H O O F D S T U K
XXIII - H A N D. 14:1-28
IKONIUM, LYSTRE EN DERBE HET WERK TE IKONIUM
"En
het geschiedde te Ikonium, dat zij te zamen gingen in de synagoge der
Joden, en alzo spraken, dat een grote menigte beide van Joden en Grieken
geloofde. "Maar de Joden die ongehoorzaam waren, verwekten en
verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. "Zij
verkeerden dan aldaar een langen tijd, vrijmoediglijk sprekende in den
Here, Die getuigenis gaf aan het woord Zijner genade, en gaf dat tekenen
en wonderen geschiedden door hun handen. "En de menigte der stad werd
verdeeld; en sommigen waren met de Joden, en sommigen met de apostelen.
"En als er een oploop geschiedde beide van heidenen en van Joden, met
hun oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te stenigen, "Zijn
zij, alles overlegd hebbende, gevlucht naar de steden van Lycaonië,
namelijk Lystre en Derbe, en het omliggende land; "En zij
verkondigden aldaar het Evangelie." Hand.14.1-7).
EEN
GROTE MENIGTE VAN JODEN EN GRIEKEN GELOOFDEN
God
zou Israel geen excuus overlaten wegens hun verwerpen van Christus. De
twaalven waren, gedurende de aardse bediening van de Here, uitsluitend gezonden
tot "de verloren schapen van het huis van Israel" (Matt.10:5,6).
Na Zijn opstanding had Hij hen uitgezonden om te prediken, "bekering
en vergeving van zonden" tot "alle volken", maar "beginnende
van Jeruzalem", en dan tot "geheel Judea en Samaria"
voordat zij zouden gaan tot aan "het uiterste der aarde"
(Luk.24:47; Hand.1:8). Zoals we hebben gezien, was dit, omdat
overeenkomstig verbond en profetie, Israel het kanaal zou zijn tot zegen
van de volkeren.
Met
de steniging van Stefanus en de grote vervolging die daarop volgde, kon
nauwelijks nog enige twijfel bestaan, dat Jeruzalem en Israels bestuurders
besloten hadden Christus niet aan te nemen. Toch ging God voort met
Israel te handelen door de apostelen, die daar gebleven waren, en de
discipelen die reeds begonnen terug te keren van de plaatsen waarheen zij
waren verstrooid (Rom. 10:20,21 cf.Jes.65:1,2)*/[i]. Inderdaad ging ook Paulus,
werkend in de streken voorbij Palestina, eerst naar de Joden waar dit maar
mogelijk was; niet zo zeer met het aanbod of programma van het
koninkrijk, zoals de besnijdenis-apostelen in Jeruzalem deden, maar
niettemin met Israels Christus.
Toch
geloven wij niet dat Paulus' enig doel was om naar de Joodse
synagogen te gaan, zodat hij eerst in contact kwam met de Joden. Wij
moeten bedenken, dat vóór Israel door God terzijde gesteld werd, het
uitverkoren volk geestelijk nog krachtige invloed uitoefende op de
heidenen. Vandaar dat Paulus in de synagogen ook die heidenen aantrof, die
op zijn minst de ware God erkenden. Deze zouden natuurlijk het meest open
staan voor het Woord van God en de boodschap van genade. Die, indien zij
gewonnen werden voor de waarheid, hem een kern van gelovigen zou
opleveren waar omheen zou kunnen worden gebouwd. Het is genoeg bekend,
dat er heidenen aanwezig waren in de synagogen te Pisidisch Antiochië,
van waar Paulus en Barnabas zojuist gekomen waren, maar het is ook vaststaand,
dat er Grieken zowel als Joden, in deze synagoge te Ikonium aanwezig
waren (V.1).
En
zo was het dat in Ikonium, Paulus en zijn medewerker opnieuw hun eerste
gang naar de synagoge maakten. Evenals in Antiochië, moet deze van flinke
afmeting zijn geweest, want we lezen, dat "een groot menigte"*/[ii]
hun boodschap geloofde.
______
*/voetnoot:
"Gods barmhartigheid bleef nog steeds over Jeruzalem. Deze
Hebreeuws-Christen gelovigen hadden hoop, dat het volk toch nog hun
getuigenis zou ontvangen en Hem aannemen, Dien zij hadden verworpen. Zij
werden vervolgd, geslagen, sommigen gedood, hun goederen afgenomen, uit de
synagogen en de tempel geworpen, en toch gingen zij door met hun trouw
getuigenis. Het was een doorgangstijd, vanuit het oude in het nieuwe"
(The Jewish Question: door Arno C.Gaebelein,Pp.26,27).
Zij
die oprecht door God gebruikt willen worden in dienst aan het publiek,
dienen nauwkeurig te weten, dat het hier geen bijzonder goed voorbereide
organisatie betrof, een "klikkend" programma, mooie muziek of
schitterende conference, geboden door Paulus en Barnabas, dat grote indruk
op hun gehoor maakte. Het was de kracht van hun boodschap. Zij
"spraken zó, dat een groot gezelschap van Joden en ook
Grieken geloofde". Laten wij, die God voor publiek heeft geplaatst om
Zijn Woord te verkondigen, dit tot ons voortdurend gebed maken en ernaar
verlangen, "zó te spreken".
