|
H
O O F D S T U K IX
- H A N D. 5:17-6:7.
DE
VOORTGAANDE GROEI VAN
DE PINKSTERKERK
DE TEGENSTANDER WOEDEND
en de hogepriester stond op, en allen die met
hem waren (welke was de sekte der Sadduceeën), en werden vervuld met
nijdigheid, "En sloegen hun handen aan de apostelen, en zetten hen in de
algemene gevangenis. "Maar de engel des Heren opende des nachts de deuren
der gevangenis en leidde hen uit, en zeide: "Gaat henen, en staat en
spreekt in de tempel tot het volk al de woorden dezes levens. "Als zij nu
dit gehoord hadden, gingen zij tegen de morgenstond in de tempel en leerden.
Maar de hogepriester en die met hem waren, gekomen zijnde, riepen de Raad
tezamen en al de oudsten der kinderen Israels, en zonden naar de kerker om hen
te halen.
och als de dienaars daar kwamen, vonden zij hen in de
gevangenis niet, maar keerden weder en boodschapten dit, "Zeggende: Wij
vonden wel de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten
staande voor de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand
daarbinnen. "Toen nu de hogepriester en de hoofdman des tempels en de
overpriesters deze woorden hoorden, werden zij twijfelmoedig over hen, wat toch
dit worden zou.
n er kwam een en boodschapte hun zeggende: Zie, de mannen
die gij in de gevangenis gezet hebt, staan in de tempel en leren het volk.
- (Hand.5:17-25)
Een gezuiverde kerk, bekrachtigd, de vijand
woedend. Dit is een natuurlijk gevolg, want onze tegenstander, de duivel, kan
het niet verdragen als hij ziet dat God's volk geestelijk groeit.
hogepriester en
zijn medestanders hadden geprobeerd om zichzelf in deze crisis te beheersen,
maar begonnen nu hun geduld te verliezen.
Het zal nuttig
zijn hier de achtergrond kort te overzien, opdat we mogen zien hoe krachtig het
getuigenis was van Christus' opstanding, en hoe zwak de pogingen om dit te
wederstaan.
Bij het verhoor
van Christus waren het uiteraard "de overpriesters en de
ouderlingen", die "de scharen hebben aangeraden, dat zij zouden
Barabbas begeren en Jezus doden". Als resultaat had "al het
volk" toegestemd door te roepen: "Zijn bloed kome over ons en
over onze kinderen" (Matt.27:20,25).
Maar enkele dagen
later, geconfronteerd met het feit dat onze Here werkelijk was opgestaan uit de
dood, waren deze leiders niet zo bereid om de verantwoordelijkheid voor Zijn
kruisiging op zich te nemen. Nu betaalden zij "veel geld" aan de
soldaten die het graf hadden bewaakt, om hen te overreden hun verslag van wat
zij gezien en gehoord hadden, te veranderen.
Van toen af aan
bleven de overpriesters en oudsten uit het gezicht, als het ware, en deden niets
meer om de zaken gaande te houden. Ondertussen predikten de apostelen Christus
zelfs in de tempel, met de menigte der discipelen "eendrachtiglijk in de
tempel volhardende" (Hand.2:46).
Maar de zaken
werden erger voor Israel's leiders, toen de lamme bedelaar bij de Schone Poort
werd hersteld, en nog meer menigten geloofden.
Gegriefd zijnde dat de apostelen in staat
waren zo'n blijk van Christus' opstanding te bewerken - en inderdaad werd
daardoor het gezag der Sadduceeën ondermijnd - en vastbesloten het getuigenis,
waar mogelijk, te onderdrukken, brachten zij de apostelen voor het gerecht.
Maar bij de rechtzitting werden de
overpriesters onmiddellijk in het defensief gedrongen, toen de apostelen hen
beschuldigden van de moord op Christus en hen waarschuwden dat Hij inderdaad uit
de dood was opgestaan (Hand.4:1-14).
Zelf overtuigd in hun harten dat de apostelen
hadden gezien, en ook met de opgestane Christus geweest waren, dreigden de
oversten hen, verder niet meer in de naam van Jezus te spreken. Maar op deze
zwakke bedreigingen antwoordden de apostelen flink, dat zij niet anders konden, dan
spreken over wat zij
gezien en gehoord hadden (Hand.4:17-20).
