De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  X  -  H A N D. 6:8-7:60

     DE CRISIS VAN ISRAEL

  STEFANUS VERWIKKELD

    IN DEBAT

En Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. "En er stonden op sommigen die waren van de synagoge der Libertijnen, en der Cyreneeërs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus;  "En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak."   - (Hand.6:8-10)

De eerste naam op de lijst van zeven diakenen is, zoals we hebben gezien, die van Stefanus, en op hem vestigt het heilig verhaal nu onze aandacht.

Hoewel hij eerst aangewezen was in "de dagelijkse administratie", was deze man van God, "vol van geloof ("genade" A.V.) en kracht", nu geroepen tot hogere dienst.

  In Jeruzalem waren synagogen gesticht door buitenlandse Joden, voor hun eigen gebruik gedurende hun bezoeken aan de heilige stad op feestdagen, en ook voor het gebruik door hun zonen, die daar heen gezonden werden voor hun opvoeding, zoals b.v. Saulus van Tarsus daar was geweest (Zie Hand.22:3). Scholen en colleges waren in de meeste gevallen verbonden met deze synagoges, zo dat de meeste leden bleken studenten geweest te zijn.

Met de leden van deze synagogen kwam Stefanus, zelf ongetwijfeld een Hellenist, in gewoon contact. Onder hen waren er van de Libertijnen,*/[1] de Cyreneeërs, de Alexandrijnen, de Ciliciërs en diegenen uit de provincie Azië.

Toen Stefanus grote wonderen en tekenen deed onder het volk, "disputeerden" de leden van deze synagogen met hem. Het woord "disputeren" hier, wordt dikwijls weergegeven als informeren. Zo was, wat er gedisputeerd werd, eigenlijk informatie door hen. De vertaling van Weymouth geeft het aldus weer, dat zij "geprikkeld werden om met Stefanus in debat te gaan".

Dit was heel gewoon omdat, zoals we gezien hebben, deze groep voornamelijk bestond uit jonge studenten - en Joodse studenten toen waren vast niet verschillend van Amerikaanse of Europese studenten van nu. Geëngageerd als zij waren in hun studies bij Israel's geestelijke leidsmannen, voelden zij zich wel in staat om met Stefanus te onderhandelen, en begonnen hem met vragen lastig te vallen.

Het is niet onwaarschijnlijk dat Saulus van Tarsus onder hen was, want we lezen in Hand.21:39 dat Tarsus "een stad in Cilicië" was, en we weten dat Saulus nu in Jeruzalem was, waar hij had gestudeerd onder Gamaliel (Hand.22:3). Omdat Saulus aanwezig was bij de steniging van Stefanus (Hand.7:58), en "instemde met zijn dood" (Hand.8:1); en omdat Saulus inderdaad zeer kort daarna, de hoofdvervolger werd van de Pinksterkerk, schijnt het goed mogelijk, dat hij een van het gezelschap was, die probeerden Stefanus in debat te verslaan.

In ieder geval bleek Stefanus hem meer dan de baas te zijn.

"En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak" (Hand.6:10).

STEFANUS VALSELIJK BESCHULDIGD

"Toen maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke woorden tegen Mozes en God. "En zij beroerden het volk en de ouderlingen en de schriftgeleerden, en hem aanvallende, grepen zij hem en leidden hem voor de Raad.

"En stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden te spreken tegen deze heilige plaats en de wet. "Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.  "En allen die in de Raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn aangezicht als het aangezicht eens engels"  - (Hand.6:11-15)

Men zou kunnen veronderstellen dat de ondervragers van Stefanus, ten volle beantwoord, en niet in staat hem tegen te spreken, de waarheid hebben erkend,  en Jezus als hun Messias aangenomen zouden hebben. Maar de gevallen menselijke natuur reageert niet zo. Hun trots was nu verwond. Niet in staat hem te antwoorden, begonnen zij hem te achtervolgen.

Het schandelijk schouwspel waar we nu getuige van zijn, is een bewijs van de verdorvenheid van de menselijke natuur. Deze mannen, waarschijnlijk naar Jeruzalem gekomen met waardevolle motieven en hoge aspiraties, zweren samen - gelijk hun leiders tevoren gedaan hadden - om oneerlijke mensen privé aan te stoken ongerechtigheid te plegen, door vals getuigenis tegen Stefanus voor te brengen voor het Sanhedrin.

Er waren natuurlijk delen van waarheid in hun beschuldigingen, maar halve waarheden kunnen meer schade toebrengen dan de ergste leugen.

 Stefanus had geen godslasterlijke woorden gesproken, noch tegen Mozes of tegen God. Maar bij deze algemene beschuldiging, grijpen het volk en de oudsten en schriftgeleerden hem, en brengen hem voor de raad.

Hier brengen zij werkelijk valse getuigen naar voren, die hem beschuldigen van het spreken van godslasterlijke woorden tegen de tempel en de wet.   De eigenlijke beschuldiging:  "Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus de Nazarener deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft (Hand.6:14).

De beschuldiging dat "deze Jezus van Nazareth" (let op de verachting in hun verwijzing naar Christus) de tempel zou vernietigen, was praktisch dezelfde als die welke tevoren tegen Christus Zelf was ingebracht (Zie Matt.26:61). Maar noch de Here, noch Stefanus, hadden ooit zo'n verklaring afgelegd.

Onze Here had wel voorzegd, met bezwaard hart, dat de tempel zou worden vernietigd (Luk.19:26:61), maar Hij had nimmer te kennen gegeven, dat Hij dat zou doen. Het was ook waar dat Hij had gesproken van Zijn lichaam als "Zijn tempel", maar verre van te zeggen dat Hij die zou afbreken, had Hij gezegd dat als zij die afbraken, Hij die weer zou opbouwen binnen drie dagen! (Zie Joh.2:19).

Er zijn er die veronderstellen, dat de beschuldiging over de verandering der zeden die Mozes overgeleverd had, feitelijk enige grond had. Zij veronderstellen dat Stefanus klaarblijkelijk de bedeling der genade had voorzegd, die wij tans genieten. Maar dit kan niet zo zijn, want de tegenwoordige bedeling van genade was een geheimenis, verborgen bij God en geopenbaard aan en door de apostel Paulus (Eph.3:1-3, etc.).

