|
HOOFDSTUK III
TONGENTAAL ALS TEKEN
In
Genesis 11:7 lezen we voor de eerste keer over
veel talen of tongen.
"Kom aan,
laat Ons neervaren, en laat Ons hun spraak
aldaar verwarren, opdat een ieder de spraak van
zijn naaste niet hore."
Dit
Goddelijke ingrijpen bij de toren van Babel
geeft duidelijk weer wat de bedoeling is van het
spreken in tongen. Het was ייn van Gods manieren
om tot een trots en rebellerend volk te spreken.
De volgende Schriften zijn in dit verband
belangrijk:
"Daarom zal
Hij door belachelijke lippen, en door een andere
tong tot het volk spreken;...doch zij hebben
niet willen horen." (Jesaja 28:11,12)
"En hen, die
geloofd zullen hebben, zullen deze tekenen
volgen:...met nieuwe tongen zullen zij spreken."
(Markus 16:17)
"In de wet (Jesaja
28:11,12) is geschreven: Ik zal door lieden van
andere talen, en door andere lippen tot dit volk
spreken, en ook alzo zullen zij Mij niet horen,
zegt de Here. Zo dan, de vreemde talen zijn tot
een teken niet voor hen, die geloven, maar voor
de ongelovigen;" (I Korinthe 14:21,22).
Deze Schriften laten duidelijk zien hoe verkeerd
de uitleg van de Pinksterbeweging is, nl. dat
tongen voor vandaag zijn en hoofdzakelijk voor
de gelovigen. Geen wonder dat de moderne
Pinksteruitleg, zowel wat leer als praktijk
betreft, zo veel tegenstrijdigheden kent.
TWEE ASPEKTEN VAN HET
SPREKEN IN TONGEN
Weinig mensen realiseren zich dat er twee
aspekten zijn in de openbaring van de tongen.
Ten eerste volgde het spreken in tongen op de
uitstorting van de Heilige Geest:
"En zij werden allen
vervuld met de Heilige Geest, en begonnen te
spreken met andere talen, zoals de Geest hun gaf
uit te spreken. ...want een ieder hoorde hen in
zijn eigen taal spreken." (Handelingen 2:4-6)
De
gave van het spreken in tongen voor de Gemeente
"het lichaam van Christus" vereiste
tegelijkertijd de gave van uitlegging:
"...en een
andere onderscheidingen der geesten; en een
ander menigerlei talen; en een ander uitlegging
der talen." "En ik wil wel, dat gij allen in
vreemde talen spreekt, maar meer, dat gij
profeteert; want die profeteert, is meerder dan
die vreemde talen spreekt, tenzij dan, dat hij
het uitlegt, opdat de gemeente stichting moge
ontvangen." (I Korinthe 12:10, 14:5)
Bij
het eerste aspekt zagen we hoe de Heilige Geest
op de Pinksterdag rechtstreeks tot Israכl
getuigde door middel van de gemeente te
Jeruzalem.
De
zegen voor de heidenen is mogelijk het meest
opmerkelijke (Handelingen 10). Niets kon Israכl
mטטr opwekken om zich naar hun voorrechten uit
te strekken, dan dit hemelse bezoek aan de
heidenen (Romeinen 11:11). Niets kon
overtuigender zijn voor de ongelovige Petrus en
zijn Joodse vrienden dan het feit dat Cornelius
en zijn heidense huishouden in tongen spraken!
(Handelingen 10:44-47).
"Toen Petrus
nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op
allen, die het Woord hoorden. "En de gelovigen,
die uit de besnijdenis waren, zoveel als er met
Petrus waren gekomen, ontzetten zich, dat de
gave van de Heilige Geest ook op de heidenen
uitgestort werd". "Want zij hoorden hen spreken
met vreemde talen, en God groot maken. Toen
antwoordde Petrus:
"Kan ook iemand het
water weren, dat dezen niet gedoopt zouden
worden, die de Heilige Geest ontvangen hebben,
zoals ook wij? "En toen Paulus hun de handen
opgelegd had, kwam de Heilige Geest op hen, en
zij spraken met vreemde talen, en profeteerden.
De discipelen van
Johannes de Doper werden op gelijke wijze
gebruikt ten aanzien van de sterke Joodse
gemeenschap te Efeze (Handelingen 19:6-10). Het
belang hiervan ligt in het feit dat de meeste
Joden, Johannes de Doper erkenden als een
profeet van God. Nadat Paulus nu zijn handen op
de discipelen gelegd had (Handelingen 19:6), en
zij de Heilige Geest ontvingen, was deze
gebeurtenis voor hen van groot belang. En toch,
zoals de profeet Jesaja het al zei, "dit volk"
wilde niet geloven.