EEN
OPROEP TOT VRIJMOEDIGHEID
Bijna
alle vervolgingen in de Handelingen werden veroorzaakt door vijandigheid
van de Joden. Klaarblijkelijk is het geval van Demetrius (Hand.19:24) een
uitzondering.
In
Ikonium zweepten de ongelovige Joden de heidenen op tegen de gelovigen,
door hun gedachten te vergiftigen. Paulus en Barnabas echter erkenden hun
verantwoordelijkheid tegenover hen, die de waarheid hadden aangenomen, en
tegenover hen die dat zouden willen doen. Zij bleven moedig waar zij
waren. Inderdaad kan men uit de zinsbouw van vers 3 opmaken, dat zij de
weerstand van de Joden zagen als een oproep tot vrijmoedigheid; een
uitdaging om de waarheid bekend te maken waar deze tot nu toe verkeerd was
gebracht; "Zij verkeerden dan aldaar een lange tijd,
vrijmoediglijk sprekende in de Here..."
Deze
vrijmoedigheid bestond in een directe - hoewel niet geheel complete -
verkondiging van het evangelie van Gods genade door Christus, in
vergelijking tot het Judaisme, of ook tot het Christen-Judaisme van de
gelovigen te Jeruzalem (cf.Hand.13:38,39; 21:20). Dat dit zo is, is
duidelijk door de verklaring dat de Here "getuigenis gaf aan het
woord Zijner genade, en gaf, dat tekenen en wonderen geschiedden door hun
handen"(V.3).
Maar
er zou kunnen worden gevraagd, waarom gaf de Here getuigenis aan "het
woord van Zijn genade" door tekenen en wonderen? Wij geloven dat het
antwoord hierop drie-voudig is, en draait rond het feit dat God slechts begon
om de boodschap van genade bekend te maken. Ten eerste, waren de
wondertekenen de geloofwaardigheden van het apostelschap (2Cor.12:12). Ten
twede, werden deze tekenen gewrocht in de eerste plaats voor de Joden, die
deze zouden erkennen als bewijs van goddelijke bevestiging (1Cor.1:22;
Hand.15:12). Ten derde, werden zij gewrocht, omdat Israels hoop op het
koninkrijk, teneinde "de heidenen tot gehoorzaamheid" te brengen
(Rom.15:18,19), officieel nog niet was ingetrokken. Dit laatste is niet in
tegenspraak met 1Cor.1:22, want daar wordt gezegd, in tegenstelling tot de
Joden die een teken begeren, dat de Grieken wijsheid zoeken. De
Grieken waren de hoogststaande intellectuele heidentypen.
Zo
ging de bediening van de apostelen in Ikonium voort, tot de hele stad
verdeeld was, gedeeltelijk zich houdende aan de ongelovige Joden, en
gedeeltelijk aan Paulus en Barnabas. Zo veroorzaakt de waarheid
verdeeldheid overal waar zij komt, en diegenen die haar door God gegeven
boodschap zouden willen vervagen, door geen scheiding te willen
veroorzaken, zijn gewoonweg ontrouw aan hun roeping. Onze tegenstander zal
er altijd op toezien dat de waarheid nimmer onweerstaanbaar wordt
gepredikt. De Here Jezus en de Apostel Paulus waren blijkbaar de grootste
"verdeling brengers" van de gehele geschiedenis. Niettemin
zullen zwakke Christenen dikwijls trouwe Godsmannen veroordelen, omdat hun
verkondiging verdeling brengt. Eigenlijk is het niet de waarheid, maar het
ongeloof in de harten van sommigen, dat verdeling brengt.
PAULUS
EN BARNABAS VLUCHTEN
OM
WILLE VAN HUN LEVENS
Het
woord vertaald met "oploop" in de meeste Bijbelvertalingen is
misleidend. Als er al een werkelijke oploop geweest zou zijn, dan is het
overbodig om te zeggen, dat "zij alles overlegd hebben".
--------
2**/voetnoot:
Eigenlijk niet een "grote menigte". In Hand.28:3 wordt het woord
pleethos, hier weergegeven met menigte, vertaald als verzameling. Het
woord zelf betekent eigenlijk niet een groot aantal. Als zelfstandig
naamwoord mag het eenvoudig betekenen, een groep of gezelschap. In dit
geval echter wordt het woord voorafgegaan door het bijwoord polu, wat
betekent groot of veeltallig, zodat de betekenis van de zin gewoon
betekent een groot gezelschap. De synagoge in Ikonium zou moeilijk
accomodatie hebben kunnen geven aan dat, wat gewoonlijk onder "een
grote menigte" wordt verstaan.
Het
woord betekent letterlijk, een ren, en betekent een wilde beweging
of een heftige ingeving. De betekenis is ongetwijfeld, dat er een hevige
beweging was van de zijde van "de heidenen en van Joden met hun
oversten, om hun smaadheid aan te doen en hen te stenigen".
