H O O F D S T U K
XXIV -
H A N D. 15:1-12
DE RAAD TE JERUZALEM
HET DISPUUT TE ANTIOCHIE
"En
sommigen, die afgekomen waren van Judea, leerden de broederen, zeggende.
Indien gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet
zalig worden. "Als er dan geen kleine weerstand en twisting
geschiedde bij Paulus en Barnabas tegen hen, zo hebben zij geordineerd,
dat Paulus en Barnabas en enige anderen uit hen zouden opgaan tot de
apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem over deze vraag. "Zij dan van
de gemeente uitgeleid zijnde, reisden door Fenicië en Samaria, verhalende
de bekering der heidenen, en deden al den broederen grote blijdschap
aan."- (Hand.15:1-3)
Wij
komen nu tot het verslag van de eerste grote tegenstelling tussen
volgelingen van Christus, de onvermijdelijke botsing
tussen de gelovigen in Jeruzalem en Antiochië, en hoe dit door God
werd gebruikt om eens en voor altijd, de kwestie van Paulus' gezag als
apostel van de nieuwe bedeling op te lossen.
Het
verslag van Petrus aan de broeders te Jeruzalem omtrent Cornelius en zijn
huisgezin had de zaak niet afgesloten. Ten tijde van Petrus' verklaring
scheen het alsof zij bevredigd waren, en zij ten slotte "God
verheerlijkten, zeggende: zo heeft dan God ook den heidenen de bekering
gegeven ten leven!" (Hand.11:18). Maar dat was nu reeds enige
tijd geleden (Hand.15:7), en sommigen begonnen te twijfelen over deze
status van zulke heidenen. Hadden Cornelius en zijn huisgezin er goed aan
gedaan om onbesneden te blijven? Was hun geval een aanvaardbare
zaak? Wie had enig recht om de wet, die God Zelf had verordineerd, af te
schaffen of in te trekken? Deze wet, aan Israel geschonken, had het
principe verklaard, en dwong praktisch tot nationale isolatie. Was het nu
goed, dat Joden onbesnedenen als volk van God beschouwden, ook al hadden
zij de afgoderij verlaten, en aanbaden zij Christus, en dit bewezen in hun
gedrag?
Deze
en andere kwesties maakten het sommigen moeilijk. Want Petrus was wel tot een
heidens huisgezin gezonden, en had wel getuigd van hun
redding,
maar hij kon slechts verklaren dat hem bevolen was om te gaan "niet
twijfelende", daar aan toevoegende: "Wie was ik
toch, die God konde weren?" Ook was er geen enkele
openbaring aan hun gegeven, dat de wet, "de middelmuur des
afscheidsels", zou zijn weggedaan door het kruis.
De
bange voorgevoelens van deze Joodse gelovigen werden ongetwijfeld
verergerd door het feit, dat grote aantallen heidenen nu werden gewonnen
voor Christus onder de bediening van Paulus en Barnabas, die gemeenten
stichtten, waarin besnijdenis, noch Mosaische wet, een plaats had.
Tenslotte
waren er sommigen die zich niet langer konden inhouden, en op zich namen
om naar Antiochië te reizen en daar de bekeerden terecht te brengen. Merk
op dat het bij hun niet alleen een zaak was van gemeenschap:
klaarblijkelijk waren zij werkelijk begaan*/[i]
met de redding van deze heidenen, want zij begonnen hen te leren: "Indien
gij niet besneden wordt naar de wijze van Mozes, zo kunt gij niet zalig
worden." Zij zagen niet alleen op de besnijdenis als teken van
het Abrahamitisch verbond, maar als datgene wat Mozes had verordineerd, de
principieële heilige handeling van het Judaisme, los van de rechten en
privileges van het lidmaatschap van het uitverkoren volk, en als zodanig,
nodig tot redding en zaligheid.**/[ii]
------------
*/voetnoot:
De "valse broeders" uit Gal.2:4 kwamen later op het toneel in
Jeruzalem.
**/voetnoot:
En het was ook werkelijk de vereiste basisceremonie van de wet, en datgene
wat hen scheidde van de heidenen, als volk van God (Joh.7:22; Lev.12:2,3;
Gal.5:3).
Maar
met al hun duidelijke ernst in deze zaak, waren zij toch verkeerd, want
zij hadden deze reis ondernomen zonder ambtelijk gezag, en tevens, zoals
bleek in Antiochië, met onklare zaken, inplaats van met klare
zaken. Nadat de zaak uiteindelijk in Jeruzalem geklaard was, schreef de
gemeente daar aan alle heidenen met betrekking tot deze broeders: "...sommigen,
die van ons uitgegaan zijn, U MET WOORDEN
ONTROERD HEBBEN en UW ZIELEN WANKELEND GEMAAKT, zeggende dat gij
moet besneden worden, en de wet onderhouden, WELKEN WIJ DAT NIET BEVOLEN
HADDEN" (Hand.15:24).
Jaren
later, toen Judaisten probeerden besnijdenis en de wet op de Galaten te
leggen, schreef Paulus bijna hetzelfde over hen: "...er zijn
sommigen, die U ONTROEREN en het EVANGELIE VAN CHRISTUS WILLEN
VERKEREN" (Gal.1:7).
Omdat
sommige Bijbelleraars, die wij zeer respecteren, er aan vasthouden, dat
deze Judaisten een vals evangelie predikten, kunnen wij niet in dit idee
met hen meegaan, want dan zou de apostel ongetwijfeld, in Gal.1:6,7 gezegd
hebben: "Ik verwonder mij, dat gij zo haast... overgebracht wordt tot
een ander evangelie; Wat geen evangelie is"; of "dat
helemaal geen evangelie is" of "wat zelfs geen evangelie
is". Wat hij eigenlijk zei, was: "Wat niet een
ander evangelie is."
Nu
is het waar, dat "een ander" in vers 6 (heteros), door
Thayer en anderen, wordt gezien als te betekenen: "een ander van een verschillend
soort", terwijl het "een ander" van vers 7 (allos)
zou betekenen "een ander van dezelfde soort", het eerste
zou betekenen verschil, en het andere toevoeging.
