|
H
O O F D S T U K VIII.
PETRUS
EN PAULUS ALS
BOUWMEESTERS
PETRUS'
BELIJDENIS
Matt.16:13-19
"Als
nu Jezus gekomen was in de delen
van Cesarea Filippi, vraagde Hij Zijn discipelen zeggende: Wie zeggen de mensen
dat Ik, de Zoon des mensen, ben? "En zij zeiden: Sommigen: Johannes de
Doper; en anderen: -Elia; en anderen: Jeremia of ייn van de profeten. "En
Hij zeide tot hen: Maar gij, -wie zegt gij, dat Ik ben? - "En Simon Petrus
antwoordende zeide: GIJ ZIJT DE CHRISTUS, DE ZOON
DES LEVENDEN GODS. "En Jezus antwoordende zeide tot hem: Zalig zijt
gij, Simon Bar-Jona want vlees en bloed heeft u dat niet geopenbaard, maar Mijn
Vader Die in hemelen is.
"Ik
zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en OP DEZE PETRA ZAL IK MIJN GEMEENTE BOUWEN, EN
DE POORTEN DER HEL ZULLEN DEZELVE NIET OVERWELDIGEN. "EN IK ZAL U GEVEN DE
SLEUTELEN VAN HET KONINKRIJK DER HEMELEN; EN ZO WAT
GIJ ZULT BINDEN OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN GEBONDEN ZIJN; EN ZO WAT
GIJ ONTBINDEN ZULT OP DE AARDE, ZAL IN DE HEMELEN ONTBONDEN ZIJN.
PAULUS'
BELIJDENIS
1Cor.3:10-15
"NAAR DE GENADE GODS DIE MIJ GEGEVEN IS, HEB IK ALS
EEN WIJS BOUWMEESTER HET FUNDAMENT GELEGD; EN EEN ANDER BOUWT DAAROP. MAAR EEN
IEGELIJK ZIE TOE, HOE HIJ DAAROP BOUWT.
"WANT NIEMAND KAN EEN ANDER FUNDAMENT LEGGEN, DAN
HETGEEN GELEGD IS, HETWELK IS JEZUS CHRISTUS.
"EN INDIEN IEMAND OP DIT FUNDAMENT BOUWT: GOUD, ZILVER,
KOSTBARE STENEN, HOUT, HOOI, STOPPELEN; "EENS IEGELIJKS WERK ZAL OPENBAAR
WORDEN, WANT DE DAG ZAL HET VERKLAREN, DEWIJL HET DOOR VUUR ONTDEKT WORDT; EN
HOE DANIG EENS IEGELIJKS WERK IS, ZAL HET VUUR BEPROEVEN.
"ZO IEMANDS WERK BLIJFT, DAT HIJ DAAROP GEBOUWD HEEFT,
DIE ZAL LOON ONTVANGEN.
"ZO IEMANDS WERK ZAL VERBRAND WORDEN, DIE ZAL
SCHADE LIJDEN, MAAR ZELF ZAL HIJ BEHOUDEN WORDEN, DOCH ALZO ALS DOOR
VUUR.
PETRUS
EN DE MESSIAANSE GEMEENTE
Het
is belangrijk om op te merken dat het Petrus' belijdenis
was waardoor hij de naam Petrus, Rots
kreeg, en het was op deze belijdenis ( "deze rots", Gr. Petra) dat
Christus Zijn Gemeente zou gaan bouwen. Door te claimen dat de gemeente op
Petrus zelf is gefundeerd, verontachtzaamt Rome volledig de context, verhoogd
Petrus boven Christus en spreekt vierkant het Woord van God tegen dat zegt:
"WANT
NIEMAND KAN EEN ANDER FUNDAMENT LEGGEN DAN HETGEEN GELEGD IS, HETWELK IS JEZUS
CHRISTUS". ( 1 Kor.3:11)
Maar
er dient bijzonder op gelet te worden dat Petrus Jezus beleed als "de
Christus (Hebr. Messias,
Gezalfde),
de Zoon van de levende God".
We
herinneren ons, dat de twaalf waren uitgezonden om te prediken: "Het
koninkrijk der hemelen is nabij gekomen" (Matt.10:5-7). Christus Zelf
was natuurlijk Gods Gezalfde Zoon, gekozen om op de troon in dit koninkrijk te
zitten.
Als
de Heere, steeds meer afgewezen in Israel, nu Zijn discipelen vraagt: "Wie
zegt gij dat Ik ben?", is het aangrijpend te horen hoe Petrus direct en
zonder meer antwoordt: "Gij zijt de Christus, de Zoon des levenden Gods".
