"Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij de
dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd
werd Markus.
"En er waren te Antiochië in de gemeente die daar was, enige
profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius
van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en
Saulus. "En als zij de Here dienden en vastten, zeide de Heilige
Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe ik hen
geroepen heb.
"Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd
hebbende, lieten zij hen gaan."
- (Hand.12:25-13:30).
DE KERK TE ANTIOCHIE
STEVIG GEGRONDVEST
Na het volbrengen van hun boodschap aan de
behoeftige Judese heiligen, keerden Barnabas en Saulus terug van
Jeruzalem, terwijl zij Johannes Markus, neef van Barnabas (Hand.4:10), en
zoon van de Maria bij wie, kort tevoren, thuis de gebedsbijeenkomst voor
Petrus gehouden was, meenamen (Hand.12:12). We zullen later meer over
Johannes Markus horen.
De
gemeente te Antiochië nu, was stevig gegrondvest geworden. We
hebben reeds aangaande Barnabas en Saulus geleerd, dat voorafgaand aan hun
vertrek uit Jeruzalem, "zij een geheel jaar tezamen vergaderden in
de gemeente (in Antiochië), en een grote schare leerden" (11:26).
Nu lezen we, dat bij hun terugkomst drie anderen met hen dienden, en het
woord "as" ("zoals" K.J.V. 13:1), kan erop duiden, dat
er nog meer waren. Onder deze met name genoemden, vinden we zelfs Manahen,
de zoogbroeder van de Herodes, die Johannes de Doper onthoofd had.
DE PLAATS VAN HAND.13:1-3
IN BEDELING
En toch was dit nog maar het begin van het nieuwe
werk dat God deed onder de heidenen. God had Zijn bemoeienis met het volk
Israel niet besloten. Door het overige deel van Handelingen heen, zullen
we danook zien, dat het oude programma geleidelijk vervaagt, terwijl het
nieuwe geleidelijk wordt ingevoegd.
Dat het oude programma pas begon om ruimte te maken
voor het nieuwe is duidelijk uit verschillende details die hier worden
vermeld.
Ten eerste lezen we, dat er profeten aan het hoofd
van de kerk in Antiochië staan.
Een profeet was niet noodzakelijk, iemand die de toekomst
voorspelt, zoals over het algemeen wordt verondersteld, - hoewel
voorspelling een element is dat meermalen in profetie wordt gevonden -
maar eerder iemand die sprak voor God. De profeet, in zowel Oude-
als Nieuw Testamentische zin van het woord, was Gods spreekbuis. De
uitdrukking "Zo spreekt de Here", verbinden wij
vanzelfsprekend met profetie. Op Pinksteren werd uiteraard de gave van
profetie rijkelijk geschonken, binnen het verband met de
uitstorting van de Heilige Geest. Wij dienen niet te aan te nemen, dat
zij, die nu het geschreven Woord van God verkondigen, profeten zijn
in de ware Schriftuurlijke zin, want zowel Oud- als Nieuw Testament geven
aan, dat profetie een bovennatuurlijke gave was, waardoor God Zijn
wil bekend maakte, omdat immers het geschreven Woord onvolledig bleef.*/[i]
_______
*/voetnoot: Dit wil niet zeggen dat leren of vermanen
vanuit het geschreven Woord niet was opgenomen in hun bediening.
In Oud Testamentische tijden ontvingen de profeten
geregeld hun boodschappen door visioenen of andere middelen van goddelijke
gemeenschap. In de passage die wij hier bezien, is dit nog veelal zo, en
nog meer, want op Pinksteren gaf God aan bepaalden van Zijn heiligen, de
bovennatuurlijke "gave" van profetie (Rom.12:6;
1Cor.12:8-10 en cf. 1Cor.13:8-13).**/[ii]
Wat Openbaringen betreft, deze werden ongetwijfeld
door Johannes, een tijd na de dood van Paulus, geschreven, maar Openbaringen ontwikkelen de details van het profetisch
programma verder, tot bijzondere verlichting van hen, die zullen leven
wanneer deze dingen gaan gebeuren. Zo is het dus Paulus, niet
Johannes, die verklaart dat het hem gegeven werd om "het Woord van
God te vervullen" (completeren), t.w. leerstellig, door de
openbaring van het geheimenis (Col.1:24-26).
Saulus, één van de profeten, genoemd in de passage die
we beschouwen, was echter meer dan een profeet. Hij was tevens een apostel,
en dat in de primaire betekenis van het woord, want hij had zijn
boodschap ontvangen door openbaring van Jezus Christus Zelf
(Gal.1:11,12).*/[iii]
Het was toen passend, dat God "profeten", zowel
als leraars, aan de gemeente te Antiochië zou geven, want dit was het
begin van het grote werk dat God ging doen onder de heidenen. Naast Paulus
zelf, die met bijzondere autoriteit sprak, was het nodig dat er ook
anderen zouden zijn, die door openbaring van de Geest, zijn woord konden
bevestigen, en alzo helpen om de heiligen in Gods genade te versterken (Cf.
hierbij Eph.3:1,3,5).
In verbinding met de gave van profetie, lezen we verder,
dat "de Heilige Geest zeide..." (13:2), dat is, Hij
openbaarde Zijn wil aan de leiders te Antiochië door directe
gemeenschap. Dit was in volstrekte harmonie met de gave van profetie.
Wij herinneren ons nu hoe, in het geval van de andere Saulus, Israels
eerste koning, de profeet Samuel op dezelfde wijze goddelijke instructies
ontving, toen "de Here tot hem zeide, Zie, dit is de man van
welken Ik u gezegd heb!" (1Sam.9:17).
We
dienen natuurlijk duidelijk te verstaan, dat bovennatuurlijke gaven van
"profetie" en van "kennis", reeds lang voorbij zijn.
Wat deze gaven betreft, verklaarde de Apostel Paulus, toen zij nog
bestonden: "...MAAR HETZIJ PROFETIEN
ZIJ ZULLEN TENIETGEDAAN WORDEN, HETZIJ TALEN, ZIJ ZULLEN OPHOUDEN; HETZIJ
KENNIS, ZIJ ZAL TENIETGEDAAN WORDEN (1Cor.13:8). "EN NU BLIJFT GELOOF, HOOP EN LIEFDE, DEZE DRIE; DOCH DE
MEESTE VAN DEZE IS DE LIEFDE (1Cor.13:13).
De
Heilige Geest heeft dus de gaven van "profetie" en
"kennis" teruggetrokken, samen met de andere bovennatuurlijke
gaven. Thans moeten wij oppassen voor diegenen, die beweren op gezag van
een speciale openbaring te spreken, en evenmin moeten wij verwachten, dat
de Heilige Geest in directe verbinding tot ons zal spreken.
