|
HOOFDSTUK II
EEN OPEN BIJBEL
De
leer van de zogenaamde Pinksterbeweging wordt
aan het publiek met een open Bijbel aangeboden.
Een poging om deze leer oppervlakkig te
weerleggen doet de zaak geen recht.
Een
onderzoek naar de verschillende meningen van
zogenaamde christelijke leiders die nooit
persoonlijk aan de beweging en haar aktiviteiten
hebben deelgenomen, leid mij tot de volgende
konklusie: een goede weerlegging van deze leer
vereist iemand die zelf helemaal betrokken is
geweest bij de Pinksterbeweging en daar later
door verder onderzoek van Gods Woord,
rechtgesneden, daaruit is gekomen. Dit is
beslist noodzakelijk om de ingewikkelde punten
van het probleem volledig te kunnen verklaren,
en later niet als onkundige aangaande het
onderwerp beschouwd te worden.
Om
de onderwerpen "wonderen" en "het spreken in
tongen" in het bijzonder, zo eenvoudig mogelijk
te houden, behandelen wij het in de vorm van een
Bijbelstudie. Wij willen graag de aandacht
vestigen op het feit dat wij hier niet de nadruk
op het werk van de Heilige Geest in deze tijd
leggen, maar op de bewijzen waaraan de
aanhangers van de Pinksterbeweging zich
vasthouden en die volgens hen erbij horen.
HET RECHT SNIJDEN VAN
HET WOORD DER WAARHEID
(HET JUIST INDELEN VAN
DE BIJBEL)
"Benaarstig
u, om uzelf Gode beproefd voor te stellen, een
arbeider, die niet beschaamd wordt, die het
Woord der waarheid recht snijdt." (II Timothes
2:15)
God
heeft in Zijn plan besloten om tekenen aan de
wereld te geven, waaronder ook het spreken in
tongen. Het is onze verantwoordelijkheid Gods
Woord te onderzoeken om hiervoor de juiste
verklaring te vinden. Wanneer wij dat doen,
moeten we ons goed realiseren dat de Goddelijke
principes zoals heiligheid, rechtvaardigheid
e.a., nooit veranderen. Maar Gods manier van
omgang met de mens is wel veranderd. In de
Bijbel wordt onderscheid gemaakt tussen twee
programma's nl. tussen Gods profetische
programma en Gods plan met de Gemeente, het
lichaam van Christus.
Dit
had de apostel Paulus in gedachten toen hij
Timothes vermaande om "het Woord der waarheid
recht te snijden". Met die gedachte voor ogen
bespreken wij ons onderwerp. Wij raden de lezer
aan om een open Bijbel te gebruiken naast onze
opmerkingen. Wij bespreken belangrijke zaken en
wij hebben de Geest van wijsheid en openbaring
(Efeze 1:17) nodig om het Woord van God te
begrijpen.
DE
BETEKENIS VAN WONDEREN (MARKUS 2:3-13)
"En er kwamen
sommigen tot Hem, brengende een verlamde, die
door vier gedragen werd. En toen zij niet tot
Hem konden naderen, vanwege de schare, maakten
zij het dak open, waar Hij was, en dat
opgebroken hebbende, lieten zij het beddeke
neer, waar de verlamde op lag. En Jezus, hun
geloof ziende, zeide tot de verlamde: Zoon, uw
zonden zijn u vergeven. En sommigen van de
Schriftgeleerden zaten aldaar, en overdachten in
hun harten : Wat spreekt Deze aldus
godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven, dan
alleen God? En Jezus, terstond in Zijn geest
bekennende, dat zij alzo in zichzelf
overdachten, zeide tot hen: Wat overdenkt gij
deze dingen in uw harten? Wat is lichter, te
zeggen tot de verlamde: De zonden zijn u
vergeven, of te zeggen: Sta op, en neem uw
beddeke op, en wandel? Doch opdat gij moogt
weten, dat de Zoon des mensen macht heeft, om de
zonden op de aarde te vergeven (zeide Hij tot de
verlamde): Ik zeg u: Sta op, en neem uw beddeke
op, en ga heen naar uw huis. En terstond stond
hij op, en het beddeke opgenomen hebbende, ging
hij uit in aller tegenwoordigheid; zodat zij
zich allen ontzetten, en God verheerlijkten,
zeggende: Wij hebben nooit zoiets gezien!