Het is duidelijk dat de bestuurders een fout
hadden gemaakt door de apostelen voor het gerecht te brengen, want "niets
vindende hoe zij hen straffen zouden" waren zij genoodzaakt "hen
te laten gaan", ondanks hun verklaring dat zij zouden doorgaan met
Christus te prediken.
Met de apostelen als zo beslissende
overwinnaars in dit geschil, trokken de overpriesters zich opnieuw terug,
hopende dat de storm misschien zou voorbijgaan. Maar integendeel, de
Pinksterkerk werd gezegend met grotere kracht dan ooit, toen tekenen en wonderen
werden gedaan onder het volk en "gelovigen" werden "temeer
toegedaan tot de Here".
En nu ontwikkelt zich inderdaad een strijd! De
hogepriester en de zijnen staan woedend op, slaan de handen aan de apostelen en
voeren hen in "de algemene gevangenis" - openbaar huis van bewaring.
Maar een engel van de Here opent de gevangenisdeuren, zeggende: "Gaat
heen, en staat (Letterlijk: neem je standplaats in) en spreekt in de
tempel" (Hand.5:17-20).
Dit is bemoediging genoeg. De apostelen
wederstaan het hieraan verbonden gevaar, en trotseren de oversten door openlijk
in de tempel te verschijnen om het volk te leren.
Ondertussen vergaderen zich het Sanhedrin en
de gehele Senaat*/[i] van Israel,
onwetend van dit alles, plechtig voor de rechtszitting! Maar de officieren die
gezonden waren om de apostelen terug te brengen vanuit de gevangenis meldden:
"Zeggende: Wij vonden wel
de kerker met alle verzekerdheid toegesloten, en de wachters buiten staande voor
de deuren; maar als wij die geopend hadden, vonden wij niemand daarbinnen"
(v.23).
Wat een
schouwspel! Hoe maakt God hen belachelijk! Het Hoge Hof van het volk vergadert
om de apostelen te oordelen wegens het prediken van Christus, niet wetend dat de
apostelen (slechts een dag tevoren gevangen genomen) nu reeds vrijmoedig
Christus prediken in de tempel! En dat alles terwijl de bewakers van de
gevangenis voor de gevangenisdeuren stonden, zorgvuldig oppassende voor - niets!
De oversten staan,
vanzelfsprekend, verstomd bij de mededeling van de officieren, en totaal
verbijsterd wegens de verwikkelingen.
Wat een stimulans
verkrijgt de beweging! Hoe vrijmoedig en vertrouwend worden deze aanbidders van
Messias!
Kregen de
apostelen hulp van buitenaf? Zou het zijn dat er weer een wonder had plaats
gevonden? De oversten schijnen de waarheid aan te voelen.
HET TWEDE
VERHOOR VAN DE APOSTELEN
De beschuldiging door de
Hogepriester
"Toen ging de hoofdman
heen met de dienaren, en bracht hen, doch niet met geweld (want zij vreesden het
volk, opdat zij niet gestenigd werden). "En
als zij hen gebracht hadden, stelden zij hen voor de Raad; en de hogepriester
vraagde hun en zeide: "Hebben wij u niet ernstiglijk aangezegd, dat gij in
deze Naam niet zoudt leren? En zie, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld,
en gij wilt het bloed van deze mens over ons brengen" (Hand.5:26-28).
De hoofdman
en dienaren van de tempel gaan nu heen om de discipelen tot verhoor te brengen,
maar "zonder geweld", uit vrees voor steniging door het volk.
Hoe slap en
zonder autoriteit blijken nu de woorden van de hogepriester! Geergerd klaagt
hij: "Hebben wij u niet ernstiglijk (strikt) aangezegd, dat gij in deze
Naam niet zoudt leren? En zie, gij hebt met deze uw leer Jeruzalem vervuld, en
gij wilt het bloed van deze mens over ons brengen" (v.28).