Indien Stefanus inderdaad had gesproken van veranderingen van de Mozaische bedeling, had het alleen maar kunnen zijn, in dezelfde zin waarin onze Here sprak van deze veranderingen. Bij voorbeeld vinden we onze Here uit de wet van Mozes citeren in Zijn Bergrede, en herhaald voegt Hij de woorden toe: "Maar Ik zeg u", etc. Maar dit impliceert geen verachting van de wet van Mozes, noch enige suggestie van verandering van haar leringen of verzwakking van haar stelregels. Het feit is eenvoudig dat onder de Messiaanse regering een nog hogere standaard zou worden gehandhaafd. Er zou inderdaad een verandering komen, maar alleen in die zin, dat Gods volk, door de Geest, de wet spontaan, van harte, zou gehoorzamen! Hun eigen profeet Jeremia had immers zo'n verandering voorspeld.

"Zie, de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik met het huis van Israel en met het huis van Juda een nieuw verbond zal maken; "Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland te voeren; welk Mijn verbond zij vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Here. "Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israels maken zal, spreekt de Here; IK ZAL MIJN WET IN HUN BINNENSTE GEVEN, EN ZAL DIE IN HUN HART SCHRIJVEN; EN IK ZAL HUN TOT EEN GOD ZIJN EN ZIJ ZULLEN MIJ TOT EEN VOLK ZIJN" (Jer.31:31-33).

Welk een gevaar ligt opgesloten in het verwerpen van de waarheid! De bestuurders van Israël hadden kort tevoren op een zedelijk kruispunt van wegen gestaan. In plaats van de waarheid te aanvaarden, hadden zij toegelaten dat eigenzinnige trots hen dieper en dieper in de golf van schuld en veroordeling trok, waarin wij zich nu bevinden. En nu nemen deze Hellenisten - klaarblijkelijk meest jonge studenten in de godgeleerdheid - dit zelfde gevaarvolle pad. Niet in staat de waarheid te beantwoorden en niettemin te obstinaat om dat te accepteren, vervolgen en beschuldigen zij valselijk degene die deze proclameert.

En zo is het ook in onze dagen. Wanneer religieuze leiders, waar duizenden ernstige mensen tegen opzien, doorgaan met een groot deel van de waarheid af te wijzen die God ons voor deze dagen heeft geopenbaard, duurt het meestal niet lang totdat zij de exponenten ervan vervolgen en lasteren. Niet in staat om hen met het Woord tegemoet te treden, toch onwillig om voor het Woord te buigen, zwichten zij voor Satan's methoden, door datgene tegen te staan, wat zij hadden moeten voorvechten.

Maar God zou Israël niet laten gaan met ook maar een enkel excuus voor hun verwerping van Christus, want toen de Hebreeuwse grote Raad, en de Hellenistische beschuldigers allen hun aandacht richtten op Stefanus, werd zijn gelaat bovennatuurlijk getransformeerd "als het aangezicht van een engel". Het was deze man van God, wonderlijk getransformeerd, die nu de beschuldigingen beantwoordde die tegen hem werden ingebracht.

Dit was een fatale dag in de geschiedenis van Israel. Johannes de Doper had Israel opgeroepen tot bekering. Hem hadden zij onthoofd. De Here Zelf had de oproep overgenomen, waar Johannes moest ophouden. Hij werd gekruisigd. Petrus en de elven op Pinksteren hadden opnieuw Israel opgeroepen tot bekering, en nu Stefanus, vervuld met de Heilige Geest, en goddelijk getransformeerd, voor hen staande, doet een laatste oproep. Wat zal het antwoord zijn?

TOESPRAAK VAN STEFANUS VOOR HET SANHEDRIN

De merkwaardige toespraak van Stefanus voor het Sanhedrin is waard deze uiterst nauwkeurig te onderzoeken. Wij brengen daarom de gehele tekst met ons commentaar, en vertrouwen dat de lezer tijd zal nemen dit te lezen, en daarin veel meer zal zien dan wij hebben gezien, dan wel ruimte vinden om op deze pagina's te reageren.

Deze nobele toespraak voor de Hoge Raad van Israël, is dikwijls genoemd "Stefanus' verdediging". In werkelijkheid echter had Stefanus weinig gedachten over zijn zelfverdediging. Hij was duidelijk in het offensief toen hij met Israel's regeerders redeneerde en hen later aanklaagde voor de moord op Christus.

Het Sanhedrin kon in werkelijkheid Stefanus net zo min verhoren, dan een misdadiger een rechtvaardige zou verhoren. Iedere keer dat de Raad de apostelen voor verhoor hadden opgebracht, hadden de aanklagers zichzelf in de verdediging bevonden, toen de apostelen hen verantwoordelijk stelden voor de dood van Christus. Zo is het in de eerste Handelingen eigenlijk Israël dat onder verhoor is, in plaats van de apostelen en Stefanus.

 Stefanus' toespraak, zoals deze hier wordt weergegeven is een merkwaardige, veelomvattende samenvatting van Israel's geschiedenis. Zonder twijfel was zij bestemd om aan te tonen 1) dat de verwerping van Christus geen bewijs was dat Hij de Messias niet was, want Israel's grootste helden werden veelal pas geaccepteerd, na eerst hevig te zijn verworpen, 2) dat de Mosaische wet niet een blijvende institutie was, want Abraham verheugde zich in een innige gemeenschap met God, lang voordat de Mosaische wet gegeven was, en Mozes zelf beloofde een andere Leider, van wie hij zei: "Dien zult gij horen" (V.37).

Met dit in onze gedachten, keren we terug naar de toespraak zelf.

  DE ABRAHAMITISCHE ROEPING EN HET VERBOND

"En de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?

     "En hij zeide Gij mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, eer hij woonde in Haran,

     "En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een land dat Ik u wijzen zal.

     "Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Haran. En vandaar , nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, waar gij nu woont.

