|
WIE ZIJN DE SCHAPEN VAN JOHANNES 10?
“Joh.10:11: Ik ben de
goede Herder; de goede herder stelt zijn leven voor de schapen”.
“Joh.10:14-16: 14 Ik ben
de goede Herder; en Ik ken de Mijnen, en worde van de Mijnen gekend.
15 Gelijkerwijs de Vader Mij kent, alzo ken Ik ook den Vader; en Ik
stel Mijn leven voor de schapen. 16 Ik heb nog andere schapen, die
van dezen stal niet zijn; deze moet Ik ook toebrengen; en zij zullen
Mijn stem horen; en het zal worden een kudde, en een Herder”.
De schrijver van de brief
aan de Hebreeën noemt Christus: “Hebr.13:20: den grote Herder der
schapen”.
Petrus noemt Christus:
“1Petrus 2:25: den Herder en Opziener uwer zielen”.
De brief aan de Hebreeën is
aan Israël geschreven. Petrus schreef aan de verstrooide stammen van
Israël.
Maar naar wie verwees
Christus als: “de andere schapen”?
We weten dat, toen Christus
op aarde was, Hij tot Israël sprak.
Laat ons eens kijken naar
Matth.15:24, 26 om te zien wat Christus zei tegen de Heidense vrouw:
“24 Maar Hij,
antwoordende, zeide: Ik ben niet gezonden, dan tot de verloren
schapen van het huis Israels. 26 Doch Hij antwoordde en zeide: Het
is niet betamelijk het brood der kinderen te nemen, en den hondekens
voor te werpen”.
Wie zijn de schapen die door
Christus worden genoemd? Blijkbaar de Israëlieten.
Wie zijn de hondekes?
Heidenen. Werden sommige “Heidenen hondekes” later schapen?
Petrus had een interessant
visioen op het dak van het huis, zie Hand.10. God zond Petrus om te
prediken tegen een Heiden, genaamd Cornelius. Cornelius aanbad de
God van Israël en bad tot de God van Israël. Dit was in
overeenstemming met de belofte van God aan Abram dat God degenen
zegenen zou die Israël zegent. Cornelius had een goed getuigenis van
het ganse volk der Joden. (Hand.10:22).
Petrus zag een laken uit de
hemel naar beneden komen. In het laken waren verschillende soorten
“onreine” dieren (Hand.10:11-14). Deze onreine dieren symboliseerden
Heidenen die onrein waren in de ogen van God. Er waren geen schapen
in het laken.
Volgens Ef.2:12 waren de
Heidenen: “…………vervreemd van het burgerschap Israëls en
vreemdelingen van de verbonden der beloften, geen hoop hebbende, en
zonder God in de wereld”.
Zelfs Cornelius, een
Godvrezend man en een man die de Joden lief had, een respectabele
man, werd door onreine dieren vertegenwoordigd, NIET DOOR SCHAPEN.
Een schaap was voor Israël
rein. Onreine dieren vertegenwoordigden de Heidenen. God noemde de
Heidenen: “hondekes”.
Hier zijn een aantal Oud
Testamentische verwijzingen naar het volk van God, Israël, Schapen
genoemd.
“Psalm 78:52: En Hij voerde
Zijn volk als schapen, en leidde hen, als een kudde, in de woestijn.
“Psalm 79:13: Zo zullen
wij, Uw volk en de schapen Uwer weide, U loven in eeuwigheid, van
geslacht tot geslacht; wij zullen Uw roem vertellen”.
“Psalm 95:7: Want Hij is
onze God, en wij zijn het volk Zijner weide, en de schapen Zijner
hand. Heden, zo gij Zijn stem hoort”.
“Jer.50:17: Israel is een
verbijsterd lam, dat de leeuwen verjaagd hebben; de eerste, die hem
heeft opgegeten, was de koning van Assur, en deze de laatste,
Nebukadrezar, de koning van Babel, heeft hem de beenderen
verbrijzeld”.
