De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  IX  -  H A N D. 5:17-6:7.

                   DE VOORTGAANDE GROEI VAN

                   DE PINKSTERKERK

                   DE TEGENSTANDER WOEDEND

en de hogepriester stond op, en allen die met hem waren (welke was de sekte der Sadduceeën), en werden vervuld met nijdigheid, "En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de algemene gevangenis. "Maar de engel des Heren opende des nachts de deuren der gevangenis en leidde hen uit, en zeide: "Gaat henen, en staat en spreekt in de tempel tot het volk al de woorden dezes levens. "Als zij nu dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel en leerden. Maar de hogepriester en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de Raad tezamen en al de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar de kerker om hen te halen.

och als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de gevangenis niet, maar keerden weder en boodschapten dit, "Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen. "Toen nu de hogepriester en de hoofdman des tempels en de overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch dit worden zou.

n er kwam een en boodschapte hun zeggende: Zie, de mannen die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel en leren het volk.  - (Hand.5:17-25)

Een gezuiverde kerk, bekrachtigd, de vijand woedend. Dit is een natuurlijk gevolg, want onze tegenstander, de duivel, kan het niet verdragen als hij ziet dat God's volk geestelijk groeit.

hogepriester en zijn medestanders hadden geprobeerd om zichzelf in deze crisis te beheersen, maar begonnen nu hun geduld te verliezen.

Het zal nuttig zijn hier de achtergrond kort te overzien, opdat we mogen zien hoe krachtig het getuigenis was van Christus' opstanding, en hoe zwak de pogingen om dit te wederstaan.

Bij het verhoor van Christus waren het uiteraard "de overpriesters en de ouderlingen", die "de scharen hebben aangeraden, dat zij zouden Barabbas begeren en Jezus doden". Als resultaat had "al het volk" toegestemd door te roepen: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen" (Matt.27:20,25).

Maar enkele dagen later, geconfronteerd met het feit dat onze Here werkelijk was opgestaan uit de dood, waren deze leiders niet zo bereid om de verantwoordelijkheid voor Zijn kruisiging op zich te nemen. Nu betaalden zij "veel geld" aan de soldaten die het graf hadden bewaakt, om hen te overreden hun verslag van wat zij gezien en gehoord hadden, te veranderen.

Van toen af aan bleven de overpriesters en oudsten uit het gezicht, als het ware, en deden niets meer om de zaken gaande te houden. Ondertussen predikten de apostelen Christus zelfs in de tempel, met de menigte der discipelen "eendrachtiglijk in de tempel volhardende" (Hand.2:46).

Maar de zaken werden erger voor Israel's leiders, toen de lamme bedelaar bij de Schone Poort werd hersteld, en nog meer menigten geloofden.

Gegriefd zijnde dat de apostelen in staat waren zo'n blijk van Christus' opstanding te bewerken - en inderdaad werd daardoor het gezag der Sadduceeën ondermijnd - en vastbesloten het getuigenis, waar mogelijk, te onderdrukken, brachten zij de apostelen voor het gerecht.

Maar bij de rechtzitting werden de overpriesters onmiddellijk in het defensief gedrongen, toen de apostelen hen beschuldigden van de moord op Christus en hen waarschuwden dat Hij inderdaad uit de dood was opgestaan (Hand.4:1-14).

Zelf overtuigd in hun harten dat de apostelen hadden gezien, en ook met de opgestane Christus geweest waren, dreigden de oversten hen, verder niet meer in de naam van Jezus te spreken. Maar op deze zwakke bedreigingen antwoordden de apostelen flink, dat zij niet anders konden, dan spreken over wat    zij gezien en gehoord hadden (Hand.4:17-20).

Het is duidelijk dat de bestuurders een fout hadden gemaakt door de apostelen voor het gerecht te brengen, want "niets vindende hoe zij hen straffen zouden" waren zij genoodzaakt "hen te laten gaan", ondanks hun verklaring dat zij zouden doorgaan met Christus te prediken.

Met de apostelen als zo beslissende overwinnaars in dit geschil, trokken de overpriesters zich opnieuw terug, hopende dat de storm misschien zou voorbijgaan. Maar integendeel, de Pinksterkerk werd gezegend met grotere kracht dan ooit, toen tekenen en wonderen werden gedaan onder het volk en "gelovigen" werden "temeer toegedaan tot de Here".