De
term "smaadheid aandoen" heeft in het origineel een strikte
betekenis, kwaad en geweld aandoen. Paulus gebruikt dezelfde uitgang over
zijn vorig leven in 1Tim.1:13, waar het ook wel wordt vertaald met "geweldenaar",
en wij weten hoe hartstochtelijk hij de volgelingen van Messias had
vervolgd (Zie b.v.,Hand.8:3; 9:1,2). Toen, in Ikonium, was er een hevige
beweging en woede om Paulus en Barnabas kwaad te doen en te stenigen. Dat
de Joden hiervan de wortel waren, is te zien aan de Joodse vorm van
excecutie door te willen stenigen.
Het
was, toen Paulus en Barnabas dit alles gewaar werden, dat "zij
vluchtten naar Lystre en Derbe". Het zou dwaas geweest zijn om nu te
Ikonium te blijven, want op zijn minst zou toch hun openbare bediening tot
een einde gebracht zijn, als zij waren gebleven. Zo vluchtten zij naar
Lystre en Derbe "en daar verkondigden zij het evangelie".
Het
is treffend, te zien dat deze waarlijk grote mannen, gedwongen werden om
te vluchten voor hun leven, maar spannend en inspirerend om hen
onmiddellijk te zien prediken in een andere plaats! Die moed komt uit meer
dan zin voor plicht. Paulus zelf zegt, dat het komt door een alles
overweldigende erkenning van de liefde van Christus. "Want de
liefde van Christus dringt ons".
IN
LYSTRE
"En
een zeker man te Lystre zat onmachtig aan de voeten, kreupel zijnde van
zijner moeders lijf, die nooit had gewandeld.-"Deze hoorde Paulus
spreken; welke de ogen op hem houdende en ziende dat hij geloof had om
gezond te worden,
"Zeide
met grote stem: Sta recht op uw voeten. En hij sprong op en
wandelde.-"En de scharen ziende hetgeen Paulus gedaan had, verhieven
hun stem en zeiden in het Lycaonisch: De goden zijn den mensen gelijk
geworden en tot ons nedergekomen.-"En zij noemden Barnabas Jupiter en
Paulus Mercurius, omdat hij het woord voerde.
"En
de priester van Jupiter die voor hun stad was, als hij ossen en kransen
aan de voorpoorten gebracht had, wilde hij offeren met de scharen.
"Maar
de apostelen Barnabas en Paulus dat horende, scheurden hun klederen en
sprongen onder de schare, roepende, "En zeggende: Mannen, waarom doet
gij deze dingen? Wij zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij, en
verkondigen ulieden, dat gij u zoudt van deze ijdele dingen bekeren tot
den levenden God, Die gemaakt heeft den hemel en de aarde en de zee en al
hetgeen in dezelve is; "Welke in de verleden tijden al de heidenen
heeft laten wandelen in hun wegen; "Hoewel Hij nochtans Zichzelven
niet onbetuigd gelaten heeft, goeddoende van den hemel, ons regen en
vruchtbare tijden gevende, vervullende onze harten met spijze en
vrolijkheid.
"En
dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat zij hun niet
offerden."(Hand.14:8-18).
DE
LAMME MAN GENEZEN
Niets
wordt hier gezegd over de apostelen, dat zij te Lystra in een of andere
synagoge gingen. Ons wordt eenvoudig verteld, dat zij "vluchtten naar
Lystre en Derbe" en dat zij "daar het evangelie predikten"
(V.6,7). Ook lezen we niet van enig werk wat daar door hen onder de Joden
zou zijn gedaan. Het gebeuren is volstrekt heidens.
Er
waren klaarblijkelijk niet genoeg Joden in de stad om een synagoge te
hebben. Wij kunnen echter niet zeggen dat er geen Joden waren, want
wij zullen nu zien, dat een van de meest vooraanstaande toekomstige
helpers van Paulus hier in die tijd, werd gewonnen voor Christus.
Toen
Paulus in Lystra predikte, kon hij het niet helpen, dat hij opmerkte, dat
een van zijn toehoorders*/[iii] luisterde met bijzondere
interesse. Hij was een kreupele, die niet in staat was te wandelen, sinds
zijn geboorte. Toen Paulus met aandacht naar hem keek, werd hij overtuigd,
dat hij geloof had om te worden genezen.
Het
is niet vreemd dat hij begreep uit de woorden van Paulus, dat hij genezen
kon worden, want we herinneren ons dat Israel nog niet geheel terzijde
gesteld was, en dat de Pinkstertijd nog niet voorbij was. De apostel zal
uiteraard zijn toehoorders verteld hebben wat kortgeleden was gebeurd; hoe
Christus naar de aarde gekomen was als Israels Messias, welke wonderen Hij
had gewrocht, en hoe Hij was verworpen, zelfs nadat Hij was opgestaan uit
de doden, en vanuit Zijn verbanning in de hemel nog grotere wonderen
gewerkt heeft. En dit alles natuurlijk als voorafgaande aan zijn speciale
boodschap van redding uit genade door geloof.
Zodoende
richtte de apostel zich, overtuigd van 's mans verlangen en zijn geloof om
te worden genezen, persoonlijk tot hem, en zei met luide stem: "Sta
recht op uw voeten". En onmiddellijk sprong hij op zijn voeten en
wandelde.