"En deze allen
waren omtrent twaalf mannen. "En hij ging in de
synagoge, en sprak vrijmoedig, drie maanden lang
met hen handelende, en hun aanradende de zaken
van het Koninkrijk Gods.
"Maar toen
sommigen verhard werden, en ongehoorzaam waren,
kwaadsprekende van de weg des Heeren voor de
menigte, week hij van hen, en scheidde de
discipelen af, dagelijks handelende in de school
van zekere Tyrannus".
"En
dit geschiedde twee jaren lang, alzo dat allen,
die in Azie woonden, het Woord van de Heere
Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken".
(Handelingen 19:6-10).
Aanhangers van de Pinksterbeweging verwijzen
vaak naar het feit dat de apostel Paulus na zijn
bekering ook in tongen sprak.
"Ik dank mijn
God, dat ik meer vreemde talen spreek, dan gij
allen;" (I Korinthe 14:18,19).
Dit
past echter geheel bij het doel van het spreken
in tongen. Want, wat kon een grotere uitdaging
voor Israכl zijn dan hun voornaamste en ijverige
vervolger van de Gemeente van Christus zo
dramatisch en volkomen te zien veranderen in een
door God gegrepen mens.
"Zo dan, de
vreemde talen zijn tot een teken niet voor hen
die geloven, maar voor de ongelovigen;".
Laten wij niet vergeten dat Paulus alleen in de
Handelingenperiode in tongen sprak, de zieken
genas, en nog veel meer wonderen deed, want
Israכl was toen als volk nog niet helemaal aan
de zijkant gezet. Uit voorgaande Schriften weten
wij al: "de Jood vraagt een teken".
DE "GAVE" VAN HET
SPREKEN IN TONGEN
Het
tweede aspekt is de gave van het spreken in
tongen in de samenkomsten:
"En een ander
de werking der krachten; en een ander profetie;
en een ander onderscheidingen der geesten; en
een ander menigerlei talen; en een ander
uitlegging der talen." (I Korinthe 12:10)
Om
ten diepste de ingewikkelde punten van de
Pinksterbeweging te willen begrijpen, behoren we
dit onderwerp nauwkeurig te bestuderen. Immers,
de Pinksterbeweging maakt een verschil tussen
het teken van het spreken in tongen als bewijs
van de doop met de Heilige Geest, en de gave van
het spreken in tongen in de samenkomst, welke
niet aan allen gegeven wordt.
VERHINDERT HET SPREKEN
IN TONGEN NIET
Het
is belangrijk om op te merken dat de eerste
brief aan de Korinthiכrs vףףr het einde van de
Handelingenperiode geschreven werd. Daarom was
Paulus in deze periode in overeenstemming met
Gods plan toen hij zei:
"Zo dan,
broeders, ijvert om te profeteren, en verhindert
niet in vreemde talen te spreken." (I Korinthe
14:39)
De
leraren van de Pinksterbeweging maken veelvuldig
gebruik van deze Schrift om hun leer te
bevestigen dat tongen vandaag nog steeds geldig
zijn, maar natuurlijk negeren zij daarbij de
grote betekenis van de crisis te Rome, enige
jaren daarna. De val van Israכl als volk begon
na de steniging van Stefanus (Handelingen7) en
kwam ten einde toen Paulus in Rome was
(Handelingen 28).
DE REDEN VOOR DE
"GAVE" IN DE SAMENKOMST
Een
onderzoek van Handelingen 18 laat zien dat de
samenkomsten van de gemeenten te Korinthe
gehouden werden in het Joodse deel van die stad.
De gemeente bestond eerst uit Joodse
bekeerlingen, waaraan later heidenen toegevoegd
werden. Tijdens de samenkomsten waren veel
ongelovige Joden aanwezig (I Korinthe 14:23).
"Indien dan de
gehele gemeente bijeenvergaderd ware, en zij
allen in vreemde talen spraken, en enige
ongeleerden of ongelovigen inkwamen, zouden zij
niet zeggen, dat gij uitzinnig waart?"
De
Heilige Geest getuigde tot deze mensen met de
gave van het spreken in tongen. Deze gave, zoals
al opgemerkt is, werd niet aan iedereen gegeven
(I Korinthe 12:10,11,30).
"En
een ander de werkingen der krachten; en een
ander profetie; en een ander onderscheidingen
der geesten; en een ander menigerlei talen; en
een ander uitlegging der talen.
