De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

               

De dingen die daarvan verschil in de bedeling van Gods

Door: C.R. Stam

 

HOOFDSTUK I

                   DE PRINCIPES EN BEDELINGEN VAN GOD

 Eén van de eerste lessen die de bijbelstudent zou moeten leren, is het verschil tussen de principes en de bedelingen van God. De tegenstanders van de leer der bedelingen hebben ons dikwijls ten laste gelegd dat wij  bijvoorbeeld leren dat onder het Oude Verbond mensen werden gered door werken der wet, terwijl zij vandaag gered worden door genade door geloof.

Deze stelling is op zijn minst misleidend, want geen weldenkend gelovige in bedelingen zal willen leren dat de werken der wet op zich ooit kunnen redden, of iemand zelfs helpen redden.

Wij verstaan duidelijk dat "uit de werken der wet geen vlees zal gerechtvaardigd worden voor Hem, want door de wet is de kennis van zonde" (Rom.3:20). Evenmin veronderstellen wij, dat de werken van de ceremoniële wet enige essentiële kracht hadden om te redden. Wij hebben niet vergeten dat de Schriften ook leren, dat

"het onmogelijk is dat het bloed van stieren en bokken de zonden wegneme" (Hebr.10:4).

Wij koesteren geen illusies vanwege de volstrekte onbekwaamheid van de mens om God te behagen door werken als zodanig, in welke tijd ook. De mens is altijd wezenlijk gered door de genade van God, door geloof. Er kon geen andere weg zijn om gered te worden. Dit is een vaststaand principe, waarvan Hebr.11 overvloedig getuigenis geeft, en het zou vanzelfsprekend moeten zijn voor hen, die de volstrekte verdorvenheid van de mens en de oneindige heiligheid van God, als feiten accepteren.

Maar dit verandert niets aan het feit, dat Gods handelen met de mens, en het accepteren van de door Hem gestelde voorwaarden, de eeuwen door telkens veranderd zijn, en dat geloof in Hem daardoor op verschillende wijzen zou worden beleden. Hebr.11 geeft eveneens blijvend getuigenis van dit feit.

Geloof moet God zeer zeker ten allen tijde benaderen op Gods wijze, en trachten door Hem geaccepteerd te worden op welke andere wijze ook, zou uiteraard ongeloof en eigen wil zijn. Omdat dus werken nooit redden of als zodanig konden redden, deden zij dat destijds als uitdrukkingen van geloof.

           GODS PRINCIPES

Een principe, zoals wij dit woord hierboven hebben gebruikt, is een bestaande grondregel van moraal of gedrag. Wij respecteren mensen met principes; mensen die staan voor het recht, koste wat kost. God, uiteraard, heeft de allerhoogste principes en wijkt nooit daarvan af. Hij haat zonde en zal dit altijd blijven doen. Zonde was, en zal altijd, tegengesteld blijven aan Zijn heilige natuur. In geen enkele tijd is dat anders geweest. Op dezelfde wijze heeft God altijd behagen gehad, en zal dat altijd hebben, in gerechtigheid, barmhartigheid, en liefde. God zal nimmer, ook niet in de minste graad, afwijken van deze principes.

Het principe van wet of recht, bijvoorbeeld, is de eeuwen door onveranderd gebleven. Ongeacht welke bedeling ook, wanneer kwaad wordt gedaan, wordt Gods zin voor recht tegengestaan. Dit wordt eenvoudigweg getoond door drie Bijbelse voorbeelden:

Kain leefde vóór de bedeling van de wet door Mozes. Kain vermoordde zijn broeder Abel. Was dit goed of verkeerd? Kwam hij erdoor in moeilijkheden? Inderdaad, hoewel de geschreven wet van Mozes nog niet gegeven was.

David leefde onder de wet van Mozes. Hij beging ook een moord. Was dat goed of verkeerd? Uiteraard verkeerd, en hij kwam erdoor in moeilijkheden.

U en ik leven na de wet, onder de bedeling der genade. Veronderstel dat wij een moord zouden begaan, zou dat goed of verkeerd zijn? Zouden we daardoor in moeiten komen - met God? Zou het feit dat Christus onze zonden droeg op Golgotha moorden enigszins rechtvaardigen? Zou God dit minder als zonde beschouwen omdat het plaats vond onder de bedeling van genade?

U zegt, dat ten aanzien van de ware gelovige vandaag, de volle wettelijke straf voor de zonde is gedragen door Christus en, hoewel hij dit niet wist, ontving ook David op grond hiervan, vergeving. Maar is dan niet het feit dat voor Davids zonden en de onze werd betaald, dus meer dan over het hoofd zien, bewijs dat de principes van wet en recht blijven vaststaan?

Het principe van de genade is dienovereenkomstig onveranderlijk. Dit kan eenvoudig worden aangetoond met een aanhaling van de Schrift (Rom.4:1-6):

Abraham leefde vóór de bedeling van de wet. Hoe werd hij dan gerechtvaardigd? "Abraham geloofde God, en het werd hem tot gerechtigheid gerekend" (Rom.4:3). David leefde onder de wet. Hoe werd hij gerechtvaardigd? "Zoals ook David de mens zalig spreekt, die God de rechtvaardigheid toerekent, zonder werken" (Rom.4:6). U en ik leven na de wet, onder de bedeling van genade. Hoe worden wij gerechtvaardigd? "Doch hem die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5).

Nu werden in het geval van Abraham en David, werken tot redding verlangd, terwijl in ons geval werken tot redding duidelijk verboden worden; niettemin is het duidelijk uit bovengenoemde teksten, dat Abraham, David en wij allen, wezenlijk gered worden door genade, door geloof, en dat werken als zodanig nimmer enige waarde hebben tot redding.

             GODS  BEDELINGEN

  WAT WORDT VERSTAAN ONDER

                EEN BEDELING ?

