De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

H O O F D S T U K  III  -  H A N D . 1:9-26

               VAN HEMELVAART

               TOT PINKSTEREN

            DE HEMELVAART

"En toen Hij dit gezegd had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk nam Hem weg van hun ogen" (Hand.1:9).

Het is interessant op te merken dat God eerst aan Israel verscheen in een wolk  - vanzelf niet in een regenwolk, maar de Schechinah-wolk, het zichtbare voertuig van de goddelijke presentie en majesteit. Omhuld in wat verscheen als een wolkpilaar bij dag, en een pilaar van vuur desnachts, leidde JeHoWaH Zelf Zijn volk door de woestijn (Ex.13.21,22; 1Cor.10:1).*/

Nadat de Here "Zijn bevelen gegeven had aan de apostelen die Hij had uitverkoren", was het deze wolk die Hem "wegnam van hun ogen". Zij zouden niet hebben kunnen blikken op het gezicht dat later Saulus van Tarsen verblindde. Het was niet aan hun om de grotere glorie van de Zoon van God te zien, zoals Hij opsteeg "ver boven alles uit". De wolk nam Hem weg vanuit hun gezicht.

Dit feit dient wel te worden opgemerkt, want het is betekenend voor de onderscheiding tussen de bedieningen van de twaalven en die van Paulus. De twaalven hadden de Here slechts op aarde, nimmer in de hemel gezien, terwijl het met Paulus tegenovergesteld was. Hij had nimmer Christus op aarde gezien, alleen in de hemel.

Deze onderscheiding is verder te zien in de gebeurtenis van Zijn wederkomst, want van Zijn daadwerkelijke wederkomst naar de aarde, lezen we:

"En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk met grote macht en heerlijkheid" (Luk.21:27).

Maar van de komst van de Here voor ons, de leden van Zijn Lichaam, lezen we:

"...en zij die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan. Daarna zullen wij die levend overgebleven zijn, samen met hen OPGENOMEN worden IN DE WOLKEN, de Here tegemoet, in de lucht..." (1Thess.4:16,17).**/

*/ Er is wel gesuggereerd dat deze "wolk" de menigte van Zijn begeleidende engelen zou zijn. Deze voorstelling is op zijn minst niet overeenstemmend met het Schriftuurlijk gebruik van het woord, want dezelfde stam wordt gebruikt in Hebr.12:1, waar we lezen van "een wolk van getuigen". Dit zou ook overeenkomen met het feit dat Hij meerdere malen getoond wordt als verschijnende in "wolken" (meervoud) en telkens weer genoemd wordt, "de Here der Heirscharen".

**/ Voetnoot: Luk.9:34 moge op het eerste gezicht schijnen deze onderscheiding te ontkennen, omdat we daar lezen dat bij de transfiguratie, drie van de twaalf apostelen "de wolk ingingen". Maar, ten eerste, het voorzetsel daar is eis, terwijl het in 1Thess.4:17  het sterkere woord en "zijn, of blijven in" is. Ten twede, onze Here was reeds "getransfigureerd", voordat de wolk "hen overschaduwde...en er kwam een stem uit de wolk, zeggende, Dit is Mijn geliefde Zoon: Hoort Hem". Het was dus de Vader die verscheen in de wolk die hen overschaduwde, evenmin hadden zij de Here gezien in Zijn hemelse glorie, die later de Zijne zou zijn (Zie Matt.17:1-8; Mark.9:2-8; Luk.9:28-36; cf.2Petr.1:16-18).

Israel's roeping en voorspoed waren aards; de onze is hemels. Hij zal wederkeren naar de aarde om over hen te regeren, maar eerst zal Hij ons naar de hemel roepen, om met Hem te zijn. Inderdaad zijn wij positioneel reeds opgewekt vanuit de dood met Christus, en als leden van Zijn Lichaam gemaakt, om samen in de hemelse gewesten te zitten, gezegend met alle geestelijke zegeningen (Eph.1:3; 2:4-6). Als wij dan deze eerste hoofdstukken van Handelingen beschouwen, moeten wij onthouden dat onze relatie tot Christus, door genade, veel inniger is dan die van het volk Israel

             DE HEMELVAART EN PROFETIE

Wij moeten echter niet vooruitlopen op openbaring of Ephezen inlezen in Handelingen. Wij moeten ons herinneren dat het doel van God betreft, het Lichaam van Christus, en haar hemelse roeping en positie was nog een verborgenheid in de tijd van de hemelvaart van onze Here.

