De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 
 

H O O F D S T U K  XXIII - H A N D. 14:1-28

IKONIUM, LYSTRE EN DERBE HET WERK TE IKONIUM

 

"En het geschiedde te Ikonium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte beide van Joden en Grieken geloofde. "Maar de Joden die ongehoorzaam waren, verwekten en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. "Zij verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den Here, Die getuigenis gaf aan het woord Zijner genade, en gaf dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen. "En de menigte der stad werd verdeeld; en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen. "En als er een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te stenigen, "Zijn zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lycaonië, namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; "En zij verkondigden aldaar het Evangelie." Hand.14.1-7).

 

EEN GROTE MENIGTE VAN JODEN EN GRIEKEN GELOOFDEN

God zou Israel geen excuus overlaten wegens hun verwerpen van Christus. De twaalven waren, gedurende de aardse bediening van de Here, uitsluitend gezonden tot "de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.10:5,6). Na Zijn opstanding had Hij hen uitgezonden om te prediken, "bekering en vergeving van zonden" tot "alle volken", maar "beginnende van Jeruzalem", en dan tot "geheel Judea en Samaria" voordat zij zouden gaan tot aan "het uiterste der aarde" (Luk.24:47; Hand.1:8). Zoals we hebben gezien, was dit, omdat overeenkomstig verbond en profetie, Israel het kanaal zou zijn tot zegen van de volkeren.

Met de steniging van Stefanus en de grote vervolging die daarop volgde, kon nauwelijks nog enige twijfel bestaan, dat Jeruzalem en Israels bestuurders besloten hadden Christus niet aan te nemen. Toch ging God voort met Israel te handelen door de apostelen, die daar gebleven waren, en de discipelen die reeds begonnen terug te keren van de plaatsen waarheen zij waren verstrooid (Rom. 10:20,21 cf.Jes.65:1,2)*/[i]. Inderdaad ging ook Paulus, werkend in de streken voorbij Palestina, eerst naar de Joden waar dit maar mogelijk was; niet zo zeer met het aanbod of programma van het koninkrijk, zoals de besnijdenis-apostelen in Jeruzalem deden, maar niettemin met Israels Christus.

Toch geloven wij niet dat Paulus' enig doel was om naar de Joodse synagogen te gaan, zodat hij eerst in contact kwam met de Joden. Wij moeten bedenken, dat vóór Israel door God terzijde gesteld werd, het uitverkoren volk geestelijk nog krachtige invloed uitoefende op de heidenen. Vandaar dat Paulus in de synagogen ook die heidenen aantrof, die op zijn minst de ware God erkenden. Deze zouden natuurlijk het meest open staan voor het Woord van God en de boodschap van genade. Die, indien zij  gewonnen werden voor de waarheid, hem een kern van gelovigen zou opleveren waar omheen zou kunnen worden gebouwd. Het is genoeg bekend, dat er heidenen aanwezig waren in de synagogen te Pisidisch Antiochië, van waar Paulus en Barnabas zojuist gekomen waren, maar het is ook vaststaand, dat er Grieken zowel als Joden, in deze synagoge te Ikonium aanwezig waren (V.1).

En zo was het dat in Ikonium, Paulus en zijn medewerker opnieuw hun eerste gang naar de synagoge maakten. Evenals in Antiochië, moet deze van flinke afmeting zijn geweest, want we lezen, dat "een groot menigte"*/[ii] hun boodschap geloofde.

______

*/voetnoot: "Gods barmhartigheid bleef nog steeds over Jeruzalem. Deze Hebreeuws-Christen gelovigen hadden hoop, dat het volk toch nog hun getuigenis zou ontvangen en Hem aannemen, Dien zij hadden verworpen. Zij werden vervolgd, geslagen, sommigen gedood, hun goederen afgenomen, uit de synagogen en de tempel geworpen, en toch gingen zij door met hun trouw getuigenis. Het was een doorgangstijd, vanuit het oude in het nieuwe" (The Jewish Question: door Arno C.Gaebelein,Pp.26,27).

Zij die oprecht door God gebruikt willen worden in dienst aan het publiek, dienen nauwkeurig te weten, dat het hier geen bijzonder goed voorbereide organisatie betrof, een "klikkend" programma, mooie muziek of schitterende conference, geboden door Paulus en Barnabas, dat grote indruk op hun gehoor maakte. Het was de kracht van hun boodschap. Zij "spraken zó, dat een groot gezelschap van Joden en ook Grieken geloofde". Laten wij, die God voor publiek heeft geplaatst om Zijn Woord te verkondigen, dit tot ons voortdurend gebed maken en ernaar verlangen, "zó te spreken".

