|
De dingen die daarvan
verschil in de bedeling van Gods
Door: C.R.
Stam
HOOFDSTUK
I
DE PRINCIPES EN BEDELINGEN VAN GOD
Eén
van de eerste lessen die de bijbelstudent zou moeten leren, is het verschil
tussen de principes en de bedelingen van God. De tegenstanders van de leer der
bedelingen hebben ons dikwijls ten laste gelegd dat wij
bijvoorbeeld leren dat onder het Oude Verbond mensen werden gered door
werken der wet, terwijl zij vandaag gered worden door genade door geloof.
Deze
stelling is op zijn minst misleidend, want geen weldenkend gelovige in
bedelingen zal willen leren dat de werken der wet op
zich ooit kunnen redden, of iemand zelfs helpen redden.
Wij
verstaan duidelijk dat "uit de werken der wet geen
vlees zal gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis van
zonde" (Rom.3:20).
Evenmin veronderstellen wij, dat de werken van de ceremoniële wet enige essentiële kracht hadden om te redden. Wij
hebben niet vergeten dat de Schriften ook leren, dat
"het
onmogelijk is dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme" (Hebr.10:4).
Wij
koesteren geen illusies vanwege de volstrekte onbekwaamheid van de mens om God
te behagen door werken als zodanig, in welke tijd ook.
De mens is altijd wezenlijk gered door de genade van God, door geloof. Er
kon geen andere weg zijn om gered te worden. Dit is een vaststaand principe,
waarvan Hebr.11 overvloedig getuigenis geeft, en het zou vanzelfsprekend moeten
zijn voor hen, die de volstrekte verdorvenheid van de mens en de oneindige
heiligheid van God, als feiten accepteren.
Maar
dit verandert niets aan het feit, dat Gods handelen met de mens, en het
accepteren van de door Hem gestelde voorwaarden, de eeuwen door telkens
veranderd zijn, en dat geloof in Hem daardoor op verschillende wijzen zou worden
beleden. Hebr.11 geeft eveneens blijvend getuigenis van dit feit.
Geloof
moet God zeer zeker ten allen tijde benaderen op Gods wijze, en trachten door
Hem geaccepteerd te worden op welke andere wijze ook, zou uiteraard ongeloof
en eigen wil zijn. Omdat dus werken nooit redden of als
zodanig konden redden, deden zij dat destijds als uitdrukkingen van geloof.
GODS PRINCIPES
Een
principe, zoals wij dit woord
hierboven hebben gebruikt, is een bestaande grondregel van moraal of gedrag. Wij
respecteren mensen met principes; mensen die staan voor het recht, koste wat
kost. God, uiteraard, heeft de allerhoogste principes en wijkt nooit daarvan af.
Hij haat zonde en zal dit altijd blijven doen. Zonde was, en zal altijd,
tegengesteld blijven aan Zijn heilige natuur. In geen enkele tijd is dat anders
geweest. Op dezelfde wijze heeft God altijd behagen gehad, en zal dat altijd
hebben, in gerechtigheid, barmhartigheid, en liefde. God zal nimmer, ook niet in
de minste graad, afwijken van deze principes.
Het
principe van wet of recht,
bijvoorbeeld, is de eeuwen door onveranderd gebleven. Ongeacht welke bedeling
ook, wanneer kwaad wordt gedaan, wordt Gods zin voor recht
tegengestaan. Dit wordt eenvoudigweg getoond door drie Bijbelse voorbeelden:
Kain
leefde
vóór de bedeling van de wet door
Mozes. Kain vermoordde zijn broeder Abel. Was dit goed of verkeerd? Kwam hij
erdoor in moeilijkheden? Inderdaad, hoewel de geschreven wet van Mozes nog niet
gegeven was.
David
leefde
onder de wet van Mozes. Hij beging
ook een moord. Was dat goed of verkeerd? Uiteraard verkeerd, en hij kwam erdoor
in moeilijkheden.
U
en ik
leven na de wet, onder de bedeling
der genade. Veronderstel dat wij een moord zouden begaan, zou dat goed of
verkeerd zijn? Zouden we daardoor in moeiten komen - met
God? Zou het feit dat Christus onze zonden droeg op Golgotha moorden
enigszins rechtvaardigen? Zou God dit minder als zonde beschouwen omdat het
plaats vond onder de bedeling van genade?
U
zegt, dat ten aanzien van de ware gelovige vandaag, de volle wettelijke straf
voor de zonde is gedragen door Christus en, hoewel hij dit niet wist, ontving
ook David op grond hiervan, vergeving. Maar is dan niet het feit dat voor Davids
zonden en de onze werd betaald, dus meer dan over het hoofd zien, bewijs dat de principes van wet en recht blijven vaststaan?
Het
principe van de genade is dienovereenkomstig onveranderlijk. Dit kan eenvoudig
worden aangetoond met een aanhaling van de Schrift (Rom.4:1-6):
Abraham
leefde
vóór de bedeling van de wet. Hoe werd hij dan gerechtvaardigd? "Abraham
geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend" (Rom.4:3). David
leefde onder de wet. Hoe werd hij gerechtvaardigd? "Zoals ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid
toerekent, zonder werken" (Rom.4:6). U
en ik leven na de wet, onder de bedeling van genade. Hoe worden wij
gerechtvaardigd? "Doch hem die niet
werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof
gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5).