DE
LYSTRIERS VERONDER-STELLEN DAT PAULUS EN BARNABAS GODEN ZIJN
Het
was een verbazend iets om iemand, die nooit een stap gelopen heeft,
plotseling op zijn voeten te zien springen, en rond te lopen. Het had
direkt effekt op de Lystriers.
Toen
zij zagen wat was gebeurd "verhieven zij hun stemmen... in het
Lycaonisch". Hoewel zij Paulus blijkbaar hadden verstaan in de
Griekse taal, deden zij nu wat heel natuurlijk is wanneer de spanning hoog
oplaait: zij verhieven hun stemmen, en keerden terug naar het gebruik van
hun eigen spraak.
Het
volk van Lystre waren geen afgodendienaars van het Griekse culturele type.
Zij waren ruwe, ongekunstelde, barbaren. Het wonderlijk herstel van de
lamme man had hen overtuigd, dat bovennatuurlijke kracht aan het werk was.
Zij kenden niet de ene ware God, Die zich gemanifesteerd had in het vlees
om hen te redden. In hun heidense blindheid veronderstelden zij eerder,
dat Paulus en Barnabas goden waren, tot hen neergekomen in de
gelijkenis van mensen. Dit was het ook wat zij uitriepen tot elkaar
"in het Lycaonisch", toen zij Barnabas Jupiter noemden,
de beweerde vader der goden en der mensen**/[iv],
en Paulus Mercurius, de beweerde boodschapper van de goden, omdat
hij de Woordvoerder was.
Het
is duidelijk uit de verzen 14,15, dat Paulus en Barnabas niet begrepen wat
de Lystriërs zeiden. Hadden zij hen verstaan, dan hadden zij natuurlijk
onmiddellijk bezwaar gemaakt, en zou de offering uit v.13 wellicht zijn
voorkomen. Zoals het was, waren de apostelen klaarblijkelijk zeer
verbaasd, toen de Lystriers trachtten hen offers te brengen.
DE
POGING OM TE OFFEREN AAN
DE APOSTELEN
Men
zou uit het verslag op kunnen maken, dat Paulus en Barnabas zich nu van de
menigte hadden losgemaakt naar hun verblijfplaats, of naar een of andere
meer teruggetrokken plaats, of wellicht, dat de menigte zich enigszins van
hen had teruggetrokken. In elk geval brachten de priesters van Jupiter,
wiens afbeelding of tempel zich aan de ingang van de stad bevond*/[v],
nu ossen en kransen naar de poorten, en waren op weg om met het volk
offers te gaan brengen.
Omdat
het verslag spreekt van "ossen en kransen", in het meervoud,
nemen wij aan dat er op zijn minst twee waren, zodat offers konden worden
gebracht aan beide, Jupiter en Mercurius. Ook is het niet vreemd dat de
priester van Jupiter deze offers zou brengen, omdat Jupiter, in hun
ogen, de hoogste plaats innam. Of de "voorpoorten"
waarnaar verwezen wordt, die waren van de verblijven van de apostelen
(Cf.Hand.10:17), of dat het de poorten van de stad waren, of van een
tempel die aan Jupiter gewijd was, is moeilijk met zekerheid aan te
wijzen. Maar omdat we lezen dat "Jupiter...voor hun stad was",
mogen we aannemen dat de stadspoorten worden bedoeld, en dat de offers nu
zouden worden gebracht aan de toegang tot de stad, waar het beeld van
Jupiter stond.
Dat
de apostelen hun afschuw uitten bij de gedachte dat zij als goden zouden
worden aangebeden - en zo de plaats van God innemen - wordt gezien in het
verslag van wat zij deden en zeiden nadat zij begrepen, hetgeen plaats zou
gaan vinden. "Zij
scheurden hun klederen" - "sprongen onder de scharen" -
"roepende" - "Waarom doet gij deze dingen?" -
"bekeren van deze ijdele dingen".
----
4/voetnoot:
Wellicht omdat hij de oudere was, en waardiger in zijn verschijning.
5/voetnoot:
De "hij" in vers 13 slaat op Jupiter, niet op de priester.
Hier
zien we bijvoorbeeld, dat onze gezegende Here waarlijk God was, gekomen in
het vlees, want Hij nam de aanbidding van mensen vrijelijk aan. Paulus en
Barnabas echter wederstaan natuurlijk aanbidding, al protesterende: "Wij
zijn ook mensen van gelijke bewegingen als gij."