EEN OPROEP TOT VRIJMOEDIGHEID

Bijna alle vervolgingen in de Handelingen werden veroorzaakt door vijandigheid van de Joden. Klaarblijkelijk is het geval van Demetrius (Hand.19:24) een uitzondering.

In Ikonium zweepten de ongelovige Joden de heidenen op tegen de gelovigen, door hun gedachten te vergiftigen. Paulus en Barnabas echter erkenden hun verantwoordelijkheid tegenover hen, die de waarheid hadden aangenomen, en tegenover hen die dat zouden willen doen. Zij bleven moedig waar zij waren. Inderdaad kan men uit de zinsbouw van vers 3 opmaken, dat zij de weerstand van de Joden zagen als een oproep tot vrijmoedigheid; een uitdaging om de waarheid bekend te maken waar deze tot nu toe verkeerd was gebracht; "Zij verkeerden dan aldaar een lange tijd, vrijmoediglijk sprekende in de Here..."

Deze vrijmoedigheid bestond in een directe - hoewel niet geheel complete - verkondiging van het evangelie van Gods genade door Christus, in vergelijking tot het Judaisme, of ook tot het Christen-Judaisme van de gelovigen te Jeruzalem (cf.Hand.13:38,39; 21:20). Dat dit zo is, is duidelijk door de verklaring dat de Here "getuigenis gaf aan het woord Zijner genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun handen"(V.3).

Maar er zou kunnen worden gevraagd, waarom gaf de Here getuigenis aan "het woord van Zijn genade" door tekenen en wonderen? Wij geloven dat het antwoord hierop drie-voudig is, en draait rond het feit dat God slechts begon om de boodschap van genade bekend te maken. Ten eerste, waren de wondertekenen de geloofwaardigheden van het apostelschap (2Cor.12:12). Ten twede, werden deze tekenen gewrocht in de eerste plaats voor de Joden, die deze zouden erkennen als bewijs van goddelijke bevestiging (1Cor.1:22; Hand.15:12). Ten derde, werden zij gewrocht, omdat Israels hoop op het koninkrijk, teneinde "de heidenen tot gehoorzaamheid" te brengen (Rom.15:18,19), officieel nog niet was ingetrokken. Dit laatste is niet in tegenspraak met 1Cor.1:22, want daar wordt gezegd, in tegenstelling tot de Joden die een teken begeren, dat de Grieken wijsheid zoeken. De Grieken waren de hoogststaande intellectuele heidentypen.

Zo ging de bediening van de apostelen in Ikonium voort, tot de hele stad verdeeld was, gedeeltelijk zich houdende aan de ongelovige Joden, en gedeeltelijk aan Paulus en Barnabas. Zo veroorzaakt de waarheid verdeeldheid overal waar zij komt, en diegenen die haar door God gegeven boodschap zouden willen vervagen, door geen scheiding te willen veroorzaken, zijn gewoonweg ontrouw aan hun roeping. Onze tegenstander zal er altijd op toezien dat de waarheid nimmer onweerstaanbaar wordt gepredikt. De Here Jezus en de Apostel Paulus waren blijkbaar de grootste "verdeling brengers" van de gehele geschiedenis. Niettemin zullen zwakke Christenen dikwijls trouwe Godsmannen veroordelen, omdat hun verkondiging verdeling brengt. Eigenlijk is het niet de waarheid, maar het ongeloof in de harten van sommigen, dat verdeling brengt.

PAULUS EN BARNABAS VLUCHTEN

OM WILLE VAN HUN LEVENS

Het woord vertaald met "oploop" in de meeste Bijbelvertalingen is misleidend. Als er al een werkelijke oploop geweest zou zijn, dan is het overbodig om te zeggen, dat "zij alles overlegd hebben".

--------

2**/voetnoot: Eigenlijk niet een "grote menigte". In Hand.28:3 wordt het woord pleethos, hier weergegeven met menigte, vertaald als verzameling. Het woord zelf betekent eigenlijk niet een groot aantal. Als zelfstandig naamwoord mag het eenvoudig betekenen, een groep of gezelschap. In dit geval echter wordt het woord voorafgegaan door het bijwoord polu, wat betekent groot of veeltallig, zodat de betekenis van de zin gewoon betekent een groot gezelschap. De synagoge in Ikonium zou moeilijk accomodatie hebben kunnen geven aan dat, wat gewoonlijk onder "een grote menigte" wordt verstaan.

 Het woord betekent letterlijk, een ren, en betekent een wilde beweging of een heftige ingeving. De betekenis is ongetwijfeld, dat er een hevige beweging was van de zijde van "de heidenen en van Joden met hun oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te stenigen".

