De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

12-02-2012

 

 

3) Het gebed in de bedeling der genade

Matthew McGee

 In dit artikel willen we bestuderen hoe we moeten bidden en waarvoor we moeten bidden in de huidige bedeling der genade. Om de gebeden in de huidige bedeling te bestuderen zullen we natuurlijk de gebeden van onze apostel Paulus, en anderen, bestuderen welke uiteraard worden gevonden in de brieven van Paulus, Romeinen tot en met Filémon. We zullen, om inzicht te verkrijgen, ook naar andere gebeden kijken buiten de bedeling der genade en daarbij zorgvuldig omgaan met het “recht snijden” om geen leer van Israël toe te passen op de Gemeente als Lichaam van Christus. Ter vergelijking en voor algemene ontwikkeling zullen we ook een aantal gebeden bestuderen uit andere bedelingen die vaak onterecht worden toegepast op de Gemeente als Lichaam van Christus.

Nieuwe lezers die zich afvragen wat een “bedeling” is, of waarom ik de leer van Paulus benadruk en onderscheid aanbreng tussen Israël en de Gemeente worden hierbij uitgenodigd om het volgende artikel te lezen:

“De basis voor het begrijpen van de bijbel” Zie punt 4.

Gebed voor wijsheid en kennis.

Eén van de dingen die Paulus duidelijk maakt in zijn brieven is het feit dat grote wijsheid en kennis  van God niet onbereikbaar is in het huidige leven op aarde. Dus bid hij onophoudelijk voor onze wijsheid en kennis van de Heer. In Efeziërs 3:16-19 schrijft Paulus dat:

“16 Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens; 17 Opdat Christus door het geloof in uw harten wone, en gij in de liefde geworteld en gegrond zijt; 18 Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij, 19 En bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot al de volheid Gods”.

Het is duidelijk dat Paulus niet wenst dat we onwetend rond wandelen in de ondiepe wateren van onbegrip. Hij wil dat we een diepgaand inzicht hebben in God, en: “….bekennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat…………”.

In Kol.1:9-12 vertelde Paulus hoe hij en Timotheüs baden dat wij vervuld zouden worden met kennis, wijsheid en begrip:

“9 Waarom ook wij, van dien dag af dat wij het gehoord hebben, niet ophouden voor u te bidden en te begeren, dat gij moogt vervuld worden met de kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand; 10 Opdat gij moogt wandelen waardiglijk den Heere, tot alle behagelijkheid, in alle goede werken vrucht dragende, en wassende in de kennis van God; 11 Met alle kracht bekrachtigd zijnde, naar de sterkte Zijner heerlijkheid, tot alle lijdzaamheid en lankmoedigheid, met blijdschap; 12 Dankende den Vader, …………………”.

Bidden voor andere gelovigen in het Lichaam van Christus.

Paulus geeft een voorbeeld van hoe te bidden voor andere gelovigen. Hij schreef in Filémon 1:4:

“Ik dank mijn God, uwer altijd gedachtig zijnde in mijn gebeden”.

Ook schreef hij aan de gelovigen te Rome, in Rom.1:9:

“Want God is mijn Getuige, Welken ik diene in mijn geest, in het Evangelie Zijns Zoons, hoe ik zonder nalaten uwer gedenke”.

Paulus stelde ook de gebeden op prijs voor hem en voor zijn bediening. Hij schreef in Filémon 1:22:

“En bereid mij ook tegelijk een herberg; want ik hoop, dat ik door uw gebeden ulieden zal geschonken worden”

In Rom.15:30-31 zegt hij eveneens:

“30 En ik bid u, broeders, door onzen Heere Jezus Christus, en door de liefde des Geestes, dat gij met mij strijdt in de gebeden tot God voor mij; 31 Opdat ik mag bevrijd worden van de ongehoorzamen in Judea, en dat deze mijn dienst, dien ik aan Jeruzalem doe, aangenaam zij den heiligen”.

