|
I N L E I D I N G
HET WOORD
DER WAARHEID
RECHT
SNIJDEN
"Benaarstig u, om uzelven Gode beproefd voor te
stellen, een arbeider die niet beschaamd wordt, die het Woord der waarheid recht
snijdt." (2Tim.2:15)
Zij,
die trachten het Woord recht gesneden te onderwijzen, ontmoeten telkens de
tegenwerping: "Al de Schrift is van
God ingegeven, en is nuttig..." (2 Tim.3:16). Vanuit deze tekst wordt
geargumenteerd, dat het onterend is ten opzichte van God, om de Bijbel in
bedelingen te verdelen en de nadruk te leggen op onderlinge verschillen, omdat
toch "alles" voor ons is,
van Genesis 1 tot Openbaring 22.
Betekent
dat dan, dat 2 Tim.2:15 en 2 Tim.3:16 elkaar tegenspreken? Zeker niet. Het is
een feit dat deze twee teksten, die niet ver bij elkaar vandaan staan,
geschreven door dezelfde schrijver, aan dezelfde persoon, over hetzelfde Boek,
elkaar completeren. 2 Tim.2:15 licht
toe, hoe Gods arbeider het meest uit
de Bijbel verkrijgt, terwijl 2 Tim.3:16 verklaart dat alles
tot nut van de leerling werd gegeven. Inderdaad is alle Schrift ten nutte,
mits "recht gesneden", maar indien verkeerd ingedeeld of helemaal niet
ingedeeld, wordt de waarheid veranderd in leugen en wordt dan zeer onnuttig.
2
Tim.2:15 is dan ook de sleutel tot 2 Tim.3:16 en tevens tot begrip van en
blijdschap in het Woord der waarheid. Het is een moeilijkheid, dat massa
Christenen weerhouden worden om de moeite te nemen de Schriften te bestuderen
ten aanzien van het recht snijden. En, helaas, bemoedigen hun geestelijke
leiders hen dikwijls in deze lusteloosheid.
Enige
jaren geleden hoorden wij een predikant uitroepen:
"Sommigen zeggen, 'Dit is voor de Joden en dat is voor de kerk. Dit is voor
ons, en dat is niet voor ons.' Ik neem de hele Bijbel!"
Meende
hij daarmee dat we geen onderscheid mogen maken tussen Gods programma met Israel ten
tijde van het Oude Testament en Zijn programma met het Lichaam van Christus in
onze dagen? Zeker niet, maar het klonk wel zo. Bedoelde hij, dat degenen die het
Woord recht snijden niet de hele
Bijbel geloven? Nee, maar hij gaf wel de indruk. Hij ontmoedigde zijn hoorders
om te pogen het Woord der waarheid recht te snijden, door toe te voegen, dat
degenen die dat doen, bijbelgedeelten beschouwen als niet voor hen geschreven.
En deze predikant was vertegenwoordiger van een groot deel van de huidige
geestelijke leiders in de kerk van vandaag.
Is
het dan verwonderlijk dat de christelijke massa de Bijbel slechts gebruikt bij
godsdienstige lezingen, die zelfs ook nog verwaarloost worden? Hoe kunnen zij
verwachten interesse in Bijbelstudie te hebben, wanneer hun leiders zelf geen
voorbeeld geven? En men hoeft slechts om zich heen te zien om de realiteit
hiervan te erkennen. Waar zijn de vroegere Bijbelleraars? Wat gebeurde met de
grote Bijbel conferenties die werden gehouden in het hele land? Hoeveel
predikanten onderwijzen het Woord aan
hun gemeenten? En de zendelingen en evangelisten: is er niet een wijdverspreide
mening, dat het niet nodig is de Schriften al te zorgvuldig te onderzoeken,
omdat het in de eerste plaats "hun zaak is, om zielen te winnen"?