Onder
degene die het verschillend karakter van Paulus' bediening zijn gaan
inzien, en tot verblijding gekomen zijn in de boodschap die hij
verkondigde, zijn er sommigen die tot uitersten gegaan zijn,
veronderstellend dat hij na zijn bekering praktisch volmaakt was; dat hij
niets meer verkeerd deed. Dezen zouden op zijn minst zijn eigen getuigenis
dienen aan te nemen, zoals dit is weergegeven in deze passage en zijn
geinspireerde belijdenis in Rom.7:18,19:
"Want ik weet, dat in mij, dat is in mijn vlees, geen goed
woont...Want het goede, dat ik wil, doe ik niet, maar het kwade, dat ik
niet wil, dat doe ik."**/[vi]
Voor
deze heidense afgodendienaars, er op uit hem en Barnabas te aanbidden,
haalde de apostel niet passages uit de wet en de profeten aan. Hij doet
eenvoudig beroep op hen om "te bekeren van deze ijdele dingen tot de
levende God", de Schepper en Onderhouder van alles. Hun goden
waren zuiver afgoden - en erger: achter hen stonden de boze geesten, die
de aanbidding koesterden, die de bijgelovige heidenen hun kwistig
brachten.***/[vii]
"In
de verleden tijd" zegt de apostel,*/[viii]
heeft de ware God, "al de heidenen laten wandelen in hun
wegen" (V.16). Het woord heidenen (Gr. Ethnos)
wordt hier gewoonlijk vertaald als heidenen, apart van Joden, en slaat op
de volkeren buiten verbondsrelatie met God: alle volken uitgezonderd
Israel. Dit sluit zeker Israel hier niet in, want aan hun werd
de Wet gegeven, en bevolen om in Gods wegen te wandelen. Het waren de
heidenen die, sinds Babel, overgegeven waren aan een verwerpelijk denken,
omdat "zij God niet in erkentenis wilden houden" (Rom.1:28).
Maar
dit was "in de verleden tijd", zegt de apostel. "Nu doen
wij een beroep op u om te bekeren van deze ijdelheden tot God". Zou
er een nog sterker getuigenis bestaan van het feit, dat God weer was
begonnen onder de heidenen te werken? (Cf.Hand.17:30). Inderdaad was God
onderwijl door schepping doorgegaan om getuigenis te geven aan de heidenen
van "Zijn eeuwige kracht en Goddelijkheid", hen verzorgende, en
hun harten vervullende met spijze en vrolijkheid**/[ix], zodat zij "zonder
excuus" zouden zijn wegens het toegeven aan "deze
ijdelheden" (Vers 16,17; cf.Rom.1:19,20) en zonder uitstel nu tot God
zouden keren (Cf.1Thess.1:9).
"En dit zeggende, wederhielden zij nauwelijks de scharen, dat
zij hun niet offerden" (V.18).
Men
zou veronderstellen dat deze mensen nu achterbleven met een diep gevoel
van dankbaarheid tot de apostelen, of tenminste respekt voor hen. Maar de
menselijke natuur is wispelturig en verraderlijk.
PAULUS
GESTENIGD
"Maar
daarover kwamen Joden van Antiochië en Ikonium, en overreedden de
scharen, en stenigden Paulus, en sleepten hem de stad uit, menende dat hij
dood was. "Doch als hem de discipelen omringd hadden, stond hij op en
kwam in de stad; en des anderen daags ging hij met Barnabas uit naar Derbe."
- (Hand.14:19,20).
Hoe
wispelturig is de menselijke natuur! Toen onze Here Jeruzalem binnenkwam
op de rug van een ezel, riepen de mensen in koren: "Gezegend is
Hij!" Enige dagen later schreeuwden zij "Weg met Hem!".
Het was hier in Lystre weinig anders.
Maar
zonder Paulus' eigen protesten, zouden de mensen van Lystre hem en
Barnabas als goden hebben aanbeden. Nu was alles ineens veranderd.
-------
6**/voetnoot:
Anderen hebben aangevoerd dat wij dienen "uit te gaan vanuit Rom.7 in
Rom.8", en "het over-winningsleven" leven. Doch wij moeten
ons herinneren, dat Rom.7 en 8 geschreven werden in dezelfde doorgaande
zetting - oorspronkelijk niet verdeeld in hoofdstukken.
7***/voetnoot:
Ps.82 is gericht tot deze boze geesten. Eph.2:2 en 6:12 verwijzen ook
hiernaar.
8**/voetnoot:
Wij nemen het zo, dat de hier gebruikte woorden, die van Paulus zijn,
omdat hij ook, net als elders, de "woordvoerder" was.
9***/voetnoot:
Dit mooie spraakbeeld beschrijft het gevoel van welzijn, dat het gevolg is
van goed doorvoed te zijn. En in een merkwaardige combinatie van takt en
overredingskracht verbindt hij zichzelf en Barnabas hierin met hen.
"Onze harten vullende", zo zegt hij, "met spijze en
vrolijkheid". Dit zou uiterst bekwaam zijn om hen te winnen, en
tegelijkertijd hen afhouden van hem en Barnabas te aanbidden.
Joden
uit Pisidisch Antiochië, in hun verbitterdheid tegen Paulus en zijn
boodschap, hadden hem achtervolgd tot Lystra. Daar brachten zij een heel
andere interpretatie van het wonder door Paulus, dan de Lystriërs hadden
gedaan. En omdat zij evenals Paulus, Joden waren, waren zij in staat de
Lystriërs te "overtuigen", dat de apostel Paulus een slecht
iemand was - zo slecht, dat hij zonder uitstel ter dood gebracht moest
worden.
De
manier waarop de apostel werd aangevallen is onze aandacht waard. Stenigen
was een Joodse vorm van hoogste strafmaat (Lev.20:2, etc.).
Inderdaad waren Paulus en Barnabas onlangs gevlucht uit Ikonium, omdat de
Joden de heidenen hadden opgezweept, en van plan waren hen te stenigen
(Hand.14:2,5). Nu, in Lystra, hadden zij volvoerd wat hun in Ikonium niet
gelukt was - altans aan Paulus.
