H O O F D S T U K
XXII -
H A N D. 13 : 14-52
TE ANTIOCHIE IN PISIDIE IN DE
SYNAGOGE IN PISIDISCH ANTIOCHIE
"En
zij van Perge het land doorgaande, kwamen te Antiochië, een stad in
Pisidië, en gegaan zijnde in de synagoge op den dag des sabbats, zaten
zij neder.
"En na het lezen der Wet en der Profeten zonden de oversten
der synagoge tot hen, zeggende: Mannen broeders, indien er enig woord
van vertroosting tot het volk in u is, zo spreekt". -
(Hand.13:14,15)
Na
het vertrek van Johannes Markus, reisden Paulus en Barnabas verder naar
Antiochië in Pisidië, een stad ver ten noordwesten van Antiochië in
Syrië, van waaruit zij tevoren waren uitgezonden. Het Pisidische
Antiochië was gelegen in wat nu genoemd wordt Klein Azië, tegenover de
noordoostelijke hoek van de Middellandse Zee vanuit het andere Antiochië.
In deze stad zouden Paulus en Barnabas worden gebruikt door God voor de
redding van een menigte mensen, voornamelijk heidenen, maar zij moesten
ook de woede van de ongelovige Joden daar trotseren, en ten laatste uit
de regio worden gedreven.
Toen
zij de Joodse synagoge*/[i] gevonden hadden, gingen zij
op de Sabbatdag daarheen, en zetten zich neer. Of zij hun zitplaats
innamen op een speciale plaats, gereserveerd voor enkelen die wilden
spreken als genodigden, of dat zij werden erkend als rabbijnen door hun
kleding of houding, of omdat zij reeds enigszins bekend waren, omdat zij
vóór de sabbat in de stad arriveerden - wat ook de reden was, zij
werden uitgenodigd door de bestuurders van de synagoge om het volk toe
te spreken.*/[ii]
Laten
we echter zorgvuldig de omstandigheden beschouwen, en opmerken wat van
hen verwacht werd, als zij de uitnodiging tot spreken zouden aanvaarden.
Het
was "na het lezen van de wet en de profeten", dat
de bestuurders van de synagoge zich tot hen richtten met de vraag of zij
een woord ter "vertroosting" voor het volk hadden. Dit feit is
heel belangrijk tot het verstaan van de boodschap die Paulus in antwoord
hierop bracht.
Veel
mensen denken, dat profeten alleen zij zijn, die dingen voorspellen
die zullen geschieden. Zoals we echter al hebben aangetoond, waren de
profeten gewoon Gods spreekbuizen. Zij voorzegden niet alleen
toekomstige gebeur-tenissen; zij wekten op en bemoedigden het volk
eveneens. Overigens gingen wet en profeten goed samen bij het lezen van
de Schriften in elke Joodse synagoge, en elke spreker werd na een lezing
verwacht de profetische Geschriften te gebruiken, om het volk te bemoedigen,
wat betreft het gehoorzaam zijn aan de wet.
Paulus
had een "woord van vertroosting" voor hen vanuit
"de wet en de profeten", ofschoon wat hij
zou zeggen over de wet, en hoe hij de profetische Geschriften
gebruikte om hen te vertroosten met het oog daarop, hen ongetwijfeld
niet weinig zou verrassen.
PAULUS'
TOESPRAAK ISRAELS GESCHIEDENIS IN HERINNERING GEBRACHT
"En
Paulus stond op en wenkte met de hand en zeide: Gij Israelietische
mannen en gij die God vreest, hoort toe.
---------
*/voetnoot:
Het woord synagoge vindt men 26 malen in de Handelingen, maar niet
eenmaal in de brieven van Paulus, ook ondanks dat zes van zijn brieven
geschreven werden gedurende de Handelingenperiode. Dit stemt overeen met
het feit, dat Handelingen in de eerste plaats de geschiedenis is van de
afval van Israel, terwijl de brieven van Paulus de leer en praktijk
bevatten van het Lichaam van Christus.
_________
**/voetnoot:
Het feit, dat de bestuurders de uitnodiging aan hen "zonden",
wijst op een audientie van tamelijk belang.
"De
God van dit volk Israel heeft onze vaderen uitverkoren, en het volk
verhoogd als zij vreemdelingen waren in het land van Egypte, en heeft
hen met een hogen arm daaruit geleid;
"En heeft omtrent den tijd van veertig jaren hun zeden
verdragen in de woestijn;
"En zeven volken uitgeroeid hebbende in het land Kanaän,
heeft hun door het lot het land derzelve uitgedeeld.
"En daarna, omtrent vierhonderd en vijftig jaren, gaf Hij
hun richters, tot op Samuel den profeet.
"En van toen aan begeerden zij een koning; en God gaf hun
Saul, den zoon van Kis, een man uit den stam van Benjamin, veertig
jaren.
"En dzen afgezet hebbende, verwekte Hij hun David tot een
koning; denwelken Hij ook getuigenis gaf, en zeide: Ik heb gevonden
David, den zoon van Isaï, een man naar Mijn hart, die al Mijn wil zal
doen.
"Van het zaad dezes heeft God Israel, naar de belofte,
verwekt den Zaligmaker Jezus." (Hand.13:16-23).
Het
was een typisch Joodse synagoge waarin Paulus nu opstond om te spreken.
Gebarend met zijn handen, moest de apostel om orde roepen, en de
aanwezigen vragen om "toe te horen".
Vanaf het begin, is het interessant om dit eerste verslag van
Paulus' toespraak, te vergelijken met het verslag van de eerste
toespraak van Petrus op Pinksterdag. Paulus' preek bevatte veel wat
Petrus had gezegd met Pinksteren, maar de aanwijzing en de conclusies
waren in geen geval dezelfde.
Om
te beginnen, had Petrus zich tot zijn toehoorders gericht met: "Gij
Joodse mannen, en gij allen die te Jeruzalem woont" (Hand.2:14),
en had zijn toespraak geeindigd met de woorden: "ZO WETE DAN
ZEKERLIJK HET GANSE HUIS ISRAELS..." (Hand.2:36). Hij handelde
duidelijk met Israel als een natie, in Jeruzalem, de zetel van hun
regering.
Paulus kon zijn toehoorders niet zo aanspreken. Inderdaad was de
Here Zelf aan hem verschenen, toen hij na zijn bekering, eerst
terugkeerde naar Jeruzalem, om hem te zeggen:
"Spoed u, en ga inderhaast uit Jeruzalem; want zij zullen uw
getuigenis van Mij niet aannemen (Hand.22:18).