Deze openingsvraag verraadt de zwakheid van de
positie van de hogepriester in het debat. Hij had inderdaad de apostelen strikt
verordineerd, niet te leren in deze naam, maar zij hadden vrijmoedig verklaard
dat zij dit desalniettemin zouden doen - en hij was gedwongen hun zaak af te
sluiten.
Wat betreft het vervullen van Jeruzalem
met deze leer, gaf zijn eigen schuld hem een overdreven idee van wat de
apostelen aan het doen waren, want de volgelingen van de Messias waren nog zo in
de minderheid, dat na de steniging van Stefanus, zij door vervolging uit
Jeruzalem konden worden verdreven.
Verder trachtten de apostelen niet de
schuld aan Christus's bloed op de oversten te leggen. Juist het
tegenovergestelde was waar. De bittere afkeer van de hogepriester tegen Christus
en de apostelen wordt gezien in zijn uitdrukkingen: "uw leer"
en "deze mens". Hij zegt zelfs niet eens wat de leer is, noch
noemt hij de naam van Christus. Dit is het eerste voorbeeld van deze vermijding
van de naam van Christus door de Joden, die later zo algemeen werd onder hen. In
de Talmoed, b.v. wordt zeer dikwijls naar Hem verwezen als peloni: "zo
en zo".
DE VERDEDIGING VAN DE APOSTELEN
"Maar Petrus en de apostelen antwoordden en zeiden:
Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen. "De God onzer vaderen
heeft Jezus opgewekt, Welken gij omgebracht hebt, hangende Hem aan het hout.
"Deze heeft God door Zijn rechterhand verhoogd tot een Vorst en Zaligmaker,
om Israel te geven bekering en vergeving der zonden. "En wij zijn Zijn
getuigen van deze woorden, en ook de Heilige Geest, Welke God gegeven heeft
dengenen die Hem gehoorzaam zijn"
Hand.5:29-32).
Hoe ferm en moedig zijn de apostelen in hun
antwoord, en toch hoe hoffelijk!
Zij zouden de oversten het belangrijke feit
hebben kunnen doen herinneren, dat zij (de oversten) de apostelen hadden laten
gaan uit het vorige verhoor, met de volle kennis, dat zij van plan waren, direct
verder te gaan met de prediking van Christus. Maar in plaats daarvan, antwoorden
zij eenvoudig: "Men moet Gode meer gehoorzaam zijn dan de mensen".
Maar wat betreft het brengen van het bloed van
Christus op de oversten, maken de apostelen het zeer duidelijk dat, omdat Israel
en haar oversten inderdaad schuldig zijn aan de dood van Christus, God Christus
heeft opgewekt uit de dood: "OM ISRAEL TE GEVEN BEKERING, EN VERGEVING
DER ZONDEN."
Hangende aan het kruis waar zij zelf Hem
hadden gebracht, was hij zachtmoedig tussenbeide gekomen: "VADER,
VERGEEF HET HUN; WANT ZIJ WETEN NIET WAT ZIJ DOEN" (Luk.23:34).
En Petrus had nog
onlangs Israel, op deze zelfde gronden, bekering aangeboden, door te zeggen
tegen de menigten: "En nu, broeders, ik weet, dat gij het DOOR
ONWETENDHEID GEDAAN HEBT, GELIJK ALS OOK UW OVERSTEN...Betert u dan en bekeert
u..." (Hand.3:17-19).
En dit alles,
terwijl zij zelf geroepen hadden: "Zijn bloed kome over ons en over onze
kinderen" (Matt.27:25).
Als er iets
duidelijk is in de eerste hoofdstukken van Handelingen, is het wel het feit dat
God onwillig was om het volk Israel op hun woord te nemen, en hen te veroordelen
voor de kruisiging van Zijn Zoon. Inplaats daarvan gaat Hij verder met het
uitstrekken van Zijn handen naar een ongehoorzaam en tegensprekend volk, en
geeft hun alle gelegenheid om te bekeren en zich tot Christus te keren (Zie Rom.10:21).
Zelfs in deze
passage vinden we Christus aangeboden aan Israel's oversten als "een
Vorst en Redder". Wat zal het einde zijn, als zij Hem nu afwijzen?
Maar zo'n vraag
wordt ook door de apostelen niet gesteld. Zij hopen nog steeds het volk voor
Christus te winnen.