Toch
blijken enkele van onze beste kenners van het Grieks, hier te twijfelen,
en sommigen geven zelfs aanleiding te denken, dat hun vertaling sterk is
beinvloed geworden door hun theologische achtergrond. Zo zegt b.v. W.E.Vine,
in zijn Expository Dictionary of New Testament Words", dat dit
onderscheid "is waar te nemen in meerdere passages",
terwijl Vincent, in zijn Word Studies, zegt: "Een verschillend
evangelie is nog geen ander evangelie. Er is maar één
evangelie."
Maar
hier is Vincent abuis, want het is niet waar, dat de Bijbel maar één
evangelie brengt. Ons wordt uitgebreid verteld, dat het blijde
boodschap was, die God verkondigde aan Abraham, toen Hij zei: "In
u zullen alle volkeren gezegend worden" (Zie Gal.3:8). En dit was
zeer zeker anders dan het evangelie dat ons nu wordt opgedragen te
prediken. En het "evangelie aan de besnedenen" was zeer zeker verschillend
van het "evangelie aan de onbesnedenen" (Gal.2:7).
Maar de mensen zijn zo tekort geschoten in het recht snijden van het Woord
der waarheid, en zijn zolang de traditie nagegaan dat de Bijbel slechts
één evangelie brengt, dat Vincent ongetwijfeld dacht, dat een ander
evangelie helemaal geen evangelie kon zijn. Maar als het dit is wat Paulus
bedoelde, waarom zegt hij dan niet "een ander evangelie wat geen evangelie
is"? Waarom voegde hij dan het woord allos, een ander toe?
Dit
wat betreft de beweerde onderscheiding die in "meerdere"
passages te vinden zijn, maar hoe staat het met de rest? Wij hebben
sommige daarvan opgezocht, en merken het volgende op:
Soms
wordt heteros en allos onderling verschillend gebruikt,
zoals b.v. in Matt.19:9 en Luk.16:18, waar wordt gesproken van zijn vrouw
wegzenden en "een andere" huwen.
Soms
betekent heteros eerder toegevoegd, dan verschillend,
zoals in Hand.2:40, "vele andere woorden"; Matt.8:21, "een
ander uit Zijn discipelen"; Gal.1:19, "geen ander van de
apostelen"; Hand.20:15, "des anderen daags" (lett."volgende").
Aan
de andere kant drukt allos soms eerder verschillend uit dan toevoeging,
zoals in Matt.2:12, "vertrokken zij door een andere weg";
Mark.12:9, "den wijngaard aan anderen geven"; Joh.4:38,
"hetgeen gij niet bearbeid hebt; anderen hebben het bearbeid";
Hand.4:12, "En de zaligheid is in geen ander"; Hand.19:31,
"...de een dit, de ander wat anders"; Gal.5:10, "dat gij
niet anders zult gevoelen."
In
dit verband dienen zij, die redeneren dat ons woord heterodox afgeleid
is van het Griekse heteros, op
te merken, dat het Engelse woord else, op gelijke wijze is afgeleid
van het Griekse allos, en dat beide betekenen "verschil",
hoewel het eerste het wat sterker uitdrukt.
Thayer
zegt: "Iedere heteros is een allos, maar niet iedere allos
is een heteros." Maar hier is hij net zo mis als Vincent,
want juist deze passage is het bewijs ervan, dat niet iedere heteros een
allos is, want de apostel zegt: "Gij zijt zo haast
wijkende...overgebracht tot een ander (heteros) evangelie"; daar er
GEEN ander (allos) is".
Wij
zien daarom geen grond voor de theorie, dat de Judaisten in Antiochië en
Galatië een vals evengelie verkondigden, of dat het helemaal geen
evangelie was, anders zou Paulus dit wel gezegd hebben.
Omdat
misschien de nadruk op verschillend, gewoonlijk groter is in het geval van
heteros dan in het geval van allos, zijn het innige
synonymen die Paulus gebruikt, klaarblijkelijk om aan te tonen, dat het
evangelie dat de Judaisten brachten aan de heidenen, een ander was, en
toch ook weer niet in de zin van een ander. Dat wil zeggen,
dat het eerder een verschil van ontwikkeling dan van tegenspraak was,
juist zo als elders Paulus duidelijk maakt, dat de genade niet in
tegenspraak was met de wet (Rom.3:31).
Deze
Judaisten waren niet onschriftuurlijk; zij waren buiten de bedeling.
Wat zij leerden kon worden gevonden in de Schrift, maar het erkende niet,
de verdere openbaring die door, en aan Paulus gegeven was. Zij
trachtten de heidenen die uit enkel genade gered waren, terug te brengen
onder het programma van het koninkrijk met zijn besnijdenis en wet - en
besmeurden op die manier, het evangelie van Christus.
Dit
zou voor ons een les moeten zijn, want als wij prediken of praktiseren,
dat wat niet tot de tegenwoordige bedeling behoort, hoe toepasselijk het
ook, Schriftuurlijk gezien, eens mag zijn geweest, doen wij het evangelie
van Christus geweld aan, en komen onder de vloek van Gal.1:8,9. Deze vloek
heeft het grootste gedeelte van de belijdende kerk reeds verward en
verdeeld.
Zo
noemden dus de apostelen te Jeruzalem, en de Apostel Paulus, de Judaisten
onruststokers.
Hij
die "in Petrus krachtiglijk wrocht tot het
apostelschap
der besnijdenis, wrocht ook krachtiglijk in Paulus onder de heidenen"
(Gal.2:8), en de eensgezindheid van deze Judaisten, dat de heidenen niet
zonder besnijdenis en wet konden zalig worden, bracht met zich, dat Paulus
en Barnabas een zielen-verdervende dwaalleer leerden. Zo werd de heilige
roeping en het apostelschap van Paulus in twijfel getrokken, en zijn
verkondiging van genade bedreigd. Het verwondert dan ook niet, dat "tegen
Paulus en Barnabas geen kleine wederstand en twisting geschiedde" (V.2).