Omdat
sommigen verkeerd veronderstellen dat Israels verwachtingen op het
koninkrijk, aan het kruis terzijde gesteld werden, en dat de Kerk
vandaag, het Lichaam van Christus, begon met Pinksteren, veronderstellen
anderen, dat Paulus, evenals Petrus gedurende zijn bediening in
Handelingen, aan Israel het koninkrijk aanbood. Dit is eveneens een
fout, want nergens is er enig verslag over zo'n aanbod door Paulus,
ofschoon hij wel het feit bevestigde, dat Christus Israels gerechtigde
Koning was.
Paulus
kon Israel het koninkrijk niet aanbieden, want hem was bevolen uit
Israels hoofdstad te vertrekken. Hoe konden de Joden in een synagoge,
ver buiten Palestina en Jeruzalem, "het huis van Israel"
vertegenwoordigen? Hoe kon hij hun de vestiging van Messias'
koninkrijk aanbieden? Wat moest zo'n aanbod betekenen, terwijl Jeruzalem
en Israels regering vasthielden aan de afwijzing van Christus? Kon
Christus tot een andere stad komen, om vandaar uit te regeren?
De
apostel richt zich dan ook gewoon tot zijn toehoorders met: "Gij
Israelietische mannen en gij die God vreest". Maar het latere
deel van zijn groet kenschetst nog meer Paulus' bediening, dan het
voorgaande, want de uitdrukking "gij die God vreest",
zoals gebruikt, samen met de uitdrukking "Israelietische mannen,
(Mannen van Israel)", verwijst niet naar Joden, maar eveneens
naar heidenen die, evenals Cornelius, geen proselieten van het
Judaisme door besnijdenis geworden waren, maar die zich tot de Joden
voegden, door erkenning dat Israels God de ware God is (Zie
Hand.10:1,2). Buiten de Schriften worden dezen veelal "proselieten
van de poort (voorhof)" genoemd, maar dat zij heidenen waren, geen
Joden, wordt uitvoerig bevestigd, niet alleen door een vergelijking met
de zaak van Cornelius, maar ook door het gebruik van de term en
ermee verbonden verklaringen hier in Hand. 13 (Zie V.16,26 en cf.
V.42,44,45). Zó predikte Petrus niet
tot de heidenen (Zie Hand.10:28).
De
apostel begint zijn boodschap met aan te tonen, dat in de hele
geschiedenis van de kinderen Israels, God onfeilbaar met en voor hen had
gewerkt.
HIJ
had
hun vaderen uitverkoren (V.17)
HIJ
had het volk verhoogd toen zij als vreemdelingen in Egypte verbleven
(V.17).
HIJ
had
hen uit Egypte geleid "met een hogen" of opgeheven, arm
(V.17).
HIJ
had hen verzorgd tijdens hun zwerven en murmureren*/[iii]
in de woestijn.
HIJ
had
hun zeven vijanden in Kanaän vernietigd (V.19; cf.Deut.7:1).
HIJ
had
het land Kanaän onder hen verdeeld (V.19)
HIJ
had
hun richters (V.20) gegeven, en toen dit hun niet bevredigde,had
HIJ
hun
een koning gegeven naar hun eigen hart (V.21), en toen die koning
faalde, had
HIJ
deze
weggedaan (V.22) en
HIJ
had
hun een koning gegeven naar Zijn eigen hart (V.22).
En
nu had God, Die in Zijn trouw, dit alles voor hun had gedaan, "hun
de Zaligmaker Jezus verwekt" (V.23)
Maar
in scherp contrast tot de niet aflatende trouw van God, brengt de
boodschap van de apostel, de trouweloosheid van Zijn volk naar voren.
Hoe
onwaardig van het uitverkoren volk, zo heerlijk bevrijd, zo wonderlijk
bewaard en gezegend, om Gods goedheid zo te beantwoorden! Gedurende
veertig jaren twijfelden zij, murmureerden en klaagden, al haastig
verklarend, dat zij liever in Egypte gebleven waren! Veertig jaren
beproefden zij het geduld van Mozes - en van God. Deze periode van
Israels geschiedenis wordt genoemd "de
dag van verzoeking in de woestijn":
"Alwaar MIJ uw vaders verzocht hebben; zij hebben MIJ
beproefd, en hebben Mijn werken gezien, veertig jaren lang" (Hebr.3:8,9).
En aangaande deze generatie in Israel had God gezegd: "Daarom
was ik vertoornd over dat geslacht, en sprak: Altijd dwalen zij met het
hart, en zij hebben Mijn wegen niet gekend" (Hebr.3:10).
Wat
betreft de tijden van de richters, zou alleen al het noemen ervan door
Paulus, zijn Joodse toehoorders, net als dit ons doet, herinneren aan
een uitdrukking, die herhaalde malen in het verslag van die tijd
gevonden wordt: "En de kinderen van Israel deden wat kwaad was
in de ogen des Heren". Paulus' toehoorders kenden heel goed het
voorbeeld uit Israels historie onder de richters zoals, afval, heilige
gehoorzaamheid, roepen om bevrijding, en Gods genadige tussenkomst, in
voortdurende herhaling.
Tenslotte,
zegt de apostel: "zij verlangden een koning" (V.21).
Dit was uiteraard Israels afwijzing van de theocratie. Hierover zei God:
"zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen Koning over hen zal
zijn" (1Sam.8:7). Maar God gaf hun een koning, de koning die
zij wilden, totdat hij zo triest gefaald had, dat God hem weg moest
doen. Toen was het, dat God David verwekte als redder voor Israel, en
degene uit wiens koninklijke afstamming de Redder zou opstaan. En
zo komt de apostel tot het punt:
"Van
het zaad dezes heeft God Israel, naar de belofte, verwekt den Zaligmaker
Jezus" (V.23).
Maar
accepteerde Israel deze Redder-Koning? Neen. De monarchie was begonnen
met de roep: "Geef ons een koning!" (1Sam.8:5), en was
geeindigd met de roep: "We hebben geen koning dan den
keizer!" (Joh.19:15). De vraag naar een koning was geeindigd in
het verraad en de kruisiging van de koning, de lang-beloofde Messias.
Deze grootste van alle zonden van Israel, begint de apostel nu aan de
harten te leggen van zijn toehoorders, samen met het feit, dat God hen
niet in de steek had gelaten, dat Christus nog steeds bereid was om hun
Redder te zijn, als zij Hem wilden aannemen.
