De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  XXI - H A N D. 12:25 - 13:13

PAULUS BEGINT ZIJN APOSTELREIZEN

BARNABAS EN SAULUS UITGEZONDEN

DOOR DE KERK TE ANTIOCHIE  

"Barnabas nu en Saulus keerden weder van Jeruzalem, als zij de dienst volbracht hadden, medegenomen hebbende ook Johannes, die toegenaamd werd Markus. "En er waren te Antiochië in de gemeente die daar was, enige profeten en leraars, namelijk Barnabas, en Simeon genaamd Niger, en Lucius van Cyrene, en Manahen, die met Herodes de viervorst opgevoed was, en Saulus. "En als zij de Here dienden en vastten, zeide de Heilige Geest: Zondert Mij af beide Barnabas en Saulus tot het werk waartoe ik hen geroepen heb. "Toen vastten en baden zij, en hun de handen opgelegd hebbende, lieten zij hen gaan." - (Hand.12:25-13:30).

             DE KERK TE ANTIOCHIE

              STEVIG GEGRONDVEST

 Na het volbrengen van hun boodschap aan de behoeftige Judese heiligen, keerden Barnabas en Saulus terug van Jeruzalem, terwijl zij Johannes Markus, neef van Barnabas (Hand.4:10), en zoon van de Maria bij wie, kort tevoren, thuis de gebedsbijeenkomst voor Petrus gehouden was, meenamen (Hand.12:12). We zullen later meer over Johannes Markus horen.

De gemeente te Antiochië nu, was stevig gegrondvest geworden. We hebben reeds aangaande Barnabas en Saulus geleerd, dat voorafgaand aan hun vertrek uit Jeruzalem, "zij een geheel jaar tezamen vergaderden in de gemeente (in Antiochië), en een grote schare leerden" (11:26). Nu lezen we, dat bij hun terugkomst drie anderen met hen dienden, en het woord "as" ("zoals" K.J.V. 13:1), kan erop duiden, dat er nog meer waren. Onder deze met name genoemden, vinden we zelfs Manahen, de zoogbroeder van de Herodes, die Johannes de Doper onthoofd had.                    

         DE PLAATS VAN HAND.13:1-3

                        IN BEDELING

En toch was dit nog maar het begin van het nieuwe werk dat God deed onder de heidenen. God had Zijn bemoeienis met het volk Israel niet besloten. Door het overige deel van Handelingen heen, zullen we danook zien, dat het oude programma geleidelijk vervaagt, terwijl het nieuwe geleidelijk wordt ingevoegd.

Dat het oude programma pas begon om ruimte te maken voor het nieuwe is duidelijk uit verschillende details die hier worden vermeld.

Ten eerste lezen we, dat er profeten aan het hoofd van de kerk in Antiochië staan.

Een profeet was niet noodzakelijk, iemand die de toekomst voorspelt, zoals over het algemeen wordt verondersteld, - hoewel voorspelling een element is dat meermalen in profetie wordt gevonden - maar eerder iemand die sprak voor God. De profeet, in zowel Oude- als Nieuw Testamentische zin van het woord, was Gods spreekbuis. De uitdrukking "Zo spreekt de Here", verbinden wij vanzelfsprekend met profetie. Op Pinksteren werd uiteraard de gave van profetie rijkelijk geschonken, binnen het verband met de uitstorting van de Heilige Geest. Wij dienen niet te aan te nemen, dat zij, die nu het geschreven Woord van God verkondigen, profeten zijn in de ware Schriftuurlijke zin, want zowel Oud- als Nieuw Testament geven aan, dat profetie een bovennatuurlijke gave was, waardoor God Zijn wil bekend maakte, omdat immers het geschreven Woord onvolledig bleef.*/[i]

_______

*/voetnoot: Dit wil niet zeggen dat leren of vermanen vanuit het geschreven Woord niet was opgenomen in hun bediening.

In Oud Testamentische tijden ontvingen de profeten geregeld hun boodschappen door visioenen of andere middelen van goddelijke gemeenschap. In de passage die wij hier bezien, is dit nog veelal zo, en nog meer, want op Pinksteren gaf God aan bepaalden van Zijn heiligen, de bovennatuurlijke "gave" van profetie (Rom.12:6; 1Cor.12:8-10 en cf. 1Cor.13:8-13).**/[ii]

Wat Openbaringen betreft, deze werden ongetwijfeld door Johannes, een tijd na de dood van Paulus, geschreven, maar  Openbaringen ontwikkelen de details van het profetisch programma verder, tot bijzondere verlichting van hen, die zullen leven wanneer deze dingen gaan gebeuren. Zo is het dus Paulus, niet Johannes, die verklaart dat het hem gegeven werd om "het Woord van God te vervullen" (completeren), t.w. leerstellig, door de openbaring van het geheimenis (Col.1:24-26).

Saulus, één van de profeten, genoemd in de passage die we beschouwen, was echter meer dan een profeet. Hij was tevens een apostel, en dat in de primaire betekenis van het woord, want hij had zijn boodschap ontvangen door openbaring van Jezus Christus Zelf (Gal.1:11,12).*/[iii]

Het was toen passend, dat God "profeten", zowel als leraars, aan de gemeente te Antiochië zou geven, want dit was het begin van het grote werk dat God ging doen onder de heidenen. Naast Paulus zelf, die met bijzondere autoriteit sprak, was het nodig dat er ook anderen zouden zijn, die door openbaring van de Geest, zijn woord konden bevestigen, en alzo helpen om de heiligen in Gods genade te versterken (Cf. hierbij Eph.3:1,3,5). 

In verbinding met de gave van profetie, lezen we verder, dat "de Heilige Geest zeide..." (13:2), dat is, Hij openbaarde Zijn wil aan de leiders te Antiochië door directe gemeenschap. Dit was in volstrekte harmonie met de gave van profetie. Wij herinneren ons nu hoe, in het geval van de andere Saulus, Israels eerste koning, de profeet Samuel op dezelfde wijze goddelijke instructies ontving, toen "de Here tot hem zeide, Zie, dit is de man van welken Ik u gezegd heb!" (1Sam.9:17).

We dienen natuurlijk duidelijk te verstaan, dat bovennatuurlijke gaven van "profetie" en van "kennis", reeds lang voorbij zijn. Wat deze gaven betreft, verklaarde de Apostel Paulus, toen zij nog bestonden: "...MAAR HETZIJ PROFETIEN ZIJ ZULLEN TENIETGEDAAN WORDEN, HETZIJ TALEN, ZIJ ZULLEN OPHOUDEN; HETZIJ KENNIS, ZIJ ZAL TENIETGEDAAN WORDEN (1Cor.13:8). "EN NU BLIJFT GELOOF, HOOP EN LIEFDE, DEZE DRIE; DOCH DE MEESTE VAN DEZE IS DE LIEFDE (1Cor.13:13). 

De Heilige Geest heeft dus de gaven van "profetie" en "kennis" teruggetrokken, samen met de andere bovennatuurlijke gaven. Thans moeten wij oppassen voor diegenen, die beweren op gezag van een speciale openbaring te spreken, en evenmin moeten wij verwachten, dat de Heilige Geest in directe verbinding tot ons zal spreken.

Vele verkeerde stappen zijn genomen door ernstige gelovigen, omdat emotionele reakties ten onrechte werden aangezien voor feiten, en er onschriftuurlijk werd verondersteld: "De Here heeft mij gezegd", doe dit of doe dat. Verstaan van de Schriften, leidt tot de erkenning, dat "gave van kennis" is teruggenomen. De Geest verbindt niet op wonderlijke wijze de kennis van Zijn Woord met bepaalde individuen, of met hen die daarom vragen.