De genezing
van de verlamde man is een wonder dat ons een
sleutel in handen geeft. Het laat ons nl. zien
dat achter elk lichamelijk en materiכel teken
een geestelijke gedachte en bedoeling ligt. De
Heer vertoonde nooit Zijn kracht om louter
sensationele redenen. Het was Zijn bedoeling om
Zijn Goddelijke natuur te bewijzen, en daarmee
dat Hij Gods Zoon was. Want uiteindelijk kan
alleen Gods Zoon de zonde van anderen vergeven."Doch
opdat gij moogt weten, dat de Zoon des mensen
macht heeft om de zonden op de aarde te
vergeven" (vers 10).
"Jezus dan
heeft nog wel vele andere tekenen in de
tegenwoordigheid van Zijn discipelen gedaan, die
niet zijn geschreven in dit boek; Maar deze zijn
geschreven, opdat gij gelooft, dat Jezus is de
Christus, de Zoon van God; en opdat gij,
gelovende, het leven hebt in Zijn Naam."
(Johannes 20:30,31)
Al
de wonderen, zoals het opwekken van doden, het
genezen van blinden, het laten horen van doven,
het laten spreken van stommen en het laten lopen
van lammen, waren onderdelen van de krachtige
verkondiging van het aardse Koninkrijk en
hoofdzakelijk bestemd voor het Joodse volk (I
Korinthe 1:22).
"En heengaande
predikt, zeggende: Het Koninkrijk der hemelen is
nabij gekomen. Geneest de kranken; reinigt de
melaatsen; wekt de doden op; werpt de duivelen
uit. Gij hebt het om niet ontvangen, geeft het
om niet." (Matthes 10:7,8)
EEN SPECIFIEKE OPROEP
Tekenen en wonderen bevatten niettemin ook een
specifieke oproep. God gebruikte tekenen en
wonderen om Zijn volk, het volk Israכl, te
roepen.
"Hoor, gij hemelen! en neem ter ore, gij aarde!
want de Here spreekt: Ik heb kinderen groot
gemaakt en verhoogd; maar zij hebben tegen Mij
overtreden." (Jesaja 1:2)
Deze profetie was bedoeld voor Israכl in het
algemeen en voor Juda in het bijzonder (Jesaja
1). Dit woord werd tot hen gesproken vanwege hun
morele en geestelijke achteruitgang, en omdat ze
een tegenwerkend volk waren. Zo was de situatie
van het volk Israכl al vanaf de uittocht uit
Egypte. Het was Gods bedoeling om de heidenen
door dit verbondsvolk te zegenen en om het
Koninkrijk der hemelen op aarde te openbaren,
door Israכl's geestelijke en politieke macht
(Matthes 6:10, Handelingen 1:6).
"DIT VOLK"
"Toen zeide
Hij: Ga heen, en zeg tot dit volk: Horende
hoort, maar verstaat niet, en ziende ziet, maar
merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet en
maak hun oren zwaar, en sluit hun ogen, opdat
het niet zie met zijn ogen, noch met zijn oren
hore, noch met zijn hart versta, noch zich
bekere, en Hij het geneze." (Jesaja 6:9-10).
Dit
is ייn van de belangrijkste verzen in verband
met ons onderwerp en wel om meer dan ייn reden.
De opdracht die God aan Jesaja gaf, omvat de
grondbeginselen voor elke situatie waaraan
Israכl onderworpen was.
1)
In deze toestand van rebellie en achteruitgang
wordt Israכl "dit volk" genoemd. Wanneer deze
term later in Gods Woord gebruikt wordt,
verwijst het naar Israכl als volk.
2)
Gods boodschappers en hun boodschappen aan "dit
volk" worden vaak bevestigd door tekenen voor de
zintuigen oor en oog.
3)
Ondanks dit alles wil Israכl zich niet bekeren.
Dezelfde verzen werden door de Here Zelf
aangehaald toen Hij tot de Zijnen kwam en de
Zijnen Hem niet aannamen:
"En in hen
wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt:
Met het gehoor zult gij horen, en geenszins
verstaan; en ziende zult gij zien, en geenszins
bemerken. Want het hart van dit volk is dik
geworden, en zij hebben met de oren zwaarlijk
gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan; opdat
zij niet te eniger tijd met de ogen zouden zien,
en met de oren horen, en met het hart verstaan,
en zich bekeren, en Ik hen geneze." (Matthes
13:14,15)
"En hoewel
Hij zovele tekenen voor hen gedaan had, nochtans
geloofden zij in Hem niet;" (Johannes 12:37-41).