"Doch al deze dingen werkt een en dezelfde
Geest, delende aan een ieder in het bijzonder,
gelijk Hij wil.
"Want gelijk het lichaam een is, en vele leden
heeft, en al de leden van dit ene lichaam, vele
zijnde, maar een lichaam zijn, alzo ook
Christus. "En gij zijt het lichaam van
Christus, en leden in het bijzonder.
"En
God heeft er sommigen in de gemeente gesteld,
ten eerste apostelen, ten tweede profeten, ten
derde leraars, daarna krachten, daarna gaven der
gezondmakingen, helpers, regeringen, menigerlei
talen.
"Zijn zij allen apostelen? Zijn zij allen
profeten? Zijn zij allen leraars? Zijn zij allen
krachten?
"Hebben zij allen gaven der gezondmakingen?
Spreken zij allen met menigerlei talen? Zijn zij
allen uitleggers?
(1
KORINTHIERS 12:10-12,27-30).
Veel evangelisch-christelijke leiders hebben
geprobeerd om de aanspraak van de
Pinksterbeweging te weerleggen door het volgende
vers aan te halen: "spreken soms allen in
tongen?" Sommigen kunnen dus in tongen spreken,
maar niet allen. Dit laat zien dat de
christelijke leiders geen weet hebben van het
onderscheid tussen de twee aspekten van tongen.
Daarom is dit een ongelukkig en onschriftuurlijk
compromis, hetwelk recht in de handen van de
Pinksterleiders speelt.
TONGEN ZIJN VAN GEEN BETEKENIS VOOR DE GEMEENTE
De
apostel Paulus beschrijft in I Korinthe 14 de
beginselen van orde in de Gemeente. Hier maakt
hij duidelijk dat tongen geen nut hadden voor de
gemeente zelf. Zij waren bedoeld als "teken"
voor "dit volk" wat regelmatig de samenkomsten
van de gemeente bezocht. Wanneer in een
samenkomst de gave van tongen in werking was,
moest een ander lid in staat zijn het te
vertalen, (I Korinthe 12:10) zodat de gemeente
opgebouwd kon worden in een taal die zij konden
verstaan:
"Zo
dan, de vreemde talen zijn tot een teken niet
voor hen, die geloven, maar voor de
ongelovigen...indien dan de gehele gemeente
bijeenvergaderd ware, en zij allen in vreemde
talen spraken, en enige ongeleerden of
ongelovigen inkwamen, zouden zij niet zeggen,
dat gij uitzinnig waart?" (I Korinthe 14:5-28)
Opnieuw kunnen wij hier lezen dat de gave van
tongen geen nut had voor de gelovigen of de
gemeente als geheel. Dit is in grote
tegenstelling met de algemene geloofsleer die de
Pinksterbeweging aanhangt, nl. dat tongen
bovenal voor de gelovigen en de samenkomsten en
niet voor de ongelovigen bedoeld zijn.
Daar de gave van profetie ook een onderdeel
vormt van de geloofsleer van de
Pinksterbeweging, zou men zich het volgende
kunnen afvragen: "Welk voordeel geeft het
spreken in tongen (met de daarbij behorende
noodzaak van vertolking) als profetie in de
behoefte kan voorzien?"
"SPREKEN MET GOD"
Aanhangers van de Pinksterbeweging
veronderstellen, dat het spreken in tongen
gegeven is als middel voor de gelovige om
kontakt met God te hebben.
"Want die een vreemde taal spreekt, spreekt niet
voor de mensen, maar voor God; want niemand
verstaat het..." "Die een vreemde taal spreekt,
die sticht zichzelf...." (I Korinthe 14:2,4).
Deze verzen moeten in verband gebracht worden
met de kern van Paulus' onderricht in dit
hoofdstuk. De apostel verklaarde in het
voorgaande hoofdstuk dat er tongen van mensen en
van engelen zijn:
"Al
ware het, dat ik de talen der mensen en der
engelen sprak..." (I Korinthe 13:1).
De
beschrijving in het boek Handelingen laat tongen
zien, die door mensen gesproken werden, alhoewel
degenen, die door de Heilige Geest gebruikt
werden om ze te uiten, (Handelingen 2) ze zelf
niet begrepen. De gave van tongen in de
samenkomst lijkt een tong van engelen te zijn
geweest, welke een hemelse vertolking vereiste.
Dit aspekt bespreekt Paulus in I Korinthe
14:2-4. Het kwam vaak voor dat de gave van
vertolking aanwezig was.