De term "smaadheid aandoen" heeft in het origineel een strikte betekenis, kwaad en geweld aandoen. Paulus gebruikt dezelfde uitgang over zijn vorig leven in 1Tim.1:13, waar het ook wel wordt vertaald met "geweldenaar", en wij weten hoe hartstochtelijk hij de volgelingen van Messias had vervolgd (Zie b.v.,Hand.8:3; 9:1,2). Toen, in Ikonium, was er een hevige beweging en woede om Paulus en Barnabas kwaad te doen en te stenigen. Dat de Joden hiervan de wortel waren, is te zien aan de Joodse vorm van excecutie door te willen stenigen.

Het was, toen Paulus en Barnabas dit alles gewaar werden, dat "zij vluchtten naar Lystre en Derbe". Het zou dwaas geweest zijn om nu te Ikonium te blijven, want op zijn minst zou toch hun openbare bediening tot een einde gebracht zijn, als zij waren gebleven. Zo vluchtten zij naar Lystre en Derbe "en daar verkondigden zij het evangelie".

Het is treffend, te zien dat deze waarlijk grote mannen, gedwongen werden om te vluchten voor hun leven, maar spannend en inspirerend om hen onmiddellijk te zien prediken in een andere plaats! Die moed komt uit meer dan zin voor plicht. Paulus zelf zegt, dat het komt door een alles overweldigende erkenning van de liefde van Christus. "Want de liefde van Christus dringt ons". 

IN LYSTRE

"En een zeker man te Lystre zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.-"Deze hoorde Paulus spreken; welke de ogen op hem houdende en ziende dat hij geloof had om gezond te worden,

"Zeide met grote stem: Sta recht op uw voeten. En hij sprong op en wandelde.-"En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven hun stem en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn den mensen gelijk geworden en tot ons nedergekomen.-"En zij noemden Barnabas Jupiter en Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.

"En de priester van Jupiter die voor hun stad was, als hij ossen en kransen aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.

"Maar de apostelen Barnabas en Paulus dat horende, scheurden hun klederen en sprongen onder de schare, roepende, "En zeggende: Mannen, waarom doet gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al hetgeen in dezelve is; "Welke in de verleden tijden al de heidenen heeft laten wandelen in hun wegen; "Hoewel Hij nochtans Zichzelven niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en vrolijkheid.

"En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden."(Hand.14:8-18).

DE LAMME MAN GENEZEN

Niets wordt hier gezegd over de apostelen, dat zij te Lystra in een of andere synagoge gingen. Ons wordt eenvoudig verteld, dat zij "vluchtten naar Lystre en Derbe" en dat zij "daar het evangelie predikten" (V.6,7). Ook lezen we niet van enig werk wat daar door hen onder de Joden zou zijn gedaan. Het gebeuren is volstrekt heidens.

Er waren klaarblijkelijk niet genoeg Joden in de stad om een synagoge te hebben. Wij kunnen echter niet zeggen dat er geen Joden waren, want wij zullen nu zien, dat een van de meest vooraanstaande toekomstige helpers van Paulus hier in die tijd, werd gewonnen voor Christus.

Toen Paulus in Lystra predikte, kon hij het niet helpen, dat hij opmerkte, dat een van zijn toehoorders*/[iii] luisterde met bijzondere interesse. Hij was een kreupele, die niet in staat was te wandelen, sinds zijn geboorte. Toen Paulus met aandacht naar hem keek, werd hij overtuigd, dat hij geloof had om te worden genezen.

Het is niet vreemd dat hij begreep uit de woorden van Paulus, dat hij genezen kon worden, want we herinneren ons dat Israel nog niet geheel terzijde gesteld was, en dat de Pinkstertijd nog niet voorbij was. De apostel zal uiteraard zijn toehoorders verteld hebben wat kortgeleden was gebeurd; hoe Christus naar de aarde gekomen was als Israels Messias, welke wonderen Hij had gewrocht, en hoe Hij was verworpen, zelfs nadat Hij was opgestaan uit de doden, en vanuit Zijn verbanning in de hemel nog grotere wonderen gewerkt heeft. En dit alles natuurlijk als voorafgaande aan zijn speciale boodschap van redding uit genade door geloof.

Zodoende richtte de apostel zich, overtuigd van 's mans verlangen en zijn geloof om te worden genezen, persoonlijk tot hem, en zei met luide stem: "Sta recht op uw voeten". En onmiddellijk sprong hij op zijn voeten en wandelde.

DE LYSTRIERS VERONDER-STELLEN DAT PAULUS EN BARNABAS GODEN ZIJN

Het was een verbazend iets om iemand, die nooit een stap gelopen heeft, plotseling op zijn voeten te zien springen, en rond te lopen. Het had direkt effekt op de Lystriers.