GODS
OVERHEERSENDE GENADE
VERKONDIGD
"Als
Johannes eerst al den volke Israels voor Zijn aankomst gepredikt had den
doop der bekering.
"Doch als Johannes den loop vervulde, zeide hij: Wie meent
gijlieden dat ik ben? Ik ben de Christus niet; maar zie, Hij komt na
mij, Wien ik niet waardig ben de schoenen Zijner voeten te ontbinden.
"Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die
onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid gezonden.
"Want die te Jeruzalem wonen, en hun oversten, Dezen niet
kennende, hebben ook de stemmen der profeten, die op elken sabbatdag
gelezen worden, Hem veroordelende, vervuld;
_________
*/voetnoot:
De Statenvertaling geeft hier niet de schoonheid van het origineel weer.
Een toespeling hierop is duidelijk Deutr.1:31.
"En
geen oorzaak des doods vindende, hebben zij van Pilatus begeerd, dat Hij
zou gedood worden.
"En als zij alles volbracht hadden wat van Hem geschreven
was, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf.
"Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt;
"Welke gezien is geweest, vele dagen lang, van degenen die
met Hem opgekomen waren van Galilea tot Jeruzalem, die Zijn getuigen
zijn bij het volk.
"En wij verkondigen u de belofte, die tot de vaderen
geschied is, dat namelijk God dezelve vervuld heeft aan ons, hun
kinderen, als Hij Jezus verwekt heeft;
"Gelijk ook in den tweden psalm geschreven staat: Gij zijt
Mijn Zoon, heden heb Ik U gegenereerd.
"En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, alzo dat Hij
niet meer zal tot verderving keren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal
ulieden de weldadigheden Davids geven, die getrouw zijn;
"Waarom Hij ook in een anderen psalm zegt: Gij zult Uw
Heilige niet overgeven om verderving te zien.
"Want David, als hij in zijn tijd den raad Gods gediend had,
is ontslapen, en is bij zijn vaderen gelegd, en heeft wel verderving
gezien;
"Maar Hij, Dien God opgewekt heeft, heeft geen verderving
gezien." - (Hand.13:24-37).
DE
BEDIENING VAN JOHANNES DE DOPER BESPROKEN
Met
betrekking tot Christus, herinnert de apostel eerst aan het feit dat
Johannes de Doper, Zijn voorloper, de doop der bekering had gepredikt aan
geheel het volk Israel. De samenstelling van de zin is hier belangrijk.
Veel predikers die de waterdoop voor tans vasthouden, zeggen
verontschuldigend: Wij prediken het dopen niet. Als Paulus,
prediken wij Christus, en Hem gekruisigd." Alleen diegenen moeten
zich minstens herinneren, dat Johannes "de Doper", dopen
predikte - de doop der bekering tot vergeving van zonde". Dit is
duidelijk gesteld, niet alleen in Paulus' prediking hier, maar ook in
zulke passages als de volgende:
"Johannes
was...predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden"
(Mark.1:4).
"En
hij kwam...predikende den doop der bekering tot vergeving der zonden
(Luk.3:3).
"...den
doop die Johannes predikte" (Hand.10:37
Ook
kwamen de toehoorders van Johannes niet tot zijn doop met het gevoel van
vreugde in de harten, zoals velen die vandaag komen om gedoopt te
worden, in de veronderstelling, voor de wereld te symboliseren, dat zij nu
zijn begraven en weer opgestaan met Christus. Vroeger kwamen zij, bleek en
geschokt tot bekentenis van hun zonden, en tot de vraag om reiniging,
betekend door dopen. Zij kwamen tot een "doop van BEROUW ter
VERGEVING VAN ZONDEN" (Mark.1:4), en "werden door hem
gedoopt in de Jordaan, BELIJDENDE HUN ZONDEN" (Matt.3:6).*/[iv]
Maar
de apostel, in zijn toespraak hier, legt nadruk op het feit dat Johannes'
bediening slechts een inleiding was tot Christus. Johannes, hoewel
zeer populair voor een tijd, was niet de Christus, zoals sommigen
verwachtten. Hij riep slechts het volk van Israel op tot bekering, dat zij
klaar zouden zijn, om Christus te ontvangen.
ZALIGHEID
WORDT NOG STEEDS AANGEBODEN
Zoals
we weten verwierp Israel als volk de boodschap van Johannes, hun Messias,
en de vergeving van hun zonden. Toch zegt Paulus nu niet alleen tot de
Joden, maar ook tot de God-vrezende heidenen onder zijn gehoor: "Tot
u is het woord dezer zaligheid gezonden" (V.26). Betekent dit dat
Paulus, evenals Johannes de Doper en Petrus, ook "de doop van
bekering tot vergeving van zonden" predikte, Christus aanbiedende als
Koning? Niets daarvan.
_________
*/voetnoot:
Dit werd niet veranderd met Pinksteren want, vervuld met de Heilige Geest,
beval Petrus eveneens aan zijn toehoorders; "Bekeert u, en een
iegelijk van u worde gedoopt in den Naam van Jezus Christus tot vergeving
van zonden; en gij zult de gave des Heiligen Geestes ontvangen"
(Hand.2:38). Zij die de waterdoop toepassen op grond van de zogenaamde
"grote opdracht", bewerende dat de Kerk van vandaag begon met
Pinksteren, zouden deze doop dienen toe te passen, de doop van Johannes de
Doper, de "grote opdracht", en Pinksteren (Mark.1:4; 16:16;
Hand.2:38). Het is echter een feit, dat de Kerk van vandaag niet begint
met Pinksteren, onder de "grote opdracht". Zij begon met Paulus,
onder wiens bediening de waterdoop uit het gezicht verdween.
Nergens vinden we Paulus, predikende bekering en doop tot vergeving
van zonden, en in deze prediking in Pisidisch Antiochië deed hij dat
zeker niet, tenzij de verzen 38 en 39 niets te betekenen hebben.
De
apostel spreekt hier eenvoudig over redding, niet over de
voorwaarden waarop deze zou kunnen worden verkregen. Is het niet waar, dat
aan Israel redding werd aangeboden, en dat deze werd verworpen, en dat
"de zaligheid van God" daarom "gezonden werd tot de
heidenen"? (Zie Hand.4:12; 13:46; 28:28). De termen werden
weliswaar veranderd, maar niettemin werd redding door Israel
verworpen, later tot de heidenen gezonden. Ten tijde van Paulus' toespraak
in deze Pisidische synagoge, was het reeds begonnen naar de heidenen te
gaan, en hier verklaart de apostel, zich daarbij niet alleen tot de Joden
in de synagoge, maar tevens tot de Godvrezenden richtend: "Tot u
is het woord dezer zaligheid gezonden." De verwerping door het
uitverkoren volk van haar Redder, weerhield Hem niet van de zegening der
heidenen.