_______

**/voetnoot: Men kan uiteraard beweren, dat het geschreven Woord ook in Hand.28 niet compleet was, maar gezien vanaf de basis was het dat wel, want de fundatie van de grote openbaring aan Paulus was toen reeds gelegd. De gevangenisbrieven ontwikkelen eenvoudig het thema, dat in de eerste Handelingen naar voren wordt gebracht verder: het geheimenis van Gods doel aangaande het samengevoegde lichaam, dat reeds tot stand was gebracht. Ook Eph.3:5 laat de volmaakte strekking zien in de uitdrukking "gelijk zij nu is geopenbaard  aan Zijn heilige apostelen en profeten door de Geest". Het blijkt dan ook niet noodzakelijk, dat na Hand.28 de gave van profetie zou doorgaan.  

________

**/voetnoot: Die hem reeds was verschenen op de weg naar Damaskus (1Cor.15:8,9; Hand.26:16), te Jeruzalem (Hand.22:17,18), en waarschijnlijk meerdere malen gedurende zijn verblijf in Arabië (Gal.1:17).  

Dat Johannes zelf de "gave" van profetie had, zo lang na de dood van Paulus, geloven wij niet. Er is een verschil tussen de "gave" van profetie, en het werk van de Heilige Geest, die mensen er toe brengt de Schriften te schrijven. Alleen door trouw gebed, en ijverige studie van het Woord is het, dat de Heilige Geest ons zal verlichten en toerusten als werkers, door God beproefd, die niet beschaamd zullen behoeven te staan, het Woord der waarheid recht snijdend (2Tim.2:15). Er zijn drie andere dingen in deze passage die ook dienen te worden bezien in het licht van bedelingen-waarheid, ook al vallen zij onder een enigszins verschillende categorie:

"En als zij de Here dienden" (13:2). Het oorspronkelijke woord voor "dienden" (leitourgeo) wordt gebruikt in verbinding met de dienst van de priesters in Oud Testamentische tijden, en daardoor wordt verondersteld door sommigen, dat de gedachte hier is, dat de leiders van de kerk te Antiochië zich bezig hielden met de   betrachting van Judaïstische ceremoniën. 

Maar het eigenlijke woord leitourgeo heeft geen rituele nevenbetekenis. Het betekent eenvoudig dienen, en wordt gebruikt bij financiele hulp (Rom.15:27; Phil.2:25,30), of engelen-hulp (Hebr.1:14), of evangelie-dienst (Rom.15:16) etc. Evenmin tast het feit, dat ons woord liturgie afgeleid is van dit woord, haar Schriftuurlijke betekenis aan, want het originele ontvangt niet zijn betekenis van het afgeleide, maar het afgeleide van het origineel. Zo komt dus ons woord liturgie van het Griekse leitourgeo, dat eenvoudig betekent dienst. Deze gelovigen in Antiochië toen, dienden heel eenvoudig de Here. Er is geen enkele aanleiding om hen verder in het oude programma terug te voeren, dan zij waren!

Ook het vasten hier wordt door sommigen gedacht als te behoren tot de wet van Mozes, terwijl in feite de wet van Mozes vasten niet gebiedt. Er bestaan echter vele gevallen van vrijwillig vasten in de Geschriften vóór Paulus, en het is ook waarschijnlijk, dat zij die zaten "in de stoel van Mozes", periodes van vasten hadden voorgeschreven, en deze toegevoegd aan de wet. Zo kreeg de praktijk een Judaistische kleur. Over het algemeen echter, was vasten een heel gewone zaak. Veelal was het eenvoudig de last tot bidden voor een diepe nood, die de smekelingen er toe bracht, om vrijwillig afstand te doen van hun maaltijden. Op andere tijden was het, het bezig zijn met Gods Woord. Job zei: "de redenen Zijns monds heb ik meer dan het mij bescheiden deel weggelegd" (Job.23:12). Hierin is niets dat in tegenspraak is met de bedeling waarin we nu leven, en het is zeker altijd God welbehaaglijk, als Zijn volk zo ernstig geoefend is in geestelijke zaken, zo intens bezig met gebed of onderzoek van het Woord, dat zij de gedachte aan voedsel veronachtzamen of voor een tijd opzij zetten.

Aan de andere kant, kan geen gelovige in deze bedeling van genade, zichzelf opleggen om voorgeschreven vastentijden na te komen, zonder onder de dwang en veroordeling van wetticisme te komen (Gal.4:9,10; 5:1.13; Col.2:20,21). Noch zal vasten iets voltooien als middel om onze geestelijkheid te versterken, of om zegen van God te verkrijgen(Col.2:20-23).*/[iv]

Het opleggen der handen in deze passage is ook een zaak, die dient te worden beschouwd in het licht van de waarheid der bedelingen.

Het is waar, dat gedurende de tijd van Handelingen de Heilige Geest, of een speciale gave van de Geest, werd overgedragen door oplegging van handen (Hand.8:18, etc.). Niettemin was niet de handoplegging op zich, noodzakelijk om iets wonderlijks tot stand te brengen. De praktijk, zowel in het Oude- als Nieuwe Testament, betekenden eenvoudig identificatie (bevestiging).

Zeker is, dat de "handoplegging" waar Heb.6:2 naar verwijst, niets wonderlijks bevatte. Het was eenvoudig de hogepriester die zichzelf en zijn volk identificeerde met de bok, en hun zonden symbolisch op het hoofd van de bok legden (Lev.16:21). Evenmin is er enige aanwijzing, dat de leiders in Antiochië, aan Barnabas en Saulus, hun superieuren, enige wonderkrachten mededeelden, door hun de handen op te leggen. Ook zien we niets ritueels in de handoplegging hier, of iets meer dan er was, in het drukken van de broederhand der gemeenschap met Paulus en Barnabas door Jakobus, Cephas, en Johannes in Gal.2:9. Wat de leiders in Antiochië hier deden, was eenvoudig zichzelf in het openbaar identificeren met Barnabas en Saulus in de dienst, die deze twee zouden gaan ondernemen, op deze manier bevestigend, dat zij hun roeping in deze bediening erkenden, en dat zij achter hen stonden.

PAULUS, NIET WERKEND ONDER DE "GROTE OPDRACHT"

"De Kerk is ten laatste voorbereid, na meer dan zestien jaren, om formeel en weloverwogen, haar werk te beginnen onder de heidenen". Dit is de visie, die een commentator heeft op de openingsverzen van Hand.13, en dit is ook de gebruikelijke visie van de Fundamentalisten. Deze visie vindt haar oorsprong in het ongefundeerde begrip, dat onder de zogenaamde "grote opdracht", de elven (later tot twaalf gemaakt), uitgezonden werden om "het evangelie van Gods genade" te prediken.  

Zij bewezen echter ontrouw te zijn aan hun opdracht, vanwege hun "bekrompen vooroordeel tegen de heidenen", en dat het daardoor voor God nodig was om Paulus op te wekken, en hem tot de heidenen te zenden.

Dit ook, ondanks het ernstig beroep dat Petrus deed op Israel om te bekeren, zo dat heil en zegen tot de heidenen zou kunnen gaan! (Hand.3:19-26). Dit, ofschoon Judeese oudsten "God verheerlijkten", toen Petrus uitgelegd had, hoe het huisgezin van Cornelius gered was geworden! (Hand.11:18). Dit, hoewel de kerk in Jeruzalem Barnabas had gezonden om het nieuwe werk onder de heidenen in Antiochië te begeleiden (Hand.11:22), en hoewel Barnabas, toen hij kwam, en gezien had de genade van God, zich verheugde, en hen allen vermaande "met een voornemen des harten bij de Here te blijven" (Hand.11:23). Dit zelfs, ondanks dat Paulus' verslag aan de leiders te Jeruzalem omtrent "de bekering van de heidenen...al den broederen grote blijdschap aandeed" (Hand.15:3).