In Ef.6:18-19 bemoedigt Paulus de gelovigen in Efeze:

“18 Met alle bidding en smeking, biddende te allen tijd in den Geest, en tot hetzelve wakende met alle gedurigheid en smeking voor al de heiligen; 19 En voor mij, opdat mij het Woord gegeven worde in de opening mijns monds met vrijmoedigheid, om de verborgenheid van het Evangelie bekend te maken”.

Een “smeekbede” is een nederig en ernstig gebed om de hulp van God te vragen. Merk op dat de vermaning hier is om te bidden voor alle gelovigen en eveneens voor Paulus en zijn bediening van het evangelie. In Kol.4:2-4 schreef Paulus eveneens:

“2 Houdt sterk aan in het gebed, en waakt in hetzelve met dankzegging; 3 Biddende meteen ook voor ons, dat God ons de deur des Woords opene, om te spreken de verborgenheid van Christus, om welke ik ook gebonden ben; 4 Opdat ik dezelve moge openbaren, gelijk ik moet spreken”.

Note: Sommigen zullen zich afvragen waarom Paulus in zijn toespraak, in de twee bovengenoemde verzen, spreekt over “de verborgenheid van Christus” en “de verborgenheid van het evangelie”. Dat is omdat het evangelie der genade, dat Paulus predikt aan de Gemeente, niet eerder bij de mensen bekend was dan nadat God het aan Paulus had geopenbaard. Paulus schreef in Gal.1:11-12:

“11 Maar ik maak u bekend, broeders, dat het Evangelie, hetwelk van mij verkondigd is, niet is naar den mens. 12 Want ik heb ook hetzelve niet van een mens ontvangen, noch geleerd, maar door de openbaring van Jezus Christus”.

Het evangelie waardoor wij gered worden werd niet aan Paulus geleerd door de twaalven of door een ander persoon. Maar door onze opgestane Heere Jezus Christus zelf. En het aan Paulus gegeven evangelie was niet het evangelie van het koninkrijk dat door Jezus Christus is gepredikt  gedurende Zijn aardse bediening, en gepredikt is door Johannes de Doper en de twaalven. Paulus predikte een evangelie dat eertijds niet door God was geopenbaard aan de mensen. Aldus schreef Paulus in Rom.16:25:

“Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie en de prediking van Jezus Christus, naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwen verzwegen is geweest”.

Paulus vraagt de gelovigen in Thessalonica, in 2Thess.3:1en2:

“1 Voorts, broeders, bidt voor ons, opdat het Woord des Heeren zijn loop hebbe, en verheerlijkt worde, gelijk ook bij u; 2 En opdat wij mogen verlost worden van de ongeschikte en boze mensen; want het geloof is niet aller”.

Hier vraagt Paulus  de Thessalonicenzen om te bidden voor de fysieke veiligheid van Silas, Timotheüs en zichzelf opdat ze in staat mogen zijn om het evangelie vrijelijk te verkondigen.

Paulus noemt regelmatig “biddende voor de geestelijke volwassenheid en ontwikkeling van de gelovigen”. Hij schrijft in 2Kor.13:7:

“En ik wens (bidt) van God, dat gij geen kwaad doet; niet opdat wij beproefd zouden bevonden worden, maar opdat gij het goede zoudt doen, en wij als verwerpelijk zouden zijn”.

In Fil.1:9-11 zegt Paulus:

“9 En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; 10 Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus; 11 Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God”.

Paulus bid niet alleen voor de geest van de gelovige, maar eveneens voor het lichaam en de ziel. In 1Thess.5:23 schreef hij:

“En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus”.

In 2Thess.1:10-12 schreef hij eveneens:

“10 Wanneer Hij zal gekomen zijn, om verheerlijkt te worden in Zijn heiligen, en wonderbaar te worden in allen, die geloven (overmits onze getuigenis onder u is geloofd geworden) in dien dag. 11 Waarom wij ook altijd bidden voor u, dat onze God u waardig achte der roeping, en vervulle al het welbehagen Zijner goedigheid, en het werk des geloofs met kracht. 12 Opdat de Naam van onzen Heere Jezus Christus verheerlijkt worde in u, en gij in Hem, naar de genade van onzen God en den Heere Jezus Christus”.