     "En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet één voetstap, en beloofde dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en aan zijn zaad na hem, als hij nog geen kind had.

     "En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd land, en dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk handelen vierhonderd jaren.

     "En het volk dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.

     "En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak, en besneed hem op de achtste dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf patriarchen."

                                              - (Hand.7:1-8)

 

     Stefanus begint met erop te wijzen, dat "de God der heerlijkheid" aan Abraham en de patriarchen was verschenen, grote beloften had gedaan aangaande Abraham's zaad, en hem het verbond der besnijdenis had gegeven - alles lang vóór het Mosaisch verbond. Dit betekende natuurlijk niet, dat de wet nu kon worden ontkend, maar het herinnerde hen eraan, dat God Abraham en zijn zaad had verkozen, vóór het geven van de wet door Mozes, en het bereidde hen toe, voor een beschouwing van de aanspraken van Christus.

 

     Stefanus wijst er ook op dat het eerst scheen alsof Gods Woord tot Abraham niet waar kon zijn. Wat betreft het beloofde land, had God "hem daarin geen erfenis gegeven, nog niet zoveel als een voetstap" hoewel Hij had "beloofd dat Hij het aan hem als bezit zou geven, en aan zijn zaad na hem." En voor wat betreft "zijn zaad", God had beloofd dat het land Kanaan zou gaan naar Abraham's zaad, "toen hij nog geen kind had." De toehoorders van Stefanus zouden zich de bijzonderheden van die geschiedenis wel duidelijk herinneren, want Abraham was bijna honderd jaar en Sara bijna negentig, toen werd verwacht, dat zij zouden geloven dat God hun het beloofde zaad zou geven.

Dit begin van Stefanus' toespraak was berekend om zijn hoorders zodanig te beinvloeden, dat zij opmerkzaam en bedachtzaam, aandacht zouden schenken aan de aanspraken van Christus. De Joden hadden verwacht, dat Messias zou komen als een overwinnend leider, om hen te bevrijden van het Romeinse juk, en waren teleurgesteld, dat Hij zoveel te zeggen had over zonde, en erop gestaan had, dat zij zouden bekeren. Omdat Hij niet beantwoordde aan hun voorstelling, noch hun dromen verwezenlijkte, geloofden zij niet - eigenlijk wensten zij niet - dat Hij de Messias was.

De opmerkingen aan het begin van Stefanus' toespraak, hadden hun staande en tot nadenken moeten brengen, want in het eerst scheen het ook ongelofelijk dat Abraham ooit vader zou zijn van een groot volk. En wat betreft het bezitten van het land Kanaan door zijn zaad, zou het verstand geredeneerd hebben: "Laten we eerst zien of hij het zaad heeft". Bovendien moet de belofte van bezit van het land, inderdaad hopeloos geschenen hebben voor zijn zaad jaren later, toen zij voortleefden, vierhonderd lange jaren, in Egyptische slavernij. Maar Maar in ieder geval had God's Woord bewezen betrouwbaar te zijn, en nu zouden de leidslieden van Israel, in plaats van in blind vooroordeel verder te gaan met verwerpen van deze "Jezus van Nazareth", er goed aan doen de Schriften zorgvuldig te bestuderen en zich af te vragen, in het licht van God's Woord, of Hij niet inderdaad de Messias was.

JOZEF EN ZIJN BROEDERS

"En de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te worden; en God was met hem,   "En Hij verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en wijsheid voor Farao, de koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste over Egypte en zijn gehele huis.     "En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en Kanaan, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijze. "Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze vaders de eerste maal uit. "En in de twede reize werd Jozef aan zijn broederen bekend, en het geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar. "En Jozef zond heen en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen. "En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders. "En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf, hetwelk Abraham gekocht had voor een som geld van de zonen van Hemor, de vader van Sichem."  - (Hand.7:9-16)

Jozef wordt hier getoond als een type van Christus. Ook hij werd gehaat door zijn broeders en overgegeven aan de dood, maar later werd hij een verhoogd bestuurder en de redder van zijn broeders.

De verklaring van Stefanus dat bij "De twede reize (keer) Jozef aan zijn broederen bekend werd", is bijzonder belangrijk, want omdat Israel Christus had verworpen bij Zijn eerste komst, boden Petrus en de apostelen nu Zijn wederkomst aan, opdat de "tijden der verkwikking" zouden komen, indien Israel zich slechts bekeerde.*/[2] Inderdaad hadden zij voorspeld dat Hij uiteindelijk zou wederkeren om de troon in te nemen, ondanks Israel's houding nu (Hand.2:20,30,36; 3:21-23).

Let op de groeiende kracht van Stefanus' scherpzinnig argument. Hij had Christus zelfs nog niet genoemd, want dat zou hen alleen maar zo woedend gemaakt hebben, dat hij niet meer zou worden aangehoord, maar iedere Jood in het Sanhedrin wist wat hij bedoelde. Door alleen maar deze bekende geschiedenis te herhalen, zei hij eigenlijk: "Wees er niet al te zeker van dat gij van Christus verlost zijt, door Hem aan het kruis te nagelen. Jozef's broeders dachten ook dat zij zich van hem ontdaan hadden toen zij hem in de put wierpen. Maar zij vergisten zich, en na een tijd werden zij geconfronteerd met hem, die zij hadden verworpen."

