|
De
dingen die daarvan verschillen
H
O O F D S T U K IX
DE
AUTORITEIT VAN PETRUS EN PAULUS
PETRUS EN ZIJN SLEUTELS
In verband met de bouw van de Messiaanse gemeente zei onze
Heere tot Petrus:
"EN IK ZAL U GEVEN DE SLEUTELEN VAN HET KONINKRIJK
DER HEMELEN; EN ZO WAT GIJ ZULT BINDEN OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN GEBONDEN
ZIJN; EN ZO WAT GIJ ONTBINDEN ZULT OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN ONTBONDEN
ZIJN" (Matt.16:19).
Rome baseert haar aanspraken op de pauselijke autoriteit
voornamelijk op dit vers. Zij redeneert dat onze Heere aan een daartoe
(uit)geroepen groep (Gr. ekklesia: kerk)
volle autoriteit verleende om officieel in Zijn naam te handelen, zelfs tot het
vergeven van zonde toe, en dat zulke officiele handelingen bindend waren in de
hemel. Zij redeneert verder dat de autoriteit van deze kerk gecentraliseerd was
in de twaalf apostelen, over wie de Heere ייn van hen, Sint Petrus, als leider
aanstelde.
Deze aanspraken zijn gebaseerd op het feit dat waar in
Joh.20:23 zou gesproken zijn door Jezus tot velen van Zijn discipelen, Matt.18:18
blijkbaar werd gericht tot de twaalf apostelen, en Matt.16:19 tot Petrus alleen.
Aldus wordt aanspraak gemaakt op het feit dat autoriteit in geestelijke zaken
werd gegeven aan de kerk, vertegenwoordigd door de twaalf apostelen en gepersonifieerd
in de apostel Petrus.
Rome's conclusie is dat aangezien de kerk van vandaag
(volgens de Katholieke leer) een voortzetting is van de organisatie die Christus
stichtte en met goddelijke autoriteit bekleedde, er noodzakelijkerwijs een
apostolische successie moest zijn. Zij beweert dat het apostolisch lichaam is
bestendigd in haar Heilig College van Kardinalen met haar twaalf congregaties,
en dat ייn van hen, de Paus of bisschop van Rome, Petrus opvolgt als hun
leider en het hoogste hoofd van de kerk op aarde - die geestelijke autoriteit
wordt thans nog steeds bekleed in de kerk, vertegenwoordigd door het College van
Kardinalen, en gepersonifieerd in de Paus zelf.
PROTESTANTSE
INTERPRETATIES
Protestanten mogen hun
handen dan wel in ontzetting opheffen bij zulke aanspraken, maar hun eigen
interpretaties van deze passages hangen aan een zijden draadje. Laten we er
enkele noemen:
1. De
katholieke interpretatie vinden wij, in een andere vorm, terug in de
geloofsbelijdenissen van vele Protestantse denominaties. Zij maken dezelfde
aanspraken als Rome, met reserves en verontschuldigingen.
2. Sommige
Protestanten redeneren dat onze
Heere in deze woorden de apostelen enkel autoriteit gaf om de
voorwaarden
tot
behoudenis aan te geven.
3.
Anderen beweren dat aan
de apostelen de bevoegdheid werd gegeven om te kunnen onderscheiden en
verklaren
wiens
zonden vergeven waren en wiens niet. Dit betekent dat zij zonden vergeven konden
verklaren, niet door enige autoriteit
die hen zou zijn geschonken, maar vanwege door God gegeven
krachten om de ware geestelijke staat van hen die zij
bedienden te onderscheiden.
4.
Weer anderen stellen vast
dat onze Heere bedoelde om Zijn volgelingen hun grote verantwoordelijkheid op
het hart te drukken en hen te waarschuwen dat door hun
gedrag sommigen Hem zouden aannemen terwijl
anderen Hem zouden afwijzen; sommigen zouden hun zonden
vergeven zijn, terwijl anderen hun zonden
werden gehouden.
Maar al deze argumenten kunnen in ייn categorie worden
geplaatst: zij doen de eigenlijke bedoeling van de Schriften geweld aan en
worden eenvoudigweg afgedaan door Rome als zij wijst op het Boek zelf en
beweert: "Maar dit is wat er
staat".
DE OPLOSSING
De oplossing van dit probleem en het antwoord op
Rome's pretenties is opnieuw een bedelings kwestie. Het berust op het feit dat
God Zijn handelingen met de mens van tijd tot tijd wijzigt - een stelling die
door Roomsen zal moet worden worden toegegeven als onze Heere inderdaad zulke
krachten verleende aan Zijn discipelen nadat enkele duizenden jaren van
menselijke geschiedenis voorbij gegaan waren - en dat de kerk van vandaag niet
een voortzetting is van de organisatie die Christus vestigde toen Hij op aarde
was.