In 1Thess.3:10-13 schreef Paulus dat hijzelf, Silas en Timotheüs waren:

“10 Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt. 11 Doch onze God en Vader Zelf, en onze Heere Jezus Christus richte onzen weg tot u. 12 En de Heere vermeerdere u, en make u overvloedig in de liefde jegens elkander en jegens allen, gelijk wij ook zijn jegens u; 13 Opdat Hij uw harten versterke, om onberispelijk te zijn in heiligmaking, voor onzen God en Vader, in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen”.

 Paulus bad ook voor onze gemeenschap aan het evangelie. Fil.1:4 zegt:

 “4 (Te allen tijd in al mijn gebed voor u allen met blijdschap het gebed doende) 5 Over uw gemeenschap aan het Evangelie, van den eersten dag af tot nu toe”.

 Paulus en Timotheüs dankten God in hun gebeden voor de hoop die in de hemel is weggelegd voor de gelovigen. Kol.1:3-5 zegt:

“3 Wij danken den God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, altijd voor u biddende; 4 Alzo wij van uw geloof in Christus Jezus gehoord hebben, en van de liefde, die gij hebt tot alle heiligen. 5 Om de hoop, die u weggelegd is in de hemelen, van welke gij te voren gehoord hebt, door het Woord der waarheid, namelijk des Evangelies”.

 In 2Kor.9:14-15 hebben we een voorbeeld van lokale gemeentes die bidden voor de geestelijke zegeningen van een andere gemeente. Paulus zegt de gemeente te Korinthe hoe de gemeenten in Macedonië  (misschien inclusief Thessalonica, Berea en Filippi) voor hen hadden gebeden.

 “14 En door hun gebed voor u, welke naar u verlangen, om de uitnemende genade Gods over u. 15 Doch Gode zij dank voor Zijn onuitsprekelijke gave”.

 Bidden voor degenen die buiten het Lichaam van Christus zijn.

We moeten bidden voor onze regeringsleiders, of ze nu wel of niet in het Lichaam van Christus zijn. Paulus schreef in 1Tim.2:1-4:

  1 Ik vermaan dan voor alle dingen, dat gedaan worden smekingen, gebeden, voorbiddingen, dankzeggingen, voor alle mensen; 2 Voor koningen, en allen, die in hoogheid zijn; opdat wij een gerust en stil leven leiden mogen in alle godzaligheid en eerbaarheid. 3 Want dat is goed en aangenaam voor God, onzen Zaligmaker; 4 Welke wil, dat alle mensen zalig worden, en tot kennis der waarheid komen”.

 We moeten bidden voor onze minister president, de volksvertegenwoordigers en de rechters en voor allen die posities in de overheid hebben.

 We moeten bidden dat anderen tot geloof mogen komen. Paulus schreef in Rom.10:1:

 “Broeders, de toegenegenheid mijns harten, en het gebed, dat ik tot God voor Israel doe, is tot hun zaligheid”.

 Er is een ander voorbeeld, waarin Jezus aan Israël leerde en dus niet aan de Gemeente, waarin we hetzelfde concept vinden met betrekking tot het bidden voor de behoudenis van anderen. In Matth.5:44-45 zegt Jezus:

 “44 …………..Hebt uw vijanden lief; zegent ze, die u vervloeken; doet wel dengenen, die u haten; en bidt voor degenen, die u geweld doen, en die u vervolgen; 45 Opdat gij moogt kinderen zijn uws Vaders, Die in de hemelen is……………………………………”.

 De bovengenoemde passage in Matth.5:44-35 heeft betrekking op het algemene concept om te bidden voor degenen die ons onrecht hebben aangedaan, ongeacht het feit of ze al dan niet gelovigen zijn. Lukas 23:34 zegt dat ondanks Jezus aan het kruis hing, Hij bad:

 “………………Vader, vergeef het hun; want zij weten niet, wat zij doen…………………..”.

