|
3) Het
gebed in de bedeling der genade
Matthew
McGee
In dit artikel willen we bestuderen
hoe we moeten bidden en waarvoor we moeten bidden in de huidige
bedeling der genade. Om de gebeden in de huidige bedeling te
bestuderen zullen we natuurlijk de gebeden van onze apostel Paulus,
en anderen, bestuderen welke uiteraard worden gevonden in de brieven
van Paulus, Romeinen tot en met Filémon. We zullen, om inzicht te
verkrijgen, ook naar andere gebeden kijken buiten de bedeling der
genade en daarbij zorgvuldig omgaan met het “recht snijden” om geen
leer van Israël toe te passen op de Gemeente als Lichaam van
Christus. Ter vergelijking en voor algemene ontwikkeling zullen we
ook een aantal gebeden bestuderen uit andere bedelingen die vaak
onterecht worden toegepast op de Gemeente als Lichaam van Christus.
Nieuwe lezers die zich afvragen wat
een “bedeling” is, of waarom ik de leer van Paulus benadruk en
onderscheid aanbreng tussen Israël en de Gemeente worden hierbij
uitgenodigd om het volgende artikel te lezen:
“De basis voor het begrijpen van de
bijbel” Zie punt 4.
Gebed voor wijsheid en kennis.
Eén van de dingen die Paulus
duidelijk maakt in zijn brieven is het feit dat grote wijsheid en
kennis van God niet onbereikbaar is in het huidige leven op aarde.
Dus bid hij onophoudelijk voor onze wijsheid en kennis van de Heer.
In Efeziërs 3:16-19 schrijft Paulus dat:
“16 Opdat Hij u geve, naar den
rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door
Zijn Geest in den inwendigen mens; 17 Opdat Christus door het geloof
in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de
breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, 19 En bekennen de
liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld
wordt tot al de volheid Gods”.
Het is duidelijk dat Paulus niet
wenst dat we onwetend rond wandelen in de ondiepe wateren van
onbegrip. Hij wil dat we een diepgaand inzicht hebben in God, en:
“….bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven
gaat…………”.
In Kol.1:9-12 vertelde Paulus hoe
hij en Timotheüs baden dat wij vervuld zouden worden met kennis,
wijsheid en begrip:
“9 Waarom ook wij, van dien dag af
dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te
begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in
alle wijsheid en geestelijk verstand; 10 Opdat gij moogt wandelen
waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken
vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 11 Met alle
kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot
alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12 Dankende den
Vader, …………………”.
Bidden voor andere gelovigen in het
Lichaam van Christus.
Paulus geeft een voorbeeld van hoe
te bidden voor andere gelovigen. Hij schreef in Filémon 1:4:
“Ik dank mijn God, uwer altijd
gedachtig zijnde in mijn gebeden”.
Ook schreef hij aan de gelovigen te
Rome, in Rom.1:9:
“Want God is mijn Getuige, Welken ik
diene in mijn geest, in het Evangelie Zijns Zoons, hoe ik zonder
nalaten uwer gedenke”.
Paulus stelde ook de gebeden op
prijs voor hem en voor zijn bediening. Hij schreef in Filémon 1:22:
“En bereid mij ook tegelijk een
herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken
worden”
In Rom.15:30-31 zegt hij eveneens:
“30 En ik bid u, broeders, door
onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij
met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; 31 Opdat ik mag
bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn
dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen”.
In Ef.6:18-19 bemoedigt Paulus de
gelovigen in Efeze:
“18 Met alle bidding en smeking,
biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met
alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; 19 En voor mij,
opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met
vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend
te maken”.
Een “smeekbede” is een nederig en
ernstig gebed om de hulp van God te vragen. Merk op dat de vermaning
hier is om te bidden voor alle gelovigen en eveneens voor Paulus en
zijn bediening van het evangelie. In Kol.4:2-4 schreef Paulus
eveneens:
“2 Houdt sterk aan in het gebed, en
waakt in hetzelve met dankzegging; 3 Biddende meteen ook voor ons,
dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de
verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; 4
Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken”.