Onze Heere gaf in feite de twaalf, met Petrus als hun
leider, autoriteit om als Zijn vertegenwoordigers te handelen in Zijn
afwezigheid.
Laat ons Joh.20:23 in het licht van zijn context
beschouwen, te beginnen bij vers 21:
"Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden;
GELIJKERWIJS MIJ DE VADER GEZONDEN HEEFT, ZEND IK OOK ULIEDEN.
"En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en
zeide tot hen: ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST: "ZO GIJ IEMANDS ZONDEN
VERGEEFT, DIEN WORDEN ZE VERGEVEN; ZO GIJ IEMANDS ZONDEN HOUDT, DIEN ZIJN ZIJ
GEHOUDEN" (Joh.20:21-23).
"Zoals de
Vader Mij gezonden heeft, zend ik ook u".
Is
het vreemd in het licht van deze woorden dat onze Heere dezelfde krachten
schenkt? Deze woorden moeten worden vergeleken met de woorden van de Heere tot
de twaalf in Luk.22:28-30:
"En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven
zijt in Mijn verzoekingen.
"EN IK VERORDINEER U HET KONINKRIJK, GELIJKERWIJS
MIJN VADER MIJ DAT VERORDINEERD HEEFT;
"Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn
koninkrijk, en zit op tronen oordelende de twaalf geslachten Israels te
oordelen."
Betekent dit dan, dat onze Heere zelfs de vergeving van
zonden in de handen van falende mensen zou hebben overgegeven? Nee, niet aan falende
mensen, want op Pinksteren nam de Heilige Geest bovennatuurlijk bezit van
hen. In die voorsmaak van het millennium leefden de gelovigen samen op een wijze
die zelfs de meest geestelijke gelovigen van nu niet (kunnen) doen. Inderdaad,
kunnen we de apostelen van geen
enkele misstap beschuldigen, dan tot nב de bekering van Saulus. Bovendien gaf
God hen bovennatuurlijke gaven om hen
te kwalificeren voor hun werk.
Het is natuurlijk te begrijpen dat de apostelen geen
wezenlijke kracht in zichzelf bezaten om zonden te vergeven. Het was gedelegeerde
kracht, uitgeoefend, zoals we dat zeggen, onder de controle van God de Heilige
Geest.
In Mark.2:7 maken de Schriftgeleerden aanmerkingen op
Christus en zeggen:
"Wat spreekt Deze aldus godslasteringen? Wie kan de
zonden vergeven dan alleen God?".
Zijn wij misschien te snel geneigd om in te stemmen met
deze Schriftgeleerden? We moeten
niet vergeten dat onze Heere Zelf zei:
"Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al
het oordeel den Zoon gegeven".
"En heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden,
OMDAT HIJ DES MENSEN ZOON IS" (Joh.5:22,27).
De Heere Jezus had zeer zeker gezag om mensen in het
koninkrijk toe te laten of hen uit te sluiten. Zeker kon Hij, als de Zoon des Mensen,
zonden vergeven, en wat Hij op aarde bond, was zeker gebonden in de hemel.
En nu geeft Hij deze krachten aan Zijn volgelingen als
vertegenwoordigers in het koninkrijk:
"GELIJKERWIJS MIJ DE VADER GEZONDEN HEEFT, ZEND IK OOK ULIEDEN."
"EN IK VERORDINEER U HET KONINKRIJK, GELIJKERWIJS
MIJN VADER MIJ DAT VERORDINEERD HEEFT".
Matt.21:43 maakt duidelijk dat het koninkrijk zou worden
AFGENOMEN van de hogepriesters en ouderlingen in Israכl en Luk.12:32 maakt het
evenzo duidelijk dat het koninkrijk zou worden GEGEVEN aan de "kleine
kudde" van Christus' volgelingen. We halen deze verzen hier aan:
"Daarom zeg Ik ulieden, dat HET KONINKRIJK GODS VAN U
ZAL WEGGENOMEN WORDEN EN AAN EEN VOLK */[1]
GEGEVEN, DAT ZIJN VRUCHTEN VOORTBRENGT" (Matt.21:43).
"VREEST NIET, GIJ KLEIN KUDDEKEN, WANT HET IS UWS
VADERS WELBEHAGEN, ULIEDEN HET KONINKRIJK TE GEVEN" (Luk.12:32).