Vele
verkeerde stappen zijn genomen door ernstige gelovigen, omdat emotionele
reakties ten onrechte werden aangezien voor feiten, en er onschriftuurlijk
werd verondersteld: "De Here heeft mij gezegd", doe
dit of doe dat. Verstaan van de Schriften, leidt tot de erkenning, dat
"gave van kennis" is teruggenomen. De Geest verbindt niet op
wonderlijke wijze de kennis van Zijn Woord met bepaalde individuen, of met
hen die daarom vragen.
_______
**/voetnoot: Men kan uiteraard beweren, dat het geschreven
Woord ook in Hand.28 niet compleet was, maar gezien vanaf de basis was het
dat wel, want de fundatie van de grote openbaring aan Paulus was toen
reeds gelegd. De gevangenisbrieven ontwikkelen eenvoudig het thema, dat in
de eerste Handelingen naar voren wordt gebracht verder: het geheimenis van
Gods doel aangaande het samengevoegde lichaam, dat reeds tot stand was
gebracht. Ook Eph.3:5 laat de volmaakte strekking zien in de uitdrukking
"gelijk zij nu is geopenbaard aan
Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest". Het blijkt dan ook
niet noodzakelijk, dat na Hand.28 de gave van profetie zou doorgaan.
________
**/voetnoot: Die hem reeds was verschenen op de weg naar
Damaskus (1Cor.15:8,9; Hand.26:16), te Jeruzalem (Hand.22:17,18), en
waarschijnlijk meerdere malen gedurende zijn verblijf in Arabië
(Gal.1:17).
Dat
Johannes zelf de "gave" van profetie had, zo lang na de
dood van Paulus, geloven wij niet. Er is een verschil tussen de
"gave" van profetie, en het werk van de Heilige Geest, die
mensen er toe brengt de Schriften te schrijven.
Alleen door trouw gebed, en ijverige studie van het
Woord is het, dat de Heilige Geest ons zal verlichten en toerusten als
werkers, door God beproefd, die niet beschaamd zullen behoeven te staan,
het Woord der waarheid recht snijdend (2Tim.2:15). Er
zijn drie andere dingen in deze passage die ook dienen te worden bezien in
het licht van bedelingen-waarheid, ook al vallen zij onder een enigszins
verschillende categorie:
"En
als zij de Here dienden" (13:2). Het oorspronkelijke woord voor
"dienden" (leitourgeo) wordt gebruikt in verbinding met
de dienst van de priesters in Oud Testamentische tijden, en daardoor wordt
verondersteld door sommigen, dat de gedachte hier is, dat de leiders van
de kerk te Antiochië zich bezig hielden met de
betrachting van Judaïstische ceremoniën.
Maar
het eigenlijke woord leitourgeo heeft geen rituele nevenbetekenis.
Het betekent eenvoudig dienen, en wordt gebruikt bij financiele
hulp (Rom.15:27; Phil.2:25,30), of engelen-hulp (Hebr.1:14), of
evangelie-dienst (Rom.15:16) etc. Evenmin tast het feit, dat ons woord liturgie
afgeleid is van dit woord, haar Schriftuurlijke betekenis aan, want
het originele ontvangt niet zijn betekenis van het afgeleide, maar het
afgeleide van het origineel. Zo komt dus ons woord liturgie van het
Griekse leitourgeo, dat eenvoudig betekent dienst. Deze
gelovigen in Antiochië toen, dienden heel eenvoudig de Here. Er is
geen enkele aanleiding om hen verder in het oude programma terug te
voeren, dan zij waren!
Ook
het vasten hier wordt door sommigen gedacht als te behoren tot de
wet van Mozes, terwijl in feite de wet van Mozes vasten niet gebiedt. Er
bestaan echter vele gevallen van vrijwillig vasten in de Geschriften vóór
Paulus, en het is ook waarschijnlijk, dat zij die zaten "in de stoel
van Mozes", periodes van vasten hadden voorgeschreven, en deze
toegevoegd aan de wet. Zo kreeg de praktijk een Judaistische kleur. Over
het algemeen echter, was vasten een heel gewone zaak. Veelal was het
eenvoudig de last tot bidden voor een diepe nood, die de smekelingen er
toe bracht, om vrijwillig afstand te doen van hun maaltijden. Op andere
tijden was het, het bezig zijn met Gods Woord. Job zei: "de
redenen Zijns monds heb ik meer dan het mij bescheiden deel
weggelegd" (Job.23:12). Hierin is niets dat in tegenspraak is met
de bedeling waarin we nu leven, en het is zeker altijd God welbehaaglijk,
als Zijn volk zo ernstig geoefend is in geestelijke zaken, zo intens bezig
met gebed of onderzoek van het Woord, dat zij de gedachte aan voedsel
veronachtzamen of voor een tijd opzij zetten.
Aan de
andere kant, kan geen gelovige in deze bedeling van genade, zichzelf opleggen
om voorgeschreven vastentijden na te komen, zonder onder de
dwang en veroordeling van wetticisme te komen (Gal.4:9,10; 5:1.13;
Col.2:20,21). Noch zal vasten iets voltooien als middel om onze
geestelijkheid te versterken, of om zegen van God te
verkrijgen(Col.2:20-23).*/[iv]
Het
opleggen der handen in deze passage is ook een zaak, die dient te worden
beschouwd in het licht van de waarheid der bedelingen.
Het
is waar, dat gedurende de tijd van Handelingen de Heilige Geest, of een
speciale gave van de Geest, werd overgedragen door oplegging van handen
(Hand.8:18, etc.). Niettemin was niet de handoplegging op zich,
noodzakelijk om iets wonderlijks tot stand te brengen. De praktijk, zowel
in het Oude- als Nieuwe Testament, betekenden eenvoudig identificatie
(bevestiging).
Zeker
is, dat de "handoplegging" waar Heb.6:2 naar verwijst, niets
wonderlijks bevatte. Het was eenvoudig de hogepriester die zichzelf en
zijn volk identificeerde met de bok, en hun zonden symbolisch op het hoofd
van de bok legden (Lev.16:21). Evenmin is er enige aanwijzing, dat de
leiders in Antiochië, aan Barnabas en Saulus, hun superieuren, enige
wonderkrachten mededeelden, door hun de handen op te leggen. Ook zien we
niets ritueels in de handoplegging hier, of iets meer dan er was,
in het drukken van de broederhand der gemeenschap met Paulus en Barnabas
door Jakobus, Cephas, en Johannes in Gal.2:9. Wat de leiders in Antiochië
hier deden, was eenvoudig zichzelf in het openbaar identificeren met
Barnabas en Saulus in de dienst, die deze twee zouden gaan ondernemen, op
deze manier bevestigend, dat zij hun roeping in deze bediening erkenden,
en dat zij achter hen stonden.