Als
resultaat van de tegenstelling die verrezen was, werd besloten "dat
Paulus en Barnabas, en enige anderen uit hen zouden opgaan tot de
apostelen en ouderlingen naar Jeruzalem over deze vraag" (V.2).
Men
is het in het algemeen ermee eens, dat dit bezoek van Paulus aan Jeruzalem
identiek is aan dat wat in Gal.2 wordt geschreven, maar omdat de
overeenkomst niet geheel klopt, geven we hier enkele redenen waarom wij
geloven wat daarvan de oorzaak is.
De
enige andere vermelde bezoeken van Paulus aan Jeruzalem, waarnaar in Gal.2
wordt verwezen, zouden die uit Hand.11:30 en 18:22 kunnen zijn.
De
beweegredenen tegen het bezoek van Hand.11:30, dat identiek is met dat uit
Gal.2, zijn de volgende:
1.Het
blijkt onmogelijk om de veertien jaren uit Gal.2:1 te plaatsen in de
periode van Hand.9:27 (zijn eerste bezoek na zijn bekering) tot
Hand.11:30.
2.Het
doel van zijn bezoek in Hand.11:30 wordt verklaard te zijn, het
brengen van geldelijke steun aan de arme heiligen in Judea.
3.Er
wordt niet gesproken over de kwestie van besnijdenis, dat deze toen zou
zijn ontstaan, en het is te betwijfelen of dit al zo kort na de verklaring
in Hand.11:18, zo zal zijn geweest.
4.Als
de overeenkomst uit Gal.2:9 gemaakt zou zijn gedurende het bezoek in
Hand.11:18, voorafgaand aan het convent in Hand.15, dan zou daar zeker
gewag van zijn gemaakt. In feite zou dan het convent van Hand.15 niet
nodig zijn geweest.
De
beweegredenen tegen het bezoek van Hand.18:22, dat identiek is met dat uit
Gal.2, zijn de volgende:
1.De
tussentijd tussen de bezoeken van Hand.9:27 en Hand.18:22 is ongetwijfeld
beduidend meer dan veertien jaren.
2.Het
is niet aanneemlijk, dat de kwestie van besnijding van heidenen, weer zou
zijn gerezen na de geschreven beslissing van de raad uit Hand.15.
3.Als
het zo geweest zou zijn, zou zeker naar de voorafgaande beslissing in
Hand.15 zijn verwezen.
Vanwege
deze beweegredenen, en ook vanwege de overeenkomst van de verslagen in
Hand.15 en Gal.2, geloven wij, dat zij op hetzelfde bezoek betrekking
hebben. Het voornaamste bezwaar tegen dit inzicht ontstond, doordat in
Gal.1:18-2:1 Paulus zelf plechtig verklaart, dat na zijn bezoek met
Petrus, drie jaren na zijn bekering, hij niet eerder opging naar Jeruzalem
om opniew de apostelen te ontmoeten, dan "veertien jaren later".
Maar deze moeilijkheid is niet onoverkoombaar, want het argument van de
apostel in de Galatenbrief is niet, dat hij zo zelden in Jeruzalem geweest
is, maar dat hij zelden met de apostelen in contact geweest is,*/[iii]en
dat hij daarom zijn onderwijs niet van hen ontvangen had. Het weglaten van
zijn bezoek van Hand.11:30 in de passage in Galaten, is klaarblijkelijk
omdat hij toen niemand van de apostelen zag, en wordt niet
ingegeven door een behoefte naar openheid (Zie onze aantekeningen op
pagina.... bij het bezoek in Hand.11:30).
Maar
wijst dit zenden van Paulus naar de apostelen en oudsten in Jeruzalem om
deze zaak te regelen, er niet op dat hij onder hen gesteld was? In het
geheel niet. Het waren niet alleen de gelovigen in Antiochië die
"beslisten" om Paulus deze keer naar Jeruzalem te zenden; de
Here zond hem ook, en voor een speciaal doel, zoals hij zegt in
Gal.2:2: "EN
IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, en stelde hun het Evangelie voor, dat ik
predik onder de heidenen..."
Dit
was niet voor het eerst het geval, want bij zijn eerste bezoek aan
Jeruzalem, na zijn bekering, was zijn leven zo in gevaar, dat de
"broeders" hem begeleidden, en "hem afzonden naar Tarsen".
Maar in Hand.22:17,18 legt de apostel uit, hoe hij bij dit zelfde bezoek,
terwijl hij bad in de tempel, in verrukking was: "EN
DAT IK HEM (CHRISTUS) ZAG, EN HIJ TOT MIJ ZEIDE: SPOED U EN GA INDERHAAST
UIT JERUZALEM; WANT ZIJ ZULLEN UW GETUIGENIS VAN MIJ NIET AANNEMEN."
Zo
werd hij dus in beide gevallen gezonden, eerst vanuit Jeruzalem, en
daarna naar Jeruzalem, beiden door de broeders en de Here. En de
relatie van deze twee bezoeken is ook nog belangrijk. In het eerste geval
werd hij uit Jeruzalem weggezonden door de broeders met het oog op
lichamelijke veiligheid, maar door de Here, omdat Israel werd besloten in
ongeloof (Hand.22:18). In het twede geval werd hij naar Jeruzalem
gezonden door de broeders, om een moeilijke tegenstelling met betrekking
tot de besnijdenis op te lossen. Maar door de Here opdat hij met de
leiders te Jeruzalem dat evangelie zou voorleggen wat hij onder de
heidenen predikte, en dat zij hem officieel en openlijk zouden erkennen
als de apostel der heidenen, gezonden om "het evangelie van de
onbesnedenheid" te verkondigen (Gal.2:2,7,9).
Paulus
had volledig autoriteit van de Here, volstrekt apart van de twaalven. Hij
was gered geworden, en tot apostel verordineerd, op de weg naar Damaskus,
ver van Jeruzalem en de twaalven. Hij werd op zijn eerste grote
apostelreis gezonden vanuit Syrisch Antiochië, ook geheel apart van de
twaalven. Reeds werd hij gebruikt om grote aantallen heidenen tot de Here
te bekeren, zonder ook maar eenmaal van node te hebben tot de apostelen in
Jeruzalem te gaan voor aanwijzingen of directies. De reden waarom hij naar
Jeruzalem werd gezonden, was niet voor zijn zaak, maar voor hun
zaken, en voor de zaak van het programma dat nu werd gestart.
