|
H O O F D S T U K X -
H A N D. 6:8-7:60
DE CRISIS VAN ISRAEL
STEFANUS VERWIKKELD
IN DEBAT
En
Stefanus, vol van geloof en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het
volk.
"En er stonden op sommigen die waren van de synagoge der
Libertijnen, en der Cyreneeërs, en der Alexandrijnen, en dergenen die van
Cilicië en Azië waren, en twistten met Stefanus;
"En zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke
hij sprak." - (Hand.6:8-10)
De
eerste naam op de lijst van zeven diakenen is, zoals we hebben gezien, die van
Stefanus, en op hem vestigt het heilig verhaal nu onze aandacht.
Hoewel
hij eerst aangewezen was in "de dagelijkse administratie", was deze
man van God, "vol van geloof ("genade" A.V.) en kracht", nu
geroepen tot hogere dienst.
In
Jeruzalem waren synagogen gesticht door buitenlandse Joden, voor hun eigen
gebruik gedurende hun bezoeken aan de heilige stad op feestdagen, en ook voor
het gebruik door hun zonen, die daar heen gezonden werden voor hun opvoeding,
zoals b.v. Saulus van Tarsus daar was geweest (Zie Hand.22:3). Scholen en
colleges waren in de meeste gevallen verbonden met deze synagoges, zo dat de
meeste leden bleken studenten geweest te zijn.
Met
de leden van deze synagogen kwam Stefanus, zelf ongetwijfeld een Hellenist, in
gewoon contact. Onder hen waren er van de Libertijnen,*/[1]
de Cyreneeërs, de Alexandrijnen, de Ciliciërs en diegenen uit de provincie Azië.
Toen
Stefanus grote wonderen en tekenen deed onder het volk, "disputeerden"
de leden van deze synagogen met hem. Het woord "disputeren" hier,
wordt dikwijls weergegeven als informeren. Zo was, wat er gedisputeerd
werd, eigenlijk informatie door hen. De vertaling van Weymouth geeft het
aldus weer, dat zij "geprikkeld werden om met Stefanus in debat te
gaan".
Dit
was heel gewoon omdat, zoals we gezien hebben, deze groep voornamelijk bestond
uit jonge studenten - en Joodse studenten toen waren vast niet verschillend van
Amerikaanse of Europese studenten van nu. Geëngageerd als zij waren in hun
studies bij Israel's geestelijke leidsmannen, voelden zij zich wel in staat om
met Stefanus te onderhandelen, en begonnen hem met vragen lastig te vallen.
Het
is niet onwaarschijnlijk dat Saulus van Tarsus onder hen was, want we lezen in
Hand.21:39 dat Tarsus "een stad in Cilicië" was, en we weten dat
Saulus nu in Jeruzalem was, waar hij had gestudeerd onder Gamaliel (Hand.22:3).
Omdat Saulus aanwezig was bij de steniging van Stefanus (Hand.7:58), en
"instemde met zijn dood" (Hand.8:1); en omdat Saulus inderdaad zeer
kort daarna, de hoofdvervolger werd van de Pinksterkerk, schijnt het goed
mogelijk, dat hij een van het gezelschap was, die probeerden Stefanus in debat
te verslaan.
In
ieder geval bleek Stefanus hem meer dan de baas te zijn.
"En
zij konden niet wederstaan de wijsheid en de Geest, door Welke hij sprak" (Hand.6:10).
STEFANUS
VALSELIJK BESCHULDIGD
"Toen
maakten zij mannen uit, die zeiden: Wij hebben hem horen spreken lasterlijke
woorden tegen Mozes en God.
"En zij beroerden het volk en de ouderlingen en de schriftgeleerden, en hem
aanvallende, grepen zij hem en leidden hem voor de Raad.
"En
stelden valse getuigen, die zeiden: Deze mens houdt niet op lasterlijke woorden
te spreken tegen deze heilige plaats en de wet.
"Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus de Nazarener deze
plaats zal verbreken, en dat Hij
de zeden veranderen zal, die ons Mozes overgeleverd heeft.
"En allen die in de Raad zaten, de ogen op hem houdende, zagen zijn
aangezicht als het aangezicht eens engels"
-
(Hand.6:11-15)
Men
zou kunnen veronderstellen dat de ondervragers van Stefanus, ten volle
beantwoord, en niet in staat hem tegen te spreken, de waarheid hebben erkend,
en Jezus als hun Messias aangenomen zouden hebben. Maar de gevallen
menselijke natuur reageert niet zo. Hun trots was nu verwond. Niet in staat hem
te antwoorden, begonnen zij hem te achtervolgen.
Het
schandelijk schouwspel waar we nu getuige van zijn, is een bewijs van de
verdorvenheid van de menselijke natuur. Deze mannen, waarschijnlijk naar
Jeruzalem gekomen met waardevolle motieven en hoge aspiraties, zweren samen -
gelijk hun leiders tevoren gedaan hadden - om oneerlijke mensen privé aan te
stoken ongerechtigheid te plegen, door vals getuigenis tegen Stefanus voor te
brengen voor het Sanhedrin.
Er
waren natuurlijk delen van waarheid in hun beschuldigingen, maar halve waarheden
kunnen meer schade toebrengen dan de ergste leugen.
Stefanus
had geen godslasterlijke woorden gesproken, noch tegen Mozes of tegen God. Maar
bij deze algemene beschuldiging, grijpen het volk en de oudsten en
schriftgeleerden hem, en brengen hem voor de raad.
Hier
brengen zij werkelijk valse getuigen naar voren, die hem beschuldigen van het
spreken van godslasterlijke woorden tegen de tempel en de wet.
De eigenlijke beschuldiging:
"Want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus de Nazarener
deze plaats zal verbreken, en dat Hij de zeden veranderen zal, die ons Mozes
overgeleverd heeft (Hand.6:14).
De
beschuldiging dat "deze Jezus van Nazareth" (let op de verachting in
hun verwijzing naar Christus) de tempel zou vernietigen, was praktisch dezelfde
als die welke tevoren tegen Christus Zelf was ingebracht (Zie Matt.26:61). Maar
noch de Here, noch Stefanus, hadden ooit zo'n verklaring afgelegd.
Onze
Here had wel voorzegd, met bezwaard hart, dat de tempel zou worden vernietigd
(Luk.19:26:61), maar Hij had nimmer te kennen gegeven, dat Hij dat zou
doen. Het was ook waar dat Hij had gesproken van Zijn lichaam als "Zijn
tempel", maar verre van te zeggen dat Hij die zou afbreken, had Hij
gezegd dat als zij die afbraken, Hij die weer zou opbouwen binnen
drie dagen! (Zie Joh.2:19).