Zijn Hemelvaart was in vervulling van profetie en de profeten hadden niets gezegd; hadden inderdaad niets geweten van de Hemelvaart van Christus om te worden, Hoofd van het samengestelde Lichaam van gelovige Joden en heidenen.

Wat was dan de profetische betekenis van de Hemelvaart? Eigenlijk betrof het het goddelijk ongenoegen wegens de verwerping van Christus (zelfs hoewel God nog een gelegenheid tot berouw zou aanbieden) en voorspelde het oordeel dat Zijn vijanden zou bezoeken. Zie b.v. Ps.110:1:

"De Here heeft tot mijn Here gesproken: Zit aan Mijn rechterhand, totdat Ik Uw vijanden gezet zal hebben tot een voetbank Uwer voeten".

Profetisch gezien, voer de Here echter ook naar de hemel, opdat Hij de Heilige Geest zou zenden, ter ondersteuning en bekrachtiging van de Zijnen, in voorbereiding voor de grote verdrukking, en Zijn wederkomst om te regeren.

We moeten niet vergeten dat volgens profetie, de uitstorting van de Heilige Geest, de voorloper was van de grote verdrukking en de dag des Heren (Joel.2:28-31). Zoals in de wet het Pinksterfeest voorafging aan dat van de Bazuinen, zo moest in de profetie, het ware Pinksterfeest de bazuinen van de grote verdrukking voorafgaan en inleiden. De profetische Geschriften weten niets van een tussenstelling van de bedeling van genade.

En nu was het de opgevaren Here, Die de Geest tot de Zijnen zou zenden:

"En zie, Ik zend de belofte van Mijn Vader op u..." (Luk.24:49).   "...maar indien Ik heenga, zal Ik Hem tot u zenden" (Joh.16:7).

               DE BELOFTE VAN ZIJN WEDERKOMST

"En toen zij hun ogen naar de hemel hielden, terwijl Hij heenvoer, ziet, twee mannen stonden bij hen in witte kleding,

"die ook zeiden: Gij Galilיse mannen, wat staat gij en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, Die van u opgenomen is in de hemel, zal zף komen, zoals gij Hem naar de hemel hebt zien heenvaren."   - (Hand.1:10,11)

Het is een grote misvatting om te veronderstellen dat deze passage betrekking heeft op de opname van gelovigen aan het einde van de tegenwoordige bedeling. Dit te doen is opnieuw profetie verwarren met het geheimenis, jaren later door Apostel Paulus geopenbaard.

Overeenkomstig profetie zou de verworpen Messias naar de aarde terugkeren om de troon van David te bezetten, en te regeren over Israכl en de volkeren. En Hij zou "op gelijke wijze"  terugkeren als Hij nu was opgevaren. Zoals we hebben gezien, had de Here Zelf deze komst voorzegd, toen Hij zei:

"En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen IN EEN WOLK met grote kracht en heerlijkheid" (Luk.21:27).

Hier voegt de profeet Zacharias betekenisvol het volgende detail aan toe: "EN ZIJN VOETEN ZULLEN TE DIEN DAGE STAAN OP DE OLIJFBERG" (Zach.14:4). 

Dit is ook de plaats vanwaar Hij is opgevaren in een wolk (Zie Hand.1:9,12).

Het was zeer zeker begrijpelijk, dat de apostelen verbaasd opzagen naar de hemel, nadat de Here uit het gezicht was verdwenen. Dit was geheel buiten verwachting van Zijn wederkomst. En let wel, toch vroegen de mannen in wit hen: "Wat staat gij en ziet op naar de hemel?", en gaan voort met hen eraan te herinneren dat deze Jezus zal terugkomen - terug naar de aarde - gelijk zij Hem hebben zien opgaan van de aarde. Zij zouden niet bezig zijn met de Here in de hemel, zo als wij vandaag. Zij zouden worden ingezet bij Zijn wederkomst op aarde om te regeren.