Note:
Sommigen zullen zich afvragen waarom Paulus in zijn toespraak, in de
twee bovengenoemde verzen, spreekt over “de verborgenheid van
Christus” en “de verborgenheid van het evangelie”. Dat is
omdat het evangelie der genade, dat Paulus predikt aan de Gemeente,
niet eerder bij de mensen bekend was dan nadat God het aan Paulus
had geopenbaard. Paulus schreef in Gal.1:11-12:
“11 Maar ik maak u bekend, broeders,
dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den
mens. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch
geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus”.
Het evangelie waardoor wij gered
worden werd niet aan Paulus geleerd door de twaalven of door een
ander persoon. Maar door onze opgestane Heere Jezus Christus zelf.
En het aan Paulus gegeven evangelie was niet het evangelie van het
koninkrijk dat door Jezus Christus is gepredikt gedurende Zijn
aardse bediening, en gepredikt is door Johannes de Doper en de
twaalven. Paulus predikte een evangelie dat eertijds niet door God
was geopenbaard aan de mensen. Aldus schreef Paulus in Rom.16:25:
“Hem nu, Die machtig is u te
bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus,
naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der
eeuwen verzwegen is geweest”.
Paulus vraagt de gelovigen in
Thessalonica, in 2Thess.3:1en2:
“1 Voorts, broeders, bidt voor ons,
opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde,
gelijk ook bij u; 2 En opdat wij mogen verlost worden van de
ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller”.
Hier vraagt Paulus de
Thessalonicenzen om te bidden voor de fysieke veiligheid van Silas,
Timotheüs en zichzelf opdat ze in staat mogen zijn om het evangelie
vrijelijk te verkondigen.
Paulus noemt regelmatig “biddende
voor de geestelijke volwassenheid en ontwikkeling van de gelovigen”.
Hij schrijft in 2Kor.13:7:
“En ik wens
(bidt) van God, dat gij geen
kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar
opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden
zijn”.
In Fil.1:9-11 zegt Paulus:
“9 En dit bid ik God, dat uw liefde
nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen;
10 Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij
oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus;
11 Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus
zijn tot heerlijkheid en prijs van God”.
Paulus bid niet alleen voor de geest
van de gelovige, maar eveneens voor het lichaam en de ziel. In
1Thess.5:23 schreef hij:
“En de God des vredes Zelf heilige u
geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde
onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus
Christus”.
In 2Thess.1:10-12 schreef hij
eveneens:
“10 Wanneer Hij zal gekomen zijn, om
verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in
allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd
geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat
onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen
Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht. 12 Opdat de
Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij
in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus”.
In 1Thess.3:10-13 schreef Paulus dat
hijzelf, Silas en Timotheüs waren:
“10 Nacht en dag zeer
overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te
volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt. 11 Doch onze God en Vader
Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u. 12 En de
Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens
elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 Opdat Hij
uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor
onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus
met al Zijn heiligen”.
Paulus bad ook voor onze
gemeenschap aan het evangelie. Fil.1:4 zegt:
“4 (Te allen tijd in al mijn gebed
voor u allen met blijdschap het gebed doende) 5 Over uw gemeenschap
aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe”.
Paulus en Timotheüs dankten God in
hun gebeden voor de hoop die in de hemel is weggelegd voor de
gelovigen. Kol.1:3-5 zegt:
“3 Wij danken den God en Vader van
onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende; 4 Alzo wij van
uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die
gij hebt tot alle heiligen. 5 Om de hoop, die u weggelegd is in de
hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt, door het Woord der
waarheid, namelijk des Evangelies”.
In 2Kor.9:14-15 hebben we een
voorbeeld van lokale gemeentes die bidden voor de geestelijke
zegeningen van een andere gemeente. Paulus zegt de gemeente te
Korinthe hoe de gemeenten in Macedonië (misschien inclusief
Thessalonica, Berea en Filippi) voor hen hadden gebeden.
“14
En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende
genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke
gave”.