Er
zijn er die veronderstellen, dat de beschuldiging over de verandering der zeden
die Mozes overgeleverd had, feitelijk enige grond had. Zij veronderstellen dat
Stefanus klaarblijkelijk de bedeling der genade had voorzegd, die wij tans
genieten. Maar dit kan niet zo zijn, want de tegenwoordige bedeling van genade
was een geheimenis, verborgen bij God en geopenbaard aan en door de apostel
Paulus (Eph.3:1-3, etc.).
Indien
Stefanus inderdaad had gesproken van veranderingen van de Mozaische bedeling,
had het alleen maar kunnen zijn, in dezelfde zin waarin onze Here sprak van deze
veranderingen. Bij voorbeeld vinden we onze Here uit de wet van Mozes citeren in
Zijn Bergrede, en herhaald voegt Hij de woorden toe: "Maar Ik zeg u",
etc. Maar dit impliceert geen verachting van de wet van Mozes, noch enige
suggestie van verandering van haar leringen of verzwakking van haar stelregels.
Het feit is eenvoudig dat onder de Messiaanse regering een nog hogere standaard
zou worden gehandhaafd. Er zou inderdaad een verandering komen, maar alleen in
die zin, dat Gods volk, door de Geest, de wet spontaan, van harte, zou
gehoorzamen! Hun eigen profeet Jeremia had immers zo'n verandering voorspeld.
"Zie,
de dagen komen, spreekt de Here, dat Ik met het huis van Israel en met het huis
van Juda een nieuw verbond zal maken;
"Niet naar het verbond, dat Ik met hun vaderen gemaakt heb, ten dage
als Ik hun hand aangreep om hen uit Egypteland te voeren; welk Mijn verbond zij
vernietigd hebben, hoewel Ik hen getrouwd had, spreekt de Here.
"Maar dit is het verbond, dat Ik na die dagen met het huis Israels
maken zal, spreekt de Here; IK ZAL MIJN WET IN HUN BINNENSTE GEVEN, EN ZAL DIE
IN HUN HART SCHRIJVEN; EN IK ZAL HUN TOT EEN GOD ZIJN EN ZIJ ZULLEN MIJ TOT EEN
VOLK ZIJN"
(Jer.31:31-33).
Welk
een gevaar ligt opgesloten in het verwerpen van de waarheid! De bestuurders van Israël
hadden kort tevoren op een zedelijk kruispunt van wegen gestaan. In plaats van
de waarheid te aanvaarden, hadden zij toegelaten dat eigenzinnige trots hen
dieper en dieper in de golf van schuld en veroordeling trok, waarin wij zich nu
bevinden. En nu nemen deze Hellenisten - klaarblijkelijk meest jonge studenten
in de godgeleerdheid - dit zelfde gevaarvolle pad. Niet in staat de waarheid te
beantwoorden en niettemin te obstinaat om dat te accepteren, vervolgen en
beschuldigen zij valselijk degene die deze proclameert.
En
zo is het ook in onze dagen. Wanneer religieuze leiders, waar duizenden ernstige
mensen tegen opzien, doorgaan met een groot deel van de waarheid af te wijzen
die God ons voor deze dagen heeft geopenbaard, duurt het meestal niet lang
totdat zij de exponenten ervan vervolgen en lasteren. Niet in staat om hen met
het Woord tegemoet te treden, toch onwillig om voor het Woord te buigen,
zwichten zij voor Satan's methoden, door datgene tegen te staan, wat zij hadden
moeten voorvechten.
Maar
God zou Israël niet laten gaan met ook maar een enkel excuus voor hun
verwerping van Christus, want toen de Hebreeuwse grote Raad, en de
Hellenistische beschuldigers allen hun aandacht richtten op Stefanus, werd zijn
gelaat bovennatuurlijk getransformeerd "als het aangezicht van een
engel". Het was deze man van God, wonderlijk getransformeerd, die nu
de beschuldigingen beantwoordde die tegen hem werden ingebracht.
Dit
was een fatale dag in de geschiedenis van Israel. Johannes de Doper had Israel
opgeroepen tot bekering. Hem hadden zij onthoofd. De Here Zelf had de oproep
overgenomen, waar Johannes moest ophouden. Hij werd gekruisigd. Petrus en de
elven op Pinksteren hadden opnieuw Israel opgeroepen tot bekering, en nu
Stefanus, vervuld met de Heilige Geest, en goddelijk getransformeerd, voor hen
staande, doet een laatste oproep. Wat zal het antwoord zijn?
TOESPRAAK
VAN STEFANUS VOOR
HET SANHEDRIN
De
merkwaardige toespraak van Stefanus voor het Sanhedrin is waard deze uiterst
nauwkeurig te onderzoeken. Wij brengen daarom de gehele tekst met ons
commentaar, en vertrouwen dat de lezer tijd zal nemen dit te lezen, en daarin
veel meer zal zien dan wij hebben gezien, dan wel ruimte vinden om op deze
pagina's te reageren.
Deze
nobele toespraak voor de Hoge Raad van Israël, is dikwijls genoemd "Stefanus'
verdediging". In werkelijkheid echter had Stefanus weinig gedachten over
zijn zelfverdediging. Hij was duidelijk in het offensief toen hij met Israel's
regeerders redeneerde en hen later aanklaagde voor de moord op Christus.
Het
Sanhedrin kon in werkelijkheid Stefanus net zo min verhoren, dan een misdadiger
een rechtvaardige zou verhoren. Iedere keer dat de Raad de apostelen voor
verhoor hadden opgebracht, hadden de aanklagers zichzelf in de
verdediging bevonden, toen de apostelen hen verantwoordelijk stelden voor de
dood van Christus. Zo is het in de eerste Handelingen eigenlijk Israël dat
onder verhoor is, in plaats van de apostelen en Stefanus.
Stefanus'
toespraak, zoals deze hier wordt weergegeven is een merkwaardige, veelomvattende
samenvatting van Israel's geschiedenis. Zonder twijfel was zij bestemd om aan te
tonen 1) dat de verwerping van Christus geen bewijs was dat Hij de Messias niet
was, want Israel's grootste helden werden veelal pas geaccepteerd, na eerst
hevig te zijn verworpen, 2) dat de Mosaische wet niet een blijvende
institutie was, want Abraham verheugde zich in een innige gemeenschap met God,
lang voordat de Mosaische wet gegeven was, en Mozes zelf beloofde een andere Leider,
van wie hij zei: "Dien zult gij horen" (V.37).
Met
dit in onze gedachten, keren we terug naar de toespraak zelf.
DE
ABRAHAMITISCHE ROEPING
EN HET VERBOND
"En
de hogepriester zeide: Zijn dan deze dingen alzo?
"En hij zeide Gij mannen broeders en vaders, hoort toe. De God der
heerlijkheid verscheen onze vader Abraham, nog zijnde in Mesopotamië, eer hij
woonde in Haran,
"En zeide tot hem: Ga uit uw land en uit uw maagschap, en kom in een
land dat Ik u wijzen zal.