“Jer.50:6: Mijn volk
waren verloren schapen, hun herders hadden hen verleid, zij hadden
hen gevoerd naar de bergen, zij gingen van berg tot heuvel, zij
vergaten hun legering”.
“Jes.40: 9b en 11: Zie
hier is uw God!......... Hij zal Zijn kudde weiden gelijk een
herder; Hij zal de lammeren in Zijn armen vergaderen, en in Zijn
schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtjes leiden’.
“Ez.34:6: Mijn schapen
dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja, Mijn schapen zijn
verstrooid op den gansen aardbodem; en er is niemand, die er naar
vraagt, en niemand, die ze zoekt”.
De schapen gaan terug naar
het land Israël.
“Ez.37:24-26: :24 En
Mijn Knecht David zal Koning over hen zijn; en zij zullen allen te
zamen een Herder hebben; en zij zullen in Mijn rechten wandelen, en
Mijn inzettingen bewaren en die doen. 25 En zij zullen wonen in het
land, dat Ik Mijn knecht Jakob gegeven heb, waarin uw vaders gewoond
hebben; ja, daarin zullen zij wonen, zij en hun kinderen, en hun
kindskinderen tot in eeuwigheid, en Mijn Knecht David zal hunlieder
Vorst zijn tot in eeuwigheid. 26 En Ik zal een verbond des vredes
met hen maken, het zal een eeuwig verbond met hen zijn; en Ik zal ze
inzetten en zal ze vermenigvuldigen, en Ik zal Mijn heiligdom in het
midden van hen zetten tot in eeuwigheid”.
In Hebr.13:20 lezen we:
“De God nu des vredes,
Die den grote Herder der schapen, door het bloed des eeuwigen
testaments, uit de doden heeft wedergebracht, namelijk onze Heere
Jezus Christus”.
Daniël 9:7, De schapen van
Israël zijn verdeeld in twee groepen, degenen die dichtbij zijn, en
degenen die ver af zijn.
“Bij U, o Heere! is de
gerechtigheid, maar bij ons de beschaamdheid der aangezichten,
gelijk het is te dezen dage; bij de mannen van Juda, en de inwoners
van Jeruzalem, en geheel Israel, die nabij en die verre zijn, in
al de landen, waar Gij ze henengedreven hebt, om hun
overtreding, waarmede zij tegen U overtreden hebben”.
Op de Pinksterdag, sprak
Petrus beide groepen toe:
“Hand.2:39: Want u komt
de belofte toe, en uw kinderen, en allen, die daar verre
zijn, zo velen als er de Heere, onze God, toe roepen zal”.
Zowel Petrus als Johannes
schreven aan de verstrooide twaalf stammen van Israël:
“1 Petrus 1:1: Petrus,
een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, verstrooid in
Pontus, Galatie, Kappadocie, Azie en Bithynie”.
“Jacobus 1:1: Jakobus,
een dienstknecht van God en van den Heere Jezus Christus; aan de
twaalf stammen, die in de verstrooiing zijn: zaligheid”.
In Joh.21:15-17 zei Christus
aan Petrus: “Weid Mijn lammeren en Weid Mijn schapen”.
Dit was in overeenstemming
met een afspraakt die was gemaakt tussen de Apostel Paulus en
Jacobus, Petrus en Johannes.
Deze afspraak staat in
Gal.2:9:
“En als Jakobus, en Cefas,
en Johannes, die geacht waren pilaren te zijn, de genade, die mij
gegeven was, bekenden, gaven zij mij en Barnabas de rechter hand der
gemeenschap, opdat wij tot de heidenen, en zij tot de besnijdenis
zouden gaan”.