Met
nauwelijks een uitzondering, werden de vervolgingen van Paulus door
heidenen, opgestookt door de Joden. In ieder geval waren zij het die de
heidenen opstookten, en "overreedden" (V.19) om Paulus te
weerstaan. Daarom schrijft Paulus in 1Thess.2:15,16, met betrekking tot de
Joden:
"Welke
ook gedood hebben den Here Jezus en hun eigen profeten, en ons hebben
vervolgd, en Gode niet behagen, en allen mensen tegen zijn,
"En
verhinderen ons te spreken tot de heidenen, dat zij zalig mochten worden;
opdat zij allen tijd hun zonden vervullen zouden. En de toorn is over hen
gekomen tot het einde."
Deze
verklaring door Paulus, in een van zijn eerste brieven, draagt getuigenis
van het feit, dat Israel reeds de grote crisis in haar geschiedenis was
gepasseerd, en dat Paulus niet, zoals sommigen beweren, het koninkrijk
aanbiedt gedurende het eerste gedeelte van zijn bediening. Samen met het
getuigenis in Handelingen geeft het verder aan, dat Handelingen, in de
eerste plaats, de geschiedenis is van de val van het volk van Israel, en
van Gods reden om redding te zenden tot de heidenen, los van Zijn
uitverkoren volk en niet, zoals sommigen voorstaan, de geschiedenis
van "de geboorte en de groei" van de Kerk van de huidige
bedeling.
Dat
de Joden zo de heidenen konden overhalen om hun meningen zo plotseling te
veranderen, en iemand te stenigen dien zij de vorige dag hadden aanbeden,
is een toonbeeld van de slechtheid van de menselijke natuur, en van de
bijgelovige aard van religieuse opwinding.
Na
Paulus gestenigd te hebben, vernederden de mensen hem nog verder, door
hem, geslagen en bloedend, buiten de stad te "slepen", en hem
daar voor dood te laten liggen (V.19).
WERD
PAULUS ECHT TEN DODE GESTENIGD?
Klaarblijkelijk
was de steniging van de apostel te Lystre de enige ervaring van die aard,
die hij ooit verduurde, want kort voordat hij voor de laatste maal naar
Jeruzalem ging, schreef hij aan de Corinthiërs: "Eens ben ik
gestenigd" (2Cor.11:25). Er is heel wat gedebatteerd onder
commentators over Paulus, of hij niet of wel werd gedood bij deze
gebeurtenis, en toen op wonderlijke wijze uit de dood werd opgewekt.
Zij
die geloven dat Paulus werkelijk ter dood werd gestenigd en daarna
weer werd opgewekt, brengen onder andere de volgende argumenten naar
voren:
1.De
mensen bedoelden Paulus ter dood te brengen, omdat steniging een
vorm van excecutie was.
2.Het
woord, weergegeven als "menende" in vers 19, stamt van het
Griekse nomizo, dat tedoen heeft met het intellect, niet met de
verbeelding. Zoals gebruikt in het Nieuwe Testament, betekent het, het
ervoor houden of, uit gewoonte, aannemen, of uit de gebeurtenis
concluderen, maar nimmer verbeelden.
3.Het
plotselinge waarmee Paulus opstonden weer in de stad kwam, schijnt te
wijzen op een wonder.
4.In
2Cor.12:1-5 verhaalt de apostel, hoehij opgenomen was in de
derde hemel, in een ervaring die had plaats gevonden, ongeveer
"veertien jaren tevoren" - juist in de tijd dat hij Lystre had
bezocht. Wat betreft deze ervaring zegt hij: "of het geschied is
in het lichaam, weet ik niet, God weet het" (2Cor.12:3).
Omdat
wij vanuit de leer niet instemmen, dat Paulus niet bij deze
gebeurtenis stierf, zijn we toch niet overtuigd dat een enkele van de
bovenstaande argumenten bewijzen, dat hij dit wel was.
Het
is ongetwijfeld waar, dat Paulus' vervolgers meenden hem ter dood
te brengen, en dachten dat zij hun doel hadden bereikt, maar dit
bewijst nog niet, dat het hun gelukt was. Ook is de abruptheid
waarmee hij opstond en wandelde, niet zonodig een aanwijzing dat hij werd
opgewekt uit de doden. Hij kan alleen verdoofd zijn geweest,
bewusteloos geworden, door de stenen die naar hem werden gegooid, en dan
plotseling zijn bewustzijn hebben herkregen. Vele prijsvechters van onze
tijd zijn voor tamelijk lange tijd "knock out", en "komen
dan weer terug", staan op, en lopen even direkt, als Paulus in dit
geval gedaan heeft.
Paulus'
woorden in 2Cor.12, als zij naar deze gebeurtenis verwijzen, zoals wij
geneigd zijn aan te nemen, zouden ons eerder ervan afhouden om tot enige
definitieve conclusie te komen in deze zaak, want hij zegt, door de
Geest, "of het geschied is in het lichaam, weet ik niet, of buiten
het lichaam, weet ik niet".