"Toen ging hij uit het land der Chaldeeën, en woonde in Haran. En
vandaar , nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem over in dit land, waar
gij nu woont.
"En Hij gaf hem geen erfdeel in hetzelve, ook niet één voetstap,
en beloofde dat Hij hem hetzelve tot een bezitting geven zou, en aan zijn zaad
na hem, als hij nog geen kind had.
"En God sprak alzo, dat zijn zaad vreemdeling zijn zou in een vreemd
land, en dat zij het zouden dienstbaar maken en kwalijk handelen vierhonderd
jaren.
"En het volk dat zij dienen zullen, zal Ik oordelen, sprak God; en
daarna zullen zij uitgaan, en zij zullen Mij dienen in deze plaats.
"En Hij gaf hem het verbond der besnijdenis; en alzo gewon hij Izak,
en besneed hem op de achtste dag; en Izak gewon Jakob, en Jakob de twaalf
patriarchen."
-
(Hand.7:1-8)
Stefanus begint met erop te wijzen, dat "de God der
heerlijkheid" aan Abraham en de patriarchen was verschenen, grote beloften
had gedaan aangaande Abraham's zaad, en hem het verbond der besnijdenis had
gegeven - alles lang vóór het Mosaisch verbond. Dit betekende natuurlijk niet,
dat de wet nu kon worden ontkend, maar het herinnerde hen eraan, dat God Abraham
en zijn zaad had verkozen, vóór het geven van de wet door Mozes, en het
bereidde hen toe, voor een beschouwing van de aanspraken van Christus.
Stefanus wijst er ook op dat het eerst scheen alsof Gods Woord tot
Abraham niet waar kon zijn. Wat betreft het beloofde land, had God "hem
daarin geen erfenis gegeven, nog niet zoveel als een voetstap" hoewel
Hij had "beloofd dat Hij het aan hem als bezit zou geven, en aan zijn
zaad na hem." En voor wat betreft "zijn zaad", God had
beloofd dat het land Kanaan zou gaan naar Abraham's zaad,
"toen
hij nog geen kind had." De toehoorders van Stefanus zouden zich
de bijzonderheden van die geschiedenis wel duidelijk herinneren, want Abraham
was bijna honderd jaar en Sara bijna negentig, toen werd verwacht, dat zij
zouden geloven dat God hun het beloofde zaad zou geven.
Dit
begin van Stefanus' toespraak was berekend om zijn hoorders zodanig te
beinvloeden, dat zij opmerkzaam en bedachtzaam, aandacht zouden schenken aan de
aanspraken van Christus. De Joden hadden verwacht, dat Messias zou komen als een
overwinnend leider, om hen te bevrijden van het Romeinse juk, en waren
teleurgesteld, dat Hij zoveel te zeggen had over zonde, en erop gestaan had, dat
zij zouden bekeren. Omdat Hij niet beantwoordde aan hun voorstelling, noch hun
dromen verwezenlijkte, geloofden zij niet - eigenlijk wensten zij niet - dat Hij
de Messias was.
De
opmerkingen aan het begin van Stefanus' toespraak, hadden hun staande en tot
nadenken moeten brengen, want in het eerst scheen het ook ongelofelijk dat
Abraham ooit vader zou zijn van een groot volk. En wat betreft het bezitten van
het land Kanaan door zijn zaad, zou het verstand geredeneerd hebben: "Laten
we eerst zien of hij het zaad heeft". Bovendien moet de belofte van
bezit van het land, inderdaad hopeloos geschenen hebben voor zijn zaad jaren
later, toen zij voortleefden, vierhonderd lange jaren, in Egyptische slavernij.
Maar Maar in ieder geval had God's Woord bewezen betrouwbaar te zijn, en nu
zouden de leidslieden van Israel, in plaats van in blind vooroordeel verder te
gaan met verwerpen van deze "Jezus van Nazareth", er goed aan doen de
Schriften zorgvuldig te bestuderen en zich af te vragen, in het licht van God's
Woord, of Hij niet inderdaad de Messias was.
JOZEF
EN ZIJN BROEDERS
"En
de patriarchen, nijdig zijnde, verkochten Jozef om naar Egypte gebracht te
worden; en God was met hem,
"En Hij verloste hem uit al zijn verdrukkingen, en gaf hem genade en
wijsheid voor Farao, de koning van Egypte; en hij stelde hem tot een overste
over Egypte en zijn gehele huis.
"En er kwam een hongersnood over het gehele land van Egypte en
Kanaan, en grote benauwdheid; en onze vaders vonden geen spijze.
"Maar als Jakob hoorde, dat in Egypte koren was, zond hij onze
vaders de eerste maal uit.
"En in de twede reize werd Jozef aan zijn broederen bekend, en het
geslacht van Jozef werd aan Farao openbaar.
"En Jozef zond heen en ontbood zijn vader Jakob, en al zijn
geslacht, bestaande in vijf en zeventig zielen.
"En Jakob kwam af in Egypte, en stierf, hijzelf en onze vaders.
"En zij werden overgebracht naar Sichem, en gelegd in het graf,
hetwelk Abraham gekocht had voor een som geld van de zonen van Hemor, de vader
van Sichem." -
(Hand.7:9-16)
Jozef
wordt hier getoond als een type van Christus. Ook hij werd gehaat door zijn
broeders en overgegeven aan de dood, maar later werd hij een verhoogd bestuurder
en de redder van zijn broeders.
De
verklaring van Stefanus dat bij "De twede reize (keer) Jozef aan zijn
broederen bekend werd", is bijzonder belangrijk, want omdat Israel
Christus had verworpen bij Zijn eerste komst, boden Petrus en de apostelen nu
Zijn wederkomst aan, opdat de "tijden der verkwikking" zouden
komen, indien Israel zich slechts bekeerde.*/[2]
Inderdaad hadden zij voorspeld dat Hij uiteindelijk zou wederkeren om de troon
in te nemen, ondanks Israel's houding nu (Hand.2:20,30,36; 3:21-23).
Let
op de groeiende kracht van Stefanus' scherpzinnig argument. Hij had Christus
zelfs nog niet genoemd, want dat zou hen alleen maar zo woedend gemaakt hebben,
dat hij niet meer zou worden aangehoord, maar iedere Jood in het Sanhedrin wist
wat hij bedoelde. Door alleen maar deze bekende geschiedenis te herhalen, zei
hij eigenlijk: "Wees er niet al te zeker van dat gij van Christus verlost
zijt, door Hem aan het kruis te nagelen. Jozef's broeders dachten ook dat zij
zich van hem ontdaan hadden toen zij hem in de put wierpen. Maar zij vergisten
zich, en na een tijd werden zij geconfronteerd met hem, die zij hadden
verworpen."
MOZES EN DE KINDEREN
VAN ISRAEL
"Maar
als nu de tijd der belofte, die God aan Abraham gezworen had, genaakte, wies het
volk en vermenigvuldigde in Egypte
"Totdat een ander koning opstond, die Jozef niet gekend had.