In zijn Silence of God, zegt Sir Robert Anderson met betrekking tot het feit dat de Pinkstergelovigen tot dusver alleen tot de Joden gegaan waren:

"...als er zijn die dit toerekenen aan Joods vooroordeel en onwetendheid, mogen zij direct dit boek terzijde leggen, want hier wordt beweerd, dat de apostelen van de Here, die spraken en handelden in de gedenkwaardige dagen van Pinksterkracht, goddelijk geleid werden in hun werk en getuigenis" (Pp.76,77).

Het is wel vreemd, dat dezelfde commentators die ons vertellen dat de twaalven faalden om hun opdracht uit te voeren, omdat zij "vleselijk" waren, en "ontrouw", gewoonlijk ook zeggen, dat indien wij maar net zo geestelijk en trouw waren als de twaalven, we ook dezelfde kracht als zij zouden ervaren!

De Pinksterbediening van de twaalven beschouwende, zegt Anderson opnieuw:

"De apostelen werden goddelijk geleid om te verklaren, dat als, en juist toen, de "mannen van Israel" zich bekeerden, hun Messias terug zou keren, om aan hen alles te vervullen wat hun eigen profeten hadden voorspeld en beloofd, aangaande geestelijke en nationale zegen.

"Om dit te brengen als Christelijke leer, of de oprichting van 'een nieuwe religie', is even misleidend als Judaisme en Christenheid. De sprekers waren Joden - de apostelen van Iemand die Zelf 'een dienaar der besnijdenis' was. Hun toehoorders waren Joden, en zij werden als Joden aangesproken. De Kerk van Pinksteren die was gebaseerd op hun getuigenis, was door en door, en helemaal Joods" (The Silence of God, Pp.74,75).

Let wel, dat Anderson hier zegt, dat zij in dit alles "goddelijk geleid" werden. De aanname dat de twaalven nalatig waren in hun plicht, en niet wensten heil te brengen aan de heidenen, is niets beter dan de visie van de Modernist-prediker, die onlangs schreef: "De Meester zelf was eerst eng en beperkt in zijn visie. Herinner hoe hij zijn discipelen bad: 'Ga niet op de weg der heidenen...maar ga eerder naar de verloren schapen van het huis van Israel'. Maar later verruimde hij ook door ervaring zijn inzicht, en verwees deze zelfde discipelen: 'Ga dan heen, en onderwijs alle volken."

_______

*/voetnoot: Terwijl wij dit schrijven, melden de kranten de dood door verhongering van een pastor in Missouri, na een vasten van 51 dagen. Een aantekening die zijn bedoeling verklaart, luidt: "Ik zoek naar de meer volmaakte wil van God over mijn eigen leven en vraag God mij te openbaren, waarom de tekenen niet volgen op mijn bediening, zoals Jezus zei, dat zou geschieden". Dit is slechts één van de ziekelijke resultaten van de populaire prediking, dat de opdracht aan Petrus en de elven, inplaats van die uit 2Cor.5:14-21, onze "marsorders" bevat.

Deze Modernist maakt dezelfde fout, voor wat betreft Matt.10:5,6, die onze Funamentalistische broeders maken t.o.v. de "grote opdracht". Beiden vergeten, dat vóór de opwekking van Paulus, alles gebaseerd was op het grote Abrahamitisch Verbond en de Oud Testamentische beloften, dat door Israel de volkeren zouden worden gezegend (Gen.22:17,18; Jes.60:1-3; etc.). Dit is de reden waarom onze Here Zich concentreerde op het tot bekering en redding brengen van Israel, en dit is het waarom de bediening der apostelen onder de "grote opdracht" aanving met Israel (Luk.24:47; Hand.1:8). Het ene grote verschil tussen de opdracht in Matt.10 en die, gegeven na de opstanding is, dat die welke gegeven werd na de opstanding, er van uitging dat Israel zich nu zou bekeren, en dat redding kon worden verkondigd onder de heidenen.

Maar dit alles verschilt, en staat apart, van de later gegeven opdracht aan de apostel Paulus. De verheerlijkte Here had Paulus niet geroepen om een opdracht te vervullen waarin de twaalven gefaald hadden, om die uit te voeren. Hij had Paulus opgewekt om een ander werk te doen, een werk dat in de opdracht aan de twaalven niet was voorzien. De twaalven was opgedragen om alle volkeren aan de voeten van de Messias te brengen, te beginnen met Israel (Luk.24:47; Hand.1:8; 3:25,26). Paulus werd, onder een nieuw programma, uitgezonden om genade te verkon-digen aan de volken wegens Israels verwerping (Hand.22:17-21; Hand.13:45-47). De bediening van de twaalven was gebaseerd op de hoop van Israels antwoord op de roep tot bekering en Messias' spoedige wederkomst om te regeren als koning. Paulus' bediening was gebaseerd op Israels voortdurende onberouwelijkheid en de uitstorting van genade door de verworpen - en verheerlijkte - Here.

In 1Cor.15:5,8 spreekt Paulus van zichzelf, apart van de twaalven. Hij werd eerst geroepen op de weg naar Damaskus, ver van Jeruzalem, geheel apart van het gezagsgebied van de twaalven, en onafhankelijk van hun "grote opdracht". En nu wordt hij uitgezonden, "ver weg" in heidens land, door de gemeente van Antiochië, weer geheel apart van het gezag en het gebied van de twaalven, en onafhankelijk van hun "grote opdracht". Metterdaad was één van de twaalven reeds gedood.

HET BEGIN VAN DE HUIDIGE BEDELING  

Er is reeds veel geschreven over de kwestie van het historisch begin van de bedeling van genade, en van het lichaam van Christus*/[v], maar het is goed, dat we zorgvuldig rekening houden met leerstellige en geestelijke gevolgen van deze zaak, anders verwarren we groot met klein, en kunnen dan onverschillig worden voor ernstige dwalingen aan de ene kant, of kibbelen over kleinigheden aan de andere kant.

Zoals we reeds aangetoond hebben, is het een ernstige dwaling om vast te houden, dat de nieuwe bedeling begon met Pinksteren, met Petrus en de elven, werkende onder de "grote opdracht". 

Deze dwaling ontkent de absolute verscheidenheid van Paulus' apostelschap, en maakt zijn bediening tot een voortzetting van die van de twaalven. Zij maakt van hem eenvoudig een toegevoegd apostel, eveneens geroepen om te werken onder de "grote opdracht", ondanks dat van hem wordt verondersteld, dat hij de waarheden, waartoe de twaalven gezonden werden om die te verkondigen, "verder ontwikkeld" heeft. 

Deze dwaling ligt aan de wortel van de verwarring die de Kerk reeds gegrepen heeft, vanaf het tijdstip dat zij van Paulus afkeerde aan het einde van het apostolisch tijdperk. Het is de reden van het debat tussen Fundamentalistische leiders vandaag over het opvolgen nu, van "welke van de opdrachten" (in de Evangeliën en De Handelingen). Het verklaart waarom, na negentienhonderd jaren, de leiders van het Fundamentalisme nog steeds oneens zijn over wat onze opdracht is, of wat wij precies moeten doen en leren.  