Bidden
voor degenen die buiten het Lichaam van Christus zijn.
We moeten bidden voor onze
regeringsleiders, of ze nu wel of niet in het Lichaam van Christus
zijn. Paulus schreef in 1Tim.2:1-4:
1 Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen,
gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen; 2 Voor
koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en
stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want
dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; 4 Welke wil,
dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen”.
We moeten bidden voor onze minister
president, de volksvertegenwoordigers en de rechters en voor allen
die posities in de overheid hebben.
We moeten bidden dat anderen tot
geloof mogen komen. Paulus schreef in Rom.10:1:
“Broeders,
de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor
Israel doe, is tot hun zaligheid”.
Er is een ander voorbeeld, waarin
Jezus aan Israël leerde en dus niet aan de Gemeente, waarin we
hetzelfde concept vinden met betrekking tot het bidden voor de
behoudenis van anderen. In Matth.5:44-45 zegt Jezus:
“44
…………..Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel
dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen,
en die u vervolgen; 45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die
in de hemelen is……………………………………”.
De bovengenoemde passage in
Matth.5:44-35 heeft betrekking op het algemene concept om te bidden
voor degenen die ons onrecht hebben aangedaan, ongeacht het feit of
ze al dan niet gelovigen zijn. Lukas 23:34 zegt dat ondanks Jezus
aan het kruis hing, Hij bad:
“………………Vader,
vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen…………………..”.
Op dezelfde manier zegt
Hand.7:59-60, waar Stéfanus wordt gestenigd, dat hij bad:
“59
……………….Heere Jezus, ontvang mijn geest. 60…………..Heere, reken hun
deze zonde niet toe!”.
Ook in 2Tim.4:16 sprak Paulus van
zijn gebed voor degenen die hem niet hielpen toen hij werd
tegengewerkt door Alexander de kopersmid:
“In
mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij
hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend”.
De King James Bijbel is, in
2Tim.4:16, hier duidelijker in:
“At my first answer no man stood
with me, but all men forsook me: I pray God that it may not be
laid to their charge”.
God
danken voor ons voedsel.
Paulus schreef in 1Tim.4:3-5:
“3
…………………….gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen
heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de
waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is
niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 5 Want het wordt
geheiligd door het Woord van God, en door het gebed”.
Hier zien we dat we moeten bidden,
namelijk God danken voor ons eten, om aldus ons voedsel te heiligen,
wat het ook is. We zijn niet onder de wet van Mozes waar bepaald
voedsel niet was toegestaan om te eten. Rom.6:14 zegt:
“……………………want
gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”.
Onder de genade is alle voedsel
goed, en daar moeten we God voor danken.
De
voorbede van de Heilige Geest.
Rom.8:26 begint als volgt:
“En
desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp;……………”.
Het woord “zwakheden” verwijst hier
niet naar gezondheids problemen. Zoals we zullen zien is het een
heenwijzing naar onze zwakheid en onze onbekwaamheid om te weten
waarvoor we moeten bidden. Verder zegt Rom.8:26-28:
“26
En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want
wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de
Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27 En Die
de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl
Hij naar God voor de heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen,
die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk
dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn”.
Soms weten we niet waarvoor we
moeten bidden, maar de Heilige Geest weet het wel en bidt voor ons.
Het
bidden in de naam van onze Heere Jezus Christus.
Het bidden in de naam van onze Heere
Jezus Christus is vrij algemeen. Maar als degenen die de Schrift
bestuderen willen we weten of er enige schriftuurlijk
rechtvaardiging is voor deze praktijk. Paulus schreef in Ef.5:18-20:
“18
En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt
vervuld met den Geest;
19 Sprekende onder elkander met
psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en
psalmende den Heere in uw hart; 20 Dankende te allen tijd over alle
dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus
Christus”.
Er is dus schriftuurlijke
rechtvaardiging voor de praktijk aangaande het bidden in de naam van
onze Heere Jezus Christus. Dit geldt niet alleen voor bidden en
zingen, want Paulus schreef in Kol.3:16-17:
“16
Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert
en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke
liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al
wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam
van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem”.
