De Bijbel 

 is Gods Woord

Uw woord is een lamp voor mijn voet, en een licht voor mijn pad.

Psalmen 119:105

Want ik heb ulieden ten eerste overgegeven, hetgeen ik ook ontvangen heb, dat Christus gestorven is voor onze zonden, naar de Schriften; 4 En dat Hij is begraven, en dat Hij is opgewekt ten derden dage, naar de Schriften;  1 Korinthiërs 15
Wie zijn wij?  Wij geloven

Links

15-01-2012

 

De dingen die daarvan verschillen

H O O F D S T U K  IX

DE AUTORITEIT VAN PETRUS EN PAULUS

PETRUS EN ZIJN SLEUTELS

In verband met de bouw van de Messiaanse gemeente zei onze Heere tot Petrus:

"EN IK ZAL U GEVEN DE SLEUTELEN VAN HET KONINKRIJK DER HEMELEN; EN ZO WAT GIJ ZULT BINDEN OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN GEBONDEN ZIJN; EN ZO WAT GIJ ONTBINDEN ZULT OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN ONTBONDEN ZIJN" (Matt.16:19).

Rome baseert haar aanspraken op de pauselijke autoriteit voornamelijk op dit vers. Zij redeneert dat onze Heere aan een daartoe (uit)geroepen groep (Gr. ekklesia: kerk) volle autoriteit verleende om officieel in Zijn naam te handelen, zelfs tot het vergeven van zonde toe, en dat zulke officiele handelingen bindend waren in de hemel. Zij redeneert verder dat de autoriteit van deze kerk gecentraliseerd was in de twaalf apostelen, over wie de Heere ייn van hen, Sint Petrus, als leider aanstelde.

Deze aanspraken zijn gebaseerd op het feit dat waar in Joh.20:23 zou gesproken zijn door Jezus tot velen van Zijn discipelen, Matt.18:18 blijkbaar werd gericht tot de twaalf apostelen, en Matt.16:19 tot Petrus alleen. Aldus wordt aanspraak gemaakt op het feit dat autoriteit in geestelijke zaken werd gegeven aan de kerk, vertegenwoordigd door de twaalf apostelen en gepersonifieerd in de apostel Petrus.

Rome's conclusie is dat aangezien de kerk van vandaag (volgens de Katholieke leer) een voortzetting is van de organisatie die Christus stichtte en met goddelijke autoriteit bekleedde, er noodzakelijkerwijs een apostolische successie moest zijn. Zij beweert dat het apostolisch lichaam is bestendigd in haar Heilig College van Kardinalen met haar twaalf congregaties, en dat ייn van hen, de Paus of bisschop van Rome, Petrus opvolgt als hun leider en het hoogste hoofd van de kerk op aarde - die geestelijke autoriteit wordt thans nog steeds bekleed in de kerk, vertegenwoordigd door het College van Kardinalen, en gepersonifieerd in de Paus zelf.

 PROTESTANTSE INTERPRETATIES

Protestanten mogen  hun handen dan wel in ontzetting opheffen bij zulke aanspraken, maar hun eigen interpretaties van deze passages hangen aan een zijden draadje. Laten we er enkele noemen:

1.  De katholieke interpretatie vinden wij, in een andere vorm, terug in de geloofsbelijdenissen van vele Protestantse denominaties. Zij maken dezelfde aanspraken als Rome, met reserves en verontschuldigingen.

2.   Sommige Protestanten redeneren dat  onze Heere in deze woorden de apostelen enkel autoriteit gaf om de

voorwaarden tot behoudenis aan te geven.    

3.       Anderen beweren dat aan de apostelen de bevoegdheid werd gegeven om te kunnen onderscheiden en

verklaren wiens zonden vergeven waren en wiens niet. Dit betekent dat zij zonden vergeven konden 

verklaren, niet door enige autoriteit die hen zou zijn geschonken, maar vanwege door God gegeven  

krachten om de ware geestelijke staat van hen die zij bedienden te onderscheiden.       

4.       Weer anderen stellen vast dat onze Heere bedoelde om Zijn volgelingen hun grote verantwoordelijkheid op 

het hart te drukken en hen te waarschuwen dat door hun gedrag sommigen Hem zouden aannemen terwijl 

anderen Hem zouden afwijzen; sommigen zouden hun zonden vergeven zijn, terwijl anderen hun zonden       werden gehouden.       

