidenen, maar dat Paulus' apostelschap onder de heidenen, en de vrijheid van heidense gelovigen in Christus, ten volle erkend zouden worden. Anders zouden de Judaisten, zich beroemende op de "autoriteit" van de leiders in Jeruzalem, met inbegrip van de broeder des Heren in het vlees, doorgaan met het de gelovigen uit de heidenen moeilijk te maken.

Na de grondfeiten van zijn ervaring genoemd te hebben, stelt Petrus de vraag: "Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen dragen?" (V.10).

De Farizeërs, en zij die achter hen stonden, trachtten op de heidenen een juk te leggen, dat hun vaders, noch zij, in staat waren te dragen. Inderdaad hadden de Farizeërs, gezeten in de stoel van Mozes, geholpen om dit juk zwaarder te maken (Matt.23:1-4). Om te besluiten dat hun wil in deze zaak zou geschieden, inplaats van te buigen voor Gods geopenbaarde wil, zou inderdaad God verzoeken zijn, en zou hun eigen afgang en veroordeling verzekeren. In feite zou het nu verkeerd zijn voor gelovigen uit de heidenen om dit juk aan te nemen (Gal.5:1).

Om zijn opmerkingen te besluiten, legt Petrus een zeer opmerkelijke verklaring af: "Maar wij geloven door de genade des Heren Jezus Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij" (V.11).

Hij zegt niet: "zij zullen net als wij gered worden" maar "wij zullen net als zij gered worden". Wat betreft de noodzaak van de wet tot hun redding, redeneert hij, is het niet waar dat wij daardoor gered zijn, en dat zal nog worden aangetoond.

Dit is de laatste verklaring in de weergave van de bediening van Petrus in Handelingen. Zij dient te worden vergeleken met de laatste woorden van zijn brieven. Als hij daarin verklaart, dat Paulus sommige dingen beschreven heeft die "zwaar zijn om te verstaan", besluit hij: "MAAR WAST OP IN DE GENADE EN KENNIS VAN ONZEN HERE JEZUS CHRISTUS. HEM ZIJ DE HEERLIJKHEID, BEIDE NU EN IN DEN DAG DER EEUWIGHEID. AMEN" (2Petr.3:18).

Dit alles laat zien hoe verkeerd het is om de ervaring van Petrus in het huis van Cornelius te scheiden van de daaropvolgende bediening van Paulus, en te verbinden met het programma van het koninkrijk. Hoe noodzakelijk was zijn ervaring, en Petrus' getuigenis met betrekking tot erkenning van Paulus' latere bediening!

BARNABAS EN PAULUS GETUIGEN

"En al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Paulus en Barnabas verhalen, wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had."  - (Hand.15:12).

Het schijnt dat op dit punt, de gehele gemeente weer werd toegelaten en toegesproken door Barnabas en Paulus,*/[iv] die verhaalden wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen had gedaan. Dit was, om aan deze Joodse toehoorders het feit te bevestigen, dat hun bediening inderdaad van God was, want "de Joden verlangen een teken" (1Cor.1:22), en dit is een van de redenen, waarom eerst aan Paulus de macht werd gegeven om wonderen te werken.

In dit alles had Paulus een merkwaardige terughoudendheid getoond, want hij zou ongetwijfeld liever de grote leerstellige waarheden, die hem zo dierbaar geworden waren, hebben nagestreefd, maar de grote nood was nu, dat de gelovigen uit de besnijdenis zijn van God-ontvangen opdracht zouden erkennen.  

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011