Omdat Gods principes te maken hebben met Zijn karakter, Zijn natuur, hebben Gods bedelingen betrekking op Zijn handelen met degenen die onder Hem staan, met name de mens.

Vele mensen zijn afkerig geworden van het woord "bedeling" door het woord zelf, en dat temeer, nadat sommigen die ernstig pogen het Woord recht te snijden, "ultra-bedelings-mensen"  genoemd worden. De oorsprong van dit woord echter, heeft een simpele betekenis, want het woord bedelen betekent eenvoudig "uitdelen". Het woord bedeling betekent dan ook de handeling van uitdelen en toedelen, ofwel, dat wat is uitgedeeld of toegewezen. Er bestaan bijvoorbeeld uitdelingen van medicamenten, als medicijnen worden uitgedeeld aan de armen. Soms geschieden deze bedelingen op een bepaalde dag in de week. Nu kan zo'n bedeling van medicijnen iedere week een tijdsduur vergen van een volle twaalf uren, maar hieruit volgt niet dat een bedeling een periode is van twaalf uren! Toch zijn er sommigen die, wanneer zij denken aan bedelingen, alleen denken aan tijdsperioden! Inderdaad definiëerde één van de grootste Bijbelleraren van de vorige generatie een bedeling als volgt: "Een bedeling is een tijdsperiode, gedurende welke de mens wordt getoetst met betrekking tot gehoorzaamheid aan een specifieke openbaring van de wil van God."

Dit is onjuist, want een bedeling is geen tijdsperiode, maar de handeling van uitdeling of dat wat wordt uitgedeeld. De bovenvermelde Bijbelleraar bedoelde ongetwijfeld dat een bedeling  uitsluitend betrekking heeft op een tijdsduur.

Het woord "bedeling" is niet alleen een theologische term. Het wordt vele malen in de Bijbel gebruikt, al wordt het altijd als zodanig vertaald. In Eph.3:2 bij voorbeeld, schrijft Paulus over "de bedeling van de genade van God, die mij gegeven is aan u." Net zo als de bedeling van de wet werd gegeven aan Mozes (Joh.1:17), zo werd de bedeling der genade van God aan Paulus gegeven.

De oorspronkelijke betekenis van het stamwoord voor bedeling (oikonomia) is huishouding, hoewel het gebruik ervan veel overeenkomt met het Engelse woord "dispensation". Soms wordt dit woord, in andere vertalingen, vertaald met beheren. Dit is daarom interessant omdat het woord steward (oikonomos), eerder huisbeheerder betekent, dan bediende, zoals sommigen veronderstellen. De steward was de hoofdbediende, degene in wiens handen het huishouden was toevertrouwd. Hij deelde het geld uit voor de huishoudelijke behoeften, deelde het voedsel en kleding uit aan de bedienden en kinderen, betaalde de lonen, etc. Alles was hem overgegeven om in trouw en wijsheid te beheren. Hij was de aangewezen beheerder van de goederen van zijn Heer en van de huishoudelijke zaken. Eliezer en Jozef waren zulke stewards (Gen.15:2, 24:2,39:4). Zo lezen we ook in Luk.12:42: "En de Here zei: Wie is dan de trouwe en voorzichtige huisbezorger (oikonomos), die de heer over zijn dienstboden zal zetten om hun te rechter tijd het hun bescheiden deel spijze te geven?

In Luk.16:1,2, waar eveneens het woord oikonomos en oikonomia vertaald wordt met rentmeester en rentmeesterschap, hebben we hetzelfde beginsel: "En Hij zei ook tot Zijn discipelen: Er was een zeker rijk mens, die een rentmeester had; en deze werd bij hem verklaagd,als die zijn goederen doorbracht."En hij riep hem en zei tot hem: Hoe hoor ik dit van u? Geef rekenschap van uw rentmeesterschap, want gij zult niet meer kunnen rentmeester zijn."

In 1Cor.9:16,17 wordt ditzelfde woord vertaald met "uitdeling", maar het heeft dezelfde strekking: "Want indien ik het Evangelie verkondig, het is mij geen roem; want DE NOOD IS MIJ OPGELEGD. En wee mij, indien ik het Evangelie niet verkondig! "Want indien ik dat vrijwillig doe, dan heb ik loon, maar indien onvrijwillig, (Ik MOET het doen, want) de UITDELING IS MIJ EVENWEL TOEVERTROUWD."

Let op, dat bij elk van deze gevallen het begrip verantwoordelijkheid is inbegrepen. Het was "een trouwe en voorzichtige rentmeester" die de Heer zocht om over zijn huishouding te stellen. De rijke man ontsloeg zijn rentmeester, omdat hij zijn goederen had verkwist. Noodzaak, ofwel verantwoordelijkheid, werd op Paulus gelegd omdat "een bedeling van het Evangelie" hem was opgedragen.

Een van de duidelijkste teksten in dit verband vinden wij in 1Cor.4:1,2, waar de Apostel Paulus zegt: "Alzo houde ons een ieder mens  als dienaars van Christus en UITDELERS VAN DE VERBORGENHEDEN GODS. "En voorts WORDT VAN DE UITDELERS VEREIST, DAT ELK GETROUW BEVONDEN WORDE."

Laten we deze betekenis van het woord "bedeling" vast in ons geheugen prenten. Als we zien dat een bedeling eerder verantwoordelijkheid omvat dan alleen een tijdsperiode, zullen we, indien wij ernstig verlangen om in Gods wil te zijn, trachten de bedeling van Gods genade duidelijk te verstaan en getrouw uit te dragen.

  WIJZIGINGEN IN GODS BEDELINGEN

  Het moet de nuchtere lezer van de Schriften duidelijk zijn, dat er een grote wijziging heeft plaats gevonden in Gods handelen met de mens bij de zondeval. Eraan voorafgaand hadden Adam en Eva zich verheugd in een onafgebroken gemeenschap met God, toen zij in gezegende onschuld in de mooie hof van Eden leefden.

