|
4)
De basis voor het begrijpen van de bijbel
Matthew
McGee
Om de Bijbel te
begrijpen moet deze volgens de bedelingen bestudeert worden, dat is
“het recht snijden van het Woord der waarheid” (2Tim.2:15). Maar wat
betekent het dan om de Bijbel te bestuderen naar de bedelingen of
het “recht snijden” van het Woord? Het allereerste begin is om een
passage uit de Bijbel te lezen en zich af te vragen: “Behoor ik tot
de groep waar hier tegen wordt gesproken?” Dat is: Spreekt deze
passage tegen christenen?”. Veelal wordt ons geleerd dat de gehele
Bijbel aan ons is geschreven. Maar dat is niet correct. De gehele
Bijbel is VOOR ONS geschreven, om te leren, maar niet alles is AAN
ONS geadresseerd.
Bijvoorbeeld:
Toen God de wet gaf aan Israël, door Mozes, in ongeveer 1500 jaar
voor Christus, was één van de wetten dat men niet op de Sabbat mocht
werken. De Sabbat duurde van zonsondergang op vrijdag tot
zonsondergang op zaterdag. Als iemand werd gezien dat hij hout
verzamelde op de Sabbat, in Numeri 15:32-36, dan had God Israël de
opdracht gegeven om deze man te doden door steniging. Betekent dat
dan dat als u uw buurman gras ziet maaien op zaterdagmorgen dat hij
een zonde begaat? Natuurlijk niet. We moeten ons realiseren dat de
kinderen Israëls geen christenen waren. Wij zijn niet onder de wet
van Mozes zoals zij dat wel waren. Zij leefden in een andere
bedeling dan wij.
Het woord
“bedeling” komt van het woord “uitdelen”. Een bedeling is dus een
uitdelen van de wil van God over een bepaalde tijdsperiode aan een
bepaalde groep mensen. Met andere woorden, een bedeling is de
weg waarop God handelt met een groep mensen gedurende een bepaalde
periode. Om een passage uit de Bijbel op een juiste manier te
verstaan, is het belangrijk om beide te weten, namelijk, de periode
waarnaar het verwijst, en de groep mensen waarop het van toepassing
is. Op deze wijze kunt u bepalen welke bedeling van toepassing is op
iedere passage uit de Bijbel.
God heeft
verschillende regels gehad voor verschillende groepen mensen in
verschillende perioden.
Hier is een
simpel voorbeeld, het betreft de doodstraf.
1)-Toen Adam en
Eva in de hof van Eden waren was er geen doodstraf voor het plegen
van een moord. Er was geen enkele zonde waarvoor werd gestraft.
Bovendien was er in het geheel geen dood omdat de val van de mens
nog niet had plaats gevonden.
2)-Enige jaren
nadat Adam en Eva uit de Tuin van Eden waren verdreven, vermoorde
Kaïn zijn broeder Abel (Gen.4:8-15). Maar er was geen doodstraf voor
Kaïn. God had dat nog niet toegestaan. God had trouwens een teken
aan Kaïn gesteld zodat niemand hem zou doden. 3)-Na de zondvloed
stelde God de doodstraf in voor moord (Gen.9:6). 4)-En, zoals
zojuist toegelicht, toen God de wet van Mozes instelde, werd de
doodstraf ingesteld voor het werken op de Sabbat. Sommige andere
overtredingen resulteerden eveneens in de dood door steniging, zoals
het aanbidden van afgoden, echtbreuk, homosexuele handelingen, en
het raadplegen van geesten (Lev.20).
Alleen al in
dit eenvoudige voorbeeld zien we duidelijk vier verschillende regels
aangaande de doodstraf, toegepast in verschillende bedelingen.
Nu volgt een
opsomming van alle bedelingen:
Eeuwigheid -
Zelfs voordat God de wereld heeft geschapen, was Hij er al, hebbende
geen begin en geen einde.
1)-Onschuld
– van de schepping tot de zondeval (de eerste zonde) – Ofschoon
de Bijbel het niet vermeld duurde deze bedeling vermoedelijk niet
lang, misschien slechts enkele dagen. Het eindigde ongeveer 4000
jaar voor Christus. Deze bedeling beslaat de periode van Gen.1:1 tot
Gen.3:22.