Toen zij zagen wat was gebeurd "verhieven zij hun stemmen... in het Lycaonisch". Hoewel zij Paulus blijkbaar hadden verstaan in de Griekse taal, deden zij nu wat heel natuurlijk is wanneer de spanning hoog oplaait: zij verhieven hun stemmen, en keerden terug naar het gebruik van hun eigen spraak.

Het volk van Lystre waren geen afgodendienaars van het Griekse culturele type. Zij waren ruwe, ongekunstelde, barbaren. Het wonderlijk herstel van de lamme man had hen overtuigd, dat bovennatuurlijke kracht aan het werk was. Zij kenden niet de ene ware God, Die zich gemanifesteerd had in het vlees om hen te redden. In hun heidense blindheid veronderstelden zij eerder, dat Paulus en Barnabas goden waren, tot hen neergekomen in de gelijkenis van mensen. Dit was het ook wat zij uitriepen tot elkaar "in het Lycaonisch", toen zij Barnabas Jupiter noemden, de beweerde vader der goden en der mensen**/[iv], en Paulus Mercurius, de beweerde boodschapper van de goden, omdat hij de Woordvoerder was.

Het is duidelijk uit de verzen 14,15, dat Paulus en Barnabas niet begrepen wat de Lystriërs zeiden. Hadden zij hen verstaan, dan hadden zij natuurlijk onmiddellijk bezwaar gemaakt, en zou de offering uit v.13 wellicht zijn voorkomen. Zoals het was, waren de apostelen klaarblijkelijk zeer verbaasd, toen de Lystriers trachtten hen offers te brengen.

DE POGING OM TE OFFEREN AAN DE APOSTELEN

Men zou uit het verslag op kunnen maken, dat Paulus en Barnabas zich nu van de menigte hadden losgemaakt naar hun verblijfplaats, of naar een of andere meer teruggetrokken plaats, of wellicht, dat de menigte zich enigszins van hen had teruggetrokken. In elk geval brachten de priesters van Jupiter, wiens afbeelding of tempel zich aan de ingang van de stad bevond*/[v], nu ossen en kransen naar de poorten, en waren op weg om met het volk offers te gaan brengen.

Omdat het verslag spreekt van "ossen en kransen", in het meervoud, nemen wij aan dat er op zijn minst twee waren, zodat offers konden worden gebracht aan beide, Jupiter en Mercurius. Ook is het niet vreemd dat de priester van Jupiter deze offers zou brengen, omdat Jupiter, in hun ogen, de hoogste plaats innam. Of de "voorpoorten" waarnaar verwezen wordt, die waren van de verblijven van de apostelen (Cf.Hand.10:17), of dat het de poorten van de stad waren, of van een tempel die aan Jupiter gewijd was, is moeilijk met zekerheid aan te wijzen. Maar omdat we lezen dat "Jupiter...voor hun stad was", mogen we aannemen dat de stadspoorten worden bedoeld, en dat de offers nu zouden worden gebracht aan de toegang tot de stad, waar het beeld van Jupiter stond.

Dat de apostelen hun afschuw uitten bij de gedachte dat zij als goden zouden worden aangebeden - en zo de plaats van God innemen - wordt gezien in het verslag van wat zij deden en zeiden nadat zij begrepen, hetgeen plaats zou gaan vinden. "Zij scheurden hun klederen" - "sprongen onder de scharen" - "roepende" - "Waarom doet gij deze dingen?" - "bekeren van deze ijdele dingen".

----

4/voetnoot: Wellicht omdat hij de oudere was, en waardiger in zijn verschijning.

5/voetnoot: De "hij" in vers 13 slaat op Jupiter, niet op de priester.

Hier zien we bijvoorbeeld, dat onze gezegende Here waarlijk God was, gekomen in het vlees, want Hij nam de aanbidding van mensen vrijelijk aan. Paulus en Barnabas echter wederstaan natuurlijk aanbidding, al protesterende: "Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij."

Onder degene die het verschillend karakter van Paulus' bediening zijn gaan inzien, en tot verblijding gekomen zijn in de boodschap die hij verkondigde, zijn er sommigen die tot uitersten gegaan zijn, veronderstellend dat hij na zijn bekering praktisch volmaakt was; dat hij niets meer verkeerd deed. Dezen zouden op zijn minst zijn eigen getuigenis dienen aan te nemen, zoals dit is weergegeven in deze passage en zijn geinspireerde belijdenis in Rom.7:18,19: "Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed woont...Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik niet wil, dat doe ik."**/[vi]