PAULUS, NIET WERKEND ONDER DE "GROTE OPDRACHT"
"De Kerk is ten laatste voorbereid, na meer dan zestien jaren,
om formeel en weloverwogen, haar werk te beginnen onder de heidenen".
Dit is de visie, die een commentator heeft op de openingsverzen van
Hand.13, en dit is ook de gebruikelijke visie van de Fundamentalisten.
Deze visie vindt haar oorsprong in het ongefundeerde begrip, dat onder de
zogenaamde "grote opdracht", de elven (later tot twaalf
gemaakt), uitgezonden werden om "het evangelie van Gods genade"
te prediken.
Zij bewezen echter ontrouw te zijn aan hun opdracht,
vanwege hun "bekrompen vooroordeel tegen de heidenen", en dat
het daardoor voor God nodig was om Paulus op te wekken, en hem tot
de heidenen te zenden.
Dit ook, ondanks het ernstig beroep dat Petrus deed op
Israel om te bekeren, zo dat heil en zegen tot de heidenen zou kunnen
gaan! (Hand.3:19-26). Dit, ofschoon Judeese oudsten "God
verheerlijkten", toen Petrus uitgelegd had, hoe het
huisgezin van Cornelius gered was geworden! (Hand.11:18). Dit, hoewel de
kerk in Jeruzalem Barnabas had gezonden om het nieuwe werk onder de
heidenen in Antiochië te begeleiden (Hand.11:22), en hoewel Barnabas,
toen hij kwam, en gezien had de genade van God, zich verheugde, en
hen allen vermaande "met een voornemen des harten bij de Here te
blijven" (Hand.11:23). Dit zelfs, ondanks dat Paulus' verslag aan de
leiders te Jeruzalem omtrent "de bekering van de heidenen...al den
broederen grote blijdschap aandeed" (Hand.15:3).
In
zijn Silence of God, zegt Sir Robert Anderson met betrekking tot
het feit dat de Pinkstergelovigen tot dusver alleen tot de Joden gegaan
waren:
"...als
er zijn die dit toerekenen aan Joods vooroordeel en onwetendheid, mogen
zij direct dit boek terzijde leggen, want hier wordt beweerd, dat de
apostelen van de Here, die spraken en handelden in de gedenkwaardige dagen
van Pinksterkracht, goddelijk geleid werden in hun werk en
getuigenis" (Pp.76,77).
Het is
wel vreemd, dat dezelfde commentators die ons vertellen dat de twaalven
faalden om hun opdracht uit te voeren, omdat zij "vleselijk"
waren, en "ontrouw", gewoonlijk ook zeggen, dat indien
wij maar net zo geestelijk en trouw waren als de twaalven, we ook dezelfde
kracht als zij zouden ervaren!
De
Pinksterbediening van de twaalven beschouwende, zegt Anderson opnieuw:
"De
apostelen werden goddelijk geleid om te verklaren, dat als, en juist toen,
de "mannen van Israel" zich bekeerden, hun Messias terug zou
keren, om aan hen alles te vervullen wat hun eigen profeten hadden
voorspeld en beloofd, aangaande geestelijke en nationale zegen.
"Om
dit te brengen als Christelijke leer, of de oprichting van 'een
nieuwe religie', is even misleidend als Judaisme en Christenheid. De
sprekers waren Joden - de apostelen van Iemand die Zelf 'een dienaar der
besnijdenis' was. Hun toehoorders waren Joden, en zij werden als Joden
aangesproken. De Kerk van Pinksteren die was gebaseerd op hun getuigenis,
was door en door, en helemaal Joods" (The Silence of God,
Pp.74,75).
Let
wel, dat Anderson hier zegt, dat zij in dit alles "goddelijk
geleid" werden. De aanname dat de twaalven nalatig waren in hun
plicht, en niet wensten heil te brengen aan de heidenen, is niets
beter dan de visie van de Modernist-prediker, die onlangs schreef:
"De Meester zelf was eerst eng en beperkt in zijn visie. Herinner hoe
hij zijn discipelen bad: 'Ga niet op de weg der heidenen...maar ga
eerder naar de verloren schapen van het huis van Israel'. Maar later
verruimde hij ook door ervaring zijn inzicht, en verwees deze zelfde
discipelen: 'Ga dan heen, en onderwijs alle volken."
_______
*/voetnoot: Terwijl wij dit schrijven, melden de kranten
de dood door verhongering van een pastor in Missouri, na een vasten van 51
dagen. Een aantekening die zijn bedoeling verklaart, luidt: "Ik zoek
naar de meer volmaakte wil van God over mijn eigen leven en vraag God mij
te openbaren, waarom de tekenen niet volgen op mijn bediening, zoals Jezus
zei, dat zou geschieden". Dit is slechts één van de ziekelijke
resultaten van de populaire prediking, dat de opdracht aan Petrus en de
elven, inplaats van die uit 2Cor.5:14-21, onze "marsorders"
bevat.
Deze
Modernist maakt dezelfde fout, voor wat betreft Matt.10:5,6, die onze
Funamentalistische broeders maken t.o.v. de "grote opdracht". Beiden
vergeten, dat vóór de opwekking van Paulus, alles gebaseerd
was op het grote Abrahamitisch Verbond en de Oud Testamentische beloften,
dat door Israel de volkeren zouden worden gezegend (Gen.22:17,18;
Jes.60:1-3; etc.). Dit is de reden waarom onze Here Zich concentreerde op
het tot bekering en redding brengen van Israel, en dit is het waarom de
bediening der apostelen onder de "grote opdracht" aanving met
Israel (Luk.24:47; Hand.1:8). Het ene grote verschil tussen de opdracht in
Matt.10 en die, gegeven na de opstanding is, dat die welke gegeven werd na
de opstanding, er van uitging dat Israel zich nu zou bekeren, en dat
redding kon worden verkondigd onder de heidenen.