"Maar indien er geen uitlegger is, dat hij
zwijge in de gemeente; doch dat hij tot zichzelf
spreke, en tot God." (I Korinthe 14:28)
Het
in dit geval niet toestaan van de gelovige om in
tongen te spreken, moet niet beschouwd worden
als een bedroeven van de Geest van God, maar
juist aangegrepen worden om geestelijk,
persoonlijk opgebouwd te worden. Dit was
toegestaan toen het spreken in tongen nog van
kracht was, maar nooit en te nimmer werden
tongen specifiek gegeven voor het hebben van
gemeenschap met God.
"TONGEN ZULLEN OPHOUDEN"
Klaarblijkelijk wist de apostel Paulus dat er
een tijd zou komen waarin Israכl (tijdelijk)
opzijgezet zou worden, en dat tegelijkertijd de
tongen ook zouden ophouden te bestaan:
"De
liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij
profetieכn, zij zullen te niet gedaan worden;
hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij
kennis, zij zal te niet gedaan worden." (I
Korinthe 13:8)
Het
is zeer waarschijnlijk dat Paulus deze dingen te
horen kreeg tijdens zijn opmerkelijke ervaring
in de derde hemel (II Korinthe 12:1,2).
"Te
roemen is mij waarlijk niet nuttig; want ik zal
komen tot gezichten en openbaringen des Heeren.
"Ik
ken een mens in Christus, voor veertien jaren
(of het geschied is in het lichaam, weet ik
niet, of buiten het lichaam, weet ik niet, God
weet het), dat de zodanige opgetrokken is
geweest tot in de derde hemel;"
"En
ik ken een zodanig mens (of het in het lichaam,
of buiten het lichaam geschied is, weet ik niet,
God weet het)",
"Dat hij opgetrokken is geweest in het paradijs,
en gehoord heeft onuitsprekelijke woorden, die
het een mens niet geoorloofd is te spreken".
In
I Korinthe 13 gaf de apostel te kennen dat er
meer zou komen, en tegelijkertijd dat tongen
zouden ophouden te bestaan. Dit gebeurde precies
nadat Israכl opzijgezet was. Tekenen, volgens
het apostolische voorbeeld, hielden geleidelijk
op te bestaan. (Bij de steniging van Stefanus
begon de val van Israכl als volk. Het einde kwam
tot stand bij Handelingen 28. Zo is o.a. ook de
gave van tongen geleidelijk aan verdwenen zodat
in Paulus' latere brieven tijdens zijn
gevangenschap, geen tongen meer voorkomen.)
PROFETIE.....TONGEN.....KENNIS
Wij
moeten eerlijkheidshalve opmerken dat het
stoppen van tongen in verband staat met het
voorbijgaan van profetie en kennis.
"De
liefde vergaat nimmermeer; maar hetzij
profetieכn, zij zullen te niet gedaan worden;
hetzij talen, zij zullen ophouden; hetzij
kennis, zij zal te niet gedaan worden. Want wij
kennen ten dele, en wij profeteren ten dele;
Doch wanneer het volmaakte zal gekomen zijn, dan
zal hetgeen ten dele is, te niet gedaan worden.
Toen ik een kind was, sprak ik als een kind; was
ik gezind als een kind, overlegde ik als een
kind; maar wanneer ik een man geworden ben, zo
heb ik te niet gedaan hetgeen van een kind was.
Want wij zien nu door een spiegel in een
duistere rede, maar alsdan zullen wij zien
aangezicht tot aangezicht; nu ken ik ten dele,
maar alsdan zal ik kennen, gelijk ook ik gekend
ben." (I Korinthe 13:8-12)
De
Pinksterbeweging beweert dat kennis, profetie en
tongen nog steeds in ons midden zijn omdat
Christus (het volmaakte) nog niet gekomen is.
Dit lijkt een goede uitleg te zijn, totdat wij
inzien dat het vers niets over de persoonlijke
wederkomst van Christus zegt. De uitdrukking
"van aangezicht tot aangezicht" wijst op de
volheid of de volmaaktheid van kennis over
Christus.
Omdat Gods Woord tijdens de Handelingenperiode
nog niet volmaakt was, gaf God de gemeente
verschillende gaven om hen voortschrijdend in
alle waarheid te leiden, of m.a.w. in de kennis
van Hem, die de Waarheid is.
"Nog vele dingen heb Ik u te zeggen, doch gij
kunt die nu niet dragen.