Maar al deze argumenten kunnen in ייn categorie worden geplaatst: zij doen de eigenlijke bedoeling van de Schriften geweld aan en worden eenvoudigweg afgedaan door Rome als zij wijst op het Boek zelf en beweert: "Maar dit is wat er staat".

                   DE OPLOSSING

 De oplossing van dit probleem en het antwoord op Rome's pretenties is opnieuw een bedelings kwestie. Het berust op het feit dat God Zijn handelingen met de mens van tijd tot tijd wijzigt - een stelling die door Roomsen zal moet worden worden toegegeven als onze Heere inderdaad zulke krachten verleende aan Zijn discipelen nadat enkele duizenden jaren van menselijke geschiedenis voorbij gegaan waren - en dat de kerk van vandaag niet een voortzetting is van de organisatie die Christus vestigde toen Hij op aarde was.

Onze Heere gaf in feite de twaalf, met Petrus als hun leider, autoriteit om als Zijn vertegenwoordigers te handelen in Zijn afwezigheid.

Laat ons Joh.20:23 in het licht van zijn context beschouwen, te beginnen bij vers 21: "Jezus dan zeide wederom tot hen: Vrede zij ulieden; GELIJKERWIJS MIJ DE VADER GEZONDEN HEEFT, ZEND IK OOK ULIEDEN.

"En als Hij dit gezegd had, blies Hij op hen, en zeide tot hen: ONTVANGT DEN HEILIGEN GEEST: "ZO GIJ IEMANDS ZONDEN VERGEEFT, DIEN WORDEN ZE VERGEVEN; ZO GIJ IEMANDS ZONDEN HOUDT, DIEN ZIJN ZIJ GEHOUDEN" (Joh.20:21-23).

"Zoals de Vader Mij gezonden heeft, zend ik ook u". 

Is het vreemd in het licht van deze woorden dat onze Heere dezelfde krachten schenkt? Deze woorden moeten worden vergeleken met de woorden van de Heere tot de twaalf in Luk.22:28-30:

"En gij zijt degenen, die met Mij steeds gebleven zijt in Mijn verzoekingen.

"EN IK VERORDINEER U HET KONINKRIJK, GELIJKERWIJS MIJN VADER MIJ DAT VERORDINEERD HEEFT;

"Opdat gij eet en drinkt aan Mijn tafel in Mijn koninkrijk, en zit op tronen oordelende de twaalf geslachten Israels te oordelen."

Betekent dit dan, dat onze Heere zelfs de vergeving van zonden in de handen van falende mensen zou hebben overgegeven? Nee, niet aan falende mensen, want op Pinksteren nam de Heilige Geest bovennatuurlijk bezit van hen. In die voorsmaak van het millennium leefden de gelovigen samen op een wijze die zelfs de meest geestelijke gelovigen van nu niet (kunnen) doen. Inderdaad, kunnen we de apostelen van  geen enkele misstap beschuldigen, dan tot nב de bekering van Saulus. Bovendien gaf God hen bovennatuurlijke gaven om hen te kwalificeren voor hun werk.

Het is natuurlijk te begrijpen dat de apostelen geen wezenlijke kracht in zichzelf bezaten om zonden te vergeven. Het was gedelegeerde kracht, uitgeoefend, zoals we dat zeggen, onder de controle van God de Heilige Geest.

In Mark.2:7 maken de Schriftgeleerden aanmerkingen op Christus en zeggen:

"Wat spreekt Deze aldus godslasteringen? Wie kan de zonden vergeven dan alleen God?".

Zijn wij misschien te snel geneigd om in te stemmen met deze Schriftgeleerden?  We moeten niet vergeten dat onze Heere Zelf zei:

"Want ook de Vader oordeelt niemand, maar heeft al het oordeel  den Zoon gegeven".

"En heeft Hem macht gegeven ook gericht te houden, OMDAT HIJ DES MENSEN ZOON IS" (Joh.5:22,27).

De Heere Jezus had zeer zeker gezag om mensen in het koninkrijk toe te laten of hen uit te sluiten. Zeker kon Hij, als de Zoon des Mensen, zonden vergeven, en wat Hij op aarde bond, was zeker gebonden in de hemel.