Voor deze heidense afgodendienaars, er op uit hem en Barnabas te aanbidden, haalde de apostel niet passages uit de wet en de profeten aan. Hij doet eenvoudig beroep op hen om "te bekeren van deze ijdele dingen tot de levende God", de Schepper en Onderhouder van alles. Hun goden waren zuiver afgoden - en erger: achter hen stonden de boze geesten, die de aanbidding koesterden, die de bijgelovige heidenen hun kwistig brachten.***/[vii]

"In de verleden tijd" zegt de apostel,*/[viii] heeft de ware God, "al de heidenen laten wandelen in hun wegen" (V.16). Het woord heidenen (Gr. Ethnos) wordt hier gewoonlijk vertaald als heidenen, apart van Joden, en slaat op de volkeren buiten verbondsrelatie met God: alle volken uitgezonderd Israel. Dit sluit zeker Israel hier niet in, want aan hun werd de Wet gegeven, en bevolen om in Gods wegen te wandelen. Het waren de heidenen die, sinds Babel, overgegeven waren aan een verwerpelijk denken, omdat "zij God niet in erkentenis wilden houden" (Rom.1:28).

Maar dit was "in de verleden tijd", zegt de apostel. "Nu doen wij een beroep op u om te bekeren van deze ijdelheden tot God". Zou er een nog sterker getuigenis bestaan van het feit, dat God weer was begonnen onder de heidenen te werken? (Cf.Hand.17:30). Inderdaad was God onderwijl door schepping doorgegaan om getuigenis te geven aan de heidenen van "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid", hen verzorgende, en hun harten vervullende met spijze en vrolijkheid**/[ix], zodat zij "zonder excuus" zouden zijn wegens het toegeven aan "deze ijdelheden" (Vers 16,17; cf.Rom.1:19,20) en zonder uitstel nu tot God zouden keren (Cf.1Thess.1:9).

   "En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet offerden" (V.18).

Men zou veronderstellen dat deze mensen nu achterbleven met een diep gevoel van dankbaarheid tot de apostelen, of tenminste respekt voor hen. Maar de menselijke natuur is wispelturig en verraderlijk.

PAULUS GESTENIGD

"Maar daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem de stad uit, menende dat hij dood was. "Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe." - (Hand.14:19,20).

Hoe wispelturig is de menselijke natuur! Toen onze Here Jeruzalem binnenkwam op de rug van een ezel, riepen de mensen in koren: "Gezegend is Hij!" Enige dagen later schreeuwden zij "Weg met Hem!". Het was hier in Lystre weinig anders.

Maar zonder Paulus' eigen protesten, zouden de mensen van Lystre hem en Barnabas als goden hebben aanbeden. Nu was alles ineens veranderd.

-------

6**/voetnoot: Anderen hebben aangevoerd dat wij dienen "uit te gaan vanuit Rom.7 in Rom.8", en "het over-winningsleven" leven. Doch wij moeten ons herinneren, dat Rom.7 en 8 geschreven werden in dezelfde doorgaande zetting - oorspronkelijk niet verdeeld in hoofdstukken.

7***/voetnoot: Ps.82 is gericht tot deze boze geesten. Eph.2:2 en 6:12 verwijzen ook hiernaar.

8**/voetnoot: Wij nemen het zo, dat de hier gebruikte woorden, die van Paulus zijn, omdat hij ook, net als elders, de "woordvoerder" was.

9***/voetnoot: Dit mooie spraakbeeld beschrijft het gevoel van welzijn, dat het gevolg is van goed doorvoed te zijn. En in een merkwaardige combinatie van takt en overredingskracht verbindt hij zichzelf en Barnabas hierin met hen. "Onze harten vullende", zo zegt hij, "met spijze en vrolijkheid". Dit zou uiterst bekwaam zijn om hen te winnen, en tegelijkertijd hen afhouden van hem en Barnabas te aanbidden.

Joden uit Pisidisch Antiochië, in hun verbitterdheid tegen Paulus en zijn boodschap, hadden hem achtervolgd tot Lystra. Daar brachten zij een heel andere interpretatie van het wonder door Paulus, dan de Lystriërs hadden gedaan. En omdat zij evenals Paulus, Joden waren, waren zij in staat de Lystriërs te "overtuigen", dat de apostel Paulus een slecht iemand was - zo slecht, dat hij zonder uitstel ter dood gebracht moest worden.

De manier waarop de apostel werd aangevallen is onze aandacht waard. Stenigen was een Joodse vorm van hoogste strafmaat (Lev.20:2, etc.). Inderdaad waren Paulus en Barnabas onlangs gevlucht uit Ikonium, omdat de Joden de heidenen hadden opgezweept, en van plan waren hen te stenigen (Hand.14:2,5). Nu, in Lystra, hadden zij volvoerd wat hun in Ikonium niet gelukt was - altans aan Paulus.