 Op dezelfde manier zegt Hand.7:59-60, waar Stéfanus wordt gestenigd, dat hij bad:

 “59 ……………….Heere Jezus, ontvang mijn geest. 60…………..Heere, reken hun deze zonde niet toe!”.

 Ook in 2Tim.4:16 sprak Paulus van zijn gebed voor degenen die hem niet hielpen toen hij werd tegengewerkt door Alexander de kopersmid:

 “In mijn eerste verantwoording is niemand bij mij geweest, maar zij hebben mij allen verlaten. Het worde hun niet toegerekend”.

 De King James Bijbel is, in 2Tim.4:16, hier duidelijker in:

 “At my first answer no man stood with me, but all men forsook me: I pray God that it may not be laid to their charge”.

 God danken voor ons voedsel.

Paulus schreef in 1Tim.4:3-5:

 “3 …………………….gebiedende van spijzen te onthouden, die God geschapen heeft, tot nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en die de waarheid hebben bekend. 4 Want alle schepsel Gods is goed, en er is niets verwerpelijk, met dankzegging genomen zijnde; 5 Want het wordt geheiligd door het Woord van God, en door het gebed”.

 Hier zien we dat we moeten bidden, namelijk God danken voor ons eten, om aldus ons voedsel te heiligen, wat het ook is. We zijn niet onder de wet van Mozes waar bepaald voedsel niet was toegestaan om te eten. Rom.6:14 zegt:

 “……………………want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade”.

 Onder de genade is alle voedsel goed, en daar moeten we God voor danken.

 De voorbede van de Heilige Geest.

Rom.8:26 begint als volgt:

 “En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp;……………”.

 Het woord “zwakheden” verwijst hier niet naar gezondheids problemen. Zoals we zullen zien is het een heenwijzing naar onze zwakheid en onze onbekwaamheid om te weten waarvoor we moeten bidden. Verder zegt Rom.8:26-28:

 “26 En desgelijks komt ook de Geest onze zwakheden mede te hulp; want wij weten niet, wat wij bidden zullen, gelijk het behoort, maar de Geest Zelf bidt voor ons met onuitsprekelijke zuchtingen. 27 En Die de harten doorzoekt, weet, welke de mening des Geestes zij, dewijl Hij naar God voor de heiligen bidt. 28 En wij weten, dat dengenen, die God liefhebben, alle dingen medewerken ten goede, namelijk dengenen, die naar Zijn voornemen geroepen zijn”.

 Soms weten we niet waarvoor we moeten bidden, maar de Heilige Geest weet het wel en bidt voor ons.

 Het bidden in de naam van onze Heere Jezus Christus.

Het bidden in de naam van onze Heere Jezus Christus is vrij algemeen. Maar als degenen die de Schrift bestuderen willen we weten of er enige schriftuurlijk rechtvaardiging is voor deze praktijk. Paulus schreef in Ef.5:18-20:

 “18 En wordt niet dronken in wijn, waarin overdaad is, maar wordt vervuld met den Geest;

19 Sprekende onder elkander met psalmen, en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende en psalmende den Heere in uw hart; 20 Dankende te allen tijd over alle dingen God en den Vader, in den Naam van onzen Heere Jezus Christus”.

 Er is dus schriftuurlijke rechtvaardiging voor de praktijk aangaande het bidden in de naam van onze Heere Jezus Christus. Dit geldt niet alleen voor bidden en zingen, want Paulus schreef in Kol.3:16-17:

 “16 Het woord van Christus wone rijkelijk in u, in alle wijsheid; leert en vermaant elkander, met psalmen en lofzangen, en geestelijke liederen, zingende den Heere met aangenaamheid in uw hart. 17 En al wat gij doet met woorden of met werken, doet het alles in den Naam van den Heere Jezus, dankende God en den Vader door Hem”.