                          MOZES EN DE KINDEREN VAN ISRAEL

"Maar als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het volk en vermenigvuldigde in Egypte "Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.  "Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht en handelde kwalijk met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet zouden voorttelen. "In welke tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders. "En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.  "En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaars, en was machtig in woorden en werken.  "Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn hart zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken. "En ziende een die onrecht leed, beschermde hij hem en wreekte degene dien overlast geschiedde, en versloeg de Egyptenaar. "En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God, door zijn hand, hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan. "En de volgende dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten, en hij drong hen tot vrede, zeggende; Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij elkander ongelijk?  "En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?  "Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren de Egyptenaar omgebracht hebt?  "En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land Midian, waar hij twee zonen gewon.  "En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des Heren in de woestijn van de berg Sianai in een vlammig vuur van het doornbos. "Mozes nu dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij derwaarts ging om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heren tot Hem,  "Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God Izaks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien. "En de Here zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want de plaats in welke gij staat, is heiligland.  "Ik heb merkelijk gezien de mishandeling van Mijn volk dat in Egypte is, en Ik heb hun zuchten gehoord, en ben nedergekomen om hen daaruit te verlossen; en nu kom herwaarts. Ik zal u naar Egypte zenden.      "Deze Mozes, welke zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een verlosser gezonden door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornbos. "Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land van Egypte, en in de Rode Zee, en in de woestijn, veertig jaren.  "Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Here uw God zal u een Profeet verwekken uit uw broederen gelijk mij; Dien zult gij horen.       "Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinai, en met onze vaderen; welke de levende woorden ontving, om ons die te geven.  "Dewelke onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte, "Zeggende tot Aaron: "Maak ons goden, die voor ons heen gaan; want wat deze Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij weten niet wat hem geschied is. "En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot de afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.  "En God keerde zich en gaf hen over, dat zij het heir des hemels dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook slachtoffers en offeranden Mij geofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis Israels?

"Ja, gij hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan, de afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren op gene zijde van Babylonië."  - (Hand.7:17-43)

Hier geeft Stefanus een opsomming van Israels geschiedenis van Egypte tot Babylon, waarbij hij eigenlijk met een juist gerichte smeekbede aan zijn toehoorders naar voren komt, om hun houding ten opzichte van Christus te herzien.

Mozes, het idool van de bestuurders, niettemin degene die zij constant ongehoorzaam zijn, wordt nu aangehaald. Het zag er eerst weinig naar uit dat hij ooit Israel's grote verlosser zou worden.

Als baby was hij alleen de dood door de handen van Farao ontkomen, doordat God, in voorziening, ingreep. Maar God lacht om de rebellie en de trots van de mens, en eenmaal betaalde Farao zelf de kosten van kleding, voedsel en opvoeding, aan zijn eigen hof, van de man, die juist zou gaan doen hetgeen waar hij zo bang voor was!

Dan, op de leeftijd van veertig jaren, verlaat Mozes de glorie van het hof van Farao, voor een bezoek aan zijn broeders, alleen om hen te horen zeggen: "Wie heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?" En de koninklijke prins moest vluchten als vluchteling naar Midian.

Maar deze zelfde Mozes keerde later terug in kracht, om zijn volk te bevrijden. Weer een van Israel's helden die wordt verworpen, voordat hij tenslotte geaccepteerd wordt.

  Maar de les eindigt hier niet, want Stefanus herinnert de leiders eraan, dat zelfs na Israel's verlossing onder Mozes, "onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte" (V.39).

En zelfs dit was niet alles, want terwijl Mozes op de berg was om de tafels der wet te ontvangen, klaagde het volk over "deze Mozes", en maakte een gouden kalf, en dansten, net als de heidenen, er rondom. En deze rebellie tegen Mozes en God ging door, tot God hen overgaf aan hun afgodendienst, en toeliet dat zij weggevoerd werden als gevangenen naar Babel.

Zo was de neiging, zelfs van God's verbondsvolk, om Zijn profeten te verachten en Zijn Woord te veronachtzamen. In de gedachten van de leiders liet Stefanus de vraag achter: Deden zij dit weer als gevolg van de afwijzing van Christus? En waren zij misschien wel in gevaar, of "op weg", naar nog groter kwaad?

Het was niet Stefanus; zij waren het die Mozes en de wet verachtten. Had niet Mozes zelf gezegd:

"Een profeet uit uw broederen zal de Here uw God verwekken, gelijk mij; DIEN ZULT GIJ HOREN" (V.37).

Wat Stefanus tactisch niet aanhaalde, maar wat de leiders wel wisten, was de rest van de profetische verklaring, waar God doorgaat, en zegt:

"En het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar mijn woorden die Hij in Mijn Naam zal spreken, van dien zal ik het zoeken" (Deut.18:19).

Gaf deze profetie over Messias niet duidelijk aan dat het Oude Verbond een tijdelijke instelling was? Bewees het niet dat Christus in de plaats van Mozes zou komen? En het merkwaardige is, dat Christus niet kwam om de wet te vernietigen, maar om deze te vervullen (Matt.5:17), en om het Nieuwe Verbond te brengen door het vergieten van Zijn bloed, en de komst van Zijn Geest, zodat Israel de wet van harte uit zou voeren (Lees met aandacht, Jer.31:31-34, Hand.21:2)).

Wij herhalen, dat het niet Christus was, noch de apostelen, noch Stefanus, die schuldig waren aan verachting van Mozes en de wet; het waren deze leidsmannen in Israel, en zoals zij daar zaten te luisteren naar de toespraak van Stefanus, waren zij in gevaar van te worden geoordeeld met een zwaarder oordeel dan hun voorvaders was overkomen.

DE TABERNAKEL EN DE TEMPEL

"De tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij dezelve maken zou naar de afbeelding die hij gezien had; "Welke ook onze vaders ontvangen hebbende, met Jozua gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;"Dewelke voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor de God Jakobs. "En Salomo bouwde Hem een huis.  "Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt; gelijk de profeet zegt: "De hemel is Mijn troon, en de aarde de voetbank Mijner voeten; hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Here, of welke is de plaats Mijner rust?  "Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?" - (Hand.7:44-50).

Bij het besluiten van zijn toespraak rekent Stefanus af met nog een van hun beschuldigingen. Zij hadden hem beschuldigd voor het spreken vam godslasterlijke woorden tegen de tempel.Dit was natuurlijk onwaar. Het feit was, dat zij schuldig waren aan godslaster tegen de Heilige, waarvan de tempel slechts een type was.

De tabernakel was vervangen door de tempel, maar zelfs deze glorieuze verblijfplaats, kon Gode geen gerechtigheid doen. De tempel was slechts een type van een nog glorieuzer verblijfplaats: Christus, in wie "al de volheid der Godheid lichamelijk woonde". Hij was God, gemanifesteerd in het vlees. Had Jesaja niet gezegd: "Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is, overgezet zijnde, God met ons"? (Matt.1:23).