Maar Israël (de schapen)
verwierpen de Herder, en aldus heeft God hun tijdelijk terzijde
gesteld. Ze zeiden: “Joh.19:15: Wij hebben geen koning, dan de
keizer”. Ze eisten de kruisiging van hun Herder. Ze lasterden de
Heilige Geest door Stéfanus te stenigen. (Hand.7).
Daarna koos God een
Israëliet, Saulus van Tarsen, om naar de Heidenen te gaan. Saulus,
later bekend als Paulus (zijn Heidense naam) zegt in Rom.11:13:
“Want ik spreek tot u,
heidenen, voor zoveel ik der heidenen apostel ben; ik maak mijn
bediening heerlijk”.
“Rom.11:30: Want
gelijkerwijs ook gijlieden eertijds Gode ongehoorzaam geweest zijt,
maar nu barmhartigheid verkregen hebt door dezer ongehoorzaamheid”.
De Apostel Paulus, door
geboorte een Israëliet, hield van zijn volk, en probeerde wanhopig
om hen te redden. Toen hij reisde en het Evangelie der Genade Gods
predikte, en lokale gemeenten stichtte, ging hij eerst naar de
synagoge, alwaar hij probeerde om de Israëlieten aan te tonen, door
de Schrift, dat Christus de Messias was.
Maar de reactie van Israël
was: “verwerping”:
“Hand.13:46: Maar Paulus
en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat
eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij
hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig
oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen”.
En opnieuw in Hand.18:6:
“Maar als zij
wederstonden en lasterden, schudde hij zijn klederen af, en zeide
tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben rein; en van nu voortaan
zal ik tot de heidenen heengaan”.
Maar wie zijn deze Heidenen
die Paulus bediende:
Zoals we zostraks
gedeeltelijk hebben gelezen in Ef.2:12-15:
“12 Dat gij in dien tijd
waart zonder Christus, vervreemd van het burgerschap Israels, en
vreemdelingen van de verbonden der belofte, geen hoop hebbende, en
zonder God in de wereld. 13 Maar nu in Christus Jezus, zijt gij, die
eertijds verre waart, nabij geworden door het bloed van Christus. 14
Want Hij is onze vrede, Die deze beiden een gemaakt heeft, en den
middelmuur des afscheidsels gebroken hebbende, 15 Heeft Hij de
vijandschap in Zijn vlees te niet gemaakt, namelijk de wet der
geboden in inzettingen bestaande; opdat Hij die twee in Zichzelven
tot een nieuwen mens zou scheppen, vrede makende”.
De Heidenen waren vervreemd
van God. God had ze opgegeven voor Hij Israël verkoos. Ze werden
volledig afgesneden van Hem toen Hij aan Israël het verbond der
besnijdenis gaf. De Heidenen zijn nimmer schapen geweest die
afdwaalden van de kudde van de Herder. Ze worden nimmer verloren
schapen genoemd. Maar de Israëlieten worden, of ze nu wel of niet
gered waren, volgens de Bijbel, schapen genoemd.
David was de herder-koning
van Israël. Jezus Christus kwam naar de aarde om Israëls
Herder-Koning te zijn. Hij werd geboren in de stad van David. De
aankondiging van Zijn geboorte werd als eerste bekend gemaakt aan de
herders, Lukas 2:6-14:
“6 En het geschiedde, als
zij daar waren, dat de dagen vervuld werden, dat zij baren zoude.
7 En zij baarde haar eerstgeboren Zoon, en wond Hem in doeken, en
leide Hem neder in de kribbe, omdat voor henlieden geen plaats was
in de herberg. 8 En er waren herders in diezelfde landstreek, zich
houdende in het veld, en hielden de nachtwacht over hun kudde. 9 En
ziet, een engel des Heeren stond bij hen, en de heerlijkheid des
Heeren omscheen hen, en zij vreesden met grote vreze. 10 En de engel
zeide tot hen: Vreest niet, want, ziet, ik verkondig u grote
blijdschap, die al den volke wezen zal; 11 Namelijk dat u heden
geboren is de Zaligmaker, welke is Christus, de Heere, in de stad
Davids. 12 En dit zal u het teken zijn: gij zult het Kindeken vinden
in doeken gewonden, en liggende in de kribbe. 13 En van stonde aan
was er met den engel een menigte des hemelsen heirlegers, prijzende
God en zeggende: 14 Ere zij God in de hoogste hemelen, en vrede op
aarde, in de mensen een welbehagen”.