DE JODEN BEGEREN EEN
TEKEN
Niet alleen
de Joden begeren een teken, maar eigenlijk
iedereen. Men ziet liever dingen dan dat men
alleen moet geloven dat zij bestaan. Het feit
dat de Jood een teken begeert, begint al heel
lang geleden. God koos het volk Israכl niet uit
vanwege hun rechtvaardigheid, maar vanwege Zijn
belofte aan de vaderen:"...om het woord
te bevestigen, dat de Here, uw God, aan uw
vaderen...gezworen heeft." (Deuteronomium 9:4,5)
God heeft een
plan met het volk, maar om dit hardnekkige volk
te overtuigen van Zijn doel, maakte God gebruik
van wonderen en tekenen. Wonderen werden niet
zomaar verricht, maar de tekenen hadden een
specifiek doel: om de Jood telkens weer van de
aanwezigheid en de wil van God te overtuigen:"Aangezien
de Joden een teken begeren, en de Grieken
wijsheid zoeken;" (I Korinthe 1:22).
De Jood
vraagt een teken, maar de Griek zoekt wat
anders! Zolang Israכl de hoofdrol speelt in Gods
programma zullen tekenen en wonderen daarom een
deel daarvan uitmaken. Zo was het ook in het
begin toen God aan Mozes een opdracht gaf:"Toen
antwoordde Mozes, en zeide: Maar zie, zij zullen
mij niet geloven, noch mijn stem horen;..."
(Exodus 4:1).
God gaf Mozes
een middel om "dit volk" te overtuigen. Ook Gods
Zoon, Degene Die tot de Zijnen gekomen was,
bevestigde Zijn boodschap met wonderen en
tekenen:"Hoe
zullen wij ontvlieden, indien wij op zo grote
zaligheid geen acht nemen? Welke, begonnen
zijnde verkondigd te worden door de Here, aan
ons bevestigd is geworden door degenen, die Hem
gehoord hebben; God bovendien medegetuigende
door tekenen, en wonderen, en menigerlei
krachten en bedelingen van de Heilige Geest,
naar Zijn wil." (Hebreeכn 2:3,4)
God
gaat met mensen om volgens een bepaald plan en
doel. Ook de wonderen en tekenen vallen
hieronder. Wanneer men een bepaald aspekt van
Gods plan uit zijn verband haalt, doet men ten
eerste Gods plan en doel tekort en ten tweede
past men bijbelse beloften verkeerd toe.
Uiteindelijk wordt de medegelovige hiervan de
dupe: het wekt nl. valse hoop bij hem op en
brengt hem in verwarring.
De
tekenen en wonderen zijn oorspronkelijk voor de
Jood bedoeld. Dit wil niet zeggen dat de
heidenen van minder belang zijn. Dit behoren we
goed te onthouden, want dat brengt ons een stap
verder in ons onderzoek naar Gods plan en doel
in deze bedeling van genade.
ISRAEL EN DE GEMEENTE
IN EEN GROTE CRISIS
"Want het hart van dit
volk is dik geworden, en met de oren hebben zij
zwaar gehoord, en hun ogen hebben zij toegedaan;
opdat zij niet te eniger tijd met de ogen zouden
zien, en met de oren horen, en met het hart
verstaan, en zij zich bekeren, en Ik hen
geneze." (Handelingen 28:27-29)
Laten wij nu Handelingen 28:27-29 vergelijken
met Jesaja 6:9-10, zodat we aandacht kunnen
schenken aan de periode tussen de steniging van
Stefanus (Handelingen 7:51-60) en de tijdelijke
opzijzetting van Israכl als zijnde Gods volk, de
periode gedurende welke God een speciaal belang
stelde in Israכl als volk. Deze gebeurtenissen
tesamen met hun achtergrond behoren met grote
aandacht onderzocht te worden.
Het
boek Handelingen geeft ons een duidelijke
beschrijving van de bekering van de apostel
Paulus, maar er gebeurde ook iets dat voor ons
van groot belang is, nl. de steniging van
Stefanus (Handelingen 7:54-60). Dit is een
klimax in Gods relatie met Israכl, en een
aanleiding voor de verandering van Zijn
programma.