"Deze gebruikte listigheid tegen ons geslacht en handelde kwalijk
met onze vaderen, zodat zij hun jonge kinderen moesten wegwerpen, opdat zij niet
zouden voorttelen.
"In welke tijd Mozes werd geboren, en was uitnemend schoon; welke
drie maanden opgevoed werd in het huis zijns vaders.
"En als hij weggeworpen was, nam hem de dochter van Farao op, en
voedde hem voor zichzelve op tot een zoon.
"En Mozes werd onderwezen in alle wijsheid der Egyptenaars, en was
machtig in woorden en werken.
"Als hem nu de tijd van veertig jaren vervuld was, kwam hem in zijn
hart zijn broeders, de kinderen Israels, te bezoeken.
"En ziende een die onrecht leed, beschermde hij hem en wreekte
degene dien overlast geschiedde, en versloeg de Egyptenaar.
"En hij meende, dat zijn broeders zouden verstaan, dat God, door
zijn hand, hun verlossing geven zou; maar zij hebben het niet verstaan.
"En de volgende dag werd hij van hen gezien, daar zij vochten, en
hij drong hen tot vrede, zeggende; Mannen, gij zijt broeders; waarom doet gij
elkander ongelijk?
"En die zijn naaste ongelijk deed, verstiet hem, zeggende: Wie heeft
u tot een overste en rechter over ons gesteld?
"Wilt gij mij ook ombrengen, gelijkerwijs gij gisteren de Egyptenaar
omgebracht hebt?
"En Mozes vluchtte op dat woord, en werd een vreemdeling in het land
Midian, waar hij twee zonen gewon.
"En als veertig jaren vervuld waren, verscheen hem de Engel des
Heren in de woestijn van de berg Sianai in een vlammig vuur van het doornbos.
"Mozes nu dat ziende, verwonderde zich over het gezicht; en als hij
derwaarts ging om dat te bezien, zo geschiedde een stem des Heren tot Hem,
"Zeggende: Ik ben de God uwer vaderen, de God Abrahams en de God
Izaks en de God Jakobs. En Mozes werd zeer bevende, en durfde het niet bezien.
"En de Here zeide tot hem: Ontbind de schoenen van uw voeten; want
de plaats in welke gij staat, is heiligland.
"Ik heb merkelijk gezien de mishandeling van Mijn volk dat in Egypte
is, en Ik heb hun zuchten gehoord, en ben nedergekomen om hen daaruit te
verlossen; en nu kom herwaarts. Ik zal u naar Egypte zenden.
"Deze Mozes, welke zij verloochend hadden, zeggende: Wie heeft u tot
een overste en rechter gesteld? deze, zeg ik, heeft God tot een verlosser
gezonden door de hand des Engels, Die hem verschenen was in het doornbos.
"Deze heeft hen uitgeleid, doende wonderen en tekenen in het land
van Egypte, en in de Rode Zee, en in de woestijn, veertig jaren.
"Deze is de Mozes, die tot de kinderen Israels gezegd heeft: De Here
uw God zal u een Profeet verwekken uit uw broederen gelijk mij; Dien zult gij
horen.
"Deze is het, die in de vergadering des volks in de woestijn was met
de Engel, Die tot hem sprak op de berg Sinai, en met onze vaderen; welke de
levende woorden ontving, om ons die te geven.
"Dewelke onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar verwierpen
hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte,
"Zeggende tot Aaron: "Maak ons goden, die voor ons heen gaan;
want wat deze Mozes aangaat, die ons uit het land van Egypte geleid heeft, wij
weten niet wat hem geschied is.
"En zij maakten een kalf in die dagen, en brachten offerande tot de
afgod, en verheugden zich in de werken hunner handen.
"En God keerde zich en gaf hen over, dat zij het heir des hemels
dienden, gelijk geschreven is in het boek der Profeten: Hebt gij ook
slachtoffers en offeranden Mij geofferd, veertig jaren in de woestijn, gij huis
Israels?
"Ja,
gij hebt opgenomen de tabernakel van Moloch, en het gesternte van uw god Remfan,
de afbeeldingen die gij gemaakt hebt om die te aanbidden; en Ik zal u overvoeren
op gene zijde van Babylonië." -
(Hand.7:17-43)
Hier
geeft Stefanus een opsomming van Israels geschiedenis van Egypte tot Babylon,
waarbij hij eigenlijk met een juist gerichte smeekbede aan zijn toehoorders naar
voren komt, om hun houding ten opzichte van Christus te herzien.
Mozes,
het idool van de bestuurders, niettemin degene die zij constant ongehoorzaam
zijn, wordt nu aangehaald. Het zag er eerst weinig naar uit dat hij ooit
Israel's grote verlosser zou worden.
Als
baby was hij alleen de dood door de handen van Farao ontkomen, doordat God, in
voorziening, ingreep. Maar God lacht om de rebellie en de trots van de mens, en
eenmaal betaalde Farao zelf de kosten van kleding, voedsel en opvoeding, aan
zijn eigen hof, van de man, die juist zou gaan doen hetgeen waar hij zo bang
voor was!
Dan,
op de leeftijd van veertig jaren, verlaat Mozes de glorie van het hof van Farao,
voor een bezoek aan zijn broeders, alleen om hen te horen zeggen: "Wie
heeft u tot een overste en rechter over ons gesteld?" En de koninklijke
prins moest vluchten als vluchteling naar Midian.
Maar
deze zelfde Mozes keerde later terug in kracht, om zijn volk te bevrijden. Weer
een van Israel's helden die wordt verworpen, voordat hij tenslotte geaccepteerd
wordt.
Maar de les eindigt
hier niet, want Stefanus herinnert de leiders eraan, dat zelfs na Israel's
verlossing onder Mozes, "onze vaders niet wilden gehoorzaam zijn, maar
verwierpen hem, en keerden met hun harten weder naar Egypte" (V.39).
En
zelfs dit was niet alles, want terwijl Mozes op de berg was om de tafels der wet
te ontvangen, klaagde het volk over "deze Mozes", en maakte een gouden
kalf, en dansten, net als de heidenen, er rondom. En deze rebellie tegen Mozes
en God ging door, tot God hen overgaf aan hun afgodendienst, en toeliet dat zij
weggevoerd werden als gevangenen naar Babel.
Zo
was de neiging, zelfs van God's verbondsvolk, om Zijn profeten te verachten en
Zijn Woord te veronachtzamen. In de gedachten van de leiders liet Stefanus de
vraag achter: Deden zij dit weer als gevolg van de afwijzing van Christus? En
waren zij misschien wel in gevaar, of "op weg", naar nog groter kwaad?
Het
was niet Stefanus; zij waren het die Mozes en de wet verachtten. Had niet Mozes
zelf gezegd:
"Een
profeet uit uw broederen zal de Here uw God verwekken, gelijk mij; DIEN ZULT GIJ
HOREN" (V.37).