Deze
waarheid: Jezus als de ware Koning, en Zoon van God, moest het enige fundament
zijn van de Messiaanse gemeente*/[1],
en zo erkenden de ware gelovigen de Heere in die tijd.
Bij
een andere gelegenheid belijdt Petrus opnieuw zijn geloof in Jezus als de
Messias, als hij zegt:
"
en wij hebben geloofd en bekend, dat Gij zijt DE CHRISTUS, DE ZOON DES LEVENDEN
GODS" (Joh.6:69).
Nathanael
erkende Hem op dezelfde wijze en zei:
"Rabbi,
Gij zijt DE ZONE GODS; GIJ ZIJT DE KONING ISRAELS"
(Joh.1:50).
Martha
zei:
"Ja,
Heere, ik heb geloofd, dat Gij zijt DE CHRISTUS, de Zone Gods, Die in de wereld
komen zou" (Joh.11:27).
Johannes,
schrijvend over het aardse leven van onze Heere, besluit zijn evangelie:
"Jezus
dan heeft nog wel vele andere tekenen in de tegenwoordigheid van Zijner
discipelen gedaan, die niet zijn geschreven in dit boek. "Maar deze zijn
geschreven, opdat gij gelooft, dat
JEZUS IS DE CHRISTUS, DE ZONE GODS; en opdat gij gelovende het leven hebt in
Zijn Naam" (Joh.20:30,31).**/[2]
PAULUS
EN HET LICHAAM VAN CHRISTUS
Wij
weten echter dat Israel als volk Christus afwees en dat de Messiaanse gemeente
haar voltooiןng niet kon bereiken. De Messias, de Fundering- en Hoeksteen werd
verworpen en het gebouw ligt, ook vandaag nog, in puin. Zo laat God Israel zien,
dat haar huis niet zal bestaan, dan totdat zij Jezus als Zijn Zoon en haar
Koning erkent.
Ondertussen
bouwt God een ander huis, of ten minste een ander gedeelte van het grote
samengevoegde gebouw waarnaar wordt verwezen in Ef.2:21,22. Het bouwen van dit
huis, de gemeente van deze tijd, was een geheim, waarvan Petrus en de elf
niets wisten toen zij Christus als koning volgden, en op Pinksteren Zijn
koninkrijk aanboden aan Israel.
De
plannen en details voor het bouwen van deze gemeente werden toevertrouwd aan
Paulus door de verheerlijkte Heere Zelf. Hij zegt, door de Geest:
"NAAR
DE GENADE GODS DIE MIJ GEGEVEN IS, HEB IK ALS EEN WIJS BOUWMEESTER*/[3] HET FUNDAMENT GELEGD; EN EEN ANDER BOUWT DAAROP"
(1Cor.3:10).
Als
Paulus zegt: "Ik heb het fundament
gelegd", bedoelt hij niet dat de gemeente van deze bedeling niet ףףk
op Christus is gefundeerd, want in het volgende vers verklaart hij duidelijk dat
er geen ander fundament kan gelegd worden dan Christus Jezus. Daarom is het zo
belangrijk dat "een iegelijk toeziet hoe hij daarop bouwt" (3:10).
Inderdaad, in Ef.2:20 zegt hij ook dat wij zijn "gebouwd
op het fundament der apostelen en profeten". Dat is, wij zijn "gebouwd op Jezus Christus".
Het
punt in Paulus' aanspraak is dat we nu Christus kennen op
een andere manier. Terwijl Petrus en de elf Hem kenden als de Koning die de
aarde zal regeren, kennen wij Hem (dezelfde Persoon) als het verheerlijkte Hoofd
van het Lichaam (Ef.1:19-23),
Paulus
geeft, door de Geest, te kennen dat er een verandering in bedeling heeft plaats
gevonden, als hij zegt:
"Zo
dan, wij kennen VAN NU AAN niemand naar het vlees; en INDIEN WIJ OOK CHRISTUS
NAAR HET VLEES GEKEND HEBBEN, NOCHTANS KENNEN WIJ HEM NU NIET MEER NAAR HET
VLEES" (2Cor.5:16).
Vףףr
die tijd werd van de mensen verwacht dat zij zouden geloven in Jezus als "de
Christus, de Zoon des levenden Gods", de Koning Die als God zal regeren
op de troon van David. Maar met de roeping van Paulus werd Israels verwerping
van Christus een feit en wij stellen
ons vertrouwen in de verworpen Koning als onze
verheerlijkte Heere en Redder. Daarop verklaart Paulus:
"Namelijk
indien gij met uw mond zult belijden den Heere Jezus, en met uw hart geloven,
dat God Hem uit de doden OPGEWEKT heeft, zo zult gij zalig worden" (Rom.10:9).