2)-Geweten –
Van de zondeval tot de zondvloed – Deze bedeling duurde van
ongeveer 4000 tot ongeveer 2350 jaar voor Christus en beslaat in de
Schrift de periode van Gen.3:22 tot Gen.8:19. Met weinig instructie
van God in deze tijd handelden de mensen naar hun eigen geweten. Het
kwaad werd zo overweldigend dat deze bedeling werd beëindigd doordat
God alles vernietigde door de zondvloed, met uitzondering van Noach
en zijn familie.
3)-Menselijke
bestuur – van de zondvloed tot de roeping van Abraham – Deze
bedeling begon ongeveer 2350 jaar voor Christus en duurt nog steeds
voort. Alhoewel Abraham en zijn nakomelingen onder de bedeling der
belofte kwamen rond 2000 voor Christus, als uitgelegd onder punt 4,
bleef de rest van de mensheid onder de bedeling van menselijk
bestuur. In de Schrift beslaat het de periode van Gen.8:20 tot
Gen.11:32. God stond de mensen toe om zichzelf te regeren en om
boosdoeners te straffen.
4)-Belofte –
van de roeping van Abraham tot het geven van de wet aan Mozes
voor de kinderen Israëls – Deze bedeling was alleen van toepassing
op Abraham en zijn nakomelingen, door zijn zoon Izak, en de zoon van
Izak, Jacob (Israël). Het duurde van ongeveer 2000 tot ongeveer 1500
jaar voor Christus en beslaat in de Schrift de periode van Gen.12:1
tot Ex.19:7. God beloofde Abraham dat Hij een land zou geven aan het
zaad van Abraham en dat alle volken van de wereld gezegend zouden
worden door zijn zaad. Alhoewel Israël onder de wet ging, zie punt
5, rond 1500 voor Christus, is de belofte van God aan Abraham nog
steeds van kracht.
5)-Wet –
van het geven van de wet aan Mozes, voor de kinderen Israëls, tot de
roeping van Paulus, de apostel der Heidenen (degenen die niet tot
Israël behoorden) – Deze bedeling was alleen van toepassing op de
nakomelingen van Jacob, Israël. Het begon ongeveer 1500 voor
Christus en duurde tot het in ongeveer 37 na Christus begon te
vervagen en stopte in 70 na Christus. (de verwoesting van de
tempel). De wet zal gedurende zeven jaren, van de grote verdrukking,
terug komen. Dat is na de onder punt 5 genoemde bedeling der genade.
Het beslaat in de Schrift de periode van Ex.19:8 tot Hand.8 en van
Hebreeën tot Openbaring. Het boek Handelingen is een boek van
overgang van wet naar genade. Gedurende de periode van Hand.9 tot 28
zien we het opkomen van de bedeling der genade en het vervagen van
de bedeling der wet. God verkoos Israël als Zijn oogappel. Hij gaf
Israël strenge wetten, harde straffen, en profetieën van wereldwijde
omvang in het toekomstige koninkrijk van hun komende Messias.
6)-Genade –
van de roeping van Paulus, de apostel der Heidenen, tot de
opname van de Gemeente – Wij zijn nu in deze bedeling. Het begon in
ongeveer 37 jaar na Christus en duurt tot de toekomstige opname.
Hopelijk zal dat spoedig zijn, maar we weten niet wanneer de opname
plaats zal vinden, we weten alleen dat het vóór de zevenjarige
verdrukking plaats zal vinden. Deze bedeling der genade is in de
Schrift vervat in de brieven van Paulus, Romeinen tot en met
Filémon. Toen Israël weigerde om Jezus Christus aan te nemen, die,
als hun Messias, was opgevaren naar de hemel, keerde God zich tot de
Heidenen om Israël tot jaloersheid op te wekken (Rom.11:11).
7)-Koninkrijk
– (of goddelijke regering) – van de wederkomst van Jezus
Christus tot de grote witte troon van oordeel – Dit begint aan het
einde van de zevenjarige verdrukking, zoals reeds eerder genoemd, en
duurt duizend jaar. Gedurende deze tijd zal Jezus Christus als
Koning heersen vanuit Jeruzalem. Deze bedeling is vervat in
Openbaring hoofdstuk 20. Echter kunnen veel meer details van deze
bedeling gevonden worden in de vele profetieën in verschillende
delen van de Bijbel.