Matt.19:28 maakt het verder duidelijk dat gezag in dit
koninkrijk (onder Christus) gecentraliseerd was in de twaalf apostelen:
"EN JEZUS ZEIDE TOT HEN: VOORWAAR IK ZEG U, DAT GIJ
DIE MIJ GEVOLGD ZIJT, IN DE WEDERGEBOORTE WANNEER DE ZOON DES MENSEN ZAL GEZETEN
ZIJN OP DEN TROON ZIJNER HEERLIJKHEID, DAT GIJ OOK ZULT ZITTEN OP TWAALF TRONEN,
OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN ISRAELS".
Tenslotte wordt Petrus in Matt.16:19 afgezonderd als
leider van de twaalf als onze Heere zegt:
"EN IK ZAL U GEVEN DE SLEUTELEN VAN HET KONINKRIJK
DER HEMELEN".
Dat Petrus
consequent optreedt als de leider van de twaalf zien wij als volgt:
"...PETRUS
stond op in het midden der discipelen..." (Hand.1:15).
"...PETRUS
staande met de elve..." (Hand.2:14).
"...PETRUS en
de andere apostelen..." (Hand.2:37).
"...PETRUS en
de apostelen..." (Hand.5:29).
Het is spijtig dat Protestanten, in plaats van uit de
Schriften het feit te bewijzen dat de kerk van vandaag niet de voortzetting is van de organisatie die onze Heere vestigde
terwijl Hij op aarde was, tevergeefs proberen te weerleggen wat Matt.16:19 zo duidelijk stelt! Het is duidelijk dat
iemand die de sleutels van een gebouw heeft
de macht heeft om anderen binnen te laten of buiten te sluiten. Een
gelijksoortige passage (Jes.22:20-23) beschrijft hoe aan Eljakim de sleutel van
het huis van David was gegeven; met andere woorden, het was in zijn macht om
mensen toe te laten, of uit te sluiten van de regering over Israכl.
DE
OFFICIֻLE HANDELINGEN VAN DE TWAALF
De eerste officiכle daad van de "kleine kudde"
was het aanwijzen van een opvolger voor Judas, als twaalfde apostel, en zoals
wij zagen, wat zij bonden op aarde was gebonden in de hemel, want
"Matthias...werd met gemene toestemming tot de elf
apostelen gekozen...En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest"
(Hand.1:26, 2:4).
Op Pinksteren zien we de apostelen weer ten volle hun
autoriteit uitoefenen. Toen de aanwezigen van schuld overtuigd waren, en aan
Petrus en de andere apostelen vroegen wat zij moesten doen, antwoordde Petrus:
"BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT
IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE
GAVE DES HEILIGEN GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2:38).
En toen doopten de apostelen (en wellicht anderen van de
discipelen) hen "TOT VERGEVING VAN ZONDEN". Vergelijk dit met de
woorden van onze Heere:
"Wiens
zonden gij vergeeft, die zijn ze vergeven"
en
"en zo wat gij op aarde zult binden zal gebonden zijn in de hemel". Er is hier een
volstrekte harmonie.
Maar zou een sluw mens hen niet hebben kunnen bedriegen?
Bedroog Ananias hen? Hij werd dood weggedragen! Zoals we hebben gezien,
"werden zij allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4) en bekleed
met speciale wonderlijke krachten (Hand.1:8), met inbegrip van "de gave van
kennis".
In Hand.3:19-21 vinden we Petrus daadwerkelijk bezig om
aan Israכl "de tijden der verkoeling" en de wederkomst van Christus
aan te bieden. Hij deed dit met officiכle volmacht en het is duidelijk dat dit
aanbod was gebonden (als bindend aangenomen)
in de hemel.
Er zijn meerdere van zulke gevallen in het verslag van de
bedieningen van de apostelen, maar ייn van bijzonder belang vinden we in
Handelingen 10, direct na de bekering van Saulus:
Petrus was niet buiten Gods wil, toen hij aarzelde om naar
de heidenen te gaan. Hij kende het profetische programma goed, dat de volkeren
zouden worden gezegend door de opwekking en redding van Israכl (Jes.60:1-3).
Vervuld met de Heilige Geest, had hij verklaard, dat God Zijn Zoon Jezus had
opgewekt om in de eerste plaats Israכl te zegenen, door hen af te keren van hun
ongerechtigheden, zodat het verbond met Abraham vervuld zou worden, en de
volkeren gezegend zouden worden door hen (Zie Hand.3:25,26 en Mark.7:27, Luk.24:47 en Hand.1:8). Israכl
moest eerst aan de voeten van de
Messias gebracht worden.