Er
moet aan herinnerd worden, dat de apostelen te Jeruzalem eerst tot
"de gehele wereld" en "alle volkeren" gezonden werden
(Matt.28:19; Mark.16:15). Het was hun hoop en verwachting dat Israel,
Christus, de opgestane Koning, zou ontvangen, en dat de redding en
zegening van de heidenen, door Israel, tot de heidenen zou vloeien. Maar
Israel had haar Koning, en de lang-beloofde "tijden van
verkwikking" afgewezen.
De
steniging van Stefanus was, naar de woorden van Sir Robert Anderson,
"de geheime crisis" in Israels historie, en bereidde het
tijdelijk opzijzetten van Israel voor. Ook werd de vestiging van het
koninkrijk in reserve gehouden. God wekte nu nog een apostel op, en
zond hem heen, om genade te verkondigen aan de heidenen, volledig
gescheiden van het instrument Israel; niet vanwege haar acceptatie van
Christus, maar vanwege haar verwerping en opstand.
Natuurlijk
raakte dit de "grote opdracht" aan de elven. Onder dit nieuwe
programma zou Paulus, niet de apostelen te Jeruzalem, de apostel
zijn voor "alle volkeren" en "de gehele wereld", en de
apostelen te Jeruzalem zouden voortaan hun bediening beperken tot diegenen
van de besnijdenis. Paulus begreep dit ten volle, maar zij moesten
dit ook begrijpen en eveneens volledig erkennen, zodat zij niet met
tegengestelde bedoelingen zouden werken.
Verder
zou, onder de nieuwe bedeling, de scheidsmuur tussen Jood en heiden
geleidelijk worden afgebroken, en daarvoor was het nodig dat de Joodse
gelovigen, de gelovigen uit de heidenen als hun broeders in Christus
erkenden. Dit was uiteraard pas het begin. Zij konden nog niet hun
volkomen eenheid in Christus begrijpen, maar langzamerhand zouden zij
elkander erkennen als degenen die zij werkelijk waren: "één
lichaam in Christus, en een ieder leden van elkander" (Rom.12:5;
cf.1Cor.1:2; 12:13).
Dit
alles ter aanvulling van het feit, dat het eens en voor altijd vast staat,
dat de heidenen ook niet in het minst, onder de wet van Mozes
worden gesteld. Nogmaals, dit was slechts een begin, want het convent te
Jeruzalem overwoog zelfs de kwestie niet, of Joodse gelovigen al of
niet onder de wet dienden te blijven. Zij namen aan, dat zij dit waren,
want er was nimmer een openbaring door God gegeven, betekenend dat zij
ervan zouden zijn bevrijd. Op het laatst, in Hand.21:20, waren zij nog
steeds "allen ijveraars voor de wet".
Zo
hebben we dus met de opwekking van Paulus en zijn eerste bediening onder
de heidenen, de geleidelijke overgang van de oude bedeling naar de nieuwe.
God openbaart alles niet ineens, noch begint gemeenten onder de heidenen,
die geen relatie met de gelovigen in Jeruzalem hebben. Van de heiligen in
Jeruzalem wordt verwacht, de verandering van programma te erkennen, ervan
uit te gaan, en zich te verheugen in hun eenheid met de heiligen uit de
heidenen.
Van
degenen die Paulus op deze reis naar Jeruzalem vergezellen worden slechts
twee namen genoemd in het door de Geest ingegeven verslag: Barnabas (Hand.15:2),
en Titus (Gal.2:1). De keus van deze twee kon niet meer passend
zijn geweest, want Barnabas had oorspronkelijk behoord tot de groep in
Jeruzalem, en was een Leviet van geboorte, terwijl Titus een onbesneden
Griek was. Met deze twee, en nog enige anderen, vertrok Paulus naar
Jeruzalem.
Jaren
later schreef Paulus vanuit de gevangenis aan de Philippenzen, als een
soldaat die een zeer kostbare schat moet bewaken: "Ik ben tot
verantwoording des Evangelies gezet" (Phil.1:17). Altijd was hij
getrouw geweest in het verdedigen van de zuiverheid van dat goede nieuws,
dat hem was toevertrouwd: "het evangelie van Gods genade".
Laat ons God daarvoor danken. Reeds leidde zijn "afscheiding en
dispuut" met de Judaisten in Antiochië tot resultaten, want hoewel
"in moeiten", was daar de gemeente, staande achter Paulus en
Barnabas, zoals blijkt uit het feit dat de gemeente hen uitgeleide deed,
toen zij op weg gingen voor hun reis. Het zal Paulus en zijn gezelschap
ook bemoedigd hebben, dat het nieuws van de bekering der heidenen
"den broederen grote blijdschap aandeed" op hun reis door Fenicië
en Samaria (Hand.15:3). Zij zouden ook hebben kunnen varen van Antiochië
naar Joppe, en zodoende de streken van de Kanaanieten en de gehate
Samaritanen hebben ontweken, maar de keuze van deze route, zal wel een
bevestiging zijn geweest van de beginselen waar zij voor stonden.
____________
*/voetnoot:
"En ben niet wederom naar Jeruzalem gegaan TOT DEGENEN DIE VOOR MIJ
APOSTELEN WAREN" (Gal.1:17).
PAULUS
EN ZIJN GEZELSCHAP KOMEN AAN TE JERUZALEM
"En
te Jeruzalem gekomen zijnde, werden zij ontvangen van de gemeente en de
apostelen en de ouderlingen; en zij verkondigden wat grote dingen God met
hen gedaan had. Maar, zeiden zij, er zijn sommigen opgestaan van die van
de sekte der Farizeeën, die gelovig zijn geworden, zeggende, dat men hen
moet besnijden en gebieden de wet van Mozes te onderhouden" -
(Hand.15:4,5).
