De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXII  -  H A N D. 13 : 14-52

TE ANTIOCHIE IN PISIDIE IN DE SYNAGOGE IN PISIDISCH ANTIOCHIE

    

"En zij van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in Pisidië, en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten zij neder.  "En na het lezen der Wet en der Profeten zonden de oversten der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt". - (Hand.13:14,15)

Na het vertrek van Johannes Markus, reisden Paulus en Barnabas verder naar Antiochië in Pisidië, een stad ver ten noordwesten van Antiochië in Syrië, van waaruit zij tevoren waren uitgezonden. Het Pisidische Antiochië was gelegen in wat nu genoemd wordt Klein Azië, tegenover de noordoostelijke hoek van de Middellandse Zee vanuit het andere Antiochië. In deze stad zouden Paulus en Barnabas worden gebruikt door God voor de redding van een menigte mensen, voornamelijk heidenen, maar zij moesten ook de woede van de ongelovige Joden daar trotseren, en ten laatste uit de regio worden gedreven.

Toen zij de Joodse synagoge*/[i] gevonden hadden, gingen zij op de Sabbatdag daarheen, en zetten zich neer. Of zij hun zitplaats innamen op een speciale plaats, gereserveerd voor enkelen die wilden spreken als genodigden, of dat zij werden erkend als rabbijnen door hun kleding of houding, of omdat zij reeds enigszins bekend waren, omdat zij vóór de sabbat in de stad arriveerden - wat ook de reden was, zij werden uitgenodigd door de bestuurders van de synagoge om het volk toe te spreken.*/[ii]

Laten we echter zorgvuldig de omstandigheden beschouwen, en opmerken wat van hen verwacht werd, als zij de uitnodiging tot spreken zouden aanvaarden.

Het was "na het lezen van de wet en de profeten", dat de bestuurders van de synagoge zich tot hen richtten met de vraag of zij een woord ter "vertroosting" voor het volk hadden. Dit feit is heel belangrijk tot het verstaan van de boodschap die Paulus in antwoord hierop bracht.

Veel mensen denken, dat profeten alleen zij zijn, die dingen voorspellen die zullen geschieden. Zoals we echter al hebben aangetoond, waren de profeten gewoon Gods spreekbuizen. Zij voorzegden niet alleen toekomstige gebeur-tenissen; zij wekten op en bemoedigden het volk eveneens. Overigens gingen wet en profeten goed samen bij het lezen van de Schriften in elke Joodse synagoge, en elke spreker werd na een lezing verwacht de profetische Geschriften te gebruiken, om het volk te bemoedigen, wat betreft het gehoorzaam zijn aan de wet.

Paulus had een "woord van vertroosting" voor hen vanuit "de wet en de profeten", ofschoon wat hij zou zeggen over de wet, en hoe hij de profetische Geschriften gebruikte om hen te vertroosten met het oog daarop, hen ongetwijfeld niet weinig zou verrassen.

PAULUS' TOESPRAAK ISRAELS GESCHIEDENIS IN HERINNERING GEBRACHT 

"En Paulus stond op en wenkte met de hand en zeide: Gij Israelietische mannen en gij die God vreest, hoort toe.

---------

*/voetnoot: Het woord synagoge vindt men 26 malen in de Handelingen, maar niet eenmaal in de brieven van Paulus, ook ondanks dat zes van zijn brieven geschreven werden gedurende de Handelingenperiode. Dit stemt overeen met het feit, dat Handelingen in de eerste plaats de geschiedenis is van de afval van Israel, terwijl de brieven van Paulus de leer en praktijk bevatten van het Lichaam van Christus.

_________

**/voetnoot: Het feit, dat de bestuurders de uitnodiging aan hen "zonden", wijst op een audientie van tamelijk belang.

"De God van dit volk Israel heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk verhoogd als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft hen met een hogen arm daaruit geleid;  "En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden  verdragen in de woestijn;  "En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän, heeft hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.   "En daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij hun richters, tot op Samuel den profeet. "En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig jaren.   "En dzen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden David, den zoon van Isaï, een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal doen. "Van het zaad dezes heeft God Israel, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus." (Hand.13:16-23). Het was een typisch Joodse synagoge waarin Paulus nu opstond om te spreken. Gebarend met zijn handen, moest de apostel om orde roepen, en de aanwezigen vragen om "toe te horen". Vanaf het begin, is het interessant om dit eerste verslag van Paulus' toespraak, te vergelijken met het verslag van de eerste toespraak van Petrus op Pinksterdag. Paulus' preek bevatte veel wat Petrus had gezegd met Pinksteren, maar de aanwijzing en de conclusies waren in geen geval dezelfde.

Om te beginnen, had Petrus zich tot zijn toehoorders gericht met: "Gij Joodse mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont" (Hand.2:14), en had zijn toespraak geeindigd met de woorden: "ZO WETE DAN ZEKERLIJK HET GANSE HUIS ISRAELS..." (Hand.2:36). Hij handelde duidelijk met Israel als een natie, in Jeruzalem, de zetel van hun regering. Paulus kon zijn toehoorders niet zo aanspreken. Inderdaad was de Here Zelf aan hem verschenen, toen hij na zijn bekering, eerst terugkeerde naar Jeruzalem, om hem te zeggen:  "Spoed u, en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw getuigenis van Mij niet aannemen (Hand.22:18).