" Toen zij
dit hoorden, berstten hun harten, en zij
knersten de tanden tegen hem; Maar hij, vol
zijnde van de Heilige Geest, en de ogen houdende
naar de hemel, zag de heerlijkheid Gods, en
Jezus, staande ter rechterhand Gods; En hij
zeide: Ziet, ik zie de hemelen geopend, en de
Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods;
Maar zij, roepende met grote stem, stopten hun
oren, en vielen eendrachtig op hem aan; En
wierpen hem ter stad uit, en stenigden hem; en
de getuigen legden hun klederen af aan de voeten
van een jongeling, genaamd Saulus; En zij
stenigden Stefanus, die aanriep en zeide: Heere
Jezus, ontvang mijn geest" En vallende op de
knieen, riep hij met grote stem: Heere, reken
hun deze zonde niet toe! En toen hij dat gezegd
had, ontsliep hij" (Handelingen 7:54-60).
DE DRUPPEL, DIE DE
EMMER DEED OVERLOPEN
De
steniging van Stefanus heeft meer betekenis dan
alleen het gooien van stenen naar iemand. Ook de
vervolgingen die daarna plaatsvonden, laten ons
zien dat het volk Israכl tegen God en Diens wil
om Zijn koninkrijk op aarde te vestigen, (Psalm
2:2) een oorlog voerden.
Het
volk Israכl was uitverkoren voor de taak om Gods
zegening naar de wereld te brengen. Volgens het
profetische Woord zal de Messias als Koning
vanuit Jeruzalem over de hele wereld gaan
regeren (Jesaja 2:2-5; 11:10, Handelingen
3:25,26).
" En het zal
geschieden in het laatste der dagen, dat de berg
van het huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op
de top der bergen, en dat hij zal verheven
worden boven de heuvels, en tot hem zullen alle
heidenen toevloeien". "En vele volken zullen
heengaan en zeggen: Komt, laat ons opgaan tot de
berg des HEEREN, tot het huis van de God Jakobs,
opdat Hij ons lere van Zijn wegen, en dat wij
wandelen in Zijn paden; want uit Sion zal de wet
uitgaan, en het woord des HEEREN uit Jeruzalem.
"En Hij zal
richten onder de heidenen, en bestraffen vele
volken; en zij zullen hun zwaarden slaan tot
spaden, en hun spiesen tot sikkels; het ene volk
zal tegen het andere volk geen zwaard opheffen,
en zij zullen geen oorlog meer leren".
"Komt, gij
huis van Jakob, en laat ons wandelen in het
licht des HEEREN". (Jesaja 2:2-5).
"Gij zijt
kinderen van de profeten, en van het verbond,
dat God met onze vaderen opgericht heeft,
zeggende tot Abraham: En in uw zaad zullen alle
geslachten der aarde gezegend worden.
"God, opgewekt
hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem eerst tot u
gezonden, dat Hij u zegenen zou, daarin dat Hij
een ieder van u afkere van uw boosheden".
"En het zal geschieden
in het laatste der dagen, dat de berg van het
huis des HEEREN zal vastgesteld zijn op de top
der bergen, en dat hij zal verheven worden boven
de heuvels, en tot hem zullen alle heidenen
toevloeien". (Handelingen 3:25,26).
Uit het boek
Handelingen kunnen wij duidelijk konstateren dat
de meerderheid van het volk weinig aandacht
schonk aan de drie toespraken van Petrus
(Handelingen 2:14-37; 3:12-25; 4:7-12). En het
einde van Stefanus' toespraak had zijn steniging
tot de dood tot gevolg (Handelingen 7:2-53).
Deze houding van het volk liet een duidelijke
boodschap zien, namelijk dat men Jezus onder
geen enkele voorwaarde wilde laten regeren. Zij
accepteerden de Koning niet!
Lezer vergist
u niet! Al eerder had Israכl God de Vader als
hun Koning verworpen (I Samuכl 8:7).
"Doch de Heere zeide tot Samuכl:Hoor
naar de stem des volks in alles, wat zij tot u
zeggen zullen; want zij hebben u niet verworpen,
maar zij hebben Mij verworpen, dat Ik geen
Koning over hen zal zijn".
Tevens lieten
zij Gods Zoon kruisigen (Markus 15:13-14,23-26).
En ten derde werd het getuigenis van Gods Geest
niet aanvaard (Handelingen 7:51). In dit stadium
werden de woorden van de Here Jezus toen Hij nog
op aarde was vervuld nl: "En zijn
burgers haatten hem, en zonden gezanten achter
hem aan, zeggende: Wij willen niet, dat deze
over ons koning is." (Lukas 19:14).