EEN
WARME ONTVANGST
Zoals
Paulus en zijn gezelschap waren "uitgeleid van de gemeente" te
Antiochië, zo werden zij nu "ontvangen (Lett. "verwelkomt")
door de gemeente" te Jeruzalem. Paulus' twee vorige bezoeken aan
Jeruzalem, waren kort, en gepaard geweest met aanzienlijk gevaar. Bij zijn
eerste bezoek na zijn bekering, hadden de discipelen hem gewantrouwd, en
de Grieksen hadden zijn dood beraamd, zodat het voor hem nodig was
geweest, de stad te verlaten (Hand.9:26-30). Zijn twede bezoek werd
gemaakt in de tijd dat "Herodus, de koning, zijn handen sloeg aan
sommigen van de gemeente, om die kwalijk te behandelen," door
Jakobus, de broeder van Johannes, te doden, en Petrus gevangen te nemen,
met het doel hem, na Pasen, ter dood te brengen (Hand.11:30; 12:2-4,25).
In die tijd zag Paulus klaarblijkelijk niemand van de twaalf apostelen.
Maar
nu zijn de zaken veranderd te Jeruzalem. De volgelingen van Messias in de
stad vermenigvuldigden zich weer (velen zijn ook teruggekeerd van de
plaatsen waarheen zij verstrooid waren bij de "grote
verdrukking" van 8:1), en schenen de ongelovige leiders van het volk
niet langer te vrezen. Zij belegden zelfs hun eigen Raadsvergadering,
nota bene, in de stad. Ook werd de echtheid van Paulus' bekering tot
Christus, niet meer in twijfel getrokken. Wat voor tegenwerpingen sommigen
mogen gehad hebben tegen zijn bediening, hij werd erkend en hartelijk
verwelkomd door de volledige gemeente, met het aanzien van een geslaagde
dienstknecht van Christus.
Het
moet wel een opwindende ervaring geweest zijn om Paulus en zijn vrienden,
strijders-veteranen in de strijd van Christus, verslag te horen uitbrengen
van "wat grote dingen God met hen gedaan had".
HET
AANTAL GEHOUDEN SESSIES
Men
moet niet denken, dat de apostel en zijn gezelschap gewoon ten tonele
verschenen, dat de raad werd bijeengeroepen, en de kwestie met betrekking
tot de heidenen besproken, en geregeld werd. Zo'n belangrijke zaak kon
niet zo eenvoudig worden afgedaan. Er waren op z'n minst twee,
waarschijnlijk drie, en
misschien wel vier aparte ontmoetingen aan vooraf gegaan.
In
de brief aan de Galaten legt Paulus uit, dat een besloten voorbespreking
eerst werd gehouden met "dengenen die in achting waren" (2:2).
Het is mogelijk, dat Hand.15:4,5 niet slaat op een vergadering
van de gemeente, maar de wijze van uitdrukking van de passage,
samen met het feit, dat het niet veel van een welkom door de gemeente had,
als het niet openbaar geweest zou zijn, leidt ons ertoe te geloven, dat
het een openbare vergadering was, en dat daarna de Farizeërs
opstonden om bezwaar te maken, en "de apostelen en
ouderlingen" toen samenkwamen om de zaak te bespreken (V.6). De
ontmoeting van de apostelen en ouderlingen zou dan de derde ontmoeting
zijn, gevolgd door een vierde, waarbij "al de menigte...met de
apostelen en ouderlingen met de gehele gemeente" (V.12,22)
aanwezig waren.
DE
VOORBEREIDENDE ONTMOETING
De
Apostel Paulus, zich ernstig bewust van zijn heilige roeping en opdracht,
en besloten in niets toe te geven dat essentieel was, handelde niettemin
met de hem eigen voorzichtigheid en overleg. Zo vinden we in zijn brief
aan de Galaten, dat hij eerst apart, diegenen die "in achting
waren" ontmoette, om met hen persoonlijk dat evangelie te bespreken,
dat hij onder de heidenen verkondigde, opdat zijn reis niet tevergeefs zou
zijn (Gal.2:2).
Zij
die niet zien, of die ontkennen, dat een verdere openbaring aan
Paulus werd gegeven, dienen de opsomming in deze brief nauwlettend te
bestuderen. Deze leert namelijk nadrukkelijk, dat zijn boodschap iets
nieuws was, en gescheiden van die welke de twaalven hadden verkondigd.
Ten
eerste verklaart de apostel duidelijk, dat gedurende het onderhoud, zij "hem
niets hebben toegebracht", terwijl hij toch nieuwe
waarheden aan hen "mededeelde" (V.2,6). Ten twede noemt hij deze
waarheden: "dat evangelie, dat ik predik onder de heidenen",
te kennen gevende, dat het niet dezelfde boodschap was, die zij
hadden gepredikt onder de Joden. Ten derde, het feit dat hij dit
evangelie eerst mededeelde aan de leiders, opdat hij niet tevergeefs zou
hebben gelopen, wijst er duidelijk op, dat hij poogde om hun dit te doen
inzien.
Hoe
onschriftuurlijk om, in het licht van dit alles, vol te houden, zoals
sommigen doen, dat Paulus eenvoudig "controleerde" met de
leiders te Jeruzalem, om zeker te wezen dat hij dezelfde boodschap
verkondigde als zij!
Klaarblijkelijk
waren de resultaten van deze voorbereidende ontmoeting bemoedigend, want
Hand.15:4 beschrijft, wat blijkbaar algemeen welkom was aan de gehele
gemeente tot wie Paulus en Barnabas verhaalden, "wat grote dingen God
met hen gedaan had". Wat een samenkomst moet dat geweest zijn! Wie
zou dan niet bewogen geweest zijn bij het horen van deze waardevolle
Godsmannen, die hun ervaringen vertelden bij het brengen van het goede
nieuws van Gods genade naar de heidenen! En dat dit het thema was van hun
toespraak, is duidelijk uit Vers 5.