Opmerkzame
aandacht dient te worden geschonken, hoe en waarom redding nu tot deze
Joden in de diaspora, en tot de Godvrezenden bij hen, werd gezonden.
"Tot
U is het woord dezer redding gezonden" zegt Paulus, "Want
zij die verblijven in Jeruzalem en hun bestuurders... veroordeelden
Hem." Het was toen niet omdat Jeruzalem en Israels bestuurders
Christus hadden aangenomen, en daardoor het koninkrijk nu kon
worden geproclameerd in de overige regio's. Juist het feit dat Paulus, in
plaats van een van de twaalven, hier de prediker is, zal dit idee
weerleggen. Het was juist omdat Jeruzalem en Israels bestuurders Christus
hadden verworpen. Zij hadden Christus afgewezen, daarom
biedt Paulus Hem hier aan, aan deze verstrooide Joden en Godvrezende
heidenen.*/[v]
Onafhankelijk
van Israels bekering, kon hij dus redding aanbieden aan zijn toehoorders,
omdat "zij te Jeruzalem", Christus niet kenden, noch de profeten
begrepen. Niettemin hadden zij de profetische Geschriften vervuld door
Christus te veroordelen! Terwijl zij hun eigen boze plannen
uitvoerden, voerden zij onwetend Gods grote plan tot vergeving van
zondaars evengoed uit! Israels regeerders hadden de wet gebroken en dove
oren gehad voor de profetïen die zojuist in deze synagoge waren gelezen;
en niettemin hadden zij deze, niet beseffend, toch vervuld. En toen zij
alles wat geschreven was met betrekking tot de kruisiging, vervuld hadden,
"namen zij Hem af van het hout en legden Hem in het graf, maar God
heeft Hem uit de doden opgewekt; Welke gezien is geweest, vele dagen
lang..." (V.29-31).
Zo
werden Gods plannen niet gedwarsboomd, noch Zijn Woord gebroken. De God,
Die "naar Zijn belofte aan Israel een Verlosser, Jezus
verwekte" (V.23), had nu de "belofte vervuld...die tot de
vaderen geschied is...als Hij Jezus verwekt heeft" (V.32,33).
De
aanhaling door Paulus van de twede Psalm hier is passend, want het was
niet door de vleeswording van onze Here, maar door Zijn opstanding, dat de
Vader plechtig het decreet uitsprak: "Gij zijt Mijn Zoon".
Dit wordt naarvoren gebracht in de openingsverzen van Romeinen, waar we
lezen:
"Die
krachtiglijk bewezen is te zijn de Zone Gods...uit de opstanding der
doden" (Rom.1:4).
De
uitdrukking, "de gewisse weldadigheden Davids" (cf.Jes.55:3)
verwijst naar die beloften aan David gedaan door goddelijk verbond, en wat
betreft de aanhaling van de zestiende Psalm, is Paulus' argument, net als
dat van Petrus in Hand.2, dat gezien Davids lichaam in de vergankelijkheid
gegaan was, en dat van Christus niet, David geprofeteerd
moet hebben betreffende Christus.
Daarom,
dat Israel, als volk, Christus had gekruisigd, en zelfs nu nog bij deze
verschrikkelijke daad bleef, had alles voortgang gehad volgens Gods
onveranderlijk plan. Christus was levend, ondanks Zijn vijanden, en
glorierijk capabel, en gereed, om te redden.
____________
*/voetnoot:
Het Woord van God was eerst, naar Hand.10:36, "gezonden tot de
kinderen Israels". Hier in Hand.13:26 wordt "het woord van deze
zaligheid" "gezonden" tot de "afstammelingen van
Abraham" en tot de heidenen onder hen, die "God vreesden".
In Hand.28:28 wordt "Gods redding gezonden tot de heidenen".
PAULUS'
LAATSTE VERMANING
"Zo
zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Dezen u vergeving der zonden
verkondigd wordt; "En
dat van alles, waarvan gij niet kondet gerechtvaardigd worden door de wet
van Mozes, door Deze een iegelijk die gelooft, gerechtvaardigd wordt.
"Ziet dan toe, dat over ulieden niet kome hetgeen gezegd is in
de Profeten:
"Ziet, gij verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik
werk een werk in uw dagen, een werk hetwelk gij niet zult geloven, zo het
u iemand verhaalt. - (Hand.13:38
De
slotwoorden van grote toespraken zijn meestal de belangrijkste van alles -
zeker waren zij dat in deze toespraak. Zij gaven de conclusie weer,
waarnaar de apostel vanaf het begin heenleidde, en toont, klaar en
nadrukkelijk, precies datgene, wat hij wenste dat zij zouden weten
Wij
vinden verwijzing naar de wet en de profeten, zowel aan het begin, als aan
het eind van deze synagogedienst (V.15,39,40). In de aanvang wordt de wet
en de profeten gelezen, en aan Paulus en Barnabas wordt gevraagd of zij
enige woorden ter vertroosting van het volk hebben. Paulus had een
woord ter vertroosting, zowel uit de wet, als uit de profeten. Na
aangetoond te hebben, hoe de Heiland, ofschoon gekruisigd en verworpen
door Zijn volk, weer levend is, vertroost hij zijn toehoorders: Door
Christus mogen zij zich verheugen in de VERGEVING der zonden, want DOOR
HEM, zijn allen die GELOVEN, GERECHTVAARDIGD VAN ALLE DINGEN, waarvan zij
NIET konden gerechtvaardigd worden door DE WET VAN MOZES.
En
hieraan voegt de apostel een slotvertroosting toe, om niet het
genadeaanbod te verachten, en zij zich niet zouden bevinden in de positie
van het Christus-verwerpende Israel. "Ziet dan toe, dat over ulieden
zulks niet kome" of "dat gij u in de situatie zoudt
bevinden" van hen, tot wie God nu moet spreken op dezelfde manier als
Hij heeft gesproken in Hab.1:5 (ofschoon de zaak verschillend was).