Eeuwige
toekomst – Deze bedeling
begint aan het einde van het duizendjarig vrederijk en duurt eeuwig.
Het is in de Schrift vervat in de hoofdstukken 21-22 van het boek
Openbaring.

Opmerking
van de vertaler:
Hierboven een overzicht van de bedelingen in de Bijbel in de
Engelse taal.
Het begrijpen
van de bedelingen ruimt allerlei verwarringen op. Bijvoorbeeld
kunnen veel mensen niet begrijpen waar Kaïn mee trouwde. Blijkbaar
trouwde hij met één van zijn zusters omdat er geen andere vrouwen
waren om mee te trouwen. Deze mensen weten dat vandaag de dag een
man niet moet gaan trouwen met naaste verwanten, omdat ze misschien
bekend zijn met de aan Mozes gegeven wet, voor Israël, om geen
naaste verwanten te trouwen. Echter veronderstellen de mensen dat
deze regel altijd al van kracht is geweest. Maar in werkelijkheid
leefde Kaïn 2500 jaar voordat God het statuut instelde tegen het
huwen met een naaste verwant. Mensen die niet volgens de bedelingen
studeren zullen de regels, bestemd voor verschillende mensen in
verschillende tijden, vermengen. Zodoende hebben ze dus weinig kans
om een goed begrip te krijgen van de Schrift of van de wil van God
voor hun eigen leven.
Let er op dat
bedelingen elkaar soms kunnen overlappen, er zijn dan twee
bedelingen die worden toegepast op twee verschillende groepen
mensen. Bijvoorbeeld: de gehele tijd dat Israël onder de bedeling
der wet (zie punt 5) was, waren alle Heidense volken onder de
bedeling van menselijk bestuur (zie punt 4). Een soortgelijke
overlapping gebeurde van ongeveer 37 tot 70 na Christus. Gedurende
deze tijd waren de Joden in Israël nog steeds onder de wet
(Hand.21:20-21) en dat eindigde toen de Romeinen Jeruzalem en de
tempel verwoesten in 70 na Christus. Maar de Heidenen en de Joden
die buiten het land Israël woonden waren alreeds onder de genade
(zie punt 6), de bedeling die aan Paulus is gegeven (Ef.3:2), de
apostel der Heidenen (Rom.11:13).
Nu we zo ver
zijn moet ik eerst iets uitleggen dat een grote bron van verwarring
is voor de meeste christenen (in het verleden ook voor mijzelf).
Paulus zegt in 2Tim.2:8:
“Houd in
gedachtenis, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, Welke is
uit den zade Davids, naar mijn Evangelie”.
Hoe kan Paulus
“mijn evangelie” zeggen? Paulus legt in Gal.1:11-12 uit dat het
evangelie dat hij predikte niet is naar de mens, maar:
“…….door
de openbaring van Jezus Christus”.
Het feit dat
het een verborgenheid was betekent dat niemand het voorheen wist.
Het was een geheimenis.
Johannes de
Doper, Jezus, en de twaalf apostelen predikten het evangelie van het
koninkrijk aan alleen het volk Israël. Dit goede nieuws was dat het
koninkrijk, in het Oude Testament beloofd door de profeten, nabij
was. Dit koninkrijk vereiste de bekering van het gehele volk Israël.
Vandaar dat de boodschap van dat evangelie was:
“Bekeert
u; want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen” (Matth.3:2,
4:17 en 10:7).
Zelfs na de
kruisiging en de opstanding van Jezus Christus gold het aanbod van
het koninkrijk, voor Israël, nog steeds. Petrus bood het Koninkrijk
aan Israël opnieuw aan in Hand.3:19-21, indien ze zich als volk
zouden bekeren. Maar ze wilden niet. Dus werd het koninkrijk
uitgesteld en God riep Paulus en maakte hem:
“een
dienaar van Jezus Christus onder de heidenen” (Rom.15:16)
En:
“zoveel
ik der heidenen apostel ben” (Rom.11:13).
Dat maakte
Paulus tot “onze apostel”.