STEFANUS' BESCHULDIGING TEGEN ISRAEL

"Gij hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij. "Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben gedood degenen die tevoren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van Welke gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt;"Gij, die de wet ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden."   - (Hand.7:51-53)

Dat de leiders volkomen begrepen waar Stefanus heen wilde, is duidelijk uit deze verzen en uit de rest van het verslag. Schijnbaar werd het duidelijk, dat de leiders elk beroep dat Stefanus had gehoopt te doen, zouden verwerpen, en hij voelde dat zij niet veel langer wilden luisteren, want plotseling verandert de toon van zijn boodschap. In plaats van een beroep, is er een dringende aanklacht. Hij schijnt hen te verwerpen, als hij zijn herhaald "onze vaders", verandert in "jullie vaders", en hen beschuldigt van wederstaan van de Heilige Geest, van verraad, en vermoorden van Christus, en verachting van Mozes en de wet, die zij voorgaven te onderhouden. In zijn aanklacht ging Stefanus terug van hun zonde tegen de Geest, naar die tegen Christus, naar die tegen Mozes en de wet, vanwege het effekt dat dit op hen zou hebben. In werkelijkheid was het hun zonde tegen de Geest, die hun ondergang bezegelde.

Hoewel Stefanus , vol van de Heilige Geest voor hen had gestaan, en bovennatuurlijk veranderd toen hij met hen sprak, wilden zij niet luisteren. Zij hadden, daar en toen, de Heilige Geest wederstaan, en begingen de onvergeeflijke zonde, waarvoor de Here hen zo ernstig had gewaarschuwd (Matt.12:31,32).

DE MOORD OP STEFANUS

 

DE WOEDE VAN DE LEIDERS EN HET VISIOEN VAN STEFANUS

"Als zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem. "Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods."  - (Hand.7:54,55). "Met berstende harten" door Stefanus' scherpe aanklacht, "knersten zij tanden" tegen hem. Zijn woorden zijn meer dan hun schuldige gewetens kunnen verdragen. Zij hebben moord in hun harten. Maar hij schijnt kennelijk onbewogen voor hun woede, en ziet strak naar de hemel, ziende de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Zijn rechterhand*/.[3] Er is altijd veel discussie geweest rond het feit dat Christus hier gezien wordt, staande in plaats van zittend. Mark.16:19 zegt duidelijk: "De Here dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de hemel en is gezeten aan de rechterhand Gods"

Verder leert ons Hebr.10, dat de Here gezeten was aan de rechterhand des Vaders, omdat het werk der zaligheid was volbracht. Waarom wordt Hij hier staande gezien?

Sommigen hebben als enige verklaring, de theorie aangedragen dat de Here weer zou zijn opgestaan op Zijn voeten, om Zijn martelaar-getuige, Stefanus, thuis, te begroeten, maar laten we even stil zijn, en niet vooruitlopen op openbaring naar Mark 16, bij het lezen van Hebr.10, de brief, die destijds nog niet geschreven was.

Ten eerste, wat betreft de plaats aan des Vaders rechterhand, hebben wij dikwijls de vraag gesteld: Wat voor soort troon bezet de Zoon nu bij de Vader? Is hij gemaakt van ivoor, goud, of kostbare stenen? Hoe groot is deze? Waar stond hij precies?

 Zulke vragen bepalen ons duidelijk bij het feit dat de tegenwoordige positie en glorie van onze Here iets is, oneindig ver boven ons menselijk begrip. Iemand heeft gezegd dat als de Vader en de Zoon nu gezeten zijn in de hemel, hun troon moet rusten op sterren, die milliarden kilometers van elkaar verwijderd staan. Natuurlijk! Hebben wij niet zojuist de aanhaling van Stefanus van Jes.66:1 beschouwd: "De Hemel is Mijn troon, de aarde is de voetbank Mijner voeten"? Hoe kunnen vergankelijke hersenen dit bevatten?

Hieruit volgt dat het gezeten zijn van onze Here aan de rechterhand des Vaders, meer dan alleen positionele betekenis moet hebben, en het idee dat Hij hier oprijst om Zijn martelaar Stefanus te begroeten is, zacht gezegd, bijgelovig. Er moet een diepere betekenis zijn. Indien deze theorie inderdaad correct zou zijn, zou dit visioen minstens aan Stefanus gegeven moeten zijn, nadat zij hem gegrepen hadden om te stenigen, inplaats van het bewezen feit dat hen zo zeer woedend maakte, en de oorzaak was dat zij hem verwierpen en hem stenigden (Zie Vers.56-58).

In de brief aan de Hebreeën wordt onze Here meerdere malen genoemd als zittende, rustend in het volbrachte werk der verzoening. Dit zegt de apostel:

NADAT HIJ DE REINIGMAKING ONZER ZONDEN DOOR ZICHZELVEN TEWEEGGEBRACHT HEEFT,IS GEZETEN AAN DE RECHTERHAND DER MAJESTEIT IN DE HOOGSTE HEMELEN (Hebr.1:3).

Deze indicatie van een volbrachte verzoening is geplaatst in een scherp contrast met het feit, dat de Oud-Testamentische priester steeds stond bij zijn werk. Het meubilair van de tabernakel bestond uit altaren, een wasbekken, een ark,*/[4] een kandelaar, en een tafel, maar geen stoelen, want het werk van de priester hield nooit op.

"EN EEN IEGELIJK HOGEPRIESTER STOND WEL ELKE DAG DIENENDE, EN DEZELFDE SLACHTOFFERS DIKMAALS OFFERENDE, DIE DE ZONDEN NIMMERMEER KUNNEN WEGNEMEN; "MAAR DEZE, EEN SLACHTOFFER VOOR DE ZONDEN GEOFFERD HEBBENDE, IS IN EEUWIGHEID GEZETEN AAN DE RECHTERHAND GODS. "...  "WANT MET EEN OFERANDE HEEFT HIJ IN EEUWIGHEID VOLMAAKT DEGENEN DIE GEHEILIGD WORDEN" (Hebr.10:11-14).