Maar
dit alles verschilt, en staat apart, van de later gegeven opdracht aan de
apostel Paulus. De verheerlijkte Here had Paulus niet geroepen om een
opdracht te vervullen waarin de twaalven gefaald hadden, om die uit te
voeren. Hij had Paulus opgewekt om een ander werk te doen, een werk
dat in de opdracht aan de twaalven niet was voorzien. De twaalven was
opgedragen om alle volkeren aan de voeten van de Messias te brengen, te
beginnen met Israel (Luk.24:47; Hand.1:8; 3:25,26). Paulus werd,
onder een nieuw programma, uitgezonden om genade te verkon-digen aan de
volken wegens Israels verwerping (Hand.22:17-21; Hand.13:45-47). De
bediening van de twaalven was gebaseerd op de hoop van Israels
antwoord op de roep tot bekering en Messias' spoedige wederkomst om te
regeren als koning. Paulus' bediening was gebaseerd op Israels
voortdurende onberouwelijkheid en de uitstorting van genade door de
verworpen - en verheerlijkte - Here.
In
1Cor.15:5,8 spreekt Paulus van zichzelf, apart van de twaalven. Hij werd
eerst geroepen op de weg naar Damaskus, ver van Jeruzalem, geheel apart
van het gezagsgebied van de twaalven, en onafhankelijk van hun "grote
opdracht". En nu wordt hij uitgezonden, "ver weg" in
heidens land, door de gemeente van Antiochië, weer geheel apart
van het gezag en het gebied van de twaalven, en onafhankelijk van hun
"grote opdracht". Metterdaad was één van de twaalven reeds
gedood.
HET BEGIN VAN DE HUIDIGE BEDELING
Er is reeds
veel geschreven over de kwestie van het historisch begin van de bedeling
van genade, en van het lichaam van Christus*/[v],
maar het is goed, dat we zorgvuldig rekening houden met leerstellige en
geestelijke gevolgen van deze zaak, anders verwarren we groot met klein,
en kunnen dan onverschillig worden voor ernstige dwalingen aan de ene
kant, of kibbelen over kleinigheden aan de andere kant.
Zoals we reeds aangetoond hebben, is het een ernstige dwaling om
vast te houden, dat de nieuwe bedeling begon met Pinksteren, met Petrus en
de elven, werkende onder de "grote opdracht".
Deze
dwaling ontkent de absolute verscheidenheid van Paulus' apostelschap, en
maakt zijn bediening tot een voortzetting van die van de twaalven. Zij
maakt van hem eenvoudig een toegevoegd apostel, eveneens geroepen
om te werken onder de "grote opdracht", ondanks dat van hem
wordt verondersteld, dat hij de waarheden, waartoe de twaalven gezonden
werden om die te verkondigen, "verder ontwikkeld" heeft.
Deze
dwaling ligt aan de wortel van de verwarring die de Kerk reeds gegrepen
heeft, vanaf het tijdstip dat zij van Paulus afkeerde aan het einde van
het apostolisch tijdperk. Het is de reden van het debat tussen
Fundamentalistische leiders vandaag over het opvolgen nu, van "welke
van de opdrachten" (in de Evangeliën en De Handelingen). Het
verklaart waarom, na negentienhonderd jaren, de leiders van het
Fundamentalisme nog steeds oneens zijn over wat onze opdracht is, of wat
wij precies moeten doen en leren.
Het
heeft geresulteerd in eindeloze strijd en verdeeldheid over waterdoop, het
werk van de Heilige Geest, en de wederkomst van Christus - zaken die
spoedig worden opgelost, als de onderscheiden bediening van Paulus wordt
erkend. Het meest dubieuze moderne product van deze dwaling is geweest,
het Pinkster-fanatisme dat de "christelijke" wereld heeft
meegesleept, op de vleugels van het argument van het fundamentalisme, dat
we de "grote opdracht" moeten opvolgen, en op haar oproep: "terug
naar Pinksteren!".
Mr.A.E.
Bishop, heeft in zijn pamflet, Tongues, Signs and Visions, heel
juist gezegd: "Is
het de Geest van God, of van Satan, die de ogen van ernstige Christenen
terugvoert naar Pinksteren, en weg van het doel dat hen is voorgesteld in
Ephesiërs, Philippenzen en Colossenzen?"
En
Dr.
Lewis Sperry Chafer heeft terecht geredeneerd:
Maar
de leer, dat de tegenwoordige bedeling, of het Lichaam van Christus,
historisch niet eerder begon dan na het slot van Handelingen, is even
verkeerd. Want omdat het Satan gelukt is, aan de ene kant, de grote
openbaring van de verheerlijkte Here te verwarren en te verduisteren,
is het hem aan de andere kant gelukt, deze in tweeën te delen,
zodat wordt veronderstelt, dat Paulus' eerste brieven niet gericht zijn
tot de leden van het samengevoegde Lichaam, maar "hoofdzakelijk
Joods" zijn, en deze "de regering van het koninkrijk van
Christus beogen". In ons boek The Fundamentals of
Dispensationalism, hebben we deze vergissing breedvoerig behandeld en
aangetoond, dat niet alleen Paulus' eerste bediening, overeenkomstig het
verslag in Hande-lingen, in de eerste plaats tot de heidenen was, niet tot
de Joden, maar ook, dat al zijn eerste brieven, gericht waren
aan heidenen in het vlees. Maar hier is het voldoende te zeggen,
dat de ernst van deze fout ligt in het feit, dat zij ontkent dat Paulus'
eerste brieven geschreven werden met het oog op het geheimenis, en het
samengevoegde Lichaam; dat deze inderdaad in het bijzonder betrekking
hebben op ons allen. Zo wordt de gelovige beroofd van juist die waarheden,
die het fundament vormen van het geheimenis, en bedoeld waren voor zijn
instructie en gehoorzaamheid ls lid van het Lichaam van Christus.
Hand.28
kenmerkt een einde, niet een begin. Daar spreekt God, door Paulus, het
oordeel uit over het volk Israel (Hand.28:25-28). Maar hieruit volgt niet,
dat de nieuwe bedeling op die tijd begon. Zij die dit beweren, zien niet
de ontwikkeling, de golf van voortgang, in de onthulling van Gods
wonderbaar plan. De eerste brieven van Paulus, en het latere gedeelte van
Handelingen, brengen een overvloedige hoeveelheid bewijs, dat de nieuwe
bedeling geleidelijk opkomt, zoals de oude geleidelijk verdwijnt
(Zie Hand.13:38-41,46,47; 15:1-29; 18:6; 20:24,32; 28:28; Rom.1:13-16;
3:21-28; 11:32,33; 1Cor.1:17,18,23; 2:6,7; 2Cor.5:14-21; Gal.2:2,7,9; etc.).