Toen zij
Stefanus stenigden en lasterden tegen de Heilige
Geest, begingen zij een zonde die niet vergeven
kon worden, "Daarom zeg Ik u: Alle zonde
en lastering zal den mensen vergeven worden;
maar de lastering tegen den Geest zal den mensen
niet vergeven worden" (Matthes
12:31-32 en Markus 3:28). Op dit punt ontstond
er, tijdelijk, een verandering in Gods
programma. God riep een nieuwe apostel met een
nieuwe boodschap: "de boodschap van Gods
genade". Het is deze apostel die later
geןnspireerd door de Heilige Geest zei:
"Het zij u
dan bekend, dat de zaligheid Gods tot de
heidenen gezonden is, (zonder
verbondsvoorrechten of nationale voorrang) en
dezen zullen horen. En toen hij dit gezegd had,
gingen de Joden weg, veel twisting hebbende
onder elkander." (Handelingen 28:28,29)
DE GEVOLGEN VAN HET
GEINSPIREERDE OORDEEL
Het
geןnspireerde oordeel over "dit volk" toont
verschillende dingen aan. Tot het moment waarop
Stefanus gestenigd werd, stond Israכl als volk
centraal in Gods programma en werd
vertegenwoordigd door haar officiכle leiders.
Tot dat moment vormden de hiermee samenhangende
kenmerken van tekenen en wonderen een onderdeel
van het Evangelie (Markus 16:15-20).
De
opzijzetting van Israכl door de verandering in
Gods plan en Evangelie, had als logisch gevolg
dat de tekenen tot "dit volk" ook opzijgezet
werden (dat gebeurde evenwel niet tegelijkertijd
maar geleidelijk). Dit wordt bevestigd door het
feit dat er na Handelingen 28 geen
Schriftuurlijke aantekening gemaakt wordt van
tekenen en wonderen, zoals bijv. genezingen. (in
overeenstemming met het apostolische voorbeeld)
Integendeel, er is sprake van een duidelijke
afwezigheid hiervan:"En
hij is ook ziek geweest tot nabij de dood; maar
God heeft Zich over hem ontfermd; en niet alleen
over hem, maar ook over mij, opdat ik niet
droefheid op droefheid zou hebben." (Filippensen
2:27)
"Drink niet langer
water alleen, maar gebruik een weinig wijn, om
uw maag en uw menigvuldige zwakheden." (I
Timothes 5:23)
"Erastus is te
Korinthe gebleven; en Trofimus heb ik te Milete
krank gelaten." (II Timothes 4:20)
Deze definitieve opzijzetting van Israכl vond
zonder twijfel plaats als resultaat van het feit
dat Israכl een drieledige oproep verworpen had,
nl. die van God de Vader, toen zij net als de
andere volken, een koning wilden hebben (I
Samuכl 8:7), God de Zoon aan het kruis, en God
de Heilige Geest, bij de steniging van Stefanus,
(Handelingen 7:50-51).
Het
Evangelie van de genade van God en het aanbod
van het eeuwige leven door Jezus Christus, Gods
geliefde Zoon, aan de heidenen, werd als eerste
aan de apostel Paulus bekendgemaakt. De crisis
van Handelingen 7 bracht de gemeente te
Jeruzalem in een nieuwe positie, nl. die van
vervolgingen (Handelingen 8:1). Tegelijkertijd
riep God een nieuwe apostel om een ander doel
bekend te maken welke tot die tijd geheim was
gehouden. Dit alles staat geschreven in de
brieven van Paulus. (Wij merken op dat het voor
de lezer van groot belang is om na te gaan of de
brieven voor of na Handelingen 28 geschreven
zijn.)
Tijdens het Pinksterfeest werd de gemeente te
Jeruzalem nog steeds door de Heilige Geest
gebruikt om te getuigen tot de Joden,
(Handelingen 2:5). Na de steniging van Stefanus
en de roeping van de apostel Paulus, lezen wij
dat het Evangelie ook naar de heidenen ging.
Tijdens de hele Handelingenperiode had de Jood,
wat het aanbod van het Evangelie betrof, nog
steeds voorrang boven de Griek. Tijdens deze
periode werd de brief aan de Romeinen geschreven
en de uitdrukking: "Eerst voor de Jood"
(Romeinen 1:16), past bij deze achtergrond.
"Want ik
schaam mij het Evangelie van Christus niet; want
het is een kracht Gods tot zaligheid een ieder,
die gelooft, eerst de Jood, en ook de Griek."