Het is eerst enige
tijd later, dat we Paulus ontmoeten, de andere apostel, die tot de Joden
in Pisidisch Antiochië zegt: "ZIET
DAN TOE, DAT OVER ULIEDEN NIET KOME HETGEEN GEZEGD IS IN DE PROFETEN:
"ZIET, GIJ VERACHTERS, EN VERWONDERT U, EN VERDWIJNT; WANT..." (Hand.13:40,41).
En hij is het, die
later tot de ongelovige Joden te Corinthe zei:
"UW BLOED ZIJ OP UW
HOOFD; IK BEN REIN; EN VAN NU VOORTAAN ZAL IK TOT DE HEIDENEN GAAN"
(Hand.18:6).
Weer is het Paulus
die later, door de Geest, schreef aan die bepaalde Joden, voor wie er nog hoop
was:
"Als iemand de wet van
Mozes heeft tenietgedaan, die sterft zonder barmhartigheid onder twee of drie
getuigen; "HOEVEEL TE ZWAARDER STRAF MEENT GIJ, ZAL HIJ WAARDIG GEACHT
WORDEN, DIE DE ZOON VAN GOD VERTREDEN HEEFT, EN HET BLOED DES TESTAMENTS ONREIN
GEACHT HEEFT, WAARDOOR HIJ GEHEILIGD WAS, EN DE GEEST DER GENADE SMAADHEID HEEFT
AANGEDAAN?"
(Hebr.10:28,29).
"ZIET TOE, DAT GIJ DIEN DIE SPREEKT, NIET VERWERPT;
WANT INDIEN DEZE NIET ZIJN ONTVLODEN, DIE DEGENE VERWIERPEN, WELKE OP AARDE
GODDELIJKE ANTWOORDEN GAF, VEEL MEER ZULLEN WIJ NIET ONTVLIEDEN, ZO WIJ ONS VAN
DIE
AFKEREN, DIE VAN DE HEMELEN IS; "WIENS STEM TOEN DE AARDE BEWOOG, MAAR
NU HEEFT HIJ VERKONDIGD, ZEGGENDE: NOG EENMAAL ZAL IK BEWEGEN NIET ALLEEN DE
AARDE, MAAR OOK DE HEMEL" (Hebr.12:25,26).
ISRAEL'S GELEGENHEID
Voordat we de uitkomst van het verhoor van de
apostelen beschouwen, dienen we zorgvuldig vast te stellen, dat dit de tijd was
van Israel's gelegenheid.
Zij die beweren dat het Lichaam van Christus
begon op de dag van Pinksteren, en dat wij moeten werken onder de zogenaamde
"Grote Opdracht", hebben vooral aan dit feit, niet de nodige aandacht
geschonken.
Er is nog geen enkel woord gezegd in het
verslag over het samengestelde lichaam waarvan de gelovigen nu leden zijn. Niet
eenmaal zijn we zo'n zin tegen gekomen als "de bedeling van de genade
Gods", of "het evangelie van de genade van God". Niet
eenmaal werd redding aangeboden door geloof in Christus' vergoten bloed,
en zeer zeker was het goede nieuws der redding, in elk opzicht, nog niet
tot de heidenen gebracht.
Wat we hier nu hebben is Gods handelen met het
volk Israel. Verre van Israel terzijde te hebben gesteld op Golgotha,
handelt God hier, uitsluitend met haar, in barmhartigheid.
Als Israel haar Messias had aangenomen, zouden
de apostelen doorgegaan zijn met "het maken van alle volken tot
discipelen", en de volken zouden redding en zegen gevonden hebben door
Israel in vervulling van het Abrahamitisch Verbond en de profetische
Geschriften. Dat was de hele opzet van de "Grote Opdracht".
Het was toen opnieuw, dat dit laatste aanbod
door het uitverkoren volk werd afgewezen, dat redding tot de heidenen ging, ondanks
Israel - en wel door de apostel Paulus.
Het was toen God
Israel terzijde stelde, dat Hij Paulus uitzond met het "evangelie van God's
genade", verzoening aanbiedend in genade, door het geloof, aan alle
mensen, overal; "OPDAT HIJ DIE BEIDEN MET GOD IN EEN LICHAAM ZOU
VERZOENEN DOOR HET KRUIS,..." (Eph.2:16).