 De vrede van God als resultaat van het gebed.

Paulus schrijft in Fil.4:6-7:

 “6 Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”.

 Als we dus vragen hebben die in overeenstemming zijn met het Woord, dan kunnen we die aan de Heer voorleggen. Het is niet zo dat God noodzakelijkerwijs die vragen beantwoord. Maar of Hij dat nu wel of niet doet, dan blijft: “…..de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat……”. Als we onze vragen in Zijn handen leggen dan hebben we als eerste resultaat vrede in onze harten en zinnen hetgeen voor de ongelovige wereld onbegrijpelijk is.

 Frequentie en de lengte van het gebed.

 Het bidden moet niet zo af en toe eens plaats vinden, maar met grote regelmaat zoals 1Thess.5:17 het zegt:

 “Bidt zonder ophouden”.

 Ook in 1Tim.5:5 beschrijft Paulus het gebed voor de weduwen in de gemeente:

 “Die nu waarlijk weduwe is, en alleen gelaten, die hoopt op God, en blijft in smekingen en gebeden nacht en dag”.

 Romeinen 12:12 zegt dat we:

 “………………………………Volhardt in het gebed”.

 En in 1Thess.1:3 schrijft Paulus dat Paulus, Silas en Timotheüs waren:

 “Nacht en dag zeer overvloediglijk biddende, om uw aangezicht te mogen zien, en te volmaken, hetgeen aan uw geloof ontbreekt”

 Kol.4:12 noemt dat Epafras was:

 “…………………………………..te allen tijde strijdende voor u in de gebeden, opdat gij staan moogt volmaakt en volkomen in al den wil van God”.

 Merk op dat, van de kant van Epafras, er een groot verlangen en inspanning was om “…..te allen tijde strijdende……” in de gebeden.

 Er is geen vastgestelde lengte voor het gebed, terwijl sommige gebeden in de Bijbel nogal lang zijn, zoals die van Daniël in hoofdstuk 9, zijn er andere gebeden die kort zijn. Bijvoorbeeld in Nehemia 2:4-6, als koning Artaxerxes Nehemia een vraag stelt, doet Nehemia een zeer kort gebed alvorens hij de Koning antwoord geeft. Houd in gedachten dat Artaxerxes de koning was van het Medisch Perzische Rijk. Op dat moment was hij de machtigste heerser op de aarde. Nehemia had geen tijd om veel te zeggen maar God zorgde voor een welgezinde reactie van de Koning.

 “4 En de koning zeide tot mij: Wat verzoekt gij nu? Toen bad ik tot God van den hemel. 5 En ik zeide tot den koning: Zo het den koning goeddunkt, en zo uw knecht voor uw aangezicht aangenaam is, dat gij mij zendt naar Juda, naar de stad der begrafenissen mijner vaderen, dat ik ze bouwe. 6 Toen zeide de koning tot mij, daar de koningin nevens hem zat: Hoe lang zal uw reis wezen, en wanneer zult gij wederkomen? En het behaagde den koning, dat hij mij zond, als ik hem zekeren tijd gesteld had”.

 Dit gebed van Nehemia moet wel zeer kort geweest zijn opdat niet zou blijken dat hij Koning Artaxerxes negeerde, maar God hoorde het gebed en voorzag er in.

  Onze gezindheid in het gebed.

We hebben nu hierboven reeds vele passages gezien die ons vertellen dat we dankbaar moeten zijn in onze gebeden, zoals in Kol.1:9-12; Fil.1:4; Kol.4:2-4; 1Tim.2:1-4; 1Tim.4:3-5; Ef.5:18-20; Kol.3:16-17; en Fil.4:6-7.

 Het gebed moet niet gedaan worden in een ongepaste gezindheid. In 1Tim.2:8 schrijft Paulus:

 “Ik wil dan, dat de mannen bidden in alle plaatsen, opheffende heilige handen, zonder toorn en twisting”.