Het heeft geresulteerd in eindeloze strijd en verdeeldheid over waterdoop, het werk van de Heilige Geest, en de wederkomst van Christus - zaken die spoedig worden opgelost, als de onderscheiden bediening van Paulus wordt erkend. Het meest dubieuze moderne product van deze dwaling is geweest, het Pinkster-fanatisme dat de "christelijke" wereld heeft meegesleept, op de vleugels van het argument van het fundamentalisme, dat we de "grote opdracht" moeten opvolgen, en op haar oproep: "terug naar Pinksteren!"

Mr.A.E. Bishop, heeft in zijn pamflet, Tongues, Signs and Visions, heel juist gezegd: "Is het de Geest van God, of van Satan, die de ogen van ernstige Christenen terugvoert naar Pinksteren, en weg van het doel dat hen is voorgesteld in Ephesiërs, Philippenzen en Colossenzen?"

En Dr. Lewis Sperry Chafer heeft terecht geredeneerd: 

Maar de leer, dat de tegenwoordige bedeling, of het Lichaam van Christus, historisch niet eerder begon dan na het slot van Handelingen, is even verkeerd. Want omdat het Satan gelukt is, aan de ene kant, de grote openbaring van de verheerlijkte Here te verwarren en te verduisteren, is het hem aan de andere kant gelukt, deze in tweeën te delen, zodat wordt veronderstelt, dat Paulus' eerste brieven niet gericht zijn tot de leden van het samengevoegde Lichaam, maar "hoofdzakelijk Joods" zijn, en deze "de regering van het koninkrijk van Christus beogen". In ons boek The Fundamentals of Dispensationalism, hebben we deze vergissing breedvoerig behandeld en aangetoond, dat niet alleen Paulus' eerste bediening, overeenkomstig het verslag in Hande-lingen, in de eerste plaats tot de heidenen was, niet tot de Joden, maar ook, dat al zijn eerste brieven, gericht waren aan heidenen in het vlees. Maar hier is het voldoende te zeggen, dat de ernst van deze fout ligt in het feit, dat zij ontkent dat Paulus' eerste brieven geschreven werden met het oog op het geheimenis, en het samengevoegde Lichaam; dat deze inderdaad in het bijzonder betrekking hebben op ons allen. Zo wordt de gelovige beroofd van juist die waarheden, die het fundament vormen van het geheimenis, en bedoeld waren voor zijn instructie en gehoorzaamheid ls lid van het Lichaam van Christus.  

Hand.28 kenmerkt een einde, niet een begin. Daar spreekt God, door Paulus, het oordeel uit over het volk Israel (Hand.28:25-28). Maar hieruit volgt niet, dat de nieuwe bedeling op die tijd begon. Zij die dit beweren, zien niet de ontwikkeling, de golf van voortgang, in de onthulling van Gods wonderbaar plan. De eerste brieven van Paulus, en het latere gedeelte van Handelingen, brengen een overvloedige hoeveelheid bewijs, dat de nieuwe bedeling geleidelijk opkomt, zoals de oude geleidelijk verdwijnt (Zie Hand.13:38-41,46,47; 15:1-29; 18:6; 20:24,32; 28:28; Rom.1:13-16; 3:21-28; 11:32,33; 1Cor.1:17,18,23; 2:6,7; 2Cor.5:14-21; Gal.2:2,7,9; etc.). 

De bediening van Paulus in tweëen te delen (zoals de Hand.28 theorie dat doet) is net zo serieus als deze te verwarren met die van de twaalven (zoals de Hand.2-theorie doet). Beide theoriën knoeien met wat de Schrift leert over Paulus' onderscheiden bediening en gezag.

Omdat de Hand.2-theorie de absolute onderscheiding van Paulus' apostelschap en bediening ontkent, door de bewering dat de twaalven onder de "grote opdracht", "het evangelie van Gods genade" predikten, zoals Paulus dit naderhand deed, doet de Hand.2-theorie hetzelfde, door haar bewering dat Paulus "het evangelie van de besnijdenis" predikte, zoals de twaalven gedaan hadden. Maar nergens lezen we dat Paulus "twee evangeliën" had, één verkondigd vóór het slot van Handelingen, en het andere later. In zowel de eerste en latere brieven heet het "mijn evangelie", in enkelvoud (Rom.2:16; 2Tim.2:8), en het schijnt ons, dat de vloek van Gal.1:8,9 zwaar moet rusten op hen, die zijn evangelie in tweeën delen, zowel als op hen, die het verwarren met de Pinksterboodschap.*/[vi]  

_____

*/voetnoot: Er bestaat geen noodzaak om het geheimenis van het Lichaam te scheiden van de bedeling van genade, want het geheimenis is de bedeling van genade, duidelijk uit Eph.3:2,3: :"Indien gij maar gehoord hebt van de bedeling der genade Gods, die mij gegeven is aan u, Dat Hij mij, door openbaring heeft bekendgemaakt deze verborgenheid." Aldus is het Lichaam (het voorwerp van het geheimenis), het product van de bedeling van genade. Gelovige Joden en heidenen werden, door genade en op basis van Christus' volbrachte werk, verzoend met God in één lichaam (Zie Rom.11:32; Eph.2:16; 3:1-11). 

     "...hoeveel van de tegenwoordige sectarische verwarring en zonde uit de weg zou zijn geruimd, als er een klare en directe nadruk was gelegd op de Paulinische leer van de ware Kerk, is niet te overzien..." (Systematic Theology, Vol.IV,P.147). 

Het is waar, dat Paulus de boodschap van de twaalven bevestigde; dat doen wij ook, omdat wat zij predikten waar was; en zo bevestigde ook Petrus de boodschap van Paulus (2Petr.3:15,16).  

Het is ook waar, dat Paulus gered werd onder de oude bedeling, en geleidelijk daaruit werd opgetrokken, maar vanaf zijn bekering werd hij speciaal geroepen om één grote boodschap, meer en meer volledig, te proclameren: "het evangelie van de genade van God" (Hand.20:24). Hij moest een dienaar zijn, en getuige van de dingen die hij HAD GEZIEN, en van die dingen waarin de Here aan hem nog zou VERSCHIJNEN (Hand.26:16; cf.Gal.1:11,12).

In het licht van hun verminken van de grote Paulinische boodschap, is het niet zonder betekenis, dat de verwarring in de leer bij hen, die beweren dat de bedeling begon bij, of na Hand.28, net zo groot is, als onder hen die vasthouden aan het begin met Pinksteren.  