De
bediening van Paulus in tweëen te delen (zoals de Hand.28 theorie dat
doet) is net zo serieus als deze te verwarren met die van de twaalven
(zoals de Hand.2-theorie doet). Beide theoriën knoeien met wat de Schrift
leert over Paulus' onderscheiden bediening en gezag.
Omdat
de Hand.2-theorie de absolute onderscheiding van Paulus' apostelschap en
bediening ontkent, door de bewering dat de twaalven onder de "grote
opdracht", "het evangelie van Gods genade" predikten, zoals
Paulus dit naderhand deed, doet de Hand.2-theorie hetzelfde, door haar
bewering dat Paulus "het evangelie van de besnijdenis" predikte,
zoals de twaalven gedaan hadden. Maar nergens lezen we dat Paulus "twee
evangeliën" had, één verkondigd vóór het slot van
Handelingen, en het andere later. In zowel de eerste en latere brieven
heet het "mijn evangelie", in enkelvoud (Rom.2:16;
2Tim.2:8), en het schijnt ons, dat de vloek van Gal.1:8,9 zwaar moet
rusten op hen, die zijn evangelie in tweeën delen, zowel als op hen, die
het verwarren met de Pinksterboodschap.*/[vi]
_____
*/voetnoot: Er bestaat geen noodzaak om het geheimenis van
het Lichaam te scheiden van de bedeling van genade, want het geheimenis is
de bedeling van genade, duidelijk uit Eph.3:2,3: :"Indien gij maar
gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u,
Dat Hij mij, door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid."
Aldus is het Lichaam (het voorwerp van het geheimenis), het product van de
bedeling van genade. Gelovige Joden en heidenen werden, door genade en op
basis van Christus' volbrachte werk, verzoend met God in één lichaam
(Zie Rom.11:32; Eph.2:16; 3:1-11).
"...hoeveel
van de tegenwoordige sectarische verwarring en zonde uit de weg zou zijn
geruimd, als er een klare en directe nadruk was gelegd op de Paulinische
leer van de ware Kerk, is niet te overzien..." (Systematic
Theology, Vol.IV,P.147).
Het is
waar, dat Paulus de boodschap van de twaalven bevestigde; dat doen
wij ook, omdat wat zij predikten waar was; en zo bevestigde ook Petrus de
boodschap van Paulus (2Petr.3:15,16).
Het is ook waar, dat Paulus gered werd onder de oude
bedeling, en geleidelijk daaruit werd opgetrokken, maar vanaf zijn
bekering werd hij speciaal geroepen om één grote boodschap, meer
en meer volledig, te proclameren: "het evangelie van de genade van
God" (Hand.20:24). Hij moest een dienaar zijn, en getuige van de
dingen die hij HAD GEZIEN, en van die dingen waarin de Here aan hem
nog zou VERSCHIJNEN (Hand.26:16; cf.Gal.1:11,12).
In het licht van hun verminken van de grote Paulinische
boodschap, is het niet zonder betekenis, dat de verwarring in de leer bij
hen, die beweren dat de bedeling begon bij, of na Hand.28, net zo groot
is, als onder hen die vasthouden aan het begin met Pinksteren.
Er is
één standpunt met betrekking tot het begin van de Kerk van deze
bedeling, die de toets van het recht snijden van het Woord kan doorstaan.
Dit kan als volgt worden gesteld:
Het
Lichaam van Christus had zijn historisch begin bij Paulus, voordat hij
zijn eerste brief schreef. Onder
hen die dit standpunt hebben, kan enig verschil van opinie zijn,
over wat de preciese tijd van begin is, maar hier moeten we oppassen, dat
we onderscheid maken tussen wat groot is en wat klein, anders "ziften
we de mug uit, en verzwelgen de kameel". De
"Hand.2" en de "Hand.28" theoriën zijn niet alleen
technisch incorrect maar doen beiden geweld aan de Paulinische
openbaring, en tasten beiden onze leer en programma aan als leden van
het Lichaam van Christus. Maar noch de boodschap van Paulus, noch onze
leer en praktijk als leden van het Lichaam, worden op geen enkele manier
aangetast door de gezichtspunten, dat het Lichaam begint bij Hand.9,
Hand.13, of ergens ertussen in. Dit verschil tast alleen de uitleg van de
hoofdstukken daartussen in, en zulke alleenstaande verzen als aangehaald,
aan. Het verschil van opinie hier is dus niet een levend punt, en dient
ook niet tot een serieus punt van uitgang te worden gemaakt. Of
bezie het eens van een andere kant. Kunnen we bewijzen door de
Schriften, dat het Lichaam niet begon op Pinksteren met Petrus en
de elven? Ja, dat kunnen we. Kunnen we bewijzen door de Schriften,
dat het niet begon met, of na Hand.28? Ja, dat kunnen we. Kunnen we
bewijzen door de Schriften, dat het begon met Paulus voordat hij
zijn eerste brief schreef? Ja, dat kunnen we. Maar zeggen de Schriften met
zoveel woorden precies wanneer het begon? Nee, niet in zoveel woorden. Is
er een passage in de Schrift die een klare indruk geeft van het historisch
begin van de bedeling van genade, en van het Lichaam van Christus? Wat dit
betreft mogen er enige verschillen van opinie zijn. Maar dit zullen we
bedenken, het verschil is technisch, op geen enkele manier onze
leer of onze praktijk aantastend. Laat ons daarom niet een punt maken waar
God er geen maakt.
Ware
Bereaërs echter, zullen zelfs de kleine verschillen vrijlijk onderzoeken,
in het licht van Gods Woord, want iedere passage in de Schrift op zich, is
gerelateerd met het geheel. Een duidelijker begrip van iedere passage, zal
helpen ons begrip van het gehele plan te verhelderen.
WANNEER BEGON DE
TEGENWOORDIGE BEDELING
Vele
Bijbelleraren geloven, dat het Lichaam, of de nieuwe bedeling, haar
historisch begin had in de passage die we hebben beschouwd (Hand.13).
_________
*voetnoot:
Dr.Arno C.Gaebelein schreef met betrekking tot
dit anathema door Paulus: "Hij sprak van dit evangelie, dat hij
predikte als 'mijn evangelie'. Ter verdediging van dat evangelie, de
bedeling van Gods genade, schreef hij aan de Galaten, 'Doch al ware het
ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde buiten
hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij tevoren
gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom; Indien u iemand een evangelie
verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.' Dit zijn
zwaarwichtige woorden. Zij worden weleens een hartstochtelijke uitbarsting
van Paulus genoemd, toen hij ontdekte dat zijn gezag door de Judese
leiders, die de Galaten in moeilijkheden brachten, werd gekleineerd. Dat
was het in geen geval...De vloek van God zal zeker rusten op hen die dit
evangelie besmetten of vervalsen." (Gods Masterpiece, P.117).