Met nauwelijks een uitzondering, werden de vervolgingen van Paulus door heidenen, opgestookt door de Joden. In ieder geval waren zij het die de heidenen opstookten, en "overreedden" (V.19) om Paulus te weerstaan. Daarom schrijft Paulus in 1Thess.2:15,16, met betrekking tot de Joden:

"Welke ook gedood hebben den Here Jezus en hun eigen profeten, en ons hebben vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn,

"En verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden; opdat zij allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen gekomen tot het einde."

Deze verklaring door Paulus, in een van zijn eerste brieven, draagt getuigenis van het feit, dat Israel reeds de grote crisis in haar geschiedenis was gepasseerd, en dat Paulus niet, zoals sommigen beweren, het koninkrijk aanbiedt gedurende het eerste gedeelte van zijn bediening. Samen met het getuigenis in Handelingen geeft het verder aan, dat Handelingen, in de eerste plaats, de geschiedenis is van de val van het volk van Israel, en van Gods reden om redding te zenden tot de heidenen, los van Zijn uitverkoren volk en niet, zoals sommigen voorstaan, de geschiedenis van "de geboorte en de groei" van de Kerk van de huidige bedeling.

Dat de Joden zo de heidenen konden overhalen om hun meningen zo plotseling te veranderen, en iemand te stenigen dien zij de vorige dag hadden aanbeden, is een toonbeeld van de slechtheid van de menselijke natuur, en van de bijgelovige aard van religieuse opwinding.

Na Paulus gestenigd te hebben, vernederden de mensen hem nog verder, door hem, geslagen en bloedend, buiten de stad te "slepen", en hem daar voor dood te laten liggen (V.19).

WERD PAULUS ECHT TEN DODE GESTENIGD?

Klaarblijkelijk was de steniging van de apostel te Lystre de enige ervaring van die aard, die hij ooit verduurde, want kort voordat hij voor de laatste maal naar Jeruzalem ging, schreef hij aan de Corinthiërs: "Eens ben ik gestenigd" (2Cor.11:25). Er is heel wat gedebatteerd onder commentators over Paulus, of hij niet of wel werd gedood bij deze gebeurtenis, en toen op wonderlijke wijze uit de dood werd opgewekt.

Zij die geloven dat Paulus werkelijk ter dood werd gestenigd en daarna weer werd opgewekt, brengen onder andere de volgende argumenten naar voren:

1.De mensen bedoelden Paulus ter dood te brengen, omdat steniging een vorm van excecutie was.

2.Het woord, weergegeven als "menende" in vers 19, stamt van het Griekse nomizo, dat tedoen heeft met het intellect, niet met de verbeelding. Zoals gebruikt in het Nieuwe Testament, betekent het, het ervoor houden of, uit gewoonte, aannemen, of uit de gebeurtenis concluderen, maar nimmer verbeelden.

3.Het plotselinge waarmee Paulus opstonden weer in de stad kwam, schijnt te wijzen op een wonder.

4.In 2Cor.12:1-5 verhaalt de apostel, hoehij opgenomen was in de  derde hemel, in een ervaring die had plaats gevonden, ongeveer "veertien jaren tevoren" - juist in de tijd dat hij Lystre had bezocht. Wat betreft deze ervaring zegt hij: "of het geschied is in het lichaam, weet ik niet, God weet het" (2Cor.12:3).

Omdat wij vanuit de leer niet instemmen, dat Paulus niet bij deze gebeurtenis stierf, zijn we toch niet overtuigd dat een enkele van de bovenstaande argumenten bewijzen, dat hij dit wel was.

Het is ongetwijfeld waar, dat Paulus' vervolgers meenden hem ter dood te brengen, en dachten dat zij hun doel hadden bereikt, maar dit bewijst nog niet, dat het hun gelukt was. Ook is de abruptheid waarmee hij opstond en wandelde, niet zonodig een aanwijzing dat hij werd opgewekt uit de doden. Hij kan alleen verdoofd zijn geweest, bewusteloos geworden, door de stenen die naar hem werden gegooid, en dan plotseling zijn bewustzijn hebben herkregen. Vele prijsvechters van onze tijd zijn voor tamelijk lange tijd "knock out", en "komen dan weer terug", staan op, en lopen even direkt, als Paulus in dit geval gedaan heeft.

Paulus' woorden in 2Cor.12, als zij naar deze gebeurtenis verwijzen, zoals wij geneigd zijn aan te nemen, zouden ons eerder ervan afhouden om tot enige definitieve conclusie te komen in deze zaak, want hij zegt, door de Geest, "of het geschied is in het lichaam, weet ik niet, of buiten het lichaam, weet ik niet".