Omdat sommigen verkeerd veronderstellen dat Israels verwachtingen op het koninkrijk, aan het kruis terzijde gesteld werden, en dat de Kerk vandaag, het Lichaam van Christus, begon met Pinksteren, veronderstellen anderen, dat Paulus, evenals Petrus gedurende zijn bediening in Handelingen, aan Israel het koninkrijk aanbood. Dit is eveneens een fout, want nergens is er enig verslag over zo'n aanbod door Paulus, ofschoon hij wel het feit bevestigde, dat Christus Israels gerechtigde Koning was. Paulus kon Israel het koninkrijk niet aanbieden, want hem was bevolen uit Israels hoofdstad te vertrekken. Hoe konden de Joden in een synagoge, ver buiten Palestina en Jeruzalem, "het huis van Israel" vertegenwoordigen? Hoe kon hij hun de vestiging van Messias' koninkrijk aanbieden? Wat moest zo'n aanbod betekenen, terwijl Jeruzalem en Israels regering vasthielden aan de afwijzing van Christus? Kon Christus tot een andere stad komen, om vandaar uit te regeren?

De apostel richt zich dan ook gewoon tot zijn toehoorders met: "Gij Israelietische mannen en gij die God vreest". Maar het latere deel van zijn groet kenschetst nog meer Paulus' bediening, dan het voorgaande, want de uitdrukking "gij die God vreest", zoals gebruikt, samen met de uitdrukking "Israelietische mannen, (Mannen van Israel)", verwijst niet naar Joden, maar eveneens naar heidenen die, evenals Cornelius, geen proselieten van het Judaisme door besnijdenis geworden waren, maar die zich tot de Joden voegden, door erkenning dat Israels God de ware God is (Zie Hand.10:1,2). Buiten de Schriften worden dezen veelal "proselieten van de poort (voorhof)" genoemd, maar dat zij heidenen waren, geen Joden, wordt uitvoerig bevestigd, niet alleen door een vergelijking met de zaak van Cornelius, maar ook door het gebruik van de term en ermee verbonden verklaringen hier in Hand. 13 (Zie V.16,26 en cf. V.42,44,45). Zó predikte Petrus  niet tot de heidenen (Zie Hand.10:28).

De apostel begint zijn boodschap met aan te tonen, dat in de hele geschiedenis van de kinderen Israels, God onfeilbaar met en voor hen had gewerkt.

HIJ had hun vaderen uitverkoren (V.17)

HIJ had het volk verhoogd toen zij als vreemdelingen in Egypte verbleven (V.17).

HIJ had hen uit Egypte geleid "met een hogen" of opgeheven, arm (V.17).

HIJ had hen verzorgd tijdens hun zwerven en murmureren*/[iii]  in de woestijn.

HIJ had hun zeven vijanden in Kanaän vernietigd (V.19; cf.Deut.7:1).

HIJ had het land Kanaän onder hen verdeeld (V.19)

HIJ had hun richters (V.20) gegeven, en toen dit hun niet bevredigde,had

HIJ hun een koning gegeven naar hun eigen hart (V.21), en toen die koning faalde, had

HIJ deze weggedaan (V.22) en

HIJ had hun een koning gegeven naar Zijn eigen hart (V.22).

En nu had God, Die in Zijn trouw, dit alles voor hun had gedaan, "hun de Zaligmaker Jezus verwekt" (V.23)

Maar in scherp contrast tot de niet aflatende trouw van God, brengt de boodschap van de apostel, de trouweloosheid van Zijn volk naar voren.

Hoe onwaardig van het uitverkoren volk, zo heerlijk bevrijd, zo wonderlijk bewaard en gezegend, om Gods goedheid zo te beantwoorden! Gedurende veertig jaren twijfelden zij, murmureerden en klaagden, al haastig verklarend, dat zij liever in Egypte gebleven waren! Veertig jaren beproefden zij het geduld van Mozes - en van God. Deze periode van Israels geschiedenis wordt genoemd "de dag van verzoeking in de woestijn": "Alwaar MIJ uw vaders verzocht hebben; zij hebben MIJ beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang" (Hebr.3:8,9). En aangaande deze generatie in Israel had God gezegd: "Daarom was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend" (Hebr.3:10).

Wat betreft de tijden van de richters, zou alleen al het noemen ervan door Paulus, zijn Joodse toehoorders, net als dit ons doet, herinneren aan een uitdrukking, die herhaalde malen in het verslag van die tijd gevonden wordt: "En de kinderen van Israel deden wat kwaad was in de ogen des Heren". Paulus' toehoorders kenden heel goed het voorbeeld uit Israels historie onder de richters zoals, afval, heilige gehoorzaamheid, roepen om bevrijding, en Gods genadige tussenkomst, in voortdurende herhaling.

Tenslotte, zegt de apostel: "zij verlangden een koning" (V.21). Dit was uiteraard Israels afwijzing van de theocratie. Hierover zei God: "zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal zijn" (1Sam.8:7). Maar God gaf hun een koning, de koning die zij wilden, totdat hij zo triest gefaald had, dat God hem weg moest doen. Toen was het, dat God David verwekte als redder voor Israel, en degene uit wiens koninklijke afstamming de Redder zou opstaan. En zo komt de apostel tot het punt:

"Van het zaad dezes heeft God Israel, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker Jezus" (V.23).

Maar accepteerde Israel deze Redder-Koning? Neen. De monarchie was begonnen met de roep: "Geef ons een koning!" (1Sam.8:5), en was geeindigd met de roep: "We hebben geen koning dan den keizer!" (Joh.19:15). De vraag naar een koning was geeindigd in het verraad en de kruisiging van de koning, de lang-beloofde Messias. Deze grootste van alle zonden van Israel, begint de apostel nu aan de harten te leggen van zijn toehoorders, samen met het feit, dat God hen niet in de steek had gelaten, dat Christus nog steeds bereid was om hun Redder te zijn, als zij Hem wilden aannemen.

GODS OVERHEERSENDE GENADE VERKONDIGD 

"Als Johannes eerst al den volke Israels voor Zijn aankomst gepredikt had den doop der bekering. "Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent gijlieden dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden. "Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.  "Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;

_________

*/voetnoot: De Statenvertaling geeft hier niet de schoonheid van het origineel weer. Een toespeling hierop is duidelijk Deutr.1:31.  