Maar
laat ons terugkeren tot onze geschiedenis. Welke emoties moeten de harten
gevuld hebben van de discipelen die het lichaam van hun geliefde apostel
"omringden", met gebroken harten, en zich afvragend wat te doen!
Toch was hun aanwezigheid daar, het bewijs dat zijn bediening niet
vergeefs was geweest. Hier was reeds een begin van een kerk, en een
flinke, want zij hadden het offer van zijn eigen leven van de apostel
gezien, voor hen en voor de waarheid. Er is inderdaad, van hun kant,
niet weinig moed voor nodig, om op deze manier te blijven staan rond het
schijnbaar levenloze lichaam van iemand, die zo door zijn vervolgers werd
gehaat. En Paulus' eigen moed wordt verder gezien in het feit, dat hij
direct na zijn opstaan, terug ging in de stad waar hij was gestenigd.
Klaarblijkelijk greep hij de gelegenheid aan, om zijn vervolgers te laten
weten, dat God met hem was, of zij wellicht zich toch nog tot Christus
mochten keren.
Het
lijden van de apostel in deze streken stond hem later voor ogen, toen hij
schreef over de "vervolgingen" en "verdrukkingen,
die hem overkwamen in Antiochië, in Ikonium, te Lystra; welke
vervolgingen ik moest verduren", maar dit lijden was niet
tevergeefs geweest. Er was daar deze keer een uitnemende persoonlijkheid
voor Christus gewonnen, die meer voor hem zou betekenen als compagnon in
het werk, dan Barnabas ooit was. Paulus richtte de bovenstaande woorden
over zijn vervolgingen en verdrukkingen tot iemand aan wie dit volledig
bekend was (2Tim.3:10,11). Deze was niemand anders dan Timotheus, zijn
geliefde zoon in het geloof, verkregen tijdens zijn werken en vervolgingen
te Lystre (Zie Hand.14:21; 16:1-3 en cf. 1Tim.1:2; 2Tim.3:10,11).
Als
de ervaring, waarnaar wordt verwezen in 2Cor.12:1-5, in die tijd plaats
vond, zoals wij geneigd zijn te geloven, was er nog meer om de apostel te
bemoedigen en te inspireren, want toen zijn lichaam geslagen en bloedend
neerlag, omgeven door treurende discipelen, zweefde zijn ziel hemelwaarts.
Hij werd "opgenomen in de derde hemel", om de glorie te zien
van de positie van de leden van het Lichaam van Christus, en dingen te
horen, zo ver boven menselijk verstand, dat het hem niet toegestaan was,
deze naar voren te brengen. Deze ervaring was inderdaad zo glorieus, dat
maatregelen moesten genomen worden, om zijn bruikbaarheid op aarde als
dienaar van Christus, niet te hinderen. Met het oog hierop zegt de
apostel:
"En
opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo
is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des
satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen.
"Hierover heb ik den Here driemaal gebeden, opdat hij van mij zou
wijken. "En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want
Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen
in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone."
(2Cor.12:7-9).
Wat
een demonstratie van Gods genade hebben we in deze passage die we hier
hebben beschouwd! De Lystriërs sleepten hem, die gezonden werd om redding
te brengen, naar buiten de stad, lieten hem voor dood liggen, maar hij
stond weer op, en ging verder met de verkondiging van het goede nieuws van
Gods genade.
De
volgende dag, na teruggekeerd te zijn naar Lystre, vertrok de apostel met
Barnabas naar Derbe. Hier predikten zij klaarblijkelijk ongehinderd en
maakten veel discipelen. Dit
brengt ons tot de geografische grens van Paulus' eerste apostelreis.
DE
APOSTELEN GAAN OPNIEUW LANGS HUN EERDERE ONTMOETINGEN
"En
als zij derzelve stad het Evangelie verkondigd en vele discipelen gemaakt
hadden, keerden zij weder naar Lystre en Ikonium, en Antiochië,
"Versterkende de zielen der discipelen, en vermanende, dat zij zouden
blijven in het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen moeten ingaan in
h et Koninkrijk Gods. "En als zij hun in elke gemeente, met opsteken
der handen, ouderlingen verkoren hadden, gebeden hebbende met vasten,
bevalen zij den Here, in Welken zij geloofd hadden. "En Pisidië
doorgereisd hebbende, kwamen zij in Pamfylië. "En als zij te Perge
het Woord gesproken hadden, kwamen zij af naar Attalië. "En vandaar
scheepten zij af naar Antiochië, vanwaar zij der genade Gods bevolen
waren geweest tot het werk, dat zij volbracht hadden. "En daar
aangekomen zijnde en de gemeente vergaderd hebbende, verhaalden zij wat
grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den heidenen de deur des
geloofs geopend had.
"En zij verkeerden aldaar geen kleinen tijd met de
discipelen." -
(Hand.14:21-28).
De
Apostel Paulus was niet tevreden, zoals vele moderne evangelisten, met
"beslissingen voor Christus". Als hij mensen voor Christus
gewonnen had, droeg hij hen dagelijks op het hart, bad voor hen, schreef
ze of bezocht ze weer, indien mogelijk, opdat zij zouden worden bevestigd
in het geloof.