En nu geeft Hij deze krachten aan Zijn volgelingen als vertegenwoordigers in het koninkrijk:

"GELIJKERWIJS MIJ DE VADER  GEZONDEN HEEFT, ZEND IK OOK ULIEDEN."

"EN IK VERORDINEER U HET KONINKRIJK, GELIJKERWIJS MIJN VADER MIJ DAT VERORDINEERD HEEFT".

Matt.21:43 maakt duidelijk dat het koninkrijk zou worden AFGENOMEN van de hogepriesters en ouderlingen in Israכl en Luk.12:32 maakt het evenzo duidelijk dat het koninkrijk zou worden GEGEVEN aan de "kleine kudde" van Christus' volgelingen. We halen deze verzen hier aan:

"Daarom zeg Ik ulieden, dat HET KONINKRIJK GODS VAN U ZAL WEGGENOMEN WORDEN EN AAN EEN VOLK */[1] GEGEVEN, DAT ZIJN VRUCHTEN VOORTBRENGT" (Matt.21:43).

"VREEST NIET, GIJ KLEIN KUDDEKEN, WANT HET IS UWS VADERS WELBEHAGEN, ULIEDEN HET KONINKRIJK TE GEVEN" (Luk.12:32).

Matt.19:28 maakt het verder duidelijk dat gezag in dit koninkrijk (onder Christus) gecentraliseerd was in de twaalf apostelen:

"EN JEZUS ZEIDE TOT HEN: VOORWAAR IK ZEG U, DAT GIJ DIE MIJ GEVOLGD ZIJT, IN DE WEDERGEBOORTE WANNEER DE ZOON DES MENSEN ZAL GEZETEN ZIJN OP DEN TROON ZIJNER HEERLIJKHEID, DAT GIJ OOK ZULT ZITTEN OP TWAALF TRONEN, OORDELENDE DE TWAALF GESLACHTEN ISRAELS".

Tenslotte wordt Petrus in Matt.16:19 afgezonderd als leider van de twaalf als onze Heere zegt: "EN IK ZAL U GEVEN DE SLEUTELEN VAN HET KONINKRIJK DER HEMELEN".

 Dat Petrus consequent optreedt als de leider van de twaalf zien wij als volgt:

"...PETRUS stond op in het midden der discipelen..." (Hand.1:15).

"...PETRUS staande met de elve..." (Hand.2:14).

"...PETRUS en de andere apostelen..." (Hand.2:37).

"...PETRUS en de apostelen..." (Hand.5:29).

Het is spijtig dat Protestanten, in plaats van uit de Schriften het feit te bewijzen dat de kerk van vandaag niet de voortzetting is van de organisatie die onze Heere vestigde terwijl Hij op aarde was, tevergeefs proberen te weerleggen wat Matt.16:19 zo duidelijk stelt! Het is duidelijk dat iemand die de sleutels van een gebouw heeft  de macht heeft om anderen binnen te laten of buiten te sluiten. Een gelijksoortige passage (Jes.22:20-23) beschrijft hoe aan Eljakim de sleutel van het huis van David was gegeven; met andere woorden, het was in zijn macht om mensen toe te laten, of uit te sluiten van de regering over Israכl.

DE OFFICIֻLE HANDELINGEN VAN DE TWAALF

De eerste officiכle daad van de "kleine kudde" was het aanwijzen van een opvolger voor Judas, als twaalfde apostel, en zoals wij zagen, wat zij bonden op aarde was gebonden in de hemel, want "Matthias...werd met gemene toestemming tot de elf apostelen gekozen...En zij werden allen vervuld met den Heiligen Geest" (Hand.1:26, 2:4).         

Op Pinksteren zien we de apostelen weer ten volle hun autoriteit uitoefenen. Toen de aanwezigen van schuld overtuigd waren, en aan Petrus en de andere apostelen vroegen wat zij moesten doen, antwoordde Petrus:

"BEKEERT U, EN EEN IEGELIJK VAN U WORDE GEDOOPT  IN DEN NAAM VAN JEZUS CHRISTUS TOT VERGEVING DER ZONDEN; EN GIJ ZULT DE GAVE DES HEILIGEN GEESTES ONTVANGEN" (Hand.2:38).