Maar hier werd Petrus door een speciale boodschap gezonden om "niet
twijfelende" naar het heidense huis van Cornelius te gaan. De anderen in Jeruzalem riepen hem later
ter verantwoording voor deze handeling, maar nadat hij "beginnende verhaalde het hun vervolgens zeggende…", "verheerlijkten
God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten
leven" (Hand.11:4,18).
Zonder afbreuk te doen aan het koninkrijksaspect van deze
gebeurtenis, dient men wel in gedachten te houden dat toen Petrus naar het
huisgezin van Cornelius ging, dit niet volgens het profetisch programma of de
zgn. "grote opdracht" was. Hij werd niet naar deze heidenen gezonden omdat Israכl Christus aanvaard
had, maar ondanks het feit dat Israכl Christus afwees. Maar wat Petrus gedaan had op aarde was gebonden in de hemel en
Paulus' daaropvolgende bediening werd later erkend en geruggensteund door de
Jeruzalem-kerk op grond van deze activiteit van Petrus hier (Zie Hand.15:1-18).
Naar nog een andere, wellicht de laatste, officiכle
handeling van de apostelen wordt verwezen in Galaten 2 waar zij, door hun
leiders*/[2],
Paulus erkenden als "de apostel der heidenen".
Wij citeren:
"EN IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, EN STELDE HUN HET
EVANGELIE VOOR DAT IK PREDIK ONDER DE HEIDENEN; EN IN HET BIJZONDER DIEGENEN IN
ACHTING WAREN, OPDAT IK NIET ENIGSZINS TEVERGEEFS ZOU LOPEN OF GELOPEN
HEBBEN".
"EN TOEN JAKOBUS, EN CEFAS, EN JOHANNES, DIE GEACHT
WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE DIE AAN MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ
MIJ EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN, EN
ZIJ TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (Gal.2:2,9).
Hier beloven zij met een plechtige overeenkomst dat zij
die oorspronkelijk in de "gehele wereld" en tot "alle
volkeren" waren gezonden, om hun bediening te beperken tot Israכl terwijl
Paulus naar de heidenen gaat.
Waren deze leiders van de twaalf buiten de wil van
God, toen zij deze overeenkomst maakten? In geen geval! Latere openbaring
bewijst, dat zij zeer zeker in de wil van God waren, beide in het zichzelf
losmaken van hun opdracht om de wereld te evangeliseren, en in het toestemmen
dat Paulus naar de heidenen zou gaan, want Israels verwerping van Christus had
een verandering gebracht in het goddelijke programma.
Hier alleen is het antwoord aan het katholicisme. Hier
alleen is de bijl gelegd aan de wortel van
de boom, want in het licht van deze Schriftplaatsen is het onmogelijk vol te
houden dat de kerk van vandaag een voortzetting zou zijn van de organisatie die
onze Heere vestigde toen Hij op aarde was. Er is een groot verschil tussen het
koninkrijk der hemelen, verkondigd door de twaalf, en het
lichaam van Christus, geopenbaard door Paulus.
Er kan dus door
Rome's eigen argumentatie geen apostolische successie zijn, want door de
autoriteit gegeven aan de twaalf (een autoriteit die Rome pertinent getuigt te
bezitten) ontbonden zij zichzelf van hun verplichting om de "grote
opdracht" tot het einde toe te volbrengen, en erkenden zij Paulus
als de apostel van de nieuwe bedeling. En let wel op: wat
zij bonden op aarde werd gebonden in de hemel, en wat zij ontbonden op aarde
werd ontbonden in de hemel.
Het profetisch programma was onderbroken. Het koninkrijk
werd uitgesteld, terwijl de Koning een koninklijke Balling bleef. Profetie had
plaats gemaakt voor "het geheimenis" van Gods doel en genade.
HET GEZAG VAN PAULUS
Aan Paulus was eveneens grote autoriteit verleend. Telkens
worden we eraan herinnerd dat hij spreekt door goddelijke openbaring, als de
spreekbuis van Christus Zelf. Hij maakt ook duidelijk dat hij dit gezag niet van
mensen had gekregen:
"MAAR IK MAAK U BEKEND, BROEDERS, DAT HET EVANGELIE
HETWELK VAN MIJ VERKONDIGD IS, NIET IS NAAR DEN MENS.
"WANT IK HEB OOK HETZELVE NIET VAN EEN MENS ONTVANGEN
NOCH GELEERD, MAAR DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS" (Gal.1:11,12,
1Cor.11:23, 15:3, Ef.3:2,3, 1Thess.4:15 etc.)
Hij herinnert de Romeinen en de Kolossenzen aan zijn
speciale autoriteit als de apostel van de heidenen en dienaar van het lichaam:
"WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVEEL IK DER
HEIDENEN APOSTEL BEN, MAAK IK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).