Er is één standpunt met betrekking tot het begin van de Kerk van deze bedeling, die de toets van het recht snijden van het Woord kan doorstaan. Dit kan als volgt worden gesteld:

Het Lichaam van Christus had zijn historisch begin bij Paulus, voordat hij zijn eerste brief schreef. Onder hen die dit standpunt hebben, kan enig verschil van opinie zijn, over wat de preciese tijd van begin is, maar hier moeten we oppassen, dat we onderscheid maken tussen wat groot is en wat klein, anders "ziften we de mug uit, en verzwelgen de kameel". De "Hand.2" en de "Hand.28" theoriën zijn niet alleen technisch incorrect maar doen beiden geweld aan de Paulinische openbaring, en tasten beiden onze leer en programma aan als leden van het Lichaam van Christus. Maar noch de boodschap van Paulus, noch onze leer en praktijk als leden van het Lichaam, worden op geen enkele manier aangetast door de gezichtspunten, dat het Lichaam begint bij Hand.9, Hand.13, of ergens ertussen in. Dit verschil tast alleen de uitleg van de hoofdstukken daartussen in, en zulke alleenstaande verzen als aangehaald, aan. Het verschil van opinie hier is dus niet een levend punt, en dient ook niet tot een serieus punt van uitgang te worden gemaakt. Of bezie het eens van een andere kant. Kunnen we bewijzen door de Schriften, dat het Lichaam niet begon op Pinksteren met Petrus en de elven? Ja, dat kunnen we. Kunnen we bewijzen door de Schriften, dat het niet begon met, of na Hand.28? Ja, dat kunnen we. Kunnen we bewijzen door de Schriften, dat het begon met Paulus voordat hij zijn eerste brief schreef? Ja, dat kunnen we. Maar zeggen de Schriften met zoveel woorden precies wanneer het begon? Nee, niet in zoveel woorden. Is er een passage in de Schrift die een klare indruk geeft van het historisch begin van de bedeling van genade, en van het Lichaam van Christus? Wat dit betreft mogen er enige verschillen van opinie zijn. Maar dit zullen we bedenken, het verschil is technisch, op geen enkele manier onze leer of onze praktijk aantastend. Laat ons daarom niet een punt maken waar God er geen maakt.  

Ware Bereaërs echter, zullen zelfs de kleine verschillen vrijlijk onderzoeken, in het licht van Gods Woord, want iedere passage in de Schrift op zich, is gerelateerd met het geheel. Een duidelijker begrip van iedere passage, zal helpen ons begrip van het gehele plan te verhelderen. 

WANNEER BEGON DE TEGENWOORDIGE BEDELING

Vele Bijbelleraren geloven, dat het Lichaam, of de nieuwe bedeling, haar historisch begin had in de passage die we hebben beschouwd (Hand.13).  

_________

*voetnoot: Dr.Arno C.Gaebelein schreef met betrekking tot dit anathema door Paulus: "Hij sprak van dit evangelie, dat hij predikte als 'mijn evangelie'. Ter verdediging van dat evangelie, de bedeling van Gods genade, schreef hij aan de Galaten, 'Doch al ware het ook dat wij, of een engel uit de hemel, u een evangelie verkondigde buiten hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt. Gelijk wij tevoren gezegd hebben, zo zeg ik ook nu wederom; Indien u iemand een evangelie verkondigt buiten hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt.' Dit zijn zwaarwichtige woorden. Zij worden weleens een hartstochtelijke uitbarsting van Paulus genoemd, toen hij ontdekte dat zijn gezag door de Judese leiders, die de Galaten in moeilijkheden brachten, werd gekleineerd. Dat was het in geen geval...De vloek van God zal zeker rusten op hen die dit evangelie besmetten of vervalsen." (Gods Masterpiece, P.117).  

Over het algemeen gesproken, staan zij op dit standpunt op grond, dat Paulus hier werd onderscheiden om zijn bediening aan de heidenen te beginnen, en dat de verwoording hier het begin aangeeft, van een nieuw programma, en dat de naam van Saulus werd veranderd in Paulus in verband met een incident, wat alle dispensationalisten beschouwen als veelbetekenend m.b.t. de bedeling.  

In het licht van de Schriftuurlijke achtergrond echter, werden we niet overtuigd, dat deze argumenten waardevol zijn, integendeel voor het grootste deel zelfs, niet correct. 

Ten eerste zegt deze passage niets over het begin van het Lichaam, of iets meer over een nieuwe bedeling, dan Hand.9 doet. In feite hebben we reeds niet minder dan acht belangrijke afwijkingen aangewezen van de oude bedeling, voorafgaand aan Hand.13. 

Verder werd Paulus hier niet onderscheiden om zijn heidenbediening te beginnen. Hij had reeds een behoorlijke tijd onder de heidenen in deze stad gewerkt, want, zoals we hebben aangetoond, het woord "Grieksen" in de Statenvertaling van Hand.11:20 had moeten worden vertaald met "Grieken" (heidenen), zoals in de N.B.G. Vertaling. De grotere contekst bevestigt dit uitvoerig, want het was deze kerk, die de Judaisten trachtten onder de wet te brengen (15:1), en voor welks vrijheid als heidens lichaam, Paulus naar Jeruzalem ging om te verdedigen (Hand.15:1-3, 7-10, 13-19, 23-31).

  

Bovendien was deze "afscheiding" van Paulus niet zijn roeping als een apostel of dienaar onder de heidenen. Hij was reeds beroepen tot deze bediening door "de openbaring van Jezus Christus" (Hand.26:16-18; 22:17-25; Gal.1:11,12). Dit was eerder de Geest, die de gemeente te Antiochië leidde, om hem op te geven voor het "werk" waartoe hij reeds was geroepen; i.c. "ver weg" onder de heidenen. Paulus was, als de twaalven, aangewezen als apostel, door de Here Jezus Christus, niet in de eerste plaats door de Heilige Geest. Inderdaad was de persoonlijke opdracht door Christus de vereiste bevordering tot apostelschap (Rom.1:5; 1Cor.9:1). 

Maar alleen al de aanhaling van Hand.13:2 brengt nog een stellige kwestie in geding: Als deze passage het begin van de nieuwe bedeling betekent, door Paulus in te voegen; de bedeling waarvan hij, overduidelijk, de apostel zal zijn, waarom wordt hij dan niet alleen genoemd, of waarom lezen we dan niet tenminste: "Zonder mij af, Paulus en Barnabas (als zijn helper)" in plaats van "Zonder mij af, Barnabas en Saulus"? 

Deze passage verwijst niet alleen naar Paulus, of naar Paulus en Barnabas, zoals men zou kunnen begrijpen uit menig commentaar. De passage luidt: "Zondert mij af beide Barnabas en Saulus." Het was Barnabas die eerst Saulus in zijn bediening onder de heidenen had gebracht (Hand.11:25,26), en "Barnabas en Saulus" worden weer in deze volgorde genoemd, tot Hand.13:13, waar we lezen over "Paulus en die met hem waren." We vinden echter twee keer in Hand.14, en weer tweemaal in Hand.15 "Barnabas en Paulus", met opnieuw Barnabas als eerste genoemd. Wij geloven daarom niet, dat de verwoording in deze passage aanduidt, dat een nieuwe orde of bedeling hier ingevoegd wordt. 

We lezen ook weer niet, dat Saulus' naam werd veranderd in Paulus. Als dat zo had geweest, en de verandering werkelijk een verandering in bedeling betekende, dan zou, zo schijnt het ons, deze veranderd zijn in Paulus, en Paulus zou dan alleen zijn genoemd, of minstens als eerste, in vers 2, waar het "Zondert mij af" ook wordt verondersteld weer te geven, de invoeging van de nieuwe bedeling. Maar het is in vers 9, nadat "Barnabas en Saulus" reeds hun bediening in Paphos begonnen hadden, dat we lezen dat "Saulus ook Paulus genoemd" werd. Het is heel goed mogelijk dat hij Paulus werd genoemd door de Grieken en heidenen vanaf zijn jeugd, want bedenk dat hij een geboren Romein was. 

Het feit dat van Hand.13:9 af Lukas, door de Geest, hem Paulus noemt, en dat reeds sinds lange tijd zijn naam voortdurend voorafgaat aan die van Barnabas en Silas, wanneer deze samen met hen wordt genoemd, is natuurlijk van betekenis, maar niet noodzakelijk betekenend voor het historisch begin van het Lichaam van Christus. Want geen van deze dingen gebeurde toen hij werd "afgezonderd" van de kerk in Antiochië. Wat dit alles betekent is eenvoudig Paulus' verhoging boven anderen, als Gods dienaar voor de heidenen. 