Als
resultaat hiervan, verstaat de grote meerderheid van gelovigen zeer weinig van Gods
Woord. Zij kennen de basisgegevens van de redding, maar schijnen ermee tevreden
te zijn, onwetend te blijven over kostbare waarheden die zij, wanneer zij ernaar
zouden zoeken om ze te vinden, hen tot arbeiders zouden maken, welbeproefd voor God, die zich niet behoeven
te schamen in hun dienst voor Hem.
Maar
liever dan studeren om een beter begrip
van het Woord te verkrijgen en nuttig in het gebruik
te worden, beroemen velen zich erop dat zij tevreden zijn met "de
eenvoudige dingen"!
En
dit na al de ernstige gebeden van Paulus, dat gelovigen de geest van wijsheid
en openbaring in de kennis van Christus mogen hebben (Efe.1:17), dat zij mogen weten
wat hen geschonken is in Christus (Efe.1:18-23) en verstaan
de breedte en lengte en diepte en hoogte ervan! (Efe.3:18). Dit na al zijn werken
en streven en moeiten, opdat
zij mogen hebben "de volle zekerheid
van het verstand"! (Kol.1:28-2:2). Dit na al zijn gebeden dat zij
zouden mogen worden "vervuld met de
kennis van Zijn wil, in alle wijsheid en geestelijk verstand" (Kol.1:9).
Dit na zijn ernstig vermanen van die vleselijke baby's, wie hij alleen Christus
als gekruisigd gepredikt had; die hij
alleen met melk kon voeden, omdat zij niet in staat waren om vast voedsel te
verteren! (1 Kor.2 en 3).
Trage
Christenen vinden zichzelf tamelijk geestelijk, alleen al omdat hun emoties
snel worden opgewekt. Zij beroemen zich op hun tevredenheid met "de
eenvoudige dingen", terwijl zij beschaamd zouden moeten zijn wegens hun
onverschilligheid tegenover het geschreven Woord van God. Zij bekennen hun grote
toewijding tot God, maar verwaarlozen het éne grote middel om Hem beter te
kennen. Zij belijden een ernstig geloof in Hem, en toch nemen zij nauwelijks
moeite om te ontdekken wát Hij heeft
gezegd. Zij overdenken niet dag en nacht, zoals David, Gods Woord, noch
zoals de profeten "ondervragen en onderzoeken zij ijverig" wat de ware
bedoeling is.
De
resultaten van dit gedrag ten opzichte van het Woord zijn verbijsterend, want
zulken mogen wel Christus vertrouwen tot behoudenis, maar daarna beoefenen zij,
in de meeste gevallen, een blind, bijgelovig geloof, dat alleen God onteert.
Gevoelens worden geaccepteerd als feiten,
en hun eigen wensen als Gods Woord. Zij gaan op verkeerde paden, terwijl zij zeggen, "Maar
ik heb er ernstig over gebeden en nu voel ik me volkomen tevreden." Zij
zeggen, "De Heer sprak tot mij" en bedoelen dan eerder een zeker gevoel,
dan dat zij een passage uit de Schrift doelbewust toepassen. Gedachteloos zeggen
zij, "Als het in de Bijbel staat, geloof ik het,"
en als zij de Bijbel lezen nemen zij daar voor zichzelf uitsluitend dat
uit, wat hun hart verwarmt en laten de rest voor wat het is zonder precies te
weten waarom. Maar zij die roemen in hun tevreden zijn met "de simpele
zaken" en de studie over
Bijbelse bedelingen afwijzen op grond van het feit dat de gehele Bijbel voor ons
is, míssen het feit dat al de Schrift gegeven is opdat
de mens Gods volmaakt zij, tot
alle goed werk volmaaktelijk toegerust. (zie 2 Tim.3:17).
Er
is een groot verschil tussen het "kind
van God"
en de "man van God"
en niemand die een kind in de waarheid blijft, kan beproefd zijn als een arbeider
voor God of als een soldaat van Jezus Christus, want de beproefde arbeiders
voor God moeten weten, hoe het Woord der waarheid recht gesneden wordt, en de
soldaten die Hij eert, moeten weten hoe het zwaard des Geestes te hanteren.