 We moeten nimmer in boosheid tot God naderen zoals sommigen doen als er iets tragisch gebeurt. Ook moeten we niet twijfelachtig bidden zoals sommige ongelovigen hun gebed beginnen met: “God, als u daar boven bent…….”.

 Onze gebeden moeten in alle nederigheid worden gedaan. Jezus leerde aangaande nederigheid in het gebed in Lukas 18:9-14:

 “9 En Hij zeide ook tot sommigen, die bij zichzelven vertrouwden, dat zij rechtvaardig waren, en de anderen niets achtten, deze gelijkenis: 10 Twee mensen gingen op in den tempel om te bidden, de een was een Farizeer, en de ander een tollenaar. 11 De Farizeer, staande, bad dit bij zichzelven: O God! ik dank U, dat ik niet ben gelijk de andere mensen, rovers, onrechtvaardigen, overspelers; of ook gelijk deze tollenaar. 12 Ik vast tweemaal per week; ik geef tienden van alles, wat ik bezit. 13 En de tollenaar, van verre staande, wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst, zeggende: O God! wees mij zondaar genadig! 14 Ik zeg ulieden: Deze ging af gerechtvaardigd in zijn huis, meer dan die; want een ieder, die zichzelven verhoogt, zal vernederd worden, en die zichzelven vernedert, zal verhoogd worden”.

 We weten nu natuurlijk dat Jezus degenen leerde die onder de wet van Mozes waren en dat wij vandaag de dag geen verplichting hebben om naar de tempel te gaan of tienden te betalen. Als we gelovigen zijn dan zijn we gerechtvaardigd en heeft God ons al onze zonden vergeven (Kol.2:13 en 3:13). Hoe het ook zij, de les dat we moeten bidden in nederigheid is nog steeds van kracht. Deze boodschap van het bidden in nederigheid vinden we ook in Matth.6:5-6, waar Jezus zei:

 “5 En wanneer gij bidt, zo zult gij niet zijn gelijk de geveinsden; want die plegen gaarne, in de synagogen en op de hoeken der straten staande, te bidden, opdat zij van de mensen mogen gezien worden. Voorwaar, Ik zeg u, dat zij hun loon weg hebben. 6 Maar gij, wanneer gij bidt, gaat in uw binnenkamer, en uw deur gesloten hebbende, bidt uw Vader, Die in het verborgen is; en uw Vader, Die in het verborgen ziet, zal het u in het openbaar vergelden”.

 Gebed moet uit een waarheidlievend hart komen, niet slechts het herhalen van bepaalde zinnen. Matth.6:7-8:

 “7 En als gij bidt, zo gebruikt geen ijdel verhaal van woorden, gelijk de heidenen; want zij menen, dat zij door hun veelheid van woorden zullen verhoord worden. 8 Wordt dan hun niet gelijk; want uw Vader weet, wat gij van node hebt, eer gij Hem bidt”.

 Onze houding in het gebed.

Sommigen zullen zich afvragen of er een gepaste lichamelijke houding is voor het bidden, bijvoorbeeld knielen, staan, zitten enz. Er zijn vele passages die verwijzen naar de diverse houdingen. Sommigen van hen hebben we reeds genoemd in dit artikel. Paulus zegt in Ef.3:14-19: “buig ik mijn knieën” en hij verwijst naar: “opheffende heilige handen” in 1Tim.2:8. In Luk.18:13 sprak Jezus over een man die stond en die:  “wilde ook zelfs de ogen niet opheffen naar den hemel, maar sloeg op zijn borst”,  Hebr.11:21 zegt dat toen Jacob de dood nabij was, en dat hij: “heeft aangebeden, leunende op het opperste van zijn staf”. Openbaring 7:11 zegt:

 “En al de engelen stonden rondom den troon, en rondom de ouderlingen en de vier dieren; en vielen voor den troon neder op hun aangezicht, en aanbaden God”.