Wij geloven, dat Paulus' bekering en roeping tot apostelschap, het begin*/[vii] kenmerkt van de nieuwe bedeling, en van het Lichaam van Christus. We geloven dat zijn bekering de vanzelfsprekende, logische, en Schriftuurlijke plaats is voor het begin, om de volgende redenen: 

1. Zoals de twaalf apostelen de twaalf stammen van Israel vertegenwoordigden, zo vertegenwoordigde Paulus, als enige apostel het Lichaam van Christus, waarvan de eenheid voortdurend wordt benadrukt in de Schrift (Rom.12:5; 1Cor.12:13; Eph.4:4; etc.). 

2. Dit is in het bijzonder zo, omdat Paulus, net als het Lichaam, twee-in-een was. Hij was een geboren Hebreeër en een geboren Romein (en beide fervent) in één persoon (Phil.3:5; Hand.16:37; 21:39; 22:25,28; 25:9,11). Bovendien was hij een vijand, verzoend met God door overvloeiende genade. Hierin is hij de echte vertegenwoordiger van het samengestelde Lichaam, samengesteld uit Joden en heidenen, verzoend met God door genade (Eph.2:16). 

3. Verschillende Schriftplaatsen geven duidelijk weer, al zeggen zij dit niet daadwerkelijk, dat de nieuwe bedeling begon, met de bekering van Paulus. Wij citeren: "Dit is een getrouw woord en alle aanneming waardig, dat Christus Jezus in de wereld gekomen is om de zondaren zalig te maken, van welke ik de voornaamste ben. 

 "MAAR DAAROM IS MIJ BARMHARTIGHEID GESCHIED, OPDAT JEZUS CHRISTUS IN MIJ, DIE DE VOORNAAMSTE BEN, AL ZIJN LANKMOEDIGHEID ZOU BETONEN, TOT EEN VOORBEELD DERGENEN, DIE IN HEM GELOVEN ZULLEN TEN EEUWIGEN LEVEN" (1Tim.1:15,16). 

Er is wel beweerd, dat de bekering van de apostel, een model, of type was van Israels toekomstige bekering, omdat de Here aan Saulus verscheen, zoals Hij ook op een dag aan Israel zal verschijnen. Maar sommige omstandigheden in verband met Paulus' bekering schijnen veraf van Israels bekering. Evenmin zegt 1Tim.1:16, dat Christus aan hem verscheen tot een model, maar eerder, dat Jezus Christus al Zijn lankmoedigheid betoonde, tot een voorbeeld*/[viii] voor hen die daarna zouden geloven in Hem ten eeuwigen leven. Zo leidt hij zijn stelling in, met de woorden: "Doch de genade onzes Heren is zeer overvloedig geweest."

Dit alles dient zeker te worden vergeleken met een vers dat speciaal handelt over de invoeging van de nieuwe bedeling. Wij verwijzen naar Rom.5:20:"Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde;  EN WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST."

Aan deze passage zouden nog vele andere kunnen worden toegevoegd, die het feit bevestigen, dat "alle lankmoedigheid" en "de rijkdommen van Zijn genade" in het bijzonder de tegenwoordige bedeling karakterizeren (Rom.3:24; Eph. 1:7; etc.). En deze "meer dan overvloedige genade" werd allereerst aan Paulus betoond in zijn bekering, als "een voorbeeld" voor hen die na hem zouden geloven in Christus tot eeuwig leven.

Het is waar, dat in 1Cor.15:8, Paulus over zichzelf spreekt, als een "ontijdig geborene", maar dit trekt hem nog inniger tot de leden van het Lichaam, dan dat dit tot Israel het geval is. De "bestemde tijd" voor Israels bekering is, volgens de profetiën, nog toekomstig. De "bestemde tijd" voor de bekering der heidenen is eveneens toekomstig, want overeenkomstig profetie, zullen de heidenen worden gered door Israel (Gen.22:17,18; Rom.15:8,9). Wij, of we nu Jood zijn of heiden, zijn gered, evenals Paulus, vóór de bestemde tijd, niet op basis van een of ander verbond, maar puur door genade; niet overeenkomstig profetie, maar overeenkomstig het geheimenis.

4. In Hand.9 wordt uitsluitend aandacht geschonken aan Paulus, eerst als "blazende nog dreiging en moord tegen de discipelen van de Here", en daarna als glorieus gered, aangesteld, en vervuld met de Geest. Evenmin wordt de keus op Paulus ook maar enigszins gewijzigd. Het is niet "Saulus en Barnabas", nog minder "Barnabas en Saulus", maar alleen Saulus.  

---------

*/voetnoot: Wij benadrukken het woord begin, want tot aan het slot van Handelingen, is de oude bedeling slechts geleidelijk vervangen door de nieuwe. 

5. Wellicht is de belangrijkste aanwijzing dat de nieuwe bedeling begon vóór Hand.13, en bij Paulus' bekering en roeping tot apostelschap, het aantal beduidende afwijkingen van het oude programma naar het nieuwe, die plaats vonden in de periode tussen Hand.9 tot Hand.13. 

De roeping van Paulus als apostel, apart van de twaalven, is op zichzelf een aanwijzing, dat God een nieuw programma zou gaan beginnen; inderdaad was Paulus' roeping de start ervan.  

Verdere uitgangspunten: Paulus werd niet gered als een bekeerde Jood die tracht te worden gedoopt tot vergeving van zonden. Hij werd gedoopt, drie dagen na zijn bekering. Daarna werd Petrus tot de heidenen gezonden, zelfs hoewel Israel nog niet bekeerd was. De Heilige Geest onderbrak zijn boodschap, en deze heidenen ontvingen redding en de gave van de Heilige Geest, los van dopen (cf.Mark.16:15-18; Hand.2:38). Zij werden gedoopt, nadat zij gered waren, en de Heilige Geest ontvangen hadden. Daarna werden heidenen te Antiochië gered, niet vanwege Israels bekering, maar vanwege de vervolging te Jeruzalem, die de discipelen in hun nabijheid dreef. Dan stort de "voortgang van het koninkrijk" in (Hand.4:34,35), en de heidense gelovigen te Antiochië zonden hulp, "naar dat een iegelijk vermocht ", naar de behoeftige heiligen in Jeruzalem. Dan wordt Jakobus gedood met het zwaard, en de andere Jakobus, de broeder des Heren naar het vlees, begint de leiding over te nemen, zelfs over Petrus.

Dit zijn enige van de duidelijke aanwijzingen, dat de oude bedeling reeds begon te verdwijnen, en dat de nieuwe reeds begonnen was te dagen.

In de openingsverzen van Hand.13, hebben we nog een andere schrede naar de ontwikkeling van de bediening waartoe Paulus reeds was beroepen. In het origineel is er een bijzonder bijwoord, dat volgt op "Zondert mij af", dat geen preciese vertaling in het Engels vindt, en daardoor over het hoofd wordt gezien, of ontkend door de meeste vertalers. De vertaling die dit het meest nabij komt, zou waarschijnlijk zijn: "Scheidt mij dan nu af, Barnabas en Saulus", alsof het de volgende stap zou zijn in een reeds geopenbaard programma, en ongetwijfeld werd verwacht door de leiders van de Kerk, toen zij bezig waren in gebed en dienst voor de Here.

PAULUS' EERSTE APOSTOLISCHE REIS

"Dezen dan, uitgezonden zijnde van den Heiligen Geest, kwamen af tot Seleucië, en vandaar scheepten zij af naar Cyprus. "En gekomen zijnde te Salamis, verkondigden zij het Woord Gods in de synagogen der Joden; en zij hadden ook Johannes tot een dienaar.