God gaf
informatie aan Paulus die niemand eerder heeft geweten. Het was een
nieuw evangelie, Paulus noemde dat: “Het evangelie der genade Gods”
of: “Mijn evangelie”. Het evangelie der genade is dat Jezus
Christus, de Zoon van God, vrijwillig Zijn leven gaf als het
volmaakte offer om onze zonden te betalen. Hij werd gekruisigd,
begraven, en is op de derde dag weer opgestaan (1Kor.15:1-4). Kijk
nu naar de eerste hoofdstukken van Handelingen. U zult nergens
vinden dat de twaalf apostelen spreken over het verlossende bloed
van Jezus Christus of spreken over het feit dat Hij stierf voor onze
zonden. Ze noemden wel Zijn dood en opstanding, maar alleen als een
groot wonder om aan Israël te bewijzen dat Hij leeft en terug kan
komen om hun Koning te worden zoals de profeten hebben geprofeteerd
in het Oude Testament. De twaalven vertelden de Joden niet dat
Christus Zijn leven had gegeven als een offer, maar dat de Joden Hem
hadden omgebracht. De twaalven brachten de dood van Christus nimmer
in verband met de vergeving van zonden. Het feit dat Zijn dood en
vergeving verwant zijn met elkaar was op dat moment nog een
verborgenheid. Dat werd later geopenbaard aan Paulus:
“Maar wij
spreken de wijsheid Gods, bestaande in verborgenheid, die bedekt
was, welke God te voren verordineerd heeft tot heerlijkheid van ons,
eer de wereld was; Welke niemand van de oversten dezer wereld gekend
heeft; want indien zij ze gekend hadden, zo zouden zij den Heere der
heerlijkheid niet gekruist hebben” (1Kor.2:7-8).
Hier ziet u dat
God, die de toekomst reeds wist voordat Hij de wereld schiep, het
plan voor onze verlossing (ons evangelie) geheim hield (een
verborgenheid), en Hij openbaarde dat geheim nadat Hij Paulus had
geroepen. Zie eveneens Rom.16:25.
Het nu volgende
voorbeeld zal de belangrijkste verschillen, van de twee programma’s,
illustreren.
Jezus,
sprekende tot de mensen tijdens Zijn aardse bediening, zegt in
Matth.6:14-15:
“Want
indien gij den mensen hun misdaden vergeeft, zo zal uw hemelse Vader
ook u vergeven. Maar indien gij den mensen hun misdaden niet
vergeeft, zo zal ook uw Vader uw misdaden niet vergeven”.
Let wel dat je
alleen vergeving ontvangt als je eerst anderen vergeeft.
Paulus zegt ons
het omgekeerde in Ef.4:32:
“Maar
zijt jegens elkander goedertieren, barmhartig, vergevende elkander,
gelijkerwijs ook God in Christus ulieden vergeven heeft”.
Als u een
gelovige bent dan heeft God u reeds vergeven. Niet slechts sommige
zonden, maar alle zonden die we ooit zullen doen (Kol.2:13).
Ongetwijfeld wil God dat christenen anderen vergeven, en we zullen
in de hemel beloning ontvangen naar onze werken (1Kor.3:10-15). Maar
onze behoudenis hangt ganselijk niet af van onze werken (Rom.4:5).
Paulus sprak
Jezus niet tegen. Tenslotte ontving Paulus zijn boodschap van onze
opgestane en opgevaren Heer Jezus Christus zelf. Hun boodschappen,
die van de twaalven en die van Paulus, spreken elkaar niet tegen
omdat ze voor verschillende doelgroepen in verschillende bedelingen
bestemd waren. Als een man zijn zoon zegt de vuilnisbak te ledigen
en tegen zijn dochter zegt dat ze de vloer moet stofzuigen, spreekt
hij zichzelf niet tegen. Jezus Christus, in Zijn aardse bediening,
onderwees Joden die onder de wet van Mozes waren. Maar later leerde
Jezus Christus, door Paulus, dat christenen (voor het merendeel geen
Joden zijnde) niet onder de wet van Mozes waren, maar onder de
genade (Rom.6:14). We zijn heden ten dage nog steeds in de bedeling
der genade, die door zal gaan tot de opname van de Gemeente. Aldus
is onze redding door het evangelie van genade te geloven dat onze
Heere Jezus Christus openbaarde aan onze Apostel Paulus de Apostel
der Heidenen.
|