En nu ontwikkelt zich inderdaad een strijd! De hogepriester en de zijnen staan woedend op, slaan de handen aan de apostelen en voeren hen in "de algemene gevangenis" - openbaar huis van bewaring. Maar een engel van de Here opent de gevangenisdeuren, zeggende: "Gaat heen, en staat (Letterlijk: neem je standplaats in) en spreekt in de tempel" (Hand.5:17-20).

Dit is bemoediging genoeg. De apostelen wederstaan het hieraan verbonden gevaar, en trotseren de oversten door openlijk in de tempel te verschijnen om het volk te leren.

Ondertussen vergaderen zich het Sanhedrin en de gehele Senaat*/[i] van Israel, onwetend van dit alles, plechtig voor de rechtszitting! Maar de officieren die gezonden waren om de apostelen terug te brengen vanuit de gevangenis meldden:

"Zeggende: Wij vonden wel de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen" (v.23).

Wat een schouwspel! Hoe maakt God hen belachelijk! Het Hoge Hof van het volk vergadert om de apostelen te oordelen wegens het prediken van Christus, niet wetend dat de apostelen (slechts een dag tevoren gevangen genomen) nu reeds vrijmoedig Christus prediken in de tempel! En dat alles terwijl de bewakers van de gevangenis voor de gevangenisdeuren stonden, zorgvuldig oppassende voor - niets!

De oversten staan, vanzelfsprekend, verstomd bij de mededeling van de officieren, en totaal verbijsterd wegens de verwikkelingen.

Wat een stimulans verkrijgt de beweging! Hoe vrijmoedig en vertrouwend worden deze aanbidders van Messias!

Kregen de apostelen hulp van buitenaf? Zou het zijn dat er weer een wonder had plaats gevonden? De oversten schijnen de waarheid aan te voelen.

 HET TWEDE VERHOOR VAN DE APOSTELEN

 De beschuldiging door de Hogepriester

 "Toen ging de hoofdman heen met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het volk, opdat zij niet gestenigd werden).  "En als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de Raad; en de hogepriester vraagde hun en zeide: "Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in deze Naam niet zoudt leren? En zie, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van deze mens over ons brengen" (Hand.5:26-28).

 De hoofdman en dienaren van de tempel gaan nu heen om de discipelen tot verhoor te brengen, maar "zonder geweld", uit vrees voor steniging door het volk.

 Hoe slap en zonder autoriteit blijken nu de woorden van de hogepriester! Geergerd klaagt hij: "Hebben wij u niet ernstiglijk (strikt) aangezegd, dat gij in deze Naam niet zoudt leren? En zie, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en gij wilt het bloed van deze mens over ons brengen" (v.28).

 Deze openingsvraag verraadt de zwakheid van de positie van de hogepriester in het debat. Hij had inderdaad de apostelen strikt verordineerd, niet te leren in deze naam, maar zij hadden vrijmoedig verklaard dat zij dit desalniettemin zouden doen - en hij was gedwongen hun zaak af te sluiten.

 Wat betreft het vervullen van Jeruzalem met deze leer, gaf zijn eigen schuld hem een overdreven idee van wat de apostelen aan het doen waren, want de volgelingen van de Messias waren nog zo in de minderheid, dat na de steniging van Stefanus, zij door vervolging uit Jeruzalem konden worden verdreven.

 Verder trachtten de apostelen niet de schuld aan Christus's bloed op de oversten te leggen. Juist het tegenovergestelde was waar. De bittere afkeer van de hogepriester tegen Christus en de apostelen wordt gezien in zijn uitdrukkingen: "uw leer" en "deze mens". Hij zegt zelfs niet eens wat de leer is, noch noemt hij de naam van Christus. Dit is het eerste voorbeeld van deze vermijding van de naam van Christus door de Joden, die later zo algemeen werd onder hen. In de Talmoed, b.v. wordt zeer dikwijls naar Hem verwezen als peloni: "zo en zo".

 DE VERDEDIGING VAN DE APOSTELEN

 "Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden: Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. "De God onzer vaderen heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout. "Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker, om Israel te geven bekering en vergeving der zonden. "En wij zijn Zijn getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, Welke God gegeven heeft dengenen die Hem gehoorzaam zijn" Hand.5:29-32).