Wat
Stefanus tactisch niet aanhaalde, maar wat de leiders wel wisten, was de rest
van de profetische verklaring, waar God doorgaat, en zegt:
"En
het zal geschieden, de man, die niet zal horen naar mijn woorden die Hij in Mijn
Naam zal spreken, van dien zal ik het zoeken" (Deut.18:19).
Gaf
deze profetie over Messias niet duidelijk aan dat het Oude Verbond een
tijdelijke instelling was? Bewees het niet dat Christus in de plaats van Mozes
zou komen? En het merkwaardige is, dat Christus niet kwam om de wet te
vernietigen, maar om deze te vervullen (Matt.5:17), en om het Nieuwe Verbond te
brengen door het vergieten van Zijn bloed, en de komst van Zijn Geest, zodat
Israel de wet van harte uit zou voeren (Lees met aandacht, Jer.31:31-34,
Hand.21:2)).
Wij
herhalen, dat het niet Christus was, noch de apostelen, noch Stefanus, die
schuldig waren aan verachting van Mozes en de wet; het waren deze leidsmannen in
Israel, en zoals zij daar zaten te luisteren naar de toespraak van Stefanus,
waren zij in gevaar van te worden geoordeeld met een zwaarder oordeel dan hun
voorvaders was overkomen.
DE
TABERNAKEL EN DE TEMPEL
"De
tabernakel der getuigenis was onder onze vaderen in de woestijn, gelijk
geordineerd had Hij, Die tot Mozes zeide, dat hij dezelve maken zou naar de
afbeelding die hij gezien had; "Welke ook onze vaders ontvangen hebbende,
met Jozua gebracht hebben in het land dat de heidenen bezaten, die God verdreven
heeft van het aangezicht onzer vaderen, tot de dagen van David toe;"Dewelke
voor God genade gevonden heeft, en begeerd heeft te vinden een woonstede voor de
God Jakobs.
"En Salomo bouwde Hem een huis.
"Maar de Allerhoogste woont niet in tempelen met handen gemaakt;
gelijk de profeet zegt:
"De hemel is Mijn troon, en de aarde de voetbank Mijner voeten;
hoedanig huis zult gij Mij bouwen, zegt de Here, of welke is de plaats Mijner
rust?
"Heeft niet Mijn hand al deze dingen gemaakt?"
- (Hand.7:44-50).
Bij
het besluiten van zijn toespraak rekent Stefanus af met nog een van hun
beschuldigingen. Zij hadden hem beschuldigd voor het spreken vam godslasterlijke
woorden tegen de tempel.Dit was natuurlijk onwaar. Het feit was, dat zij
schuldig waren aan godslaster tegen de Heilige, waarvan de tempel slechts een
type was.
De
tabernakel was vervangen door de tempel, maar zelfs deze glorieuze
verblijfplaats, kon Gode geen gerechtigheid doen. De tempel was slechts een type
van een nog glorieuzer verblijfplaats: Christus, in wie "al de volheid der
Godheid lichamelijk woonde". Hij was God, gemanifesteerd in het vlees. Had
Jesaja niet gezegd: "Gij zult Zijn Naam heten Immanuël; hetwelk is,
overgezet zijnde, God met ons"? (Matt.1:23).
STEFANUS'
BESCHULDIGING
TEGEN ISRAEL
"Gij
hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij wederstaat altijd de Heilige
Geest; gelijk uw vaders, alzo ook gij.
"Wie van de profeten hebben uw vaders niet vervolgd? En zij hebben
gedood degenen die tevoren verkondigd hebben de komst van de Rechtvaardige, van
Welke gijlieden nu verraders en moorders geworden zijt;"Gij, die de wet
ontvangen hebt door bestellingen der engelen, en hebt ze niet gehouden." - (Hand.7:51-53)
Dat
de leiders volkomen begrepen waar Stefanus heen wilde, is duidelijk uit deze
verzen en uit de rest van het verslag. Schijnbaar
werd het duidelijk, dat de leiders elk beroep dat Stefanus had gehoopt te doen,
zouden verwerpen, en hij voelde dat zij niet veel langer wilden luisteren, want
plotseling verandert de toon van zijn boodschap. In plaats van een beroep, is er
een dringende aanklacht. Hij schijnt hen te verwerpen, als hij zijn herhaald
"onze vaders", verandert in "jullie vaders", en hen
beschuldigt van wederstaan van de Heilige Geest, van verraad, en vermoorden van
Christus, en verachting van Mozes en de wet, die zij voorgaven te onderhouden.
In zijn aanklacht ging Stefanus terug van hun zonde tegen de Geest, naar die
tegen Christus, naar die tegen Mozes en de wet, vanwege het effekt dat dit op hen
zou hebben. In werkelijkheid was het hun zonde tegen de Geest, die hun ondergang
bezegelde.
Hoewel
Stefanus , vol van de Heilige Geest voor hen had gestaan, en bovennatuurlijk
veranderd toen hij met hen sprak, wilden zij niet luisteren. Zij hadden, daar en
toen, de Heilige Geest wederstaan, en begingen de onvergeeflijke zonde, waarvoor
de Here hen zo ernstig had gewaarschuwd (Matt.12:31,32).
DE
MOORD OP STEFANUS
DE
WOEDE VAN DE LEIDERS EN HET VISIOEN VAN STEFANUS
"Als
zij nu dit hoorden, berstten hun harten en zij knersten de tanden tegen hem.
"Maar hij, vol zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende naar
de hemel, zag de heerlijkheid Gods, en Jezus staande ter rechterhand Gods."
- (Hand.7:54,55). "Met berstende harten" door Stefanus' scherpe
aanklacht, "knersten zij tanden" tegen hem. Zijn woorden zijn meer dan
hun schuldige gewetens kunnen verdragen. Zij hebben moord in hun harten. Maar
hij schijnt kennelijk onbewogen voor hun woede, en ziet strak naar de hemel,
ziende de heerlijkheid van God en Jezus, staande aan Zijn rechterhand*/.[3]
Er is
altijd veel discussie geweest rond het feit dat Christus hier gezien wordt,
staande in plaats van zittend. Mark.16:19 zegt duidelijk:
"De Here dan, nadat Hij tot hen gesproken had, is opgenomen in de
hemel en is gezeten aan de rechterhand Gods"
Verder
leert ons Hebr.10, dat de Here gezeten was aan de rechterhand des Vaders, omdat
het werk der zaligheid was volbracht. Waarom wordt Hij hier staande gezien?
Sommigen
hebben als enige verklaring, de theorie aangedragen dat de Here weer zou zijn
opgestaan op Zijn voeten, om Zijn martelaar-getuige, Stefanus, thuis, te
begroeten, maar laten we even stil zijn, en niet vooruitlopen op openbaring naar
Mark 16, bij het lezen van Hebr.10, de brief, die destijds nog niet geschreven
was.