Zo
was het dat Paulus en Barnabas besloten op hun reizen terug te keren naar
Antiochië in Syrië langs dezelfde route als zij naar Derbe gekomen
waren. Toen zij in Derbe gekomen waren via Pisidisch Antiochië, Ikonium,
en Lystre, geteisterd door tegenstand en vervolging langs de gehele weg,
zo begonnen zij nu de weg terug van Derbe over Lystre, Ikonium en Antiochië,
waarbij zij de zielen van de discipelen versterkten, en hen vermaanden te
blijven in het geloof. Zij verklaarden hen, dat "wij door veel
verdrukkingen moeten ingaan in het koninkrijk" (V.22).
Dit
"moeten" wijst niet op een dwingende noodzakelijkheid, alsof
niemand gered kan worden zonder te lijden, maar eerder wijst dit erop, dat
het vanzelfsprekend is, omdat de wereld is zoals zij is, en gelovigen
moeten lijden als zij verder binnengaan in het koninkrijk van God. Zij
moeten niet verwachten, dat het anders zal zijn (Zie 2Tim.3:12; Rom.8:17).
Inderdaad laat God deze dingen toe om Zijn kinderen afgescheiden van de
wereld, en dicht bij Zich te houden.
Maar
Paulus en Barnabas deden meer dan eenvoudigweg de gelovigen in deze steden
te bemoedigen in geloof door te gaan. Zij namen stappen om georganiseerde
samenkomsten in elke plaats te vestigen. In het licht van Paulus' karakter
en zijn brieven is het ondenkbaar, dat hij rondging en arbitrair oudsten
voor deze vergaderingen van gelovigen aanwees, of dat hij later van
Timotheus of Titus verwachtte dit te doen (Tit.1:5). De vele kwalificaties
die oudsten en opzieners moesten bezitten, konden uiteraard alleen
volledig worden erkend door hen, waaronder zij leefden. Juist het feit,
dat deze leiders in het werk, "goed bekend staande" mannen
moesten zijn, wijst erop dat Paulus, in gevallen als deze, bij zulke
selecties slechts presideerde. Inderdaad leert ons ook gezond verstand,
dat geen leider zijn functie behoorlijk kan vervullen, die zich niet
verheugt in het respect en de ruggesteun van hen, waarover hij geplaatst
is. Paulus zelf, hoewel benoemd door God, werd nietemin deze ruggesteun
gegeven (Zie 13:2-4).
Dit
is een les die menig pastor nodig moet leren, opdat hij niet bij zijn
arbitraire beslissingen en activiteiten, faalt om de hartelijke
medewerking van de oudsten en leden van zijn gemeentegroep te winnen.
Maar
deze maatregelen om georganiseerde vergaderingen te vestigen waren, hoewel
noodzakelijk, niet genoeg. Toen de apostelen waren begonnen de zielen van
de gelovigen te versterken, en ze te vermanen om standvastig in het geloof
te blijven, gingen zij niet eerder weg dan nadat zij hen, onder bidden en
vasten, hadden opgedragen aan de Here, in Wien zij geloofd hadden (V.23).
Hun
terugreis voortzettend, kwamen Paulus en Barnabas door Pisidië en Pamfilië
naar Attalia, een zeehaven. Voordat zij echter vandaar wegvoeren,
"predikten zij het Woord in Perge", niet ver daar vandaan. Dit
was de stad, waar Johannes Markus 'hen had verlaten", "naar
Jeruzalem was teruggekeerd", gedurende het eerste gedeelte van hun
reis. Het is mogelijk, dat als gevolg van de omstandigheden die te maken
hadden met het vertrek van Johannes, zij het evangelie daar destijds niet
gepredikt hadden, en zich gedrongen voelden, het nu te doen.
Uiteindelijk
keerden de apostelen, nadat zij een schip genomen hadden, terug naar
Antiochië in Syrië, "vanwaar zij waren opgedragen aan Gods genade
voor de taak, die zij hadden vervuld".
Wat
een hereniging zullen zij daar gehad hebben met de gemeente daar, toen zij
"verhaalden wat grote dingen God met hen gedaan had, en dat Hij den
heidenen de deur des geloofs geopend had!" (V.27). En opnieuw
verbleven zij een "lange tijd"*/[x]
met de gelovigen in Antiochië (V.28, cf.11:26).
Merk
op, dat Antiochië, niet Jeruzalem, de basis van hun operaties was. De
terugkeer van Paulus en Barnabas naar Antiochië, en hun twede lange
verblijf daar, geven temeer aanwijzing, dat hier een werk gedaan werd,
gescheiden en apart van dat wat onze Here had opgedragen aan de elven, na
Zijn opstanding, hetgeen haar hoofdkwartier in Jeruzalem had.
Dat
Paulus' opdracht om naar de heidenen te gaan, reeds de zogenaamde
"grote opdracht" begon te achterhalen, en dat God nu de deur des
geloofs voor de heidenen opende, ondanks het feit dat Israel deze voor hen
gesloten hield - ging inderdaad niet vanzelf.
_______
*voetnoot:
Bijbel-chronologen schatten de duur van de tijd tussen twee en zes jaren.
[iii].*/voetnoot: Vanuit de zin van het
woord "horen", klaarblijkelijk een gewone bezoeker van
Paulus' samenkomsten.
|