Maar zal Hij dan direct terugkomen? Nog niet.

Speciale gebeurtenissen waren voorspeld als tekenen van Zijn wederkomst, en deze tekenen waren nog niet begonnen te verschijnen.

DE TEKENEN DER TIJDEN

Laat ons zorgvuldig de woorden van onze Here in Luk.21:25-28 beschouwen:

"En er zullen tekenen zijn aan de zon en maan en sterren, en op de aarde benauwdheid van de volken met twijfelmoedigheid, als de zee en watergolven groot geluid zullen geven, "en den mensen het hart zal bezwijken van vrees en verwachting van de dingen die het aardrijk zullen overkomen; want de krachten van de hemelen zullen bewogen worden.  "En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen in een wolk met grote kracht en heerlijkheid. 

"ALS NU DEZE DINGEN BEGINNEN TE GESCHIEDEN, ZIET OMHOOG, EN HEFT UW HOOFDEN OPWAARTS, OMDAT UW VERLOSSING NABIJ IS."

Het is dan ook duidelijk dat onze Here, zo spoedig na zijn vertrek, niet kon terugkeren. Het is waar dat geen mens de dag noch het uur kon weten van Zijn wederkomst, maar speciale tekenen zouden de nadering aankondigen. Pinksteren en de verdrukking moesten eerst komen en de specifieke instructies waren: Wanneer de tekenen van de verdrukking beginnen te verschijnen "zie dan op".

Intussen moest er veel gedaan worden. Onze Here had de apostelen onderwezen om in Jeruzalem te blijven totdat zij zouden worden bekleed met kracht om uit te gaan als getuigen voor hun verrezen Koning.

Het verwondert dan niet, dat de mannen in wit probeerden hen weer terug te brengen naar de aarde, als het ware, met de belofte dat "deze zelfde Jezus" zou terugkeren gelijk zij Hem hadden zien opgaan. Betekenisvol is dan zoals vers 12 luidt: "Toen keerden zij terug naar Jeruzalem..."  

Voor hun was de aardse positie, een aardse bediening, en een aards vooruitzicht. Zij hadden de Christus in het vlees begeleid, en kenden Hem alleen naar het vlees. Zij zouden regeren met Hem over de twaalf stammen van Israel (Matt.19:28). En nu waren zij gezonden om de volkeren, en in het bijzonder het volk, onder bekering en gehoorzaamheid, te brengen aan de voeten van Messias.

ONZE GEZEGENDE HOOP NIET AFHANKELIJK VAN TEKENEN

Hoe verschillend is onze roeping en hoop. Wij worden onderwezen om altijd op te zien naar boven, bezig te zijn met onze Here in Zijn glorie in de hemel, en dagelijks Zijn komst te verwachten - niet om te regeren op aarde, maar om opgenomen te worden naar de hemel.

Paulus, de apostel van deze bedeling, herinnert de heiden-gelovigen in Thessalonica eraan:

"...hoe gij tot God bekeerd zijt van de afgoden, om de levende en waarachtige God te dienen; "EN ZIJN ZOON UIT DE HEMELEN TE VERWACHTEN..." (1Thess.1:9,10).

Aan de Philippenzen schrijft hij:

"Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit WIJ OOK DE ZALIGMAKER VERWACHTEN, namelijk de Here Jezus Christus" (Phil.3:20).

Hij herinnert Titus eraan, dat hij danook zal leven: "IN DE VERWACHTING VAN DE ZALIGE HOOP, en verschijning van de heerlijkheid van de grote God en onze Zaligmaker Jezus Christus" (Tit.2:13).

Geen engel zal ons ooit afvragen of wij wel bezig waren met de hemelse positie en bediening van onze Here, noch naar ons dagelijks uitzien, momenteel, naar Zijn komst om ons weg te halen.  

Paulus zelf rekende zich onder hen, die verwachtten, zonder te moeten sterven, "opgenomen te worden" (1Thess.4:15,17). Hij droomde nimmer dat de bedeling van genade bijna twee duizend jaren zou duren. Voorzover het tekenen en profetie betreft, is er niets geweest dat de Here zou hinderen de dag van genade te beeindigen, en de Zijnen elk ogenblik op te nemen, vanaf de dagen van Paulus, tot aan die van ons. Genade en nogeens genade is het, dat Hem terughoudt van de dag van het oordeel, en Zijn aanbod van verzoening, tot nu toe, laat bestaan.