De
vrede van God als resultaat van het gebed.
Paulus schrijft in Fil.4:6-7:
“6
Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door
bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7 En de
vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw
zinnen bewaren in Christus Jezus”.
Als we dus vragen hebben die in
overeenstemming zijn met het Woord, dan kunnen we die aan de Heer
voorleggen. Het is niet zo dat God noodzakelijkerwijs die vragen
beantwoord. Maar of Hij dat nu wel of niet doet, dan blijft: “…..de
vrede Gods, die alle verstand te boven gaat……”. Als we onze
vragen in Zijn handen leggen dan hebben we als eerste resultaat
vrede in onze harten en zinnen hetgeen voor de ongelovige wereld
onbegrijpelijk is.
Frequentie
en de lengte van het gebed.
Het bidden moet niet zo af en toe
eens plaats vinden, maar met grote regelmaat zoals 1Thess.5:17 het
zegt:
“Bidt
zonder ophouden”.
Ook in 1Tim.5:5 beschrijft Paulus
het gebed voor de weduwen in de gemeente:
“Die
nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en
blijft in smekingen en gebeden nacht en dag”.
Romeinen 12:12 zegt dat we:
“………………………………Volhardt
in het gebed”.
En in 1Thess.1:3 schrijft Paulus
dat Paulus, Silas en Timotheüs waren:
“Nacht
en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen
zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt”
Kol.4:12
noemt dat Epafras was:
“…………………………………..te allen tijde
strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en
volkomen in al den wil van God”.
Merk op dat, van de kant van
Epafras, er een groot verlangen en inspanning was om “…..te allen
tijde strijdende……” in de gebeden.
Er is geen vastgestelde lengte voor
het gebed, terwijl sommige gebeden in de Bijbel nogal lang zijn,
zoals die van Daniël in hoofdstuk 9, zijn er andere gebeden die kort
zijn. Bijvoorbeeld in Nehemia 2:4-6, als koning Artaxerxes Nehemia
een vraag stelt, doet Nehemia een zeer kort gebed alvorens hij de
Koning antwoord geeft. Houd in gedachten dat Artaxerxes de koning
was van het Medisch Perzische Rijk. Op dat moment was hij de
machtigste heerser op de aarde. Nehemia had geen tijd om veel te
zeggen maar God zorgde voor een welgezinde reactie van de Koning.
“4
En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God
van den hemel. 5 En ik zeide tot den koning: Zo het den koning
goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij
mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen,
dat ik ze bouwe. 6 Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin
nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij
wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem
zekeren tijd gesteld had”.
Dit gebed van Nehemia moet wel zeer
kort geweest zijn opdat niet zou blijken dat hij Koning Artaxerxes
negeerde, maar God hoorde het gebed en voorzag er in.
Onze
gezindheid in het gebed.
We hebben nu hierboven reeds vele
passages gezien die ons vertellen dat we dankbaar moeten zijn in
onze gebeden, zoals in Kol.1:9-12; Fil.1:4; Kol.4:2-4; 1Tim.2:1-4;
1Tim.4:3-5; Ef.5:18-20; Kol.3:16-17; en Fil.4:6-7.
Het gebed moet niet gedaan worden
in een ongepaste gezindheid. In 1Tim.2:8 schrijft Paulus:
“Ik
wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige
handen, zonder toorn en twisting”.
We moeten nimmer in boosheid tot
God naderen zoals sommigen doen als er iets tragisch gebeurt. Ook
moeten we niet twijfelachtig bidden zoals sommige ongelovigen hun
gebed beginnen met: “God, als u daar boven bent…….”.
Onze gebeden moeten in alle
nederigheid worden gedaan. Jezus leerde aangaande nederigheid in het
gebed in Lukas 18:9-14:
“9
En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat
zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze
gelijkenis: 10 Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de
een was een Farizeer, en de ander een tollenaar. 11 De Farizeer,
staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben
gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of
ook gelijk deze tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week; ik geef
tienden van alles, wat ik bezit. 13 En de tollenaar, van verre
staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar
sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! 14
Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan
die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden,
en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden”.