Dit
is een klein voorbeeld van de noodzaak om het
Woord recht te snijden (tussen het Evangelie van
het Koninkrijk en het Evangelie van Gods genade,
tussen de twaalf discipelen en de ene apostel,
de apostel Paulus).
Met
de steniging van Stefanus en de opzijzetting van
Israכl aan het einde van het
Handelingentijdperk, verdween het kenmerk van
voorrecht en voorrang. Vandaag neemt Israכl wat
de aanspraak op het Evangelie betreft dezelfde
plaats in als ieder ander volk. Zo zal de
situatie blijven totdat het volk weer door God
aangenomen wordt na de opname van de gemeente.
Het Evangelie is nu gericht tot "eenieder",
zonder onderscheid van persoon of ras:
"Want er is
geen onderscheid, noch van Jood noch van Griek;
want ייnzelfde is Here van allen, rijk zijnde
over allen, die Hem aaroepen; want een ieder,
die de Naam des Heren zal aanroepen, zal zalig
worden." (Romeinen 10:12,13)
"Want in
Christus Jezus heeft noch besnijdenis enige
kracht, noch voorhuid, maar een nieuw schepsel."
(Galaten 6:15)
"Maar nu in
Christus Jezus, zijt gij, die eertijds verre
waart, nabij geworden door het bloed van
Christus. Want Hij is onze vrede, die deze
beiden ייn gemaakt heeft, en de middelmuur des
afscheidsels gebroken hebbende," (Efeze
2:13-19).
De
Gemeente, "het lichaam van Christus" wordt als
"ייn lichaam" gezien. Er is geen verschil tussen
Jood of heiden, geen tussenmuur die scheiding
maakt. De Gemeente strijdt niet langer tegen
vlees en bloed; ze strijdt nu tegen de overheden
en machten in de hemelse gewesten, (Efeze 6:12).
Deze strijd is voornamelijk een geestelijke
aangelegenheid, en de tekenen voor de gevallen
menigten der duisternis zijn niet van
lichamelijke of materiכle aard. De tekenen voor
vandaag zijn de kracht van het kruis, het
eeuwige leven, de oneindige liefde, en de vrucht
van de Geest. Nu wordt Christus in Zijn heiligen
geopenbaard (Efeze 3:14-20, Galaten 5:22).
" Om deze
oorzaak buig ik mijn knieen tot de Vader van
onze Heere Jezus Christus, Uit Wie al het
geslacht in de hemelen en op de aarde genaamd
wordt, Opdat Hij u geve, naar de rijkdom Zijner
heerlijkheid, met kracht versterkt te worden
door Zijn Geest in de inwendige mens; Opdat
Christus door het geloof in uw harten wone, en
gij in de liefde geworteld en gegrond zijt;
Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de
heiligen, welke de breedte en lengte, en diepte,
en hoogte is, En bekennen de liefde van
Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij
vervuld wordt tot al de volheid Gods. Hem nu,
Die machtig is meer dan overvloedig te doen,
boven al wat wij bidden of denken, naar de
kracht, die in ons werkt, Hem, zeg ik, zij de
heerlijkheid in de Gemeente, door Christus
Jezus, in alle geslachten, tot alle eeuwigheid.
Amen."
DE BETEKENIS VAN
MARKUS 16:17-20
"En Hij zeide
tot hen; Gaat heen in de gehele wereld, predikt
het Evangelie aan alle kreaturen. Die geloofd
zal hebben, en gedoopt zal zijn, zal zalig
worden; maar die niet zal geloofd hebben, zal
verdoemd worden. En hen, die geloofd zullen
hebben, zullen deze tekenen volgen; in Mijn Naam
zullen zij duivelen uitwerpen; met nieuwe tongen
zullen zij spreken. Slangen zullen zij opnemen;
en al is het, dat zij iets dodelijks zullen
drinken, dat zal hun niet schaden; op kranken
zullen zij de handen leggen, en zij zullen
gezond worden." (Markus 16:15-18)
In
het licht van het voorgaande is het nu voor ons
gemakkelijk te begrijpen waarom de Here de
tekenen van vers 17 aan de prediking van het
Koninkrijks-evangelie toegevoegd heeft. De
Pinksterbeweging baseert op o.a. deze Schriften
de stelling dat tekenen vandaag nog geldig zijn.
Laten we dit eens aandachtig beschouwen.