Nu
werden in het geval van Abraham en David, werken tot redding verlangd,
terwijl in ons geval werken tot redding duidelijk verboden
worden; niettemin is het duidelijk uit bovengenoemde teksten, dat Abraham, David
en wij allen, wezenlijk gered worden
door genade, door geloof, en dat werken als zodanig nimmer enige waarde hebben tot redding.
GODS BEDELINGEN
WAT WORDT VERSTAAN ONDER
EEN BEDELING ?
Omdat
Gods principes te maken hebben met Zijn karakter,
Zijn natuur, hebben Gods bedelingen betrekking op Zijn handelen
met degenen die onder Hem staan, met name de mens.
Vele
mensen zijn afkerig geworden van het woord "bedeling" door het woord
zelf, en dat temeer, nadat sommigen die ernstig pogen het Woord recht te
snijden, "ultra-bedelings-mensen"
genoemd worden. De oorsprong van dit woord echter, heeft een simpele
betekenis, want het woord bedelen betekent eenvoudig "uitdelen".
Het woord bedeling betekent dan ook de
handeling van uitdelen en toedelen, ofwel, dat
wat is uitgedeeld of toegewezen. Er bestaan bijvoorbeeld uitdelingen
van medicamenten, als medicijnen worden uitgedeeld aan de armen. Soms
geschieden deze bedelingen op een bepaalde dag in de week. Nu kan zo'n bedeling
van medicijnen iedere week een tijdsduur vergen van een volle twaalf uren, maar
hieruit volgt niet dat een bedeling een periode is van twaalf uren! Toch zijn er
sommigen die, wanneer zij denken aan bedelingen, alleen denken aan
tijdsperioden! Inderdaad definiëerde één van de grootste Bijbelleraren van de
vorige generatie een bedeling als volgt: "Een bedeling is een tijdsperiode,
gedurende welke de mens wordt getoetst met betrekking tot gehoorzaamheid aan een
specifieke openbaring van de wil van God."
Dit
is onjuist, want een bedeling is geen tijdsperiode, maar de
handeling van uitdeling of dat wat
wordt uitgedeeld. De bovenvermelde Bijbelleraar bedoelde ongetwijfeld dat
een bedeling uitsluitend betrekking
heeft op een tijdsduur.
Het
woord "bedeling" is niet alleen een theologische term. Het wordt vele
malen in de Bijbel gebruikt, al wordt het altijd als zodanig vertaald. In Eph.3:2
bij voorbeeld, schrijft Paulus over "de
bedeling van de genade van God, die mij gegeven is aan u." Net zo als
de bedeling van de wet werd gegeven aan Mozes (Joh.1:17), zo werd de bedeling
der genade van God aan Paulus gegeven.
De
oorspronkelijke betekenis van het stamwoord voor bedeling
(oikonomia) is huishouding, hoewel
het gebruik ervan veel overeenkomt met het Engelse woord "dispensation".
Soms wordt dit woord, in andere vertalingen, vertaald met beheren.
Dit is daarom interessant omdat het woord steward (oikonomos), eerder huisbeheerder
betekent, dan bediende, zoals
sommigen veronderstellen. De steward was de hoofdbediende, degene in wiens handen het huishouden was
toevertrouwd. Hij deelde het geld uit voor de huishoudelijke behoeften, deelde
het voedsel en kleding uit aan de bedienden en kinderen, betaalde de lonen, etc.
Alles was hem overgegeven om in trouw en wijsheid te beheren. Hij was de
aangewezen beheerder van de goederen
van zijn Heer en van de huishoudelijke zaken. Eliezer en Jozef waren zulke
stewards (Gen.15:2, 24:2,39:4). Zo lezen we ook in Luk.12:42: "En
de Here zei: Wie is dan de trouwe en voorzichtige huisbezorger (oikonomos), die
de heer over zijn dienstboden zal zetten om hun te rechter tijd het hun
bescheiden deel spijze te geven?
In
Luk.16:1,2, waar eveneens het woord oikonomos
en oikonomia vertaald wordt met rentmeester
en rentmeesterschap, hebben we
hetzelfde beginsel:
"En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een
rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd,als die zijn goederen
doorbracht."En hij riep hem en zei tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef
rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer kunnen rentmeester
zijn."
In
1Cor.9:16,17 wordt ditzelfde woord vertaald met "uitdeling",
maar het heeft dezelfde strekking:
"Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem; want DE NOOD
IS MIJ OPGELEGD. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig! "Want
indien ik dat vrijwillig doe, dan heb ik loon, maar indien onvrijwillig, (Ik
MOET het doen, want) de UITDELING IS MIJ EVENWEL TOEVERTROUWD."
Let
op, dat bij elk van deze gevallen het begrip verantwoordelijkheid
is inbegrepen. Het was "een trouwe
en voorzichtige rentmeester"
die de Heer zocht om over zijn
huishouding te stellen. De rijke man ontsloeg zijn rentmeester, omdat hij zijn
goederen had verkwist. Noodzaak, ofwel verantwoordelijkheid, werd op Paulus
gelegd omdat "een bedeling van het Evangelie" hem was opgedragen.
Een
van de duidelijkste teksten in dit verband vinden wij in 1Cor.4:1,2, waar de
Apostel Paulus zegt: "Alzo houde ons een ieder mens
als dienaars van Christus en UITDELERS VAN DE VERBORGENHEDEN GODS.
"En voorts WORDT VAN DE UITDELERS VEREIST, DAT ELK GETROUW BEVONDEN
WORDE."
Laten
we deze betekenis van het woord "bedeling"
vast in ons geheugen prenten. Als we zien dat een bedeling eerder verantwoordelijkheid omvat dan alleen een tijdsperiode, zullen we,
indien wij ernstig verlangen om in Gods wil te zijn, trachten de bedeling van
Gods genade duidelijk te verstaan en getrouw uit te dragen.