Hoe ferm en moedig zijn de apostelen in hun antwoord, en toch hoe hoffelijk!

Zij zouden de oversten het belangrijke feit hebben kunnen doen herinneren, dat zij (de oversten) de apostelen hadden laten gaan uit het vorige verhoor, met de volle kennis, dat zij van plan waren, direct verder te gaan met de prediking van Christus. Maar in plaats daarvan, antwoorden zij eenvoudig: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen".

Maar wat betreft het brengen van het bloed van Christus op de oversten, maken de apostelen het zeer duidelijk dat, omdat Israel en haar oversten inderdaad schuldig zijn aan de dood van Christus, God Christus heeft opgewekt uit de dood: "OM ISRAEL TE GEVEN BEKERING, EN VERGEVING DER ZONDEN."

Hangende aan het kruis waar zij zelf Hem hadden gebracht, was hij zachtmoedig tussenbeide gekomen: "VADER, VERGEEF HET HUN; WANT ZIJ WETEN NIET WAT ZIJ DOEN" (Luk.23:34).

En Petrus had nog onlangs Israel, op deze zelfde gronden, bekering aangeboden, door te zeggen tegen de menigten: "En nu, broeders, ik weet, dat gij het DOOR ONWETENDHEID GEDAAN HEBT, GELIJK ALS OOK UW OVERSTEN...Betert u dan en bekeert u..." (Hand.3:17-19).

En dit alles, terwijl zij zelf geroepen hadden: "Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen" (Matt.27:25).

Als er iets duidelijk is in de eerste hoofdstukken van Handelingen, is het wel het feit dat God onwillig was om het volk Israel op hun woord te nemen, en hen te veroordelen voor de kruisiging van Zijn Zoon. Inplaats daarvan gaat Hij verder met het uitstrekken van Zijn handen naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk, en geeft hun alle gelegenheid om te bekeren en zich tot Christus te keren (Zie Rom.10:21).

Zelfs in deze passage vinden we Christus aangeboden aan Israel's oversten als "een Vorst en Redder". Wat zal het einde zijn, als zij Hem nu afwijzen?

Maar zo'n vraag wordt ook door de apostelen niet gesteld. Zij hopen nog steeds het volk voor Christus te winnen.

Het is eerst enige tijd later, dat we Paulus ontmoeten, de andere apostel, die tot de Joden in Pisidisch Antiochië zegt:  "ZIET DAN TOE, DAT OVER ULIEDEN NIET KOME HETGEEN GEZEGD IS IN DE PROFETEN: "ZIET, GIJ VERACHTERS, EN VERWONDERT U, EN VERDWIJNT; WANT..." (Hand.13:40,41).

En hij is het, die later tot de ongelovige Joden te Corinthe zei:

"UW BLOED ZIJ OP UW HOOFD; IK BEN REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN GAAN" (Hand.18:6).

Weer is het Paulus die later, door de Geest, schreef aan die bepaalde Joden, voor wie er nog hoop was:

"Als iemand de wet van Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie getuigen; "HOEVEEL TE ZWAARDER STRAF MEENT GIJ, ZAL HIJ WAARDIG GEACHT WORDEN, DIE DE ZOON VAN GOD VERTREDEN HEEFT, EN HET BLOED DES TESTAMENTS ONREIN GEACHT HEEFT, WAARDOOR HIJ GEHEILIGD WAS, EN DE GEEST DER GENADE SMAADHEID HEEFT AANGEDAAN?" (Hebr.10:28,29).

"ZIET TOE, DAT GIJ DIEN DIE SPREEKT, NIET VERWERPT; WANT INDIEN DEZE NIET ZIJN ONTVLODEN, DIE DEGENE VERWIERPEN, WELKE OP AARDE GODDELIJKE ANTWOORDEN GAF, VEEL MEER ZULLEN WIJ NIET ONTVLIEDEN, ZO WIJ ONS VAN DIE AFKEREN, DIE VAN DE HEMELEN IS; "WIENS STEM TOEN DE AARDE BEWOOG, MAAR NU HEEFT HIJ VERKONDIGD, ZEGGENDE: NOG EENMAAL ZAL IK BEWEGEN NIET ALLEEN DE AARDE, MAAR OOK DE HEMEL" (Hebr.12:25,26).