Maar laat ons terugkeren tot onze geschiedenis. Welke emoties moeten de harten gevuld hebben van de discipelen die het lichaam van hun geliefde apostel "omringden", met gebroken harten, en zich afvragend wat te doen! Toch was hun aanwezigheid daar, het bewijs dat zijn bediening niet vergeefs was geweest. Hier was reeds een begin van een kerk, en een flinke, want zij hadden het offer van zijn eigen leven van de apostel gezien, voor hen en voor de waarheid. Er is inderdaad, van hun kant, niet weinig moed voor nodig, om op deze manier te blijven staan rond het schijnbaar levenloze lichaam van iemand, die zo door zijn vervolgers werd gehaat. En Paulus' eigen moed wordt verder gezien in het feit, dat hij direct na zijn opstaan, terug ging in de stad waar hij was gestenigd. Klaarblijkelijk greep hij de gelegenheid aan, om zijn vervolgers te laten weten, dat God met hem was, of zij wellicht zich toch nog tot Christus mochten keren.

Het lijden van de apostel in deze streken stond hem later voor ogen, toen hij schreef over de "vervolgingen" en "verdrukkingen, die hem overkwamen in Antiochië, in Ikonium, te Lystra; welke vervolgingen ik moest verduren", maar dit lijden was niet tevergeefs geweest. Er was daar deze keer een uitnemende persoonlijkheid voor Christus gewonnen, die meer voor hem zou betekenen als compagnon in het werk, dan Barnabas ooit was. Paulus richtte de bovenstaande woorden over zijn vervolgingen en verdrukkingen tot iemand aan wie dit volledig bekend was (2Tim.3:10,11). Deze was niemand anders dan Timotheus, zijn geliefde zoon in het geloof, verkregen tijdens zijn werken en vervolgingen te Lystre (Zie Hand.14:21; 16:1-3 en cf. 1Tim.1:2; 2Tim.3:10,11).

Als de ervaring, waarnaar wordt verwezen in 2Cor.12:1-5, in die tijd plaats vond, zoals wij geneigd zijn te geloven, was er nog meer om de apostel te bemoedigen en te inspireren, want toen zijn lichaam geslagen en bloedend neerlag, omgeven door treurende discipelen, zweefde zijn ziel hemelwaarts. Hij werd "opgenomen in de derde hemel", om de glorie te zien van de positie van de leden van het Lichaam van Christus, en dingen te horen, zo ver boven menselijk verstand, dat het hem niet toegestaan was, deze naar voren te brengen. Deze ervaring was inderdaad zo glorieus, dat maatregelen moesten genomen worden, om zijn bruikbaarheid op aarde als dienaar van Christus, niet te hinderen. Met het oog hierop zegt de apostel:

"En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou  verheffen. "Hierover heb ik den Here driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. "En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone." (2Cor.12:7-9).

Wat een demonstratie van Gods genade hebben we in deze passage die we hier hebben beschouwd! De Lystriërs sleepten hem, die gezonden werd om redding te brengen, naar buiten de stad, lieten hem voor dood liggen, maar hij stond weer op, en ging verder met de verkondiging van het goede nieuws van Gods genade.

De volgende dag, na teruggekeerd te zijn naar Lystre, vertrok de apostel met Barnabas naar Derbe. Hier predikten zij klaarblijkelijk ongehinderd en maakten veel discipelen.  Dit brengt ons tot de geografische grens van Paulus' eerste apostelreis.

DE APOSTELEN GAAN OPNIEUW LANGS HUN EERDERE ONTMOETINGEN

"En als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt hadden, keerden zij weder naar Lystre en Ikonium, en Antiochië, "Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in h et Koninkrijk Gods. "En als zij hun in elke gemeente, met opsteken der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten, bevalen zij den Here, in Welken zij geloofd hadden. "En Pisidië doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië. "En als zij te Perge het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië. "En vandaar scheepten zij af naar Antiochië, vanwaar zij der genade Gods bevolen waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. "En daar aangekomen zijnde en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs geopend had. "En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de discipelen."  - (Hand.14:21-28).

De Apostel Paulus was niet tevreden, zoals vele moderne evangelisten, met "beslissingen voor Christus". Als hij mensen voor Christus gewonnen had, droeg hij hen dagelijks op het hart, bad voor hen, schreef ze of bezocht ze weer, indien mogelijk, opdat zij zouden worden bevestigd in het geloof.

Zo was het dat Paulus en Barnabas besloten op hun reizen terug te keren naar Antiochië in Syrië langs dezelfde route als zij naar Derbe gekomen waren. Toen zij in Derbe gekomen waren via Pisidisch Antiochië, Ikonium, en Lystre, geteisterd door tegenstand en vervolging langs de gehele weg, zo begonnen zij nu de weg terug van Derbe over Lystre, Ikonium en Antiochië, waarbij zij de zielen van de discipelen versterkten, en hen vermaanden te blijven in het geloof. Zij verklaarden hen, dat "wij door veel verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk" (V.22).