Maar nu werd alles veranderd. De zonde veroorzaakte een scheiding van God. Adam en Eva werden uit de hof verdreven. Een schuldgevoel kwam over hen, dat van toen af, een rol zou spelen in een groot deel van hun handelingen. Beschaamd om nu, zoals zij waren, voor God te verschijnen, moesten zij bekleed worden. Adam moest zijn eigen brood gaan verdienen door hard te werken voor hemzelf en zijn familie, en Eva zou met smart kinderen voortbrengen. Het ergste van alles, de zonde was in de wereld gekomen, en door de zonde de dood. Dit alles bracht een verandering in de verantwoordelijkheid van de mens tegenover God en medemens.

Vanaf dit tijdstip veranderde Gods handelen met de mens telkens weer. De menselijke regering werd ingesteld bij Noach, na de zondvloed (Gen.9:6), de bedeling der belofte begon bij Abraham (Gen.12:1-3), "de wet werd door Mozes gegeven" (Joh.1:17), "genade en waarheid kwam door Jezus Christus" (Joh.1:17), en werd toebedeeld door Paulus, de voornaamste zondaar, die werd gered uit genade (Eph.3:1-3).

We stellen vast, dat de juist genoemde, wel de voornaamste wijzigingen in bedeling zijn, maar deze kunnen worden onderverdeeld en er volgen nog meerdere. Omdat de principes van God nooit veranderen, zullen Zijn bedelingen, Zijn handelen met de mens, van tijd tot tijd wel veranderen. Hierbij zijn de voorwaarden tot acceptatie door God inbegrepen. Allereerst waren bloedoffers vereist (Gen.4:3-5, Heb.11:4); daarna werd besnijdenis toegevoegd (Gen.17:14); toen werd gehoorzaamheid aan de hele Mozaische wet gevraagd (Ex.19:5, 6, Rom.10:5); toen "de doop van bekering tot vergeving van zonden" (Mark.1:4, Hand.2:38) en vandaag is het:

"DOCH DEGENE DIE NIET WERKT, MAAR GELOOFT IN HEM, DIE DE GODDELOZE RECHTVAARDIGT, WORDT ZIJN GELOOF GEREKEND TOT RECHTVAARDIGHEID" (Rom.4:5).

Neem er goed nota van dat, hoewel God thans werken tot redding afwijst, Hij deze onder andere bedelingen vereiste. Dit was niet, zoals we uitgelegd hebben, omdat werken op zich ooit konden redden, maar omdat zij, als zij vereist werden, de noodzakelijke uitdrukking van geloof waren.

Traditie leert dat de mens altijd gered werd door geloof in het bloed van Christus;  zelfs zij die leefden vóór het kruis moesten vooruitzien in geloof naar de dood van een komende Messias tot redding.      

Het wordt hoog tijd, dat deze onjuiste interpretatie, zo diep in de gedachten van zelfs ernstige gelovigen geworteld, weggedaan wordt, want zij heeft geen enkele Schriftuurlijke ondersteuning.

Laat men ons niet misverstaan. Het is waar, dat alle heiligen van de voorbije eeuwen gered werden door de verdiensten van Christus' vergoten bloed, maar niet door hun geloof in dat vergoten bloed.  Van diegenen in de voorbije eeuwen werd verwacht, dat zij alleen zouden geloven wat God tot zover had geopenbaard, of wat Hij hen had geopenbaard. Met andere woorden, zij werden eenvoudigweg gered omdat zij God vertrouwden en geloofden wat Hij zei. Het hele plan van behoud is sindsdien ontvouwd, maar de Schriften maken het glashelder dat deze gelovigen gered werden zonder dat zij zelfs begrepen dat Christus voor hen zou sterven.

  In 1Petr.1:10,11 wordt dit duidelijk gemaakt: "VAN WELKE ZALIGHEID ONDERVRAAGD EN ONDERZOCHT hebben, de profeten, die geprofeteerd hebben van de genade, aan u geschied, " ONDERZOEKENDE, OP WELKE of hoedanige tijd DE GEEST VAN CHRISTUS, DIE IN HEN WAS, BEDUIDDE EN TEVOREN GETUIGDE HET LIJDEN, DAT OP CHRISTUS KOMEN ZOU, EN DE HEERLIJKHEID DAARNA VOLGENDE."

Let wel, zij zochten niet uitsluitend met betrekking tot de "aard van de tijd" of het karakter van de tijden, waarin deze dingen zouden gebeuren. Zij zochten en ondervroegen ijverig om te ontdekken, "WAT...de Geest ... bedoelde," of wat Hij voor had, "toen Hij tevoren getuigde van het lijden van Christus en de heerlijkheid die daarna volgt". En het volgende vers gaat verder met te verklaren, dat God aan hen openbaarde, dat zij niet  zichzelf, maar degenen in toekomstige tijden bedienden

Kan er iets nog duidelijker zijn dan dit, dat zij zelfs niet begrepen wat de Geest bedoelde, toen Hij het lijden van Christus voorspelde? Hoe konden zij dan gered zijn door geloof in Zijn vergoten bloed?

Een verontwaardigde tegenstander van de leer der bedelingen vroeg ons eens: "Bedoelt u ons te vertellen dat Mozes opdracht gaf om de tabernakel met zijn poort en voorhangsels, zijn koperen altaar en wasbekken, zijn tafel voor toonbrood, zijn gouden kandelaar en reukofferaltaar, zijn ark des verbonds en genadetroon, te bouwen, en hen niet vertelde dat al deze zaken typen waren van Christus en Zijn volbrachte werk?"