 

"En geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij zou gedood worden. "En als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven was, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf. "Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;   "Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen zijn bij het volk.  "En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft; "Gelijk ook in den tweden psalm geschreven staat: Gij zijt Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.   "En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;  "Waarom Hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw Heilige niet overgeven om verderving te zien. "Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had, is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd, en heeft wel verderving gezien;  "Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving gezien." - (Hand.13:24-37).

DE BEDIENING VAN JOHANNES DE DOPER BESPROKEN

Met betrekking tot Christus, herinnert de apostel eerst aan het feit dat Johannes de Doper, Zijn voorloper, de doop der bekering had gepredikt aan geheel het volk Israel. De samenstelling van de zin is hier belangrijk. Veel predikers die de waterdoop voor tans vasthouden, zeggen verontschuldigend: Wij prediken het dopen niet. Als Paulus, prediken wij Christus, en Hem gekruisigd." Alleen diegenen moeten zich minstens herinneren, dat Johannes "de Doper", dopen predikte - de doop der bekering tot vergeving van zonde". Dit is duidelijk gesteld, niet alleen in Paulus' prediking hier, maar ook in zulke passages als de volgende:

"Johannes was...predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden" (Mark.1:4).

"En hij kwam...predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden (Luk.3:3).

"...den doop die Johannes predikte" (Hand.10:37

Ook kwamen de toehoorders van Johannes niet tot zijn doop met het gevoel van vreugde in de harten, zoals velen die vandaag komen om gedoopt te worden, in de veronderstelling, voor de wereld te symboliseren, dat zij nu zijn begraven en weer opgestaan met Christus. Vroeger kwamen zij, bleek en geschokt tot bekentenis van hun zonden, en tot de vraag om reiniging, betekend door dopen. Zij kwamen tot een "doop van BEROUW ter VERGEVING VAN ZONDEN" (Mark.1:4), en "werden door hem gedoopt in de Jordaan, BELIJDENDE HUN ZONDEN" (Matt.3:6).*/[iv]

Maar de apostel, in zijn toespraak hier, legt nadruk op het feit dat Johannes' bediening slechts een inleiding was tot Christus. Johannes, hoewel zeer populair voor een tijd, was niet de Christus, zoals sommigen verwachtten. Hij riep slechts het volk van Israel op tot bekering, dat zij klaar zouden zijn, om Christus te ontvangen.

ZALIGHEID WORDT NOG STEEDS AANGEBODEN

Zoals we weten verwierp Israel als volk de boodschap van Johannes, hun Messias, en de vergeving van hun zonden. Toch zegt Paulus nu niet alleen tot de Joden, maar ook tot de God-vrezende heidenen onder zijn gehoor: "Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden" (V.26). Betekent dit dat Paulus, evenals Johannes de Doper en Petrus, ook "de doop van bekering tot vergeving van zonden" predikte, Christus aanbiedende als Koning? Niets daarvan.

_________

*/voetnoot: Dit werd niet veranderd met Pinksteren want, vervuld met de Heilige Geest, beval Petrus eveneens aan zijn toehoorders; "Bekeert u, en een iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus tot vergeving van zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen" (Hand.2:38). Zij die de waterdoop toepassen op grond van de zogenaamde "grote opdracht", bewerende dat de Kerk van vandaag begon met Pinksteren, zouden deze doop dienen toe te passen, de doop van Johannes de Doper, de "grote opdracht", en Pinksteren (Mark.1:4; 16:16; Hand.2:38). Het is echter een feit, dat de Kerk van vandaag niet begint met Pinksteren, onder de "grote opdracht". Zij begon met Paulus, onder wiens bediening de waterdoop uit het gezicht verdween.

  Nergens vinden we Paulus, predikende bekering en doop tot vergeving van zonden, en in deze prediking in Pisidisch Antiochië deed hij dat zeker niet, tenzij de verzen 38 en 39 niets te betekenen hebben.

De apostel spreekt hier eenvoudig over redding, niet over de voorwaarden waarop deze zou kunnen worden verkregen. Is het niet waar, dat aan Israel redding werd aangeboden, en dat deze werd verworpen, en dat "de zaligheid van God" daarom "gezonden werd tot de heidenen"? (Zie Hand.4:12; 13:46; 28:28). De termen werden weliswaar veranderd, maar niettemin werd redding door Israel verworpen, later tot de heidenen gezonden. Ten tijde van Paulus' toespraak in deze Pisidische synagoge, was het reeds begonnen naar de heidenen te gaan, en hier verklaart de apostel, zich daarbij niet alleen tot de Joden in de synagoge, maar tevens tot de Godvrezenden richtend: "Tot u is het woord dezer zaligheid gezonden." De verwerping door het uitverkoren volk van haar Redder, weerhield Hem niet van de zegening der heidenen.

Opmerkzame aandacht dient te worden geschonken, hoe en waarom redding nu tot deze Joden in de diaspora, en tot de Godvrezenden bij hen, werd gezonden.