Hoe
toepasselijk waren de woorden uit Hab.1:5 op Israels situatie op dit
ogenblik! Zij hadden Gods goedheid veracht, en nu was God een werk aan het
doen wat zij niet konden geloven. Eigenlijk zeiden ze: "Maar Hij kan
de heidenen niet redden buiten ons om! Wat anders met alle Oud
Testamentische beloften? Niettemin zegende Hij de heidenen buiten
hen om - door de Christus die zij hadden verworpen, en zij konden slechts "Toezien...
en zich verwonderen, en verdwijnen." Nu vermaaant Paulus,
speciaal zijn Joodse toehoorders, om acht te geven, dat dit niet over hen
kome.
En
zo gebruikte de door de Geest geleide apostel de gelegenheid om zijn
toehoorders te vertroosten, beide vanuit de wet, en de profeten. Vanuit de
wet: "Vertrouw niet in de wet; vertrouw in Christus" Vanuit de
profeten: "Veracht niet het genadig aanbod."
Hoe
treffend is het verschil tussen het verslag van Petrus' eerste toespraak,
gehouden in Jeruzalem op Pinksteren, en die van Paulus, gehouden in deze
Pisidische synagoge!
Petrus
pleitte met Israel en haar bestuurders tot bekering en aanname van
Christus. Paulus zegt nu tot deze groep van verstrooide Joden en
God-vrezende heidenen: "Zij hebben Christus verworpen; gij neemt
Hem aan, anders deelt ge in hun oordeel" Petrus verklaarde dat God
Christus had opgewekt uit de doden om te zitten op de troon van David
(Hand.2:29-31); Paulus verklaart nu dat God Christus opwekte uit de doden opdat
door Hem de mens rechtvaardiging ontvangt door geloof, buiten de
wet om (Hand.13:38,39). De hoop van de ogenblikkelijke vestiging van
het aardse koninkrijk is uit
het gezicht verdwenen, en de bedeling der genade gaat dagen.
Maar
het meest treffend is het verschil in de twee eindconclusies.
Het
verslag van Petrus' Pinkstertoespraak aan het "gehele huis van Israel"
eindigt met de oproep:
"BEKEERT
U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT
VERGEVING DER ZONDEN..." (Hand.2:38).
Paulus'
toespraak eindigt met de verklaring, dat: "DOOR
DEZEN (CHRISTUS) U VERGEVING VAN ZONDEN VERKONDIGD WORDT;
"EN DAT VAN ALLES, WAARVAN
GIJ NIET KONDET GERECHTVAARDIGD WORDEN DOOR DE WET VAN MOZES, DOOR DEZEN
(CHRISTUS) EEN IEGELIJK DIE GELOOFT, GERECHTVAARDIGD WORDT"
(Hand.13:38,39).
Zeker
vormt de boodschap van Paulus, en speciaal de slotwoorden, een definitief
verlaten van het profetisch programma en de "grote opdracht".
Paulus bood niet dit volk het koninkrijk aan. Hij bood hun redding door
genade, of vergaan met het volk Israel.
Wij
zijn reeds meerdere malen beschuldigd van dwaalleer bij het aantonen, dat
Petrus, werkend onder de "grote opdracht" met Pinksteren, niet
"het evangelie van Gods genade" predikte, maar "het
evangelie van het koninkrijk". Niettemin schreef niemand minder dan
de Bijbelgeleerde Dr.James M.Gray, vroeger president van het Moody Bijbel
Institute, in zijn Christian Worker's Commentary:
"Petrus
richtte zich duidelijk tot de Joden, vóór het aanbod van het koninkrijk
ten slotte voor een tijd van hen werd teruggenomen, en bood vergeving aan,
op grond van bekering en doop. Maar Paulus sprak tot de heidenen zowel als
tot de Joden, en verkondigde het evangelie van genade, verschillend van
dat van het koninkrijk, en 'spreekt voor de eerste keer een waarheid, die
Petrus niet bracht'" (P.352).
DE
VERGADERING OPGEHEVEN
"En
als de Joden uitgegaan waren uit de synagoge, baden
de heidenen dat tegen den naasten sabbat hun dezelfde woorden
zouden gesproken worden.
"En als de synagoge gescheiden was, volgden velen van de Joden
en van de godsdienstige Jodengenoten Paulus en Barnabas; welke tot hen
spraken en hen vermaanden te blijven bij de genade Gods" -
(Hand.13:42,43).
Oude
handschriften verschillen veel met betrekking tot vers 42. Sommigen
ondersteunen de bovenstaande vertaling, andere lezen "toen zij uitgegaan
waren...baden zij" etc., hetgeen eenvoudig zou
betekenen, dat Paulus' toehoorders hem nog een keer wensten te horen.
Anderen vertalen, dat de Joden Paulus baden, dat de heidenen deze
woorden op de volgende sabbat zouden mogen horen. Textus Receptus,
echter, ondersteunt het bovenstaande, en met zicht op de contekst schijnt
dit wel de zin ervan te zijn. Uit de verzen 16 en 26 weten we, dat
diegenen aanwezig waren die, omdat zij God vreesden, minstens in zekere
zin, geen Joden waren, en blijkbaar geen proselieten in
Schriftuurlijke zin. We weten ook, uit de verzen 44,45 dat de volgende
sabbatdag bijna de gehele stad samenkwam om het Woord van God te horen, en
dat de Joden tot jaloersheid werden gewekt, toen zij zagen dat zovele
heidenen samenkwamen om Paulus te horen prediken.
Iets
van wat Paulus had gezegd in de synagoge, sprak de aanwezige Godvrezende
heidenen niet direct aan. Zij behoorden niet tot "dit volk Israel",
en konden de Joodse vaderen niet beschouwen als "onze vaderen".
Maar dit doet er weinig toe: Paulus betrok hen in zijn groet, omdat zijn
aanbod tot redding door Israels verworpen Christus, wel op hen
betrekking had (V.16,26,38,39). Het zou dan ook vanzelfsprekend zijn, dat
zij verlangend waren, dat andere heidenen deze dingen zouden horen. Dit
stemt overeen met de uitgesproken wens van de heiden Sergius Paulus, om
het Woord van God te horen, in de hiervoor behandelde passage. Tenslotte
komt het overeen met het feit, dat nadat de aanwezigen de synagoge hadden
verlaten, veel van de "Joden en van de godsdienstige
Jodengenoten" (apart genoemd), Paulus en Barnabas volgden. Opgelet,
dat in overeenstemming met Paulus' toespraak, Paulus en Barnabas nu deze
Joden en proselieten aansporen, om "te blijven bij de genade van
God" (V.43).