Maar hoe kon Hij verzoening
aanbieden aan de Joden voordat Hij begonnen was erzijde te stellen? (Rom.11:15).
En hoe kon Hij een samengesteld lichaam formeren, terwijl Hij uitsluitend met
Israel handelde?
(cf.Hand.11:19, Eph.2:16,17).
Indien zij, die
tevergeefs trachten de zogenaamde "Grote Opdracht" uit te voeren, dit
slechts konden zien, zouden zij het antwoord hebben op hun problemen met
betrekking tot de waterdoop, "goddelijke genezing", tongentaal, etc.
Laat ons nu
terugkeren tot het verslag van het verhoor van de apostelen.
HET ADVIES VAN GAMALIEL
Als zij nu dit hoorden, berstte hun het hart, en zij
hielden raad om hen te doden.
"Maar een zeker farizeeër stond op in de raad, met
name Gamaliël, een leraar der wet, in waarde gehouden bij al het volk, en
gebood, dat men de apostelen een weinig zou doen buiten staan. "En hij
zeide tot hen: Gij Israëlietische mannen, ziet voor u, wat gij doen zult
aangaande deze mensen. "Want vóór deze dagen stond Theudas op, zeggende
dat hij wat was, die een getal van omtrent vierhonderd mannen aanhing; welke is
omgebracht, en allen die hem gehoor gaven, zijn verstrooid en tot niet
geworden."Na hem stond op Judas de Galileeër, in dagen der beschrijving,
en maakte veel volk afvallig achter zich; en deze is ook vergaan, en allen die
hem gehoor gaven, zijn verstrooid geworden."En nu zeg ik ulieden: Houdt af
van deze mensen en laat hen gaan; want indien deze raad of dit werk uit mensen
is, zo zal het gebroken worden. "Maar indien het uit God is, zo kunt gij
dat niet breken; opdat gij niet misschien bevonden wordt ook tegen God te
strijden. "En zij gaven hem gehoor; en als zij de apostelen tot zich
geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun, dat zij niet zouden spreken
in de Naam van Jezus, en lieten hen gaan." (Hand.5:33-40)
De oversten, opnieuw beschuldigd voor de moord van Christus,
ontdekkend dat de apostelen onveranderlijk waren in hun beslissing van Hem te
prediken, zijn tot in hun hart verbitterd en beraden zich hen eveneens te doden.
Maar hier steekt de eminente Gamaliël een stevige
hand op, terwijl hij opdracht geeft, dat men "de apostelen een weinig zou
doen buiten staan". Hij heeft een apart woord te zeggen tot zijn
mede-gezworenen.
Hen waarschuwend om "voor(uit) te
zien" voor wat betreft hun beslissing aangaande deze mensen, herinnert hij
hen, dat er anderen geweest zijn die groot deden, alleen om tot niets te worden
gebracht, en maant dat het veiliger en wijzer zal zijn de apostelen met rust te
laten, dan tegen hen in te gaan, zijn collega's verzekerend, dat "indien
deze raad of dit werk uit mensen is, zo zal het gebroken worden".
Gamaliel's raad was wellicht zo goed als
een mens die kan geven, maar het was op zich een pover advies. Er zou wellicht
meer te bereiken zijn geweest door ongestoord verder gaan, dan door zich tegen
deze mannen te verzetten, indien zij aan de kant van de waarheid gestaan
hadden, maar als de waarheid wordt verkondigd in kracht, zal geen enkele methode
daartegen op kunnen.
"WANT WIJ VERMOGEN NIETS TEGEN DE WAARHEID, MAAR VOOR DE
WAARHEID" (2Cor.13:8).
Hoe velen volgen vandaag, in hun
weerstand tegen de waarheid of zekere waarheden, de raad van Gamaliel! Vrezend
de waarheid openlijk tegemoet te treden en toch voortdurend zich ophoudend bij
de oppositie, proberen zij hun "handen af" politiek te handhaven.