TWEE
NIET TE VERWARREN ZAKEN
Wij
moeten ervoor oppassen de gemeente beschreven in de Efezebrief niet te verwarren
met die waarover onze Heere met Petrus sprak. Dat
was een geprofeteerde gemeente. Deze
was een verborgenheid. De plannen en nadere beschrijvingen voor die
gemeente vinden wij in de Oud Testamentische geschriften. De plannen en
nadere beschrijvingen voor deze
gemeente waren "geheim gehouden van
het begin der wereld" (Rom.16:25), "verborgen
geweest van alle eeuwen en van alle geslachten" (Kol.1:26), "in
andere eeuwen... niet bekend gemaakt" (Ef.3:5), maar nu geopenbaard aan
en door de apostel Paulus.
Petrus
en Paulus bouwden dan ook op hetzelfde fundament, maar terwijl in het
duizendjarig rijk de kerk zal zijn gebouwd op onze Heere als Israels
Messias, is de gemeente van de tegenwoordige bedeling gebouwd op Hem, als het verheerlijkte Hoofd van het Lichaam, verworpen op aarde, maar
verhoogd ver boven alles, aan Gods rechterhand in de hemel.
Dit
onderscheid komt duidelijk naar voren door Hand.2 en 2 Tim.2 met elkaar te
vergelijken.
In
de eerste passage verklaart Petrus dat God Christus uit de dood heeft opgewekt om
te zitten op de troon van David (Hand.2:29-36). In de tweede passage
vermaant Paulus Timotheus:
"Merk
hetgeen ik zeg; doch de Heere geve
u verstand in alle dingen.
"HOUD
IN GEDACHTENIS, DAT JEZUS CHRISTUS UIT DE DODEN IS OPGEWEKT, WELKE IS UIT DEN
ZADE DAVIDS, NAAR MIJN EVANGELIE,
"Om
hetwelk ik verdrukkingen lijd, tot de banden toe, als kwaaddoener, maar het
Woord Gods is niet gebonden" (2Tim.2:7-9).
Om
te begrijpen wat de apostel bedoelt wanneer hij zegt dat Jezus Christus, uit het
zaad van David, (ook) werd opgewekt uit de dood volgens zijn
evangelie, moeten we terugkeren naar Ef.1 en 2, waar we hem biddend vinden
dat gelovigen het geestelijke inzicht mogen krijgen om te zien:
"...welke
is de hoop van Zijn roeping, en welke de rijkdom is der heerlijkheid
Zijner erfenis in de heiligen,
"EN
WELKE DE UITNEMENDE GROOTHEID ZIJNER KRACHT IS AAN ONS, DIE GELOVEN, NAAR DE
WERKING DER STERKTE ZIJNER MACHT,
"DIE
HIJ GEWROCHT HEEFT IN CHRISTUS, ALS HIJ HEM UIT DE DODEN HEEFT OPGEWEKT; EN
HEEFT HEM GEZET TOT ZIJN RECHTERHAND IN DEN HEMEL" (EF.1:18-20).
"MAAR
GOD, DIE RIJK IS IN BARMHARTIGHEID, DOOR ZIJN GROTE LIEFDE, WAARMEDE HIJ ONS
LIEFGEHAD HEEFT,
"OOK
TOEN WIJ DOOD WAREN DOOR DE MISDADEN, HEEFT ONS LEVEND GEMAAKT MET CHRISTUS (UIT
GENADE ZIJT GIJ ZALIG GEWORDEN),
"EN
HEEFT ONS MEDE OPGEWEKT, EN HEEFT ONS MEDE GEZET IN DEN HEMEL IN CHRISTUS
JEZUS" (EF.2:4-6).
Petrus
zou zeker, indien hij het geweten had, zo'n boodschap op Pinksteren hebben
gepredikt. Maar dat wist hij niet. Op Pinksteren verkondigde hij Christus alleen
als de Redder-Koning, Die God had opgewekt uit de dood, om te zitten op de troon
van David. Hij riep Israel op tot bekering, en tot doop ter vergeving van
zonden, zodat de tijden der verkoeling mochten komen, en God Jezus terug zou
zenden, Die zij hadden verworpen en gekruisigd
(Hand.3:19-21).