"Maar wanneer Die zal gekomen zijn, namelijk de
Geest der waarheid, zal Hij u in al de waarheid
leiden; want Hij zal van Zichzelf niet spreken,
maar zo wat Hij zal gehoord hebben, zal Hij
spreken, en de toekomende dingen zal Hij u
verkondigen.
"Die zal Mij verheerlijken; want Hij zal het uit
het Mijne nemen, en zal het u verkondigen.
"Al
wat de Vader heeft, is Mijne; daarom heb Ik
gezegd, dat Hij het uit het Mijne zal nemen, en
u verkondigen.
"Want dezen wordt door den Geest gegeven het
woord der wijsheid, en een ander het woord der
kennis, door denzelfden Geest"
"Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen
niet is bekend gemaakt, gelijk zij nu is
geopenbaard aan Zijn heilige apostelen en
profeten, door den Geest"
"Welker dienaar ik geworden ben, naar de
bedeling van God, die mij gegeven is aan u, om
te vervullen het Woord Gods;
"Namelijk de verborgenheid, die verborgen is
geweest van alle eeuwen en van alle geslachten,
maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen;
"Aan wie God heeft willen bekend maken, welke de
rijkdom der heerlijkheid van deze verborgenheid
is onder de heidenen, welke is Christus onder u,
de Hoop der heerlijkheid. (Johannes 16:13-15, I
Korinthe 12:8, Efeze 3:5, Kolossensen 1:25-27).
Deze voortschrijdende openbaring van kennis
wordt door Paulus het "ten dele" of "onvolkomen"
kennen en profeteren genoemd. Tijdens het
schrijven van zijn brief aan de Korinthiכrs was
de gemeente nog in de "ten dele" - fase van de
voortschrijdende openbaring.
ALLE WAARHEID BEVINDT ZICH NU IN DE BIJBEL
Na
de crisis te Rome, kwam de gemeente tot de
volheid van openbaring. Dat wat eerst "ten dele"
of "onvolkomen" was, was nu voorbijgegaan, en
het "volmaakte" was gekomen. In de brieven aan
de Efeziכrs en de Kolossensen wordt de Gemeente
beschreven als zijnde in hemelse plaatsen in
Christus Jezus, en verborgen met Christus in
God. Vanwege deze hemelse en geestelijke
vereniging van de Gemeente met haar verheven
Hoofd, kan nu waarlijk gezegd worden dat wij Hem
kennen zoals wij door Hem gekend zijn, want zo
nabij en intiem is deze geestelijke eenheid. De
gemeente behoeft niet langer meer door een
spiegel te zien, wazig zoals in de "ten dele" -
periode. Evenmin is het niet meer nodig om in
een staat van onvolwassenheid te leven aangaande
de kennis van Christus, want dat wat volmaakt
is, is gekomen en nu terug te vinden in de
Bijbel. God heeft alles wat voor deze tijd van
genade nodig is al geopenbaard, en daarom
bestaat er nu geen behoefte meer aan profetieכn,
de manier waarop eerst aan de Gemeente de
openbaringen bekendgemaakt werden.
Als
we vandaag met profetie te maken hebben, dan
weten we dat er een ander "woord van God" naast
dat wat wij in de Bijbel hebben, gebracht wordt,
en dat is onaanvaardbaar.
Wij
behoren echter in de geopenbaarde wil van God,
in Zijn Woord, ingewijd te worden door de
bediening van geestelijke leraren en het
onderzoek van de Schriften. Ons gemis aan kennis
en begrip, verandert niets aan het feit, dat
alle waarheid voor eens en voor altijd in de
Bijbel te vinden is. Wij moeten onderscheid
maken tussen het kennen van Christus in de
tegenwoordige tijd door de openbaring van de
Geest:
"Hem verkondigen wij, vermanende een ieder mens,
en lerende een ieder mens in alle wijsheid,
opdat wij een ieder mens volmaakt zouden stellen
in Christus Jezus;" (Kolossensen 1:28).
en
het van aangezicht tot aangezicht zien van Hem
op die toekomstige en wonderbare dag van onze
ontmoeting met Hem:
"Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij
ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Here
Jezus Christus; Die ons vernederd lichaam
veranderen zal, opdat het gelijkvormig worde aan
Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor
Hij ook alle dingen Zichzelf kan onderwerpen." (Filippensen
3:20-21)
Wat is het
gemakkelijk om in dwaling geleid te worden als
wij falen om "het Woord der waarheid recht te
snijden", of het Evangelie van Gods genade, de
prediking van de Here Jezus Christus naar de
openbaring van het geheimenis, goed te
onderscheiden. |