Wij
kunnen begrip hebben voor diegenen, die begonnen
zijn om de Bijbel te bestuderen op bedelingen en het als verwarrend hebben
bevonden. Bijna alle studie van een onderwerp is in het begin eerst verwarrend,
maar als wij volhouden beginnen we te begrijpen
en de vruchten van onze inspanning te oogsten. Inderdaad zullen de Schriften
verwarrend blijven voor ieder denkend mens, totdat hij leert om recht te snijden
en ze zo te begrijpen. En welke
vreugde kan er op tegen het beter verstaan van Gods Woord?
Er
staat geschreven over de grote geestelijke opwekking onder Ezra, toen de wet
werd gelezen en uitgelegd aan het volk van Israel:"Toen ging al het volk henen om te eten, en om te
drinken, en om delen te zenden, en om grote blijdschap te maken; WANT ZIJ HADDEN
DE WOORDEN VERSTAAN, DIE MEN HUN HAD BEKEND GEMAAKT" (Neh.8:13).
Op
de morgen van de opstanding waren twee discipelen moeizaam op weg naar Emmaus,
met gebroken harten, want hun Meester was gekruisigd. Zij begrepen niet, dat
overeenkomstig het profetische Woord, Hij moest lijden en sterven, vóór het
binnengaan in Zijn glorie. Toen kwam de Here Jezus Zelf bij hen en, onherkend,
verklaarde Hij hen dit vanuit de Schriften totdat zij begrepen, geloofden, en
zich verheugden."En
zij zeiden tot elkaar: WAS ONS HART NIET BRANDENDE IN ONS, ALS HIJ TOT ONS SPRAK
OP DE WEG, EN ALS HIJ ONS DE SCHRIFTEN OPENDE?" (Luk.24:32).
Het bestuderen van de Bijbel volgens de bedelingen moge in eerste instantie
verwarrend schijnen, maar in werkelijkheid verdrijft het verwarring, legt
moeilijke problemen uit, verzoent schijnbare tegenstellingen en verleent kracht
aan de bediening van de gelovige.
Als
ik binnen zou stappen in een nieuw, modern postkantoor, zal mij alles
ongetwijfeld verwarrend schijnen. Maar het zou fout zijn, om voor te stellen, al
de post netjes in een hoek op te stapelen en deze achter elkaar uit te reiken
aan allen die binnenkomen, zoals sommigen zouden willen doen met de Bijbel. De
postbeambten moeten de post "duidelijk verdelen en sorteren", zó dat
ieder persoon ontvangt wat aan hem geadresseerd is. Wat aan de nieuweling als
verwarrend over komt, is echter een vereenvoudiging van het werk dat gedaan moet
worden, om aan ieder zijn eigen post te bezorgen.
Toegegeven
wordt, dat in de Bijbel, dat wat geadresseerd is aan diegenen van andere
bedelingen, ons is gegeven tot lering en profijt, maar wij moeten dit niet
verwarren met onze eigen post, of de fout maken van het uitvoeren van
aanwijzingen, in het bijzonder voor anderen bestemd. Terwijl ik de post lees die
voor mij persoonlijk is bestemd, overhandigt een vriend mij,
in mijn belang of ter informatie, post die voor hem
is bestemd. Zijn post en de mijne mogen beide informatief en nuttig blijken,
maar ik moet toch oppassen de twee niet te verwarren, en aan hem beloofde dingen
te verwachten, of aanwijzingen te volgen, die voor hem bestemd zijn.
De
hele Bijbel is dus wel voor ons, maar alles is niet aan
ons gericht, of geschreven over ons, ook al zouden wij het werkelijk
verstaan en ons erover verheugen; als wij werkelijk willen weten, hoe dit
effectief in de dienst van Christus te gebruiken, dienen we altijd nauwkeurig op
te letten: wie richt zich tot wie, waarover, wanneer en waarom.
|