WIJZIGINGEN
IN GODS BEDELINGEN
Het moet de nuchtere lezer van de Schriften duidelijk zijn, dat er een grote
wijziging heeft plaats gevonden in Gods handelen met de mens bij de zondeval.
Eraan voorafgaand hadden Adam en Eva zich verheugd in een onafgebroken
gemeenschap met God, toen zij in gezegende onschuld in de mooie hof van Eden
leefden.
Maar
nu werd alles veranderd. De zonde veroorzaakte een scheiding van God. Adam en
Eva werden uit de hof verdreven. Een schuldgevoel kwam over hen, dat van toen
af, een rol zou spelen in een groot deel van hun handelingen. Beschaamd om nu,
zoals zij waren, voor God te verschijnen, moesten zij bekleed worden. Adam moest
zijn eigen brood gaan verdienen door hard te werken voor hemzelf en zijn
familie, en Eva zou met smart kinderen voortbrengen. Het ergste van alles, de
zonde was in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. Dit alles bracht een
verandering in de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God en medemens.
Vanaf
dit tijdstip veranderde Gods handelen met de mens telkens weer. De menselijke
regering werd ingesteld bij Noach, na de zondvloed (Gen.9:6), de bedeling der
belofte begon bij Abraham (Gen.12:1-3),
"de wet werd door Mozes gegeven" (Joh.1:17), "genade en waarheid
kwam door Jezus Christus" (Joh.1:17),
en werd toebedeeld door Paulus, de voornaamste zondaar, die werd gered uit
genade (Eph.3:1-3).
We
stellen vast, dat de juist genoemde, wel de voornaamste wijzigingen in bedeling
zijn, maar deze kunnen worden onderverdeeld en er volgen nog meerdere. Omdat de
principes van God nooit veranderen, zullen Zijn bedelingen, Zijn handelen met de
mens, van tijd tot tijd wel veranderen. Hierbij zijn de voorwaarden tot
acceptatie door God inbegrepen. Allereerst waren bloedoffers vereist (Gen.4:3-5,
Heb.11:4); daarna werd besnijdenis toegevoegd (Gen.17:14); toen werd
gehoorzaamheid aan de hele Mozaische wet gevraagd (Ex.19:5, 6, Rom.10:5); toen
"de doop van bekering tot vergeving van zonden" (Mark.1:4, Hand.2:38)
en vandaag is het:
"DOCH
DEGENE DIE NIET WERKT, MAAR GELOOFT IN HEM, DIE DE GODDELOZE RECHTVAARDIGT,
WORDT ZIJN GELOOF GEREKEND TOT RECHTVAARDIGHEID" (Rom.4:5).
Neem
er goed nota van dat, hoewel God thans werken tot redding afwijst,
Hij deze onder andere bedelingen vereiste.
Dit was niet, zoals we uitgelegd hebben, omdat werken op zich ooit konden redden, maar omdat zij, als zij vereist werden,
de noodzakelijke uitdrukking van geloof waren.
Traditie
leert dat de mens altijd gered werd door geloof in het bloed van Christus;
zelfs zij die leefden vóór het kruis moesten vooruitzien in geloof naar
de dood van een komende Messias tot redding.
Het
wordt hoog tijd, dat deze onjuiste interpretatie, zo diep in de gedachten van
zelfs ernstige gelovigen geworteld, weggedaan wordt, want zij heeft geen enkele
Schriftuurlijke ondersteuning.
Laat
men ons niet misverstaan. Het is waar, dat alle heiligen van de voorbije eeuwen
gered werden door de verdiensten van Christus' vergoten bloed, maar niet door hun geloof
in dat vergoten bloed. Van
diegenen in de voorbije eeuwen werd verwacht, dat zij alleen zouden geloven wat
God tot zover had geopenbaard, of wat Hij hen
had geopenbaard. Met andere woorden, zij werden eenvoudigweg gered omdat zij
God vertrouwden en geloofden wat Hij zei. Het hele plan van behoud is sindsdien
ontvouwd, maar de Schriften maken het glashelder dat deze gelovigen gered werden
zonder dat zij zelfs begrepen dat Christus voor hen zou sterven.
In 1Petr.1:10,11 wordt dit duidelijk gemaakt: "VAN
WELKE ZALIGHEID ONDERVRAAGD EN ONDERZOCHT hebben, de profeten, die geprofeteerd
hebben van de genade, aan u geschied, " ONDERZOEKENDE, OP WELKE of
hoedanige tijd DE GEEST VAN CHRISTUS, DIE IN HEN WAS, BEDUIDDE EN TEVOREN
GETUIGDE HET LIJDEN, DAT OP CHRISTUS KOMEN ZOU, EN DE HEERLIJKHEID DAARNA
VOLGENDE."
Let
wel, zij zochten niet uitsluitend met betrekking tot de "aard van de
tijd" of het karakter van de tijden, waarin deze dingen zouden gebeuren.
Zij zochten en ondervroegen ijverig om te ontdekken, "WAT...de Geest ...
bedoelde," of wat Hij voor had, "toen Hij tevoren getuigde van het lijden van
Christus en de heerlijkheid die daarna volgt". En het volgende vers gaat
verder met te verklaren, dat God aan hen openbaarde, dat zij niet
zichzelf, maar degenen in toekomstige tijden bedienden
Kan
er iets nog duidelijker zijn dan dit, dat zij zelfs
niet begrepen wat de Geest bedoelde, toen Hij het lijden van Christus
voorspelde? Hoe konden zij dan gered zijn door geloof in Zijn vergoten bloed?