Wat een contrasten! Veel offeranden; één offerande! Eerst "kan nooit"; dan weer "voor eeuwig"! Een iegelijk hogepriester "stond elke dag"; Christus "gezeten".  Het is veelbetekenend, dat in vers 13 de apostel niet het "totdat" uit Ps.110:1 insluit, want hij beschouwt alleen het eenmalige werk van Christus, de voltooide verzoening waarin Hij "voor eeuwig" rust.  Maar als onze Here niet oprees om Stefanus te verwelkomen, en als Zijn staan daar niet enig element van onvoltooidheid in Zijn verzoeningswerk betekent, wat moet het dan betekenen?

Bij het beantwoorden van deze vraag moeten we opnieuw de lezer waarschuwen,om niet op openbaring vooruit te lopen bij het beschouwen van Stefanus' ervaring. Tot op zijn tijd, was er nimmer iets gezegd over Christus, zittende aan Vader's rechterhand, omdat Hij het verzoeningswerk beeindigd had. De verkondiging van het voltooide werk van Christus, of "de prediking van het kruis", zoals het genoemd wordt, behoorde bij "de bedeling van de genade van God" en "het geheimenis", dat later aan Paulus werd overgegeven door openbaring (Zie 1Cor.1:18-25; Eph.3:1-3). Profetisch gezien had het gezeten zijn van onze Here aan de rechterhand des Vaders een geheel andere betekenis en, let wel, de gelovigen in de dagen van Stefanus hadden een profetische achtergrond. Het geheimenis van God's huidig doel was toen nog niet geopenbaard.

Wie kan Mark.16:19 lezen zonder zich Ps.110:1 te herinneren, dat zo'n belangrijke plaats in de evangeliën en Handelingen inneemt?

"DE HERE HEEFT TOT MIJN HERE GESPROKEN: ZIT AAN MIJN RECHTERHAND, TOTDAT IK UW VIJANDEN GEZET ZAL HEBBEN TOT EEN VOETBANK UWER VOETEN." 

Hier is duidelijk van het volbrachte werk der verzoening, in 't geheel geen sprake. Integendeel, de Here wordt uitgenodigd plaats te nemen aan Vader's rechterhand, omdat Hij "vijanden" heeft op aarde, die Hem niet willen. Maar Hij blijft slechts zittende met Zijn Vader als een koninklijke Banneling, "tot" de tijd dat Zijn vijanden gemaakt worden tot Zijn voetbank.

Het is niet verwonderlijk dat we zo dikwijls in de psalmen de uitroep vinden : "Rijs op, O God" en "Rijs op, O Here". Het is in verband met het oordeel van Christus' vijanden en de verlossing van de gelovige rest, dat we de Vader en de Zoon in zulke profetische passages tegenkomen, als de volgende:   "STA OP, HERE, IN UW TOORN, VERHEF U OM DE VERBOLGENHEDEN MIJNER BENAUWERS..." (Ps.7:7).

En omdat Israel's rebellie alleen de climax was van de rebellie van de wereld tegen God en Zijn Christus (Hand.4:23-28) lezen we verder: "STA OP, HERE, LAAT DE MENS ZICH NIET VERSTERKEN; LAAT DE HEIDENEN VOOR UW AANGEZICHT GEOORDEELD WORDEN" (Ps.9:20).

Had Israel door haar voortdurende verwerping van Messias, de toorn God's op haarzelf en de andere volken gebracht? Waren de verworpen Vader, en Zijn verworpen Zoon, opgestaan om de wereld ten oordeel te treffen? Was het zo ver dat Christus, Zijn vervolgde discipelen ging wreken? Wat de profetie betreft, waren de voorwaarden zeker rijp voor de uitstorting van God's toorn.

Goddank, "waar de zonde meerder is geworden, daar is de genade veel meer overvloedig geweest" (Rom.5:20). In mateloze liefde en barmhartigheid heeft God nog het oordeel uitgesteld, en de tegenwoordige bedeling der genade ingevoegd. Maar laat ons niet op ons verhaal vooruitlopen.

STEFANUS GESTENIGD

"En hij (Stefanus) zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods.  

"Maar zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtiglijk op hem aan.

"En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem. En de getuigen legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. "En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. "En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij."  - (Hand.7:56-60).

  Overweldigd door de glorie van de hemelse visie, roept Stefanus dat hij Christus ziet, staande aan God's rechterhand. De leiders, vertrouwd met passages zoals we geciteerd hebben uit de Psalmen, kunnen zich niet langer bedwingen. Razend van woede roepen zij, hun oren dichthoudend opdat zij niet langer iets zouden horen, rennen zij allen op hem af, werpen hem buiten de stad, en stenigen hem dood. Zo bitter is hun haat tegen Christus, en dat is het gedrag van die mensen, die even tevoren hadden geklaagd: "Gij wilt het bloed van deze Mens over ons brengen" (Hand.5:28).

Maar in treffend contrast met hun hysterie, roept Stefanus de Here Jezus aan, om zijn geest te ontvangen, knielt neer en vraagt God hen, hun zonden te vergeven. En hiermee, zo lezen we: "ontsliep hij"*/[5] Of Stefanus' gebed al of niet verhoord werd, zullen we hebben af te wachten.

DE TOEGEVOEGDE GELIJKENIS

Hier aangekomen, moeten we een van de gelijkenissen van onze Here beschouwen, zoals Lukas deze weergeeft. Zij wordt dikwijls "de toegevoegde gelijkenis" genoemd, vanwege het commentaar van Lukas:

"En als zij dat hoorden, VOEGDE HIJ DAARBIJ een gelijkenis, OMDAT HIJ NABIJ JERUZALEM WAS, EN OMDAT ZIJ MEENDEN, DAT HET KONINKRIJK GODS TERSTOND ZOU OPENBAAR WORDEN" (Luk.19:11).

In deze gelijkenis beschrijft onze Here hoe Pilatus en andere Romeinse bestuurders hun gezag ontvingen van Caesar, en deze procedure overbrengend naar Zijn eigen geval:

"zeide Hij dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.  "En geroepen hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden en zeide tot hen: Doet handeling tot dat ik kom. "En zijn burgers haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over ons koning zij"  (Luk.19:12-14).