Een
vergelijking kan hier helpen, om aan te tonen hoe de bedeling van de
genade geleidelijk begint op te komen. Het woord genade, in het
origineel (charis), verschijnt minstens 20 maal in de vier evangeliën,
en dan zelden in verband met de leer der genade, terwijl het in de
Brieven van Paulus - veel minder volumineus -
wel meer dan 100 maal, en bijna altijd in verband met de leer der
genade verschijnt. Evenzo verschijnt het woord in het boek Handelingen (in
het origineel) slechts 5 maal vóór de opwekking van Paulus, en niet éénmaal
met betrekking tot de leer der genade, terwijl het na de
opwekking van Paulus 15 maal wordt gebruikt, meestal in verband met
de leer van genade.
Kort
na de bekering van Paulus werd Christus gepredikt tot de Grieken in
Syrisch Antiochië. Barnabas, gezonden om de zaak te onderzoeken, "werd
blij toen hij gezien had de genade van God", en vermaande hen
eenvoudig "bij de Here te blijven", en "ging
uit naar Tarsen om Saulus te zoeken" (11:23-25). Hier in
Pisidisch Antiochië vermanen Paulus en Barnabas de gelovigen, om "te
blijven bij de genade Gods" (13:43). In 14:3 blijven zij een "lange
tijd", vrijmoedig sprekende in den Here, Die getuigenis gaf aan het
woord Zijner genade". In 15:11 geeft ook Petrus toe, dat "door
de genade des Heren Jezus Christus" ook de Joden eenmaal gered
zullen worden op gelijke wijze als de heidenen. In Hand.20:24 zegt Paulus
over zijn verdrukkingen:
"Maar
ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat
ik MIJN LOOP met blijdschap mag VOLBRENGEN, en DEN DIENST WELKEN IK VAN
DEN HERE JEZUS ONT-VANGEN HEB, OM TE BETUIGEN HET EVANGELIE DER GENADE
GODS."
Dit
alles is niet te scheiden van Paulus' woorden in Eph.3:1-3:
"Om deze oorzaak ben ik, Paulus, de gevangene van Christus Jezus voor
u, die heidenen zijt." "Indien gij maar gehoord hebt van DE
BEDELING DER GENADE GODS, DIE MIJ GEGEVEN IS AAN U," "DAT HIJ
MIJ DOOR OPENBARING HEEFT BEKEND GEMAAKT DEZE VERBORGENHEID..."
Paulus'
verkondiging van redding door genade, door geloof, buiten de wet om
in de Pisidische synagoge, was in harmonie met zijn eigen speciale
opdracht om genade te verkondigen. Het was een verlaten van het
programma van profetie en van de "grote opdracht", en een stap
naar de onthulling van "het geheimenis".
Het
was echter slechts een stap. God had het volk Israel nog niet volledig
terzijde gesteld, en er moest nog meer worden geopenbaard van Gods eeuwig
doel en Zijn genade.
PAULUS
KEERT ZICH TOT DE HEIDENEN
"En
op den volgenden sabbat kwam bijna de gehele stad te zamen om het Woord
Gods te horen.
"Doch
de Joden de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken
hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende.
"Maar
Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig dat
eerst u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve
verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, zie, wij
keren ons tot de heidenen. "Want
alzo heeft ons de Here geboden, zeggende; Ik heb u gesteld tot een licht
der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der
aarde."Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en prezen
het Woord des Heren; en er geloofden zovelen als er geordineerd waren tot
het eeuwige leven.
"En het Woord des Heren werd door het gehele land uitgebreid.
"Maar de Joden maakten op de godsdienstige en eerlijke vrouwen
en de voornaamsten van de stad, en verwekten vervolging tegen Paulus en
Barnabas, en wierpen hen uit hun landpalen.
"Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen dezelve,
en kwamen te Ikonium.
"En de discipelen werden vervuld met blijdschap en met den
Heiligen Geest." (Hand.13:44-52).
DE
GESCHIEDENIS MET BAR-JEZUS HERHAALD
En
nu bewijst het verhaal van Bar-Jezus, dat dit typerend is geweest voor de
situatie die toen ontstond, en op grote schaal herhaald wordt. De heidenen
vragen om het Woord van God te horen. De Joden, jaloers vanwege hun eigen
positie, trachten het van hun weg te houden. Daarvoor worden de Joden ten
oordeel overgegeven, terwijl de heidenen de waarheid ontvangen, en zich
erin verheugen.
Het
feit dat op de volgende sabbatdag de gehele stad zich verzamelt om Paulus
aan te horen, geeft steun aan de vertaling van V.42, dat het Godvrezende heidenen
waren in de synagoge, die Paulus vroegen zich tot hen te richten. De
samenstroming van bijna de gehele stad, was klaarblijkelijk de reactie op
de aankondiging dat hij dat doen zou.
JOODSE TEGENSTAND
Zoals
echter gebruikelijk, versterkte dit de vijandschap van de Joden. Paulus,
die hen in hun synagoge toesprak waarbij enkele heidenen aanwezig waren,
was een punt, maar Paulus die een menigte van merendeels heidenen
toesprak, was heel wat anders. Vergetend dat zij brengers moesten zijn,
niet slechts objecten van Gods zegeningen, kwamen zij tot afgunst bij het
gezicht van deze grote menigte. Dit was reeds lang hun houding geweest ten
opzichte van de heidenen (Zie Luk.4:27,28; Hand.21:29-31; 22:21,22).
En
nu, zoals Bar-Jezus had gedaan in het geval van Sergius Paulus, trachtten
deze Joden de heidenen van het geloof af te houden, door "hetgeen van
Paulus gezegd werd" te weerspreken en te lasteren.
Hun
tegenspraak en laster was een bijzonder ernstige zaak in het licht van de
waarschuwing van onze Here, dat wie Hem zou lasteren of weerspreken zou
worden vergeven, maar ieder die de Heilige Geest zou lasteren of
weerspreken, zou nooit worden vergeven, niet in die tijd, noch in
de volgende eeuwen (Matt.12:31,32). Dit was vanzelf niet daarom, dat de
Heilige Geest een belangrijker lid van de Drie-eenheid was dan de Vader of
de Zoon, maar eenvoudig omdat de Heilige Geest het derde lid van de
Drie-eenheid was dat met hen doende was. Zij hadden de Vader verworpen in
het Oude Testament. Toen zond de Vader, de Zoon, en zij hadden Hem
verworpen, tegengesproken en gelasterd. Nu zond de Zoon, de Geest, en
"Pas op", zegt onze Here, want "indien gij Hem weerspreekt
of lastert, het zal u nooit vergeven worden".