Een
verontwaardigde tegenstander van de leer der bedelingen vroeg ons eens:
"Bedoelt u ons te vertellen dat Mozes opdracht gaf om de tabernakel met
zijn poort en voorhangsels, zijn koperen altaar en wasbekken, zijn tafel voor
toonbrood, zijn gouden kandelaar en reukofferaltaar, zijn ark des verbonds en
genadetroon, te bouwen, en hen niet vertelde dat al deze zaken typen waren van Christus en Zijn
volbrachte werk?"
Ons
antwoord was eenvoudig, "Wat zegt de Schrift?". Is er enige aanwijzing dat Mozes
hen vertelde dat deze zaken heenwezen naar Christus, of dat hij er zelf ook maar
enig idee van had? Wij weten nu
dat deze dingen typen van Christus en Zijn verzoeningswerk waren, en
verheugen ons bij het zien, dat God dit alles ondertussen reeds in gedachten
had, dat het kruis ook niet een toevallige latere inval van gedachten was, maar
dat deze openbaring met reden niet in
het Oude Testament is opgenomen. Er
is geen aanwijzing dat Mozes ook maar wist, en nog minder leerde, dat deze zaken
typen van Christus waren.[1]
Als het waar is dat Mozes en de profeten wisten en begrepen van de toekomstige
dood van Christus, en hadden moeten geloven in Zijn vergoten bloed tot redding,
zou dit dan ook niet voor de twaalf apostelen hebben gegolden? Zij
hebben echter met Christus Zelf lange tijd gewerkt, het evangelie van het
koninkrijk gepredikt, vóórdat Hij zelfs begon
om hen te vertellen dat Hij moest lijden en sterven, en toen Hij het hen
vertelde, bestrafte Petrus Hem vanwege Zijn "verslagen" houding!
Matt.16:21,22:
"Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen, dat Hij moest heengaan
naar Jeruzalem en veel lijden vanwege de oudsten en overpriesters en
schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden."En
Petrus nam Hem tot zich en begon Hem te bestraffen en zei: Here, wees U genadig!
dit zal U geenszins geschieden."
Later,
toen Hij hen nogmaals vertelde dat deze dingen moesten geschieden, zoals was
voorspeld door de profeten, hadden zij niet het minste idee waarover Hij sprak.
Dit feit wordt ons nadrukkelijk duidelijk gemaakt door een drievoudig accent in
Luk.18:34:
1. "EN ZIJ
VERSTONDEN GEEN VAN DEZE DINGEN,
2.
"EN DIT WOORD WAS VOOR HEN VERBORGEN,
3.
"EN ZIJ VERSTONDEN NIET WAT GEZEGD WERD."
Al
die tijd waren zij omgegaan met Christus, predikten het evangelie van het
koninkrijk en deden wonderen, gedurende minstens twee jaren, en toch wisten zij
zelfs niet dat Hij zou lijden en sterven. Betekent dit, dat geen van hen gered
was? Zeker niet. Het bevestigt eenvoudigweg wat Petrus zegt over de profeten,
die ijverig zochten en vorstten naar wat de Geest, die door hen sprak, bedoelde
toen Hij tevoren betuigde van het lijden van Christus en de heerlijkheid, die
daarna zou volgen.
Het
zal sommigen van onze lezers zeker verbazen te ontdekken, dat zelfs na de
opstanding, op Pinksteren, Petrus zelf in de dood van Christus niet zag, wat wij
er vandaag in zien. Hij wist uiteraard van de kruisiging als een historisch
feit, maar hij baseerde hier geen aanbod tot redding op. Weliswaar beschuldigde
hij Israel hiervan en toen zijn hoorders overtuigd werden van hun zonden en
vroegen wat zij moesten doen, antwoordde hij:"BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN
U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING VAN
ZONDEN..."(Hand.2:38).
Zei
hij dit omdat hij buiten de wil van God was of verblind door ongeloof? Nee, hij
was "vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4). Het was eenvoudig zo,
dat de "bestemde tijd" nog niet gekomen was om deze dingen bekend te
maken.
Dit
brengt ons opnieuw bij het belang van het erkennen van de bijzondere bediening
van Paulus. Het is niet eerder dan bij Paulus dat er sprake is van: "de
prediking van het kruis". Hij is het, die voor 't eerst zegt:
"MAAR
NU IS DE RECHTVAARDIGHEID GODS GEOPENBAARD GEWORDEN ZONDER DE WET….
"Namelijk
de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over
allen die geloven....
"EN
WORDEN OM NIET GERECHTVAARDIGD, UIT ZIJN GENADE, DOOR DE VERLOSSING DIE IN
CHRISTUS JEZUS IS:
"Welken
God voorgesteld heeft tot een Verzoening DOOR HET GELOOF IN ZIJN BLOED, tot een
betoning van ZIJN RECHTVAARDIGHEID, DOOR DE VERGEVING DER ZONDEN DIE TEVOREN
GESCHIED ZIJN (de overtredingen onder het eerste testament Hebr.9:15) onder de
verdraagzaamheid van God,
"Tot
een betoning van Zijn rechtvaardigheid IN DEZEN TEGENWOORDIGEN TIJD; opdat Hij
rechtvaardig zij, en RECHTVAARDIGENDE DENGENE DIE UIT HET GELOOF VAN JEZUS
IS." (Rom.3:21-26).