Laten zowel de verlorenen als de geredden beiden, van dit feit goede nota nemen. Er werd nimmer ייn dag van genade langer beloofd; niet ייn dag langer waarin de verlorenen zouden kunnen worden gered, zodat de geredden dit voor Hem op spel zouden mogen zetten.

Pleitend voor de verlorenen, zegt de apostel van de genade, door de Geest:  "En wij, als medearbeiders, bidden u ook dat gij de genade van God niet tevergeefs ontvangen hebt.  "...Zie, NU is het de welaangename tijd, zie NU is het de dag der zaligheid"! (2Cor.6:1,2).

En pleitend samen met Gods volk om toch de gelegenheid aan te grijpen om verlorenen te winnen waar zij maar kunnen, zegt hij: 

"Ziet dan, hoe gij voorzichtig wandelt, niet als onwijzen, maar als wijzen, "TERWIJL GIJ DE TIJD UITKOOPT, DAAR DE DAGEN BOOS ZIJN." (Eph.5:15,16).

DE TERUGKEER NAAR JERUZALEM

"Toen keerden zij terug naar Jeruzalem, van de berg die genaamd wordt de Olijfberg, die nabij Jeruzalem is, gelegen een sabbatsreis daar vandaan.

"En toen zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal, waar zij bleven, namelijk Petrus en Jakobus, en Johannes en Andreas, Filippus en Thomas, Bartholomeus em Mattheus, Jakobus de zoon van Alfיs, en Simon Zelףtes, en Judas de broeder van Jakobus.

"Deze  allen volhardden eendrachtig in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broeders." - (Hand.1:12-14). 

De apostelen nu keerden terug naar Jeruzalem van de Olijfberg, welke is een sabbathsreis, een korte afstand van de eigenlijke stad.

In zijn evangelie voegt Lukas het belangrijk detail toe, dat de apostelen "Hem (Christus) aanbaden en terugkeerden naar Jeruzalem met grote blijdschap"    (Luk.24:51).

Dit was verre van een bedroefd beroofd zijn. Eens, voordat het had geschenen dat Hij van hen werd weggenomen, en dat nog wel door het kruis, had Hij toch Zichzelf bewezen Here van alles te zijn. Hoe konden zij nu twijfelen?

Dit was, van alle tijden, een tijd dat zij moesten juichen en Hem aanbidden. Nadat zij veertig dagen met de verrezen Christus hadden doorgebracht, nadat zij Hem hadden zien opvaren naar de hemel in de Schechina-glorie en door "mannen...in wit" werden verzekerd dat Hij zou terugkeren op dezelfde wijze - dit alles moet uit de harten van de apostelen wel de diepste aanbidding hebben opgeroepen, en heeft hun een diep gevoel van vertrouwen en vreugde gegeven.

Met dit alles vers in hun geheugen, en met de afscheidsbelofte van de Geest nog in de oren klinkend, is het niet vreemd dat zij, en de andere apostelen met hen, zichzelf overgaven tot gebed voor de volgende tien dagen. Let echter wel op, het waren niet hun gebeden die de uitstorting van de Heilige Geest teweegbracht. Dit was reeds specifiek beloofd, en een bepaalde dag was daarvoor bestemd.

De discipelen waren voortdurend eendrachtig bijeen in gebed, omdat zij wisten dat de grote dag van de komst van de Geest, en hun bekleding met kracht, op komst was, en zij zochten natuurlijk innige gemeenschap met God. Dit is een waarheid omtrent gebed, die de religieuse massa's steeds zullen missen. Zij denken over gebed alleen, als middel om dingen van God gedaan te krijgen, terwijl in feite God ons heeft geleerd om onze noden eenvoudig Hem voor te leggen, om ons dichter tot Hemzelf te trekken. Zeker, Hij weet wat we nodig hebben, zonder dat wij vragen, maar Hij verlangt onze gemeenschap, en heeft als basis de praktijk van het gebed, voor dat doel ingesteld. En als Hij naar onze gemeenschap verlangt, zullen wij zeker naar de Zijne verlangen, volstrekt gescheiden van alle tijdelijke behoeften. Als wij inderdaad het bidden in dit ware licht zien, zullen onze gebeden vermengd zijn met aanbidding, en wij zullen om die zaken bidden, die Hem het meest verheerlijken.