De
Heilige Geest was met Pinksteren gekomen, op machtige wijze de apostelen
van Christus getuigenis gevend, maar de ongelovige Joden, speciaal de
regeerders, hadden hen bitter tegengestaan, weersproken en gelasterd. Nu,
hier te Antiochië in Pisidië, zien we hen hetzelfde doen. Later, te
Corinthië, "wederstonden en lasterden" zij opnieuw (18:6), en
hoewel deze preciese term niet altijd wordt gebruikt, zien we hen dit
doen, van Jeruzalem tot Rome toe. Zo was het, dat dit rebels geslacht in
Israel, de onvergeefelijke zonde beging, die hen nooit zal worden
vergeven. Als volk echter, wordt Israel getypeerd door Bar-Jezus, die
verblind werd "voor een tijd" (Hand.13:11 cf.Rom.11:25,26).
Met
het oog op de bittere tegenstand van de Joden tegen Paulus' verkondiging
van de waarheid, en het verlangen van de heidenen deze te ontvangen, bleef
er nu maar één koers of actie over; zij moesten zich vrijmoedig van de
Joden, tot de heidenen wenden. Zij moesten het evangelie tot de heidenen
brengen, ondanks het feit, dat de Joden het afwezen. En dit was nu juist
in de lijn van de lang verborgen bedoeling waarvoor God Paulus had
opgewekt. Want hoe kon Gods geopenbaarde doel, om de heidenen door
Abrahams vermenigvuldigd zaad te zegenen, door deze generatie van
Abrahams zaad worden vervuld, die Christus afwezen, en jaloers werden toen
de heidenen in Hem belangstelling toonden?
Zo
komen we tot nog een verlaten van het profetisch programma, zo
duidelijk weergegeven, dat we ons verwonderen, dat het mogelijk is dat
iemand het niet ziet. Laten we zorgvuldig de passage, woord voor woord
beschouwen:
"Maar
Paulus en Barnabas vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: HET WAS NODIG DAT
EERST TOT U HET WOORD GODS GESPROKEN ZOU WORDEN..." (Hand.13:46).
Opdat
we de verklaring van de apostel volledig mogen verstaan, vragen we eerst:
Waarom was het nodig dat het Woord van God eerst aan de Joden moest worden
gepredikt? Het antwoord is, omdat naar het Abrahamitisch verbond en alle
profetie, zij de kanalen van zegen naar de heidenen zouden zijn.
Petrus had dit zeer duidelijk gemaakt in zijn Pinksterboodschap, toen hij
zei tot de "mannen van Israel":
"Gijlieden
zijt kinderen der profeten en des verbonds, hetwelk God met onze vaderen
opgericht heeft, zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle
geslachten der aarde gezegend worden.
"God
opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Denzelven eerst tot u gezonden,
dat Hij ulieden zegenen zou, daarin dat Hij een iegelijk van u afkere van
uw boosheden" (Hand.3:25,26).
Het
was toen nodig, het Woord van God eerst tot de Joden te prediken, omdat
naar verbond en profetie, zij het kanaal zouden zijn, waardoor God
de heidenen zou zegenen. Maar laat ons doorgaan met de verklaring van
Paulus tot de Joden in Antiochië:
"Het
was nodig dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden;
DOCH..."
Geeft
dit woord "doch", een verandering aan in het programma, een
verlaten (al is het ook een tijdelijk verlaten) van de procedure die
uitgelijnd was in de profetie?
Maar
geeft dit aan, dat God gedwongen was Zijn plannen te wijzigen vanwege
Israels verwerping van Christus? In geen geval, want de apostel informeert
ons - en bewijst het - , dat dit verlaten van Zijn geprofeteerd programma,
was ingeplanned, maar geheim gehouden, "van vóór de grondlegging
der wereld" (Eph.1:4; 3:1-11; Col.1:24-27).
Betekent
het dan, dat God Zijn Woord niet kon, of niet wilde houden? Dat
zeker niet. Ten eerste blijft dezelfde Paulus, door de Geest, volhouden,
dat heel Israel toch zal worden gered, en de verbondsbeloften vervuld (Rom.11:25-29).
Zo blijkt het verlaten van het profetisch programma slechts
tijdelijk te zijn, een onderbreking ervan. Ten twede faalde deze
generatie van Abrahams zaad om een zegen te worden voor de heidenen,
niet vanwege Gods ontrouw aan hen, maar omdat zij zelf weigerden de
zegen aan te nemen. Paulus legt hier sterk de nadruk op, als hij zegt:
"DOCH
NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN DES EEUWIGEN LEVENS NIET
WAARDIG OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN."
Deze
passage heeft bij de vertaling iets van haar kracht verloren. Het woord
"verstoot" zou moeten zijn "verwerpt", zoals in een
andere vertaling. Terwijl de heidenen verlangend uitzagen naar de
waarheid, hadden de Joden deze verworpen. Ook de woorden "uzelven
niet waardig oordelen" betekent, dat door hun sterk tegenstaan
van het Woord van God, en hun lasteren ertegen, zij "het oordeel
op zich geladen" hadden, dat zij het eeuwig leven
"onwaardig" (niet waard) waren. Het woord "onwaardig"
is een sterk woord, het draagt de gedachte van grondig, en oneer, in zich.
Tenslotte bevestigt het woord "Zie", het feit, dat er
iets sensationeels plaats gaat vinden als Paulus aankondigt, dat hij zich
van de Joden tot de heidenen zal keren.
Zij
die zich nog steeds afvragen of hier sprake is van een verlaten van het
profetisch programma, dienen zorgvuldig en onpartijdig de volgende vragen
te beantwoorden: Is redding hier tot Israel gezonden vanwege Israels
aanname van Christus, of vanwege haar verwerping? Gaat het naar de
heidenen op basis van het Abrahamitisch verbond of door genade? Gaat het
volgens profetie of overeenkomstig het geheimenis?
Er
is maar één antwoord op elk van deze vragen. Paulus ging in Pisidisch
Antiochië uit van de profetische procedure. Hij deed iets dat nimmer
werd geprofeteerd, want de zegening van de heidenen door Israels verwerping
van Christus, is nimmer ergens voorspeld in de profetische Geschriften
(Zie Rom.11:11,12,15,25,32,33).
Hier
hebben we precies de kern van datgene wat Paulus elders noemt "het
geheimenis". God die zegen zendt tot de heidenen door Christus,
ondanks het falen van Zijn volk, inderdaad, door hun val (Zie Rom.11:11-15).
God werd niet gehinderd door menselijk falen. Wat een obstakel scheen,
bewees juist het middel te zijn waardoor Hij Zijn eeuwig doel en genade
kon ontplooien.