Ten
eerste, wat betreft de plaats aan des Vaders rechterhand, hebben wij dikwijls de
vraag gesteld: Wat voor soort troon bezet de Zoon nu bij de Vader? Is hij
gemaakt van ivoor, goud, of kostbare stenen? Hoe groot is deze? Waar stond hij
precies?
Zulke
vragen bepalen ons duidelijk bij het feit dat de tegenwoordige positie en glorie
van onze Here iets is, oneindig ver boven ons menselijk begrip. Iemand heeft
gezegd dat als de Vader en de Zoon nu gezeten zijn in de hemel, hun troon moet
rusten op sterren, die milliarden kilometers van elkaar verwijderd staan.
Natuurlijk! Hebben wij niet zojuist de aanhaling van Stefanus van Jes.66:1
beschouwd: "De Hemel is Mijn troon, de aarde is de voetbank Mijner
voeten"? Hoe kunnen vergankelijke hersenen dit bevatten?
Hieruit
volgt dat het gezeten zijn van onze Here aan de rechterhand des Vaders, meer dan
alleen positionele betekenis moet hebben, en het idee dat Hij hier oprijst om
Zijn martelaar Stefanus te begroeten is, zacht gezegd, bijgelovig. Er moet een
diepere betekenis zijn. Indien deze theorie inderdaad correct zou zijn, zou dit
visioen minstens aan Stefanus gegeven moeten zijn, nadat zij hem gegrepen hadden
om te stenigen, inplaats van het bewezen feit dat hen zo zeer woedend maakte, en
de oorzaak was dat zij hem verwierpen en hem stenigden (Zie Vers.56-58).
In
de brief aan de Hebreeën wordt onze Here meerdere malen genoemd als zittende,
rustend in het volbrachte werk der verzoening. Dit zegt de apostel:
NADAT
HIJ DE REINIGMAKING ONZER ZONDEN DOOR ZICHZELVEN TEWEEGGEBRACHT HEEFT,IS GEZETEN
AAN DE RECHTERHAND DER MAJESTEIT IN DE HOOGSTE HEMELEN
(Hebr.1:3).
Deze
indicatie van een volbrachte verzoening is geplaatst in een scherp contrast met
het feit, dat de Oud-Testamentische priester steeds stond bij zijn werk. Het
meubilair van de tabernakel bestond uit altaren, een wasbekken, een ark,*/[4]
een kandelaar, en een tafel, maar geen stoelen, want het werk van de priester
hield nooit op.
"EN
EEN IEGELIJK HOGEPRIESTER STOND WEL ELKE DAG DIENENDE, EN DEZELFDE SLACHTOFFERS
DIKMAALS OFFERENDE, DIE DE ZONDEN NIMMERMEER KUNNEN WEGNEMEN;
"MAAR DEZE, EEN SLACHTOFFER VOOR DE ZONDEN GEOFFERD HEBBENDE, IS IN
EEUWIGHEID GEZETEN AAN DE RECHTERHAND GODS.
"...
"WANT MET EEN OFERANDE HEEFT HIJ IN EEUWIGHEID VOLMAAKT DEGENEN DIE
GEHEILIGD WORDEN" (Hebr.10:11-14).
Wat
een contrasten! Veel offeranden; één offerande! Eerst "kan nooit";
dan weer "voor eeuwig"! Een iegelijk hogepriester "stond elke
dag"; Christus "gezeten".
Het is veelbetekenend, dat in vers 13 de apostel niet het
"totdat" uit Ps.110:1 insluit, want hij beschouwt alleen het eenmalige
werk van Christus, de voltooide verzoening waarin Hij "voor eeuwig"
rust. Maar
als onze Here niet oprees om Stefanus te verwelkomen, en als Zijn staan daar
niet enig element van onvoltooidheid in Zijn verzoeningswerk betekent, wat moet
het dan betekenen?
Bij
het beantwoorden van deze vraag moeten we opnieuw de lezer waarschuwen,om niet
op openbaring vooruit te lopen bij het beschouwen van Stefanus' ervaring. Tot op
zijn tijd, was er nimmer iets gezegd over Christus, zittende aan Vader's
rechterhand, omdat Hij het verzoeningswerk beeindigd had. De verkondiging van
het voltooide werk van Christus, of "de prediking van het kruis",
zoals het genoemd wordt, behoorde bij "de bedeling van de genade van
God" en "het geheimenis", dat later aan Paulus werd overgegeven
door openbaring (Zie 1Cor.1:18-25; Eph.3:1-3). Profetisch gezien had het gezeten
zijn van onze Here aan de rechterhand des Vaders een geheel andere betekenis en,
let wel, de gelovigen in de dagen van Stefanus hadden een profetische
achtergrond. Het geheimenis van God's huidig doel was toen nog niet geopenbaard.
Wie
kan Mark.16:19 lezen zonder zich Ps.110:1 te herinneren, dat zo'n belangrijke
plaats in de evangeliën en Handelingen inneemt?
"DE
HERE HEEFT TOT MIJN HERE GESPROKEN: ZIT AAN MIJN RECHTERHAND, TOTDAT IK UW
VIJANDEN GEZET ZAL HEBBEN TOT EEN VOETBANK UWER VOETEN."
Hier
is duidelijk van het volbrachte werk der verzoening, in 't geheel geen sprake.
Integendeel, de Here wordt uitgenodigd plaats te nemen aan Vader's rechterhand,
omdat Hij "vijanden" heeft op aarde, die Hem niet willen. Maar Hij
blijft slechts zittende met Zijn Vader als een koninklijke Banneling,
"tot" de tijd dat Zijn vijanden gemaakt worden tot Zijn voetbank.
Het
is niet verwonderlijk dat we zo dikwijls in de psalmen de uitroep vinden :
"Rijs op, O God" en "Rijs op, O Here". Het is in verband met
het oordeel van Christus' vijanden en de verlossing van de gelovige rest, dat we
de Vader en de Zoon in zulke profetische passages tegenkomen, als de volgende:
"STA OP, HERE, IN UW TOORN, VERHEF U OM DE
VERBOLGENHEDEN MIJNER BENAUWERS..." (Ps.7:7).
En
omdat Israel's rebellie alleen de climax was van de rebellie van de wereld tegen
God en Zijn Christus (Hand.4:23-28) lezen we verder:
"STA OP, HERE, LAAT DE MENS ZICH NIET VERSTERKEN; LAAT DE HEIDENEN
VOOR UW AANGEZICHT GEOORDEELD WORDEN" (Ps.9:20).
Had
Israel door haar voortdurende verwerping van Messias, de toorn God's op haarzelf
en de andere volken gebracht? Waren de verworpen Vader, en Zijn verworpen Zoon,
opgestaan om de wereld ten oordeel te treffen? Was het zo ver dat Christus, Zijn
vervolgde discipelen ging wreken? Wat de profetie betreft, waren de voorwaarden
zeker rijp voor de uitstorting van God's toorn.