ISRAEL'S GELEGENHEID

Voordat we de uitkomst van het verhoor van de apostelen beschouwen, dienen we zorgvuldig vast te stellen, dat dit de tijd was van Israel's gelegenheid.

Zij die beweren dat het Lichaam van Christus begon op de dag van Pinksteren, en dat wij moeten werken onder de zogenaamde "Grote Opdracht", hebben vooral aan dit feit, niet de nodige aandacht geschonken.

Er is nog geen enkel woord gezegd in het verslag over het samengestelde lichaam waarvan de gelovigen nu leden zijn. Niet eenmaal zijn we zo'n zin tegen gekomen als "de bedeling van de genade Gods", of "het evangelie van de genade van God". Niet eenmaal werd redding aangeboden door geloof in Christus' vergoten bloed, en zeer zeker was het goede nieuws der redding, in elk opzicht, nog niet tot de heidenen gebracht.

Wat we hier nu hebben is Gods handelen met het volk Israel. Verre van Israel terzijde te hebben gesteld op Golgotha, handelt God hier, uitsluitend met haar, in barmhartigheid.

Als Israel haar Messias had aangenomen, zouden de apostelen doorgegaan zijn met "het maken van alle volken tot discipelen", en de volken zouden redding en zegen gevonden hebben door Israel in vervulling van het Abrahamitisch Verbond en de profetische Geschriften. Dat was de hele opzet van de "Grote Opdracht".

Het was toen opnieuw, dat dit laatste aanbod door het uitverkoren volk werd afgewezen, dat redding tot de heidenen ging, ondanks Israel - en wel door de apostel Paulus.

Het was toen God Israel terzijde stelde, dat Hij Paulus uitzond met het "evangelie van God's genade", verzoening aanbiedend in genade, door het geloof, aan alle mensen, overal; "OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN EEN LICHAAM ZOU VERZOENEN DOOR HET KRUIS,..." (Eph.2:16).

Maar hoe kon Hij verzoening aanbieden aan de Joden voordat Hij begonnen was erzijde te stellen? (Rom.11:15). En hoe kon Hij een samengesteld lichaam formeren, terwijl Hij uitsluitend met Israel handelde? (cf.Hand.11:19, Eph.2:16,17).

Indien zij, die tevergeefs trachten de zogenaamde "Grote Opdracht" uit te voeren, dit slechts konden zien, zouden zij het antwoord hebben op hun problemen met betrekking tot de waterdoop, "goddelijke genezing", tongentaal, etc.

 Laat ons nu terugkeren tot het verslag van het verhoor van de apostelen.

            HET ADVIES VAN GAMALIEL

 Als zij nu dit hoorden, berstte hun het hart, en zij hielden raad om hen te doden.

"Maar een zeker farizeeër stond op in de raad, met name Gamaliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan. "En hij zeide tot hen: Gij Israëlietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult aangaande deze mensen. "Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende dat hij wat was, die een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is omgebracht, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet geworden."Na hem stond op Judas de Galileeër, in dagen der beschrijving, en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden."En nu zeg ik ulieden: Houdt af van deze mensen en laat hen gaan; want indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden. "Maar indien het uit God is, zo kunt gij dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te strijden. "En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en lieten hen gaan."  (Hand.5:33-40)

 De oversten, opnieuw beschuldigd voor de moord van Christus, ontdekkend dat de apostelen onveranderlijk waren in hun beslissing van Hem te prediken, zijn tot in hun hart verbitterd en beraden zich hen eveneens te doden.

 Maar hier steekt de eminente Gamaliël een stevige hand op, terwijl hij opdracht geeft, dat men "de apostelen een weinig zou doen buiten staan". Hij heeft een apart woord te zeggen tot zijn mede-gezworenen.

Hen waarschuwend om "voor(uit) te zien" voor wat betreft hun beslissing aangaande deze mensen, herinnert hij hen, dat er anderen geweest zijn die groot deden, alleen om tot niets te worden gebracht, en maant dat het veiliger en wijzer zal zijn de apostelen met rust te laten, dan tegen hen in te gaan, zijn collega's verzekerend, dat "indien deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden".