Dit "moeten" wijst niet op een dwingende noodzakelijkheid, alsof niemand gered kan worden zonder te lijden, maar eerder wijst dit erop, dat het vanzelfsprekend is, omdat de wereld is zoals zij is, en gelovigen moeten lijden als zij verder binnengaan in het koninkrijk van God. Zij moeten niet verwachten, dat het anders zal zijn (Zie 2Tim.3:12; Rom.8:17). Inderdaad laat God deze dingen toe om Zijn kinderen afgescheiden van de wereld, en dicht bij Zich te houden.

Maar Paulus en Barnabas deden meer dan eenvoudigweg de gelovigen in deze steden te bemoedigen in geloof door te gaan. Zij namen stappen om georganiseerde samenkomsten in elke plaats te vestigen. In het licht van Paulus' karakter en zijn brieven is het ondenkbaar, dat hij rondging en arbitrair oudsten voor deze vergaderingen van gelovigen aanwees, of dat hij later van Timotheus of Titus verwachtte dit te doen (Tit.1:5). De vele kwalificaties die oudsten en opzieners moesten bezitten, konden uiteraard alleen volledig worden erkend door hen, waaronder zij leefden. Juist het feit, dat deze leiders in het werk, "goed bekend staande" mannen moesten zijn, wijst erop dat Paulus, in gevallen als deze, bij zulke selecties slechts presideerde. Inderdaad leert ons ook gezond verstand, dat geen leider zijn functie behoorlijk kan vervullen, die zich niet verheugt in het respect en de ruggesteun van hen, waarover hij geplaatst is. Paulus zelf, hoewel benoemd door God, werd nietemin deze ruggesteun gegeven (Zie 13:2-4).

Dit is een les die menig pastor nodig moet leren, opdat hij niet bij zijn arbitraire beslissingen en activiteiten, faalt om de hartelijke medewerking van de oudsten en leden van zijn gemeentegroep te winnen.

Maar deze maatregelen om georganiseerde vergaderingen te vestigen waren, hoewel noodzakelijk, niet genoeg. Toen de apostelen waren begonnen de zielen van de gelovigen te versterken, en ze te vermanen om standvastig in het geloof te blijven, gingen zij niet eerder weg dan nadat zij hen, onder bidden en vasten, hadden opgedragen aan de Here, in Wien zij geloofd hadden (V.23).

Hun terugreis voortzettend, kwamen Paulus en Barnabas door Pisidië en Pamfilië naar Attalia, een zeehaven. Voordat zij echter vandaar wegvoeren, "predikten zij het Woord in Perge", niet ver daar vandaan. Dit was de stad, waar Johannes Markus 'hen had verlaten", "naar Jeruzalem was teruggekeerd", gedurende het eerste gedeelte van hun reis. Het is mogelijk, dat als gevolg van de omstandigheden die te maken hadden met het vertrek van Johannes, zij het evangelie daar destijds niet gepredikt hadden, en zich gedrongen voelden, het nu te doen.

Uiteindelijk keerden de apostelen, nadat zij een schip genomen hadden, terug naar Antiochië in Syrië, "vanwaar zij waren opgedragen aan Gods genade voor de taak, die zij hadden vervuld".

Wat een hereniging zullen zij daar gehad hebben met de gemeente daar, toen zij "verhaalden wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des geloofs geopend had!" (V.27). En opnieuw verbleven zij een "lange tijd"*/[x]  met de gelovigen in Antiochië (V.28, cf.11:26).

Merk op, dat Antiochië, niet Jeruzalem, de basis van hun operaties was. De terugkeer van Paulus en Barnabas naar Antiochië, en hun twede lange verblijf daar, geven temeer aanwijzing, dat hier een werk gedaan werd, gescheiden en apart van dat wat onze Here had opgedragen aan de elven, na Zijn opstanding, hetgeen haar hoofdkwartier in Jeruzalem had.

Dat Paulus' opdracht om naar de heidenen te gaan, reeds de zogenaamde "grote opdracht" begon te achterhalen, en dat God nu de deur des geloofs voor de heidenen opende, ondanks het feit dat Israel deze voor hen gesloten hield - ging inderdaad niet vanzelf.

_______ 

*voetnoot: Bijbel-chronologen schatten de duur van de tijd tussen twee en zes jaren.

 

[iii].*/voetnoot: Vanuit de zin van het woord "horen", klaarblijkelijk een gewone bezoeker van Paulus' samenkomsten.

 
 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011