"Tot U is het woord dezer redding gezonden" zegt Paulus, "Want zij die verblijven in Jeruzalem en hun bestuurders... veroordeelden Hem." Het was toen niet omdat Jeruzalem en Israels bestuurders Christus hadden aangenomen, en daardoor het koninkrijk nu kon worden geproclameerd in de overige regio's. Juist het feit dat Paulus, in plaats van een van de twaalven, hier de prediker is, zal dit idee weerleggen. Het was juist omdat Jeruzalem en Israels bestuurders Christus hadden verworpen. Zij hadden Christus afgewezen, daarom biedt Paulus Hem hier aan, aan deze verstrooide Joden en Godvrezende heidenen.*/[v]

Onafhankelijk van Israels bekering, kon hij dus redding aanbieden aan zijn toehoorders, omdat "zij te Jeruzalem", Christus niet kenden, noch de profeten begrepen. Niettemin hadden zij de profetische Geschriften vervuld door Christus te veroordelen! Terwijl zij hun eigen boze plannen uitvoerden, voerden zij onwetend Gods grote plan tot vergeving van zondaars evengoed uit! Israels regeerders hadden de wet gebroken en dove oren gehad voor de profetïen die zojuist in deze synagoge waren gelezen; en niettemin hadden zij deze, niet beseffend, toch vervuld. En toen zij alles wat geschreven was met betrekking tot de kruisiging, vervuld hadden, "namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf, maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; Welke gezien is geweest, vele dagen lang..." (V.29-31).

Zo werden Gods plannen niet gedwarsboomd, noch Zijn Woord gebroken. De God, Die "naar Zijn belofte aan Israel een Verlosser, Jezus verwekte" (V.23), had nu de "belofte vervuld...die tot de vaderen geschied is...als Hij Jezus verwekt heeft" (V.32,33).

De aanhaling door Paulus van de twede Psalm hier is passend, want het was niet door de vleeswording van onze Here, maar door Zijn opstanding, dat de Vader plechtig het decreet uitsprak: "Gij zijt Mijn Zoon". Dit wordt naarvoren gebracht in de openingsverzen van Romeinen, waar we lezen:

"Die krachtiglijk bewezen is te zijn de Zone Gods...uit de opstanding der doden" (Rom.1:4). De uitdrukking, "de gewisse weldadigheden Davids" (cf.Jes.55:3) verwijst naar die beloften aan David gedaan door goddelijk verbond, en wat betreft de aanhaling van de zestiende Psalm, is Paulus' argument, net als dat van Petrus in Hand.2, dat gezien Davids lichaam in de vergankelijkheid gegaan was, en dat van Christus niet, David geprofeteerd moet hebben betreffende Christus.

Daarom, dat Israel, als volk, Christus had gekruisigd, en zelfs nu nog bij deze verschrikkelijke daad bleef, had alles voortgang gehad volgens Gods onveranderlijk plan. Christus was levend, ondanks Zijn vijanden, en glorierijk capabel, en gereed, om te redden.

____________

*/voetnoot: Het Woord van God was eerst, naar Hand.10:36, "gezonden tot de kinderen Israels". Hier in Hand.13:26 wordt "het woord van deze zaligheid" "gezonden" tot de "afstammelingen van Abraham" en tot de heidenen onder hen, die "God vreesden". In Hand.28:28 wordt "Gods redding gezonden tot de heidenen".

PAULUS' LAATSTE VERMANING

"Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden verkondigd wordt; "En dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet van Mozes, door Deze een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt.   "Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in de Profeten: "Ziet, gij verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk hetwelk gij niet zult geloven, zo het u iemand verhaalt. - (Hand.13:38

De slotwoorden van grote toespraken zijn meestal de belangrijkste van alles - zeker waren zij dat in deze toespraak. Zij gaven de conclusie weer, waarnaar de apostel vanaf het begin heenleidde, en toont, klaar en nadrukkelijk, precies datgene, wat hij wenste dat zij zouden weten

Wij vinden verwijzing naar de wet en de profeten, zowel aan het begin, als aan het eind van deze synagogedienst (V.15,39,40). In de aanvang wordt de wet en de profeten gelezen, en aan Paulus en Barnabas wordt gevraagd of zij enige woorden ter vertroosting van het volk hebben. Paulus had een woord ter vertroosting, zowel uit de wet, als uit de profeten. Na aangetoond te hebben, hoe de Heiland, ofschoon gekruisigd en verworpen door Zijn volk, weer levend is, vertroost hij zijn toehoorders: Door Christus mogen zij zich verheugen in de VERGEVING der zonden, want DOOR HEM, zijn allen die GELOVEN, GERECHTVAARDIGD VAN ALLE DINGEN, waarvan zij NIET konden gerechtvaardigd worden door DE WET VAN MOZES.

En hieraan voegt de apostel een slotvertroosting toe, om niet het genadeaanbod te verachten, en zij zich niet zouden bevinden in de positie van het Christus-verwerpende Israel. "Ziet dan toe, dat over ulieden zulks niet kome" of "dat gij u in de situatie zoudt bevinden" van hen, tot wie God nu moet spreken op dezelfde manier als Hij heeft gesproken in Hab.1:5 (ofschoon de zaak verschillend was).

Hoe toepasselijk waren de woorden uit Hab.1:5 op Israels situatie op dit ogenblik! Zij hadden Gods goedheid veracht, en nu was God een werk aan het doen wat zij niet konden geloven. Eigenlijk zeiden ze: "Maar Hij kan de heidenen niet redden buiten ons om! Wat anders met alle Oud Testamentische beloften? Niettemin zegende Hij de heidenen buiten hen om - door de Christus die zij hadden verworpen, en zij konden slechts "Toezien... en zich verwonderen, en verdwijnen." Nu vermaaant Paulus, speciaal zijn Joodse toehoorders, om acht te geven, dat dit niet over hen kome.

En zo gebruikte de door de Geest geleide apostel de gelegenheid om zijn toehoorders te vertroosten, beide vanuit de wet, en de profeten. Vanuit de wet: "Vertrouw niet in de wet; vertrouw in Christus" Vanuit de profeten: "Veracht niet het genadig aanbod."

Hoe treffend is het verschil tussen het verslag van Petrus' eerste toespraak, gehouden in Jeruzalem op Pinksteren, en die van Paulus, gehouden in deze Pisidische synagoge!