De analogie is klaar en duidelijk. Christus werd door God verkozen om te regeren en moest ver weg gaan - in de hemel zelf - "om voor Zichzelf een koninkrijk te ontvangen en daarna terug te keren". Gedurende Zijn afwezigheid zouden Zijn dienaren voor Hem werken maar, zoals dat in sommige gevallen met door de Keizer geroepen bestuurders, bekleed met gezag, kan gaan, zouden Zijn burgers Hem een boodschap nazenden, luidende: "Wij willen niet, dat Deze over ons koning zij".

Het overige van de gelijkenis, beschrijft de handelingen van de Koning met Zijn dienaren, en voorzegt de verbanning van Zijn vijanden, maar het is voldoende om hier te zeggen, dat ongetwijfeld Stefanus de boodschapper is, waarnaar hier wordt verwezen. Hij was het, die hier door het volk Israel wordt teruggezonden met de boodschap: "Wij willen niet, dat Deze over ons Koning zij."

DE ONVERGEEFLIJKE ZONDE

Welk een verwarring is er al geweest over het onderwerp van de onvergeeflijke zonde! Hoevelen - waarvan sommigen in psychiatrische inrichtingen - zijn bevangen geworden van vrees dat zij deze zonde zouden hebben gedaan, - en wel daardoor, omdat Bijbelleraren zelf, zo ver af zijn van het toegeven van wat de onvergeeflijke zonde eigenlijk is!

Het is zeker dat degenen die het evangelie van God's genade kennen, geen angst in de harten van hun toehoorders zullen wekken door de dreiging van een onvergeeflijke zonde, want

"...wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk DE VERGEVING DER MISDADEN, NAAR DE RIJKDOM ZIJNER GENADE" (Eph.1:7).

"Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder worde; EN WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER OVERVLOEDIG GEWEEST;  "OPDAT GELIJK DE ZONDE GEHEERST HEEFT TOT DE DOOD, ALZO OOK DE GENADE ZOU HEERSEN DOOR RECHTVAARDIGHEID TOT HET EEUWIGE LEVEN, DOOR JEZUS CHRISTUS ONZE HERE" (Rom.5:20,21).

Zeker is hier geen plaats voor een onvergeeflijke zonde. Het is juist gezegd, dat zondaars die in ongeloof sterven in deze bedeling der genade, door de zee van vuur zullen gaan met al hun onvergeven zonden, maar niet omdat er één van deze onvergeeflijk was.

De waarschuwing van onze Here over de onvergeeflijke zonde, was met het oog op de komst van de Heilige Geest. Ook was dit niet omdat de Heilige Geest een belangrijker lid van de Drieeenheid is dan de Heilige Vader of de Heilige Zoon. Het was eenvoudig zo, dat met de komst van de Heilige Geest om met Israël te pleiten, alle drie de leden van de Drieeenheid hun aandeel zouden hebben, om het volk tot bekering en redding te brengen.

Door alle tijden van het Oude Testament heen, had Israel de Vader tegengestaan. De Vader daarentegen, had Zijn Zoon gezonden, die onder hen had geleerd en gewerkt, alleen om ook te worden verworpen. Nu zou de Zoon de Geest zenden, en Israel zou haar laatste kans krijgen. Daarom zei de Here:

"Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven worden...noch in deze eeuw, noch in de toekomende (Matt.12:31,32).

  Zoals het getal zeven in de Schrift spreekt van perfectie, zo spreekt het getal drie van volkomenheid. Godzelf is een drieheid: Vader, Zoon en Heilige Geest. Het getal drie is ook op Zijn schepping gedrukt. Wijzelf hebben het getal drie op ons gedrukt, want wij zijn lichaam, ziel en geest. De struktuur van het heelal draagt hetzelfde getal, bestaande uit tijd, ruimte en materie. En ieder van deze is weer drievoudig. Tijd: verleden, heden en toekomst. Ruimte: lengte, breedte en hoogte. Materie: energie, beweging en phenomeen*/[6] En de Schriften, als zij spreken over het heelal, omschrijven: "alle dingen die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn" (Phil.2:10).

In de godgeleerdheid is de preek in drie punten  standaard. In zaken kennen we "drie dagen van gunst", en de veilingmeester: "eenmaal, andermaal, verkocht!" of "Eerste, twede, -derde en laatstemaal!" Zelfs in de sport is nummer drie prominent. Welke jongen weet niet dat bij baseball er drie slagen zijn voor een out en drie outs voor een inning? En het zijn altijd drie hoera's, nimmer twee of vier. En de eenvoudigste run begint met een "Een, twee,... drie!"

Het getal drie is prominent, zelfs in ouderlijke gehoorzaamheid. Toen de schrijver nog een jongen was, klonk het niet vreemd als zijn vader zei: "Dit is nu de twede keer dat ik dit gezegd heb. "Als ik het nog eens moet zeggen--!!!"

En zo was het met het volk Israel. Toen onze Here Israel's leiders waarschuwde, dat zonde en lastering tegen de Heilige Geest hun niet zou worden vergeven, was dat eenvoudig omdat de Heilige Geest spoedig zou komen, en hen hun derde en laatste mogelijkheid gaf tot bekering. En na al hun zonde en laster tegen de Vader en de Zoon, kwam de Heilige Geest van boven met Pinksteren zo machtig onder hen werken, en confronteerde hen met zo'n overvloedig bewijs van de aanspraken op het koninkrijk van onze Here, dat hun voortdurende verwerping van Hem, uiteindelijk niet te verontschuldigen was, en onvergeeflijk.

Toch gingen zij door in hun rebellie. Zij hadden de Vader en de Zoon weerstaan, en nu moest Stefanus zeggen: "Gij hebt altijd de Heilige Geest weerstaan".

DRIE BRUTALE MOORDEN

Ieder die het Woord bestudeert, dient te weten van de drie brutale moorden waar de hele geschiedenis om draait. Deze drie moorden laten Israel's antwoord zien op God's drievoudige oproep tot bekering. Zij geven verklaring voor de onvergeeflijke zonde, en vormen de achtergrond voor de bedeling van genade.