Het
is nu niet moeilijk voor te stellen dat de
tekenen en wonderen een belangrijk onderdeel
vormden van het Koninkrijks-evangelie. Israכl,
"dit volk", staat centraal. Men zou de volgende
vraag kunnen stellen: "Waarom vertelde de Here
niet dat de tekenen op een zeker tijdstip zouden
ophouden?" Hierop is een eenvoudig antwoord te
geven. In Johannes 16:12 staat dat de Here aan
Zijn discipelen vertelt dat er vele dingen zijn
die Hij hen wil vertellen, maar dat zij het nu
niet kunnen dragen :
"Nog vele
dingen heb Ik u te zeggen, doch gij kunt die nu
niet dragen."
Het
was de taak van de Heilige Geest om hen tot de
kennis van deze dingen te leiden. Dit werd
uiteindelijk vervuld (zie o.a. Efeze 3:5,
Kolossensen 1:25). De Here kende de beperkte
Messiaanse kennis van Zijn discipelen
(Handelingen 1:6). Hij wist dat zij de
acceptatie van de Samaritanen en vooral van de
heidenen moeilijk zouden aannemen, (zie
Handelingen 10)*
Opmerkelijk is ook dat de Here niet zei: "Deze
tekenen zijn VOOR hen die geloven", maar
"degenen die geloofd zullen hebben, zullen deze
tekenen VOLGEN".
In
vers 20 van Markus 16 wordt deze positie nog
duidelijker gemaakt:
"En
zij, uitgegaan zijnde, predikten overal, en de
Here (niet de discipelen) werkte mee, en
bevestigde het Woord door tekenen, die daarop
volgden. Amen."
God
bevestigde Zijn Woord aan "dit volk", vanuit de
hemel, door tekenen die er op volgden. Dit is in
overeenstemming met Jesaja 6:9,10, en het feit
dat de "Joden een teken begeren", (I Korinthe
1:22).
"Toen zeide Hij: Ga
heen, en zeg tot dit volk: Horende hoort, maar
verstaat niet, en ziende ziet, maar merkt niet
op.
"Maak
het hart van dit volk vet, en maak hun oren
zwaar, en sluit hun ogen, opdat het niet zie met
zijn ogen, noch met zijn oren hore, noch met
zijn hart versta, noch zich bekere, en Hij het
geneze. (Jesaja 6:9,10),
PINKSTEREN EN DE
PROFETIE VAN JOEL
Er
is veel gesproken over Petrus' citaat uit de
profetie van Joכl op de Pinksterdag:
"En het zal
zijn in de laatste dagen, (zegt God) Ik zal
uitstorten van Mijn Geest op alle vlees; en uw
zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw
jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouden
zullen dromen dromen." (Handelingen 2:17)
De
profetie van Joכl gaat in het bijzonder over de
dag des Heren, het oordeel over de volken en de
daarop volgende zegen over het land en het volk
van Israכl. Deze profetie heeft niets te maken
met de huidige Gemeente in deze bedeling, "het
lichaam van Christus".
Dit
zal pas in de toekomst, na de opname van de
Gemeente, plaatsvinden. Het zullen de "spade
regen" en de "laatste dagen" van Israכl's
bewogen geschiedenis zijn. Deze profetie gaat
niet over de "laatste dagen" van deze bedeling
van genade (II Timothes 3:1), waarin wij, als
leden van de Gemeente, "het lichaam van
Christus", nu leven,
"Doch de Geest
zegt duidelijk, dat in de laatste tijden
sommigen zullen afvallen van het geloof, zich
begevende tot verleidende geesten, en leringen
der duivelen,
"Door geveinsdheid der
leugensprekers, hebbende hun eigen geweten als
met een brandijzer toegeschroeid"
"Verbiedende
te huwen, gebiedende zich van spijzen te
onthouden, die God geschapen heeft, tot
nuttiging met dankzegging, voor de gelovigen, en
die de waarheid hebben bekend"
(1 Timotheus 4:1-4).
"En weet dit, dat in
de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden.
"Want de mensen zullen zijn liefhebbers van
zichzelf, geldgierig, laatdunkend, hovaardig,
lasteraars, de ouders ongehoorzaam, ondankbaar,
onheilig. "Zonder natuurlijke liefde,
onverzoenlijk, kwaadsprekers, onmatig, wreed,
zonder liefde tot de goeden, "Verraders,
roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der
wellusten dan liefhebbers Gods; "Hebbende een
gedaante van godzaligheid, maar die de kracht
daarvan verloochend hebben. Heb ook een afkeer
van dezen. (2 Timotheus 3:1-5).
maar over de laatste dagen van het profetische
programma. Op de Pinksterdag waren alle
mogelijkheden aanwezig voor het in vervulling
gaan van deze profetie. De enige vereiste was
dat Israכl's leiders zich tot de Here zouden
wenden en Zijn Naam zouden aanroepen. Dan zou
Hij naar de aarde terugkomen en de tijden van
verademing zouden aanbreken.