Dit
is wat de apostel Paulus bedoelt met:
"HET
GELOOF DAT GEOPENBAARD ZOU WORDEN" (Gal.3:23).
Dit
is het, wat hij bedoelde toen hij schreef van Christus:
"Die
Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, ZIJNDE DE GETUIGENIS TE
ZIJNER TIJD. "WAARTOE IK GESTELD BEN EEN PREDIKER EN APOSTEL (IK ZEG DE
WAARHEID IN CHRISTUS, IK LIEG NIET), EEN LERAAR DER HEIDENEN IN GELOOF EN
WAARHEID" (1Tim.2:6,7).
Maar
dit zal nog in een latere les verder worden besproken. Alles wat wij trachten
duidelijk te maken, is het feit van voortgaande
openbaring en de volslagen onschriftuurlijkheid van de traditie dat degenen
die leefden vóór Christus gered werden door vooruit te kijken in geloof in
Zijn volbrachte werk.
Dit
staat in de Schriften niet alleen op een negatieve manier; het is ook op een
positieve wijze gesteld. Het is niet alleen duidelijk gemaakt dat de heiligen
van vroegere tijden Christus' dood niet begrepen, maar in veel gevallen wordt ons precies verteld, wat
zij wel wisten en geloofden om
acceptabel te zijn voor God.
Wij
hebben gesteld dat Hebr.11 duidelijk maakt, dat redding altijd de beloning is
van geloof. Er is één thema dat klinkt door het hele hoofdstuk: "Door geloof...Door geloof...Door geloof." Bij de
inleiding tot de lange lijst van geloofsdaden verricht door personen, lezen we
dat "Door dit (geloof) de ouden
getuigenis verkregen" en dat
"zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen" en de hele lange
lijst sluit met de vaststelling: "Zij
allen...hebben door geloof getuigenis gehad" (verzen 2,6,39).
Maar
er zijn ook verschillen in Hebr.11,
want in bijna elk geval geloofden deze geloofshelden een verschillende
openbaring van God en uitten hun geloof op verschillende wijze. Maar nergens
lezen we in deze lijst van één, die werd gered door geloof in de dood van een
komende Christus. Wij zijn het, die nu
weten dat zij werden gered door de dood van Christus. En wanneer Christus ons
gepredikt wordt, tonen wij ons geloof, door
op te houden met onze werken en door te accepteren, met nederige dankzegging,
wat Hij voor ons heeft gedaan.
In
Hebr.11:4 wordt ons precies verteld, hoe Abel getuigenis van God kreeg, dat hij
rechtvaardig was: "DOOR HET GELOOF HEEFT ABEL EEN MEERDERE OFFERANDE GODE GEOFFERD
DAN KAIN, DOOR HETWELK HIJ GETUIGENIS BEKOMEN HEEFT, DAT HIJ RECHTVAARDIG WAS,
ALZO GOD OVER ZIJN GAVEN GETUIGENIS GAF; en door hetzelve geloof spreekt hij
nog, nadat hij gestorven is."
Dit
stemt overeen met het verslag in Gen.4:4,5:
"En de Heere zag ABEL EN ZIJN OFFER aan; "Maar KAIN EN ZIJN OFFER zag
Hij niet aan"
Er
is hier geen enkel woord over geloof in de dood van Christus. Abel verkreeg
getuigenis dat hij rechtvaardig was, omdat
hij het vereiste offer bracht, en
God gaf getuigenis, niet van zijn geloof in Christus, maar van zijn
offers.
In
Hebr.11:7 wordt ons verder precies verteld, hoe Noach een erfgenaam werd van
"de gerechtigheid die is door het geloof":"DOOR HET GELOOF HEEFT
NOACH, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet
gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, DE ARK TOEBEREID tot behoudenis van
zijn huisgezin (voor de zondvloed); DOOR WELKE ARK HIJ DE WERELD HEEFT
VEROORDEELD, EN IS GEWORDEN EEN ERFGENAAM VAN DE RECHTVAARDIGHEID, DIE NAAR HET
GELOOF IS."
Kan
het nog duidelijker? Hoe werd Noach erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar
het geloof is? Door te geloven in de dood van een nog komende Christus? Nee,
door te geloven wat God had gezegd over de zondvloed, en het bouwen van een ark.
En
zo gaat het hele hoofdstuk door. Elk van deze ouden verkreeg een goed
getuigenis, omdat hij Gods woord tot hem, persoonlijk, geloofde.
En
dan Abraham, Gods grote voorbeeld van geloof? Hoe werd hij gerechtvaardigd?"Want
wat zegt de Schrift? EN ABRAHAM GELOOFDE GOD, EN HET IS HEM GEREKEND TOT
RECHTVAARDIGHEID" (Rom.4:3).
Maar
wat had God gezegd, dat Abraham moest geloven? Had God hem verteld over een
komende Christus, die voor hem zou sterven aan een kruis? Lees het verhaal en
zie, want deze tekst in de Romeinenbrief is aangehaald uit Gen.15:5,6:"Toen
leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de
sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad
zijn!"
"EN
HIJ GELOOFDE IN DE HERE; EN HIJ REKENDE HET HEM TOT GERECHTIGHEID."
Opnieuw vragen wij: is er iets duidelijker dan dit? Is hier één woord over de
dood van Christus? Voorzeker niet. God beloofde hier eenvoudig dat Hij Abrahams
zaad zou vermenigvuldigen, en Abraham geloofde God en vertrouwde, dat Hij Zijn
Woord zou houden. Het was dit eenvoudige geloof in God, dat God hem toerekende
tot gerechtigheid. Wij weten nu, dat het op basis was
van de komende dood van Christus, dat God dit recht kon doen, maar dat was nog
niet aan Abraham geopenbaard.