Petrus pleitte met Israel en haar bestuurders tot bekering en aanname van Christus. Paulus zegt nu tot deze groep van verstrooide Joden en God-vrezende heidenen: "Zij hebben Christus verworpen; gij neemt Hem aan, anders deelt ge in hun oordeel" Petrus verklaarde dat God Christus had opgewekt uit de doden om te zitten op de troon van David (Hand.2:29-31); Paulus verklaart nu dat God Christus opwekte uit de doden opdat door Hem de mens rechtvaardiging ontvangt door geloof, buiten de wet om (Hand.13:38,39). De hoop van de ogenblikkelijke vestiging van het aardse  koninkrijk is uit het gezicht verdwenen, en de bedeling der genade gaat dagen.

Maar het meest treffend is het verschil in de twee eindconclusies.

Het verslag van Petrus' Pinkstertoespraak aan het "gehele huis van Israel" eindigt met de oproep:

"BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN..." (Hand.2:38).

Paulus' toespraak eindigt met de verklaring, dat: "DOOR DEZEN (CHRISTUS) U VERGEVING VAN ZONDEN VERKONDIGD WORDT; "EN DAT VAN ALLES, WAARVAN GIJ NIET KONDET GERECHTVAARDIGD WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, DOOR DEZEN (CHRISTUS) EEN IEGELIJK DIE GELOOFT, GERECHTVAARDIGD WORDT" (Hand.13:38,39).

Zeker vormt de boodschap van Paulus, en speciaal de slotwoorden, een definitief verlaten van het profetisch programma en de "grote opdracht". Paulus bood niet dit volk het koninkrijk aan. Hij bood hun redding door genade, of vergaan met het volk Israel.

Wij zijn reeds meerdere malen beschuldigd van dwaalleer bij het aantonen, dat Petrus, werkend onder de "grote opdracht" met Pinksteren, niet "het evangelie van Gods genade" predikte, maar "het evangelie van het koninkrijk". Niettemin schreef niemand minder dan de Bijbelgeleerde Dr.James M.Gray, vroeger president van het Moody Bijbel Institute, in zijn Christian Worker's Commentary:

"Petrus richtte zich duidelijk tot de Joden, vóór het aanbod van het koninkrijk ten slotte voor een tijd van hen werd teruggenomen, en bood vergeving aan, op grond van bekering en doop. Maar Paulus sprak tot de heidenen zowel als tot de Joden, en verkondigde het evangelie van genade, verschillend van dat van het koninkrijk, en 'spreekt voor de eerste keer een waarheid, die Petrus niet bracht'" (P.352).

DE VERGADERING OPGEHEVEN

"En als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden  de heidenen dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden zouden gesproken worden. "En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; welke tot hen spraken en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods" - (Hand.13:42,43). 

Oude handschriften verschillen veel met betrekking tot vers 42. Sommigen ondersteunen de bovenstaande vertaling, andere lezen "toen zij uitgegaan waren...baden zij" etc., hetgeen eenvoudig zou betekenen, dat Paulus' toehoorders hem nog een keer wensten te horen. Anderen vertalen, dat de Joden Paulus baden, dat de heidenen deze woorden op de volgende sabbat zouden mogen horen. Textus Receptus, echter, ondersteunt het bovenstaande, en met zicht op de contekst schijnt dit wel de zin ervan te zijn. Uit de verzen 16 en 26 weten we, dat diegenen aanwezig waren die, omdat zij God vreesden, minstens in zekere zin, geen Joden waren, en blijkbaar geen proselieten in Schriftuurlijke zin. We weten ook, uit de verzen 44,45 dat de volgende sabbatdag bijna de gehele stad samenkwam om het Woord van God te horen, en dat de Joden tot jaloersheid werden gewekt, toen zij zagen dat zovele heidenen samenkwamen om Paulus te horen prediken.

Iets van wat Paulus had gezegd in de synagoge, sprak de aanwezige Godvrezende heidenen niet direct aan. Zij behoorden niet tot "dit volk Israel", en konden de Joodse vaderen niet beschouwen als "onze vaderen". Maar dit doet er weinig toe: Paulus betrok hen in zijn groet, omdat zijn aanbod tot redding door Israels verworpen Christus, wel op hen betrekking had (V.16,26,38,39). Het zou dan ook vanzelfsprekend zijn, dat zij verlangend waren, dat andere heidenen deze dingen zouden horen. Dit stemt overeen met de uitgesproken wens van de heiden Sergius Paulus, om het Woord van God te horen, in de hiervoor behandelde passage. Tenslotte komt het overeen met het feit, dat nadat de aanwezigen de synagoge hadden verlaten, veel van de "Joden en van de godsdienstige Jodengenoten" (apart genoemd), Paulus en Barnabas volgden. Opgelet, dat in overeenstemming met Paulus' toespraak, Paulus en Barnabas nu deze Joden en proselieten aansporen, om "te blijven bij de genade van God" (V.43).

Een vergelijking kan hier helpen, om aan te tonen hoe de bedeling van de genade geleidelijk begint op te komen. Het woord genade, in het origineel (charis), verschijnt minstens 20 maal in de vier evangeliën, en dan zelden in verband met de leer der genade, terwijl het in de Brieven van Paulus - veel minder volumineus -  wel meer dan 100 maal, en bijna altijd in verband met de leer der genade verschijnt. Evenzo verschijnt het woord in het boek Handelingen (in het origineel) slechts 5 maal vóór de opwekking van Paulus, en niet éénmaal met betrekking tot de leer der genade, terwijl het na de opwekking van Paulus 15 maal wordt gebruikt, meestal in verband met de leer van genade.