Het was Johannes de Doper, de laatste van de Oud Testamentische profeten, die gezonden was als voorloper van Christus, om Israel tot bekering op te roepen. Hij werd onthoofd door Herodus, de boze en losbandige "koning der Joden". Na Johannes nam Christus Zelf de oproep over: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". Hem kruisigden zij. Toen, op Pinksteren, werd aan Israel een derde gelegenheid geschonken om te bekeren, totdat zij nogmaals bloed vergoten door Stefanus ten dode te stenigen.

Ook dient te worden opgemerkt dat hun schuld, zowel als hun bittere vijandschap, toenam met de twede en derde moord. Wat betreft de onthoofding van Johannes, dit hadden zij  toegestaan*/[7] Wat betreft de kruisiging van Christus, dit hadden zij geeist (Luk.23:23,24). Wat betreft de steniging van Stefanus, die hadden zij uitgevoerd door hem eigenhandig buiten de stad te werpen, en hem daar te stenigen.

En zo bedreef deze generatie in Israel de onvergeeflijke zonde, waarvoor de Here had gewaarschuwd niet te zullen vergeven, noch in die eeuw, of in de toekomende eeuwen**/.[8]

EEN JONGEMAN GENAAMD SAULUS

Er was echter tenminste één lasteraar onder hen, die niet in de waarschuwing van onze Here was besloten, want hij was niet onder de bediening van Christus geweest. Dat was Saulus, die naar Jeruzalem gekomen was uit Tarsus in Cilicië.

Saulus was ongeveer in dezelfde positie, als de Joodse leiders waren geweest, vóór de kruisiging van Christus. In die tijd hadden zij niet geweten, dat Jezus was de Christus. Het is waar, dat zij het hadden kunnen weten, ja, moesten geweten hebben. Maar het feit blijft bestaan, dat zij niet wisten. Onze Here Zelf had tot hen gezegd: "Wanneer gij de Zoon des mensen zult verhoogd hebben, DAN zult gij verstaan, dat Ik Die ben" (Joh.8:28). Dit stemt overeen met het gebed van onze Here aan het kruis: "Vader, vergeef hen, WANT ZIJ WETEN NIET WAT ZIJ DOEN" (Luk.23:34). Het komt ook overeen met Petrus' verklaring aan de "mannen van Israel": "En nu, broeders, ik weet dat gij het DOOR ONWETENDHEID GEDAAN HEBT, gelijk als ook uw oversten" (Hand.3:17).

Nu, uiteraard, wisten de oversten dat Jezus de Christus was, en hun zonde was onvergeeflijk, maar Saulus van Tarsus was niet onder hen geweest toen Christus op aarde was. Hij wist het niet. Het is waar dat hij het ook had kunnen weten, en had moeten weten, maar hier staat weer het feit, dat hij niet wist. Hoor zijn eigen geinspireerde woorden: "En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld hebbende,  "Die tevoren EEN GODSLASTERAAR WAS EN EEN VERVOLGER EN EEN VERDRUKKER; MAAR MIJ IS BARMHARTIGHEID GESCHIED, DEWIJL IK HET ONWETEND GEDAAN HEB IN MIJN ONGELOVIGHEID" (1Tim.1:12,13).

Hier vinden we Paulus tussen de moordenaars van Stefanus, degene die de leider zal worden van Israel's rebellie, ja, van de rebellie van de hele wereld tegen God en Zijn Christus. Is het volk van Israel niet ver genoeg gegaan in hun verwerping van Messias?


     [1]*/ Voetnoot: Deze naam bergt geen liberale strekking in zich, noch theologische. Zij waren "bevrijdden", of "vrijmannen" - klaarblijkelijk uit vroegere gebondenheid als Romeinse slaven.

     [2]*/ Voetnoot: Opgemerkt dient te worden dat hier geen discrepantie tussen Hand.7:14 en Gen.46:27 bestaat, want in de Genesis-passage wordt verwezen naar, hun van "het huis van Jakob", dat zijn zij, die "voortkwamen uit zijn lendenen", terwijl in Hand.7:14 staat zijn "geslacht".

     [3]*/ Voetnoot: Toen zij strak naar hem zagen (Zie 6:15). Ook de zinvorming van zowel 6:15 als 7:55 is in het origineel dezelfde als 1:10, waar we zien de elven, strak ziende in (eis) de hemel.

     [4]*/ Voetnoot: Het woord wordt weergegeven als "kist" in het laatste vers van Genesis. De ark was eenvoudig een kist voor het verbond der wet (Zie Ex.25:10,16; Deut.10:1,2; 1Kon.8:9). Zij werd bedekt met de "genade-troon" en besprenkeld met het bloed.

     [5]*/ Voetnoot: Er is in deze passage nergens enige grond voor de onschriftuurlijke leer van de zieleslaap. Er wordt van het lichaam gesproken, dat ontsliep (Dan.12:2, etc.) omdat het rust van zijn werken en weer zal worden opgewekt.

     [6]*/ Voetnoot: Zie Nathan R.Wood's verklarend boek: "The Secret of the Universe".

     [7]*/ Voetnoot: Zou Israel ingegaan zijn op de oproep van Johannes tot bekering, dan zou Herodus het nooit hebben gewaagd om hem zelfs in de gevangenis te werpen. Dit verklaart waarom onze Here niets deed om Johannes uit de gevangenis te bevrijden, zelfs als Johannes er tegen geweest was. Het was niet Zijn, maar hun zaak om iets te ondernemen tegen de onrechtvaardige gevangenname, en al de tijd door hem in de gevangenis doorgebracht, getuigde tegen hen (Lees nauwkeurig Luk.3:18-20; 7:19-29 en Matt.14:1-11).

     [8]**/ Voetnoot: Denk er hierbij aan, dat deze tegenwoordige tijd van genade nog een geheimenis was toen dit werd uitgesproken, zodat "de toekomstige eeuwen" slaan op de tijd van het komende koninkrijk.

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011