Uit het getuigenis zou kunnen blijken, dat de discipelen blijvend in Jeruzalem gevestigd waren, want we lezen dat "toen zij ingekomen waren, gingen zij op in de opperzaal". Deze zaal, zo schijnt het, had flinke afmetingen, want zij bood klaarblijkelijk plaats aan minstens honderdtwintig personen.

Het is verder duidelijk uit deze passage, dat de apostelen en de discipelen, Maria niet beschouwden als de zondeloze godheid die Rome sindsdien van haar gemaakt heeft, want zij baden allen "met de vrouwen, en Maria...en met de broeders" (vers 14). In geen enkele zin is zij op een hoger niveau geplaatst dan zij, en zeker werd zij niet toegebeden. Inderdaad neemt zij er een plaats in, samen met de andere vrouwen, als Petrus opstaat om zich te richten tot de "mannen broeders" (vers 15,16). En dit is de laatste keer dat zij in de Schriften genoemd wordt. In plaats van een enkele verwijzing naar een lichamelijke ten hemel opname */ of een verschijning op een plaats van tussenkomst voor gelovigen, verdwijnt zij uit de getuigenis, als een vrouw die deelnam aan het gebed in een gewone gebedssamenkomst.

Inderdaad zijn, niet alleen de moeder van de Here, maar ook Zijn broeders genoemd als deelhebbers in deze gebedssamenkomst (vers 14). Enige tijd daarvoor hadden zij in Hem nog niet geloofd, maar hun harten waren sindsdien veranderd, en nu bevinden zij zich biddend, met hun moeder en met de anderen, verzameld in de opperzaal.

  */ Voetnoot: Een legende, door de Kerk van Rome in 1951 geproclameerd tot geloofsartikel, te worden onderhouden door alle Katholieken op straffe van excommunicatie. Voorafgaand behoefde geen Katholiek dit te geloven! Zo heeft Rome, de opgeworpen, onfeilbare, bewaarster van de waarheid sinds  Christus, nog een "waarheid" ontdekt, die zij klaarblijkelijk gedurende negentien eeuwen had verwaarloosd, toch plotseling van zo van levensbelang gemaakt, dat zij die dit nu ontkennen de martelingen van de eeuwige hel moeten verduren!

DE KEUZE VAN JUDAS' OPVOLGER

"En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen en sprak (er was nu een schare bijeen van omtrent honderdtwintig personen):

"Mannen broeders, deze Schrift moest vervuld worden, die de Heilige Geest door de mond van David voorzegd heeft over Judas, die de leidsman geweest is van hen die Jezus gevangen namen.

"Want hij was met ons gerekend en had het lot van deze bediening verkregen.

"Deze dan heeft verworven een akker, door het loon van de ongerechtigheid, en voorover gevallen, is hij midden opengebarsten, en al zijn ingewanden zijn uitgestort.

"En het is bekend geworden aan allen die te Jeruzalem wonen, zodat die akker in kun eigen taal genoemd wordt Akeldama, dat is: bloedakker.

"Want er staat geschreven in het boek van de Psalmen: Zijn woning worde woest, en er zij niemand die daarin woont. En: Een ander neme zijn opzienerschap.

"Het is dan nodig, dat van de mannen die met ons meegegaan zijn al de tijd, waarin de Here Jezus onder ons in- en uitgegaan is,

"te beginnen bij de doop van Johannes, tot op de dag dat Hij van ons opgenomen is, ייn van hen met ons getuige wordt van Zijn opstanding.

"En zij stelden er twee, Jozef, genaamd Barsabas, die bijgenaamd was Justus en Matthias,

"En zij baden en zeiden: Gij Here! Gij kenner van de harten van allen, wijs van deze twee ייn aan, die Gij uitverkoren hebt,

"om te ontvangen het lot van deze bediening en van het apostelschap waarvan Judas is afgeweken is, om heen te gaan naar zijn eigen plaats.