--------
* Wij willen
hier nadrukkelijk vermelden dat de voornaamste
reden van Gods zwijgen over wat nog plaats zou
moeten vinden, de bedeling van Gods genade is,
die op dat moment nog geheim werd gehouden. De
val van Israכl (Romeinen 11:25) maakt deel uit
van een ander Evangelie. Het Evangelie van Gods
genade werd als eerste aan de apostel Paulus
bekendgemaakt (Efeze 3:1-9).
"Gij zijt
kinderen der profeten, en van het verbond, dat
God met onze vaderen opgericht heeft, zeggende
tot Abraham: En in uw zaad zullen alle
geslachten der aarde gezegend worden. God,
opgewekt hebbende Zijn Kind Jezus, heeft Hem
eerst tot u gezonden, dat Hij u zegenen zou,
daarin dat Hij een ieder van u afkere van uw
boosheden." (Handelingen 3:25-26)
De
geestelijke kracht en de wonderbaarlijke
demonstratie van het in tongen spreken waren
bedoeld als tekenen voor Israכl dat een dag van
Messiaanse mogelijkheden aangebroken was. Daarom
ook citeerde Petrus, geןnspireerd door de
Heilige Geest, de profetie van Joכl en
verklaarde:
"Maar dit is het, wat
gesproken is door de profeet Joכl:" (Handelingen
2:16).
Het
is interesssant om op te merken dat alleen de
geestelijke uitingen van deze profetie
geopenbaard werden. De kosmische tekenen, die
ook genoemd worden, vonden niet plaats. Deze
tekenen in de hemelen en op de aarde worden pas
geopenbaard als de Messias naar de aarde
terugkeert in kracht en majesteit (Matthes
24:29,30).
"En terstond na de
verdrukking van die dagen, zal de zon
verduisterd worden, en de maan zal haar
schijnsel niet geven, en de sterren zullen van
de hemel vallen, en de krachten der hemelen
zullen bewogen worden.
"En alsdan zal in de
hemel verschijnen het teken van de Zoon des
mensen; en dan zullen al de geslachten der aarde
wenen, en zullen de Zoon des mensen zien,
komende op de wolken des hemels, met grote
kracht en heerlijkheid".
Wat
heeft Israכl een gouden kans gemist. Wij
vertrouwen erop dat het nu voor de lezer
duidelijk is dat deze profetie niet spreekt over
de Gemeente van vandaag, zoals de Pinksterleer
ons wil laten geloven.
GEBEURTENISSEN MET EEN
MESSIAANSE ACHTERGROND
Er
zijn veel belangrijke aspekten in het
profetische programma waaraan wij aandacht
behoren te schenken. De interessantste daarvan
is de aanwijzing van Matthias als de twaalfde
apostel. Als Israכl zich als volk op de
Pinksterdag tot de Heer bekeerd zou hebben, zou
de Messias teruggekomen zijn, tezamen met de
tijden van verademing (zie de toespraak van
Petrus in Handelingen 3). Er zouden op dat
moment maar elf apostelen geweest zijn om op de
twaalf tronen van Israכl te zitten (Lukas
22:30). Het was dus absoluut noodzakelijk dat
voor Pinksteren de twaalfde apostel aangewezen
zou worden!
Let
ook op de termen die de apostel Petrus tijdens
zijn toespraak op de Pinksterdag gebruikte: "Gij
Israכlietische mannen". Zijn toespraak was dus
alleen gericht tot het volk Israכl! "Want u (Israכlieten)
komt de belofte toe, en uw kinderen, en allen, (Israכlieten)
die daar verre zijn, (zelfs te Rome) zovelen (Israכlieten)
als er de Here, onze God toe roepen zal."
De
geestelijke en hemelse betekenis van Pinksteren,
nl. de verheerlijking van Christus, geldt
evenzeer voor de Gemeente van vandaag als toen
op de Pinksterdag (Efeze 1:3; 2:6). Maar de
nationale betekenis van Pinksteren als een
historische gebeurtenis geldt alleen voor het
volk Israכl. Dit is het "Woord der waarheid
recht snijden". |