De
bediening van Petrus werd inderdaad begeleid door wonderlijke tekenen, die
zouden "verdwijnen" gedurende de bediening van Paulus. Maar wie zal er
verlangen naar "Pinksterkracht", als hij de opstandingskracht van
Christus' heeft leren kennen? (Ef.1:19,20, Fil.3:10).
Het
is deze boodschap waar satan een gloeiende hekel aan heeft en zo bitter
tegenstaat dat Paulus daardoor moeiten lijdt als een kwaaddoenener tot de boeien
toe. En geen wonder! Het zag er naar uit dat met Israels verwerping van Christus
alle hoop voor de wereld verloren was; dat de mens zijn eigen redding onmogelijk
had gemaakt; dat Gods beloften hadden gefaald. En
toen kwam de openbaring van het geheimenis! De voornaamste der zondaren werd
gered en uitgezonden om "het
evangelie van Gods genade" te verkondigen.
Het zelfde kruis dat veroordeling voor de mens betekende werd nu geopenbaard
als het krachtige middel tot zijn redding, en zij die in Christus vergoten bloed
geloofden werd de vergeving van hun zonden vrij geschonken en een positie in
Christus gegeven aan Gods rechterhand in de hemelse gewesten!
PAULUS
DE BOUWMEESTER
Paulus
was niet hoogmoedig toen hij zich de bouwmeester van de gemeente van deze
bedeling noemde. Hij maakt
duidelijk dat deze positie hem was gegeven "overeenkomstig
de genade van God". Hij verbindt inderdaad altijd zijn unieke positie
met de genade van God, want zijn bekering en bediening was de uitnemendste
betoning van die genade (zie Rom.1:5, 12:3, 15:15,16, 1Cor.15:9,10, Gal.1:15,16,
2:9, Ef.3:7,8 en 1Tim.1:12-16).
Mozes
was de bouwmeester van de tabernakel. God gaf hem de plannen en beschrijvingen
ervoor, en zei: "Zie...dat gij het alles maakt naar de afbeelding, die u op den
berg getoond is" (Hebr.8:5).
Zoals
Mozes de wet vertegenwoordigt, zo vertegenwoordigt Paulus de genade. Paulus was
ook een bouwmeester, want aan hem vertrouwde God de plannen en beschrijvingen
toe voor een groter gebouw, "een heilige tempel", de gemeente, die
Christus' lichaam is. Stap voor stap werden de details aan hem bekend gemaakt
door direkte openbaring zodat hij als "een wijs bouwmeester", het
recht en de verantwoordelijkheid had, om deze aan ons, de bouwers, voor te
houden.
DE
VERANTWOORDELIJKHEID
VAN DE
BOUWERS
Waarom
hebben Gods bouwers zo jammerlijk gefaald om te bouwen volgens de plannen en
beschrijvingen die uiteengezet zijn in de brieven van Paulus? Waarom negeren zij
de waarschuwing:
"IK
HEB HET FUNDAMENT GELEGD...EEN IEGELIJK ZIE TOE, HOE HIJ DAAROP BOUWT"
(1Cor.3:10)?
Zij
hebben materiaal van Petrus genomen en daarmee gebouwd op Paulus' fundament. Zij
hebben gesproken over "het koninkrijk bouwen" en hebben tevergeefs
geprobeerd de zogenaamde "grote opdracht" uit te voeren. Zij hebben
waterdoop, tongentaal, genezingen, en tekenen genomen uit de tijd van een andere
bedeling en gevoegd in de bedeling van Gods genade nadat God
had gezegd dat deze zouden "verdwijnen", totdat de kerk zo
verward en verdeeld was geworden en weinigen nog weten wat ze moeten geloven.
Dit
komt door het
te licht opnemen van de apostolische vloek uit Gal.1:8:
"DOCH
AL WARE HET OOK, DAT WIJ, OF EEN ENGEL UIT DEN HEMEL, U EEN EVANGELIE
VERKONDIGDE, BUITEN HETGEEN WIJ U VERKONDIGD HEBBEN, DIE ZIJ VERVLOEKT".
Zijn
de geestelijke leiders zich niet bewust van de toestand van de kerk of zijn zij
vergeten dat zij rekenschap zullen moeten afleggen aan God van hun werkzaamheden
als het bouwwerk wordt geןnspecteerd?
Wij
kunnen natuurlijk niet God de schuld geven van de huidige toestand van de kerk. De
bouwers zijn te beschuldigen. In plaats van het Woord recht gesneden te
prediken, hebben zij hun gemeenten gevoed met melk en muziek. ֹיn of ander
pakkend gezegde, een treffend vers hier of daar vandaan gehaald, ongeacht de
context; dit samen met wat entertainment wordt gebracht als wat zou moeten zijn
verstandige en geestelijk krachtige prediking van het Woord. En de meerderheid
van de christenen is zo lang gevoed met dit soort dieet, dat zij geestelijk ziek
zijn- zo ziek, dat hun geestelijke leiders zich genoodzaakt voelen om tot in het
oneindige door te gaan met dit lichte dieet.