De engel Gabriël vertelde
Maria dat haar Zoon op de troon van David zou zitten om Koning van
Israël te zijn. Lukas 1:26-33:
“26 En in de zesde maand
werd de engel Gabriel van God gezonden naar een stad in Galilea,
genaamd Nazareth;27 Tot een maagd, die ondertrouwd was met een man,
wiens naam was Jozef, uit den huize Davids; en de naam der maagd was
Maria. 28 En de engel tot haar ingekomen zijnde, zeide: Wees
gegroet, gij begenadigde; de Heere is met u; gij zijt gezegend onder
de vrouwen. 29 En als zij hem zag, werd zij zeer ontroerd over dit
zijn woord, en overleide, hoedanig deze groetenis mocht zijn. 30 En
de engel zeide tot haar: Vrees niet, Maria, want gij hebt genade bij
God gevonden. 31 En zie, gij zult bevrucht worden, en een Zoon
baren, en zult Zijn naam heten JEZUS. 32 Deze zal groot zijn, en de
Zoon des Allerhoogsten genaamd worden; en God, de Heere, zal Hem den
troon van Zijn vader David geven. 33 En Hij zal over het huis Jakobs
Koning zijn in der eeuwigheid, en Zijns Koninkrijks zal geen einde
zijn”.
Vergeet niet dat Christus
zei, toen Hij op aarde was, dat Hij was: “niet gezonden, dan tot
de verloren schapen van het huis Israels”.
“Luk.19:9-10: 9 En Jezus
zeide tot hem: Heden is dezen huize zaligheid geschied, nademaal ook
deze een zoon van Abraham is. 10 Want de Zoon des mensen is gekomen,
om te zoeken en zalig te maken, dat verloren was”.
Christus kwam om de verloren
zonen van Abraham te redden.
Ezechiël profeteerde in
Ez.34:11-16:
“11 Want zo zegt de Heere
HEERE: Ziet, Ik, ja, Ik zal naar Mijn schapen vragen, en zal ze
opzoeken. 12 Gelijk een herder zijn kudde opzoekt, ten dage als hij
in het midden zijner verspreide schapen is, alzo zal Ik Mijn schapen
opzoeken; en Ik zal ze redden uit al de plaatsen, waarhenen zij
verstrooid zijn, ten dage der wolke en der donkerheid. 13 En Ik zal
ze uitvoeren van de volken, en zal ze vergaderen uit de landen, en
brengen ze in hun land; en Ik zal ze weiden op de bergen Israels,
bij de stromen en in alle bewoonbare plaatsen des lands.
14 Op een goede weide zal
Ik ze weiden, en op de hoge bergen Israels zal hun kooi zijn; aldaar
zullen zij nederliggen in een goede kooi, en zullen weiden in een
vette weide, op de bergen Israels. 15 Ik zal Mijn schapen weiden, en
Ik zal ze legeren, spreekt de Heere HEERE.
16 Het verlorene zal Ik
zoeken, en het weggedrevene zal Ik wederbrengen, en het gebrokene
zal Ik verbinden, en het kranke zal Ik sterken; maar het vette en
het sterke zal Ik verdelgen, Ik zal ze weiden met oordeel”.