Kort na de bekering van Paulus werd Christus gepredikt tot de Grieken in Syrisch Antiochië. Barnabas, gezonden om de zaak te onderzoeken, "werd blij toen hij gezien had de genade van God", en vermaande hen eenvoudig "bij de Here te blijven", en "ging uit naar Tarsen om Saulus te zoeken" (11:23-25). Hier in Pisidisch Antiochië vermanen Paulus en Barnabas de gelovigen, om "te blijven bij de genade Gods" (13:43). In 14:3 blijven zij een "lange tijd", vrijmoedig sprekende in den Here, Die getuigenis gaf aan het woord Zijner genade". In 15:11 geeft ook Petrus toe, dat "door de genade des Heren Jezus Christus" ook de Joden eenmaal gered zullen worden op gelijke wijze als de heidenen. In Hand.20:24 zegt Paulus over zijn verdrukkingen:

"Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik MIJN LOOP met blijdschap mag VOLBRENGEN, en DEN DIENST WELKEN IK VAN DEN HERE JEZUS ONT-VANGEN HEB, OM TE BETUIGEN HET EVANGELIE DER GENADE GODS."

Dit alles is niet te scheiden van Paulus' woorden in Eph.3:1-3: "Om deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor u, die heidenen zijt." "Indien gij maar gehoord hebt van DE BEDELING DER GENADE GODS, DIE MIJ GEGEVEN IS AAN U," "DAT HIJ MIJ DOOR OPENBARING HEEFT BEKEND GEMAAKT DEZE VERBORGENHEID..."

Paulus' verkondiging van redding door genade, door geloof, buiten de wet om in de Pisidische synagoge, was in harmonie met zijn eigen speciale opdracht om genade te verkondigen. Het was een verlaten van het programma van profetie en van de "grote opdracht", en een stap naar de onthulling van "het geheimenis".

Het was echter slechts een stap. God had het volk Israel nog niet volledig terzijde gesteld, en er moest nog meer worden geopenbaard van Gods eeuwig doel en Zijn genade.

PAULUS KEERT ZICH TOT DE HEIDENEN

"En op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad te zamen om het Woord Gods te horen. "Doch de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. "Maar Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig dat eerst u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij keren ons tot de heidenen. "Want alzo heeft ons de Here geboden, zeggende; Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde."Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen het Woord des Heren; en er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot het eeuwige leven. "En het Woord des Heren werd door het gehele land uitgebreid. "Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en Barnabas, en wierpen hen uit hun landpalen. "Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve, en kwamen te Ikonium. "En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest."  (Hand.13:44-52). 

DE GESCHIEDENIS MET BAR-JEZUS HERHAALD

En nu bewijst het verhaal van Bar-Jezus, dat dit typerend is geweest voor de situatie die toen ontstond, en op grote schaal herhaald wordt. De heidenen vragen om het Woord van God te horen. De Joden, jaloers vanwege hun eigen positie, trachten het van hun weg te houden. Daarvoor worden de Joden ten oordeel overgegeven, terwijl de heidenen de waarheid ontvangen, en zich erin verheugen.

Het feit dat op de volgende sabbatdag de gehele stad zich verzamelt om Paulus aan te horen, geeft steun aan de vertaling van V.42, dat het Godvrezende heidenen waren in de synagoge, die Paulus vroegen zich tot hen te richten. De samenstroming van bijna de gehele stad, was klaarblijkelijk de reactie op de aankondiging dat hij dat doen zou.

              JOODSE TEGENSTAND

Zoals echter gebruikelijk, versterkte dit de vijandschap van de Joden. Paulus, die hen in hun synagoge toesprak waarbij enkele heidenen aanwezig waren, was een punt, maar Paulus die een menigte van merendeels heidenen toesprak, was heel wat anders. Vergetend dat zij brengers moesten zijn, niet slechts objecten van Gods zegeningen, kwamen zij tot afgunst bij het gezicht van deze grote menigte. Dit was reeds lang hun houding geweest ten opzichte van de heidenen (Zie Luk.4:27,28; Hand.21:29-31; 22:21,22).

En nu, zoals Bar-Jezus had gedaan in het geval van Sergius Paulus, trachtten deze Joden de heidenen van het geloof af te houden, door "hetgeen van Paulus gezegd werd" te weerspreken en te lasteren.

Hun tegenspraak en laster was een bijzonder ernstige zaak in het licht van de waarschuwing van onze Here, dat wie Hem zou lasteren of weerspreken zou worden vergeven, maar ieder die de Heilige Geest zou lasteren of weerspreken, zou nooit worden vergeven, niet in die tijd, noch in de volgende eeuwen (Matt.12:31,32). Dit was vanzelf niet daarom, dat de Heilige Geest een belangrijker lid van de Drie-eenheid was dan de Vader of de Zoon, maar eenvoudig omdat de Heilige Geest het derde lid van de Drie-eenheid was dat met hen doende was. Zij hadden de Vader verworpen in het Oude Testament. Toen zond de Vader, de Zoon, en zij hadden Hem verworpen, tegengesproken en gelasterd. Nu zond de Zoon, de Geest, en "Pas op", zegt onze Here, want "indien gij Hem weerspreekt of lastert, het zal u nooit vergeven worden".

De Heilige Geest was met Pinksteren gekomen, op machtige wijze de apostelen van Christus getuigenis gevend, maar de ongelovige Joden, speciaal de regeerders, hadden hen bitter tegengestaan, weersproken en gelasterd. Nu, hier te Antiochië in Pisidië, zien we hen hetzelfde doen. Later, te Corinthië, "wederstonden en lasterden" zij opnieuw (18:6), en hoewel deze preciese term niet altijd wordt gebruikt, zien we hen dit doen, van Jeruzalem tot Rome toe. Zo was het, dat dit rebels geslacht in Israel, de onvergeefelijke zonde beging, die hen nooit zal worden vergeven. Als volk echter, wordt Israel getypeerd door Bar-Jezus, die verblind werd "voor een tijd" (Hand.13:11 cf.Rom.11:25,26).