En toen doopten de apostelen (en wellicht anderen van de discipelen) hen "TOT VERGEVING VAN ZONDEN". Vergelijk dit met de woorden van onze Heere: "Wiens zonden gij vergeeft, die zijn ze vergeven"  en "en zo wat gij op aarde zult binden zal gebonden zijn in de hemel". Er is hier een volstrekte harmonie.

Maar zou een sluw mens hen niet hebben kunnen bedriegen? Bedroog Ananias hen? Hij werd dood weggedragen! Zoals we hebben gezien, "werden zij allen vervuld met de Heilige Geest" (Hand.2:4) en bekleed met speciale wonderlijke krachten (Hand.1:8), met inbegrip van "de gave van kennis".

In Hand.3:19-21 vinden we Petrus daadwerkelijk bezig om aan Israכl "de tijden der verkoeling" en de wederkomst van Christus aan te bieden. Hij deed dit met officiכle volmacht en het is duidelijk dat dit aanbod was gebonden (als bindend aangenomen)  in de hemel.

Er zijn meerdere van zulke gevallen in het verslag van de bedieningen van de apostelen, maar ייn van bijzonder belang vinden we in Handelingen 10, direct na de bekering van Saulus:

Petrus was niet buiten Gods wil, toen hij aarzelde om naar de heidenen te gaan. Hij kende het profetische programma goed, dat de volkeren zouden worden gezegend door de opwekking en redding van Israכl (Jes.60:1-3). Vervuld met de Heilige Geest, had hij verklaard, dat God Zijn Zoon Jezus had opgewekt om in de eerste plaats Israכl te zegenen, door hen af te keren van hun ongerechtigheden, zodat het verbond met Abraham vervuld zou worden, en de volkeren gezegend zouden worden door hen (Zie Hand.3:25,26 en Mark.7:27, Luk.24:47 en Hand.1:8). Israכl moest eerst aan de voeten van de Messias gebracht worden.

Maar hier werd Petrus door een speciale boodschap gezonden om "niet twijfelende" naar het heidense huis van  Cornelius te gaan. De anderen in Jeruzalem riepen hem later ter verantwoording voor deze handeling, maar nadat hij "beginnende verhaalde het hun vervolgens zeggende…", "verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook den heidenen de bekering gegeven ten leven" (Hand.11:4,18).

Zonder afbreuk te doen aan het koninkrijksaspect van deze gebeurtenis, dient men wel in gedachten te houden dat toen Petrus naar het huisgezin van Cornelius ging, dit niet volgens het profetisch programma of de zgn. "grote opdracht" was. Hij werd niet naar deze heidenen gezonden omdat Israכl Christus aanvaard had, maar ondanks het feit dat Israכl Christus afwees. Maar wat Petrus gedaan had op aarde was gebonden in de hemel en Paulus' daaropvolgende bediening werd later erkend en geruggensteund door de Jeruzalem-kerk op grond van deze activiteit van Petrus hier (Zie Hand.15:1-18).

Naar nog een andere, wellicht de laatste, officiכle handeling van de apostelen wordt verwezen in Galaten 2 waar zij, door hun leiders*/[2], Paulus erkenden als "de apostel der heidenen".

Wij citeren: "EN IK GING OP DOOR EEN OPENBARING, EN STELDE HUN HET EVANGELIE VOOR DAT IK PREDIK ONDER DE HEIDENEN; EN IN HET BIJZONDER DIEGENEN IN ACHTING WAREN, OPDAT IK NIET ENIGSZINS TEVERGEEFS ZOU LOPEN OF GELOPEN HEBBEN".

"EN TOEN JAKOBUS, EN CEFAS, EN JOHANNES, DIE GEACHT WAREN PILAREN TE ZIJN, DE GENADE DIE AAN MIJ GEGEVEN WAS, BEKENDEN, GAVEN ZIJ MIJ EN BARNABAS DE RECHTERHAND DER GEMEENSCHAP, OPDAT WIJ TOT DE HEIDENEN, EN ZIJ TOT DE BESNIJDENIS ZOUDEN GAAN" (Gal.2:2,9).