Terwijl
de menigte zeer zeker geboeid werd bij het horen van wat God gedaan had
onder de heidenen, waren er zekere gelovige Farizeërs aanwezig, die verre
van tevreden waren. Zij waren van gevoelen, dat de heidenen door Israel
tot God moesten komen om gered te worden. Dat zij moesten worden besneden
en de wet van Mozes onderhouden, anders was hun geloof tevergeefs. Leerden
Jes.56:6,7; 60:1-3; Zach.8:13,23 en vele andere Oud- Testamentische
passages dit niet? Het was doordat sommigen van de gelovige Farizeërs
opstonden om deze bezwaren kenbaar te maken, dat er een speciale
vergadering van de apostelen en ouderlingen
nodig was.
DE
VERGADERING VAN DE APOSTELEN EN OUDERLINGEN
"En
de apostelen en de ouderlingen vergaderden tezamen om op deze zaak te
letten. "En als daarover grote twisting geschiedde, stond Petrus op
en zeide tot hen; Mannen broeders, gij weet, dat God van overlangen tijd
onder ons mij verkoren heeft, dat de heidenen door mijn mond het woord des
Evangelies zouden horen, en geloven. "En God, de Kenner der harten,
heeft hun getuigenis gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als
ook ons; "En heeft geen onderscheid gemaakt tussen ons en hen,
gereinigd hebbende hun harten door het geloof. "Nu dan, wat verzoekt
gij God, om een juk op den hals der discipelen te leggen, hetwelk onze
vaders, noch wij hebben kunnen dragen?
"Maar wij geloven door de genade des Heren Jezus Christus
zalig te worden op zulke wijze als ook zij" - (Hand.15:6-11).
De
verzen 6 en 7 van deze passage worden dikwijls gebruikt door Protestanten,
om te bewijzen dat het bestuur van "de eerste Kerk" niet
berustte op de autocratie van de wil van een enkeling, maar bij de
weloverwogen beslissing, keuze, en beproeving van
leken. In feite echter veroorzaakte dit eerder een neergang in de
Pinksterorde, waarin aan Petrus en de
twaalven gezag werd verleend om Christus officieel te
vertegenwoordigen bij Zijn afwezigheid, en waarbij alle gelovigen werden
vervuld met de Geest (Matt.16:19; 18:18,19; Hand.2:4). Het feit dat zij
samengekomen waren om "deze zaak te bespreken", waarbij
uitwisseling van standpunten en gevoelens met "grote twisting"
geschiedden, en het resultaat aan de menigte bekend werd gemaakt,
wijst erop dat de Pinksterperiode en haar koninkrijkprogramma, aan het
voorbijgaan waren. Wij zullen echter zien, hoe de Geest overheerste, en
Paulus' apostelschap en boodschap bevestigde.
ZIJ DIE AANWEZIG WAREN
Een
beschouwing van de lijst van aanwezigen bij de bijzondere vergadering van
de "apostelen en ouderlingen", geeft ons een flauw vermoeden van
de moeilijkheden die Paulus te wachten stond bij het brengen van zijn
boodschap, de verdediging van zijn apostelschap, en de vrijheid van de
heidenen.
Ten
eerste waren daar blijkbaar alle twaalf apostelen, met uitzondering van
Jakobus, de broeder van Johannes, die door Herodes was gedood. Dan was
daar ook Jakobus, de broeder van Christus, die apostel was in de twede
graad, maar niet een van de twaalven. Hij was een strikte wetsbetrachter
en een voorstander van de letter der wet. Het is zonder twijfel om deze
reden, dat hij de bijnaam kreeg "Jakobus de Rechtvaardige".
De
verschijning van deze man onder de twaalf apostelen, is een van de tekenen
van hun neergang, en van het voorbijgaan van het Pinksterprogramma. Hij
was niet benoemd tot een van de twaalven, nog minder de leider van de
twaalven. Hij was niet eens gekwalificeerd om een van hen te zijn, want
toen zij Christus' volgelingen waren, was hij nog een ongelovige (Zie
Joh.7:5 en cf. Matt.1:21,22). Toch oefende deze man een groeiende invloed
uit op de twaalven, en zelfs op Petrus, hun door Christus- aangewezen
leider, klaarblijkelijk vanwege het feit, dat hij een eigen broer in het
vlees, van de Here was.
Paulus
betuigt, dat reeds bij zijn eerste bezoek aan Jeruzalem na zijn bekering,
toen hij vijftien dagen bij Petrus verbleef, hij niemand van de andere
apostelen zag, maar dat "Jakobus, de broeder des Heren" bij
Petrus was. Later bij zijn ontsnapping uit de gevangenis, vroeg
Petrus aan enige vrienden om de zaak te rapporteren, niet aan de andere
apostelen, maar aan Jakobus en de broeders (Hand.12:17). Hier in
Hand.15 is deze Jakobus, eerder dan Petrus, kennelijk de voorzitter van de
Raad (Hand.15:19,20). Inderdaad liet Petrus zelf zich later, in Antiochië,
overheersen door "sommigen van Jakobus", door terug te gaan
vanuit het licht dat God hem had geschonken in zijn relatie tot de
heidenen (Gal.2:11-14). En bij Paulus' laatste bezoek aan Jeruzalem,
worden noch Petrus, noch een enkele van de apostelen genoemd. We lezen
eenvoudig dat "Paulus inging tot Jakobus; en al de ouderlingen
waren daar gekomen" (Hand.21:18). Deze Jakobus en zijn partij, waren
een macht waarmee gerekend diende te worden. Deze omstandigheden verklaren
Paulus' karakteriseren van deze mannen als "die geacht waren wat
te zijn", en 'die geacht waren pilaren te zijn", en
zijn verklaring: "hoedanigen zij eertijds waren, verschilt mij
niet" (Gal.2:6,9).
Een
vergelijking van Hand.15:7 en Gal.2:4,5 openbaart, dat onder hen die
aanwezig waren bij deze ontmoeting, "ook valse broeders ingekropen
waren", ondergronds werkende om "te verspieden" de vrijheid
waarin zich de heidenen in Christus verheugden, om hen opnieuw in
gebondenheid te brengen; mannen die in het verborgen binnengebracht waren,
om het gehoor te infiltreren, politieke druk of overtuiging te gebruiken,
of andere onwettige manieren, om de beslissing onzeker te maken.
En
dan waren er ook de ondergeschikte ouderlingen van de gemeenten in Judea
(V.6).