Goddank,
"waar de zonde meerder is geworden, daar is de genade veel meer overvloedig
geweest" (Rom.5:20). In mateloze liefde en barmhartigheid heeft God nog het
oordeel uitgesteld, en de tegenwoordige bedeling der genade ingevoegd. Maar laat
ons niet op ons verhaal vooruitlopen.
STEFANUS
GESTENIGD
"En
hij (Stefanus) zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend, en de Zoon des mensen,
staande ter rechterhand Gods.
"Maar
zij roepende met grote stem, stopten hun oren, en vielen eendrachtiglijk op hem
aan.
"En wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem. En de getuigen
legden hun klederen af aan de voeten van een jongeling, genaamd Saulus. "En zij stenigden Stefanus, aanroepende en zeggende: Here Jezus,
ontvang mijn geest. "En vallende op de knieën, riep hij met grote stem: Here, reken hun
deze zonde niet toe! En als hij dat gezegd had, ontsliep hij." - (Hand.7:56-60).
Overweldigd door de glorie van de hemelse visie, roept Stefanus dat hij
Christus ziet, staande aan God's rechterhand. De leiders, vertrouwd met passages
zoals we geciteerd hebben uit de Psalmen, kunnen zich niet langer bedwingen.
Razend van woede roepen zij, hun oren dichthoudend opdat zij niet langer iets
zouden horen, rennen zij allen op hem af, werpen hem buiten de stad, en stenigen
hem dood. Zo bitter is hun haat tegen Christus, en dat is het gedrag van die
mensen, die even tevoren hadden geklaagd: "Gij wilt het bloed van deze Mens
over ons brengen" (Hand.5:28).
Maar in treffend contrast met hun hysterie, roept Stefanus de Here Jezus
aan, om zijn geest te ontvangen, knielt neer en vraagt God hen, hun zonden te
vergeven. En hiermee, zo lezen we: "ontsliep hij"*/[5]
Of Stefanus' gebed al of niet verhoord werd, zullen we hebben af te wachten.
DE TOEGEVOEGDE GELIJKENIS
Hier aangekomen, moeten we een van de gelijkenissen van onze Here
beschouwen, zoals Lukas deze weergeeft. Zij wordt dikwijls "de toegevoegde
gelijkenis" genoemd, vanwege het commentaar van Lukas:
"En als zij dat hoorden, VOEGDE HIJ DAARBIJ een gelijkenis, OMDAT
HIJ NABIJ JERUZALEM WAS, EN OMDAT ZIJ MEENDEN, DAT HET KONINKRIJK GODS TERSTOND
ZOU OPENBAAR WORDEN" (Luk.19:11).
In deze gelijkenis beschrijft onze Here hoe Pilatus en andere Romeinse
bestuurders hun gezag ontvingen van Caesar, en deze procedure overbrengend naar
Zijn eigen geval:
"zeide Hij dan: Een zeker welgeboren man reisde in een vergelegen
land, om voor zichzelven een koninkrijk te ontvangen, en dan weder te keren.
"En geroepen
hebbende zijn tien dienstknechten, gaf hij hun tien ponden en zeide tot hen:
Doet handeling tot dat ik kom. "En zijn burgers
haatten hem, en zonden hem gezanten na, zeggende: Wij willen niet, dat deze over
ons koning zij" (Luk.19:12-14).
De analogie is klaar en duidelijk. Christus werd door God verkozen om te
regeren en moest ver weg gaan - in de hemel zelf - "om voor Zichzelf een
koninkrijk te ontvangen en daarna terug te keren". Gedurende Zijn
afwezigheid zouden Zijn dienaren voor Hem werken maar, zoals dat in sommige
gevallen met door de Keizer geroepen bestuurders, bekleed met gezag, kan gaan,
zouden Zijn burgers Hem een boodschap nazenden, luidende: "Wij willen niet,
dat Deze over ons koning zij".
Het overige van de gelijkenis, beschrijft de handelingen van de Koning
met Zijn dienaren, en voorzegt de verbanning van Zijn vijanden, maar het is
voldoende om hier te zeggen, dat ongetwijfeld Stefanus de boodschapper is,
waarnaar hier wordt verwezen. Hij was het, die hier door het volk Israel wordt
teruggezonden met de boodschap: "Wij willen niet, dat Deze over ons Koning
zij."
DE ONVERGEEFLIJKE ZONDE
Welk een verwarring is er al geweest over het onderwerp van de
onvergeeflijke zonde! Hoevelen - waarvan sommigen in psychiatrische inrichtingen
- zijn bevangen geworden van vrees dat zij deze zonde zouden hebben gedaan, - en
wel daardoor, omdat Bijbelleraren zelf, zo ver af zijn van het toegeven van wat
de onvergeeflijke zonde eigenlijk is!
Het is zeker dat degenen die het evangelie van God's genade kennen, geen
angst in de harten van hun toehoorders zullen wekken door de dreiging van een
onvergeeflijke zonde, want
"...wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk DE VERGEVING
DER MISDADEN, NAAR DE RIJKDOM ZIJNER GENADE" (Eph.1:7).
"Maar de wet is bovendien ingekomen, opdat de misdaad te meerder
worde; EN WAAR DE ZONDE MEERDER GEWORDEN IS, DAAR IS DE GENADE VEEL MEER
OVERVLOEDIG GEWEEST; "OPDAT GELIJK DE ZONDE GEHEERST HEEFT TOT DE DOOD, ALZO OOK DE
GENADE ZOU HEERSEN DOOR RECHTVAARDIGHEID TOT HET EEUWIGE LEVEN, DOOR JEZUS
CHRISTUS ONZE HERE" (Rom.5:20,21).
Zeker is hier geen plaats voor een onvergeeflijke zonde. Het is juist
gezegd, dat zondaars die in ongeloof sterven in deze bedeling der genade, door
de zee van vuur zullen gaan met al hun onvergeven zonden, maar niet omdat er
één van deze onvergeeflijk was.
De waarschuwing van onze Here over de onvergeeflijke zonde, was met het
oog op de komst van de Heilige Geest. Ook was dit niet omdat de Heilige Geest
een belangrijker lid van de Drieeenheid is dan de Heilige Vader of de Heilige
Zoon. Het was eenvoudig zo, dat met de komst van de Heilige Geest om met Israël
te pleiten, alle drie de leden van de Drieeenheid hun aandeel zouden hebben, om
het volk tot bekering en redding te brengen.
Door alle tijden van het Oude Testament heen, had Israel de Vader
tegengestaan. De Vader daarentegen, had Zijn Zoon gezonden, die onder hen had
geleerd en gewerkt, alleen om ook te worden verworpen. Nu zou de Zoon de Geest
zenden, en Israel zou haar laatste kans krijgen. Daarom zei de Here:
"Daarom zeg Ik u: Alle zonde en lastering zal de mensen vergeven
worden; maar de lastering tegen de Geest zal de mensen niet vergeven
worden...noch in deze eeuw, noch in de toekomende (Matt.12:31,32).