Later
gaf God de wet, en vroeg volledige gehoorzaamheid om acceptabel te zijn voor Hem
(Ex.19:5,6, Rom.10:5). Hij wist uiteraard, dat geen mens dit perfect kon nakomen,
maar Hij wist ook dat echte gelovigen ernstig zouden trachten deze te houden, en
Hij zou hun geloof in Hem honoreren. Ook had HIJ
Christus in gedachten om de straf te boeten voor wetbreuk, zodat Zijn
gerechtigheid zou worden toegerekend aan hen, die Zijn Woord ernstig hadden
genomen.
Dat
HIJ het plan tot verzoening reeds
altijd in gedachten had, wordt getoond door het feit, dat Hij hen het Verbond
der wet in een draagkast (ark) had doen opbergen, en hen ontmoette door hun
hogepriester, bij de met bloed besprenkelde genadetroon, maar Hij heeft hen niet
de betekenis van dit alles verklaard. Hij moest eerst
de totale onbekwaamheid demonstreren van
de mens, om Gods heilige wet te onderhouden.
Wij
weten bijvoorbeeld, dat David inderdaad gered werd door Gods genade, niet door
zijn eigen zwakke werken. Maar veronderstel, dat hij redding had verkregen "zonder
de wet"
of,
zoals Paulus, gezegd had: "Dat
u dan niemand oordele in spijs of
in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan of
der
sabbatten" (Col.2:16)!
Hij zou spoedig genoodzaakt geweest zijn afstand van zijn troon te doen, en ter
dood gebracht wegens verachting van de geschreven wet van God.
Opnieuw
wordt ons precies verteld hoe de toehoorders van Johannes de Doper de vergeving
van zonden ontvingen. Was dat door geloof in de dood van Christus, die in die
tijd reeds ten tonele was verschenen? Lees de Schriften en zie:"Johannes
was dopende in de woestijn en predikende DE DOOP DER BEKERING TOT
VERGEVING DER ZONDEN" (Mark.1:4).
Als deze woorden niet bedoelen wat zij zeggen, dient de Schrift geen enkel doel
als openbaring van God aan de mens.[2]
Stelt
u zich eens voor, dat een Israeliet zou zijn opgestaan, terwijl Johannes de doop
tot vergeving predikte, om te zeggen: "Doch
dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt,
wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5)! Hij zou
opgepakt zijn en naar de wet gestenigd.
En
dan wordt ons van de positieve kant verteld hoe de 3000 op Pinksteren de
vergeving van zonden vonden:"En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en
zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?
"En Petrus zeide tot hen:...."
Wat
zei Petrus! Let nu wel op. Zei hij: "Christus stierf voor uw zonden.
Vertrouw eenvoudig op Hem en je hebt eeuwig leven"? Dat deed hij niet. In
zijn hele Pinksterprediking zult ge vergeefs zoeken naar zo'n verklaring. De
toehoorders van Petrus waren inderdaad overtuigd, omdat hij hen had belast
met de schuld van Christus' dood. En toen zij vroegen wat zij moesten doen,
antwoordde Petrus: "BEKEERT U, EN
EEN IEDEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING
DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE DES
HEILIGE GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2,37,38).
Dit
was in volkomen overeenstemming met de vereisten van de zogenaamde "grote
opdracht", die de kerk van vandaag op een halfslachtige wijze probeert uit
te dragen: "En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het
Evangelie* allen creaturen. "DIE GELOOFD ZAL HEBBEN EN GEDOOPT ZAL ZIJN,
ZAL ZALIG WORDEN; MAAR DIE NIET ZAL GELOVEN** ZAL VERDOEMD (VEROORDEELD) WORDEN"
(Mark.16:15,16).
Wij
merken op, dat sommigen, om hun dooptheorie hoog te houden, dit hebben vertaald
als zou dit betekenen: "Hij die gelooft en gered is, behoort te worden
gedoopt", maar dit verwarren van de duidelijke woorden van de Schrift kan
God niet behagen en verdraait ons begrip van Zijn voornemen.
Zowel
aan de positieve als aan de negatieve kant, wachten we weer op de verschijning
van Paulus, voordat wij kunnen leren over "het
evangelie van Gods genade" (Hand.20:24), "de
bedeling van Gods genade" (Eph.3:1,2) en "de
prediking van het kruis", zijnde het blijde nieuws, wat geaccepteerd
moet worden tot redding, door geloof (1Cor.1:18,23, Gal.6:14, Rom.3:25,26).
Het
is dan ook duidelijk, dat de heiligen in vorige eeuwen niet allen gered werden
door dezelfde dingen te geloven, want God openbaarde niet dezelfde dingen aan
hen allen. Zelfs de vastgestelde voorwaarden tot redding werden van tijd tot
tijd veranderd.
VOORTIJDIGE OPENBARING[3]
Het is één van de eerste grondbeginselen tot gezond bijbelbegrip, om niet
vooruit te lopen op openbaring, en toch, hoevelen doen dit onbewust! Zij lezen
het Oude Testament en de evangeliën alsof de heiligen in die dagen alles hebben
begrepen van de dood van Christus, zoals dit in de brief aan de Romeinen, de
Galatiërs en de Epheziërs werd geschreven!