Vertegenwoordigers
van de heidengemeenten waren Paulus, Barnabas, Titus, en verschillende
anderen (Hand.15:2; Gal.2:1). De keuze van Barnabas en Titus om Paulus te
vergezellen in dit geval was, zoals we reeds zeiden, bijzonder wijs.
Barnabas was een Jood, een Leviet, die vroeger behoord had tot de gemeente
van Jeruzalem, en zijn eigendommen verkocht had en de opbrengst aan de
voeten van de apostelen neergelegd (Hand.4:36,37). Hij zou hun standpunt
zeker goed begrijpen. Titus, aan de andere kant, was een Griek, blijkbaar
meegegaan als een voorbeeld van de werkelijkheid van bekering der
heidenen. Tevens was hij ook een praktisch proefgeval in eventuele strijd
met de wetsgetrouwen over besnijdenis, zodat besnijdenis en wet niet zou
worden opgedrongen. Wat een waardevolle ervaring moet dit geweest zijn
voor Titus, toen hij later tegenover de wetsbetrachters op het eiland
Creta stond! (Tit.1:10,11).
PAULUS' STRIJD
In
de aanvang van de vergadering was er "grote twisting" (V.7).
Zij, die trachtten de gelovigen uit de heidenen te judaiseren, en
besnijdenis en de wet wilden opleggen, samen met hen "die ingekropen
waren" om hun zaak door ondergrondse strategie te helpen, bleken
echter geen partij voor de Apostel Paulus, die de waarheid had, en zelfs
het geweten van de meeste van zijn tegenstanders aan zijn kant.
Hoe
zeer dankbaar zouden we moeten zijn bij het lezen van zijn woorden: "VOOR
DEWELKE WIJ OOK NIET EEN UUR HEBBEN GEWEKEN MET ONDERWERPING, OPDAT DE
WAARHEID VAN HET EVANGELIE BIJ U ZOU VERBLIJVEN" (Gal.2:5).
En
wat Titus betreft: "Hij werd niet genoodzaakt zich te laten
besnijden" De Judaisten wonnen de strijd niet.
HET
PROTEST VAN PETRUS
We
komen nu tot de laatste vermelding van Petrus in Handelingen. Hij
verschijnt als een "apostel der besnijdenis", en niettemin om
Paulus' apostelschap te onderschrijven, en zijn vraag te ondersteunen, dat
de Joodse gelovigen afzien van het opleggen van de wet aan de heidenen.
Bij
het beschouwen van het verslag tot zover, zou men willen vragen: "Waar
is Petrus?" Heeft de Here niet onmiskenbaar aan hem duidelijk
gemaakt, dat de onbesnedenen die geloven, als zodanig dienen te worden
geaccepteerd? Had hij niet zijn broederen medegedeeld hoe hij, tegen zijn
eigen geneigdheid in, gezonden was naar Cornelius en zijn huisgezin, en
hoe zij glorieus gered werden? Gaven niet zes broeders getuigenis van de
bovennatuurlijke gebeurtenissen bij de bekering van deze heidenen? Waren
zijn medebroeders niet tevreden, en hadden zij niet God verheerlijkt, toen
hij afsloot met de erkenning: "Zo heeft dan God ook den heidenen
de bekering gegeven ten leven? (Hand.11:18). Waarom houdt hij zich nu
zo stil? Is hij niet degene die de Here heeft aangewezen als leider van de
twaalven? Waarom spreekt hij niet om een eind te maken aan al het
disputeren? Sommigen redeneren tegen de Roomse leer, door aan te tonen dat
Petrus niet presideerde, noch zelfs voorstellen deed, maar hij had dienen
te presideren en voorstellen te doen. Betekenden de woorden van onze Here
dan niets? Hij had de leiding, en voorstellen gedaan in de eerste
Handelingen (1:15; 2:14). Maar zijn macht, en die van de andere apostelen,
was aan het afnemen.
Petrus
had toegelaten om meer en meer uit zijn aangewezen plaats naar de
achtergrond te worden gedrukt, maar in een geval als dit, kon hij zich
nooit stil houden. Tenslotte, nadat er veel was gedisputeerd, stond hij op
om te protesteren tegen de beweging om besnijdenis en wet dwingend op te
leggen aan de heidense gelovigen.
Allereerst
verwijst hij naar de simpele feiten van Gods werken in het geval van
Cornelius en zijn huisgezin. Het was nu enige tijd geleden, dat God Petrus
had uitverkoren uit de twaalven opdat, zoals hij zegt: "De
heidenen door mijn mond het woord des evangelies zouden horen, en
geloven" (V.7).
Let
wel op de woorden "mijn mond", want deze zijn hoogst
belangrijk in verband met deze Raad. God had niet alle twaalven bevolen om
nu bij de heidenen te beginnen, want Israel had Christus nog niet
ontvangen. Onder het profetisch programma zou redding tot de heidenen
gaan, door verlost Israel. Alleen Petrus werd gezonden, en wel
alleen tot dit ene huisgezin. Hij ging niet door met de bediening aan de
heidenen. Als resultaat van deze vergadering te Jeruzalem stemden hij en
de andere apostelen er mee in, dat zij hun bediening zouden beperken tot
Israel, onder erkenning dat Paulus, Gods apostel was tot de
heidenen (Gal.2:9).
Dit
alles benadrukt het feit, dat God een uniek doel had met het zenden van
Petrus naar Cornelius en zijn gezin. Het was geen vervulling van het
profetisch programma, of van de "grote opdracht", want alle twaalf
waren in dat programma en die boodschap besloten. Als dus de tijd daarvoor
rijp geweest zou zijn, waren allen tot de heidenen gegaan, en blijven
gaan. Evenmin zond God de twaalven tot de heidenen, ongeacht Israels
weerstand, want Paulus, niet de twaalven, werd met deze taak
belast.
Wat
was dan Gods speciaal doel met het zenden van alleen Petrus (van de
twaalven) naar dit ene heidense huisgezin? Het was, 1.) opdat
Paulus' opvolgende bediening onder de heidenen volle erkenning zou worden
gegeven, 2.) dat zou worden erkend dat de heidenen zouden worden gered,
los van besnijdenis en wet en, 3.) dat de gelovigen te Jeruzalem deze
gelovigen uit de heidenen, zouden erkennen als hun broeders in Christus.