Ons antwoord was eenvoudig, "Wat zegt de Schrift?". Is er enige aanwijzing dat Mozes hen vertelde dat deze zaken heenwezen naar Christus, of dat hij er zelf ook maar enig idee van had? Wij weten nu dat deze dingen typen van Christus en Zijn verzoeningswerk waren, en verheugen ons bij het zien, dat God dit alles ondertussen reeds in gedachten had, dat het kruis ook niet een toevallige latere inval van gedachten was, maar dat deze openbaring met reden niet in het Oude Testament is opgenomen. Er is geen aanwijzing dat Mozes ook maar wist, en nog minder leerde, dat deze zaken typen van Christus waren.[1]

  Als het waar is dat Mozes en de profeten wisten en begrepen van de toekomstige dood van Christus, en hadden moeten geloven in Zijn vergoten bloed tot redding, zou dit dan ook niet voor de twaalf apostelen hebben gegolden? Zij  hebben echter met Christus Zelf lange tijd gewerkt, het evangelie van het koninkrijk gepredikt, vóórdat Hij zelfs begon om hen te vertellen dat Hij moest lijden en sterven, en toen Hij het hen vertelde, bestrafte Petrus Hem vanwege Zijn "verslagen" houding!

  Matt.16:21,22: "Van toen af begon Jezus Zijn discipelen te tonen, dat Hij moest heengaan naar Jeruzalem en veel lijden vanwege de oudsten en overpriesters en schriftgeleerden, en gedood worden, en op de derde dag opgewekt worden."En Petrus nam Hem tot zich en begon Hem te bestraffen en zei: Here, wees U genadig! dit zal U geenszins geschieden."

Later, toen Hij hen nogmaals vertelde dat deze dingen moesten geschieden, zoals was voorspeld door de profeten, hadden zij niet het minste idee waarover Hij sprak. Dit feit wordt ons nadrukkelijk duidelijk gemaakt door een drievoudig accent in Luk.18:34:

  1.    "EN ZIJ VERSTONDEN GEEN VAN DEZE DINGEN,

2.    "EN DIT WOORD WAS VOOR HEN VERBORGEN,

3.    "EN ZIJ VERSTONDEN NIET WAT GEZEGD WERD."

Al die tijd waren zij omgegaan met Christus, predikten het evangelie van het koninkrijk en deden wonderen, gedurende minstens twee jaren, en toch wisten zij zelfs niet dat Hij zou lijden en sterven. Betekent dit, dat geen van hen gered was? Zeker niet. Het bevestigt eenvoudigweg wat Petrus zegt over de profeten, die ijverig zochten en vorstten naar wat de Geest, die door hen sprak, bedoelde toen Hij tevoren betuigde van het lijden van Christus en de heerlijkheid, die daarna zou volgen.

Het zal sommigen van onze lezers zeker verbazen te ontdekken, dat zelfs na de opstanding, op Pinksteren, Petrus zelf in de dood van Christus niet zag, wat wij er vandaag in zien. Hij wist uiteraard van de kruisiging als een historisch feit, maar hij baseerde hier geen aanbod tot redding op. Weliswaar beschuldigde hij Israel hiervan en toen zijn hoorders overtuigd werden van hun zonden en vroegen wat zij moesten doen, antwoordde hij:"BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING VAN ZONDEN..."(Hand.2:38).        

  Zei hij dit omdat hij buiten de wil van God was of verblind door ongeloof? Nee, hij was "vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4). Het was eenvoudig zo, dat de "bestemde tijd" nog niet gekomen was om deze dingen bekend te maken.

Dit brengt ons opnieuw bij het belang van het erkennen van de bijzondere bediening van Paulus. Het is niet eerder dan bij Paulus dat er sprake is van: "de prediking van het kruis". Hij is het, die voor 't eerst zegt:

"MAAR NU IS DE RECHTVAARDIGHEID GODS GEOPENBAARD GEWORDEN ZONDER DE WET….

 "Namelijk de rechtvaardigheid Gods door het geloof van Jezus Christus, tot allen en over allen die geloven....

"EN WORDEN OM NIET GERECHTVAARDIGD, UIT ZIJN GENADE, DOOR DE VERLOSSING DIE IN CHRISTUS JEZUS IS:

"Welken God voorgesteld heeft tot een Verzoening DOOR HET GELOOF IN ZIJN BLOED, tot een betoning van ZIJN RECHTVAARDIGHEID, DOOR DE VERGEVING DER ZONDEN DIE TEVOREN GESCHIED ZIJN (de overtredingen onder het eerste testament Hebr.9:15) onder de verdraagzaamheid van God,

"Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid IN DEZEN TEGENWOORDIGEN TIJD; opdat Hij rechtvaardig zij, en RECHTVAARDIGENDE DENGENE DIE UIT HET GELOOF VAN JEZUS IS." (Rom.3:21-26).

Dit is wat de apostel Paulus bedoelt met: "HET GELOOF DAT GEOPENBAARD ZOU WORDEN" (Gal.3:23).

Dit is het, wat hij bedoelde toen hij schreef van Christus:

"Die Zichzelf gegeven heeft tot een rantsoen voor allen, ZIJNDE DE GETUIGENIS TE ZIJNER TIJD. "WAARTOE IK GESTELD BEN EEN PREDIKER EN APOSTEL (IK ZEG DE WAARHEID IN CHRISTUS, IK LIEG NIET), EEN LERAAR DER HEIDENEN IN GELOOF EN WAARHEID" (1Tim.2:6,7).

Maar dit zal nog in een latere les verder worden besproken. Alles wat wij trachten duidelijk te maken, is het feit van voortgaande openbaring en de volslagen onschriftuurlijkheid van de traditie dat degenen die leefden vóór Christus gered werden door vooruit te kijken in geloof in Zijn volbrachte werk.