Zoals het getal zeven in de Schrift spreekt van perfectie, zo spreekt het
getal drie van volkomenheid. Godzelf is een drieheid: Vader, Zoon en Heilige
Geest. Het getal drie is ook op Zijn schepping gedrukt. Wijzelf hebben het getal
drie op ons gedrukt, want wij zijn lichaam, ziel en geest. De struktuur van het
heelal draagt hetzelfde getal, bestaande uit tijd, ruimte en materie. En ieder
van deze is weer drievoudig. Tijd: verleden, heden en toekomst. Ruimte: lengte,
breedte en hoogte. Materie: energie, beweging en phenomeen*/[6]
En de Schriften, als zij spreken over het heelal, omschrijven: "alle dingen
die in de hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn" (Phil.2:10).
In de godgeleerdheid is de preek in drie punten
standaard. In zaken kennen we "drie dagen van gunst", en de
veilingmeester: "eenmaal, andermaal, verkocht!" of "Eerste, twede,
-derde en laatstemaal!" Zelfs in de sport is nummer drie prominent. Welke
jongen weet niet dat bij baseball er drie slagen zijn voor een out en drie outs
voor een inning? En het zijn altijd drie hoera's, nimmer twee of vier. En de
eenvoudigste run begint met een "Een, twee,... drie!"
Het getal drie is prominent, zelfs in ouderlijke gehoorzaamheid. Toen de
schrijver nog een jongen was, klonk het niet vreemd als zijn vader zei:
"Dit is nu de twede keer dat ik dit gezegd heb. "Als ik het nog eens
moet zeggen--!!!"
En zo was het met het volk Israel. Toen onze Here Israel's leiders
waarschuwde, dat zonde en lastering tegen de Heilige Geest hun niet zou worden
vergeven, was dat eenvoudig omdat de Heilige Geest spoedig zou komen, en hen hun
derde en laatste mogelijkheid gaf tot bekering. En na al hun zonde en laster
tegen de Vader en de Zoon, kwam de Heilige Geest van boven met Pinksteren zo
machtig onder hen werken, en confronteerde hen met zo'n overvloedig bewijs van
de aanspraken op het koninkrijk van onze Here, dat hun voortdurende verwerping
van Hem, uiteindelijk niet te verontschuldigen was, en onvergeeflijk.
Toch gingen zij door in hun rebellie. Zij hadden de Vader en de Zoon
weerstaan, en nu moest Stefanus zeggen: "Gij hebt altijd de Heilige Geest
weerstaan".
DRIE BRUTALE MOORDEN
Ieder die het Woord bestudeert, dient te weten van de drie brutale
moorden waar de hele geschiedenis om draait. Deze drie moorden laten Israel's
antwoord zien op God's drievoudige oproep tot bekering. Zij geven verklaring
voor de onvergeeflijke zonde, en vormen de achtergrond voor de bedeling van
genade.
Het was Johannes de Doper, de laatste van de Oud Testamentische profeten,
die gezonden was als voorloper van Christus, om Israel tot bekering op te
roepen. Hij werd onthoofd door Herodus, de boze en losbandige "koning der
Joden". Na Johannes nam Christus Zelf de oproep over: "Bekeert u, want
het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen". Hem kruisigden zij. Toen, op
Pinksteren, werd aan Israel een derde gelegenheid geschonken om te bekeren,
totdat zij nogmaals bloed vergoten door Stefanus ten dode te stenigen.
Ook dient te worden opgemerkt dat hun schuld, zowel als hun bittere
vijandschap, toenam met de twede en derde moord. Wat betreft de onthoofding van
Johannes, dit hadden zij toegestaan*/[7]
Wat betreft de kruisiging van Christus, dit hadden zij geeist (Luk.23:23,24).
Wat betreft de steniging van Stefanus, die hadden zij uitgevoerd door hem
eigenhandig buiten de stad te werpen, en hem daar te stenigen.
En zo bedreef deze generatie in Israel de onvergeeflijke zonde, waarvoor
de Here had gewaarschuwd niet te zullen vergeven, noch in die eeuw, of in de
toekomende eeuwen**/.[8]
EEN JONGEMAN GENAAMD SAULUS
Er was echter tenminste één lasteraar onder hen, die niet in de
waarschuwing van onze Here was besloten, want hij was niet onder de bediening
van Christus geweest. Dat was Saulus, die naar Jeruzalem gekomen was uit Tarsus
in Cilicië.
Saulus was ongeveer in dezelfde positie, als de Joodse leiders waren
geweest, vóór de kruisiging van Christus.
In die tijd hadden zij niet geweten, dat Jezus was de Christus. Het is waar, dat
zij het hadden kunnen weten, ja, moesten geweten hebben. Maar het feit blijft
bestaan, dat zij niet wisten. Onze Here Zelf had tot hen gezegd: "Wanneer
gij de Zoon des mensen zult
verhoogd hebben, DAN zult gij verstaan, dat Ik Die ben" (Joh.8:28). Dit
stemt overeen met het gebed van onze Here aan het kruis: "Vader, vergeef
hen, WANT ZIJ WETEN NIET WAT ZIJ DOEN" (Luk.23:34). Het komt ook overeen
met Petrus' verklaring aan de "mannen van Israel": "En nu,
broeders, ik weet dat gij het DOOR ONWETENDHEID GEDAAN HEBT, gelijk als ook uw
oversten" (Hand.3:17).
Nu, uiteraard, wisten de oversten dat Jezus de Christus was, en hun zonde
was onvergeeflijk, maar Saulus van Tarsus was niet onder hen geweest toen
Christus op aarde was. Hij wist het niet. Het is waar dat hij het ook had kunnen
weten, en had moeten weten, maar hier staat weer het feit, dat hij niet wist.
Hoor zijn eigen geinspireerde woorden: "En ik dank Hem, Die mij bekrachtigd heeft, namelijk Christus Jezus
onze Here, dat Hij mij getrouw geacht heeft, mij in de bediening gesteld
hebbende, "Die tevoren EEN GODSLASTERAAR WAS EN EEN VERVOLGER EN EEN
VERDRUKKER; MAAR MIJ IS BARMHARTIGHEID GESCHIED, DEWIJL IK HET ONWETEND GEDAAN
HEB IN MIJN ONGELOVIGHEID" (1Tim.1:12,13).
Hier vinden we Paulus tussen de moordenaars van Stefanus, degene die de
leider zal worden van Israel's rebellie, ja, van de rebellie van de hele wereld
tegen God en Zijn Christus. Is het volk van Israel niet ver genoeg gegaan in hun
verwerping van Messias?
|