Het
is waar, dat Petrus het geheimenis of het evangelie van Gods genade niet
verkondigd had aan Cornelius en zijn huisgezin, maar hij had Christus gepredikt,
en toen hij de noodzaak verkondigde van geloof in Christus tot
vergeving van zonden, hadden zijn toehoorders geloofd, en werden gered. Op
dat ogenblik had de Geest Petrus' toespraak onderbroken, en deze heidenen
die gave gegeven, waardoor Petrus en zijn vrienden konden weten, dat hun
redding echt was.
De
heiligen in Jeruzalem konden toen niet ontkennen, dat God nu onder de
heidenen werkte, want hun eigen leider was uitgezonden om hen te dienen,
en moest nu getuigenis afleggen, dat "God, de Kenner der harten,
hun getuigenis heeft gegeven, hun gevende den Heiligen Geest gelijk als
ook ons" (V.8).
In
dit verband merkte Petrus op (V.9), dat God "geen verschil" had
gemaakt tussen Jood en heiden, de harten van deze heidenen reinigende
"door geloof". Deze verklaring door Petrus toont een volledige
acceptatie aan van datgene wat Paulus had besproken in de besloten
voorvergadering met de leiders.
God
had Petrus juist deze ervaring met Cornelius en zijn huisgezin (let wel,
na de opwekking van Paulus) geschonken, met het oog op deze
Raadsvergadering, opdat hij eenvoudig getuigenis zou geven van de feiten
die hij had waargenomen, en zo Paulus' bediening bevestigen. En waarom
zouden de Joodse gelovigen klagen? Was het dan niet tenslotte besnijdenis
van het hart, en reiniging door geloof, wat ook
Israel moet ervaren, voordat zij gered kan worden? (Zie Jer.4:1,4; 9:26;
cf.Hand.7:51; Rom.2:25-29).
Hoe
nodig was Petrus' ervaring met name voor deze zaak! Niet dat de apostelen
der besnijdenis enige rechtspraak hadden over Paulus en de heidenen, maar
dat Paulus' apostelschap onder de heidenen, en de vrijheid van heidense
gelovigen in Christus, ten volle erkend zouden worden. Anders
zouden de Judaisten, zich beroemende op de "autoriteit" van de
leiders in Jeruzalem, met inbegrip van de broeder des Heren in het vlees,
doorgaan met het de gelovigen uit de heidenen moeilijk te maken.
Na
de grondfeiten van zijn ervaring genoemd te hebben, stelt Petrus de vraag:
"Nu dan, wat verzoekt gij God, om een juk op den hals der
discipelen te leggen, hetwelk noch onze vaders, noch wij hebben kunnen
dragen?" (V.10).
De
Farizeërs, en zij die achter hen stonden, trachtten op de heidenen een
juk te leggen, dat hun vaders, noch zij, in staat waren te dragen.
Inderdaad hadden de Farizeërs, gezeten in de stoel van Mozes, geholpen om
dit juk zwaarder te maken (Matt.23:1-4). Om te besluiten dat hun wil in
deze zaak zou geschieden, inplaats van te buigen voor Gods geopenbaarde
wil, zou inderdaad God verzoeken zijn, en zou hun eigen afgang en
veroordeling verzekeren. In feite zou het nu verkeerd zijn voor
gelovigen uit de heidenen om dit juk aan te nemen (Gal.5:1).
Om
zijn opmerkingen te besluiten, legt Petrus een zeer opmerkelijke
verklaring af: "Maar wij geloven door de genade des Heren Jezus
Christus zalig te worden op zulke wijze als ook zij" (V.11).
Hij
zegt niet: "zij zullen net als wij gered worden"
maar "wij zullen net als zij gered worden". Wat
betreft de noodzaak van de wet tot hun redding, redeneert hij, is
het niet waar dat wij daardoor gered zijn, en dat zal nog worden
aangetoond.
Dit
is de laatste verklaring in de weergave van de bediening van Petrus in
Handelingen. Zij dient te worden vergeleken met de laatste woorden van
zijn brieven. Als hij daarin verklaart, dat Paulus sommige dingen
beschreven heeft die "zwaar zijn om te verstaan", besluit hij: "MAAR
WAST OP IN DE GENADE EN KENNIS VAN ONZEN HERE JEZUS CHRISTUS. HEM ZIJ DE
HEERLIJKHEID, BEIDE NU EN IN DEN DAG DER EEUWIGHEID. AMEN"
(2Petr.3:18).
Dit
alles laat zien hoe verkeerd het is om de ervaring van Petrus in het huis
van Cornelius te scheiden van de daaropvolgende bediening van Paulus, en
te verbinden met het programma van het koninkrijk. Hoe noodzakelijk was
zijn ervaring, en Petrus' getuigenis met betrekking tot erkenning van
Paulus' latere bediening!
BARNABAS
EN PAULUS GETUIGEN
"En
al de menigte zweeg stil, en zij hoorden Paulus en Barnabas verhalen, wat
grote tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had."
- (Hand.15:12).
Het
schijnt dat op dit punt, de gehele gemeente weer werd toegelaten en
toegesproken door Barnabas en Paulus,*/[iv]
die verhaalden wat grote tekenen en wonderen God door hen onder de
heidenen had gedaan. Dit was, om aan deze Joodse toehoorders het
feit te bevestigen, dat hun bediening inderdaad van God was, want "de
Joden verlangen een teken" (1Cor.1:22), en dit is een van de
redenen, waarom eerst aan Paulus de macht werd gegeven om wonderen te
werken.
In
dit alles had Paulus een merkwaardige terughoudendheid getoond, want hij
zou ongetwijfeld liever de grote leerstellige waarheden, die hem zo
dierbaar geworden waren, hebben nagestreefd, maar de grote nood was nu,
dat de gelovigen uit de besnijdenis zijn van God-ontvangen opdracht zouden
erkennen.
|