"En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen." - (Hand.1:15-26)

De eerste officiele handeling van de elven was de aanwijzing van een opvolger voor Judas, om hun aantal weer tot twaalf te brengen.

Sommige theologen houden nog steeds vast, dat de keuze van Matthias als de opvolger van Judas een grote fout was. Zij geloven dat deze keuze in het vlees gemaakt werd; dat de discipelen buiten de orde gingen door twee candidaten aan te wijzen, en toen God te vragen om tussen beiden te kiezen; dat zij hadden moeten wachten tot God een opvolger zou hebben aangewezen en dat dit bewezen werd door het feit dat God in ieder geval later Paulus aanwees. Kortom, zij geloofden dat Paulus, niet Matthias, God's man was in de plaats van Judas.

Maar het zijn de theologen, niet de discipelen van onze Here, die de fout hebben gemaakt, daarmee hun onwetendheid van het karakter tonend, niet alleen van Paulus' bediening, maar ook van die van de twaalven.

  MATTHIAS GOD'S MAN

Dat een ander zou worden gekozen in Judas' plaats hadden de Schriften bekend gemaakt, zoals Petrus had aangewezen in zijn toespraak tot de vergadering: "Want er staat geschrven in het boek der Psalmen: Zijn woning worde verwoest...een ander neme zijn opzienerschap." (Hand.1:20 cf.Ps.109:8). 

 Zo had de Here beloofd, dat zij zouden zitten als een lichaam van twaalf mannen, op twaalf tronen in Zijn koninkrijk (Matt.19:28; Luk.22:28-30).  Zij handelden danook in gehoorzaamheid aan de Schriften en in overeenstemming met de belofte van hun Meester.

Maar er zou gevraagd kunnen worden, waarom moesten zij juist toen een andere apostel kiezen? Het antwoord is, dat binnen enkele dagen de Heilige Geest moest komen en het Messiaans koninkrijk aan Israel zou worden aangeboden. Er moesten daarom twaalf mannen gereed zijn om op twaalf tronen te zitten, met hun Messias.

Laten wij niet het feit uit het oog verliezen, dat aan de "kleine kudde" officieel macht gegeven was om te handelen namens hun Meester tijdens Zijn afwezigheid.

"Voorwaar zeg Ik u: Al wat gij op de aarde binden zult, zal in de hemelen gebonden zijn; en al wat gij op de aarde ontbinden zult, zal in de hemel ontbonden zijn.

"Nogmaals zeg Ik u: Indien er twee van u overeenstemmen op de aarde over enige zaak die zij zouden begeren, het hun gebeuren zal van Mijn Vader Die in de hemelen is." (Matt.18:18,19).

Om aan te voeren dat de discipelen eerst handelden en later baden, is net zo onwaarachtig als onjuist. Hun handelen was gehuld in gebed. Vers 15 zegt: 

En in die dagen stond Petrus op te midden van de discipelen en sprak..."

In welke dagen? De volgende verzen verklaren, dat het dagen waren van veel gebed:  "Deze allen volhardden eendrachtig in het bidden en smeken, met de vrouwen, en Maria, de moeder van Jezus, en met Zijn broeders" (Vers 14).

Het was na voortdurend en eendrachtig gebed toen, dat de zaak van een andere apostel naar voren gebracht werd. Het was in 't geheel niet vreemd dat er slechts twee werden aangewezen om uit te kiezen, want Petrus gaat voort met te zeggen tot de discipelen:       "Het is dan nodig, dat VAN DE MANNEN DIE MET ONS MEEGEGAAN ZIJN AL DE TIJD, WAARIN DE HERE JEZUS ONDER ONS IN- EN UITGEGAAN IS.  "TE BEGINNEN BIJ DE DOOP VAN JOHANNES, TOT OP DE DAG DAT HIJ VAN ONS OPGENOMEN IS, ייn van hen met ons getuige wordt van Zijn opstanding" (vers 21,22).