Denk eens na: Als Abel over de dood van Christus voor de zonden geweten had, zou
er dan een bloedoffer van hem geëist zijn? Zou hij niet in dat geval rust gehad
hebben in de volmaakte verzoening, die door Christus moest worden bewerkt? Zou
het brengen van een bloedoffer, in dat geval, niet meer een aanwijzing van ongeloof
dan van geloof geweest zijn?
Nu
echter de dood van Christus verkondigd wordt tot redding, beveelt God ons
om dieren te offeren? Veronderstel dat wij zulke offers zouden brengen,
alleen als symbool van Zijn dood om ons beter te helpen aanbidden, zou dat dan
eigenlijk onnodig zijn, of zou het verkeerd
zijn?*/[4]
En
toch hebben velen het vage idee, dat degenen die vóór Christus geleefd hebben,
hun offers brachten in het volle begrip dat zij de dood van Christus op Golgotha
typeerden.
Het
is een feit, dat deze typeringen niet werden begrepen, dan nadat het Antitype
verschenen was. Wij verheugen ons nu,
als we deze beschouwen ten bewijze van dat God reeds immer Golgotha in gedachten
had; dat de dood van Christus geen toeval, of een latere inval was. Maar God
leerde ons tegelijk een les: eerst de schaduwen, daarna de werkelijkheid; eerst
de offers, dan later Christus het grote alles-voldoende offer.
DE HARMONIE TUSSEN
GODS
PRINCIPES EN BEDELINGEN
Maar
spreken Gods principes en de bedelingen elkaar niet tegen? Nee, zeker niet. De
mensen zijn, alle eeuwen door, eenvoudig gered door God
te geloven, en Hem te benaderen op Zijn aangegeven wijze. Als werken
gevraagd werden tot redding, redden zij niet als
zodanig, maar alleen als de verlangde uitdrukking van geloof. In het Oude
Testament bevestigde het brengen van offers etc. door de heiligen "de
gehoorzaamheid des geloofs". Bij ons is het rusten in het volbrachte werk
van Christus tot redding "de gehoorzaamheid des geloofs". Zie Rom.1:5,
6:17, 15:18, 16:26, Heb.5:9, 11:8.
Wanneer
God zegt: "Offer een dier en Ik zal je accepteren", wat zal dan het
geloof doen? Geloof zal zeker een dieroffer brengen. Abel deed dit en werd
aangenomen, niet dat het bloed van dieren zonde kan wegnemen, maar omdat hij God
benaderde op GODS wijze. Dit is "de gehoorzaamheid des geloofs".
In
het geval van Kain hebben we een duidelijke aanwijzing, dat God niet voldaan is
met enkel werken als zodanig, want Kain offerde een aantrekkelijker uitziend
offer dan Abel, maar werd afgewezen omdat hij niet het offer bracht wat God
verlangde (Gen.4:5).
Als
God zegt: "Bouw een ark en ik zal u en de uwen van de zondvloed
redden", wat zal het geloof dan doen? Geloof zal zeker een ark bouwen. En
toen Noach dit deed, toonde hij zijn geloof in God, en "werd een erfgenaam
van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is".
Als
God zegt: "Gehoorzaam metterdaad mijn stem en je zult van Mij zijn",
wat zal geloof dan doen? Geloof zal ernstig trachten te gehoorzamen. U zegt:
Maar zij konden niet volkomen gehoorzamen en zouden daarom door God worden
afgewezen. Dan antwoorden wij, dat wij reeds bewezen hebben dat werken, als
zodanig, niet kunnen redden. Alleen toen de Israelieten de wet als het
Woord van God voor hen erkenden, en daarom
trachtten het te gehoorzamen, werden zij gered. Zulk pogen om de wet te
houden bepaalde "de gehoorzaamheid tot geloof".
Als
God zegt: "Bekeert u, en wordt gedoopt tot vergeving van zonde", wat
zal dan geloof doen? Eén ding: bekeren en gedoopt worden. Wij weten dat oceanen
met water, niet één zonde kunnen afwassen. Dan zal, toen Johannes de Doper en
Petrus bekering en de doop tot vergeving predikten, niet één van hun
toehoorders hun woorden hebben begrepen dat zij zouden betekenen: "Geloof
in de dood van Christus tot redding". Toen God inderdaad waterdoop
verlangde tot redding, was de enige weg
om geloof te tonen de waterdoop, en zij die dit weigerden werden wegens hun
ongeloof veroordeeld:"Maar
de Farizeeën en de wetgeleerden HEBBEN DEN RAAD
GODS TEGEN ZICHZELVEN VERWORPEN, VAN HEM NIET GEDOOPT ZIJNDE"
(Luk.7:30).
Maar
als God zegt: "MAAR
NU is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet" (Rom.3:21);
"Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze
rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5);
"En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die
in Christus Jezus is" (Rom.3:24); "In Welken wij hebben de verlossing
door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner
genade" (Eph.1:7); "Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken
der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn
barmhartigheid…" (Tit.3:5); …en
dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme"
(Eph.2:8,9).
Als
God dit nu zegt, wat doet dan het geloof? Geloof zal zeggen: "Dit is het
wonderlijkste offer dat ooit door God voor mensen is gebracht. Ik kan het niet
afwijzen. Ik wil in Christus geloven
als mijn Heiland, en redding accepteren als vrije gift, uit Gods genade."