Over het algemeen gesproken, staan zij op dit standpunt op
grond, dat Paulus hier werd onderscheiden om zijn bediening aan de
heidenen te beginnen, en dat de verwoording hier het begin aangeeft, van
een nieuw programma, en dat de naam van Saulus werd veranderd in Paulus in
verband met een incident, wat alle dispensationalisten beschouwen als
veelbetekenend m.b.t. de bedeling.
In het licht van de Schriftuurlijke achtergrond echter,
werden we niet overtuigd, dat deze argumenten waardevol zijn, integendeel
voor het grootste deel zelfs, niet correct.
Ten eerste zegt deze passage niets over het begin
van het Lichaam, of iets meer over een nieuwe bedeling, dan Hand.9 doet.
In feite hebben we reeds niet minder dan acht belangrijke afwijkingen aangewezen
van de oude bedeling, voorafgaand aan Hand.13.
Verder werd Paulus hier niet onderscheiden om zijn
heidenbediening te beginnen. Hij had reeds een behoorlijke tijd
onder de heidenen in deze stad gewerkt, want, zoals we hebben aangetoond,
het woord "Grieksen" in de Statenvertaling van Hand.11:20
had moeten worden vertaald met "Grieken" (heidenen), zoals in de
N.B.G. Vertaling. De grotere contekst bevestigt dit uitvoerig, want het
was deze kerk, die de Judaisten trachtten onder de wet te brengen (15:1),
en voor welks vrijheid als heidens lichaam, Paulus naar Jeruzalem ging om
te verdedigen (Hand.15:1-3, 7-10, 13-19, 23-31).
Bovendien was deze "afscheiding" van Paulus niet
zijn roeping als een apostel of dienaar onder de heidenen. Hij was
reeds beroepen tot deze bediening door "de openbaring van Jezus
Christus" (Hand.26:16-18; 22:17-25; Gal.1:11,12). Dit was eerder
de Geest, die de gemeente te Antiochië leidde, om hem op te
geven voor het "werk" waartoe hij reeds was geroepen; i.c.
"ver weg" onder de heidenen. Paulus was, als de twaalven,
aangewezen als apostel, door de Here Jezus Christus, niet in de eerste
plaats door de Heilige Geest. Inderdaad was de persoonlijke opdracht door
Christus de vereiste bevordering tot apostelschap (Rom.1:5; 1Cor.9:1).
Maar
alleen al de aanhaling van Hand.13:2 brengt nog een stellige kwestie in
geding: Als deze passage het begin van de nieuwe bedeling betekent, door
Paulus in te voegen; de bedeling waarvan hij, overduidelijk, de apostel
zal zijn, waarom wordt hij dan niet alleen genoemd, of waarom lezen
we dan niet tenminste: "Zonder mij af, Paulus en Barnabas (als
zijn helper)" in plaats van "Zonder mij af, Barnabas en
Saulus"?
Deze
passage verwijst niet alleen naar Paulus, of naar Paulus en Barnabas,
zoals men zou kunnen begrijpen uit menig commentaar. De passage luidt: "Zondert
mij af beide Barnabas en Saulus." Het was Barnabas die eerst
Saulus in zijn bediening onder de heidenen had gebracht (Hand.11:25,26),
en "Barnabas en Saulus" worden weer in deze volgorde genoemd,
tot Hand.13:13, waar we lezen over "Paulus en die met hem
waren." We vinden echter twee keer in Hand.14, en weer tweemaal
in Hand.15 "Barnabas en Paulus", met opnieuw
Barnabas als eerste genoemd. Wij geloven daarom niet, dat de verwoording
in deze passage aanduidt, dat een nieuwe orde of bedeling hier ingevoegd
wordt.
We
lezen ook weer niet, dat Saulus' naam werd veranderd in Paulus. Als dat zo
had geweest, en de verandering werkelijk een verandering in
bedeling betekende, dan zou, zo schijnt het ons, deze veranderd zijn in
Paulus, en Paulus zou dan alleen zijn genoemd, of minstens als eerste, in
vers 2, waar het "Zondert mij af" ook wordt verondersteld weer
te geven, de invoeging van de nieuwe bedeling. Maar het is in vers 9,
nadat "Barnabas en Saulus" reeds hun bediening in Paphos
begonnen hadden, dat we lezen dat "Saulus ook Paulus
genoemd" werd. Het is heel goed mogelijk dat hij Paulus werd
genoemd door de Grieken en heidenen vanaf zijn jeugd, want bedenk dat hij
een geboren Romein was.
Het
feit dat van Hand.13:9 af Lukas, door de Geest, hem Paulus noemt, en dat
reeds sinds lange tijd zijn naam voortdurend voorafgaat aan die van
Barnabas en Silas, wanneer deze samen met hen wordt genoemd, is natuurlijk
van betekenis, maar niet noodzakelijk betekenend voor het
historisch begin van het Lichaam van Christus. Want geen van deze dingen
gebeurde toen hij werd "afgezonderd" van de kerk in Antiochië.
Wat dit alles betekent is eenvoudig Paulus' verhoging boven anderen, als
Gods dienaar voor de heidenen.
Wij geloven, dat Paulus' bekering en roeping tot
apostelschap, het begin*/[vii]
kenmerkt van de nieuwe bedeling, en van het Lichaam van Christus. We
geloven dat zijn bekering de vanzelfsprekende, logische, en
Schriftuurlijke plaats is voor het begin, om de volgende redenen:
1. Zoals de twaalf apostelen de twaalf stammen van Israel
vertegenwoordigden, zo vertegenwoordigde Paulus, als enige apostel
het Lichaam van Christus, waarvan de eenheid voortdurend wordt
benadrukt in de Schrift (Rom.12:5; 1Cor.12:13; Eph.4:4; etc.).
2. Dit is in het bijzonder zo, omdat Paulus, net als het
Lichaam, twee-in-een was. Hij was een geboren Hebreeër en een
geboren Romein (en beide fervent) in één persoon (Phil.3:5;
Hand.16:37; 21:39; 22:25,28; 25:9,11). Bovendien was hij een vijand,
verzoend met God door overvloeiende genade. Hierin is hij de echte
vertegenwoordiger van het samengestelde Lichaam, samengesteld uit
Joden en heidenen, verzoend met God door genade (Eph.2:16).