Veelal
wordt aangevoerd dat zielen worden gered, maar zullen de bouwers van kerken dan
nimmer inzien dat handen opsteken of het naar voren gaan van mensen niet de mate
van succes van hun werk aangeeft? Zal hun
werk standhouden? Dat is de vraag. Niet of het publieke bijval heeft, maar zal het de heilige toets doorstaan?
Te
vaak hebben geestelijke leiders de waarschuwing van Paulus in 1 Cor.3:10-17
toegepast op het christelijk gedrag in het algemeen, terwijl deze passage
specifiek gaat over de bouwers en hun werk bij
de opbouw van de gemeente. Het resultaat: kijk naar naar de gemeente - ja, zelfs
de fundamentele, bijbelgetrouwe gemeente. Onderzoek nauwkeurig, en kijk of het
gebouw in een gezonde staat verkeert. Kijk of het voor het grootste gedeelte is
samengesteld uit "goud, zilver,
kostbare stenen," of uit "
hout, hooi of stoppelen". En
vraag dan uzelf af, wat de grote goddelijke Inspecteur zal zeggen tegen de
bouwers als hij hun werk bekijkt.
Vele
belangrijke, populaire evangelisten en predikers van vandaag, zullen die
dag wenen als zij hun werk in vlammen zien opgaan. Zelfs als "hij zelf
zal worden behouden", zal het een droevige zaak zijn, om "verlies te
lijden", terwijl er beloningen worden uitgereikt.
Hoe
kunnen Gods arbeiders verkeerd bouwen, en de afkeuring van hun werk door de
grote Bouw-Inspecteur voorkomen?
Er is maar ייn manier:
"BENAARSTIG
U, OM UZELVEN GODE BEPROEFD VOOR TE STELLEN, EEN ARBEIDER DIE NIET BESCHAAMD
WORDT, DIE HET WOORD DER WAARHEID RECHT SNIJDT" (2Tim.2:15).
VRAGEN
1.
Hoe verkreeg Simon de naam Petrus,
Steen?
2.
Op welke Petra, of rots zou Christus toen "Zijn gemeente" bouwen?
3.
Geef een Schriftplaats om te bewijzen, dat deze gemeente niet zou worden gebouwd op Petrus zelf.
4.
Naar welke gemeente verwees onze Heere in Matt. 16:18?
5.
Waarvan beloofde onze Heere aan Petrus de sleutels te geven?
6.
Geef bewijs dat de Heere niet heeft kunnen verwijzen naar "de
gemeente, die Zijn lichaam is".
7.
Geef twee andere Schriftvoorbeelden die aangeven, dat gelovigen in die
tijd Jezus zagen als de
Messias
en Zoon van God.
8. Hoe moeten
mensen vandaag Jezus belijden om gered te worden? Geef Schriftplaatsen.
9. Hoe is de
relatie tussen onze Heere en de gemeente in deze huidige bedeling?
10. Op Pinksteren verklaarde Petrus dat God Christus had opgewekt uit de
dood, met welk doel?
11.
Welke verdere openbaring kreeg Paulus, en maakte hij bekend over de opstanding
van Christus?
12.
Paulus herinnerde Timotheus er later aan dat Jezus Christus, uit het zaad
van David, werd opgewekt uit
de
dood, overeenkomstig wat?
13.
Welke relatie onderschrijft Paulus m.b.t het bouwen van de gemeente van
deze dagen?
Geef
een Schriftplaats.
14. Hoe bemoedigt hij de bouwers in dit verband?
15.
Uit welke verschillende materialen zal Gods gebouw zijn samengesteld?
16.
Hoe zal het werk van de bouwers worden beproefd, en wat wat zal de ene,
grote proef zijn van
voldoende
werk?
17. Hoe zullen de resultaten de bouwers beinvloeden?
18
Geef Schriftplaatsen aan om te bewijzen dat de redding
van de werklieden niet zal worden beןnvloed
door
de kwaliteit van hun werk.
19. Wie is, overeenkomstig 1Cor.3:10-15, te beschuldigen voor de
toestand van de hedendaagse kerk?
20.
Welk Schriftgedeelte geeft aan hoe wij er zeker van kunnen zijn dat wij
Gode beproefde arbeiders zijn?
|