Maar laten zulke eerwaarde lieden dieper
duiken in de redenen van Gamaliel bij het adviseren van het Sanhedrin zoals hij
dat deed, en zichzelf daarin ontdekken. Het is wel duidelijk dat Gamaliel,
argumenterend zoals hij deed, niet bewerkte dat de apostelen werkelijk tot
zwijgen kwamen. Zijn overweging was duidelijk om zijn collega-gezworenen af te
houden van iets te drastisch te doen in hun oppositie tegen Christus, daar hij
er anders zelf verder in werd betrokken. Als Farizeeër wist hij goed dat:
"ER GEEN WIJSHEID IS EN GEEN VERSTAND EN ER GEEN RAAD
IS TEGEN DE HERE" (Spr.21:30).
Daar stond hij dan
aan de zijde, waarvan hij vreesde de verkeerde kant te zijn; de kant van de
oppositie tegen de Here, en hij verraadde deze angst, toen hij zei: "MAAR
INDIEN HET UIT GOD IS, ZO KUNT GIJ DAT NIET BREKEN; OPDAT GIJ NIET MISSCHIEN
BEVONDEN WORDT OOK TEGEN GOD TE STRIJDEN" (v.39).
Waren er
anderen in het Sanhedrin die zijn vrees deelden? In ieder geval, "gaven
zij hem gehoor" (v.40).
Was dit maar
zo geweest en de apostelen zonder verdere vernedering ontslagen. Maar voordat
zij hen loslieten, verlagen zij zich tot nog een ongerechte en laffe daad.
"...en als zij de
apostelen tot zich geroepen hadden, geselden zij hen, en geboden hun, dat zij
niet zouden spreken in de Naam van Jezus, en lieten hen gaan"
(v.40).
DE APOSTELEN
OPNIEUW OVERWINNAARS
"Zij dan gingen heen van
het aangezicht des Raads, verblijd zijnde, dat zij waren waardig geacht geweest
om Zijns Naams wil smaadheid te lijden. "En zij hielden niet op alle dag in
de tempel en bij de huizen te leren en Jezus Christus te verkondigen" -(Hand.5:41,42)
De
eerbiedwaardige leden van het Sanhedrin waren nu verlaagd tot gewone laffe
kwelgeesten, maar hun poging de apostelen te vernederen, bewijzen slechts het
feit dat de apostelen opnieuw een beslissende morele overwinning behaalden. Ook
brachten de zweepslagen hun geen pijn en lijden, want droegen zij dit niet voor
de gezegende Messias, van wie zij hoopten dat Hij spoedig zou regeren?
Zo verlieten
zij met blijdschap het verhoor, en verdubbelden hun pogingen om de Messias
bekend te maken aan Israel.
En zo zijn
we getuigen van de val van Israel's regeerders en de opkomst van de "kleine
kudde", bestemd om op een bepaalde dag, te regeren met Christus in Zijn
koninkrijk (Luk.2:34; Matt.21:42; Luk.12:32; Matt.19:28).
HET
PINKSTERPROGRAMMA
GEHANDHAAFD
"En in die dagen, als de discipelen
vermenigvuldigden, ontstond een murmurering der Grieksen tegen de Hebreeën,
omdat hun weduwen in de dagelijkse bediening verzuimd werden."En de
twaalven riepen de menigte der discipelen tot zich, en zeiden: Het is niet
behoorlijk, dat wij het Woord Gods nalaten en de tafelen dienen.
"Ziet dan om, broeders, naar zeven mannen uit u, die
goede getuigenis hebben, vol des Heiligen Geestes en der wijsheid, welke wij
mogen stellen over deze nodige zaak.
"Maar wij zullen volharden in het gebed en in de
bediening des Woords. "En dit woord behaagde al de menigte; en zij verkozen
Stefanus, een man vol des geloofs en des Heiligen Geestes, en Filippus, en
Prochorus, en Nikanor, en Timon, en Parmenas, en Nikolaus, een Jodengenoot van
Antiochië; "Welke zij voor de apostelen stelden; en dezen, als zij gebeden
hadden, legden hun de handen op. "En het Woord Gods wies, en het getal der
discipelen vermenigvuldigde te Jeruzalem zeer; en een grote schare der priesters
werd het geloof gehoorzaam"
(Hand.6:1-7)
|