Dit staat in de Schriften niet alleen op een negatieve manier; het is ook op een positieve wijze gesteld. Het is niet alleen duidelijk gemaakt dat de heiligen van vroegere tijden Christus' dood niet begrepen, maar in veel gevallen wordt ons precies verteld, wat zij wel wisten en geloofden om acceptabel te zijn voor God.

Wij hebben gesteld dat Hebr.11 duidelijk maakt, dat redding altijd de beloning is van geloof. Er is één thema dat klinkt door het hele hoofdstuk: "Door geloof...Door geloof...Door geloof." Bij de inleiding tot de lange lijst van geloofsdaden verricht door personen, lezen we dat "Door dit (geloof) de ouden getuigenis verkregen" en dat "zonder geloof is het onmogelijk Gode te behagen" en de hele lange lijst sluit met de vaststelling: "Zij allen...hebben door geloof getuigenis gehad" (verzen 2,6,39).

Maar er zijn ook verschillen in Hebr.11, want in bijna elk geval geloofden deze geloofshelden een verschillende openbaring van God en uitten hun geloof op verschillende wijze. Maar nergens lezen we in deze lijst van één, die werd gered door geloof in de dood van een komende Christus. Wij zijn het, die nu weten dat zij werden gered door de dood van Christus. En wanneer Christus ons gepredikt wordt, tonen wij ons geloof, door op te houden met onze werken en door te accepteren, met nederige dankzegging, wat Hij voor ons heeft gedaan.

In Hebr.11:4 wordt ons precies verteld, hoe Abel getuigenis van God kreeg, dat hij rechtvaardig was: "DOOR HET GELOOF HEEFT ABEL EEN MEERDERE OFFERANDE GODE GEOFFERD DAN KAIN, DOOR HETWELK HIJ GETUIGENIS BEKOMEN HEEFT, DAT HIJ RECHTVAARDIG WAS, ALZO GOD OVER ZIJN GAVEN GETUIGENIS GAF; en door hetzelve geloof spreekt hij nog, nadat hij gestorven is."

Dit stemt overeen met het verslag in Gen.4:4,5: "En de Heere zag ABEL EN ZIJN OFFER aan; "Maar KAIN EN ZIJN OFFER zag Hij niet aan"

Er is hier geen enkel woord over geloof in de dood van Christus. Abel verkreeg getuigenis dat hij rechtvaardig was, omdat hij het vereiste offer bracht, en God gaf getuigenis, niet van zijn geloof in Christus, maar van zijn offers.

In Hebr.11:7 wordt ons verder precies verteld, hoe Noach een erfgenaam werd van "de gerechtigheid die is door het geloof":"DOOR HET GELOOF HEEFT NOACH, door Goddelijke aanspraak vermaand zijnde van de dingen die nog niet gezien werden, en bevreesd geworden zijnde, DE ARK TOEBEREID tot behoudenis van zijn huisgezin (voor de zondvloed); DOOR WELKE ARK HIJ DE WERELD HEEFT VEROORDEELD, EN IS GEWORDEN EEN ERFGENAAM VAN DE RECHTVAARDIGHEID, DIE NAAR HET GELOOF IS."

Kan het nog duidelijker? Hoe werd Noach erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is? Door te geloven in de dood van een nog komende Christus? Nee, door te geloven wat God had gezegd over de zondvloed, en het bouwen van een ark.

En zo gaat het hele hoofdstuk door. Elk van deze ouden verkreeg een goed getuigenis, omdat hij Gods woord tot hem, persoonlijk, geloofde.

En dan Abraham, Gods grote voorbeeld van geloof? Hoe werd hij gerechtvaardigd?"Want wat zegt de Schrift? EN ABRAHAM GELOOFDE GOD, EN HET IS HEM GEREKEND TOT RECHTVAARDIGHEID" (Rom.4:3).

Maar wat had God gezegd, dat Abraham moest geloven? Had God hem verteld over een komende Christus, die voor hem zou sterven aan een kruis? Lees het verhaal en zie, want deze tekst in de Romeinenbrief is aangehaald uit Gen.15:5,6:"Toen leidde Hij hem uit naar buiten en zeide: Zie nu op naar den hemel, en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw zaad zijn!"

"EN HIJ GELOOFDE IN DE HERE; EN HIJ REKENDE HET HEM TOT GERECHTIGHEID."

  Opnieuw vragen wij: is er iets duidelijker dan dit? Is hier één woord over de dood van Christus? Voorzeker niet. God beloofde hier eenvoudig dat Hij Abrahams zaad zou vermenigvuldigen, en Abraham geloofde God en vertrouwde, dat Hij Zijn Woord zou houden. Het was dit eenvoudige geloof in God, dat God hem toerekende tot gerechtigheid. Wij weten nu, dat het op basis was van de komende dood van Christus, dat God dit recht kon doen, maar dat was nog niet aan Abraham geopenbaard.

 Later gaf God de wet, en vroeg volledige gehoorzaamheid om acceptabel te zijn voor Hem (Ex.19:5,6, Rom.10:5). Hij wist uiteraard, dat geen mens dit perfect kon nakomen, maar Hij wist ook dat echte gelovigen ernstig zouden trachten deze te houden, en Hij zou hun geloof in Hem honoreren. Ook had HIJ Christus in gedachten om de straf te boeten voor wetbreuk, zodat Zijn gerechtigheid zou worden toegerekend aan hen, die Zijn Woord ernstig hadden genomen.

 Dat HIJ het plan tot verzoening reeds altijd in gedachten had, wordt getoond door het feit, dat Hij hen het Verbond der wet in een draagkast (ark) had doen opbergen, en hen ontmoette door hun hogepriester, bij de met bloed besprenkelde genadetroon, maar Hij heeft hen niet de betekenis van dit alles verklaard. Hij moest eerst de totale onbekwaamheid demonstreren van de mens, om Gods heilige wet te onderhouden.