We weten nu natuurlijk dat Jezus
degenen leerde die onder de wet van Mozes waren en dat wij vandaag
de dag geen verplichting hebben om naar de tempel te gaan of tienden
te betalen. Als we gelovigen zijn dan zijn we gerechtvaardigd en
heeft God ons al onze zonden vergeven (Kol.2:13 en 3:13). Hoe het
ook zij, de les dat we moeten bidden in nederigheid is nog steeds
van kracht. Deze boodschap van het bidden in nederigheid vinden we
ook in Matth.6:5-6, waar Jezus zei:
“5
En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden;
want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten
staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden.
Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer
gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt
uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen
ziet, zal het u in het openbaar vergelden”.
Gebed moet uit een waarheidlievend
hart komen, niet slechts het herhalen van bepaalde zinnen.
Matth.6:7-8:
“7
En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk
de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden
zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader
weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt”.
Onze
houding in het gebed.
Sommigen zullen zich afvragen of er
een gepaste lichamelijke houding is voor het bidden, bijvoorbeeld
knielen, staan, zitten enz. Er zijn vele passages die verwijzen naar
de diverse houdingen. Sommigen van hen hebben we reeds genoemd in
dit artikel. Paulus zegt in Ef.3:14-19: “buig ik mijn knieën”
en hij verwijst naar: “opheffende heilige handen” in
1Tim.2:8. In Luk.18:13 sprak Jezus over een man die stond en die: “wilde
ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn
borst”, Hebr.11:21 zegt dat toen Jacob de dood nabij was, en
dat hij: “heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn
staf”. Openbaring 7:11 zegt:
“En al de engelen stonden rondom
den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen
voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God”.
Soms beďnvloeden de omstandigheden
de houding van de in de Schrift opgetekende gebeden, Bijvoorbeeld:
Nehemia serveerde wijn aan de koning en daarbij stond hij
waarschijnlijk, Jezus hing aan het kruis en Stefanus knielde terwijl
hij werd gestenigd.
Toen Jezus werd gevraagd om zijn
discipelen te leren hoe ze moesten bidden vertelde hij hen niet dat
dat in een speciale houding moest gebeuren. Hij gaf hun richtlijnen
aangaande hetgeen ze moesten zeggen. Er is geen speciale houding
voor het gebed. Onze gezindheid is veel belangrijker. Er kunnen
gelovigen zijn die een bepaalde houding tot hulp kan zijn om in de
juiste gezindheid te komen, maar de Schrift noemt geen specifieke
eisen.
Het
gebed van Jabez
Een gebed dat zeer populair is
geworden in het christendom is het gebed van Jabez. 1Kronieken
4:9-10 zegt:
“9
Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn
naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard.
10 Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij
rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand
met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet
smarte! En God liet komen, wat hij begeerde”.
Sommigen hebben deze passage
misbruikt door te leren dat God in alles zal voorzien wat we maar
willen, materieel of andere zaken, als we Hem er om vragen. Ten
eerste is dat niet wat dit vers zegt. Het zegt dat aan God Jabez
gaf wat hij had gevraagd. Deze passage zegt niet dat God aan een
ieder geeft wat hij of zij ook maar vraagt. Jabez was overigens een
Israëliet die leefde onder de bedeling van de Wet van Mozes. Hij was
niet een christen onder de bedeling der genade.
Gelijkerwijs sommigen ook Joh.16:24
verkeerd toepassen, waar wordt gezegd:
“………….bidt, en gij zult
ontvangen…………………..”.
Of verzen zoals Matth.21:22 of
1Joh.3:22.
“Matth.21:22: En al wat gij zult
begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen”.
“1Joh.3:22: En zo wat wij bidden,
ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen,
hetgeen behagelijk is voor Hem”.