 Soms beďnvloeden de omstandigheden de houding van de in de Schrift opgetekende gebeden, Bijvoorbeeld: Nehemia serveerde wijn aan de koning en daarbij stond hij waarschijnlijk, Jezus hing aan het kruis en Stefanus knielde terwijl hij werd gestenigd.

 Toen Jezus werd gevraagd om zijn discipelen te leren hoe ze moesten bidden vertelde hij hen niet dat dat in een speciale houding moest gebeuren. Hij gaf hun richtlijnen aangaande hetgeen ze moesten zeggen. Er is geen speciale houding voor het gebed. Onze gezindheid is veel belangrijker. Er kunnen gelovigen zijn die een bepaalde houding tot hulp kan zijn om in de juiste gezindheid te komen, maar de Schrift noemt geen specifieke eisen.

  Het gebed van Jabez

Een gebed dat zeer populair is geworden in het christendom is het gebed van Jabez. 1Kronieken 4:9-10 zegt:

 “9 Jabez nu was heerlijker dan zijn broeders; en zijn moeder had zijn naam Jabez genoemd, zeggende: Want ik heb hem met smarten gebaard. 10 Want Jabez riep den God Israels aan, zeggende: Indien Gij mij rijkelijk zegenen, en mijn landpale vermeerderen zult, en Uw hand met mij zijn zal, en met het kwade alzo maakt, dat het mij niet smarte! En God liet komen, wat hij begeerde”.

 Sommigen hebben deze passage misbruikt door te leren dat God in alles zal voorzien wat we maar willen, materieel of andere zaken, als we Hem er om vragen. Ten eerste is dat niet wat dit vers zegt. Het zegt dat aan God Jabez  gaf wat hij had gevraagd. Deze passage zegt niet dat God aan een ieder geeft wat hij of zij ook maar vraagt. Jabez was overigens een Israëliet die leefde onder de bedeling van de Wet van Mozes. Hij was niet een christen onder de bedeling der genade.

 Gelijkerwijs sommigen ook Joh.16:24 verkeerd toepassen, waar wordt gezegd:

 “………….bidt, en gij zult ontvangen…………………..”.

 Of verzen zoals Matth.21:22 of 1Joh.3:22.

“Matth.21:22: En al wat gij zult begeren in het gebed, gelovende, zult gij ontvangen”.

 “1Joh.3:22: En zo wat wij bidden, ontvangen wij van Hem, dewijl wij Zijn geboden bewaren, en doen, hetgeen behagelijk is voor Hem”.

 Maar nogmaals, deze passages zijn niet tot ons gesproken die leven in de bedeling der genade. Ze zijn gesproken door bedienaars van de besnijdenis aan de Joden die onder de Wet van Mozes waren (Rom.15:8 en Gal.2:9). In de huidige bedeling krijgen we niet de garantie dat God onze verzoeken inwilligt. Dat zien we in 2Kor.12:7-9 waar Paulus schreef:

 “7 En opdat ik mij door de uitnemendheid der openbaringen niet zou verheffen, zo is mij gegeven een scherpe doorn in het vlees, namelijk een engel des satans, dat hij mij met vuisten slaan zou, opdat ik mij niet zou verheffen. 8 Hierover heb ik den Heere driemaal gebeden, opdat hij van mij zou wijken. 9 En Hij heeft tot mij gezegd: Mijn genade is u genoeg; want Mijn kracht wordt in zwakheid volbracht. Zo zal ik dan veel liever roemen in mijn zwakheden, opdat de kracht van Christus in mij wone”.

 Maar, zoals we reeds eerder hebben gezien, zegt Fil.4:6-7:

 “6 Weest in geen ding bezorgd; maar laat uw begeerten in alles, door bidden en smeken, met dankzegging bekend worden bij God; 7 En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw zinnen bewaren in Christus Jezus”.

 Aldus hebben we vrede, wetende dat we onze verzoeken in Gods handen hebben gelegd.

 Het gebed van de discipelen.