Hier beloven zij met een plechtige overeenkomst dat zij die oorspronkelijk in de "gehele wereld" en tot "alle volkeren" waren gezonden, om hun bediening te beperken tot Israכl terwijl Paulus naar de heidenen gaat.

 Waren deze leiders van de twaalf buiten de wil van God, toen zij deze overeenkomst maakten? In geen geval! Latere openbaring bewijst, dat zij zeer zeker in de wil van God waren, beide in het zichzelf losmaken van hun opdracht om de wereld te evangeliseren, en in het toestemmen dat Paulus naar de heidenen zou gaan, want Israels verwerping van Christus had een verandering gebracht in het goddelijke programma.

Hier alleen is het antwoord aan het katholicisme. Hier alleen is de bijl gelegd aan de wortel van de boom, want in het licht van deze Schriftplaatsen is het onmogelijk vol te houden dat de kerk van vandaag een voortzetting zou zijn van de organisatie die onze Heere vestigde toen Hij op aarde was. Er is een groot verschil tussen het koninkrijk der hemelen, verkondigd door de twaalf, en het lichaam van Christus, geopenbaard door Paulus.

Er kan dus door Rome's eigen argumentatie geen apostolische successie zijn, want door de autoriteit gegeven aan de twaalf (een autoriteit die Rome pertinent getuigt te bezitten) ontbonden zij zichzelf van hun verplichting om de "grote opdracht" tot het einde toe te volbrengen, en erkenden zij Paulus als de apostel van de nieuwe bedeling. En let wel op: wat zij bonden op aarde werd gebonden in de hemel, en wat zij ontbonden op aarde werd ontbonden in de hemel.

Het profetisch programma was onderbroken. Het koninkrijk werd uitgesteld, terwijl de Koning een koninklijke Balling bleef. Profetie had plaats gemaakt voor "het geheimenis" van Gods doel en genade.

HET GEZAG VAN PAULUS

Aan Paulus was eveneens grote autoriteit verleend. Telkens worden we eraan herinnerd dat hij spreekt door goddelijke openbaring, als de spreekbuis van Christus Zelf. Hij maakt ook duidelijk dat hij dit gezag niet van mensen had gekregen:

"MAAR IK MAAK U BEKEND, BROEDERS, DAT HET EVANGELIE HETWELK VAN MIJ VERKONDIGD IS, NIET IS NAAR DEN MENS.

"WANT IK HEB OOK HETZELVE NIET VAN EEN MENS ONTVANGEN NOCH GELEERD, MAAR DOOR DE OPENBARING VAN JEZUS CHRISTUS" (Gal.1:11,12, 1Cor.11:23, 15:3, Ef.3:2,3, 1Thess.4:15 etc.)

Hij herinnert de Romeinen en de Kolossenzen aan zijn speciale autoriteit als de apostel van de heidenen en dienaar van het lichaam:

"WANT IK SPREEK TOT U, HEIDENEN: VOOR ZOVEEL IK DER HEIDENEN APOSTEL BEN, MAAK IK MIJN BEDIENING HEERLIJK" (Rom.11:13).

"Die mij nu verblijd ik mij in mijn lijden voor u, en vervul in mijn vlees de overblijfselen van de verdrukkingen van Christus VOOR ZIJN LICHAAM, HETWELK IS DE GEMEENTE;

"WELKER/[3] DIENAAR IK GEWORDEN BEN, naar de bedeling GodS, die mij gegeven is aan u, om te vervullen het Woord Gods" (Kol.1:24,25).

Aan de ongeregelde Korinthiכrs schrijft hij: "...DAT ZO IK WEDEROM KOM, IK HEN NIET ZAL SPAREN; DEWIJL GIJ ZOEKT EEN PROEVE VAN CHRISTUS DIE IN MIJ SPREEKT..." (2Kor.13:2,3).

Neem er echter nota van dat Paulus' autoriteit niet van politieke aard was; die was uitsluitend geestelijk en leerstellig. Dit is duidelijk uit de volgende passages:

"DOCH AL WARE HET OOK DAT WIJ, OF EEN ENGEL UIT DEN HEMEL, U EEN EVANGELIE VERKONDIGDE BUITEN HETGEEN WIJ U VERKONDIGD HEBBEN, DIE ZIJ VERVLOEKT.