 Gamaliel's raad was wellicht zo goed als een mens die kan geven, maar het was op zich een pover advies. Er zou wellicht meer te bereiken zijn geweest door ongestoord verder gaan, dan door zich tegen deze mannen te verzetten, indien zij aan de kant van de waarheid gestaan hadden, maar als de waarheid wordt verkondigd in kracht, zal geen enkele methode daartegen op kunnen.

 "WANT WIJ VERMOGEN NIETS TEGEN DE WAARHEID, MAAR VOOR DE WAARHEID" (2Cor.13:8).

 Hoe velen volgen vandaag, in hun weerstand tegen de waarheid of zekere waarheden, de raad van Gamaliel! Vrezend de waarheid openlijk tegemoet te treden en toch voortdurend zich ophoudend bij de oppositie, proberen zij hun "handen af" politiek te handhaven.

 Maar laten zulke eerwaarde lieden dieper duiken in de redenen van Gamaliel bij het adviseren van het Sanhedrin zoals hij dat deed, en zichzelf daarin ontdekken. Het is wel duidelijk dat Gamaliel, argumenterend zoals hij deed, niet bewerkte dat de apostelen werkelijk tot zwijgen kwamen. Zijn overweging was duidelijk om zijn collega-gezworenen af te houden van iets te drastisch te doen in hun oppositie tegen Christus, daar hij er anders zelf verder in werd betrokken. Als Farizeeër wist hij goed dat:

 "ER GEEN WIJSHEID IS EN GEEN VERSTAND EN ER GEEN RAAD IS TEGEN DE HERE" (Spr.21:30).

 Daar stond hij dan aan de zijde, waarvan hij vreesde de verkeerde kant te zijn; de kant van de oppositie tegen de Here, en hij verraadde deze angst, toen hij zei: "MAAR INDIEN HET UIT GOD IS, ZO KUNT GIJ DAT NIET BREKEN; OPDAT GIJ NIET MISSCHIEN BEVONDEN WORDT OOK TEGEN GOD TE STRIJDEN" (v.39).

 Waren er anderen in het Sanhedrin die zijn vrees deelden? In ieder geval, "gaven zij hem gehoor" (v.40).

 Was dit maar zo geweest en de apostelen zonder verdere vernedering ontslagen. Maar voordat zij hen loslieten, verlagen zij zich tot nog een ongerechte en laffe daad.

 "...en als zij de apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en lieten hen gaan" (v.40).

 DE APOSTELEN OPNIEUW OVERWINNAARS

 "Zij dan gingen heen van het aangezicht des Raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest om Zijns Naams wil smaadheid te lijden. "En zij hielden niet op alle dag in de tempel en bij de huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen" -(Hand.5:41,42)

 De eerbiedwaardige leden van het Sanhedrin waren nu verlaagd tot gewone laffe kwelgeesten, maar hun poging de apostelen te vernederen, bewijzen slechts het feit dat de apostelen opnieuw een beslissende morele overwinning behaalden. Ook brachten de zweepslagen hun geen pijn en lijden, want droegen zij dit niet voor de gezegende Messias, van wie zij hoopten dat Hij spoedig zou regeren?

 Zo verlieten zij met blijdschap het verhoor, en verdubbelden hun pogingen om de Messias bekend te maken aan Israel.

 En zo zijn we getuigen van de val van Israel's regeerders en de opkomst van de "kleine kudde", bestemd om op een bepaalde dag, te regeren met Christus in Zijn koninkrijk (Luk.2:34; Matt.21:42; Luk.12:32; Matt.19:28).

 HET PINKSTERPROGRAMMA GEHANDHAAFD

 "En in die dagen, als de discipelen vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën, omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden."En de twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen.

"Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij mogen stellen over deze nodige zaak.

"Maar wij zullen volharden in het gebed en in de bediening des Woords. "En dit woord behaagde al de menigte; en zij verkozen Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en Prochorus, en Nikanor, en Timon, en Parmenas, en Nikolaus, een Jodengenoot van Antiochië; "Welke zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden hadden, legden hun de handen op. "En het Woord Gods wies, en het getal der discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesters werd het geloof gehoorzaam" (Hand.6:1-7)