"En als zij het eiland doorgegaan waren tot Pafos toe, vonden zij een zekere tovenaar, een valse profeet, een Jood, wiens naam was Barjezus; "Welke was bij de stadhouder Sergius Paulus, een verstandige man. Deze Barnabas en Saulus tot zich geroepen hebbende, zocht zeer het Woord Gods te horen. "Maar Elymas, de tovenaar (want alzo wordt zijn naam overgezet), wederstond hen, zoekende de stadhouder van het geloof af te keren. "Doch Saulus (die ook Paulus genaamd is), vervuld met de Heilige Geest, en de ogen op hem houdende, zeide: "O gij kind des duivels, vol van alle bedrog en van alle arglistigheid, vijand van alle gerechtigheid, zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heren? "En nu zie, de hand des Heren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een tijd. En van stonden aan viel op hem donkerheid en duisternis, en rondom gaande zocht hij, die hem met de hand mochten leiden. "Als de stadhouder zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heren. "En Paulus en die met hem waren, van Pafos afgevaren zijnde, kwamen te Perge, een stad in Pamfylië. Maar Johannes van hen scheidende, keerde weder naar Jeruzalem." - (Hand.13:4-13).

PAULUS' APOSTELSCHAP

We hebben deze reis waartoe Barnabas en Saulus door de Geest waren uitgezonden, Paulus' eerste apostolische reis genoemd, om reden dat de meer populaire uitdrukking, " Paulus' eerste zendingsreis" bij velen de verkeerde indruk heeft nagelaten, dat Paulus eenvoudig een buitenlandse zendeling geweest is, zoals we die thans kennen. Paulus, zo wordt verondersteld, reisde verder dan de twaalven, met de boodschap waarmee zij waren uitgezonden.

_______

*/voetnoot: Zelfs van de details, verbonden met zijn bekering, wordt niet gezegd dat zij een voorbeeld voor ons zouden zijn, maar alleen de barmhartigheid, en de genade van de Here t.o.v. hem.

En zo had onze tegenstander nog een overwinning geboekt bij zijn poging om het feit te verduisteren, dat Paulus een apostel was, even rechtmatig als de twaalven verkozen, doch met opdracht van de opgestane Here, onafhankelijk van hen; omdat met het oog op de verwerping van Israel van hun aanbod van het koninkrijk, God Paulus had opgewekt om een nieuwe boodschap, "het evangelie van Gods genade", te verkondigen onder alle volkeren.

Verder hebben we deze reis eerder "Paulus' eerste apostelreis"  genoemd dan van Barnabas en Saulus, omdat juist hier in het verslag van deze reis vermeld staat, dat de Geest het eerst Saulus' andere naam, Paulus noemt, en begint te verwijzen naar "Paulus en die met hem waren" (V.13) "Paulus en Barnabas" (V.43,46,50) etc. Wij vinden hierna inderdaad zelden Barnabas vóór Paulus genoemd. Nu is het Paulus, die blindheid aankondigt over Elymas (13:9-11). Het is Paulus die opstaat in de synagoge in Pisidisch Antiochië (13:16). En vanaf hier, tot het slot van Handelingen, komt de opkomst van Paulus als Godsman steeds meer naar voren.

Wat betreft de betekenis van de naam Paulus, is algemeen bekend, dat deze Romeins is, zijnde het Latijnse woord voor klein.  Hij zou echter ook afgeleid kunnen zijn van het Griekse woord Pau, hetgeen pause, of interval in mannelijke uitgangsvorm betekent. Beiden kunnen betekenis hebben, want telkens staat de apostel er op, dat hij niets is, terwijl de boodschap die hij in opdracht verkondigt, van doen heeft met een pause, of onderbreking door genade in het programma van God, zoals dit is geschetst door de Oud Testamentische profeten.

EERST DE JOOD 

Voorzover het verslag aangeeft, was de eerste bediening waarin Paulus en Barnabas op deze reis geleid werden, in Salamis, op het geboorte(ei)land van Barnabas (Zie Hand.4:36). De zorgvuldige lezer zal opmerken, dat aangezien Paulus en Barnabas gezonden waren om hoofdzakelijk onder de heidenen te werken, zij allereerst naar de synagogen van Salamis gingen, om het Woord van God aan hun Joodse stamgenoten te bedienen. Dit werd, en zo ging het verder, Paulus' praktijk gedurende al zijn reizen onder de heidenen, tot aan het slot van de periode, beschreven in het boek Handelingen.  Altijd ging hij "eerst naar de Jood", totdat hij, in de gevangenschap te Rome, deze zin uitsprak: "Het zij u dan bekend, dat de zaligheid (redding) Gods den heidenen gezonden is, en dezelve zullen horen" (Hand.28:28).

Er waren minstens drie redenen waarom Paulus er een punt van maakte om altijd eerst naar de Joden te gaan. Ten eerste, zodat Joden buiten Palestina, persoonlijk een gelegenheid zou worden geboden, hun vertrouwen te stellen op de verworpen Messias, en gered zouden worden. Ten twede, zodat het volk als geheel, met inbegrip van de Joden in de verstrooiing (diaspora), geen excuus voor God zouden hebben wanneer Hij hun terzijde zou stellen wegens het verwerpen van Christus. Ten derde, zodat zij geen reden zouden hebben om te klagen, dat redding tot de heidenen werd gezonden zonder hun bemiddeling, omdat overal, van Jeruzalem tot Rome, redding en heil tot de heidenen werd gezonden omdat de Joden het verwierpen, en daarbij zichzelf diskwalificeerden als de bemiddelaars van Gods zegen aan de volkeren.

In de drie voornaamste passages in Handelingen, waar Paulus zijn bedoeling verklaart om naar de heidenen te gaan, maakt hij duidelijk, dat hij dit doet omdat de Joden zelf de boodschap  hebben veracht. "...DOCH NADEMAAL GIJ HETZELVE VERSTOOT, EN UZELVEN HET EEUWIGE LEVEN NIET WAARDIG OORDEELT, ZIE, WIJ KEREN ONS TOT DE HEIDENEN" (Hand.13:46). "...UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN HEENGAAN" (Hand.18:6). "WANT HET HART DEZES VOLKS IS DIK GEWORDEN, EN MET DE OREN HEBBEN ZIJ ZWAARLIJK GEHOORD, EN HUN OGEN HEBBEN ZIJ TOEGEDAAN; OPDAT ZIJ NIET TE ENIGER TIJD MET DE OGEN ZOUDEN ZIEN, EN MET DE OREN HOREN, EN MET HET HART VERSTAAN, ... "HET ZIJ U DAN BEKEND, DAT DE ZALIGHEID (REDDING) GODS DEN HEIDENEN GEZONDEN IS, EN DEZELVE ZULLEN HOREN" (Hand.28:27,28).

Zo schrijft dan de apostel tot de Romeinen: "...DOOR HUN VAL IS DE ZALIGHEID DEN HEIDENEN GEWORDEN, OM HEN TOT JALOERSHEID TE VERWEKKEN (Rom.11:11).   Zoals we reeds hebben aangetoond, betekent het feit, dat Paulus tijdens zijn bediening in Handelingen eerst naar de Jood ging, niet, zoals sommigen hebben geconcludeerd, dat Paulus' bediening in die tijd in de eerste plaats, of hoofdzakelijk, tot de Joden was, want het verslag van de reizen in Handelingen, zowel als zijn brieven gedurende die tijd, geven getuigenis dat zijn bediening in principe gericht was tot de heiden, niet tot de Jood. 