Dan
zijn ook de bedelingen van God in geen enkel opzicht in conflict met Zijn
principes, want de Oud Testamentische heiligen, hoewel instrumenteel[5] door werken gered, werden
eigenlijk gered door genade, door geloof. Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard
zonder de wet (Rom.3:21). Het werd "betuigd
te Zijner tijd" door de Apostel Paulus (1Tim.2:6,7). Hij zegt, dat het
hem werd gegeven om "Tot een betoning
van Zijn rechtvaardigheid in
dezen tegenwoordigen tijd: opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende
dengene die uit het geloof van Jezus is" (Rom.3:26). Het zou dus vandaag ongeloof
zijn om werken tot redding voor God te brengen.
5:Als ik met een schroevedraaier en schroef in een stuk hout draai, doet dan de
schroevedraaier het werk of doe ik dat? Of deden we allebei een gedeelte? Nee,
in één opzicht deed de schroevedraaier alles, want ik raakte bij deze
handeling de schroef zelfs niet aan. Maar de schroevedraaier was slechts het
instrument dat ik gebruikte, dus eigenlijk was ik het die alles deed.
Zo
was het met redding, vóór de bedeling van genade werd ingevoegd. Toen God
waterdoop verlangde tot vergeving van zonden bijvoorbeeld, werden de zonden van
de mensen alleen vergeven door onderwerping aan de waterdoop. Dus was het instrumenteel
hun waterdoop, die hen vergeving van zonden verschafte, maar toch was het eigenlijk
God, Die hen redde door genade, als Hij hun geloof zag.
Er
zou kunnen worden aangevoerd, dat de gelovige in zo'n geval in zijn hart geloof
beoefend had alvorens te worden
gedoopt, zodat de doop niets te doen had met zijn redding. Het antwoord is dan,
dat hij geloofde, dat door gedoopt te
zijn, hij zou worden geaccepteerd, en dus was hij in zijn hart reeds
gedoopt.
Dit
is het antwoord op problemen wanneer zich onmogelijkheden voordoen om aan de
gestelde eisen te voldoen. Veronderstel b.v., dat een man, die oprecht geloof
beoefent, op weg zou zijn om een offer te brengen en gedoopt te worden, en op
zijn weg plotseling dood valt. Zou hij niet worden aangenomen? Zeker wel;
eenvoudig omdat hij in geloof gekomen was om aan de eis te voldoen. Evenzo werd
de moordenaar aan het kruis gered zonder waterdoop, ten dage dat de waterdoop
vereist werd tot vergeving der zonden. Maar wie zal eraan twijfelen, dat hij
zich verheugd zou hebben bij de mogelijkheid dat hij gedoopt zou worden, als hij
niet aan het kruis was genageld?
Een
prominente tegenstander van deze waarheden heeft aangevoerd, dat waarheid horizontaal
is, niet verticaal, d.w.z. dat zij onveranderd en onveranderlijk door de eeuwen
heengaat. Dit is waar. Waarheid is
horizontaal, maar de openbaring van
waarheid is verticaal, ofwel: God
heeft waarheid geopenbaard aan de
mens, niet alles ineens, maar historisch gezien
geleidelijk, op zijn tijd. Noach wist meer van Gods openbaring dan Adam, Abraham
meer dan Noach, Mozes meer dan Abraham, de twaalven meer dan Mozes, Paulus meer
dan de twaalven.
Zo
zijn ook Gods principes horizontaal; zij gaan onveranderd de eeuwen door. Maar
de bedelingen zijn verticaal
en volgen elkaar op als God nieuwe openbaringen aan de mens schenkt.*/[6]
VRAGEN
1.
Wat is een bedeling?
2.
Welk ander woord (behalve bedeling) wordt soms gebruikt in andere
vertalingen voor oikonomia?
3.
Bewijs met de Schrift dat de morele
wet als zodanig, niet kon redden van zonde.
4.
Bewijs met de Schrift dat de ceremoniele
wet, als zodanig, niet kon redden van zonde.
5.
In welke zin hebben werken eens gered?
6.
Werden mensen in vorige bedelingen gered door geloof in de dood van
Christus?
7.
Werd hun dat gepredikt?
8.
Werd hen redding aangeboden door geloof in de dood van een komende Christus?
9.
Bewijs met de Schrift dat redding door het bloed van Christus, los van
werken, niet werd verkondigd ten tijde van het Oude Testament.
10.
Teken in een geometrisch schema het verschil tussen waarheid en de
openbaring van waarheid.
11.
Verklaar hoe de bedeling der wet Gods principe tot redding van de mens
door genade, door geloof, niet aantast.
12.
Zou het vandaag verkeerd zijn om de verordeningen te onderhouden, die
eens werden verlangd tot redding?
13.
Zou het verkeerd zijn om een ordening te onderhouden, die eens tot
redding werd verlangd, als wij zouden erkennen dat deze geen waarde heeft tot
redding?
14.
Bewijs dit met de Schrift.
15.
Welke verklaring van onze Here met betrekking tot dopen, is veranderd
door de meeste fundamentalisten, om dit in overeenstemming te brengen met hun
inzicht in dopen?
16.
Door wie begon de Here het eerst met het uitdelen van Zijn
boodschap en programma voor vandaag?
17.
Bewijs dit door de Schrift.
18.
Kon een Oud-Testamentische persoon, die weigert heilige offers te
brengen, worden gered?
19.
Kon iemand in de tijd van Johannes de Doper of met Pinksteren, die
weigerde te worden gedoopt, zalig worden?
20.
Geef Bijbelse voorbeelden.
Voetnoot:
In het licht van de brieven van Paulus is het gewoon verkeerd
om tot redding, welke ceremonie ook te onderhouden (Zie Col.2:14,20).
|