“Ez.34:22-25: 22 Daarom
zal Ik Mijn schapen verlossen, dat zij niet meer tot een roof zullen
zijn; en Ik zal richten tussen klein vee en klein vee. 23 En Ik zal
een enigen Herder over hen verwekken, en Hij zal hen weiden,
namelijk Mijn knecht David; die zal ze weiden, en Die zal hun tot
een Herder zijn. 24 En Ik, de HEERE, zal hun tot een God zijn; en
Mijn knecht David zal Vorst zijn in het midden van hen, Ik, de
HEERE, heb het gesproken. 25 En Ik zal een verbond des vredes met
hen maken, en zal het boos gedierte uit het land doen ophouden; en
zij zullen zeker wonen in de woestijn, en slapen in de wouden”.
“Ez.34:5-6: 5 Alzo zijn
zij verstrooid, omdat er geen herder is; en zij zijn als het wild
gedierte des velds tot spijze geworden, dewijl zij verstrooid waren.
6 Mijn schapen dolen op alle bergen en op allen hogen heuvel, ja,
Mijn schapen zijn verstrooid op den gansen aardbodem; en er is
niemand, die er naar vraagt, en niemand, die ze zoekt”.
De Bijbel verwijst nimmer
naar niet geredde Heidenen als schapen. Maar er zijn vandaag de dag
velen die leren dat, wanneer Heidenen gered zijn, ze schapen worden.
Maar de Bijbel zegt dat,
wanneer Heidenen gered zijn, ze mede erfgenamen worden samen met
geredde Israëlieten in één lichaam, welke genoemd wordt het Lichaam
van Christus. (Ef.3:6).
“Gal.3:28: Daarin is noch
Jood noch Griek; daarin is noch dienstbare noch vrije; daarin is
geen man en vrouw; want gij allen zijt een in Christus Jezus”.
Geredde Joden en Heidenen
zijn “de nieuwe mens”.
Is de “één kudden” in
Joh.10:16 dezelfde als de “nieuwen mens’ van Ef.2:15?
De “nieuwen mens” van
Ef.2:15 wordt een “lichaam” genoemd in Ef.3:6.
Ezechiël wist helemaal niets
van een “lichaam”.
Kol.1:24-27 zegt:
“24 Die mij nu verblijde
in mijn lijden voor u, en vervulle in mijn vlees de overblijfselen
van de verdrukkingen van Christus, voor Zijn lichaam, hetwelk is de
Gemeente; 25 Welker dienaar ik geworden ben, naar de bedeling van
God, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods; 26
Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen
en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen; 27
Aan wie God heeft willen bekend maken, welke zij de rijkdom der
heerlijkheid dezer verborgenheid onder de heidenen, welke is
Christus onder u, de Hoop der heerlijkheid”.
“Ef.3:3-5: 3 Dat Hij mij
door openbaring heeft bekend gemaakt deze verborgenheid, (gelijk ik
met weinige woorden te voren geschreven heb; 4 Waaraan gij, dit
lezende, kunt bemerken mijn wetenschap, in deze verborgenheid van
Christus), 5 Welke in andere eeuwen den kinderen der mensen niet is
bekend gemaakt, gelijk zij nu is geopenbaard aan Zijn heilige
apostelen en profeten, door den Geest”.
Maar Ezechiël profeteerde
betreffende de “één kudde en één herder”.
Sommige christenen maken
dogmatisch bezwaar om geredde Heidenen het “geestelijk Israël” te
noemen maar maken geen bezwaar om ze “geestelijke schapen” te
noemen.
Dat baseren ze op
Hand.20:28:
“Zo hebt dan acht op
uzelven, en op de gehele kudde, over dewelke u de Heilige Geest tot
opzieners gesteld heeft, om de Gemeente Gods te weiden, welke Hij
verkregen heeft door Zijn eigen bloed”.
Het is echter duidelijk dat
de Heere Jezus Christus niet sprak van de “Gemeente der
Verborgenheid” toen Hij sprak van de “één kudde” in Joh.10.
De conclusie is dus dat “de
andere schapen” Israëlieten zijn en geen Heidenen. |