"GELIJK WIJ TEVOREN GEZEGD HEBBEN, ZO ZEG IK OOK NU WEDEROM: INDIEN U IEMAND EEN EVANGELIE VERKONDIGT BUITEN HETGEEN GIJ ONTVANGEN HEBT, DIE ZIJ VERVLOEKT" (Gal.1:8,9).

"INDIEN IEMAND EEN ANDERE LEER LEERT, EN NIET OVEREENKOMT MET DE GEZONDE WOORDEN VAN ONZEN HEERE JEZUS CHRISTUS, EN MET DE LEER DIE NAAR DE GODZALIGHEID IS,

"DIE IS OPGEBLAZEN..."enz. (1Tim.6:3,4).

"De tekenen van een apostel" werden door Paulus gewerkt, maar hij had niet de "sleutels" tot het lichaam zoals Petrus die had tot het koninkrijk, noch was  hem macht gegeven om zonden te vergeven. Inderdaad, sinds de doop "tot vergeving van zonden" opzij was gezet ten gunste van rechtvaardiging door genade, door geloof, zonder werken, kon hij geen deel hebben in zonden vergeving, maar wel indirect door het blijde nieuws te verkondigen. Dit zal in een volgend hoofdstuk uitvoeriger worden behandeld.

 VRAGEN

1. Op welk Schriftgedeelte baseert Rome voornamelijk haar aanspraken op pauselijk gezag?

2.   Geef twee andere passages waarop zij haar aanspraken op de autoriteit van de (Roomse) kerk    baseert.

 3.  Door welke redenering past zij deze passages toe op de (Roomse) Kerk van vandaag?

 4. Welke fundamentele zwakheid is er in de meeste Protestante interpretaties van deze verzen?

5.   Geef twee verzen (apart van de reeds gegevenen) die aanduiden dat onze Heere aan Zijn apostelen autoriteit verleende om officieel in Zijn naam te handelen.

 6. Was hun autoriteit om zonden te vergeven van hen zelf of was het gedelegeerd?

 7.  Waarom heeft de Vader het toekomstige oordeel van de mens gegeven aan Zijn Zoon?

 8. Laat zien vanuit de Schrift van wie het koninkrijk van Israel zou worden weggenomen.

 9. Laat zien vanuit de Schrift aan wie het zou worden gegeven.

10. Hoe kunt u laten zien vanuit het begin van Handelingen dat Petrus de leider was van de twaalf?

11.  Welke basisfout houden de meeste Protestanten samen met Rome vast, die hen verhindert om de  aanspraken van Rome te weerleggen?

12. Wat was de eerste officiכle handeling van de apostelen?

13. Geef de Schriftplaats die aantoont in welke zin de apostelen zonden vergaven.

14.  Hoe werden zij beschermd tegen bedrog door valse "bekeerlingen"?

15. Welk voorbeeld hebben we als blijk, dat zij niet zo werden bedrogen?

16. Geef een voorbeeld, dat de apostelen iets bonden wat ook in de hemel gebonden was.

17. Geef een voorbeeld, dat de apostelen iets ontbonden wat ook in de hemel ontbonden was.

18. Wat is het fundamentele antwoord aan het Rooms Katholicisme?

19. Hoe geven Rome's eigen aanspraken uitsluitsel aan deze zaak?

20 Geef drie Schriftplaatsen die de aard van Paulus' autoriteit aangeven met betrekking tot Gods  programma voor de huidige bedeling.


    [1]*/Voetnoot: Neem er zorgvuldig nota van, dat het koninkrijk zou worden gegeven aan "een volk", niet "de natiכn". Bovendien zou dit volk vruchten voortbrengen die Israel onder de leiders van die tijd had nagelaten te produceren. Dit "volk" was het gelovige overblijfsel in Israel, samengesteld uit volgelingen van de Messias.

    [2]*/Voetnoot; Hoewel de Jakobus in deze passage klaarblijkelijk niet ייn van de twaalven was.

    [3]*/Voetnoot: In het oorspronkelijk Geschrift staat hier geen lidwoord. Hij was bij uitstek de dienaar van het Lichaam.

Genade bijbel stichting - nieuwegein 2011