De grondvereiste was duidelijk gestipuleerd. Er zullen zeker niet velen geweest zijn die de Here en Zijn apostelen voortdurend gevolgd zijn, tijdens Zijn gehele bediening. En de reden voor deze eis is niet moeilijk te vinden. Had onze Here niet gezegd: "...gij die MIJ GEVOLGD ZIJT...zult zitten op twaalf tronen..." (Matt.19:28). Had Hij niet gezegd:"En gij zijt degenen die MET MIJ STEEDS GEBLEVEN ZIJT in Mijn verzoekingen (beproevingen). "En Ik verordineer u het koninkrijk, zoals Mijn Vader Mij dat verordineerd heeft" (Luk.22:28,29). Zonder twijfel waren Matthias en Barsabas de enige twee die verkiesbaar waren voor de vacante troon. Met welke andere eisen ook die er inderdaad geweest zouden zijn, blijft het toch merkwaardig, dat er slechts twee, van de honderd en twintig in aanmerking kwamen. 

En slechts deze twee werden in gebed tot de Here gebracht. "En zij baden en zeiden: Gij Here! Gij kenner van de harten van allen, wijs van deze twee ייn aan, die Gij uitverkoren hebt" (vers 24).

Dat tenslotte Matthias inderdaad God's keuze was voor Judas' plaats, is duidelijk uit wat we ook lezen in de volgende passage: "EN ZIJ WERDEN ALLEN VERVULD MET DE HEILIGE GEEST..." (Hand.2:4).

Dit is wel zeker genoeg bevestiging! Als de honderd en twintig buiten de wil van God zouden zijn geweest in deze belangrijke zaak, zou geen van hen vervuld zijn geworden met de Heilige Geest. Mensen, handelende in het vlees, of buiten de wil van God, worden niet vervuld met de Geest. En als Matthias de verkeerde man geweest zou zijn voor deze gewichtige plaats, zou hij zeker niet vervuld zijn geweest met de Geest. Maar zij werden allen vervuld met de Geest. Deze gebeurtenis is uiteindelijk en definitief.

   PAULUS NIET EEN VAN DE TWAALVEN

Dat Paulus niet de plaats van Judas kon innemen als een van de twaalven is duidelijk uit de volgende redenering:

Ten eerste was hij niet eens gered in die tijd, dus kon hij niet in de tijd vףףr Pinksteren en het aanbod van het koninkrijk, gekozen zijn.

Ten twede, als de keuze had kunnen wachten, zou hij niet op elk tijdstip verkiesbaar zijn geweest, want hij was niet voortdurend met Christus geweest gedurende Zijn aardse bediening - hij had Hem zelfs niet gezien.

Ten derde was Paulus bestemd voor een bijzondere bediening, totaal gescheiden en onderscheiden van die van de twaalven (zie Hand.20:24; Gal.1:11,12,17-19; 2:2,7-9; Rom.11:13; 15:15,16; Eph.3:1-3).

MATTHIAS TOT DE TWAALVEN GEREKEND

"En zij wierpen hun loten; en het lot viel op Matthias, en hij werd met algemene toestemming tot de elf apostelen gekozen" (Hand.1:26). Wat een beloning voor Matthias!

Gedurende de voorbije jaren moet hij vele fouten bij de twaalven gezien hebben, want hij was altijd met hen. Hij moet zich dikwijls hebben afgevraagd waarom de Here mannen zoals Petrus en Thomas had uitgekozen, terwijl van hem klaarblijkelijk geen notitie werd genomen. En wie weet wat hij wellicht heeft geweten of vermoed omtrent Judas? Toch bleef hij een getrouw volgeling van de Here vanaf het begin tot het einde van Zijn bediening op aarde.

En nu, ten laatste werd zijn trouw beloond. Door God Zelf uitgekozen, "werd hij gerekend tot de elf apostelen"! 

En wat te denken van "Jozef, genaamd Barsabbas"? Hij was ook trouw geweest en werd nu de enig overgeblevene zonder een ambt (1:23). 

Zou het niet kunnen zijn dat deze Jozef Barsabas niemand anders was dan Jozef Barnabas uit Hand.4:36, die later de reisgezel van Paulus werd, en dat de Here voor hem een nog beter deel had bestemd?

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011