DE GESCHIEDENIS VAN BAR    -JEZUS

En nu komen we tot een van die typische geschiedenissen waar het boek Handelingen vol van is - een geschiedenis die hier juist op haar plaats is. Het is een veelbetekenende weergave van twee Paulussen; van een heiden die verlangde het Woord Gods te horen, en een Jood die dit wilde verhinderen; van een heiden die werd gered, omdat een Jood werd verblind.

Aan het andere uiteinde van Cyprus vanuit Salamis, lag Paphos, blijkbaar de zetel van het bestuur van het eiland. In deze stad leefde Sergius Paulus, de gouverneur van het eiland. Deze Sergius Paulus had als raadsman, een Jood, genaamd Bar-Jezus. Dit op zichzelf is betekenend, want de heidenen zouden hulp en licht van de Joden ontvangen hebben, en Sergius Paulus was een Romeins stadhouder, een proconsul, vertegenwoordigende de heidenwereld, terwijl Bar-Jezus (Lett.Zoon van Jehovah-Redder) een profeet was, eigenlijk het Israel vertegenwoordigend, waardoor de heidenen zegen en zaligheid zouden hebben gevonden.

Maar Israel bracht geen licht en redding tot de heidenen - integendeel, trachtte dit juist van de heidenen weg te houden, en in het licht van dit feit krijgt de geschiedenis meer betekenis.

Bar-Jezus, hoewel naar het schijnt geboren uit vrome ouders (vanwege zijn naam), was tovenaar*/[ix] geworden, een valse profeet. Van Sergius Paulus daarentegen wordt gezegd, dat hij "een verstandig man" is geweest, en dat hij zeker oprecht was in zijn beroep op Barnabas en Saulus, om hem het Woord van God te leren.

Maar toen Bar-Jezus, of Elymas (Lett.Hij Die Weet), hoorde van de wens van de gouverneur om het Woord van God te horen, realiseerde hij zich onmiddellijk, dat zijn eigen invloed op Sergius Paulus in gevaar was, en "wederstond" Barnabas en Saulus, "trachtend de stadhouder van het geloof af te keren" (V.8).

Toen was het, dat Paulus de bedrieger toonde wat hij was, en oordeel over hem velde. Terwijl hij de veronderstelde "Zoon van Jehovah-Redder" een "zoon van de duivel" noemde, en de vertrouwde raadsman beschuldigde van "vol te zijn van alle bedrog en van alle arglistigheid", vroeg de apostel: "Zult gij niet ophouden te verkeren de rechte wegen des Heren?", en voegde daaraan toe: "En nu zie, de hand des Heren is tegen u, en gij zult blind zijn en de zon niet zien voor een tijd" (V.9-11).

Hiermee werd de man, van wie verondersteld werd, inzicht te hebben in het onbekende, gewikkeld in "donkerheid en duisternis", en hij die zo hoog aangeschreven stond, en grote invloed had bij de gouverneur, werd krachteloos overgeleverd, hulpeloos zoekend naar iemand die hem bij de hand kon leiden.

Ondertussen geschiedde met Sergius Paulus, de Romeinse stadhouder het volgende: "Als hij zag hetgeen geschied was, toen geloofde hij, verslagen zijnde over de leer des Heren" (V.12).

Wat een schouwspel hebben we juist hier van datgene wat plaats vond met Israel en de heidenen, waarvan iets wordt aangegeven in het verslag in dit hoofdstuk!

In ditzelfde hoofdstuk vinden we ook de heidenen, die vragen om het Woord van God te horen (V.42) en de Joden, die zelf het middel hadden moeten zijn tot zegen van de heidenen, Paulus en Barnabas tegenstaand, en trachtend de heidenen van het geloof te weerhouden (V.45). Israel, de veronderstelde Zoon van Jehovah-Redder, Gods aangewezen profeet voor de volkeren, wordt daarentegen bevonden een valse profeet, een zoon van de duivel, en wordt overgegeven aan oordeel (V.46), terwijl de heidenen de waarheid ontvangen, en zich daarin verheugen (V.48). Zo schrijft danook de apostel aan de Romeinen: "Wat dan? Hetgeen Israel zoekt, dat heeft het niet verkregen; maar de uitverkorenen hebben het verkregen, en de anderen zijn verhard geworden "(Gelijk geschreven is: God heeft hun gegeven een geest des diepen slaaps; ogen om niet te zien, en oren om niet te horen), tot op den huidigen dag" (Rom.11:7,8).

Een feit dat echter veelal over het hoofd gezien wordt is, dat Elymas slechts "voor een tijd" (V.11) verblind werd. Dit is belangrijk voor het feit, dat Israels blindheid op zekere dag zal verdwijnen, want we lezen opnieuw in de brief aan de Romeinen: "Want ik wil niet, broeders, dat u deze verborgenheid onbekend zij (opdat gij niet wijs zijt bij uzelven), dat de verharding voor een deel over Israel gekomen is, totdat de volheid der heidenen zal ingegaan zijn.

"En alzo zal geheel Israel zalig worden; gelijk geschreven is: De Verlosser zal uit Sion komen, en zal de goddeloosheden afwenden van Jakob" (Rom.11:25,26).

Nog een feit, te opmerkelijk om over te slaan in deze weergave is, dat we hier twee Paulussen hebben - twee mannen die "klein" heten. De ene is heiden van geboorte, de ander lid van het uitverkoren ras, Gods verbondsvolk.

Maar - het lid van het uitverkoren ras was een bittere vijand geworden van God en een lasteraar van Zijn Zoon, zodat zijn positie voor God niet beter - eerder slechter - was dan van de heidense afgodendienaar. Nu moeten beiden, de heiden en de Hebreeër gered worden door genade, als "klein" in zichzelven, maar groot in het hart van de Redder die voor hen stierf. De religieuse Hebreeër zowel als de goddeloze heiden moeten hun plaats innemen samen met de voornaamste der zondaars, en zeggen: "Ik ook ben een zondaar, maar ik wil Christus aannemen als mijn Redder." 

Dit alles berust op de verblinding van Elymas en van Israel voor een tijd, want in de tegenwoordige bedeling laat God zien, dat Jood en heiden samen gered moeten worden puur door genade, en dat zelfs wanneer het verbondsvolk uiteindelijk gered is, dit alleen zal zijn door genade, door de verdiensten van de Gekruisigde. Zo moest het geheimenis worden geopenbaard voordat de profetie vervuld kon worden, zodat Israel, uiteindelijk verhoogd, niet zal roemen in zichzelf, maar in Christus.

HET VERTREK VAN MARKUS

Zoals we weten, was Johannes Markus met Paulus en Barnabas op deze reis meegegaan, maar toen zij Perga in Pamphilië bereikten "scheidde hij zich van hen" plotseling, zonder dat het verslag uiteindelijke informatie geeft over zijn activiteiten op de reis, of de reden waarom hij zo plotseling terugkeert naar Jeruzalem. Sommigen hebben gedacht, dat de gevaren van de heidenomgeving hem beangstigd zullen hebben. Misschien heeft de jongeman alleen heimwee gekregen. Wij weten dat hij met zijn moeder in Jeruzalem leefde, in de beschermde omgeving van een groot en waarschijnlijk comfortabel huis (Hand.12:12, etc.). Het zou daarom niet vreemd zijn als hij, op zo'n reis in vreemd en heidens gebied, bang geworden zou zijn of heimwee had, of beide. Maar hierover later meer.

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011