3. Verschillende Schriftplaatsen geven duidelijk weer, al zeggen
zij dit niet daadwerkelijk, dat de nieuwe bedeling begon, met de bekering
van Paulus. Wij citeren: "Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig,
dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken,
van welke ik de voornaamste ben.
"MAAR
DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE
VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN VOORBEELD
DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN"
(1Tim.1:15,16).
Er is wel beweerd, dat de bekering van de apostel, een model, of
type was van Israels toekomstige bekering, omdat de Here aan Saulus
verscheen, zoals Hij ook op een dag aan Israel zal verschijnen. Maar
sommige omstandigheden in verband met Paulus' bekering schijnen veraf van
Israels bekering. Evenmin zegt 1Tim.1:16, dat Christus aan hem verscheen
tot een model, maar eerder, dat Jezus Christus al Zijn lankmoedigheid
betoonde, tot een voorbeeld*/[viii]
voor hen die daarna zouden geloven in Hem ten eeuwigen leven. Zo leidt hij
zijn stelling in, met de woorden: "Doch de genade onzes Heren is zeer
overvloedig geweest."
Dit alles dient zeker te worden vergeleken met een vers dat
speciaal handelt over de invoeging van de nieuwe bedeling. Wij verwijzen
naar Rom.5:20:"Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad
te meerder worde; EN WAAR DE
ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG
GEWEEST."
Aan deze passage zouden nog vele andere kunnen worden toegevoegd,
die het feit bevestigen, dat "alle lankmoedigheid" en "de
rijkdommen van Zijn genade" in het bijzonder de tegenwoordige
bedeling karakterizeren (Rom.3:24; Eph. 1:7; etc.). En deze "meer dan
overvloedige genade" werd allereerst aan Paulus betoond in zijn
bekering, als "een voorbeeld" voor hen die na hem zouden geloven
in Christus tot eeuwig leven.
Het is waar, dat in 1Cor.15:8, Paulus over zichzelf spreekt, als
een "ontijdig geborene", maar dit trekt hem nog inniger tot de
leden van het Lichaam, dan dat dit tot Israel het geval is. De
"bestemde tijd" voor Israels bekering is, volgens de profetiën,
nog toekomstig. De "bestemde tijd" voor de bekering der heidenen
is eveneens toekomstig, want overeenkomstig profetie, zullen de heidenen
worden gered door Israel (Gen.22:17,18; Rom.15:8,9). Wij, of we nu Jood
zijn of heiden, zijn gered, evenals Paulus, vóór de bestemde tijd, niet
op basis van een of ander verbond, maar puur door genade; niet
overeenkomstig profetie, maar overeenkomstig het geheimenis.
4. In Hand.9 wordt uitsluitend
aandacht geschonken aan Paulus, eerst als "blazende nog dreiging en
moord tegen de discipelen van de Here", en daarna als glorieus gered,
aangesteld, en vervuld met de Geest. Evenmin wordt de keus op Paulus ook
maar enigszins gewijzigd. Het is niet "Saulus en Barnabas", nog
minder "Barnabas en Saulus", maar alleen Saulus.
---------
*/voetnoot: Wij benadrukken het woord begin, want tot aan
het slot van Handelingen, is de oude bedeling slechts geleidelijk
vervangen door de nieuwe.
5. Wellicht is de belangrijkste aanwijzing dat de nieuwe
bedeling begon vóór Hand.13, en bij Paulus' bekering en roeping tot
apostelschap, het aantal beduidende afwijkingen van het oude programma
naar het nieuwe, die plaats vonden in de periode tussen Hand.9 tot
Hand.13.
De roeping
van Paulus als apostel, apart van de twaalven, is op zichzelf een
aanwijzing, dat God een nieuw programma zou gaan beginnen; inderdaad was
Paulus' roeping de start ervan.
Verdere uitgangspunten: Paulus werd niet gered als een
bekeerde Jood die tracht te worden gedoopt tot vergeving van zonden. Hij
werd gedoopt, drie dagen na zijn bekering. Daarna werd Petrus tot de
heidenen gezonden, zelfs hoewel Israel nog niet bekeerd was. De Heilige
Geest onderbrak zijn boodschap, en deze heidenen ontvingen redding en de
gave van de Heilige Geest, los van dopen (cf.Mark.16:15-18;
Hand.2:38). Zij werden gedoopt, nadat zij gered waren, en de
Heilige Geest ontvangen hadden. Daarna werden heidenen te Antiochië
gered, niet vanwege Israels bekering, maar vanwege de vervolging te
Jeruzalem, die de discipelen in hun nabijheid dreef. Dan stort de
"voortgang van het koninkrijk" in (Hand.4:34,35), en de heidense
gelovigen te Antiochië zonden hulp, "naar dat een iegelijk vermocht
", naar de behoeftige heiligen in Jeruzalem. Dan wordt Jakobus gedood
met het zwaard, en de andere Jakobus, de broeder des Heren naar het vlees,
begint de leiding over te nemen, zelfs over Petrus.
Dit zijn
enige van de duidelijke aanwijzingen, dat de oude bedeling reeds begon
te verdwijnen, en dat de nieuwe reeds begonnen was te dagen.
In de
openingsverzen van Hand.13, hebben we nog een andere schrede naar de
ontwikkeling van de bediening waartoe Paulus reeds was beroepen. In het
origineel is er een bijzonder bijwoord, dat volgt op "Zondert mij
af", dat geen preciese vertaling in het Engels vindt, en daardoor
over het hoofd wordt gezien, of ontkend door de meeste vertalers. De
vertaling die dit het meest nabij komt, zou waarschijnlijk zijn: "Scheidt
mij dan nu af, Barnabas en Saulus", alsof het de volgende stap
zou zijn in een reeds geopenbaard programma, en ongetwijfeld werd verwacht
door de leiders van de Kerk, toen zij bezig waren in gebed en dienst voor
de Here.
PAULUS' EERSTE APOSTOLISCHE REIS
"Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen
af tot Seleucië, en vandaar scheepten zij af naar Cyprus.
"En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het Woord Gods
in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.
"En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden
zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was
Barjezus; "Welke was bij de stadhouder Sergius Paulus, een
verstandige man. Deze Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht
zeer het Woord Gods te horen. "Maar Elymas, de tovenaar (want alzo
wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het
geloof af te keren. "Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld
met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zeide: "O gij kind
des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van
alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des
Heren? "En nu zie, de hand des Heren is tegen u, en gij zult blind
zijn en de zon niet zien voor een tijd. En van stonden aan viel op hem
donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij, die hem met de hand
mochten leiden. "Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen
geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heren. "En Paulus en
die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad
in Pamfylië. Maar Johannes van hen scheidende, keerde weder naar
Jeruzalem."