Met het oog op de bittere tegenstand van de Joden tegen Paulus' verkondiging van de waarheid, en het verlangen van de heidenen deze te ontvangen, bleef er nu maar één koers of actie over; zij moesten zich vrijmoedig van de Joden, tot de heidenen wenden. Zij moesten het evangelie tot de heidenen brengen, ondanks het feit, dat de Joden het afwezen. En dit was nu juist in de lijn van de lang verborgen bedoeling waarvoor God Paulus had opgewekt. Want hoe kon Gods geopenbaarde doel, om de heidenen door Abrahams vermenigvuldigd zaad te zegenen, door deze generatie van Abrahams zaad worden vervuld, die Christus afwezen, en jaloers werden toen de heidenen in Hem belangstelling toonden?

Zo komen we tot nog een verlaten van het profetisch programma, zo duidelijk weergegeven, dat we ons verwonderen, dat het mogelijk is dat iemand het niet ziet. Laten we zorgvuldig de passage, woord voor woord beschouwen:

"Maar Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: HET WAS NODIG DAT EERST TOT U HET WOORD GODS GESPROKEN ZOU WORDEN..." (Hand.13:46).

Opdat we de verklaring van de apostel volledig mogen verstaan, vragen we eerst: Waarom was het nodig dat het Woord van God eerst aan de Joden moest worden gepredikt? Het antwoord is, omdat naar het Abrahamitisch verbond en alle profetie, zij de kanalen van zegen naar de heidenen zouden zijn. Petrus had dit zeer duidelijk gemaakt in zijn Pinksterboodschap, toen hij zei tot de "mannen van Israel":

"Gijlieden zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle geslachten der aarde gezegend worden.

"God opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden, dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van uw boosheden" (Hand.3:25,26).

Het was toen nodig, het Woord van God eerst tot de Joden te prediken, omdat naar verbond en profetie, zij het kanaal zouden zijn, waardoor God de heidenen zou zegenen. Maar laat ons doorgaan met de verklaring van Paulus tot de Joden in Antiochië:

"Het was nodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; DOCH..."

 Geeft dit woord "doch", een verandering aan in het programma, een verlaten (al is het ook een tijdelijk verlaten) van de procedure die uitgelijnd was in de profetie? 

Maar geeft dit aan, dat God gedwongen was Zijn plannen te wijzigen vanwege Israels verwerping van Christus? In geen geval, want de apostel informeert ons - en bewijst het - , dat dit verlaten van Zijn geprofeteerd programma, was ingeplanned, maar geheim gehouden, "van vóór de grondlegging der wereld" (Eph.1:4; 3:1-11; Col.1:24-27).

Betekent het dan, dat God Zijn Woord niet kon, of niet wilde houden? Dat zeker niet. Ten eerste blijft dezelfde Paulus, door de Geest, volhouden, dat heel Israel toch zal worden gered, en de verbondsbeloften vervuld (Rom.11:25-29). Zo blijkt het verlaten van het profetisch programma slechts tijdelijk te zijn, een onderbreking ervan. Ten twede faalde deze generatie van Abrahams zaad om een zegen te worden voor de heidenen, niet vanwege Gods ontrouw aan hen, maar omdat zij zelf weigerden de zegen aan te nemen. Paulus legt hier sterk de nadruk op, als hij zegt:

"DOCH NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET WAARDIG OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN."

Deze passage heeft bij de vertaling iets van haar kracht verloren. Het woord "verstoot" zou moeten zijn "verwerpt", zoals in een andere vertaling. Terwijl de heidenen verlangend uitzagen naar de waarheid, hadden de Joden deze verworpen. Ook de woorden "uzelven niet waardig oordelen" betekent, dat door hun sterk tegenstaan van het Woord van God, en hun lasteren ertegen, zij "het oordeel op zich geladen" hadden, dat zij het eeuwig leven "onwaardig" (niet waard) waren. Het woord "onwaardig" is een sterk woord, het draagt de gedachte van grondig, en oneer, in zich. Tenslotte bevestigt het woord "Zie", het feit, dat er iets sensationeels plaats gaat vinden als Paulus aankondigt, dat hij zich van de Joden tot de heidenen zal keren.

Zij die zich nog steeds afvragen of hier sprake is van een verlaten van het profetisch programma, dienen zorgvuldig en onpartijdig de volgende vragen te beantwoorden: Is redding hier tot Israel gezonden vanwege Israels aanname van Christus, of vanwege haar verwerping? Gaat het naar de heidenen op basis van het Abrahamitisch verbond of door genade? Gaat het volgens profetie of overeenkomstig het geheimenis?

Er is maar één antwoord op elk van deze vragen. Paulus ging in Pisidisch Antiochië uit van de profetische procedure. Hij deed iets dat nimmer werd geprofeteerd, want de zegening van de heidenen door Israels verwerping van Christus, is nimmer ergens voorspeld in de profetische Geschriften (Zie Rom.11:11,12,15,25,32,33).

Hier hebben we precies de kern van datgene wat Paulus elders noemt "het geheimenis". God die zegen zendt tot de heidenen door Christus, ondanks het falen van Zijn volk, inderdaad, door hun val (Zie Rom.11:11-15). God werd niet gehinderd door menselijk falen. Wat een obstakel scheen, bewees juist het middel te zijn waardoor Hij Zijn eeuwig doel en genade kon ontplooien.

Met betrekking tot dit kostbaar geheimenis zei Dr.H.A.Ironside:   "Mochten wij toch meer volledig ingaan, binnen datgene wat zo kostbaar is van Zijn grote hart vol liefde." (Mysteries of God,P.60).   "Dienaars van Christus dienen overbrengers te zijn van Gods geheimen, niet alleen predikers van wat mensen zo dikwijls 'het eenvoudig evangelie' noemen" (Ibid.,P.15).