Het gebed dat Jezus Christus leerde aan de discipelen, waarnaar door de meeste mensen wordt verwezen als het “Gebed des Heeren”, staat in Matth.6:9-13:

 “:9 Gij dan bidt aldus: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. 10 Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel alzo ook op de aarde. 11 Geef ons heden ons dagelijks brood. 12 En vergeef ons onze schulden, gelijk ook wij vergeven onzen schuldenaren. 13 En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze. Want Uw is het Koninkrijk, en de kracht, en de heerlijkheid, in der eeuwigheid, amen”.

 We zien in Lukas 11:2-4 een zelfde soort bewoording, daar wordt gezegd:

 “2 En Hij zeide tot hen: Wanneer gij bidt, zo zegt: Onze Vader, Die in de hemelen zijt! Uw Naam worde geheiligd. Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. 3 Geef ons elken dag ons dagelijks brood. 4 En vergeef ons onze zonden; want ook wij vergeven aan een iegelijk, die ons schuldig is. En leid ons niet in verzoeking, maar verlos ons van den boze”.

  We moeten er terdege acht op slaan dat Jezus Christus gezonden werd naar het volk Israël. Het was niet eerder dan enige tijd na Zijn hemelvaart dat Christus Paulus naar de Heidenen zond welke niet onder de Wet van Mozes waren. Dit gebed was om gebeden te worden door de Joden die onder de Wet van Mozes waren. Eén uitspraak zou in het bijzonder in conflict komen met onze bedeling der genade dat heden ten dage operationeel is. Vandaag de dag vragen christenen niet aan God om hun zonden te vergeven omdat we reeds vergeven zijn (Kol.2:13 en Kol.3:13). Als we wel om vergeving vragen dan geloven we niet wat Paulus heeft gezegd over het feit dat al onze zonden (die we hebben gedaan, die we doen en die we nog zullen gaan doen) alreeds zijn vergeven. In plaats van om vergeving te vragen zouden we God moeten danken dat Hij ons alreeds heeft vergeven. Als we anderzijds bidden “…….Uw Koninkrijk kome. Uw wil geschiede, gelijk in den hemel, alzo ook op de aarde. ….”  dan is dat wel goed, maar het heeft voor ons een andere betekenis dan dat het had voor de Joden die onder de Wet van Mozes waren. Wij mogen bidden dat Zijn koninkrijk moge komen, maar we weten dat voor ons eerst de “opname” komt, en dat daarna de (grote) verdrukking komt en daarna zal het duizendjarig koninkrijk worden opgericht door de Heere Jezus Christus. Ons vooruitzicht is geheel verschillend van dat van de Joden in de dagen van Christus. Ik zie voor de andere uitdrukkingen in dat gebed geen directe aanleiding waarom ze vandaag de dag niet zijn toe te passen.

 Andere gebeden in de Schrift.

In 1Samuël 12:22-23 zegt Samuël tot het volk Israël:

 “22 Want de HEERE zal Zijn volk niet verlaten, om Zijns groten Naams wil, dewijl het den HEERE beliefd heeft, ulieden Zich tot een volk te maken. 23 Wat ook mij aangaat, het zij verre van mij, dat ik tegen den HEERE zou zondigen, dat ik zou aflaten voor ulieden te bidden; maar ik zal u den goeden en rechten weg leren”.

 Merk op dat het voor Samuël een zonde zou zijn geweest als hij niet voor Israël had gebeden. Maar Samuël zou dan niet tegen Israël hebben gezondigd, maar tegen God.

 Zie voor verdere lectuur over het onderwerp van het gebed de volgende, uit de vele, gebeden in de Schrift, inclusief de gebeden van Mozes voor Israël (Deut.9:26-29), van Simson voor kracht (Richteren 16:28-30), van Koning David (psalm 23,28,143), van Koning Salomon voor wijsheid (1Koningen 3:5-14), van Daniël (Daniël 9:3-20), van Koning Hizkia (Jesaja 38:1-6), van Jezus Christus voorafgaande aan de kruisiging (Joh.17:1-26).

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011