- (Hand.13:4-13).
PAULUS' APOSTELSCHAP
We
hebben deze reis waartoe Barnabas en Saulus door de Geest waren
uitgezonden, Paulus' eerste apostolische reis genoemd, om reden dat
de meer populaire uitdrukking, " Paulus' eerste zendingsreis"
bij velen de verkeerde indruk heeft nagelaten, dat Paulus eenvoudig een
buitenlandse zendeling geweest is, zoals we die thans kennen. Paulus, zo
wordt verondersteld, reisde verder dan de twaalven, met de
boodschap waarmee zij waren uitgezonden.
_______
*/voetnoot: Zelfs van de details, verbonden met zijn
bekering, wordt niet gezegd dat zij een voorbeeld voor ons zouden zijn,
maar alleen de barmhartigheid, en de genade van de Here t.o.v. hem.
En zo had onze tegenstander nog een overwinning geboekt
bij zijn poging om het feit te verduisteren, dat Paulus een apostel was,
even rechtmatig als de twaalven verkozen, doch met opdracht van de
opgestane Here, onafhankelijk van hen; omdat met het oog op de verwerping
van Israel van hun aanbod van het koninkrijk, God Paulus had
opgewekt om een nieuwe boodschap, "het evangelie van Gods
genade", te verkondigen onder alle volkeren.
Verder
hebben we deze reis eerder "Paulus' eerste apostelreis"
genoemd dan van Barnabas en Saulus, omdat juist hier in het verslag
van deze reis vermeld staat, dat de Geest het eerst Saulus' andere naam,
Paulus noemt, en begint te verwijzen naar "Paulus en die met hem
waren" (V.13) "Paulus en Barnabas" (V.43,46,50)
etc. Wij vinden hierna inderdaad zelden Barnabas vóór Paulus genoemd. Nu
is het Paulus, die blindheid aankondigt over Elymas (13:9-11). Het
is Paulus die opstaat in de synagoge in Pisidisch Antiochië
(13:16). En vanaf hier, tot het slot van Handelingen, komt de opkomst van
Paulus als Godsman steeds meer naar voren.
Wat
betreft de betekenis van de naam Paulus, is algemeen bekend, dat
deze Romeins is, zijnde het Latijnse woord voor klein.
Hij zou echter ook afgeleid kunnen zijn van het Griekse woord Pau,
hetgeen pause, of interval in mannelijke uitgangsvorm betekent.
Beiden kunnen betekenis hebben, want telkens staat de apostel er op, dat hij
niets is, terwijl de boodschap die hij in opdracht verkondigt, van
doen heeft met een pause, of onderbreking door genade in het programma van
God, zoals dit is geschetst door de Oud Testamentische profeten.
EERST DE JOOD
Voorzover
het verslag aangeeft, was de eerste bediening waarin Paulus en Barnabas op
deze reis geleid werden, in Salamis, op het geboorte(ei)land van Barnabas
(Zie Hand.4:36). De zorgvuldige lezer zal opmerken, dat aangezien Paulus
en Barnabas gezonden waren om hoofdzakelijk onder de heidenen te werken,
zij allereerst naar de synagogen van Salamis gingen, om het Woord van God
aan hun Joodse stamgenoten te bedienen. Dit werd, en zo ging het verder,
Paulus' praktijk gedurende al zijn reizen onder de heidenen, tot aan het
slot van de periode, beschreven in het boek Handelingen.
Altijd ging hij "eerst naar de Jood", totdat hij, in de
gevangenschap te Rome, deze zin uitsprak: "Het zij u dan bekend,
dat de zaligheid (redding) Gods den heidenen gezonden is, en dezelve
zullen horen" (Hand.28:28).
Er
waren minstens drie redenen waarom Paulus er een punt van maakte om altijd
eerst naar de Joden te gaan. Ten eerste, zodat Joden buiten
Palestina, persoonlijk een gelegenheid zou worden geboden, hun vertrouwen
te stellen op de verworpen Messias, en gered zouden worden. Ten twede,
zodat het volk als geheel, met inbegrip van de Joden in de verstrooiing
(diaspora), geen excuus voor God zouden hebben wanneer Hij hun terzijde
zou stellen wegens het verwerpen van Christus. Ten derde, zodat zij
geen reden zouden hebben om te klagen, dat redding tot de heidenen werd
gezonden zonder hun bemiddeling, omdat overal, van Jeruzalem tot Rome,
redding en heil tot de heidenen werd gezonden omdat de Joden het
verwierpen, en daarbij zichzelf diskwalificeerden als de bemiddelaars
van Gods zegen aan de volkeren.
In de
drie voornaamste passages in Handelingen, waar Paulus zijn bedoeling
verklaart om naar de heidenen te gaan, maakt hij duidelijk, dat hij dit
doet omdat de Joden zelf de boodschap
hebben veracht. "...DOCH NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN
HET EEUWIGE LEVEN NIET WAARDIG OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE
HEIDENEN" (Hand.13:46). "...UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN
REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN HEENGAAN"
(Hand.18:6). "WANT HET HART DEZES VOLKS IS DIK GEWORDEN, EN MET DE
OREN HEBBEN ZIJ ZWAARLIJK GEHOORD, EN HUN OGEN HEBBEN ZIJ TOEGEDAAN; OPDAT
ZIJ NIET TE ENIGER TIJD MET DE OGEN ZOUDEN ZIEN, EN MET DE OREN HOREN, EN
MET HET HART VERSTAAN, ...
"HET
ZIJ U DAN BEKEND, DAT DE ZALIGHEID (REDDING) GODS DEN HEIDENEN GEZONDEN
IS, EN DEZELVE ZULLEN HOREN" (Hand.28:27,28).
Zo
schrijft dan de apostel tot de Romeinen:
"...DOOR
HUN VAL IS DE ZALIGHEID DEN HEIDENEN GEWORDEN, OM HEN TOT JALOERSHEID TE
VERWEKKEN (Rom.11:11).
Zoals
we reeds hebben aangetoond, betekent het feit, dat Paulus tijdens zijn
bediening in Handelingen eerst naar de Jood ging, niet,
zoals sommigen hebben geconcludeerd, dat Paulus' bediening in die tijd in
de eerste plaats, of hoofdzakelijk, tot de Joden was,
want het verslag van de reizen in Handelingen, zowel als zijn brieven
gedurende die tijd, geven getuigenis dat zijn bediening in principe
gericht was tot de heiden, niet tot de Jood.
DE GESCHIEDENIS VAN BAR
-JEZUS