Wij weten bijvoorbeeld, dat David inderdaad gered werd door Gods genade, niet door zijn eigen zwakke werken. Maar veronderstel, dat hij redding had verkregen "zonder de wet" of, zoals Paulus, gezegd had: "Dat u dan niemand  oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan of 

der sabbatten" (Col.2:16)! Hij zou spoedig genoodzaakt geweest zijn afstand van zijn troon te doen, en ter dood gebracht wegens verachting van de geschreven wet van God.

Opnieuw wordt ons precies verteld hoe de toehoorders van Johannes de Doper de vergeving van zonden ontvingen. Was dat door geloof in de dood van Christus, die in die tijd reeds ten tonele was verschenen? Lees de Schriften en zie:"Johannes  was dopende in de woestijn en predikende DE DOOP DER BEKERING TOT VERGEVING DER ZONDEN" (Mark.1:4). Als deze woorden niet bedoelen wat zij zeggen, dient de Schrift geen enkel doel als openbaring van God aan de mens.[2]

Stelt u zich eens voor, dat een Israeliet zou zijn opgestaan, terwijl Johannes de doop tot vergeving predikte, om te zeggen: "Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5)! Hij zou opgepakt zijn en naar de wet gestenigd.

En dan wordt ons van de positieve kant verteld hoe de 3000 op Pinksteren de vergeving van zonden vonden:"En als zij dit hoorden, werden zij verslagen in het hart, en zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat zullen wij doen, mannen broeders?  "En Petrus zeide tot hen:...." 

Wat zei Petrus! Let nu wel op. Zei hij: "Christus stierf voor uw zonden. Vertrouw eenvoudig op Hem en je hebt eeuwig leven"? Dat deed hij niet. In zijn hele Pinksterprediking zult ge vergeefs zoeken naar zo'n verklaring. De toehoorders van Petrus waren inderdaad overtuigd, omdat hij hen had belast met de schuld van Christus' dood. En toen zij vroegen wat zij moesten doen, antwoordde Petrus: "BEKEERT U, EN EEN IEDEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE  DES HEILIGE GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2,37,38).

Dit was in volkomen overeenstemming met de vereisten van de zogenaamde "grote opdracht", die de kerk van vandaag op een halfslachtige wijze probeert uit te dragen: "En Hij zei tot hen: Gaat heen in de gehele wereld, predikt het Evangelie* allen creaturen. "DIE GELOOFD ZAL HEBBEN EN GEDOOPT ZAL ZIJN, ZAL ZALIG WORDEN; MAAR DIE NIET ZAL GELOVEN** ZAL VERDOEMD (VEROORDEELD) WORDEN" (Mark.16:15,16).

Wij merken op, dat sommigen, om hun dooptheorie hoog te houden, dit hebben vertaald als zou dit betekenen: "Hij die gelooft en gered is, behoort te worden gedoopt", maar dit verwarren van de duidelijke woorden van de Schrift kan God niet behagen en verdraait ons begrip van Zijn voornemen.

Zowel aan de positieve als aan de negatieve kant, wachten we weer op de verschijning van Paulus, voordat wij kunnen leren over "het evangelie van Gods genade" (Hand.20:24), "de bedeling van Gods genade" (Eph.3:1,2) en "de prediking van het kruis", zijnde het blijde nieuws, wat geaccepteerd moet worden tot redding, door geloof (1Cor.1:18,23, Gal.6:14, Rom.3:25,26).

Het is dan ook duidelijk, dat de heiligen in vorige eeuwen niet allen gered werden door dezelfde dingen te geloven, want God openbaarde niet dezelfde dingen aan hen allen. Zelfs de vastgestelde voorwaarden tot redding werden van tijd tot tijd veranderd.

VOORTIJDIGE OPENBARING[3]

  Het is één van de eerste grondbeginselen tot gezond bijbelbegrip, om niet vooruit te lopen op openbaring, en toch, hoevelen doen dit onbewust! Zij lezen het Oude Testament en de evangeliën alsof de heiligen in die dagen alles hebben begrepen van de dood van Christus, zoals dit in de brief aan de Romeinen, de Galatiërs en de Epheziërs werd geschreven!

  Denk eens na: Als Abel over de dood van Christus voor de zonden geweten had, zou er dan een bloedoffer van hem geëist zijn? Zou hij niet in dat geval rust gehad hebben in de volmaakte verzoening, die door Christus moest worden bewerkt? Zou het brengen van een bloedoffer, in dat geval, niet meer een aanwijzing van ongeloof dan van geloof geweest zijn?

Nu echter de dood van Christus verkondigd wordt tot redding, beveelt God ons om dieren te offeren? Veronderstel dat wij zulke offers zouden brengen, alleen als symbool van Zijn dood om ons beter te helpen aanbidden, zou dat dan eigenlijk onnodig zijn, of zou het verkeerd zijn?*/[4]

En toch hebben velen het vage idee, dat degenen die vóór Christus geleefd hebben, hun offers brachten in het volle begrip dat zij de dood van Christus op Golgotha typeerden.

Het is een feit, dat deze typeringen niet werden begrepen, dan nadat het Antitype verschenen was. Wij verheugen ons nu, als we deze beschouwen ten bewijze van dat God reeds immer Golgotha in gedachten had; dat de dood van Christus geen toeval, of een latere inval was. Maar God leerde ons tegelijk een les: eerst de schaduwen, daarna de werkelijkheid; eerst de offers, dan later Christus het grote alles-voldoende offer.