"Die mij nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u, en
vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus VOOR
ZIJN LICHAAM, HETWELK IS DE GEMEENTE;
"WELKER/[3] DIENAAR IK GEWORDEN BEN,
naar de bedeling GodS, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord
Gods" (Kol.1:24,25).
Aan de ongeregelde Korinthiכrs schrijft hij:
"...DAT ZO IK WEDEROM KOM, IK HEN NIET ZAL SPAREN;
DEWIJL GIJ ZOEKT EEN PROEVE VAN CHRISTUS DIE IN MIJ SPREEKT..."
(2Kor.13:2,3).
Neem er echter nota van dat Paulus' autoriteit niet van
politieke aard was; die was uitsluitend geestelijk
en leerstellig. Dit is duidelijk
uit de volgende passages:
"DOCH AL WARE HET OOK DAT WIJ, OF EEN ENGEL UIT DEN
HEMEL, U EEN EVANGELIE VERKONDIGDE BUITEN HETGEEN WIJ U VERKONDIGD HEBBEN, DIE
ZIJ VERVLOEKT.
"GELIJK WIJ TEVOREN GEZEGD HEBBEN, ZO ZEG IK OOK NU
WEDEROM: INDIEN U IEMAND EEN EVANGELIE VERKONDIGT BUITEN HETGEEN GIJ ONTVANGEN
HEBT, DIE ZIJ VERVLOEKT" (Gal.1:8,9).
"INDIEN IEMAND EEN ANDERE LEER LEERT, EN NIET
OVEREENKOMT MET DE GEZONDE WOORDEN VAN ONZEN HEERE JEZUS CHRISTUS, EN MET DE
LEER DIE NAAR DE GODZALIGHEID IS,
"DIE IS OPGEBLAZEN..."enz. (1Tim.6:3,4).
"De tekenen
van een apostel" werden door Paulus
gewerkt, maar hij had niet de "sleutels" tot het lichaam zoals Petrus
die had tot het koninkrijk, noch was hem
macht gegeven om zonden te vergeven. Inderdaad, sinds de doop "tot
vergeving van zonden" opzij was gezet ten gunste van rechtvaardiging door
genade, door geloof, zonder werken, kon hij geen deel hebben in zonden
vergeving, maar wel indirect door het blijde nieuws te verkondigen. Dit zal in
een volgend hoofdstuk uitvoeriger worden behandeld.
VRAGEN
1.
Op welk
Schriftgedeelte baseert Rome voornamelijk haar aanspraken op pauselijk gezag?
2.
Geef
twee andere passages
waarop zij haar aanspraken op de
autoriteit van de (Roomse) kerk
baseert.
3.
Door welke redenering past zij deze passages toe op de (Roomse) Kerk van
vandaag?
4.
Welke fundamentele zwakheid is er in de meeste Protestante interpretaties
van deze verzen?
5.
Geef
twee verzen (apart van de reeds gegevenen) die aanduiden dat onze Heere aan Zijn
apostelen autoriteit verleende om officieel in Zijn naam
te handelen.
6.
Was hun autoriteit om zonden te vergeven van hen zelf of was het
gedelegeerd?
7.
Waarom heeft de Vader het toekomstige oordeel van de mens gegeven aan
Zijn Zoon?
8.
Laat zien vanuit de Schrift van wie het koninkrijk van Israel zou worden
weggenomen.
9.
Laat zien vanuit de Schrift aan wie het zou worden gegeven.
10. Hoe kunt u laten
zien vanuit het begin van Handelingen dat Petrus de leider was van de twaalf?
11.
Welke
basisfout houden de meeste Protestanten samen met Rome vast, die hen verhindert
om de
aanspraken van Rome te weerleggen?
12.
Wat was de eerste officiכle
handeling van de apostelen?
13. Geef de
Schriftplaats die aantoont in welke zin de apostelen zonden vergaven.
14.
Hoe
werden zij beschermd tegen bedrog door valse "bekeerlingen"?
15. Welk voorbeeld hebben we als blijk, dat zij niet zo werden
bedrogen?
16. Geef een
voorbeeld, dat de apostelen iets bonden wat ook in de hemel gebonden was.
17. Geef een
voorbeeld, dat de apostelen iets ontbonden wat ook in de hemel ontbonden was.
18. Wat is het
fundamentele antwoord aan het Rooms Katholicisme?
19. Hoe geven Rome's
eigen aanspraken uitsluitsel aan deze zaak?
20
Geef drie Schriftplaatsen die de aard van Paulus' autoriteit aangeven met
betrekking tot Gods programma
voor de huidige bedeling.
|