En William R.Newell voegde hieraan zijn getuigenis toe: Ik wenste wel, dat wij genade mochten ontvangen om deze geweldige boodschap vandaag fel te verdedigen, zowel voor vijanden, als voor haar echte vrienden die deze tot nu toe nog niet zo duidelijk zien; die, evenals Petrus (Gal.2) door angst voor anderen, bereid zijn om water bij de wijn te doen, en het Evangelie van Christus verlagen" (Paul vs. Peter,P.15).

En wat betreft de algemene onwetendheid van deze kostbare waarheid, schreef Dr.Ironside nogmaals: "Ongetwijfeld ligt de schuld bij de voorlichters, die bekennen Christus' dienaren te zijn, maar alles behalve doorgevers van Gods geheimenissen (Mysteries of God,Pp.17,18).

Ik wenste wel dat deze mannen meer in deze waarheden zouden zijn doorgegaan, en de Kerk "meer volledig zouden leiden...in datgene wat zo kostbaar is in Gods liefdehart".

Maar de vraag kan worden gesteld: Als we hier een verlaten van de profetie hebben, waarom voegt Paulus dan toe:"WANT ALZO HEEFT ONS DE HERE GEBODEN, ZEGGENDE: IK HEB U GESTELD TOT EEN LICHT DER HEIDENEN, OPDAT GIJ ZOUDT ZIJN TOT ZALIGHEID, TOT AAN HET UITERSTE DER AARDE" (Hand.13:47).

De apostel bedoelt hier niet, dat de heidenen nu redding ontvangen overeenkomstig het programma volgens profetie, want hij heeft zojuist een verlaten van dit programma aangekondigd. De zegen voor de heidenen door Israel, zal moeten wachten tot een toekomstige dag.

Paulus wijst hier eenvoudig aan, dat God Christus had "gesteld" tot "een licht der heidenen", en "tot redding tot aan het uiterste der aarde", en dat Hij het zo wilde, niettegenstaande Israel. Omdat Israel weigerde het kanaal tot zegen der volkeren te zijn, zegende God nu de volken direct door Christus, los van Israel, en Paulus werd "bevolen", dit feit bekend te maken.

Het is waar, dat de gebeurtenis in Pisidisch Antiochië slechts van plaatselijke aard was, maar niettemin was het een typerend geval. In vervulling van de profetie, was aan het volk Israel

het grote voorrecht aangeboden, het kanaal te mogen zijn waardoor alle volken van de aarde zouden worden gezegend. Toen Israel het aanbod afwees, werd redding en zegen tot de heidenen gezonden eenvoudig door genade, door het volbrachte werk van Christus, en Israel werd, net als Bar-Jezus, verblind. Paulus had zijn toehoorders in de Pisidische synagoge gewaarschuwd "toe te zien", dat over hen niet zou komen, wat reeds begonnen was te komen over het volk als geheel. Maar zij hadden de waarschuwing niet in acht genomen en, net als hun leiders, waren zij zonder excuus.

De heidenen waren blij dat Paulus en Barnabas tot hen gekomen waren met de blijde boodschap, en velen van hen werden echt gered. De waarheid was werkelijk zo aangeslagen, dat zij "werd uitgebreid door het gehele land" (V.49). Maar de Joden verwekten zo'n weerstand en vervolging tegen Paulus en Barnabas, dat zij tenslotte gedwongen werden de omsstreken te verlaten en naar Iconium te gaan, nadat zij eerst het stof van hun voeten tegen hun vervolgers hadden afgeslagen, als teken dat de verantwoordelijkheid voor hun gedrag geheel aan hun kant was, en dat God hen voor hun rebellie zou oordelen (Cf.Matt.10:14,15; Mark.6:11; Luk.9:5).

Deze vervolging te Pisidisch Antiochië wordt ongetwijfeld bedoeld in 2Tim.3:11, waar de apostel schrijft over: "vervolgingen, lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystre; hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Here heeft mij uit alle verlost."

Maar de Here is niet alleen krachtig om te verlossen uit lijden; Hij is ook getrouw om te helpem in lijden.De discipelen die Paulus moest achterlaten, waren verre van ontmoedigd. Zij waren eerder "vervuld met blijdschap en met den Heiligen Geest" (V.52). Het is altijd een vreugde om voor Christus te mogen lijden. Slechts een korte tijd tevoren waren de apostelen uit de besnijdenis te Jeruzalem op de meest laffe manier geslagen, en

'gingen heen van het aangezichts des Raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden" (Hand.5:41). De Thessalonisenzen later "hebben het Woord aangenomen in veel verdrukkingen, met blijdschap des Heiligen Geestes" (1Thess.1:6). Inderdaad zegt de apostel Paulus:

"Want u is uit genade GEGEVEN in de ZAAK VAN CHRISTUS, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te LIJDEN" (Phil.1:29).

Hij noemt ons tegenwoordige lijden voor Christus "de gemeenschap Zijns lijdens", en verlangt ernaar het te ervaren (Phil.3:10), "verblijdt" zich erin, omdat het vervult in zijn vlees, de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus (Col.1:24).

Wat een gezegende gedachte! Hoewel Christus nog steeds "door mensen verworpen" wordt, besluit Hij hen te oordelen, maar in genade blijft de Koninklijke Banneling weg, en zendt ons, Zijn ambassadeurs, uit, om de verzoening te verkondigen, en het weinige lijden dat wij dragen, is Zijn lijden - is dat wat blijft van Zijn verdrukkingen als de verworpen Christus. Hoe zoet is de gemeenschap aan Zijn lijden!

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011