                  DE HARMONIE TUSSEN

            GODS PRINCIPES EN BEDELINGEN

Maar spreken Gods principes en de bedelingen elkaar niet tegen? Nee, zeker niet. De mensen zijn, alle eeuwen door, eenvoudig gered door God te geloven, en Hem te benaderen op Zijn aangegeven wijze. Als werken gevraagd werden tot redding, redden zij niet als zodanig, maar alleen als de verlangde uitdrukking van geloof. In het Oude Testament bevestigde het brengen van offers etc. door de heiligen "de gehoorzaamheid des geloofs". Bij ons is het rusten in het volbrachte werk van Christus tot redding "de gehoorzaamheid des geloofs". Zie Rom.1:5, 6:17, 15:18, 16:26, Heb.5:9, 11:8.

Wanneer God zegt: "Offer een dier en Ik zal je accepteren", wat zal dan het geloof doen? Geloof zal zeker een dieroffer brengen. Abel deed dit en werd aangenomen, niet dat het bloed van dieren zonde kan wegnemen, maar omdat hij God benaderde op GODS wijze. Dit is "de gehoorzaamheid des geloofs".

In het geval van Kain hebben we een duidelijke aanwijzing, dat God niet voldaan is met enkel werken als zodanig, want Kain offerde een aantrekkelijker uitziend offer dan Abel, maar werd afgewezen omdat hij niet het offer bracht wat God verlangde (Gen.4:5).

Als God zegt: "Bouw een ark en ik zal u en de uwen van de zondvloed redden", wat zal het geloof dan doen? Geloof zal zeker een ark bouwen. En toen Noach dit deed, toonde hij zijn geloof in God, en "werd een erfgenaam van de rechtvaardigheid, die naar het geloof is".

Als God zegt: "Gehoorzaam metterdaad mijn stem en je zult van Mij zijn", wat zal geloof dan doen? Geloof zal ernstig trachten te gehoorzamen. U zegt: Maar zij konden niet volkomen gehoorzamen en zouden daarom door God worden afgewezen. Dan antwoorden wij, dat wij reeds bewezen hebben dat werken, als zodanig, niet kunnen redden. Alleen toen de Israelieten de wet als het Woord van God voor hen erkenden, en daarom trachtten het te gehoorzamen, werden zij gered. Zulk pogen om de wet te houden bepaalde "de gehoorzaamheid tot geloof".

Als God zegt: "Bekeert u, en wordt gedoopt tot vergeving van zonde", wat zal dan geloof doen? Eén ding: bekeren en gedoopt worden. Wij weten dat oceanen met water, niet één zonde kunnen afwassen. Dan zal, toen Johannes de Doper en Petrus bekering en de doop tot vergeving predikten, niet één van hun toehoorders hun woorden hebben begrepen dat zij zouden betekenen: "Geloof in de dood van Christus tot redding". Toen God inderdaad waterdoop verlangde tot redding, was de enige weg om geloof te tonen de waterdoop, en zij die dit weigerden werden wegens hun ongeloof veroordeeld:"Maar de Farizeeën en de wetgeleerden HEBBEN DEN RAAD  GODS TEGEN ZICHZELVEN VERWORPEN, VAN HEM NIET GEDOOPT ZIJNDE" (Luk.7:30).

Maar als God zegt: "MAAR NU is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard geworden zonder de wet" (Rom.3:21); "Doch dengene die niet werkt, maar gelooft in Hem, Die den goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot rechtvaardigheid" (Rom.4:5); "En worden om niet gerechtvaardigd, uit Zijn genade, door de verlossing die in Christus Jezus is" (Rom.3:24); "In Welken wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar de rijkdom Zijner genade" (Eph.1:7); "Heeft Hij ons zalig gemaakt, niet uit de werken der rechtvaardigheid die wij gedaan hadden, maar naar Zijn barmhartigheid…" (Tit.3:5);  …en dat niet uit u, het is Gods gave; Niet uit de werken, opdat niemand roeme" (Eph.2:8,9).

Als God dit nu zegt, wat doet dan het geloof? Geloof zal zeggen: "Dit is het wonderlijkste offer dat ooit door God voor mensen is gebracht. Ik kan het niet afwijzen. Ik wil in Christus geloven als mijn Heiland, en redding accepteren als vrije gift, uit Gods genade."

Dan zijn ook de bedelingen van God in geen enkel opzicht in conflict met Zijn principes, want de Oud Testamentische heiligen, hoewel instrumenteel[5] door werken gered, werden eigenlijk gered door genade, door geloof. Maar nu is de rechtvaardigheid Gods geopenbaard zonder de wet (Rom.3:21). Het werd "betuigd te Zijner tijd" door de Apostel Paulus (1Tim.2:6,7). Hij zegt, dat het hem werd gegeven om "Tot een betoning van Zijn rechtvaardigheid  in dezen tegenwoordigen tijd: opdat Hij rechtvaardig zij, en rechtvaardigende dengene die uit het geloof van Jezus is" (Rom.3:26). Het zou dus vandaag ongeloof zijn om werken tot redding voor God te brengen.

  5:Als ik met een schroevedraaier en schroef in een stuk hout draai, doet dan de schroevedraaier het werk of doe ik dat? Of deden we allebei een gedeelte? Nee, in één opzicht deed de schroevedraaier alles, want ik raakte bij deze handeling de schroef zelfs niet aan. Maar de schroevedraaier was slechts het instrument dat ik gebruikte, dus eigenlijk was ik het die alles deed.

Zo was het met redding, vóór de bedeling van genade werd ingevoegd. Toen God waterdoop verlangde tot vergeving van zonden bijvoorbeeld, werden de zonden van de mensen alleen vergeven door onderwerping aan de waterdoop. Dus was het instrumenteel hun waterdoop, die hen vergeving van zonden verschafte, maar toch was het eigenlijk God, Die hen redde door genade, als Hij hun geloof zag.

Er zou kunnen worden aangevoerd, dat de gelovige in zo'n geval in zijn hart geloof beoefend had alvorens te worden gedoopt, zodat de doop niets te doen had met zijn redding. Het antwoord is dan, dat hij geloofde, dat door gedoopt te zijn, hij zou worden geaccepteerd, en dus was hij in zijn hart reeds gedoopt.