Maar nogmaals, deze passages zijn
niet tot ons gesproken die leven in de bedeling der genade. Ze zijn
gesproken door bedienaars van de besnijdenis aan de Joden die onder
de Wet van Mozes waren (Rom.15:8 en Gal.2:9). In de huidige bedeling
krijgen we niet de garantie dat God onze verzoeken inwilligt. Dat
zien we in 2Kor.12:7-9 waar Paulus schreef:
“7
En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou
verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees,
namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou,
opdat ik mij niet zou verheffen. 8 Hierover heb ik den Heere
driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. 9 En Hij heeft tot
mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in
zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn
zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone”.
Maar, zoals we reeds eerder hebben
gezien, zegt Fil.4:6-7:
“6
Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door
bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7 En de
vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw
zinnen bewaren in Christus Jezus”.
Aldus hebben we vrede, wetende dat
we onze verzoeken in Gods handen hebben gelegd.
Het
gebed van de discipelen.
Het gebed dat Jezus Christus leerde
aan de discipelen, waarnaar door de meeste mensen wordt verwezen als
het “Gebed des Heeren”, staat in Matth.6:9-13:
“:9
Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam
worde geheiligd. 10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in
den hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks
brood. 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven
onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos
ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de
heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen”.
We zien in Lukas 11:2-4 een zelfde
soort bewoording, daar wordt gezegd:
“2
En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in
de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil
geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. 3 Geef ons
elken dag ons dagelijks brood. 4 En vergeef ons onze zonden; want
ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons
niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze”.
We moeten er terdege acht op slaan
dat Jezus Christus gezonden werd naar het volk Israël. Het was niet
eerder dan enige tijd na Zijn hemelvaart dat Christus Paulus naar de
Heidenen zond welke niet onder de Wet van Mozes waren. Dit gebed was
om gebeden te worden door de Joden die onder de Wet van Mozes waren.
Eén uitspraak zou in het bijzonder in conflict komen met onze
bedeling der genade dat heden ten dage operationeel is. Vandaag de
dag vragen christenen niet aan God om hun zonden te vergeven omdat
we reeds vergeven zijn (Kol.2:13 en Kol.3:13). Als we wel om
vergeving vragen dan geloven we niet wat Paulus heeft gezegd over
het feit dat al onze zonden (die we hebben gedaan, die we doen en
die we nog zullen gaan doen) alreeds zijn vergeven. In plaats van om
vergeving te vragen zouden we God moeten danken dat Hij ons alreeds
heeft vergeven. Als we anderzijds bidden “…….Uw Koninkrijk kome.
Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. ….”
dan is dat wel goed, maar het heeft voor ons een andere betekenis
dan dat het had voor de Joden die onder de Wet van Mozes waren. Wij
mogen bidden dat Zijn koninkrijk moge komen, maar we weten dat voor
ons eerst de “opname” komt, en dat daarna de (grote) verdrukking
komt en daarna zal het duizendjarig koninkrijk worden opgericht door
de Heere Jezus Christus. Ons vooruitzicht is geheel verschillend van
dat van de Joden in de dagen van Christus. Ik zie voor de andere
uitdrukkingen in dat gebed geen directe aanleiding waarom ze vandaag
de dag niet zijn toe te passen.
Andere
gebeden in de Schrift.
In 1Samuël 12:22-23 zegt Samuël tot
het volk Israël:
“22
Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams
wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk
te maken. 23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik
tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te
bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren”.
Merk op dat het voor Samuël een
zonde zou zijn geweest als hij niet voor Israël had gebeden. Maar
Samuël zou dan niet tegen Israël hebben gezondigd, maar tegen God.
Zie voor verdere lectuur over het
onderwerp van het gebed de volgende, uit de vele, gebeden in de
Schrift, inclusief de gebeden van Mozes voor Israël (Deut.9:26-29),
van Simson voor kracht (Richteren 16:28-30), van Koning David (psalm
23,28,143), van Koning Salomon voor wijsheid (1Koningen 3:5-14), van
Daniël (Daniël 9:3-20), van Koning Hizkia (Jesaja 38:1-6), van Jezus
Christus voorafgaande aan de kruisiging (Joh.17:1-26).
|