Met
betrekking tot dit kostbaar geheimenis zei Dr.H.A.Ironside:
"Mochten wij toch meer volledig ingaan, binnen datgene wat zo
kostbaar is van Zijn grote hart vol liefde." (Mysteries of God,P.60).
"Dienaars van Christus dienen overbrengers te zijn van Gods
geheimen, niet alleen predikers van wat mensen zo dikwijls 'het eenvoudig
evangelie' noemen" (Ibid.,P.15).
En
William R.Newell voegde hieraan zijn getuigenis toe:
Ik wenste wel, dat wij genade mochten ontvangen om deze geweldige
boodschap vandaag fel te verdedigen, zowel voor vijanden, als voor haar
echte vrienden die deze tot nu toe nog niet zo duidelijk zien; die,
evenals Petrus (Gal.2) door angst voor anderen, bereid zijn om water bij
de wijn te doen, en het Evangelie van Christus verlagen" (Paul vs.
Peter,P.15).
En
wat betreft de algemene onwetendheid van deze kostbare waarheid, schreef
Dr.Ironside nogmaals:
"Ongetwijfeld ligt de schuld bij de voorlichters, die bekennen
Christus' dienaren te zijn, maar alles behalve doorgevers van Gods
geheimenissen (Mysteries of God,Pp.17,18).
Ik
wenste wel dat deze mannen meer in deze waarheden zouden zijn doorgegaan,
en de Kerk "meer volledig zouden leiden...in datgene wat zo kostbaar
is in Gods liefdehart".
Maar
de vraag kan worden gesteld: Als we hier een verlaten van de profetie
hebben, waarom voegt Paulus dan toe:"WANT
ALZO HEEFT ONS DE HERE GEBODEN, ZEGGENDE: IK HEB U GESTELD TOT EEN LICHT
DER HEIDENEN, OPDAT GIJ ZOUDT ZIJN TOT ZALIGHEID, TOT AAN HET UITERSTE DER
AARDE" (Hand.13:47).
De
apostel bedoelt hier niet, dat de heidenen nu redding ontvangen
overeenkomstig het programma volgens profetie, want hij heeft zojuist een
verlaten van dit programma aangekondigd. De zegen voor de heidenen door
Israel, zal moeten wachten tot een toekomstige dag.
Paulus
wijst hier eenvoudig aan, dat God Christus had "gesteld" tot
"een licht der heidenen", en "tot redding tot aan het
uiterste der aarde", en dat Hij het zo wilde, niettegenstaande
Israel. Omdat Israel weigerde het kanaal tot zegen der volkeren te
zijn, zegende God nu de volken direct door Christus, los van Israel, en
Paulus werd "bevolen", dit feit bekend te maken.
Het
is waar, dat de gebeurtenis in Pisidisch Antiochië slechts van
plaatselijke aard was, maar niettemin was het een typerend geval. In
vervulling van de profetie, was aan het volk Israel
het
grote voorrecht aangeboden, het kanaal te mogen zijn waardoor alle volken
van de aarde zouden worden gezegend. Toen Israel het aanbod afwees, werd
redding en zegen tot de heidenen gezonden eenvoudig door genade, door het
volbrachte werk van Christus, en Israel werd, net als Bar-Jezus, verblind.
Paulus had zijn toehoorders in de Pisidische synagoge gewaarschuwd
"toe te zien", dat over hen niet zou komen, wat reeds begonnen
was te komen over het volk als geheel. Maar zij hadden de waarschuwing
niet in acht genomen en, net als hun leiders, waren zij zonder excuus.
De
heidenen waren blij dat Paulus en Barnabas tot hen gekomen waren met de
blijde boodschap, en velen van hen werden echt gered. De waarheid was
werkelijk zo aangeslagen, dat zij "werd uitgebreid door het gehele
land" (V.49). Maar de Joden verwekten zo'n weerstand en vervolging
tegen Paulus en Barnabas, dat zij tenslotte gedwongen werden de omsstreken
te verlaten en naar Iconium te gaan, nadat zij eerst het stof van hun
voeten tegen hun vervolgers hadden afgeslagen, als teken dat de
verantwoordelijkheid voor hun gedrag geheel aan hun kant was, en dat God
hen voor hun rebellie zou oordelen (Cf.Matt.10:14,15; Mark.6:11; Luk.9:5).
Deze
vervolging te Pisidisch Antiochië wordt ongetwijfeld bedoeld in
2Tim.3:11, waar de apostel schrijft over: "vervolgingen,
lijden, zulks als mij overkomen is in Antiochië, in Iconium en in Lystre;
hoedanige vervolgingen ik geleden heb, en de Here heeft mij uit alle
verlost."
Maar
de Here is niet alleen krachtig om te verlossen uit lijden; Hij is
ook getrouw om te helpem in lijden.De discipelen die Paulus moest
achterlaten, waren verre van ontmoedigd. Zij waren eerder "vervuld
met blijdschap en met den Heiligen Geest" (V.52). Het is altijd
een vreugde om voor Christus te mogen lijden. Slechts een korte tijd
tevoren waren de apostelen uit de besnijdenis te Jeruzalem op de meest
laffe manier geslagen, en
'gingen
heen van het aangezichts des Raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig
geacht geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden" (Hand.5:41).
De Thessalonisenzen later "hebben het Woord aangenomen in veel
verdrukkingen, met blijdschap des Heiligen Geestes" (1Thess.1:6).
Inderdaad zegt de apostel Paulus:
"Want
u is uit genade GEGEVEN in de ZAAK VAN CHRISTUS, niet alleen in Hem te
geloven, maar ook voor Hem te LIJDEN" (Phil.1:29).
Hij
noemt ons tegenwoordige lijden voor Christus "de gemeenschap Zijns
lijdens", en verlangt ernaar het te ervaren (Phil.3:10),
"verblijdt" zich erin, omdat het vervult in zijn vlees, de
overblijfselen van de verdrukkingen van Christus (Col.1:24).
Wat
een gezegende gedachte! Hoewel Christus nog steeds "door mensen
verworpen" wordt, besluit Hij hen te oordelen, maar in genade blijft
de Koninklijke Banneling weg, en zendt ons, Zijn ambassadeurs, uit, om de
verzoening te verkondigen, en het weinige lijden dat wij dragen, is Zijn
lijden - is dat wat blijft van Zijn verdrukkingen als de verworpen
Christus. Hoe zoet is de gemeenschap aan Zijn lijden!
|