Dit is het antwoord op problemen wanneer zich onmogelijkheden voordoen om aan de gestelde eisen te voldoen. Veronderstel b.v., dat een man, die oprecht geloof beoefent, op weg zou zijn om een offer te brengen en gedoopt te worden, en op zijn weg plotseling dood valt. Zou hij niet worden aangenomen? Zeker wel; eenvoudig omdat hij in geloof gekomen was om aan de eis te voldoen. Evenzo werd de moordenaar aan het kruis gered zonder waterdoop, ten dage dat de waterdoop vereist werd tot vergeving der zonden. Maar wie zal eraan twijfelen, dat hij zich verheugd zou hebben bij de mogelijkheid dat hij gedoopt zou worden, als hij niet aan het kruis was genageld?       

Een prominente tegenstander van deze waarheden heeft aangevoerd, dat waarheid horizontaal is, niet verticaal, d.w.z. dat zij onveranderd en onveranderlijk door de eeuwen heengaat. Dit is waar. Waarheid is horizontaal, maar de openbaring van waarheid is verticaal, ofwel: God heeft waarheid geopenbaard aan de mens, niet alles ineens, maar historisch gezien geleidelijk, op zijn tijd. Noach wist meer van Gods openbaring dan Adam, Abraham meer dan Noach, Mozes meer dan Abraham, de twaalven meer dan Mozes, Paulus meer dan de twaalven.

Zo zijn ook Gods principes horizontaal; zij gaan onveranderd de eeuwen door. Maar de bedelingen zijn verticaal en volgen elkaar op als God nieuwe openbaringen aan de mens schenkt.*/[6]

VRAGEN

1.      Wat is een bedeling?

2.      Welk ander woord (behalve bedeling) wordt soms gebruikt in andere vertalingen voor oikonomia?

3.      Bewijs met de Schrift dat de morele wet als zodanig, niet kon redden van zonde.

4.      Bewijs met de Schrift dat de ceremoniele wet, als zodanig, niet kon redden van zonde.

5.      In welke zin hebben werken eens gered?

6.      Werden mensen in vorige bedelingen gered door geloof in de dood van Christus?

7.      Werd hun dat gepredikt?

8.      Werd hen redding aangeboden door geloof in de dood van een komende Christus?

9.      Bewijs met de Schrift dat redding door het bloed van Christus, los van werken, niet werd verkondigd ten tijde van het Oude Testament.

10.    Teken in een geometrisch schema het verschil tussen waarheid en de openbaring van waarheid.

11.    Verklaar hoe de bedeling der wet Gods principe tot redding van de mens door genade, door geloof, niet aantast.

12.    Zou het vandaag verkeerd zijn om de verordeningen te onderhouden, die eens werden verlangd tot redding?

13.    Zou het verkeerd zijn om een ordening te onderhouden, die eens tot redding werd verlangd, als wij zouden erkennen dat deze geen waarde heeft tot redding?

14.    Bewijs dit met de Schrift.

15.    Welke verklaring van onze Here met betrekking tot dopen, is veranderd door de meeste fundamentalisten, om dit in overeenstemming te brengen met hun inzicht in dopen?

16.    Door wie begon de Here het eerst met het uitdelen van Zijn  boodschap en programma voor vandaag?

17.    Bewijs dit door de Schrift.

18.    Kon een Oud-Testamentische persoon, die weigert heilige offers te brengen, worden gered?

19.    Kon iemand in de tijd van Johannes de Doper of met Pinksteren, die weigerde te worden gedoopt, zalig worden?

20.    Geef Bijbelse voorbeelden.

 

    [1]Er wordt soms verondersteld vanuit Deutr.18:15-19, dat Mozes moet hebben geweten van de komende Verlosser. Maar dit is zaken inlezen in de Schriften. Er is hier niets geschreven over een Verlosser. Dit gedeelte stelt slechts vast, dat God aan Israel een profeet zou verwekken naar wie zij zouden horen, of anders de gevolgen dragen. Moeten we hieruit opmaken, dat Mozes zijn volk leerde om te geloven in de toekomstige dood van Christus tot redding? En als juist aan de profeten, die later de dood van Christus voorspelden, niet toegestaan was om hun eigen en elkaars voorspellingen te begrijpen, moeten we dan veronderstellen dat Mozes meer begreep dan aan hen werd geopenbaard? Laten we voorzichtig zijn om aan te nemen, dat de heiligen uit het Oude Testament "meer zouden hebben begrepen" van deze dingen, en laten we altijd vragen: "Wat zegt de Schrift".

 

    [2]*/: Had Johannes alles begrepen wat wij nu zien in zijn geïnspireerde stelling in Joh.1:29, dan zou zijn gehele boodschap heel anders geweest zijn. Maar de tijd hiervoor was nog niet gekomen.

 

    [3]*Hier anticiperen velen de openbaring. Zij veronderstellen, dat de elven uitgezonden werden om het "evangelie van Gods genade" te gaan prediken, dat niet eerder wordt genoemd, dan bij Paulus.

       ** Al of niet gedoopt.

 

    [4]

Voetnoot: In het licht van de brieven van Paulus is het gewoon verkeerd om tot redding, welke ceremonie ook te onderhouden (Zie Col.2:14,20).

    [5] Voetnoot: Als ik een schroef in een stuk hout draai met een schroevedraaier, doet dan de schroevedraaier het werk, of doe ik dat? Nee. In één opzicht deed de schroevedraaier alles, want ik raakte bij de handeling zelfs de schroef niet aan. Maar de schroevedraaier was slechts het instrument dat ik gebruikte, dus eigenlijk was ik het die alles deed.

   

 

 

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011